|
28 september 1998/nr. SV/VP/98/23800
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 7, twaalfde
lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, artikel
26,
vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel
5,
vierde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en artikel
26, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet zoals dat
artikel luidde op 1 oktober 1995;
Besluit:
Art. 1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. AKW: Algemene
kinderbijslagwet;
b. ANW: Algemene
nabestaandenwet;
c. Wet Wajong: Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
Art. 2.
-1. Het kind, bedoeld in
artikel 26, tweede lid, onderdeel a, van
de Anw, of de verzekerde ten behoeve
van een kind als bedoeld in de
artikelen 7, tweede lid, onderdeel a, en 26, eerste lid, onderdeel a, van de AKW, zoals dit artikel luidde op 1 oktober
1995, heeft, indien het kind lessen of
stages volgt van gemiddeld minder dan 213
klokuren per kwartaal, toch aanspraak
op een wezenuitkering op grond
van de Anw of
kinderbijslag op
grond van de AKW, indien:
a. het kind een opleiding aan
een instelling voor hoger onderwijs als
bedoeld in de artikelen 1.8 of 6.9 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel een
daarmee gelijkwaardige opleiding in
of buiten Nederland volgt met een studiebelasting van
ten minste 1680 uur per jaar;
b. het kind een andere
studie of opleiding volgt dan genoemd onder a,
met een studiebelasting van ten
minste 1600 uur per jaar; of
c. het kind in het
eindexamenjaar van een meerjarige studie of
opleiding ten minste gemiddeld 162
klokuren per kwartaal lessen of stages
volgt.
-2. De persoon, bedoeld in
artikel 1:4, eerste lid, onderdeel e, van
de Wet Wajong wordt, indien deze
persoon lessen of stages volgt van
gemiddeld minder dan 213 klokuren per
kwartaal, toch aangemerkt als
studerende indien onderdeel a, b of c van het eerste lid op hem van overeenkomstige
toepassing is.
Art. 3.
Intrekken regeling
uit 1997
De Regeling van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 6 maart 1997, nr. SV/VP/97/0829, wordt ingetrokken.
Art. 4.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 oktober 1998.
Art. 5.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling klokuren 1998.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 28
september 1998.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[28 september 1998]
In artikel
7, tweede lid,
onderdeel a, van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) is voor kinderen van
16 en 17 jaar voor wie de verzekerde
aanspraak wil maken op kinderbijslag,
vastgelegd dat door het kind gedurende
213 klokuren per kwartaal overdag lessen
of stages moeten worden
gevolgd. Dit onderwijscriterium is
eveneens opgenomen in de Algemene
nabestaandenwet (Anw) en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong). In de op de drie genoemde wetten gebaseerde Ministeriële Regeling van 6 maart 1997,
nr. SV/VP/97/0829 zijn nadere en
afwijkende regels gesteld ten aanzien
van dit onderwijscriterium.
Bovengenoemd onderwijscriterium is in de
AKW, Anw en Wajong opgenomen in
navolging van het criterium dat door
de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen (OCW) wordt gehanteerd bij bijvoorbeeld het recht
op studiefinanciering. Met ingang van het
studiejaar 1998-1999 heeft de Minister van OCW bij Beleidsregel van 25 november 1997, kenmerk
SFB-1997/34485 een versoepeling
van dit criterium doorgevoerd. De
voorwaarde dat de lessen of stages overdag moeten plaatsvinden, is geschrapt.
In navolging hiervan zal het kabinet voorstellen deze voorwaarde op korte
termijn te schrappen in de AKW, Anw
en Wajong. Daar de drie
genoemde wetten voorzien in de mogelijkheid
tot het treffen van nadere en
afwijkende regels, kan in deze
ministeriële regeling, ook voor het schooljaar 1998-1999 voor het recht op
kinderbijslag op grond van de AKW, een
wezenuitkering op grond van de Anw en een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wajong, reeds,
voorafgaande aan de voorgenomen
wetswijziging, met deze beleidswijziging rekening worden gehouden.
Voorts is voor kinderen die
lessen of stages volgen aan andere
instellingen dan het hoger of
wetenschappelijk onderwijs, eveneens in
navolging van het beleid van de Minister
van OCW, een studiebelastingsnorm van
1600 uren ingevoerd. Hierbij
wordt met name gedacht aan voortgezet
onderwijs en middelbaar
beroepsonderwijs. Ook in deze vormen van
onderwijs is in toenemende mate sprake van
onderwijsmethodes die uitgaan van een grote mate van
zelfwerkzaamheid van de scholieren, waardoor niet kan worden voldaan aan de klokurennorm
van 213 uur, terwijl wel sprake
is van een studiebelasting van 40 weken
à 40 uur.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|