|
12 juni 1996/nr. 962820
Het
College van toezicht
sociale verzekeringen;
Gelezen het verzoek van de
Sociale Verzekeringsbank van 3 april
1996;
Gelet op artikel 2, eerste
lid, onderdeel c, van de Regeling voorlegging
besluiten uitvoeringsinstanties;
Besluit:
Goed te keuren het
bijgevoegde besluit van de Sociale Verzekeringsbank inzake
beoordeling van het "eigen-kind"-criterium in de Algemene
Kinderbijslagwet ten aanzien van Ghanese
kinderen.
Zoetermeer, 12 juni 1996.
College van toezicht sociale verzekeringen,
W. Etty, plv. voorzitter.
BIJLAGE
Ghanabesluit AKW
Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank;
Gelet op artikel 7 van de
Algemene Kinderbijslagwet;
Besluit:
Art. 1.
De beoordeling of een kind
ten behoeve van wie
kinderbijslag wordt aangevraagd of verkregen
door een man welke krachtens Ghanees
recht als de vader van dit kind wordt aangemerkt, als eigen kind van de
aanvrager of rechthebbende in de zin
van de Algemene Kinderbijslagwet
kan worden beschouwd, zal plaatsvinden
op een wijze zoals is beschreven in
de
bijlage welke bij dit besluit is
gevoegd.
Art. 2.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Ghanabesluit AKW.
Dit besluit zal met bijlage
in de Staatscourant worden geplaatst.
Aldus besloten door het
bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
Amstelveen, 22 maart 1996.
B. de Vries, voorzitter,
P.A. Schaafsma,
president-directeur.
BIJLAGE
Ghanabesluit
AKW
Indien
kinderbijslag wordt
aangevraagd door een man die aangeeft
tot het kind ten behoeve van wie hij de
aanvraag doet krachtens Ghanees recht
in een familierechtelijke betrekking te staan, zal het betreffende kind
slechts als eigen kind van de aanvrager in de
zin van de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) worden aangemerkt voor zover
dit kind is geboren staande een
wettelijk geregeld of daarmee gelijk te stellen
huwelijk tussen de aanvrager en de
moeder van het kind.
De aanvrager dient de
omstandigheid dat hij ten tijde van de
geboorte van het betreffende kind gehuwd
was met de moeder aan te tonen door
overlegging van dubbel gelegaliseerde
afschriften van de betreffende huwelijks-
en geboorteakten.
Tot 1 juli 1996 zal evenwel
aan de aanvrager die ten tijde van de
geboorte van zijn natuurlijke kind de
Ghanese nationaliteit bezat het recht op
kinderbijslag niet worden geweigerd om de
enkele reden dat hij ten tijde van
de geboorte van het betreffende kind niet
wettelijk gehuwd was met de moeder
ervan.
Ten aanzien van de gevallen
waarin reeds kinderbijslag is
toegekend aan een man die heeft aangegeven
tot het betreffende kind als vader in
een familierechtelijke betrekking krachtens Ghanees recht te staan, zal voor
zover dit nog nodig is, onderzocht gaan worden of het betreffende kind werd
geboren staande een wettelijk
geregeld of daarmee gelijk te stellen huwelijk.
Bij wijze van
overgangsregeling zal evenwel voor de gevallen die
bij de toekenningsbeslissing niet zijn gewezen op de beperkte duur van de
toekenning in verband met het bepaalde in
dit besluit, tot 1 januari 1997 het recht
op kinderbijslag niet worden beëindigd
vanwege de enkele reden dat het
bestaan van een huwelijk als hiervoor
bedoeld niet kan worden aangetoond.
In de gevallen waarin nog
een eerste aanvraag moet worden
ingediend of waarin op een reeds
ingediende primaire aanvraag nog moet worden beslist, zal bij de te nemen
beslissing voor de kwartalen tot 1 juli
1996 het ontbreken van een huwelijk
tussen de aanvrager en de moeder van
het betreffende kind niet worden
tegengeworpen.
Hetzelfde geldt ten aanzien
van lopende bezwaarschriftprocedures
waarin nog geen beslissing op het
bezwaarschrift is genomen.
In de gevallen waarin reeds
een afwijzende primaire beslissing of een beschikking op bezwaar is
genomen, zal in beginsel slechts op
verzoek van betrokkenen tot herziening van de betreffende uitspraken worden
overgegaan. Het maakt hierbij geen
verschil of tegen de betreffende
besluiten nog een rechtsmiddel kan worden
ingesteld of dat zij reeds rechtens
onaantastbaar zijn geworden.
TOELICHTING
[22 maart 1996]
Op grond van
artikel 7 van
de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kan
een verzekerde overeenkomstig de
bepalingen van de AKW recht op
kinderbijslag hebben voor een eigen kind,
een aangehuwd kind of een
pleegkind.
Als eigen kind van een
mannelijke verzekerde worden door de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) aangemerkt diens wettige kinderen en de door
hem geadopteerde of erkende kinderen.
Voor zover adoptie of
erkenning krachtens een buitenlands
rechtsstelsel heeft plaatsgevonden, gelden de betreffende kinderen als eigen kinderen
van betrokkene indien de
totstandkomingsvereisten voor en de rechtsgevolgen
van de rechtsfiguren naar het
vreemde recht in essentie overeenstemmen met
de vereisten voor en de gevolgen van de
vergelijkbare rechtsfiguren naar
Nederlands recht. Dit laatste is in overeenstemming met bestendige
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. (Bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 23
december 1987, KBW 1986/99; RSV 1988, 168 (met betrekking
tot "erkenning") en Centrale Raad van Beroep 28 februari 1986, KWen
1984/45; RSV 1986, 217 (met betrekking
tot adoptie)). In het geval van aanvragen om kinderbijslag door Ghanese mannen ten
behoeve van in Ghana geboren
en verblijvende kinderen waarbij werd
aangevoerd dat de betreffende kinderen
op grond van erkenning volgens
Ghanees recht als eigen kinderen
dienden te worden aangemerkt, hanteerde
de SVB in beginsel eveneens het
hierboven beschreven beleid. Op grond
van de aangeduide
beoordelingscriteria concludeerde de SVB dat de betreffende
kinderen niet als eigen kind in de
zin van de AKW konden worden aangemerkt. In beroep bij de rechter (rechtbank Amsterdam
15 december 1995, 94/11368 AKW
e.a.) is deze opvatting getoetst,
waarbij de SVB ten aanzien van haar
inhoudelijk standpunt in het gelijk is gesteld.
Hierdoor werd bevestigd dat
kinderbijslag kan worden geweigerd ten aanzien
van Ghanese kinderen van wie
niet is aangetoond dat zij zijn geboren staande een wettelijk geregeld of
daarmee gelijk te stellen huwelijk.
Tevens werd in genoemde
uitspraak echter geoordeeld dat de SVB
dit beleid met betrekking tot Ghanese "erkenningen" niet uniform had gehanteerd
waardoor strijd met het
gelijkheidsbeginsel was opgetreden.
Dit besluit strekt ertoe om
bij de uitvoering van genoemd beleid de
vereiste waarborgen voor een gelijke
behandeling van gelijke gevallen te
creëren. Het gelijkheidsbeginsel brengt onder meer met zich mee dat
temporeel geen ongerechtvaardigde
verschillen mogen bestaan in de beoordeling
van soortgelijke situaties. Er is daarom
gekozen voor een in de toekomst
liggend moment vanaf welk alle
gevallen op gelijke wijze zullen worden
beoordeeld op het "eigen-kind"-criterium.
Dit "omslag"-moment is
bepaald op 1 juli 1996 om alle bestaande
gevallen tijdig te kunnen informeren over
het ten aanzien van hen te starten
heronderzoek en de eventuele gevolgen van de
uitkomsten daarvan.
Hoewel ook de
kinderbijslagrechten van de groep van de
bestaande gevallen per 1 juli 1996 in beginsel
zullen worden vastgesteld overeenkomstig
het hiervoor bepaalde, zal bij wijze van overgangsregeling het niet
voldoen aan het huwelijksvereiste tot 1
januari 1997 niet aan deze gerechtigden
worden tegengeworpen. Op deze wijze
wordt voor laatstbedoelde groep de
mogelijkheid geschapen om gedurende
ongeveer twee kwartalen te kunnen
anticiperen op het onvoorzien wegvallen
van hun huidige kinderbijslagbetalingen.
Het recht op kinderbijslag
zal echter wel per 1 juli 1996 eindigen
voor diegenen aan wie vóór de
inwerkingtreding van dit besluit het recht op
kinderbijslag was toegekend, maar die er
bij de toekenning op zijn gewezen
dat het recht slechts van tijdelijke
aard zou zijn in verband met het bepaalde
in dit besluit. Een langer
doorlopen van het recht in verband met het
rechtszekerheidsbeginsel is voor deze groep
rechthebbenden immers niet aan de orde. Het gelijkheidsbeginsel
brengt tevens met zich mee dat het "eigen-kind"-criterium zoals hier aan de orde tot 1
juli 1996 niet meer zal worden tegengeworpen. Tot deze datum kan derhalve
recht op kinderbijslag
bestaan ten behoeve van de biologische kinderen van de aanvrager, ook als
niet is vastgesteld dat de betrokken kinderen
uit een huwelijk tussen de
ouders zijn geboren en zij derhalve feitelijk niet zijn aan te merken als eigen
kinderen in de zin van de AKW. De betreffende kinderen worden daarmee tot
het derde kwartaal van 1996 fictief
als eigen kind van de aanvrager beschouwd.
Alvorens kinderbijslag kan worden
toegekend, zal wel aan de overige
gebruikelijke eisen voor toekenning, zoals
bijvoorbeeld het hebben voldaan van de
onderhoudsbijdrage, moeten zijn voldaan.
Reeds genomen beslissingen
welke een afwijzing van het recht op
kinderbijslag behelsden vanwege het feit
dat de betrokken kinderen niet als
eigen kinderen van de aanvrager konden
worden aangemerkt, zullen in
beginsel slechts worden herzien op verzoek
van betrokkenen. Dit geldt niet alleen met
betrekking tot de besluiten die reeds rechtens onaantastbaar zijn geworden,
maar tevens ten aanzien van de
besluiten waartegen nog de
mogelijkheid van bezwaar of beroep openstaat.
De herzieningsverzoeken
zullen vervolgens worden afgehandeld
overeenkomstig het beleid van de SVB zoals
dat is geformuleerd in haar
brochure "Beleidsregels AOW, AWW en AKW".
|