|
10 juni 1997/nr. SV/VP/97/2018
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 9, tweede
lid, van de Algemene Kinderbijslagwet;
Besluit:
Art. 1.
Inkomen van het
kind
-1. Onder inkomen van het
kind, bedoeld in artikel 7, vierde lid,
onderdeel a, van de
Algemene Kinderbijslagwet, wordt
verstaan alle inkomsten uit arbeid na
aftrek van eventueel verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen
en werknemersverzekeringen die in een kwartaal betaald of verrekend zijn,
ter beschikking zijn gesteld,
rentedragend zijn geworden of vorderbaar
en tevens inbaar zijn geworden, die
dat kind toekomen of ter beschikking worden gesteld.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt tevens als inkomen
van het kind aangemerkt inkomen uit
arbeid van dat kind in natura.
-3. Inkomsten in natura als
bedoeld in het tweede lid worden
gewaardeerd overeenkomstig de normen,
bedoeld in artikel 13 van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art. 2.
Verwervingskosten
De kosten van verwerving,
inning of behoud van inkomen die het
kind maakt, worden, voor zover
redelijk, op het inkomen, bedoeld in
artikel 1, in mindering gebracht.
Art. 3.
Inkomen uit
vakantiewerk
Netto-inkomen tot een totaalbedrag van €|1250,00
dat het kind tijdens de zomervakantie uit arbeid
verwerft voor zover deze arbeid niet
voor een langere periode ook buiten
de zomervakantie wordt verricht en mits deze arbeid geen deel uitmaakt van de studie
of beroepsopleiding die dat
kind volgt, wordt niet als
inkomen als bedoeld in artikel 1
aangemerkt.
Art. 4.
Grondslag
Deze regeling berust op de artikelen 7,
vijfde lid, en 41 van de Algemene
Kinderbijslagwet.
Art. 5.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 oktober 1997.
Art. 6.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling inkomen
kinderbijslag 1997.
’s-Gravenhage, 10 juni
1997.
De Staatssecretaris
voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[10 juni 1997]
Deze ministeriële regeling
vervangt de Regeling inkomen
kinderbijslag van 24 oktober 1995. Op grond van
de Regeling inkomen
kinderbijslag werd onder inkomen van het kind
verstaan alle gelden die het kind of
de ouders van het kind ten behoeve van
dat kind toekomen en die aangewend
kunnen worden ter bestrijding van
de onderhoudskosten van dat kind. Op deze inkomsten waren een aantal
uitzonderingen gemaakt.
Uitzonderingen waren:
- de onderhoudsbijdrage van
de verzekerde aan het kind;
- de inkomsten uit vermogen
waarover de verzekerde het vruchtgenot heeft;
- op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) of de Wet op de jeugdhulpverlening
of vergelijkbare regelingen verstrekte
vergoedingen of tegemoetkomingen in de kosten ten behoeve van
verleende zorg;
- netto-inkomen uit
vakantiewerk tot een bepaald bedrag;
- commerciële leningen of
bijdragen van derden ter bekostiging
van onderwijskosten, boven een bepaald bedrag. Bij ministeriële regeling
van 3 oktober 1996 werd aan de rij uitzonderingen de halfwezenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet
(Anw) toegevoegd.
In de Regeling
tegemoetkoming onderhoudskosten
thuiswonende meervoudig en ernstig
lichamelijk gehandicapte kinderen (TOG) [zie Regeling
tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000
(TOG 2000), red.] werd nog geregeld dat een tegemoetkoming op grond van die regeling
geen inkomen van het kind in de
zin van de AKW is.
Inkomen uit arbeid (anders
dan vakantiewerk), huursubsidie
en wezenpensioen bijvoorbeeld werden wel als inkomen aangemerkt. Bij
nader inzien wordt het ongewenst geacht
bepaalde inkomensbestanddelen als inkomen aan te merken.
Een (half)wezenuitkering,
verstrekt ingevolge een particuliere
verzekering vanwege het wegvallen van
(een deel van) het ouderlijk inkomen,
kon er bijvoorbeeld toe leiden dat de
overblijvende ouder of de pleegouders van een kind (van 16 of 17 jaar)
geen aanspraak konden maken op
kinderbijslag voor dat kind. De (half)wezenuitkering ingevolge een particuliere
verzekering werd immers tot het inkomen van het kind gerekend in de
zin van de AKW.
Een ander voorbeeld van de
onbillijke uitwerking van de Regeling
inkomen kinderbijslag betreft de
door een werkgever verstrekte
reiskostenvergoeding aan het kind. Deze
reiskostenvergoeding werd aangemerkt als inkomen van het kind in de
zin van de AKW. Tegenover de
reiskostenvergoeding staan echter de door het
kind gemaakte reiskosten. Met individuele kosten als reiskosten kon
sinds de vereenvoudiging van de onderhoudsvoorwaarden AKW per 1 oktober 1995
(Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 220, en Besluit
onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag) op geen enkele manier meer rekening gehouden
worden bij de beoordeling van het recht
op kinderbijslag. Juist voor
kinderen met een hoge
reiskostenvergoeding (en naar mag worden aangenomen
dus met hoge reiskosten) bestond
geen recht op kinderbijslag. Dit,
terwijl voor kinderen zonder reiskostenvergoeding (en dus met geen of lage reiskosten) wel recht op kinderbijslag
bestond.
Met onderhavige
ministeriële regeling wordt ernaar gestreefd dat onwenselijke uitkomsten als
bovengenoemd in de toekomst niet meer
voorkomen.
Als inkomen wordt slechts
nog aangemerkt het inkomen dat uit
arbeid wordt verworven.
Ingevolge bovengenoemd
Besluit onderhoudsvoorwaarden
kinderbijslag wordt een bepaald forfaitair
bedrag per kwartaal vrijgesteld.
Het inkomen uit arbeid dat die grens overschrijdt, heeft tot gevolg dat het
recht op kinderbijslag wordt beëindigd. Van kinderen met een dusdanig hoog
inkomen (ongeveer het niveau van het nettominimumjeugdloon voor een
16/17-jarige) uit arbeid kan
gesteld worden dat zij een grote mate van
zelfstandigheid hebben. Dit kan niet gezegd
worden van bijvoorbeeld kinderen
die een wezenpensioen ontvangen.
Bij inkomen uit arbeid kan
het gaan om arbeid in
dienstbetrekking, maar ook om arbeid verricht in
een arbeidsverhouding die daarmee gelijk te
stellen is. Essentieel daarbij is dat werkzaamheden worden verricht waarvoor
een vergoeding wordt
gegeven. Daarnaast kan de arbeid ook
uit stagewerkzaamheden bestaan. De stagevergoeding wordt dan ook als inkomen
aangemerkt.
Overeenkomstig de Regeling
inkomen kinderbijslag gaat het in
onderhavige regeling om inkomsten die in
een kwartaal betaald of
verrekend zijn, ter beschikking zijn gesteld,
rentedragend zijn geworden of vorderbaar
en tevens inbaar zijn geworden. De definitie van inkomen wordt gegeven in het
eerste lid van artikel 1.
Ook inkomsten uit arbeid die
in natura worden verstrekt,
behoren tot het inkomensbegrip van
onderhavige regeling. Dit is geregeld in
het tweede lid van artikel 1. Onder
inkomen in natura worden bijvoorbeeld
verstaan de inkomsten die een kind dat als au pair werkt geheel of
gedeeltelijk in natura ontvangt. De
inkomsten in natura dienen zo nodig te
worden gewaardeerd overeenkomstig
de normen van artikel 8 Coördinatiewet Sociale Verzekeringen
(artikel 1, derde lid).
Verwervingskosten kunnen
voor zover redelijk van het
inkomen worden afgetrokken. Dit is geregeld
in artikel 2. Onder verwervingskosten
worden verstaan de kosten van verwerven, inning of behoud van
inkomen. Reiskosten zijn een
voorbeeld van verwervingskosten en kunnen
dus op de inkomsten in mindering
worden gebracht. Als redelijk
worden hier beschouwd de kosten die zijn
gebaseerd op de kosten van tweede klas
openbaar vervoer.
Een reiskostenvergoeding van
de werkgever, opdrachtgever of
stagebaas moet daarentegen tot het inkomen uit arbeid worden
gerekend.
Evenals in de Regeling
inkomen kinderbijslag het geval was, is ook in onderhavige regeling (artikel
3) het inkomen van het kind uit
vakantiewerk tot een bepaald bedrag (bovenop eerdergenoemde forfaitaire vrijstelling)
uitgezonderd van het inkomensbegrip. Indien deze arbeid ook
buiten de zomervakantie voor langere
tijd wordt verricht of deze arbeid
deel uitmaakt van de studie of opleiding
die het kind volgt, dan is er geen sprake
van vakantiewerk. Indien in de
vakantieperiode meer dan voordien en nadien gebruikelijk is, wordt
gewerkt, kan dit meerwerk wel als vakantiewerk worden aangemerkt. Voor het jaar
1997 was de vrijstelling van
inkomsten uit vakantiewerk reeds geregeld
in de ministeriële regeling van
27 maart 1997, Stcrt. 63. Dit bedrag
is overgenomen in onderhavige regeling.
Met onderhavige regeling
wordt derhalve de onredelijke uitwerking
van de Regeling inkomen
kinderbijslag weggenomen. Daarnaast betekent de nieuwe regeling een aanmerkelijke
vereenvoudiging van het inkomensbegrip. Alleen met inkomen uit
arbeid dient nog rekening gehouden te
worden bij de vaststelling van de onderhoudsvoorwaarden AKW en dus bij de bepaling
van het recht op AKW. Vooral
de uitvoeringsorganisatie, de
Sociale Verzekeringsbank, is gebaat
bij deze vereenvoudiging. Daarnaast
zal een eenvoudiger inkomensbegrip
ook de verzekerden beter inzicht
geven in hun rechten.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|
|