|
31 januari 1996/nr. 96494
Het
College van toezicht
sociale verzekeringen;
Gelezen een verzoek van de
Sociale Verzekeringsbank;
Gelet op artikel 2, eerste
lid, van de Regeling voorlegging besluiten uitvoeringsinstanties;
Besluit:
Goed te keuren het
bijgevoegde Besluit controlevoorschriften ten aanzien van kinderbijslaggerechtigden
van wie het gezin buiten Nederland woont
van 26 januari 1996 van het
bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Zoetermeer, 31 januari 1996.
College van toezicht sociale
verzekeringen,
E.J.J.E. van Leeuwen-Schut,
voorzitter.
BIJLAGE
Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank;
Gelet op artikel 16,
eerste
lid, en de daarop gebaseerde Controlevoorschriften
AKW zoals bij Besluit van 12 februari 1993, Stcrt.
1994, 232, door het
bestuur zijn vastgesteld, en artikel 19 van de
Algemene Kinderbijslagwet;
Besluit:
Art. 1.
Van de voorschriften zoals
neergelegd in de artikelen 7, tweede
lid, en 8 van de Controlevoorschriften AKW, alsmede van
artikel 19
Algemene Kinderbijslagwet, zal ten aanzien van
kinderbijslaggerechtigden
van wie één of meer rechtgevende
kinderen en/of de eventuele (huwelijks)partner
buiten Nederland woont, gebruik
worden gemaakt op een wijze zoals
is beschreven in de
bijlage welke bij dit
besluit is gevoegd.
Art. 2.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin
het wordt geplaatst.
Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit
controlevoorschriften ten aanzien van kinderbijslaggerechtigden van wie het gezin buiten
Nederland woont.
Dit besluit zal met de
bijlage in de Staatscourant worden
geplaatst.
Aldus door het bestuur
vastgesteld op 26 januari 1996.
Amstelveen, 26 januari 1996.
B. de Vries, voorzitter,
P.A. Schaafsma,
president-directeur.
BIJLAGE
Controlevoorschriften ten
aanzien van AKW-gerechtigden van wie het
gezin buiten Nederland woont
Op grond van
artikel 8 van
de bij besluit van 12 februari 1993
door het bestuur van de SVB
vastgestelde en door de SVr [Sociale Verzekeringsraad, red.] bij besluit van
17 november 1994 goedgekeurde Controlevoorschriften
AKW zijn in Nederland en
buiten Nederland wonende AKW-gerechtigden verplicht na een oproep van de
SVB op het kantoor
van de SVB of op een door de Bank
te bepalen kantoor te verschijnen en de gevraagde gegevens te verstrekken.
Voorts zijn de gerechtigden
op grond van artikel 7, tweede lid, van de Controlevoorschriften
AKW verplicht een geldig
identificatiebewijs, zoals
bedoeld in de Wet
op de identificatieplicht, aan de SVB ter inzage te
verstrekken.
De volgende categorieën van
kinderbijslaggerechtigden zullen ieder kwartaal door verzending van een
daartoe strekkende oproep verplicht worden om
persoonlijk te verschijnen en zich te
identificeren:
- de gehuwde of
samenwonende kinderbijslaggerechtigde: als zijn (huwelijks)partner buiten Nederland
woont en/of één of meer
rechtgevende kinderen buiten Nederland wonen;
- de alleenstaande
kinderbijslaggerechtigde: als één of meer
rechtgevende kinderen buiten Nederland wonen.
Voor beide categorieën
geldt dat oproeping achterwege blijft indien het
rechtgevende kind in Nederland heeft gewoond en vooropgezet
tijdelijk in het buitenland verblijft, bijvoorbeeld om studie- of stageredenen.
Oproeping zal eveneens
achterwege blijven ten aanzien van degenen die
als grensarbeider zijn te
kwalificeren. Onder een grensarbeider
wordt verstaan iemand die in Nederland
werkt en dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert naar zijn gezin. Voor grensarbeiders wordt
volstaan met de kwartaalsgewijze controle op
het voortbestaan van het dienstverband in Nederland.
Personen die niet zijn te
kwalificeren als grensarbeider en
verzekerd zijn op grond van werken, zullen geen
oproep krijgen om zich ieder
kwartaal te melden en te identificeren indien
is gebleken dat de controle op het
voortbestaan van de dienstbetrekking
feitelijk goed functioneert en qua
betrouwbaarheid niet te wensen overlaat. Of
dit laatste zich voordoet zal
door de SVB worden vastgesteld op basis
van de omstandigheden van het geval.
Effectuering van het
controlebeleid
Degenen voor wie het
controlevoorschrift geldt, ontvangen ieder
kwartaal persoonlijk een brief met
het verzoek zich vóór een bepaalde datum
op een door hem/haar te bepalen
tijdstip te melden en te identificeren.
In bijzondere gevallen zal dit tijdstip
door de SVB kunnen worden bepaald.
Meldt betrokkene zich niet
tijdig, dan wordt een herhaalde oproep
verzonden. Heeft betrokkene zich niet
gemeld vóór de betaaldatum van de
kinderbijslag dan wel anderszins niets van
zich laten horen, dan wordt de betaling
van de kinderbijslag geannuleerd.
Op grond van artikel 18, eerste lid, AKW
moet de kinderbijslag uiterlijk
binnen drie maanden na afloop van het
kwartaal waarover recht op
kinderbijslag bestaat, worden betaald. Als de
cliënt zich ook niet vóór de laatste dag van
het kwartaal volgend op het kwartaal
waarover aanspraak bestaat, heeft
gemeld, wordt een formele schorsingsbeschikking genomen. De SVB heeft deze
bevoegdheid indien een gerechtigde de
controlevoorschriften niet nakomt op grond van artikel
19, onderdeel c,
AKW. Heeft de cliënt zich een
kwartaal na schorsing van de
kinderbijslag nog niet gemeld, dan wordt het recht
op kinderbijslag beëindigd, tenzij er
redenen zijn om nog nader onderzoek te
verrichten naar het bestaan van
verzekering. Is de verzekering gebaseerd op
ingezetenschap, dan vormt de grondslag voor beëindiging het feit dat onvoldoende is
komen vast te staan dat
betrokkene ingezetene is dan wel dat
niet is komen vast te staan dat de
verzekerde degene is voor wie hij zich
uitgeeft. Is de verzekering gebaseerd op het verrichten
van werkzaamheden in Nederland,
dan is de grondslag voor beëindiging
het feit dat onvoldoende is komen vast te
staan dat de dienstbetrekking nog
steeds voortduurt.
Het kan voorkomen dat de
cliënt zich meldt nadat de
schorsingsbeslissing of de beëindigingsbeslissing
in kracht van gewijsde is gegaan. In dat
geval zal slechts door middel van een ex-nuncbeoordeling worden
vastgesteld of met ingang van de eerstkomende
peildatum de betaling van de
kinderbijslag weer kan worden hervat, respectievelijk of recht op kinderbijslag
bestaat, en zal niet meer worden beoordeeld
of met terugwerkende kracht moet
worden teruggekomen op de rechtens
onaantastbaar geworden beslissingen. Dit
is slechts anders indien blijkt
dat de beslissingen op onjuiste gronden waren genomen zonder dat dit de
cliënt in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval wordt de
schorsingsbeslissing met volledig terugwerkende kracht ingetrokken of wordt
het recht op kinderbijslag heropend
met een terugwerkende kracht van
maximaal één jaar, behoudens een
langere termijn in gevallen van bijzondere hardheid.
TOELICHTING
[26 januari 1996]
Uit een recent ingesteld
onderzoek is gebleken dat een grote groep kinderbijslaggerechtigden niet voldoet aan de
verplichting om een
wijziging van het adres door te geven.
Daardoor loopt de SVB het risico dat in
bepaalde situaties ten onrechte
kinderbijslag wordt uitbetaald. Dit doet zich met name voor
bij verzekerden van wie het
gezin in het buitenland woont. Het blijkt
vrij vaak voor te komen dat een dergelijke verzekerde zich weer bij zijn gezin in
het buitenland vestigt zonder
dit te melden aan de SVB of de
gemeentelijke basisadministratie (GBA).
Voor zover de verzekering is
gebaseerd op ingezetenschap eindigt
deze door de vestiging buiten Nederland.
Indien de SVB niet op de hoogte wordt
gesteld van de vestiging in het
buitenland, eindigt de verzekering zonder dat de
SVB dit weet, hetgeen tot gevolg
heeft dat ten onrechte kinderbijslag
wordt uitbetaald.
Bij degenen die verzekerd
zijn op grond van werken in Nederland kan
zich een soortgelijk risico
voordoen. Als de SVB niet op de hoogte wordt
gesteld van het vertrek van de
kinderbijslagontvanger uit Nederland en evenmin van het daarmee
samenhangende einde van de
dienstbetrekking, is zij niet op de hoogte van het
einde van de verzekering. Het gevolg
hiervan is eveneens dat ten onrechte
kinderbijslag wordt betaald. Een dergelijk
risico doet zich niet voor bij degenen
die als grensarbeider kunnen worden gekwalificeerd. Onder een grensarbeider
wordt verstaan iemand die in Nederland
werkt en dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert naar zijn
gezin. Omdat een grensarbeider
regelmatig bij zijn gezin verblijft, is er
geen verhoogd risico dat hij zonder iets
te melden stopt met werken in
Nederland om zich weer bij zijn gezin te voegen.
Teneinde het risico van
onrechtmatige kinderbijslagbetalingen in
te perken, is door het bestuur besloten om
kinderbijslaggerechtigden van wie het gezin (dat wil zeggen één of meer kinderen
en/of de eventuele
(huwelijks)partner) buiten Nederland woonachtig
is, door het verzenden van een oproep
te verplichten zich eens per drie maanden
bij het betreffende
districtskantoor van de SVB te melden en te
identificeren. Op deze wijze kan op effectieve
wijze controle worden uitgeoefend op de
juistheid van de verzekeringsgrondslag. Indien de verzekering is
gebaseerd op ingezetenschap, kan door controle op de aanwezigheid van de
verzekerde in Nederland worden vastgesteld
of hij Nederland niet definitief
heeft verlaten. Is de verzekering gebaseerd
op werken in Nederland, dan kan door
controle op de aanwezigheid van de
verzekerde in Nederland worden vastgesteld
of hij nog steeds in Nederland
verblijft in verband met zijn werkzaamheden hier
te lande.
De grondslag voor een
dergelijke controlemaatregel is gelegen in een nadere uitwerking van het besluit
Controlevoorschriften AKW, welke zijn gebaseerd op
artikel 16,
eerste lid, AKW. In
dit besluit is vastgelegd dat in
Nederland en in het buitenland wonende gerechtigden verplicht zijn om na een
oproep van de SVB te verschijnen.
De verplichting om zich te identificeren
berust op de Organisatiewet sociale
verzekeringen [zie artikel 55, eerste lid, Wet
SUWI, red.] en is eveneens vastgelegd in
de Controlevoorschriften AKW.
In het geval een cliënt
zich pas bij de SVB meldt nadat een ten
aanzien van hem genomen schorsings- of beëindigingsbeslissing in
kracht van gewijsde is gegaan, zal in beginsel niet meer met terugwerkende
kracht worden teruggekomen op deze
rechtens onaantastbaar geworden beslissingen.
De SVB volgt hiermee de
algemeen aanvaarde leer van de
formele rechtskracht van beschikkingen en zal
geen gebruik maken van de haar
toekomende discretionaire bevoegdheid
om van deze leer af te wijken.
Hiervan kan alleen worden afgeweken
indien op grond van nieuwe feiten
blijkt dat de in kracht van gewijsde gegane
beslissing op onjuiste gronden is
genomen.
In die situatie wordt aan de
hand van de mate waarin de betrokkene
kan worden verweten dat deze beslissing
is genomen, beoordeeld of, en zo ja, in
hoeverre met terugwerkende kracht op deze
beslissing zal worden teruggekomen.
|
|