|
Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank;
Besluit:
Art.
1.
De beoordeling of een kind dat onderwijs volgt aan een école of
mosquée coranique in Marokko kan worden aangemerkt als onderwijs
volgend in de zin van artikel 7, tweede lid,
onderdeel a,
artikel 7, derde lid, onderdeel
a, ten eerste, en artikel 26,
eerste lid, aanhef en onder a, (zoals deze bepaling gold tot 1
januari 1996) van de
Algemene Kinderbijslagwet en artikel 26,
tweede lid, aanhef en onder
a, van de
Algemene nabestaandenwet, zal plaatsvinden op een wijze zoals is
beschreven in de
bijlage welke bij dit besluit is gevoegd.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1997.
Art.
3.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit koranonderwijs AKW/Anw.
Dit besluit zal met bijlage
en toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Aldus besloten door het
bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Amstelveen, 26 september
1997.
Prof. dr. B. de Vries, voorzitter,
mr. P.A. Schaafsma,
president-directeur.
BIJLAGE
Het volgen van onderwijs in
Marokko aan een école of mosquée
coranique, dat niet voorbereidend is op
enig examen, resulterend in een diploma
of getuigschrift, verder te noemen koranonderwijs, wordt met ingang van 1 oktober 1997 niet
aangemerkt als het volgen van onderwijs in de
zin van de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) en de Algemene nabestaandenwet
(Anw). Indien naar aanleiding van
een eerste aanvraag nog een primaire
beslissing, een beslissing op bezwaar of
een nieuwe beslissing hangende of na een gevoerde beroepsprocedure
dient te worden genomen, zal het
volgen van koranonderwijs wél als het
volgen van onderwijs in de zin van de
AKW en Anw worden aangemerkt, voor
zover het de beoordeling van
tijdvakken betreft gelegen vóór 1 oktober 1997. In de gevallen waarin reeds
kinderbijslag over het derde kwartaal van
1997 is toegekend ten behoeve van
kinderen die koranonderwijs volgen of
een wezenpensioen is toegekend
over periodes vóór 1 oktober 1997 aan
kinderen die koranonderwijs volgen
en waarin de toekenning afhankelijk is
van het volgen van onderwijs, zal
het volgen van koranonderwijs evenwel
nog tot 1 april 1998 als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en Anw
worden aangemerkt.
Dit laatste geldt eveneens
voor de gevallen waarin de Sociale
Verzekeringsbank een eerdere toekenning heeft beëindigd vanwege het
volgen van koranonderwijs en deze beëindigingsbeslissing door de rechter in beroep is
vernietigd.
In de gevallen waarin reeds
een afwijzende primaire beslissing of een beschikking op bezwaar is
genomen, zal in beginsel slechts op
verzoek van betrokkenen tot herziening van de betreffende beslissingen
worden overgegaan. Het maakt hierbij geen
verschil of tegen de betreffende
besluiten nog een rechtsmiddel kan worden
ingesteld of dat zij rechtens
onaantastbaar zijn geworden.
TOELICHTING
[26 september 1997]
Voor een kind jonger dan 16 jaar kan, krachtens artikel 7,
derde lid, onderdeel a, ten eerste, van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW), recht op tweevoudige kinderbijslag bestaan
indien dat kind door of in verband met het volgen van onderwijs of een
beroepsopleiding niet tot het huishouden van de verzekerde behoort, noch
als eigen, aangehuwd of pleegkind tot het huishouden van een ander
behoort en tevens door de verzekerde grotendeels wordt onderhouden. Voor
een kind van 16 jaar of ouder kan, krachtens artikel 7,
tweede lid, onderdeel a, en artikel 26,
tweede lid, aanhef en onder a, AKW
(zoals deze bepaling gold tot 1 januari 1996), onder andere recht op
kinderbijslag bestaan als het kind onderwijs volgt.
Ook kan een wees van 16 tot 21 jaar, krachtens artikel 26,
tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene
nabestaandenwet (Anw), recht op een wezenuitkering hebben indien de
wees onderwijs volgt.
Recht op een wezenuitkering of kinderbijslag
kan slechts ontstaan indien het onderwijs dat het kind volgt, aangemerkt
wordt als onderwijs in de van de AKW en Anw. Om een bepaalde
onderwijsvorm aan te kunnen merken als onderwijs in de zin van de AKW en
Anw dient het onderwijs aan een aantal in de jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep ontwikkelde vereisten te voldoen.
Overeenkomstig de jurisprudentie wordt de eis gesteld dat het onderwijs
voorbereidend moet zijn op enig examen ter verkrijging van een diploma
of getuigschrift.
Uit in Marokko ingestelde onderzoeken is
gebleken dat het onderwijs gegeven aan de école en de mosquée
coranique niet voldoet aan het bovengenoemde vereiste en derhalve is
deze onderwijsvorm niet aan te merken als onderwijs in de zin van de
AKW.
Het eerste door de SVB
ingestelde onderzoek omtrent het koranonderwijs vond plaats medio 1994.
Vanaf dat moment werd geen kinderbijslag of een wezenpensioen meer
toegekend indien het kind onderwijs volgde aan een école of mosquée
coranique. De rechtbank Amsterdam heeft op 1
oktober 1996 in enkele uitspraken geoordeeld dat het ingestelde
onderzoek onvoldoende was om op basis daarvan tot de conclusie te komen
dat het koranonderwijs niet als onderwijs in de zin van de AKW
aangemerkt kon worden. Naar aanleiding van deze uitspraken heeft de SVB
een uitgebreider onderzoek naar de status van het koranonderwijs in
Marokko laten uitvoeren. Dit vervolgonderzoek bevestigde de conclusie
van het eerdere onderzoek.
De rechtbank oordeelde tevens dat in gevallen
waarin sprake is van gewijzigd beleid, de in acht te nemen
zorgvuldigheid bij de invoering van dat gewijzigd inzicht vereist dat
ongerechtvaardigde temporele verschillen in de uitvoering vermeden
dienen te worden.
De rechtbank was van mening dat alvorens het
gewijzigd beleid werd ingevoerd een tijdstip van invoering vastgesteld
had moeten worden en dat een regeling voor de lopende gevallen getroffen
had moeten worden, bijvoorbeeld in de vorm van een overgangsregeling.
Ter voldoening aan de door de rechter gestelde
eisen wordt nu een tijdstip vastgesteld met ingang waarvan het volgen
van onderwijs aan een école of mosquée coranique niet meer zal worden
aangemerkt als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en de Anw.
Door te kiezen voor een in de toekomst liggend
moment voor de invoering van het gewijzigde beleid ten aanzien van het
koranonderwijs wordt zoveel mogelijk tegemoet gekomen aan het
rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel.
Het besluit zal ingaan per 1 oktober 1997 en
derhalve slechts betrekking hebben op periodes gelegen ná 1 oktober
1997. In de gevallen waarin nog op een primaire aanvraag of op een
aanhangig bezwaar moet worden beslist, zal het volgen van koranonderwijs
wél als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW en Anw worden
aangemerkt, voor zover het de beoordeling van tijdvakken betreft gelegen
vóór 1 oktober 1997.
Bij wijze van overgangsregeling zal in de
gevallen waarin reeds kinderbijslag over het derde kwartaal 1997 of een
wezenpensioen is toegekend over periodes tot 1 oktober 1997 ten behoeve
van kinderen die koranonderwijs volgen, en waarin de toekenning
afhankelijk is van het volgen van onderwijs, het volgen van
koranonderwijs evenwel nog tot 1 april 1998 als het volgen van onderwijs
in de zin van de AKW en Anw worden aangemerkt.
Op die manier krijgen gerechtigden die bij de
toekenningsbeschikking niet zijn gewezen op de eventuele beperkte duur
van het recht, de gelegenheid om zich gedurende twee kwartalen in te
stellen op het feit dat het recht beëindigd zal worden.
In situaties waarin een reeds lopend recht door
de SVB was beëindigd en deze beëindigingsbeslissing door de rechter
werd vernietigd, zal bij de nieuw te nemen beslissing eveneens het
volgen van koranonderwijs tot 1 april 1998 als het volgen van onderwijs
in de zin van de AKW en Anw worden aangemerkt.
Dit laatste geldt niet indien een
afwijzingsbeslissing op de eerste aanvraag door de rechter werd
vernietigd. Voor betrokkenen in die situaties is het
rechtszekerheidsbeginsel niet aan de orde omdat aan hen nog niet eerder
het recht op kinderbijslag of een wezenuitkering was toegekend. Wel
geldt voor deze gevallen dat tot 1 oktober 1997 het volgen van
koranonderwijs geaccepteerd zal worden.
In de gevallen waarin reeds een afwijzende
primaire beslissing of een beschikking op bezwaar is genomen, zal in
beginsel slechts op verzoek van betrokkenen tot herziening van de
betreffende beslissingen worden overgegaan. Het maakt hierbij geen
verschil of tegen de betreffende besluiten nog een rechtsmiddel kan
worden ingesteld of dat zij rechtens onaantastbaar zijn geworden.
De herzieningsverzoeken zullen vervolgens
worden afgehandeld overeenkomstig het beleid van de SVB zoals dat is
geformuleerd in haar brochure "SVB Beleidsregels ’97".
|
|