|
BESLUIT van 20 december 1991 ter
voorkoming van samenloop van kinderbijslag
WIJ
BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 27 november 1991, Directoraat-Generaal
Sociale Zekerheid, Hoofdafdeling Volksverzekeringen en
Pensioenen, nr. DGSZ/SV/T/91/5944;
Gelet op
artikel 18, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (Stb.
1990, 128);
De Raad
van State gehoord (advies van 19 december 1991, nr.
W12.91.0671);
Gezien het
nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, van 19 december 1991, Directoraat-Generaal
Sociale Zekerheid, nr. DGSZ/SV/T/91/6765;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
Art. 1.
In dit besluit wordt
verstaan onder de wet: de Algemene
Kinderbijslagwet (Stb. 1990, 128).
Art. 2.
Indien voor een kind
dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort tot
een huishouden, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag
bestaat voor twee personen van wie één persoon krachtens
overeenkomst of rechterlijke uitspraak verplicht is bijdragen te
leveren voor levensonderhoud ten behoeve van dat kind, wordt de
kinderbijslag waarop laatstbedoeld persoon recht heeft niet
betaald.
Art.
3.
In afwijking van
artikel 2 van dit besluit en van artikel
18, vierde lid, van de wet wordt de
kinderbijslag betaald aan degene die de hoogste
bijdrage in het onderhoud van het kind levert, indien:
a. voor een kind
over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag bestaat voor
twee personen;
b. één van deze personen tot wiens huishouden het kind niet behoort,
krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak verplicht
is bijdragen te leveren voor levensonderhoud ten behoeve van
dat kind;
c. deze
overeenkomst of uitspraak tot stand is gekomen vóór 1
januari 1982; en
d. deze
overeenkomst of rechterlijke uitspraak geen bepaling bevat
op grond waarvan de kinderbijslag waarop de laatstgenoemd
persoon recht heeft aan de andere persoon moet worden
afgedragen.
Art. 4.
Indien voor een kind:
a. jonger dan 16
jaar dat hetzij door of in verband met het volgen van
onderwijs of van een beroepsopleiding, hetzij door of in
verband met ziekte of gebreken vermoedelijk het eerstkomende
jaar niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot
een huishouden zal behoren; of
b. van 16 jaar of
ouder dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind
tot een huishouden behoort;
recht bestaat op kinderbijslag voor twee of meer personen, in andere situaties
dan bedoeld in artikel 18, tweede lid, van
de wet en in artikel 2, waarbij geen van die personen het kind grotendeels
onderhoudt, wordt, in afwijking van artikel
18, vijfde lid, van
de wet, de kinderbijslag betaald aan degene die de hoogste
bijdrage in het onderhoud van het kind levert, alsmede aan
degene die de op één na hoogste bijdrage in het onderhoud van
dit kind levert. Aan andere personen wordt geen kinderbijslag
betaald.
Art. 5.
Indien de samenloop,
bedoeld in artikel 4, onderdeel b, betrekking heeft
op een kind van 18 jaar of ouder, waarbij een persoon dit kind
grotendeels onderhoudt en een ander persoon dit kind in
belangrijke mate onderhoudt, wordt, in afwijking van artikel
18,
vijfde lid, van de wet, de kinderbijslag
aan elk van deze
personen betaald.
Art.
5a.
-1. Indien twee personen
op basis van een overeenkomst een kind overwegend in gelijke
mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een
gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt, tenzij in de
overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag
waarop
één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk
verdeeld betaald aan deze personen, terwijl de kinderbijslag
waarop de andere persoon recht heeft niet wordt uitbetaald.
-2. Indien twee of meer personen
recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind en niet duidelijk is
tot wiens huishouden het kind behoort, wordt, tenzij duidelijk is wat
deze personen daarover zijn overeengekomen, de kinderbijslag waarop
één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijkelijk verdeeld
over de huishoudens waartoe deze personen behoren en uitbetaald aan
één persoon per huishouden, terwijl de kinderbijslag waarop de andere
personen recht hebben niet wordt uitbetaald.
Art. 6.
Dit besluit kan worden
aangehaald onder de titel: Samenloopbesluit
kinderbijslag.
Art. 7.
De Algemene Maatregel
van Bestuur van 19 februari 1982 (Stb.
1982, 67) wordt ingetrokken.
Art. 8.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 1992.
Lasten en bevelen, dat
dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat
daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State.
's-Gravenhage, 20 december 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
E. ter Veld
Uitgegeven de eenendertigste
december 1991
De Minister van Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
|
|