|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1994-1995,
24 221
Wijziging van een aantal
socialeverzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Afschaffing van het
bonus-malussysteem |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Uitspraken Centrale
Raad van Beroep |
| 2.3 |
Bonus |
| 2.4 |
Conclusie |
| 2.5 |
Overgangsrecht |
| 3 |
Afschaffing
bonus-malussysteem en de reïntegratie van personen met een
arbeidshandicap |
| 4 |
Bemiddeling van
arbeidsgehandicapten |
| 4.1 |
Algemeen |
| 4.2 |
De
bemiddelingspopulatie |
| 5 |
Concrete
reïntegratie-instrumenten |
| 5.1 |
Verbetering van
bestaande reïntegratie-instrumenten |
| 5.2 |
Nieuwe
reïntegratie-instrumenten |
|
6 |
Volume- en
financiële effecten |
| 6.1 |
Herziening of
toekenning van de arbeidsongerschiktheidsuitkering bij toename van arbeidsongeschiktheid voortkomend uit dezelfde oorzaak |
| 6.2 |
Afschaffing
bonus-malussysteem |
| 6.3 |
Intensivering
flankerende maatregelen gericht op (re)integratie |
| 6.4 |
Recapitulatie |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XII |
Algemeen
1. Inleiding
In dit wetsvoorstel is
het voorstel opgenomen om de in de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) neergelegde wettelijke bepalingen op grond waarvan
bonusuitkeringen worden toegekend en geldelijke bijdragen aan werkgevers
worden opgelegd, hierna verder aan te duiden als het bonus-malussysteem,
af te schaffen. Er wordt naar gestreefd de inwerkingtreding van dit
voorstel te doen plaatsvinden op 1 juli 1995.
De malus had meerdere
doelstellingen, waarvan één inhield het beïnvloeden van het
gedrag van de werkgever, ertoe strekkende dat hij een positieve bijdrage
zou leveren aan het verminderen van het arbeidsongeschiktheidsvolume.
Een andere doelstelling was het invoeren van een kostendekkend
financieringssysteem voor het stimuleren van het in
dienst nemen door
werkgevers van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers door de
toekenning van een bonus. Door de afschaffing van het bonus-malussysteem
komen deze instrumenten, die bijdroegen aan het in dienst houden dan wel
in dienst nemen van arbeidsongeschikte werknemers en daarmee aan de
participatie op de arbeidsmarkt van deze werknemers, te vervallen. Gelet
hierop ben ik van mening dat de afschaffing van het bonus-malussysteem
gekoppeld moet worden aan het treffen van maatregelen die tot doel
hebben de reïntegratie van mensen met een arbeidshandicap te
bevorderen (flankerend beleid). Door deze maatregelen wordt het verlies
van de malus en de bonus als twee op reïntegratie gerichte
instrumenten opgevangen.
De
arbeidsongeschiktheidsregelingen voor het overheidspersoneel zullen
conform de in dit wetsvoorstel neergelegde wijzigingen worden aangepast.
2. Afschaffing van het
bonus-malussysteem
2.1. Algemeen
Een belangrijk onderdeel
van het regeerakkoord zijn de afspraken over de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Kern daarvan is dat positieve
rblz.|2|
effecten
worden verwacht van het vergroten van het financieel belang van
werkgevers bij een laag ziekteverzuim en een lage uitstroom naar de
arbeidsongeschiktheidsregelingen. Op basis van de indringende analyse
van de parlementaire enquêtecommissie, studie en rapportage van de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over de uitvoering van de
werknemersverzekeringen heeft het kabinet de conclusie getrokken dat de
Ziektewet (ZW) geprivatiseerd moet worden en dat bij de uitvoering van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) marktwerking en
premiedifferentiatie geïntroduceerd moeten
worden [zie respectievelijk de Wet uitbreiding
loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) en de Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba), red.]. In het verlengde
van deze voornemens is in het regeerakkoord vastgelegd dat de malus zal
vervallen.
De reden om de malus af
te schaffen, is primair gelegen in het feit dat, door het introduceren
van marktwerking en premiedifferentiatie in de WAO, gegarandeerd wordt
dat er voldoende financiële prikkels voor een werkgever aanwezig zijn
om binnen de onderneming een beleid te voeren dat gericht is op de
beperking van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Immers
door de malus af te schaffen op het moment waarop ook de
premiedifferentiatie en marktwerking in de WAO worden ingevoerd, wordt
de ene financiële prikkel voor de werkgever vervangen door de andere.
Deze koppeling ligt ook voor de hand omdat het bonus-malussysteem
onderdeel uitmaakte van een zorgvuldig afgewogen pakket van maatregelen
dat op 1 maart 1992 in het kader van de Wet
terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet TAV) van kracht is geworden. Kern van
dit evenwichtige pakket was een evenredige verdeling tussen werkgevers
en werknemers van de financiële prikkels om het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen. Het regeerakkoord is
er niet op gericht deze evenredige verdeling van financiële prikkels
te doorbreken.
Bij het voornemen de
malus af te schaffen, speelde de aanhoudende kritiek op de malus een
belangrijke rol. Deze kwam vooral van de kant van de
werkgeversorganisaties. De kritiek hield op hoofdlijnen in dat de malus
vaak onredelijk uitwerkt, omdat het voor de werkgever in een aanzienlijk
aantal gevallen in redelijkheid niet mogelijk is passende arbeid aan de
werknemer aan te bieden. Daarnaast werd het als onredelijk ervaren dat
de malus ook verschuldigd is als de arbeidsongeschiktheid geheel, dan
wel nagenoeg geheel, in de privésfeer ligt.
Voorts werd als bezwaar
aangevoerd dat de malus contraproductief werkt. De kansen op de
arbeidsmarkt van personen die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn of die
in de ogen van werkgevers gerede kans lopen arbeidsongeschikt te worden,
verminderen doordat werkgevers de mogelijkheid willen vermijden in de
toekomst de malus te moeten betalen. Dit is uiteraard een niet-beoogde
bijwerking van de malus. Op dit effect is ook gewezen door organisaties
van chronisch zieken.
Ook in het parlement is
kritiek uitgeoefend op de werking van de malus. In de Tweede Kamer heeft
dit geleid tot het indienen van een initiatiefwetsontwerp tot
afschaffing van het bonus-malussysteem (Kamerstukken II 1993-1994, 23
691, nr. 2). In de Eerste Kamer heeft dit geleid tot de kamerbreed
ondertekende motie-Gelderblom c.s. (Kamerstukken I 1993-1994, 22 899,
nr. 83g).
2.2. Uitspraken Centrale
Raad van Beroep
De bovenvermelde bezwaren
van de werkgeversorganisaties tegen de malusregeling hebben ertoe geleid dat door veel werkgevers beroep is ingesteld tegen de
malusopleggingen. Op 15 februari jl. is door de Centrale Raad van Beroep
(CRvB TAV-AAW 1994, nrs. 2, 7, 8, 11 + 12, 13, rblz.|3|
14 + 15, 16, 20, 21, 22,
23, 24, 25, 26, 28 en 29 [zie LJN ZF1673,
red.]) in een aantal zaken in hoger beroep uitspraak
gedaan. Naar de opvatting van de Raad kan bij de malusbesluiten niet
worden volstaan met het zonder meer verwijzen naar de
toekenningsbeslissing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de
werknemer, doch dient per individueel geval gemotiveerd te worden welke
relevante feiten aan de malusbeslissing ten grondslag zijn gelegd. Dit
houdt in dat naast een motivering van het medische en arbeidskundige
aspect, ook inzicht dient te worden gegeven in de procedure die gevolgd
is gedurende het Ziektewetjaar en het jaar daaropvolgend, en aan de
relevante gegevens over de mogelijkheden tot het verrichten van passende
arbeid en reïntegratie. Omdat geen van de beslissingen aan deze
motiveringsvereisten voldeed, heeft de Raad de beslissingen op die grond
vernietigd. Om te voorkomen dat door deze - formele - vernietiging
onduidelijkheid zou blijven bestaan over de vraag hoe in toekomstige
procedures met het al dan niet verstrekken van privacygevoelige
informatie moet worden omgegaan, heeft de Raad hieraan een aantal
overwegingen ten overvloede gewijd. Deze houden onder meer in dat de
bedrijfsvereniging bij het opleggen van de malus de werkgever zo nodig
hoort en voorts dat het voor een deugdelijke motivering van de
malusbeslissing niet vereist is dat de medische en arbeidskundige
gegevens integraal worden verstrekt, doch dat in de beslissing kan
worden volstaan met een transcriptie van die gegevens. Wanneer tegen
deze beslissing beroep wordt ingesteld, dient door de rechter slechts
toetsing van de medische en arbeidskundige gegevens plaats te vinden,
indien de werkgever tegen deze gegevens gemotiveerde bezwaren heeft
ingebracht.
Ook al is sprake van een
gemotiveerd bezwaar van de werkgever, dan betekent dit niet zonder meer
dat de betreffende gegevens aan de werkgever moeten worden overgelegd.
De Raad meent dat de rechter per geval moet beoordelen in hoeverre ten
aanzien van bepaalde stukken het belang van de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer moet leiden tot uitsluiting of tot enige vorm
van beperkte kennisname zoals is geregeld in de Algemene wet
bestuursrecht. Deze procedure kan er in bijzondere gevallen toe leiden
dat bepaalde medische gegevens niet in de procedure gebracht kunnen
worden. Een gevolg hiervan kan zijn dat de bedrijfsvereniging niet in
staat is aan te tonen dat zij een juiste beslissing heeft genomen, zodat
de malusbeschikking alsnog wordt vernietigd.
Naar aanleiding van deze
uitspraken heeft het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming (Tica) [de rechtsvoorganger van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv), dat op 1 januari 2002 is
opgevolgd door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] op 15 maart jl. aan de bedrijfsverenigingen
[zie UWV c.q. uitvoeringsinstellingen, red.]
een
dringend advies doen uitgaan over de wijze waarop de
bedrijfsverenigingen gevolg kunnen geven aan de eisen die de Centrale
Raad van Beroep stelt aan de uitvoering van de malusregeling.
In het kort komt dit
advies op het volgende neer.
Drie maanden voordat een
eventuele malusbeslissing zal worden uitgereikt, zal aan de werkgever
een schriftelijke rapportage worden gestuurd. Deze schriftelijke
rapportage omvat een beschrijving van de tot dan toe door de
bedrijfsvereniging gevolgde procedure en de activiteiten die door de
bedrijfsvereniging vanaf het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid van
de werknemer zijn verricht, waaronder de reïntegratieactiviteiten;
een transcriptie van de arbeidskundige en medische gegevens en een
berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage.
Na de schriftelijke
rapportage zal ongeveer twee maanden vóór de eventuele malusoplegging
een functionaris van de bedrijfsvereniging bij de werkgever langsgaan om
hem in de gelegenheid te stellen zijn mening over de gevolgde procedure
en de malusoplegging te geven. In dit gesprek zal getracht worden de
werkgever van de juistheid van de malusbeslissing te overtuigen.
Indien de werkgever na de
schriftelijke rapportage en het bezoek zich niet met de beslissing kan
verenigen en bijvoorbeeld aandringt op nadere medische onderbouwing, zal
de bedrijfsvereniging moeten afwegen of rblz.|4|
een nadere onderbouwing gewenst
is en zal aan de werknemer toestemming gevraagd moeten worden voor de
overlegging van de medische gegevens.
Voor het geval toch
beroep wordt ingesteld, zullen aan de processtukken relevante gegevens
uit de ZW en WAO aan het procesdossier worden toegevoegd.
Ten aanzien van
malusbeschikkingen die reeds zijn uitgereikt en waartegen beroep is
ingesteld, wordt geadviseerd het motiveringsgebrek van deze beslissingen
zoveel mogelijk conform bovenstaande procedure te repareren.
Op 16 maart jl. heeft het
Tica mij dit advies in afschrift gezonden. In de daarbijgaande
aanbiedingsbrief stelt het Tica dat de aanbevolen werkwijze ten aanzien
van de malusbeslissingen een zware belasting voor de uitvoering en met
name voor de arbeidsdeskundigen vormt. Omdat ook enkele andere
onderdelen van de arbeidsongeschiktheidswetgeving prioriteit hebben
- bijvoorbeeld de keuringen voor einde wachttijd, de herkeuringen op basis
van het Schattingsbesluit [zie Schattingbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.] en de reïntegratieactiviteiten
- wordt
gevreesd dat het op deze wijze uitvoeren van de malusregeling ten koste
zal gaan van die prioriteiten. Uitbreiding van het personeel om de extra
werkzaamheden te verrichten, lijkt gelet op de korte tijd dat de
malusregeling nog zal bestaan, de duur van de opleiding van het
personeel alsmede de kosten geen reële optie.
Voorts wijst het Tica nog
op het feit dat de voorgestelde werkwijze ten aanzien van de
malusbeslissingen niet de garantie biedt dat de rechter de
malusbeslissingen thans wel zal accepteren.
Het totaal van de
uitvoeringskosten van de nieuwe werkwijze ten aanzien van de
malusbeslissingen wordt door het Tica geschat op ƒ137 miljoen. Dit bedrag
is als volgt samengesteld:
- uitvoeringskosten oplegging malus: ƒ45,3 miljoen;
- kosten administratieve afhandeling beroepszaken: ƒ77 miljoen;
- proceskosten en griffierecht: ƒ12,7 miljoen;
- kosten afhandeling verzoek herzieningsverzoeken: ƒ2 miljoen.
2.3. Bonus
In het regeerakkoord is
met betrekking tot de bonus bepaald dat nader onderzocht zal worden of
en in welke vorm de bonusregeling ten behoeve van de reïntegratie van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten zal voortbestaan. Inmiddels ben ik, mede
op basis van intensief beraad over het flankerend beleid, tot de
conclusie gekomen dat de bonus als reïntegratie-instrument geen
zelfstandig toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de
loonkostensubsidie.
2.4. Conclusie
De uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep, de daaruit voortvloeiende uitvoeringsproblemen
en de daarmee verband houdende kosten voor de bedrijfsverenigingen, het
geringe draagvlak in de Tweede en Eerste Kamer, alsmede de kritiek van
werkgeversorganisaties en organisaties van chronisch zieken zijn voor
mij aanleiding om voor te stellen de malus per 1 juli 1995 af te
schaffen. Ik aanvaard daarbij dat het evenwicht in het pakket financiële prikkels gericht op werkgevers en werknemers, zoals dat was opgenomen
in de Wet
TAV, tijdelijk tot 1 januari 1996 wordt doorbroken. Deze
tijdelijke doorbreking van het financiële evenwicht is voor mij
echter aanvaardbaar, omdat het mogelijk bleek een aanzienlijk deel van
het pakket flankerende maatregelen, dat aanvankelijk onderdeel uitmaakte
van de wetsvoorstellen gericht op de uitbreiding van de
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij ziekte van de
werknemer en de invoering van premiedifferentiatie en marktwerking bij
de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, naar voren te rblz.|5|
halen. Dit maakt
het mogelijk het vervallen van het bonus-malussysteem te compenseren met
een aantal maatregelen die zullen bijdragen aan de verbetering van de
positie op de arbeidsmarkt van personen met een arbeidshandicap.
Op basis van de
overweging dat de bonus geen zelfstandig toegevoegde waarde heeft ten
opzichte van de loonkostensubsidie kan ook de bonus en daarmee het
gehele bonus-malussysteem, vervallen.
2.5. Overgangsrecht
Het afschaffen van de
malusregeling per 1 juli 1995 zou er zonder aanvullende regeling toe
leiden dat vanaf die datum in het geheel geen malus meer zou zijn
verschuldigd. Voor een aantal werkgevers zou dit neerkomen op een
afschaffing met terugwerkende kracht. Het gaat hierbij om werkgevers die
al wel een malusbeschikking hebben gekregen, doch de malus nog niet
hebben betaald. Ook werkgevers die al wel vóór 1 juli 1995 een malus
verschuldigd waren, maar ter zake hiervan nog geen beschikking van de
bedrijfsvereniging hebben ontvangen, zouden gevrijwaard worden van het
betalen van de malus. Of werkgevers een malusbeschikking hebben
ontvangen, is afhankelijk van de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever
is aangesloten en of die bedrijfsvereniging tijdig beslissingen heeft
afgegeven. Het is mij bekend dat een aantal bedrijfsverenigingen, in
afwachting van de uitkomsten van de lopende procedures tegen het
opleggen van de malus, niet de hoogste prioriteit hebben gegeven aan het
afgeven van malusbeschikkingen.
Ik ben van mening dat dit
tot niet te rechtvaardigen ongelijkheid leidt ten opzichte van
werkgevers aangesloten bij bedrijfsverenigingen die wel prioriteit
hebben gegeven aan het afgeven van malusbeschikkingen, die al wel een
beschikking hebben ontvangen en de malus hebben betaald. Een zelfde
ongelijkheid is verbonden aan een overgangsregeling die uitsluitend
voorziet in de mogelijkheid van de inning van de nog niet betaalde, maar
onherroepelijk geworden malus. Om dit te voorkomen, is in het
overgangsrecht bepaald dat ook na 1 juli 1995 een malus verschuldigd
blijft voor werknemers wier arbeidsongeschiktheid is ingetreden vóór 1
juli 1993. De keuze van deze datum houdt verband met de regeling van
artikel 59i AAW. Volgens deze regeling is de werkgever namelijk pas een
malus verschuldigd nadat één jaar is verstreken, te rekenen vanaf het
moment waarop de werknemer recht heeft verkregen op
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Aan de voorgestelde
overgangsregeling zijn de hiernavolgende maatschappelijke kosten in de
zin van kosten samenhangend met de uitvoering van de malusregeling
verbonden.
1. Kosten afgifte
malusbeschikkingen
a. Volgens opgave van het Tica bedraagt het aantal tot 1 juli 1995 nog
af te geven malusbeschikkingen 36 000. De kosten per beschikking
volgens de normen die de Centrale Raad van Beroep hieraan stelt, worden
door het Tica geraamd op ƒ1000,-. De totale kosten bedragen derhalve ƒ36 mln.
b. Volgens schattingen van het Tica is in 12 000 gevallen beroep
ingesteld tegen een malusbeschikking. Het merendeel van deze beroepen is
thans door middel van een standaarduitspraak door de rechtbanken
afgedaan. Om in deze gevallen toch tot een malusoplegging te komen, zal
alsnog de door het Tica aanbevolen werkwijze moeten worden gevolgd. De
kosten hiervan worden geschat op ƒ650,- per zaak, derhalve totaal ƒ7,8
mln.
Totaal bedragen de kosten
van het uitreiken van de malusbeslissingen ƒ43,8 mln.
rblz.|6|
2. Beroepszaken
In het verleden heeft
ongeveer 30% van de werkgevers beroep ingesteld tegen de
opgelegde malus. Wanneer dit percentage gehanteerd wordt bij de nog uit
te reiken beschikkingen, zou dit neerkomen op 14 400 nieuwe
beroepszaken. De verwachting is echter dat het aantal beroepszaken
aanzienlijk lager zal zijn, omdat de door de Centrale Raad van Beroep
voorgeschreven uitgebreide motivering met name tot doel heeft de
werkgever te overtuigen van de juistheid van de afgegeven beslissing.
Tegen die achtergrond
wordt rekening gehouden met ca. 8500 nieuwe beroepszaken.
a. Kosten uitvoering 8500 x ƒ2500,- = ƒ21,25 mln.
b. Wanneer de bedrijfsvereniging in 10% van de gevallen in het ongelijk
wordt gesteld, zal dit naar schatting aan griffierecht en proceskosten
een bedrag van ƒ768 000,- kosten.
c. Volgens een voorlopige schatting van het Ministerie van Justitie zal
een inhoudelijke behandeling van de nieuwe maluszaken door de
administrieve rechter ongeveer ƒ1580,- bedragen, totaal derhalve ƒ13,43
mln.
d. De kosten die een werkgever in verband met een beroepszaak moet
maken, worden geschat op gemiddeld ƒ2000,-. De totale kosten bedragen
hiervan ƒ17 mln.
Van de nog op te leggen
- nieuwe - malussen wordt een opbrengst verwacht van 36 000 x ƒ11
500,- = ƒ414 mln.
3. Afschaffing
bonus-malussysteem en de reïntegratie van personen met een
arbeidshandicap
Zoals gesteld, verdwijnen
door de afschaffing van het bonus-malussysteem twee instrumenten die tot
doel hadden de werkgever financieel te prikkelen om werknemers met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienst te nemen dan wel te houden.
Om te voorkomen dat deze
afschaffing zal leiden tot een verslechtering van de positie op de
arbeidsmarkt van personen met een arbeidshandicap, zijn in dit
wetsontwerp een aantal belangrijke op reïntegratie gerichte
maatregelen opgenomen. Deze maatregelen hebben als gezamenlijk kenmerk
dat zij een positieve prikkel betekenen.
Dit in tegenstelling tot
de malus die een directe op de werkgever met een arbeidsongeschikte
werknemer in dienst gerichte, negatieve prikkel inhield.
De voorgestelde
maatregelen, gericht op de verbetering van de arbeidsmarktpositie van
personen met een arbeidshandicap, zijn ook van belang voor de
voorgenomen wetsvoorstellen die betrekking hebben op de uitbreiding
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte en premiedifferentiatie en
marktwerking bij de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
Door deze voorstellen zal
het financiële belang van werkgevers bij een laag ziekteverzuim en
een lage uitstroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen toenemen. De
positieve kant daarvan is dat werkgevers financieel geprikkeld worden om
binnen de onderneming een beleid te voeren gericht op het zoveel
mogelijk voorkomen of wegnemen van de oorzaken van ziekte en
arbeidsongeschiktheid. De negatieve kant van het vergroten van het
financiële belang van werkgevers is dat dit tot gevolg kan hebben dat
werkgevers zullen trachten het risico van ziekte en
arbeidsongeschiktheid te beperken door selectie op gezondheidsrisico’s.
Een gevolg van de eventuele toename van deze risicoselectie zonder
nadere maatregelen om de effecten daarvan tegen te gaan, kan zijn dat rblz.|7|
personen met een arbeidshandicap het nog moeilijker op de arbeidsmarkt
krijgen dan op dit moment.
De maatregelen die in
dit
wetsontwerp zijn opgenomen, hebben tot doel dat te voorkomen en de kansen
op de arbeidsmarkt voor deze werknemers te verbeteren door de kwaliteit
van het arbeidsaanbod dat arbeidsgehandicapten op de arbeidsmarkt kunnen
doen te verbeteren, door de vraag van werkgevers naar
arbeidsgehandicapten te vergroten en door verbetering van het bestaande
reïntegratie-instrumentarium.
Ik vind het wenselijk de
hierna in hoofdstuk 5 nader te omschrijven reïntegratie-instrumenten
al per 1 juli 1995 in te voeren. De reïntegratie-instrumenten werken
dan al op het moment dat de ongewenste tendens om een verscherpte
risicoselectie toe te passen zich eventueel zal gaan voordoen als gevolg
van wetsvoorstellen waarvan de beoogde invoeringsdatum 1 januari 1996
is.
4. Bemiddeling van
arbeidsgehandicapten
4.1. Algemeen
Met betrekking tot de
bemiddeling van arbeidsgehandicapten geldt thans een specifieke, als
tijdelijk bedoelde situatie. Zoals bekend, is bij de inwerkingtreding van
de nieuwe Organisatiewet sociale verzekeringen (nOsv) per 1 januari 1995
de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) als zelfstandige organisatie
opgeheven. Dit betekende dat de bemiddelingstaak van de GMD op basis van
artikel 16, derde lid, Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw) [zie Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, red.] elders moest
worden ondergebracht. In 1991 heeft het toenmalige kabinet zijn voorkeur
uitgesproken voor het overdragen van deze taak aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.]. Naar aanleiding hiervan is regelmatig
overleg gevoerd tussen het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA) en de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) en is een aantal
experimenten uitgevoerd om inzicht te krijgen in de beste werkwijze en
de kosten die met die arbeidsbemiddeling zijn gemoeid. Omdat werd
voorzien dat op het moment dat de nOsv in werking zou treden de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie nog niet gereed zou zijn om de
arbeidsbemiddelende taak van de GMD over te nemen, is in de
Invoeringswet Osv gekozen voor een tussenoplossing, waarbij de
bemiddelingstaak tot een nog nader bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip is neergelegd bij de bedrijfsverenigingen.
De tijdelijkheid van de
situatie houdt verband met de extra inspanningen die geleverd moeten
worden om arbeidsgehandicapten te bemiddelen. Het kabinet acht het
wenselijk dat na deze noodzakelijke overgangsperiode van hooguit enkele
jaren, in de structurele situatie ook op dit punt de in het
kabinetsstandpunt van 4 april 1995 gepresenteerde algemeen geldende
verantwoordelijkheidsverdeling tussen uitkeringsorganen en
Arbeidsvoorziening gaat gelden, waarbij bedrijfsverenigingen
arbeidsbemiddelingen inkopen bij Arbeidsvoorziening of particuliere
bemiddelaars.
Met betrekking tot deze
structurele situatie is in het kabinetsstandpunt Evaluatie
Arbeidsvoorzieningswet van 4 april 1995 (Kamerstukken II 1994-1995, 21
477, nr. 52) het volgende vermeld. De publieke arbeidsbemiddeling,
toegespitst op de bemiddeling van (zeer) moeilijk plaatsbare
werkzoekenden, is primair de verantwoordelijkheid en taak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Om dit beoogde resultaat, de bemiddeling
van (zeer) moeilijk plaatsbaren te bereiken, wil het kabinet in
toenemende mate het sturend vermogen van de financieringsstructuur
gebruiken. Daarbij past het gebruiken van inkoopconstructies, waarbij de
uitkeringorganen de bevoegdheid en een budget krijgen om door middel rblz.|8|
van
inkoop van scholing en inkoop van bemiddelingsinspanningen de uitstroom
uit de uitkering te bevorderen. De inkoop vindt plaats bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie of bij andere partijen op de markt. De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt zodoende afgerekend op resultaten.
Het kabinet onderkent dat
er op dit moment nog haken en ogen zitten aan de invoering van
dergelijke inkoopconstructies. Met name is van belang dat in de socialezekerheidswetten de nodige voorwaarden moeten worden
gecreëerd en dat
afdoende prikkels voor de uitvoeringsorganen tot stand moeten worden
gebracht die uitstroombevordering lonend maken. Daarnaast geldt onder
meer dat het gecreëerde inkoopbudget ook inderdaad moet worden
aangewend voor de inkoop van bemiddelingsinspanningen en niet voor het
tot stand brengen van eigen bemiddelingsapparaten (dus: geen inkoop bij
de uitvoeringsinstellingen zelf dan wel daaraan gelieerde instellingen).
Het realiseren van deze randvoorwaarden vergt tijd, zodat sprake zal
zijn van een geleidelijke invoering met tussentijdse evaluatiemomenten.
Door middel van een interdepartementaal beleidsonderzoek zullen de
komende maanden de mogelijkheden voor vernieuwing van de financiering
van Arbeidsvoorziening nader worden uitgewerkt.
Zoals eerder vermeld, is
in de structurele situatie Arbeidsvoorziening primair verantwoordelijk
voor de arbeidsbemiddeling van (zeer) moeilijk plaatsbare werklozen. Het
kabinet onderkent de noodzaak van een zekere procescoördinatie door
Arbeidsvoorziening waar het de arbeidstoeleiding naar de arbeidsmarkt
van uitkeringsgerechtigde werklozen betreft. Het kabinet staat daarbij
een één-loketbenadering voor ogen, waarbij uitkeringsorganen en
Arbeidsvoorziening gezamenlijk de intake verzorgen van
uitkeringsgerechtigde werkzoekenden en zo nodig een trajectplan
opstellen. In het geval van arbeidsgehandicapten betekent dit dat
wanneer de bedrijfsvereniging heeft vastgesteld dat herplaatsing bij de
eigen werkgever niet mogelijk is, een gezamenlijke intake bij het
arbeidsbureau plaatsvindt en zo nodig een trajectplan wordt opgesteld,
waarbij vanuit de bedrijfsvereniging de achtergrondkennis en
arbeidskundige expertise wordt ingebracht.
Totdat deze structurele
situatie is bereikt, blijven de bedrijfsverenigingen verantwoordelijk
voor de bemiddeling van arbeidsgehandicapten. Naar verwachting zal dit
hooguit enkele jaren het geval zijn. Zoals eerder al aangegeven in mijn
brieven van 4 november 1994 (SoZa 94-424) aan de FBV en aan het CBA, is
het wenselijk dat de bedrijfsverenigingen daarbij zoveel mogelijk
gebruik maken van inkoop van arbeidsbemiddeling bij Arbeidsvoorziening
en andere (private) intermediairs.
4.2. De
bemiddelingspopulatie
De reïntegratiemaatregelen die in
dit wetsontwerp zijn opgenomen, richten
zich op personen met een arbeidshandicap. Dit is de
bemiddelingspopulatie van de bedrijfsverenigingen zoals opgenomen in de
Wagw. Om duidelijk aan te geven welke categorieën van personen onder
welke voorwaarden tot die bemiddelingspopulatie worden gerekend, zal ik
die in een ministeriële regeling nader omschrijven. Tot de
bemiddelingspopulatie reken ik:
- personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
- personen met een werkvoorziening;
- personen die tot minder dan 15% respectievelijk 25%
arbeidsongeschiktheid zijn afgeschat;
- personen die na één ziektejaar niet in aanmerking komen voor
een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
rblz.|9| - personen die ziek zijn tijdens het eerste ziektejaar en waarvan
duidelijk is dat zij niet meer terug kunnen naar de eigen werkgever of
op zoek zijn naar een nieuwe werkgever.
De hiervoor genoemde
personen worden door de bedrijfsverenigingen op dit moment ook al tot de
bemiddelingspopulatie gerekend. De ministeriële regeling formaliseert
de feitelijke en door mij gewenste handelswijze van de
bedrijfsverenigingen.
Ook ben ik voornemens
- mede naar aanleiding van een daartoe strekkend advies van onder meer de
Nationale Commissie Chronisch Zieken (NCCZ) [zie Chronisch
zieken en Gehandicapten Raad Nederland, red.] - in de
bemiddelingspopulatie op te nemen diegenen die geen relatie hebben met
een arbeidsongeschiktheidsregeling of de Werkloosheidswet (WW) en als
gevolg van een functionele beperking toch een extra belemmering hebben
om tot de arbeidsmarkt toe te treden. Het betreft dan bijvoorbeeld
chronisch zieken die óf geen uitkering hebben en dus geen relatie met
enige uitvoerende instantie hebben óf die bij de sociale dienst een
uitkering krijgen en daar als gevolg van hun gezondheidsprobleem als
onbemiddelbaar worden beschouwd. Eén en ander zou kunnen worden
uitgewerkt in de, in het voorgestelde artikel 16, derde lid, Wagw, in
het vooruitzicht gestelde regeling. Met deze voorstellen wordt vormgegeven aan hetgeen in het regeerakkoord is opgenomen met betrekking tot
de extra aandacht voor de verbetering van de arbeidsmarktpositie van
chronisch zieken.
5. Concrete
reïntegratie-instrumenten
Hierna volgt een
beschrijving van de reïntegratie-instrumenten die in dit wetsvoorstel
zijn opgenomen. Allereerst wordt ingegaan op de voorgestelde verbetering
van de reeds bestaande reïntegratie-instrumenten. Daarna zullen de
nieuwe reïntegratie-instrumenten die ik voorstel, worden toegelicht.
5.1. Verbetering van
bestaande reïntegratie-instrumenten
5.1.1. Loonkostensubsidie
Artikel
59n van de AAW
bevat sinds de inwerkingtreding van de Wet
TAV een regeling voor het
verstrekken van een loonkostensubsidie aan een werkgever voor het in
dienst nemen van een persoon die door de bedrijfsvereniging of het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) wordt bemiddeld. Deze regeling
biedt de werkgevers een financiële prikkel om arbeidsongeschikten in
dienst te nemen. Voor de overheidswerkgevers betekent deze regeling een
positieve prikkel naast de financiële last van het
herplaatsingswachtgeld.
De financiële prikkel
bestaat op dit moment uit een subsidie in de loonkosten per jaar van
maximaal 20% van het overeengekomen bruto loon gedurende maximaal vier
jaar. Daarnaast bestaat voor de werkgever die recht heeft op
loonkostensubsidie, de mogelijkheid in aanmerking te komen voor een
eenmalige subsidie ten bedrage van ten hoogste ƒ4000,- als
tegemoetkoming in de kosten van training en begeleiding van de
arbeidsongeschikte. Sinds 1 januari 1995 is de doelgroep van deze
regeling uitgebreid met werkgevers die een eigen werknemer reïntegreren.
Met het wegvallen van de
malusregeling wordt voorgesteld ook de bonusuitkering te doen vervallen
en de loonkostensubsidieregeling op te hogen tot 25% ter compensatie van
het wegvallen van de bonus. Bij een loonkostensubsidie van 25% levert
twee jaar dienstverband een rblz.|10|
werkgever een halfjaar salaris op en vier
jaar dienstverband een heel jaarsalaris.
5.1.2. Toepassing
Regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers
De Regeling vergoeding
persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers maakt het mogelijk
gehandicapte werknemers zodanig te begeleiden dat de werkgever daaraan
geen additionele tijd hoeft te besteden. De regeling is op dit moment op
basis van de uitvoeringsinstructie beperkt tot primair mensen met een
verstandelijke handicap en secundair tot chronisch psychiatrische patiënten. De regeling als zodanig bevat echter geen beperking tot de
hiervoor genoemde doelgroepen. Ik zal naar aanleiding van een verzoek
van onder meer de NCCZ het Tica vragen de uitvoeringsinstructie zodanig
aan te passen dat de regeling ook toegepast kan worden op chronisch
zieken met een uitkering of een voorziening, conform de doelgroep van de
Wagw.
5.1.3. Startersregeling
voor zelfstandigen
Naast
reïntegratie in
het arbeidsproces door middel van werk voor een werkgever is het in
voorkomende gevallen aangewezen de persoon die behoort tot de hiervoor
omschreven bemiddelingspopulatie van de bedrijfsverenigingen, de
mogelijkheid te verschaffen zich als zelfstandige te vestigen. Daartoe
bestaan reeds instrumenten. Zo kent het Bijstandsbesluit zelfstandigen
[zie Besluit bijstandverlening zelfstandigen, red.]
de mogelijkheid om aan de persoon die vanuit een uitkeringssituatie als
zelfstandige een bedrijf of beroep begint, ter voorziening in het
bedrijfskapitaal, bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen van
ten hoogste ƒ40 000. Onder uitkeringsgerechtigde wordt in dit verband
onder meer verstaan de werkloze met een uitkering op grond van de WW of
de Algemene Bijstandswet (ABW) [zie Algemene
bijstandswet (Abw), red.] en degene die een uitkering ontvangt op
grond van de AAW
of de WAO vanwege gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
Niet in aanmerking voor de regeling komt overigens de persoon voor wie
een functie in dienstbetrekking beschikbaar is, dan wel degene die nog in
dienstbetrekking werkzaam is, maar de voorkeur geeft aan een zelfstandig
bedrijf of beroep.
Voor de personen uit de
bemiddelingspopulatie die geen beroep op het Bijstandsbesluit
zelfstandigen kunnen doen, noch langs andere weg de nodige financiële
ondersteuning kunnen krijgen, kunnen voorzieningen verstrekt worden in
het kader van artikel 57, eerste lid, AAW. Deze voorzieningen, bestaande
uit investeringen van het uitvoeringsorgaan in zelfstandige vestigingen,
kunnen worden overwogen indien de arbeid als zelfstandige als de enige
of allerbeste mogelijkheid voor iemand moet worden gezien om zijn
arbeidsgeschiktheid te verbeteren. Bovendien moet aannemelijk zijn dat
betrokkene ook de capaciteiten bezit als zelfstandige te werken en zich
als zodanig te handhaven. Voorts spelen daarbij ook nog aspecten een rol
als de hoogte van de investeringen en het "rendement" dat de
investeringen aan te verwachten vermindering van de
arbeidsongeschiktheid zullen opleveren.
Gelet op het grote belang
dat aan de reïntegratie moet worden gehecht, zullen de uitvoerders van
de genoemde regelingen erop gewezen worden dat deze instrumenten ook
daadwerkelijk dienen te worden ingezet in de daarvoor in aanmerking
komende gevallen.
5.1.4. Scholing met
behoud van uitkering
Inleiding
Sinds de inwerkingtreding
van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Wet TBA) per 1 augustus 1993 neemt rblz.|11|
het aantal volledig
arbeidsongeschikten af en stijgt het aantal gedeeltelijk
arbeidsgeschikten. Indien geheel afgeschatte arbeidsongeschikten en
gedeeltelijk arbeidsgeschikten er niet in slagen werk te vinden, hebben
zij, mits zij aan de in de WW neergelegde wekeneis voldoen, recht op een
uitkering ingevolge die wet. De uitkering bestaat uit een
loongerelateerde fase waarvan de duur afhankelijk is van het
arbeidsverleden en uit een minimumloongerelateerde fase van maximaal
twee respectievelijk drie en een half jaar. Is om-, her- of bijscholing in
het algemeen al een belangrijk instrument ter vergroting van de
arbeidsmarktkansen van werkloze werknemers, juist voor werkloze
gedeeltelijk of gewezen arbeidsongeschikten kan scholing onmisbaar zijn
om aan de slag te komen. Immers, vaker dan de werkloze werknemer die
nooit arbeidsongeschikt is geweest, zullen deze laatsten zich moeten
richten op arbeid die niet of minder aansluit bij de arbeid die zij
verrichtten in de dienstbetrekking waaruit zij arbeidsongeschikt zijn
geworden. Hiertoe zal relatief vaak ingrijpender om-, her- of
bijscholing nodig zijn.
Een bedrijfsvereniging
die van mening is dat het met het oog op de arbeidsmarktkansen van de
gedeeltelijk of gewezen arbeidsongeschikte WW-gerechtigde noodzakelijk
is deze een bepaalde opleiding of scholing te laten volgen, dient
enerzijds een maatregel te treffen op grond waarvan tijdens de opleiding
of scholing in het inkomen van de werknemer wordt voorzien en
anderzijds na te gaan hoe de opleidings- of scholingskosten gefinancierd
kunnen worden.
Inkomensvoorziening
tijdens opleiding of scholing
Wat betreft de
inkomensvoorziening tijdens de opleiding of scholing kan de
bedrijfsvereniging ten aanzien van de WW-gerechtigde werknemer met een
arbeidshandicap uit twee wegen kiezen:
1. verstrekken van een toelage op grond van artikel 58 AAW; of
2. toestaan van scholing met behoud van WW-uitkering op grond van
artikel 76 WW.
Omdat aan toepassing van
artikel 58 AAW
zowel voor de werknemer als voor de
uitvoeringsinstanties nogal wat nadelen en onzekerheden kleven, is in
1992 besloten zoveel mogelijk via artikel 76 WW
in de inkomensderving
te voorzien.
Artikel 76
WW bepaalt dat
een WW-gerechtigde die deel gaat nemen aan een naar het oordeel van de
bedrijfsvereniging noodzakelijke opleiding of scholing tot de beëindiging daarvan recht blijft houden op WW-uitkering, ook al zou de
uitkering zonder de opleiding of scholing zijn geëindigd wegens het
bereiken van de maximumuitkeringsduur. Voor deze zogenaamde "duurdoorbreking" dient de scholing echter aan een aantal criteria te
voldoen, welke zijn opgesomd in een besluit van het Tica (Besluit van 21
december 1990, Stcrt. 1990, 252):
- tijdens de opleiding of scholing mag geen recht bestaan op een voorziening in de derving van het inkomen (hierbij wordt met name gedacht
aan opleidingen waarvoor studiefinanciering ingevolge de
Wet op de
studiefinanciering kan worden ontvangen en aan opleidingen in het kader
van het leerlingenwezen);
- de opleiding of scholing mag niet de strekking hebben om na afloop
daarvan werkzaamheden bij één bepaalde onderneming te gaan
verrichten;
- de opleiding of scholing mag niet langer duren dan één jaar;
- tijdens de opleiding of scholing mag geen sprake zijn van productieve werkzaamheden (opleidingen met een praktijkstage zijn
toegestaan indien de praktische vorming niet uitstijgt boven 50% van de
totale vorming).
rblz.|12|
Met name het tweede en derde criterium worden bij scholingsinitiatieven voor
WW-gerechtigden
met een arbeidshandicap als belemmerend ervaren. Doel van het tweede
criterium is te voorkomen dat werkgevers hun werknemers op kosten van de
WW specifieke, op hun onderneming gerichte bedrijfsopleidingen laten
volgen. Bij uitvoering naar de letter der regeling zouden echter ook
algemene bedrijfsopleidingen niet met behoud van uitkering mogen worden
gevolgd indien een werkgever aan de werkloze werknemer de toezegging
heeft gedaan dat hij na voltooiing van de opleiding in zijn bedrijf kan
komen werken. Het is uiteraard niet de bedoeling het volgen van
dergelijke "opleidingen met baangarantie" met behoud van WW-uitkering
te verhinderen. Het derde criterium levert, onder andere vanwege het
hierboven reeds aangehaalde gegeven dat werknemers met een
arbeidshandicap gemiddeld genomen ingrijpender moeten om-, her- of
bijscholen willen zij een kans maken op de arbeidsmarkt, voor iets meer
WW-gerechtigden met een arbeidshandicap een probleem op dan voor
WW-gerechtigden zonder handicap.
Gezien het bovenstaande
wordt het wenselijk geacht dat bovenstaande criteria ter zake van
opleidingen of scholingen voor WW-gerechtigden die tevens behoren tot de
arbeidsbemiddelingspopulatie van de bedrijfsverenigingen verruimd en
verduidelijkt worden. Opgemerkt wordt dat ook een herbezinning op de
werking van de criteria voor de overige werklozen wenselijk lijkt. Het
Tica zal worden verzocht het besluit kritisch te bezien en waar nodig
aan te passen. Door middel van een wijziging van het tweede lid van
artikel 76 WW wordt zeker gesteld dat het Tica, indien nodig geacht,
voor WW-gerechtigden met een arbeidshandicap enerzijds en voor
WW-gerechtigden zonder handicap anderzijds verschillende regels kan
stellen.
Daarnaast speelt voor
alle personen voor wie de bedrijfsvereniging een opleiding of scholing
met behoud van WW-uitkering noodzakelijk acht het volgende probleem.
Tengevolge van de systematiek van de Werkloosheidswet en de interpretatie
daarvan door de Centrale Raad van Beroep
[CRvB, red.] is het volgen van een opleiding
of scholing met behoud van uitkering alleen mogelijk indien de werknemer
voorafgaand aan de opleiding of scholing gedurende enige tijd werkloos
is geweest. Gevolg hiervan is dat een noodzakelijke opleiding of
scholing die naadloos aansluit op het verlies van de dienstbetrekking of
waar zelfs al mee is aangevangen vóór het verlies daarvan
(bijvoorbeeld omdat de opleiding maar eens per jaar van start gaat),
niet met behoud van WW-uitkering kan worden gevolgd. Dit ongewenste
gevolg van de WW-systematiek wordt in het
voorliggende wetsvoorstel voor
alle WW-gerechtigden gerepareerd door aanpassing van de artikelen 16 en
76 van de WW: de wijzigingen zorgen ervoor dat ook een opleiding of
scholing waarmee vóór of direct aansluitend op het arbeidsurenverlies is
gestart, vanaf de eerste werkloosheidsdag met behoud van uitkering kan
worden gevolgd indien deze voor de werknemer noodzakelijk wordt geacht.
Wellicht ten overvloede
wordt hier opgemerkt dat de werknemer die zelf ontslag neemt of onnodig
instemt met of berust in een door de werkgever geïnitieerd ontslag,
omdat hij hoopt op die manier een door hem gewenste opleiding te kunnen
volgen met behoud van WW-uitkering, ingevolge de voorstellen die het
kabinet heeft gedaan in de nota van wijziging op het voorstel van Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 8) zal worden geconfronteerd met
een blijvend gehele weigering van de uitkering wegens verwijtbare
werkloosheid of het door eigen toedoen niet behouden van passende
arbeid. Dergelijk gedrag zal derhalve niet tot het daarmee beoogde
resultaat leiden.
rblz.|13|
Als complement op het bovenstaande is in voorliggend wetsvoorstel
opgenomen dat degene die
recht heeft op een uitkering ingevolge de AAW
of WAO
en die een
opleiding of scholing gaat volgen, tijdens de duur daarvan niet
geconfronteerd wordt met een intrekking of herziening van de
WAO-uitkering wegens uit die opleiding of scholing voortvloeiende
afgenomen arbeidsongeschiktheid, tenzij niet voldoende wordt meegewerkt
aan het behalen van een gunstig resultaat. Opgemerkt wordt dat dit niet
alleen zal gelden voor degene die naast recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering recht op WW-uitkering heeft, maar voor
al degenen met een gehele of gedeeltelijke AAW- of WAO-uitkering.
Bovengenoemde
verruimingen van de mogelijkheid tot scholing met behoud van uitkering
hebben overigens niet geleid tot voorstellen tot beperking van de
reikwijdte van artikel 58 AAW.
Dit artikel behoudt immers zijn waarde
voor personen met een arbeidshandicap die geen recht hebben op een
AAW/WAO-uitkering (al dan niet in combinatie met een
WW-uitkering).
Financiering opleidings-
en scholingkosten
Wat betreft de
financiering van de opleidings- en scholingskosten zelf kon tot 1
januari 1995 geput worden uit een jaarlijks door het CBA aan de GMD ter
beschikking gesteld budget. Bij uitputting van dat budget was het
mogelijk de opleiding of scholing te bekostigen vanuit artikel 57,
eerste lid, AAW.
Zoals in het bovenstaande reeds gememoreerd, is met de
invoering van de nOsv de GMD als zelfstandige organisatie opgeheven
en hebben de bedrijfsverenigingen de arbeidsbemiddeling van
arbeidsongeschikten mede als taak gekregen. Tegelijkertijd heeft het CBA
besloten aan het Tica voor het eerste kwartaal 1995 ter vergoeding van
de opleidings- en scholingskosten van gehandicapten een scholingsbudget
van ƒ2 miljoen toe te kennen. De subsidieverstrekking door het CBA is
per 1 april 1995 geheel beeïndigd. De opleidings- en scholingskosten
van gehandicapte werknemers zullen nu ten laste worden gebracht van
artikel 57, eerste lid, AAW,
terwijl het Tica tevens zal onderzoeken of
gebruik kan worden gemaakt van de subsidieartikelen 69
AAW
en 73a
WAO.
Het is echter wenselijk
om zeker te stellen dat de bedrijfsverenigingen een wettelijke titel
hebben op grond waarvan de opleidings- en scholingskosten kunnen worden
gefinancierd van personen die deze opleiding of scholing met behoud van WW-uitkering volgen en die bovendien behoren tot de
arbeidsbemiddelingspopulatie van de bedrijfsverenigingen. Voorgesteld
wordt een daartoe strekkende bepaling in de WAO
op te nemen.
5.2. Nieuwe reïntegratie-instrumenten
5.2.1. Loonsuppletie
Bij de
Wet TBA is het
arbeidsongeschiktheidsbegrip gewijzigd. Een gevolg daarvan is dat bij
de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid arbeidsmarktelementen in
het geheel geen rol meer mogen spelen. Dit heeft onder
andere tot gevolg dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op
basis van de hoogste loonwaarde uit alle algemeen geaccepteerde
arbeid waartoe een belanghebbende met zijn krachten en bekwaamheden
in staat is. Het is, in tegenstelling tot vóór 1 augustus 1993, niet meer
mogelijk om bij de arbeidsongeschiktheidsschatting onder omstandigheden
rekening te houden met de werkelijke verdiensten van een
belanghebbende. Door onder andere arbeidsdeskundigen is gepleit voor het
handhaven van de mogelijkheid bij de schatting rekening te
houden met de gerealiseerde verdiencapaciteit, rblz.|14|
omdat dit een belangrijk instrument was bij de
reïntegratie van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten.
Na uitgebreide discussie
in de Vaste Commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter
gelegenheid van het concept-Schattingsbesluit is besloten om de schatting
op basis van gerealiseerde verdiencapaciteit niet mogelijk te maken.
Dit vanuit de overweging dat bij de arbeidsongeschiktheidsschatting
arbeidsmarktelementen geen rol mogen spelen.
Het voorgaande laat
onverlet dat ik erken dat een fors verschil tussen de theoretische verdiencapaciteit en de werkelijke verdiensten een drempel
kan opwerpen voor daadwerkelijke reïntegratie door aanvaarding van betaalde arbeid.
Door de in
dit wetsvoorstel opgenomen basis voor een loonsuppletieregeling kan dit
"gat" tussen
theoretische verdiencapaciteit en werkelijke verdiensten worden
verkleind, zonder dat dit invloed heeft op de arbeidsongeschiktheidsschatting.
Het instrument is primair gericht op degene die arbeid in
dienstbetrekking verricht, maar kan ook als onderhandelingsinstrument
naar de werkgever toe worden ingezet.
Op hoofdlijnen zal de
loonsuppletieregeling, die in een algemene maatregel van bestuur nader moet worden
uitgewerkt [zie Besluit loonsuppletie en
vervolgens Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, red.], er als volgt uitzien.
De loonsuppletie bedraagt
maximaal 20% van de theoretische verdiencapaciteit van een belanghebbende en
wordt in vier jaar afgebouwd. Met de loonsuppletie kan het "gat" tussen de theoretische verdiencapaciteit en de werkelijke verdiensten
gedurende een afgebakende periode worden verkleind. Deze periode
kan de werknemer benutten om het verschil tussen de werkelijke en
theoretische verdiencapaciteit te verkleinen of teniet te doen. De
tijdelijkheid van de suppletie en de afbouw in de tijd betekent een stimulans
voor de werknemer om te streven naar het realiseren van maximale verdiensten. Dit beschouw ik naast het feit dat de
arbeidsongeschiktheidsschatting zuiver kan blijven, als een groot voordeel
van de
loonsuppletieregeling boven de schatting op basis van de gerealiseerde
verdiencapaciteit.
5.2.2. Inkomenssuppletie
voor zelfstandigen
De wijziging van het
arbeidsongeschiktheidsbegrip heeft ook belangrijke gevolgen voor de
schatting van zelfstandigen. Tot 1 augustus 1993 was arbeid buiten het
eigen bedrijf niet in billijkheid aan een zelfstandige op te dragen zolang deze
nog arbeid van enige omvang binnen het eigen bedrijf verrichtte.
Na 1 augustus 1993 moet
ook rekening worden gehouden met geschiktheid voor functies in loondienst en de daaruit voortvloeiende
theoretische
verdiencapaciteit. In een aantal gevallen heeft dat tot gevolg dat het voor de
belanghebbende niet meer mogelijk is om het eigen bedrijf voort te zetten.
Het verschil tussen de werkelijke verdiensten in het eigen bedrijf en de
theoretische verdiencapaciteit in functies in loondienst is voor de belanghebbende
niet te overbruggen. Dit is niet alleen voor de betrokkene een hard
gelag, het kan ook nadelige gevolgen voor de werkgelegenheid hebben.
Dit "gat" tussen de
werkelijke verdiensten in het eigen bedrijf en de theoretische verdiencapaciteit in functies in loondienst kan door de in
dit wetsvoorstel opgenomen inkomenssuppletie tijdelijk worden verkleind.
De inkomenssuppletie zal
nader worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. De
inkomenssuppletie zal maximaal 20% van de theoretische
verdiencapaciteit van een belanghebbende bedragen en zal in vier jaar worden
afgebouwd. De inkomenssuppletie staat open voor rblz.|15|
zelfstandigen die
gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, hun eigen bedrijf voortzetten en
geconfronteerd worden met een gat tussen de werkelijke verdiensten en de
theoretische verdiencapaciteit.
5.2.3. Garantieregeling
voor oudere arbeidsongeschikten
In de
Wet TBA is een
zogenaamde stimuleringsregeling opgenomen. Het toenmalige kabinet
wilde hiermee met name de groep oudere en langdurig
arbeidsongeschikten stimuleren om te blijven zoeken naar een baan. De uitkering op
basis van de stimuleringsregeling bedroeg 60% bruto van de uitkering
die werd bespaard door de werkhervatting. Deze regeling liep af op 1
februari 1994. Van deze regeling is slechts een gering gebruik gemaakt (minder
dan 100 personen).
Het is een feit dat de
arbeidsmarktpositie van oudere werknemers zwak is. Het kabinet is van
oordeel dat voor deze groep personen een financiële prikkel gewenst is
teneinde te bereiken dat zij zich ook in de uitkeringssituatie blijven
oriënteren op
een herintreding in het arbeidsproces. Dit is de reden dat ik voor deze
groep, naast de andere in dit wetsvoorstel opgenomen reïntegratie-instrumenten, een garantieregeling voorstel. Deze regeling houdt in
dat bij werkhervatting het dagloon dat laatstelijk aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag lag, wordt
gegarandeerd voor de duur van vijf jaar. Dat betekent dat indien binnen
vijf jaar opnieuw recht
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat dan wel de uitkering
binnen vijf jaar wordt herzien in verband met toegenomen
arbeidsongeschiktheid, het nieuwe dagloon niet minder kan bedragen dan het dagloon
dat laatstelijk aan de uitkering ten grondslag lag.
5.2.4. Herziening of
toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij toename van de
arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond
waarvan de uitkering eerder is toegekend of herzien
Tijdens de behandeling
van de begroting voor het jaar 1995 van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid is de motie-Van Dijke c.s. (Kamerstukken II
1994-1995, 23 900, nr. 27) ingediend. Deze is met
algemene stemmen door de
Tweede Kamer aanvaard.
De kern van deze motie is
dat de degenen die op basis van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidsbegrip arbeidsgeschikt worden
verklaard, het recht op verzekering voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
behouden ingeval de oorspronkelijke klachten toenemen. Bij toename van de
oorspronkelijke klachten zou de uitkering direct, zonder wachttijd, moeten
herleven dan wel moeten worden verkregen.
Een gevolg van de
uitvoering van de motie-Van Dijke c.s. is dat het financiële risico van
de werkgever in geval van ziekte van een werknemer die onder de doelgroep
valt, wordt beperkt. De op de werkgever drukkende
loondoorbetalingsverplichting wordt geringer van omvang. Dit geldt met name indien de
verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tot
één jaar wordt ingevoerd, hetgeen het kabinet voornemens is.
Voor de werknemer
creëert de motie-Van Dijke c.s. een grotere zekerheid omtrent het herleven of ontstaan van uitkeringsrechten ingeval
de arbeidsongeschiktheid
toeneemt door dezelfde oorzaak als op grond waarvan de
arbeidsongeschiktheid is vastgesteld aan het einde van de wachttijd of de laatste
herziening van de uitkering. Ook dit kan een positieve bijdrage
leveren aan de reïntegratie van deze werknemers.
Daarnaast heeft
uitvoering van de motie-Van Dijke c.s. tot gevolg dat nog recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan ontstaan voor
rblz.|16|
werknemers wier WAO-verzekering is geëindigd. Dit is met name van belang voor de
(her)beoordeelde arbeidsongeschikten inclusief degenen die aan het einde van de
wachttijd het eigen werk niet meer kunnen doen, die volledig
arbeidsgeschikt zijn verklaard en die door langdurige werkloosheid niet meer
voor de WAO zijn verzekerd. Voorwaarde is wel dat de toename van de
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als ter zake waarvan uitkering wordt genoten.
Dit element van de
motie-Van Dijke c.s. waardeer ik positief, omdat dit de gevolgen van de
toepassing van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscriterium
in een aantal gevallen nuanceert. Voorwaarde is wel dat de periode gedurende welke recht op dan wel verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan ontstaan niet te lang is. Een periode van
vijf jaar beschouw ik als een redelijke periode.
Op basis van het
voorgaande heb ik besloten de motie-Van Dijke c.s. uit te voeren onder de hierna
te noemen voorwaarden. De daarvoor benodigde wetswijzigingen
zijn in dit wetsvoorstel opgenomen.
Uit advisering door het
Tica (advies van 30 maart 1995 over "Wisselende arbeidsgeschiktheid")
blijkt dat directe herleving of toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op uitvoeringstechnische bezwaren
stuit. De belangrijkste
van deze bezwaren zijn:
- de aanvraag tot
directe herziening kan op een korte periode betrekking hebben;
- elke aanvraag tot
directe herziening moet gevolgd worden door een volledige beoordeling van
de arbeidsongeschiktheid, deze zal in de meeste gevallen bestaan
uit een medische en arbeidskundige beoordeling;
- het uitvoeren van de
volledige beoordeling van de arbeidsongeschiktheid, ook in de gevallen waarin
sprake is van kortdurende arbeidsongeschiktheid, leidt tot extra belasting
van de uitvoering. Het belast ook de betrokkene in het
geval dat de afname van de belastbaarheid zich veelvuldig en gedurende
korte periodes voordoet;
- op grond van de
jurisprudentie dient bij een verlaging of intrekking van een uitkering een
uitloopperiode van twee maanden in acht genomen te worden, behoudens in
het geval de betrokkene weer geschikt is om zijn eigen arbeid te
verrichten.
Op basis van het
voorgaande kom ik tot de conclusie dat het direct, zonder wachttijd, herzien
of toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het toenemen van de
arbeidsongeschiktheid niet goed uitvoerbaar is.
Een goed alternatief voor
de directe herziening of toekenning is het hanteren van een wachttijd van vier weken. De uitvoeringstechnische
bezwaren worden daardoor
voor een belangrijk deel ondervangen en het tast de bedoeling van de
motie-Van Dijke c.s. naar mijn mening niet in de kern aan.
Bij het vaststellen van
de termijn van vijf jaar waarbinnen de toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak moet plaatsvinden, is
aangesloten bij de termijn gedurende welke ook de dossiers door de uitvoeringsorganisatie
moeten worden bewaard. Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan de
motie-Van Dijke c.s. terwijl toch de periode beperkt blijft waarin het
herleven of ontstaan van uitkeringsrechten mogelijk is voor de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Doordat ik de motie-Van
Dijke c.s uitvoer, bestaat geen behoefte meer aan een ministeriële
regeling op grond van artikel 29, eerste lid, onderdeel d, van de
AAW
en
artikel 39, eerste lid, onderdeel rblz.|17| d,
van de WAO waarover ik advies aan het Tica
heb gevraagd. De concept-ministeriële regeling had tot doel om voor
belanghebbenden met een sterk wisselende arbeidsgeschiktheid de mogelijkheid te
creëren de uitkering met onmiddellijke ingang te herzien. Tot de
doelgroep van de motie-Van Dijke c.s. behoort ook de doelgroep van de
concept-ministeriële regeling. De bezwaren die verbonden zijn aan het
direct, zonder wachttijd, herzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
die hiervoor zijn aangegeven, zouden onverkort hebben gegolden
voor de ministeriële regeling.
5.2.5. Proefplaatsing
Een goed gebruik van het
nieuwe reïntegratie-instrumentarium zal er enerzijds toe leiden dat
personen met een arbeidshandicap meer mogelijkheden zullen
krijgen om zich te kwalificeren voor een nieuwe functie (verruiming van
de scholingsmogelijkheden, voorgenomen verruiming van de
regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers)
en dat zij gemotiveerder zullen zijn om ook daadwerkelijk een nieuwe
werkkring te aanvaarden doordat hen bepaalde garanties worden gegeven
ter zake van het inkomensniveau tijdens het
nieuwe werk en ter zake
van het niveau van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij nieuwe of toegenomen
arbeidsongeschiktheid (loon- of inkomenssuppletieregeling,
de mogelijkheid voor arbeidsongeschikten van ouder dan 50 jaar om
terug te vallen op de oude arbeidsongeschiktheidsuitkering, uitvoering van de
motie-Van Dijke c.s.). Anderzijds zal een juiste inzet van de reïntegratie-instrumenten naar verwachting ook leiden
tot een grotere
bereidheid van werkgevers om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen. Een
direct op de werkgevers gericht instrument is de
(uitbreiding van de) loonkostensubsidie, maar ook een aantal van de eerder
genoemde, direct op de werknemer gerichte instrumenten zal indirect positieve gevolgen hebben op het aannamebeleid
van werkgevers.
Ondanks de
reïntegratie-instrumenten die in het voorgaande zijn beschreven, blijft
echter
het risico bestaan dat een werkgever, gesteld voor de keuze tussen een werknemer zonder en een werknemer met
arbeidshandicap, voor de
eerste kiest, hoe goed gekwalificeerd en gemotiveerd de laatste
ook is en ook al is het financiële risico van indienstneming van de
laatste beperkt. Om deze laatste hindernis bij de werkgever weg te nemen,
stel ik een nieuw reïntegratie-instrument voor, te weten dat van proefplaatsing. Dit instrument houdt in dat de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte
werknemer die naast zijn AAW/WAO-uitkering ook een
WW-uitkering heeft,
de mogelijkheid wordt gegeven gedurende een proefperiode onbeloond te
werken bij een potentiële werkgever, zonder dat hij er daardoor in
inkomen op achteruitgaat.
Daartoe wordt de
mogelijkheid gecreëerd een werknemer die onbeloonde werkzaamheden
op een proefplaats gaat verrichten op zijn verzoek gedurende
maximaal drie maanden een reïntegratie-uitkering toe te kennen ter hoogte van
de WW-uitkering die hij ontvangen zou hebben indien hij de onbeloonde
werkzaamheden niet zou hebben verricht. De werknemer moet het
verzoek ten minste vier weken voorafgaande aan de voorgenomen aanvangsdatum
van de onbeloonde werkzaamheden bij de bedrijfsvereniging
indienen. De bedrijfsvereniging gaat na of het verstrekken van de reïntegratie-uitkering aangewezen is en binnen de
grenzen van het daarvoor
op grond van artikel 76, vierde lid, WAO te reserveren budget valt.
Gezien het doel van de proefplaatsing en de uit het verzoek blijkende
goede motivatie van de betrokken cliënt is het kabinet daarbij
voorstander van een ruimhartig toekenningsbeleid. Geen reïntegratie-uitkering
mag echter worden toegekend indien de rblz.|18|
onbeloonde arbeid niet algemeen geaccepteerd is of de krachten en
bekwaamheden van de
werknemer te boven gaat, indien de betreffende onbeloonde werkzaamheden
met behoud van WW-uitkering kunnen worden verricht, indien
de werkgever geen aansprakelijkheidsverzekering voor de werknemer heeft
afgesloten en indien reeds eerder bij wijze van proefplaatsing dezelfde
of gelijksoortige werkzaamheden voor dezelfde werkgever of diens rechtsvoorganger zijn verricht.
Complementair hieraan is
geregeld dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet mag worden
ingetrokken of herzien gedurende de periode waarover de reïntegratie-uitkering wordt verstrekt. Aldus wordt
voorkomen dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering gedurende de proefplaatsing wijziging
ondergaat.
AAW/WAO-uitkering en reïntegratie-uitkering
tezamen leiden ertoe dat de werknemer er tijdens
de proefplaatsing niet in inkomen op achteruit gaat.
Gebruik van het
instrument "proefplaatsing" is gebaseerd op vrijwilligheid: de werknemer kan
desgewenst zelf op zoek gaan naar een proefplaats en wordt hem
door de bedrijfsvereniging of door een werkgever een proefplaats
aangeboden, dan staat het hem vrij deze te weigeren. Dit zal niet
leiden tot korting of weigering van de WW-uitkering, aangezien de arbeid op de
proefplaats, nu deze onbeloond plaatsvindt, niet als passende arbeid
in de zin van die wet is te betitelen. Ook een sanctie op de arbeidsongeschiktheidsuitkering ligt niet in de rede.
Overigens is de
werknemer, ook als hij geen verzoek tot het toekennen van een reïntegratie-uitkering indient, vanuit de bepalingen in de WW
wél verplicht begin en einde
van de onbeloonde arbeid te melden.
Uiteraard is het de
bedoeling dat de werknemer, indien hij op de proefplaats voldoet, na de proefperiode zicht heeft op een betaalde baan
bij de werkgever. Om de
drempel voor de werkgever zo laag mogelijk te maken, is een dergelijke
voorwaarde echter niet aan het gebruik van het proefplaatsingsinstrument
gesteld. De enige - indirect - op de werkgever gerichte voorwaarde is
dat deze een aansprakelijkheidsverzekering ten behoeve van de werknemer
heeft afgesloten. Opgemerkt wordt overigens dat de voorgestelde
regeling de regels ter zake van het ontstaan van een arbeidsovereenkomst, als
neergelegd in het Burgerlijk
Wetboek, onverlet laat. Een werkgever die
de onbeloond op een proefplaats werkende werknemer derhalve toch enig voordeel wil doen toekomen, bijvoorbeeld
in de vorm van een
gratificatie of een ruime onkostenvergoeding, zal zich derhalve dienen te
realiseren dat dit ertoe kan leiden dat achteraf wordt vastgesteld dat toch een
arbeidsovereenkomst is ontstaan, met als gevolg dat achteraf het
minimumloon of het CAO-loon betaald dient te worden, terwijl ook een plicht
tot betaling en/of inhouding van loonbelasting en premies voor de sociale
verzekeringen kan ontstaan. Vergoeding van de werkelijk gemaakte
onkosten zal overigens niet leiden tot het ontstaan van een arbeidsovereenkomst.
Ten slotte wordt opgemerkt dat de periode van maximaal drie maanden door sommigen wellicht
(te) kort wordt gevonden. Naar de mening van het kabinet zou toestaan
van een langere periode het risico van verdringing van beloonde
werkzaamheden door onbeloonde echter te groot maken.
5.2.6. Budgettering reïntegratiemaatregelen
In de
WAO zijn in
hoofdstuk IIa de volgende reïntegratiemaatregelen
opgenomen: de loonsuppletie, de garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten,
rblz.|19|
de loonkostensubsidie, de proefplaatsing en de inkomensvoorziening
tijdens opleiding of scholing. Ten behoeve van de financiering van deze
reïntegratiemaatregelen wordt aan de bedrijfsverenigingen ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) een budget toegekend. Het budget wordt elk jaar
door het Tica vastgesteld onder goedkeuring van het College van
toezicht sociale verzekeringen [zie Inspectie Werk
en Inkomen (IWI), red.].
6. Volume- en
financiële effecten
6.1. Herziening of
toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij toename van arbeidsongeschiktheid voortkomend uit dezelfde oorzaak
Als gevolg van de in dit
kader voorgestelde maatregelen (gebaseerd op de motie-Van Dijke c.s.):
a. neemt het volume van
de AAW/WAO toe met een categorie personen waarvoor anders het recht
op een arbeidsongeschiktheidsverzekering zou zijn geëindigd;
b. wordt voor een
bepaalde categorie uitkeringsgerechtigden de hoogte van de uitkering bij
toename van de mate van arbeidsongeschiktheid versneld aangepast.
Ad a. Het gaat hierbij
om personen die bij (her)keuring minder dan 15/25% arbeidsongeschikt
zijn verklaard en die niet meer voor de AAW/WAO verzekerd zijn op het moment dat de klachten toenemen. De
voorgestelde maatregelen
voorzien erin dat gedurende een periode van vijf jaar na (her)keuring het
recht op het verkrijgen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering behouden blijft.
De kwantitatieve effecten
hiervan laten zich als volgt ramen:
| |
Volume-
toename
AAW/WAO
(personen) |
Volume-
toename
uitkerings-
jaren |
Brutolasten
stijging AAW
(mln gld.) |
Besparingen
ZW en werk-
loosh.reg.
(mln gld.) |
Nettolasten
stijging
(mln gld.) |
| 1996 |
x5 400 |
x4 320 |
140 |
x95 |
x45 |
| 1997 |
x8 100 |
x6 480 |
210 |
120 |
x90 |
| 1998 |
10 800 |
x8 640 |
280 |
140 |
140 |
| 1999 |
13 500 |
10 800 |
350 |
160 |
190 |
| x |
x |
x |
x |
x |
x |
| Structureel |
x9 150 |
x7 360 |
240 |
125 |
115 |
In deze tabel is het
structurele effect lager dan in 1998 en 1999 omdat in de structurele situatie
het effect van toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
op het oude bestand is uitgewerkt.
Ad b. Het gaat hierbij
om de versnelde aanpassing van de uitkering van personen, minder dan 45%
arbeidsongeschikt, waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid bij herkeuring naar boven toe wordt herzien.
De kwantitatieve effecten
hiervan laten zich als volgt ramen:
| |
Volume-
toename
uitkerings-
jaren |
Brutolasten
stijging AAW
(mln gld.) |
Besparingen
ZW en werk-
loosh.reg.
(mln gld.) |
Nettolasten
stijging
(mln gld.) |
| 1996 |
3 600 |
60 |
50 |
10 |
| 1997 |
3 600 |
60 |
50 |
10 |
| 1998 |
3 600 |
60 |
50 |
10 |
| 1999 |
3 600 |
60 |
50 |
10 |
| x |
x |
x |
x |
x |
| Structureel |
3 600 |
60 |
50 |
10 |
rblz.|20|
6.2. Afschaffing
bonus-malussysteem
De financiële
effecten waarmee bij vervroegde afschaffing van de bonus/malus rekening moet
worden gehouden, betreffen:
a. het saldo van
opgelegde malussen en toegekende bonussen;
b. gedragseffecten;
c. administratiekosten.
Ad a. Het saldo van
opgelegde malussen en toegekende bonussen vormt een inkomstenpost
voor het AAf, waarmee rekening wordt gehouden bij de
vaststelling van de AAW-premie.
Het voor 1995
geprognostiseerde BMS-saldo zal door vervroegde afschaffing niet geheel
gerealiseerd worden. In principe heeft dit een opwaarts effect op de
AAW-premie tot gevolg. Het is echter de vraag of een premiestijging ook
geëffectueerd moet worden. Als gevolg van een ten opzichte van het
regeerakkoord meevallende volumeontwikkeling arbeidsongeschiktheid is
thans sprake van een aanzienlijk vermogensoverschot in het AAf. De
verschuiving van BMS-inkomsten naar premie-inkomsten pakt cld-neutraal uit,
zowel macro als micro. Lagere BMS-inkomsten zijn een
voordeel voor werkgevers, welk voordeel wordt geneutraliseerd doordat
de corresponderende premiemutatie AAW via de overhevelingstoeslag ook neerslaat bij
werkgevers.
Ad b. Beoogd werd door
het BMS werkgevers te prikkelen tot een bijdrage aan een verminderd beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Voor 1995 is daarvoor een bedrag van ƒ70 mln ingezet. Alhoewel het BMS een
halfjaar eerder wordt beëindigd, wijst de inmiddels gerealiseerde
volumeontwikkeling AAW/WAO
ten opzichte van het ingezette niveau in het
regeerakkoord erop dat het voor 1995 ingeboekte gedragseffect (ƒ70 mln)
zich reeds volledig voorgedaan heeft.
Ad c. De consequentie
van de CRvB-uitspraak is dat de motiveringseis voor het opleggen van
malussen aanzienlijk verzwaard is, zowel voor reeds opgelegde malussen als voor in de toekomst nog op te leggen
malussen. Dit leidt tot
een zeer aanzienlijke belasting van het uitvoeringsapparaat. Versnelde afschaffing
leidt tot een beperking van de extra administratieve belasting
als gevolg van de CRvB-uitspraak. Die extra administratieve belasting
beperkt zich dan tot de lopende zaken, inclusief aanhangige beroepszaken.
De meerkosten blijven daardoor beperkt tot ca. ƒ65 mln.
6.3. Intensivering
flankerende maatregelen gericht op (re)integratie
Aan een deel van de
hieronder geschetste maatregelen zijn kosten verbonden. Daartegenover
staan evenwel baten in de vorm van (bruto) bespaarde uitkeringen.
a. De kosten van de nieuw
in te voeren loonsuppletieregeling bedragen in de structurele situatie
ca. ƒ50 mln op jaarbasis. Daarbij is rekening
gehouden:
- met een gemiddelde
suppletie in het eerste jaar van circa ƒ2500,-, welke in vier jaar wordt
afgebouwd;
- een instroom van ruim
9000 cliënten per jaar, hetgeen leidt tot een totaal bestand van ruim
40 000 toepassingen in de structurele situatie.
De inkomenssuppletie voor
gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen die werkzaam blijven in
het eigen bedrijf zal aanvullend leiden tot ca. ƒ5 mln meeruitgaven
in de structurele situatie.
rblz.|21|
b. De voorgestelde
verbetering van de loonkostensubsidieregeling leidt tot ca. ƒ100
mln aan
meerkosten in de structurele situatie. Daarbij is rekening gehouden met een
uitbreiding van het toepassingsbereik van deze regeling met ca.
10 000 arbeidsplaatsen in de structurele situatie (bij de huidige regeling
bedraagt het toepassingsbereik in de structurele situatie ca. 35 000
arbeidsplaatsen). Deze uitbreiding van het toepassingsbereik leidt
tot extra (bruto)besparingen op uitkeringen van ca. ƒ200 mln.
Overigens zij aangetekend
dat het hier dezelfde doelgroep betreft als die van de loonsuppletieregeling. Het toepassingsbereik van beide maatregelen
mag dus niet bij elkaar
opgeteld worden.
c. De
verruiming van de
scholingsmogelijkheden in de WW vergen een meeruitgave van ca.
ƒ20
mln. Omdat aangenomen is dat de scholing volledig gedurende de loongerelateerde uitkeringsperiode plaatsvindt, is
in dit opzicht sprake van
een maximumraming. Wanneer tijdens de scholing overgang van de
loongerelateerde naar de vervolguitkering plaatsvindt, vallen de
kosten enigzins bescheidener uit.
Met deze
scholingsinspanning wordt een uitbreiding van het aantal
arbeidsmarktrelevante
scholingen verwacht met ca. 2000.
d. Het verlenen van een
krediet voor het opstarten van een eigen bedrijf is onder de huidige
regelingen reeds mogelijk. Daarom (en ook gezien het feit dat bij een
eventuele uitbreiding het een kredietfaciliteit betreft waarbij in principe
sprake is van terugbetaling en rente-inkomsten) wordt hiervoor geen extra
uitgave geraamd.
e. De
stimulans voor de
oudere werknemers leidt niet tot extra uitgaven. In de huidige populatie is de uitstroom in deze groep minimaal.
Verondersteld wordt
daarom dat invoering van deze regeling alleen kan leiden tot eventuele
opbrengsten door (al of niet tijdelijke) uitstroom.
f. Ten aanzien van
proefplaatsing met behoud van uitkering worden niet op voorhand financiële
effecten ingeraamd. Verondersteld wordt dat werkgevers personen die
met behoud van uitkering drie maanden kunnen werken ook eerder zullen
aannemen. De duur van de uitkering neemt daardoor naar verwachting
niet toe.
g. De veronderstellingen
ten aanzien van het gebruik van de regeling Vergoeding persoonlijke
ondersteuning gehandicapte werknemers zijn gebaseerd op de ruime
uitleg zoals die nu ook zal worden uitgedragen. Derhalve worden hiervoor
geen extra lasten geraamd.
In onderstaande tabel
zijn de kosten van de in dit wetsvoorstel voorgestelde intensivering en uitbreiding van flankerende maatregelen
weergegeven [x miljoen gulden, red.]: rblz.|22|
| |
A.
Kosten
huidig pakket |
B.
Kosten voorgesteld pakket |
Verschil
A en B |
| |
Afzonderlijke
loonkosten-
subsidie- en bonusregeling
(t.l.v. AAf) |
Geïntegreerde
loonkosten-
subsidie- en
bonusregeling
(t.l.v. Aof) |
Verruiming
scholings-
maatregelen
(t.l.v. Aof) |
Loonsuppletie-
regeling
(t.l.v. Aof) |
Totaal |
Nettolasten
stijging |
| 1996 |
x50 |
x30 |
20 |
10 |
x60 |
x10 |
| 1997 |
x85 |
105 |
20 |
30 |
155 |
x70 |
| 1998 |
120 |
170 |
20 |
40 |
230 |
110 |
| 1999 |
155 |
240 |
20 |
45 |
305 |
150 |
| x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
Struc-
tureel |
174 |
274 |
20 |
50 |
344 |
170 |
In de volgende tabel zijn
de volume-effecten alsmede de (bruto)besparingen van het huidige en van het voorgestelde pakket maatregelen
weergegeven. De effecten
van de onder d tot en met g genoemde reïntegratie-instrumenten zijn hierin niet
opgenomen, vanwege op voorhand niet goed in te schatten
volume-effecten. Opgemerkt zij voorts dat het bij de genoemde besparingen
[x miljoen gulden, red.] om
brutobesparingen gaat, waarbij nog geen rekening is gehouden met,
eveneens op voorhand moeilijk in te schatten, verdringingseffecten.
|
|
Effecten
huidig pakket |
Effecten
voorgesteld pakket |
Verschil |
| |
Aantal
scho-
lingen |
Aantal
gesubsi-
dieerde
arbeids-
plaatsen |
Bruto
be-
spaarde
uitke-
ringen |
Aantal
scho-
lingen |
Aantal
gesubsi-
dieerde
arbeids-
plaatsen |
Bruto
be-
spaarde
uitke-
ringen |
Aantal
scho-
lingen |
Aantal
gesubsi-
dieerde
arbeids-
plaatsen |
Bruto
be-
spaarde
uitke-
ringen |
| 1996 |
8
000 |
x7
500 |
150 |
10
000 |
19
500 |
190 |
2
000 |
2
000 |
x40 |
| 1997 |
8
000 |
14
500 |
290 |
10
000 |
19
500 |
390 |
2
000 |
5
000 |
100 |
| 1998 |
8
000 |
22
000 |
440 |
10
000 |
29
000 |
580 |
2
000 |
7
000 |
140 |
| 1999 |
8
000 |
29
500 |
590 |
10
000 |
38
500 |
770 |
2
000 |
9
000 |
180 |
| x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
Struc-
tureel |
8
000 |
35
000 |
700 |
10
000 |
45
000 |
900 |
2
000 |
10
000 |
200 |
6.4. Recapitulatie
In onderstaande tabel
zijn alle kosten en baten van de in dit wetsvoorstel
voorgestelde maatregelen samengevat.
Uit deze tabel volgt dat
de totale brutolasten structureel ƒ470 mln
bedragen. Tezamen met de ƒ5 mln
extra meeruitgaven in verband met loonsuppletie
zelfstandigen wordt dit ƒ475 mln.
rblz.|23|
Recapitulatie kosten en
besparingen herziening/toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering bij
toename arbeidsongeschiktheid, intensivering flankerende
maatregelen en afschaffing bonus/malus [x miljoen gulden, red.]:
| |
Herziening/toekenning
arbeidsongeschiktheids-
uitkering bij toename arbeidsongeschiktheid (motie-Van Dijke) |
Afschaffing
bonus/malus |
Intensivering
flankerende maatregelen gericht op reïntegratie |
Totaal
nettolasten
wetsvoorstel |
| |
Bruto-
lasten |
Bruto-
bespa-
ringen |
Netto-
lasten |
Kosten |
Bruto-
lasten |
Bruto-
bespa-
ringen |
Netto-
lasten |
|
| 1995 |
x |
x |
x |
565 |
x |
x |
x |
x65 |
| 1996 |
200 |
145 |
x55 |
x |
x10 |
x40 |
-
30 |
x25 |
| 1997 |
270 |
170 |
100 |
x |
x70 |
100 |
-
30 |
x70 |
| 1998 |
340 |
190 |
150 |
x |
110 |
140 |
- 30 |
120 |
| 1999 |
410 |
210 |
200 |
x |
150 |
180 |
- 30 |
170 |
| x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
Struc-
tureel |
300 |
175 |
125 |
x |
170 |
200 |
- 30 |
195 |
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. (AAW)
Onderdelen A,
B,
D
en
E
en artikel II, onderdeel A,
B,
D
en
G
Deze onderdelen strekken
ertoe uitvoering te geven aan de motie-Van Dijke c.s., waarvan in paragraaf
5.2.3 van het algemeen deel van deze toelichting melding is gemaakt. Zoals aldaar is aangegeven, heeft het
kabinet besloten aan de
motie uitvoering te geven door de mogelijkheid te scheppen om bij toename
van de oorspronkelijke klachten de uitkering na een wachttijd van vier weken
te herzien dan wel toe te kennen, onder de voorwaarde dat de periode
gedurende welke wegens toename van de oorspronkelijke klachten
recht op herziening (verhoging) dan wel toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering kan
bestaan niet langer
is dan vijf jaar na
toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De
artikelen I, onderdeel B, en II, onderdeel
B, bevatten de mogelijkheid tot herziening van de
arbeidsongeschiktheiduitkeringen die zijn berekend naar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Met de voorgestelde artikelen
29a van de AAW
en 39a van
de WAO wordt uitbreiding gegeven aan de mogelijkheden tot
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De artikelen 27 tot en
met 29 van de AAW
en 37 tot en met 39 van de WAO
bevatten reeds
mogelijkheden tot herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Deze bepalingen blijven van kracht.
Het kan echter
voorkomen
dat zowel recht bestaat op een herziening op grond van artikel 27 van
de AAW
onderscheidenlijk artikel 37 van de WAO
als op grond van artikel 29a van
de AAW
onderscheidenlijk artikel
39a van de WAO. Deze laatste
artikelen geven een eerder recht op herziening dan de artikelen 27 van de
AAW
en 37 van de WAO, te weten na vier weken in plaats van na 52 weken.
In verband hiermee is in
artikel I, onderdeel A, en artikel II, onderdeel
A, bepaald dat de in de
artikelen 27 van de AAW
en 37 van de WAO bedoelde herziening
plaatsvindt
onverminderd de artikelen 29a van de AAW
en 39a
van de WAO. Dit houdt
in
dat indien herziening op grond van de artikelen 29a van de AAW
en
39a van
de WAO na vier weken heeft plaatsgevonden, de in de artikelen 27 van de
AAW
en 37 van de WAO bedoelde herziening na 52 weken uiteraard niet
meer hoeft plaats te vinden.
Dit maakt de artikelen 27
van de AAW
en 37 van de WAO echter niet overbodig, omdat deze
artikelen uiteraard nog toepassing dienen te vinden in gevallen waarin
sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid rblz.|24|
na afloop van
de in de artikelen 29a van de AAW
en 39a
van de WAO
genoemde periode van vijf jaar.
Het kan zonder nadere
voorziening ook voorkomen dat zowel recht bestaat op een herziening
op grond van artikel 28 van de AAW
onderscheidenlijk artikel 38 van de WAO
als
op grond van artikel 29a van de
AAW
onderscheidenlijk
artikel 39a van de WAO. In het kader van de artikelen 28
van de AAW
en 38 van de WAO is de oorzaak van de toegenomen
arbeidsongeschiktheid niet relevant, terwijl voorts de toepassing van deze
artikelen niet gebonden is aan bovengenoemde termijn van vijf jaar. In
deze gevallen levert toepassing van de artikelen 29a van de
AAW
en
39a van de
WAO geen extra voordeel op. In verband hiermee is
bepaald dat
laatstgenoemde artikelen geen toepassing vinden indien recht bestaat op
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 28
van de AAW
of artikel 38 van de WAO.
Voorts is
bepaald dat de
artikelen 29a van de AAW
en 39a
van de WAO geen toepassing
vinden
indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van artikel 29, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de
AAW
of
artikel 39, eerste lid,
onderdeel a tot en met c, van de
WAO. De toepassing van laatstgenoemde artikelen werkt gunstiger uit dan
de artikelen 29a van de
AAW
en 39a
van de WAO, omdat de herziening van
de uitkering dan direct ingaat, in plaats van na vier weken.
De
artikelen I, onderdeel D, en II, onderdeel
D, maken het mogelijk een arbeidsongeschiktheidsuitkering
(opnieuw) toe te kennen in de gevallen waarin een eerdere
uitkering is ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid was beëindigd of
beneden de 25% (voor de WAO 15%) was gedaald dan wel in de
gevallen waarin iemand na het einde van de wachttijd van 52 weken,
hoewel hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
of gebreken, geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
omdat hij niet arbeidsongeschikt was.
Anders dan bij toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 6,
eerste lid, van de AAW
en artikel 19, eerste lid, van de WAO
maken de artikelen 32a van de
AAW
en 43a
van de WAO toekenning mogelijk na
vier weken
onafgebroken arbeidsongeschiktheid in plaats van na 52 weken. Tevens is in
artikel 32a, eerste lid, van de
AAW
niet de eis gesteld, zoals in artikel
6, eerste lid, van
die wet, dat de aldaar bedoelde personen aan de in
artikel 6, eerste lid, van de AAW
gestelde inkomenseis moeten voldoen, willen zij
op grond van artikel 32a van de
AAW
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen doen gelden.
Deze personen hebben in
het verleden ter zake van die ongeschiktheid tot werken immers de
wachttijd van 52 weken reeds doorlopen en, voor zover het de
AAW
betreft, aan
de inkomenseis voldaan.
In de artikelen 32a van
de AAW
en 43a van de WAO wordt evenmin de eis gesteld dat men
verzekerd moet zijn om voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking te kunnen komen. Voor de (her)beoordeelde
arbeidsongeschikten - dit zijn degenen die door een herbeoordeling het recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering verliezen en degenen die aan het einde
van de wachttijd het eigen werk niet meer kunnen doen, maar geen
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen en werkloos worden
- zal de verzekering voor de WAO
veelal door langdurige werkloosheid
aflopen. Het niet verzekerd zijn mag naar de mening van het kabinet
geen beletsel zijn om bij toename van de oorspronkelijke klachten
(opnieuw) een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.
rblz.|25|
Zoals in het algemeen
deel van de toelichting is vermeld, is uit een oogpunt van uitvoerbaarheid ervoor gekozen om de herziening
c.q.
toekenning eerst te laten plaatsvinden indien de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid
onafgebroken vier weken heeft geduurd. Overeenkomstig de in de
AAW
en WAO
gebruikelijke samentellingswijze is bepaald dat voor het bepalen van die periode
van vier weken perioden van (toegenomen) arbeidsongeschiktheid
worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan één maand opvolgen.
Bij deze onderdelen is
het, in tegenstelling tot bij de artikelen 29a van de AAW
en 39a
van de WAO,
voorts noodzakelijk dat een bedrijfsvereniging wordt aangewezen die bevoegd is tot toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Eén en ander is geregeld in het derde lid van artikel 32a van de
AAW
en artikel 43a van de WAO.
Ook bij toepassing van de
artikelen 32a van de AAW
en 43a
van de WAO kan sprake zijn van een
situatie waarin zowel recht bestaat op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
32a van de AAW
of artikel 43a
van de WAO als recht op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de artikelen 37 van de
AAW
en 47 van de WAO. De
toepassing van laatstgenoemde artikelen werkt gunstiger uit dan
de artikelen 32a van de
AAW
en 43a
van de WAO, omdat de heropening van
de uitkering dan direct ingaat, in plaats van na vier weken. In verband hiermee
is bepaald dat de artikelen 32a van de
AAW
en 43a
van de WAO
geen toepassing vinden indien recht bestaat op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 37
van de AAW
of
artikel
43 van de WAO.
Op grond van artikel
36a,
tweede lid, van de AAW
wordt, indien iemand ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid zowel recht heeft op herziening
van zijn AAW-uitkering op
grond van de in dat artikel genoemde herzieningsartikelen als
op toekenning van een WAO-uitkering, de AAW-uitkering slechts
uitbetaald voor zover deze de WAO-uitkering overtreft. Aan de aldaar
genoemde artikelen wordt, ingevolge de in artikel I, onderdeel
E, opgenomen
wijziging van artikel 36a, tweede lid, van de
AAW,
thans ook het nieuwe artikel
29a van de AAW
toegevoegd. Tevens is
de vernummering van het
huidige artikel 29a AAW
tot 29b verwerkt.
Op grond van
artikel
84a,
derde lid, van de WAO wordt, indien een vrijwillig verzekerde ter
zake van zijn arbeidsongeschiktheid zowel recht heeft op toekenning van
een WAO-uitkering als op herziening van zijn AAW-uitkering op grond
van de in dat artikel genoemde herzieningsartikelen, de WAO-uitkering slechts
uitbetaald voor zover deze het bedrag overtreft waarmee de
AAW-uitkering in verband met die herziening is toegenomen. Aan de aldaar
genoemde artikelen wordt, ingevolge de in artikel II, onderdeel
G,
opgenomen wijziging van artikel 84a, derde lid, van de WAO, thans ook het
nieuwe artikel 29a van de
AAW
toegevoegd. Tevens is ook hier de
vernummering van het huidige artikel 29a
AAW
tot 29b verwerkt.
Artikel I, onderdeel C,
en artikel II, onderdeel C
Het is
mogelijk dat een AAW- of WAO-gerechtigde die deelneemt aan een opleiding of scholing
juist door het volgen van die opleiding of scholing minder
arbeidsongeschikt wordt. De voorgestelde vierde leden van de artikelen 32
AAW
en 43 WAO voorkomen dat in dergelijke gevallen de uitkering tijdens de
duur van de opleiding of scholing wordt ingetrokken of herzien.
Door een verwijzing naar artikel 12, derde lid,
AAW,
respectievelijk 21,
vierde lid, WAO, wordt bereikt dat intrekking of herziening tijdens de opleiding of scholing
wél mogelijk is indien rblz.|26|
betrokkene onvoldoende
meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan.
Opgemerkt wordt overigens dat een herziening wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid tijdens het volgen van een opleiding of scholing mogelijk
blijft.
Wordt de opleiding of
scholing voltooid, dan zorgen overigens ook nu al de artikelen 31, vierde
lid, en 32, derde lid, AAW,
respectievelijk 42, vierde lid, en
43, derde lid,
WAO, ervoor dat de
AAW- of WAO-uitkering het eerste jaar na de
voltooiing niet kan worden ingetrokken of herzien.
Het voorgestelde
artikel 32, vijfde lid, WW bewerkstelligt dat tijdens een proefplaatsing als
bedoeld in het in artikel II, onderdeel E,
voorgestelde
artikel 63 WAO, de
AAW-component in de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet wordt ingetrokken of
herzien. Voor een nadere toelichting op dit lid wordt verwezen
naar de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel 63
WAO.
Onderdeel F (hoofdstuk IIIb)
Dit onderdeel strekt
ertoe hoofdstuk IIIb van de AAW,
waarin het bonus-malussysteem en de
loonkostensubsidieregeling is neergelegd, te vervangen door een nieuw hoofdstuk
IIIb (Inkomenssuppletie gedeeltelijk
arbeidsongeschikte
zelfstandigen).
Zonder nadere voorziening
heeft het vervallen van het oude hoofdstuk IIIb onmiddellijke werking.
Dit houdt in dat het
vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet in principe voor de uitvoeringsinstanties niet meer mogelijk is om een
bonusuitkering als
bedoeld in paragraaf 1 of een loonkostensubsidie als bedoeld in
paragraaf 3 van dat hoofdstuk
te verstrekken.
Ook zijn vanaf dat moment
in principe geen geldelijke bijdragen als bedoeld in paragraaf 2 van dat
hoofdstuk meer verschuldigd. Dit betekent onder meer dat:
- bij de aanvang van de
arbeidsongeschiktheid van de werknemer door de bedrijfsvereniging aan
de werkgever op grond van artikel 59i, eerste lid, van de
AAW
reeds
aangezegde geldelijke bijdragen vanaf de datum van inwerkingtreding van
de wet niet meer kunnen worden opgelegd en ingevorderd;
- na één jaar
arbeidsongeschiktheid van de werknemer door de bedrijfsvereniging op grond van artikel
59i, tweede lid, van de
AAW
reeds
opgelegde geldelijke
bijdragen vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet niet meer
verschuldigd zijn.
Op dit beginsel van
onmiddellijke werking is voor een aantal situaties een uitzondering gemaakt
dan wel een overgangsregeling getroffen. In de paragrafen 1 tot en met 4
van hoofdstuk II van dit wetsvoorstel zijn enige overgangsartikelen
opgenomen. Voor een toelichting op deze bepalingen moge worden verwezen naar
de toelichting op de artikelen X tot en met XIII.
Voor de inhoud van het
nieuwe hoofdstuk IIIb (Inkomenssuppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen) moge worden verwezen
naar het algemeen deel
van deze toelichting.
Onderdeel G [zie art.
I, onderdeel
H, Wet Amber, red.] en artikel II, onderdeel H
In artikel I,
onderdeel G,
[zie art. I, onderdeel H, Wet Amber,
red.] en artikel II, onderdeel
H, is bepaald dat de Algemene
termijnenwet niet van toepassing is op de termijn van vier weken, genoemd in de artikelen
29a en 32a AAW
en 39a
en 43a WAO.
rblz.|27|
Artikel
II. (WAO)
Onderdeel E (hoofdstuk IIa
- Reïntegratiemaatregelen)
Zoals in het algemeen
deel reeds is gesteld, bevat dit hoofdstuk een aantal mogelijkheden die
enerzijds tot doel hebben arbeidsongeschikten een prikkel tot werkaanvaarding te geven en anderzijds beogen de kansen
op de arbeidsmarkt van arbeidsgehandicapten te vergroten door het verstrekken van een
loonkostensubsidie aan werkgevers.
Overigens hebben de in
hoofdstuk IIa voorgestelde reïntegratiemaatregelen, behalve die van de
proefplaatsing, uitsluitend betrekking op werknemers die niet in
dienst zijn of treden van de overheid en op werkgevers die niet tot
de overheid behoren. Daartoe zullen afzonderlijke voorzieningen worden
getroffen.
§ 1. Loonsuppletie
Artikel 60 WAO
Zoals in het
algemeen
deel van de toelichting al is gesteld, is de loonsuppletie erop gericht het verschil tussen de theoretische verdiencapaciteit
en de werkelijke verdiensten te overbruggen. De theoretische verdiencapaciteit is in
de tekst van het artikel aangegeven als de bij of krachtens artikel 5
vastgestelde hoogste loonwaarde uit alle algemeen geaccepteerde arbeid
waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Hierbij is aansluiting gezocht bij de in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a,
van het Schattingsbesluit [zie Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.] gehanteerde terminologie.
De uitwerking van de in
het algemeen deel van de toelichting beschreven regeling zal plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur.
§ 2. Garantieregeling
voor oudere arbeidsongeschikten
Artikel 61 WAO
Indien een
WAO-gerechtigde op of na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar inkomsten
uit
arbeid in dienstbetrekking gaat verdienen, wordt zijn WAO-uitkering in verband
hiermee verlaagd of ingetrokken dan wel vindt de anticumulatieregeling,
neergelegd in artikel 44 van de WAO, toepassing. Hernieuwde
uitval na werkhervatting kan leiden tot een lagere uitkering. Voor oudere
WAO-gerechtigden kan deze terugval in inkomen een drempel opwerpen om
weer aan het arbeidsproces te gaan deelnemen. Teneinde deze gerechtigden zekerheid te geven, is in dit
artikel een
garantieregeling voor hen neergelegd. Wanneer zij binnen vijf jaar na de datum van
werkhervatting opnieuw recht krijgen op toekenning van een WAO-uitkering of
op een herziening van hun uitkering wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid, wordt het aan de uitkering ten grondslag te leggen
dagloon niet lager gesteld dan het dagloon dat voor de berekening van de
laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in
aanmerking werd genomen.
Voor de
personen wier
WAO-uitkering in verband met werkaanvaarding is
beëindigd (eerste
lid), is dat het dagloon dat laatstelijk vóór de datum van werkaanvaarding aan
hun WAO-uitkering (loondervingsuitkering of vervolguitkering) ten
grondslag lag. Het kabinet acht het wenselijk dit garantiedagloon bij
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering eenmalig aan te passen
aan de indexeringen die vanaf de datum van beëindiging tot aan de
nieuwe toekenning hebben plaatsgevonden.
Indien laatstelijk een
loondervingsuitkering WAO werd ontvangen, dient het garantiedagloon
eenmalig te worden aangepast aan de indexeringen die op grond van artikel
15 van de WAO vanaf de datum van beëindiging tot aan de nieuwe
toekenning hebben plaatsgevonden.
Indien laatstelijk een
zogenaamde vervolguitkering WAO werd ontvangen, dient niet alleen rekening te worden gehouden met de
indexeringen rblz.|28|
die op grond
van artikel 15 van de WAO hebben plaatsgevonden, maar ook met de
indexering van het minimumloon op grond van artikel 14 van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het vervolgdagloon is immers
gelijk aan het minimumloon, verhoogd met een percentage van het
verschil tussen het dagloon en het minimumloon.
Voor de
personen wier
recht op uitkering ondanks de werkhervatting niet geheel is beëindigd (tweede lid), is dit het dagloon dat laatstelijk voor de herziening ter zake
van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid aan hun
loondervingsuitkering of vervolguitkering ten grondslag lag en niet het dagloon dat
vóór de werkhervatting aan hun uitkering ten grondslag lag. In de
gevallen waarin de WAO-gerechtigde bijvoorbeeld tussen het tijdstip van
werkhervatting en de herziening van de WAO-uitkering ter zake
van toegenomen arbeidsongeschiktheid wegens afloop van de termijn
waarover hij recht heeft op een loondervingsuitkering inmiddels een vervolguitkering ontvangt, dan dient de garantie
niet te worden gesteld op
de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij laatstelijk vóór aanvang
van die werkhervatting recht had, doch op het (lagere) niveau van de
vervolguitkering. Bij niet-werkhervatting zou hij immers na afloop van de
loondervingsperiode ook een lagere WAO-uitkering hebben
ontvangen.
De termijn van vijf jaar
hangt samen met de plicht van de bedrijfsverenigingen om dossiers vijf jaar te
bewaren en vanwege de eventuele misbruikgevoeligheid om
deze regeling te gebruiken als een vervroegd pensioen.
Opgemerkt wordt
nog dat
de in het tweede lid van dit artikel neergelegde dagloongarantiebepaling
de mogelijkheid onverlet laat dat nog toepassing wordt gegeven
aan artikel 40 van de WAO, op grond waarvan het mogelijk is om bij
herziening wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid het dagloon opnieuw vast
te stellen mits dit leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon
dat laatstelijk voor de berekening van de loondervingsuitkering of
vervolguitkering in aanmerking werd genomen.
§ 3.
Loonkostensubsidieregeling
Artikel 62 WAO
Zoals in het
algemeen
deel van de toelichting reeds is gesteld, blijft de loonkostensubsidieregeling
onderdeel uitmaken van het beleid ter bevordering van arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten. Daartoe is
in artikel 62 van
hoofdstuk IIa van de WAO
een regeling opgenomen van gelijke strekking als de
regeling welke was opgenomen in artikel 59n van de AAW,
zij het dat deze
geen betrekking heeft op overheidswerkgevers, voor wie, zoals eerder
vermeld, een afzonderlijke voorziening zal worden getroffen. Voorts is de
verwijzing naar de Wet
loonkostenreductie op minimumloonniveau, die
voorkwam in artikel 59n, vierde lid, van de
AAW,
niet meer in artikel 62
van de WAO
opgenomen, omdat op grond van artikel 3 van
die wet
het recht op een tegemoetkoming in de loonkosten beperkt was tot de
periode 1 april 1990 tot en met 31 maart 1994. Daarnaast is de
mogelijkheid om de loonkostensubsidie terug te vorderen, uitgebreid met situaties
waarin de arbeid in een aangepaste dan wel andere functie niet
langer wordt verricht.
Afgezien van het
voorgaande en van een verhoging van het subsidieniveau tot ten hoogste 25% van
het bruto overeengekomen loon is met dit artikel geen inhoudelijke wijziging beoogd. De in artikel
59n, zevende lid, rblz.|29|
van de AAW
opgenomen
bepaling inzake budgettering, die in het nieuwe artikel 62 van de WAO
niet meer voorkomt, is overgeheveld naar hoofdstuk IV van de WAO
(De op te brengen middelen), waarin een budgetteringsregeling is
opgenomen ter financiering van alle in paragraaf IIa [hoofdstuk
IIa, red.] van de WAO
genoemde reïntegratiemaatregelen.
§ 4. Proefplaatsing
Artikel 63 WAO (algemeen)
In het voorgestelde
artikel 63 WAO is het instrument van de proefplaatsing
neergelegd. Zoals reeds in het algemene deel van deze toelichting is
uiteengezet, is doel van dit instrument de gedeeltelijk arbeidsgeschikte die
zowel recht heeft op WAO- als op WW-uitkering gedurende maximaal drie
maanden de kans te geven op een onbeloonde proefplaats bij een
werkgever te laten zien waartoe hij in staat is, zonder dat hij daar in inkomen
op achteruit gaat.
Hiertoe was een tweetal
aanpassingen nodig, te weten:
- introductie van een reïntegratie-uitkering ter hoogte van de bespaarde
WW-uitkering (artikel
63,
eerste tot en met negende lid);
- bepaling dat de WAO-uitkering tijdens de proefplaatsing niet ingetrokken of herzien wordt
(artikel 63,
tiende lid).
Artikel 63, eerste tot en
met negende lid: reïntegratie-uitkering
Krachtens de
WW kan
alleen recht op uitkering bestaan indien sprake is van werkloosheid. Bij de
bepaling van de vraag of iemand werkloos is, en zo ja, in welke mate,
wordt gekeken naar het aantal door hem verloren arbeidsuren. Heeft men
eenmaal recht op WW-uitkering, dan leidt het verrichten van
werkzaamheden, al naargelang het aantal uren waarover deze worden verricht
en
het aantal uren waarop de WW-uitkering is gebaseerd, tot een gehele
of gedeeltelijke eindiging van die uitkering (tenzij de nieuwe werkzaamheden minder dan vijf of minder dan de helft
van het oorspronkelijk
aantal arbeidsuren beslaan). Hierbij is niet van belang of de
werkzaamheden beloond of onbeloond worden verricht. Slechts indien de
werkzaamheden geen werkzaamheden zijn die in het economisch verkeer worden
verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt
beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen
redelijkerwijs kan worden verwacht, blijft de WW-uitkering ongemoeid.
In casu gaat het echter
- mogelijke uitzonderingen daargelaten - om werkzaamheden die wél in het economisch verkeer worden verricht en die normaliter beloond
worden. Gevolg hiervan is dat, zonder nadere regeling, de WW-uitkering
bij aanvang van de onbeloonde werkzaamheden geheel of gedeeltelijk
zou eindigen. Aldus zou de proefplaatsing onmiddellijk leiden tot
een lager inkomen. Aanpassing van de WW in die zin dat bovenbedoelde
werkzaamheden met behoud van WW-uitkering zouden kunnen worden
verricht, wordt op dit moment niet opportuun geacht. Immers, dit zou
er in wezen toe leiden dat in sommige gevallen de berekening aan de hand
van het verloren aantal arbeidsuren plaats zou moeten maken voor een
berekening aan de hand van het gederfde inkomen. Dit zou leiden
tot een majeure wijziging van het werkloosheidsbegrip in de WW, waarvan de
gevolgen niet gemakkelijk te overzien zijn. Gezien het bovenstaande
is ervoor gekozen de WW-uitkering bij aanvang van de werkzaamheden op
de proefplaats volgens de gewone WW-regels te laten eindigen en
tegenover de geëindigde WW-uitkering de mogelijkheid van het
toekennen van een reïntegratie-uitkering te stellen, welke uitkering in hoogte
gelijk is aan de WW-uitkering die zou zijn rblz.|30|
verstrekt indien
betrokkene werkloos zou zijn gebleven (echter inclusief de vakantiebijslag over de
betrokken maanden). Deze werkwijze heeft voor de uitkeringsgerechtigde
het voordeel dat hij tijdens de proefplaatsing geen WW-rechten consumeert. Wordt hij na de proefplaatsing onverhoopt
weer werkloos, dan
herleeft immers het recht op WW-uitkering, met als gevolg dat de maximumduur
van de uitkering opschuift met de periode waarover de onbeloonde
werkzaamheden zijn verricht.
In het eerste en tweede
lid is geregeld dat de WW- én WAO-gerechtigde die onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats wil gaan verrichten en ter compensatie van de
dientengevolge eindigende WW-uitkering een reïntegratie-uitkering
wil ontvangen, daartoe tijdig een verzoek moet indienen bij de
bedrijfsvereniging. Zoals in het algemene gedeelte van de toelichting reeds
gememoreerd, heeft de bedrijfsvereniging een eigen bevoegdheid wat betreft
het al dan niet inwilligen van het verzoek, maar is het kabinet, gezien het
doel van de proefplaatsing en de kennelijk goede motivatie van de indiener
van het verzoek, voorstander van een ruim toekenningsbeleid.
Daarbij dient de bedrijfsvereniging uiteraard wel te blijven binnen het voor
de proefplaatsingen ter beschikking staande budget, bedoeld in het
voorgestelde artikel 76, vierde lid, WAO.
Indien de onbeloonde
werkzaamheden voldoen aan één of meer van de in het derde lid beschreven voorwaarden, is de bedrijfsvereniging echter
verplicht het verzoek te weigeren. Onderdeel a van het derde lid ziet op de
situatie waarin de uitkeringsgerechtigde onbeloonde werkzaamheden wil gaan verrichten die
óf geen algemeen geaccepteerde arbeid vormen óf zijn krachten en
bekwaamheden te boven gaan. Ook indien de betreffende onbeloonde werkzaamheden
op grond van de WW met behoud van WW-uitkering kunnen
worden verricht, dient geen reïntegratie-uitkering te worden verstrekt
(onderdeel b). Dit is het geval indien de werkzaamheden geen werkzaamheden zijn
die in het economisch verkeer worden verricht en waarmee het verkrijgen
van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs
kan worden verwacht. In
dit geval ligt, zowel gezien het karakter van de werkzaamheden als met het
oog op de uitvoeringslasten voor de uitkeringsinstanties,
doorbetaling van de WW-uitkering meer in de rede.
Opgemerkt wordt overigens
dat de Centrale Raad van Beroep het de bedrijfsverenigingen
heeft toegestaan ondanks het feit dat er wél sprake was van (onbeloonde)
werkzaamheden in bovenbedoelde zin, een beleid te voeren op grond waarvan in bepaalde situaties de uitkering buitenwettelijk
kan worden gecontinueerd (CRvB 16 juni 1992, WW 1990/241, RSV 1992/348). De
formulering van het voorgestelde artikel 63, derde lid, onderdeel b, WAO
is zo gekozen dat in dergelijke gevallen het betalen van een reïntegratie-uitkering voorgaat op het betalen van een
buitenwettelijke WW-uitkering. In
onderdeel c wordt de voorwaarde gesteld dat de werkgever bij wie de werknemer de onbeloonde
werkzaamheden zal
gaan verrichten ten
behoeve van die werknemer een aansprakelijkheids- en een ongevallenverzekering
heeft afgesloten. Ingevolge het voorgestelde vierde lid kunnen ter zake
van dit onderdeel nadere, en zo nodig afwijkende, regels worden
gesteld. Onderdeel d van het derde lid voorkomt dat een
werkgever een werknemer steeds voor drie maanden voor dezelfde of
gelijksoortige werkzaamheden op een proefplaats kan laten werken en aldus
misbruik kan maken van het reïntegratie-instrument proefplaatsing. Opgemerkt
wordt dat de beschermende werking van onderdeel d
beperkt is. Heeft de bedrijfsvereniging echter het vermoeden dat een
werkgever de regeling oneigenlijk gebruikt zonder dat de in het derde lid,
onderdeel d, genoemde voorwaarde van toepassing is, dan kan zij de reïntegratie-uitkering alsnog op basis van haar vrije
beleidsruimte weigeren.
rblz.|31|
In het vijfde lid is
bepaald dat de reïntegratie-uitkering over een aaneengesloten periode
van maximaal drie maanden wordt betaald. Indien na bijvoorbeeld
een eerste maand de onbeloonde werkzaamheden tijdelijk worden
onderbroken, leidt dat er derhalve toe dat de uitkering na hervatting van deze
werkzaamheden niet wordt gecontinueerd. De reden hiervoor is dat een
systeem waarin in totaal drie maanden reïntegratie-uitkering zou kunnen worden
genoten, met aldus de mogelijkheid van tussenliggende perioden
van niet-werken waarover dan weer de WW-uitkering zou kunnen
herleven, tot een grote belasting van de uitvoeringsorganen zou
leiden. Opgemerkt wordt echter dat eventuele onderbrekingen wegens
algemeen erkende feestdagen uiteraard niet beschouwd dienen te
worden als onderbrekingen leidende tot de stopzetting van de reïntegratie-uitkering.
In het zesde lid is
bepaald dat de hoogte van de reïntegratie-uitkering gelijk is aan het
bedrag
van de uitkering ingevolge de WW dat zou zijn betaald indien betrokkene
over de uren waarop hij de onbeloonde werkzaamheden verricht
werkloos zou zijn gebleven en de reservering van vakantiebijslag, bedoeld
in artikel 33, derde lid, van de WW, niet zou hebben plaatsgevonden.
Een eventueel op de WW-uitkering getroffen sanctie werkt dus door in
de hoogte van de reïntegratie-uitkering. Indien echter de betrokkene zonder de proefplaatsing van de loongerelateerde
WW-fase in de vervolgfase
zou zijn gestroomd of indien zijn uitkering zou zijn geëindigd wegens
het bereiken van de maximumduur, wordt daarmee voor de reïntegratie-uitkering geen rekening gehouden. Een dergelijke verlaging of eindiging
van de uitkering zal derhalve pas haar beslag kunnen krijgen indien
betrokkene na de proefplaatsing wederom werkloos wordt.
In het zevende lid wordt
een aantal bepalingen die betrekking hebben op de betaling van de WW-uitkering van overeenkomstige toepassing verklaard op de betaling
van de reïntegratie-uitkering.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat de reïntegratie-uitkering, net als de WW-uitkering,
te beschouwen is als loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de
Wet op de
loonbelasting 1964,
zodat over deze
vergoeding premies sociale verzekering en loonbelasting verschuldigd zijn.
In het achtste en negende
lid is, op straffe van het weigeren van toekenning van een reïntegratie-uitkering dan wel tijdelijke of blijvende
verlaging daarvan,
geregeld dat degene die voor die uitkering in aanmerking wil komen
respectievelijk deze al heeft, alle feiten en omstandigheden moet
mededelen, waarvan hij redelijkerwijs moet begrijpen dat zij van
belang kunnen zijn voor de toekenning, de duur of de hoogte van de reïntegratie-uitkering.
Artikel 63, tiende lid:
bepaling dat de WAO-uitkering tijdens de proefplaatsing niet ingetrokken of herzien wordt
De
reïntegratie-uitkering leidt ertoe dat het inkomensnadeel dat degene die onbeloond
op een
proefplaats gaat werken, ondervindt doordat zijn WW-uitkering over het
aantal werkuren eindigt, wordt gecompenseerd. Het verrichten van deze
werkzaamheden kan er echter ook toe leiden dat de arbeidsgeschiktheid
toe- of afneemt, met als mogelijk gevolg een intrekking of herziening
van de WAO-uitkering. Indien dit tijdens het verrichten van de
onbeloonde werkzaamheden zou geschieden, zou dit voor betrokkene in het
overgrote deel van de gevallen geen inkomensgevolgen hebben, maar slechts
leiden tot een andere verhouding tussen WAO- en reïntegratie-uitkering. Om de uitvoeringsorganisatie niet
rblz.|32|
onnodig te belasten, is
in het voorgestelde tiende lid van artikel 63 bepaald dat een
intrekking of herziening van de WAO-uitkering verband houdende met de
onbeloonde werkzaamheden, tijdens de duur van de onbeloonde werkzaamheden
niet mogelijk is. Een zelfde bepaling is opgenomen in het
voorgestelde vijfde lid van artikel 32 AAW.
Hoewel de AAW-uitkering van degene
die recht heeft op een WAO-uitkering ingevolge artikel 36a
AAW
niet tot uitbetaling komt, behoudt een WAO-gerechtigde op zich
recht op AAW-uitkering. Indien het verschil tussen de AAW-uitkering
en de WAO-uitkering positief is, leidt dit op grond van artikel 46a
WAO
tot een verhoging van de WAO-uitkering.
Voorkomen dient te worden
dat een dergelijke verhoging tijdens de proefplaatsing in hoogte
zou kunnen wijzigen tengevolge van een herziening of intrekking
van de AAW-uitkering verband houdende met de onbeloonde werkzaamheden.
Dit is geregeld in het voorgestelde artikel 32, vijfde lid,
AAW.
Artikel 63, elfde lid
Het elfde lid,
ten slotte, bewerkstelligt dat ook proefplaatsingen bij overheidswerkgevers mogelijk zijn.
§ 5. Scholing
Artikel 64 WAO
Voor de toelichting op
dit artikel wordt verwezen naar het algemene deel van de
toelichting.
Opgemerkt wordt dat het artikel zich beperkt tot die opleidings- en
scholingskosten die geen verband houden met de
voorziening in het
inkomen van degene die daaraan deelneemt of gaat deelnemen. Ter
voorziening in dat inkomen wordt immers de WW-uitkering alsmede,
indien aanwezig, de WAO-uitkering doorbetaald. Dit laatste is geregeld
in artikel 76 WW en de voorgestelde vierde leden van de
artikelen 32 AAW
en 43 WAO.
Onderdeel F
(artikel 76)
Zoals bij de
toelichting
op het nieuwe artikel 62 van de WAO (loonkostensubsidie) is gesteld, wordt in
hoofdstuk IV van de
WAO (De op
te brengen middelen) een budgetteringsregeling opgenomen die geldt voor alle in paragraaf
IIa [hoofdstuk IIa, red.]
van de WAO
genoemde reïntegratiemaatregelen.
Artikel
III. (Ziektewet)
Op grond van
artikel
8a van de ZW wordt degene die op grond van de verplichte verzekering
ingevolge de WAO uitkering ontvangt, mede als werknemer in de zin van
de ZW beschouwd. Dit artikel strekt ertoe het mogelijk te maken over de
WAO-uitkering premies ingevolge de ZW in te houden. Het als werknemer
beschouwen van deze personen had niet tot doel om de
WAO-uitkeringsgerechtigden bij ziekte aanspraak te kunnen laten maken op prestaties
ingevolge de ZW. Uit artikel 21 van de ZW volgt
namelijk dat een
WAO-uitkeringsgerechtigde in geval van ziekte geen aanspraak kan maken op
ziekengeld. Het kabinet acht het echter wenselijk dat iemand die wegens proefplaatsing op grond van
artikel 63 een
reïntegratie-uitkering
op grond van de WAO ontvangt, bij ziekte gedurende de periode van
proefplaatsing recht op ziekengeld kan doen gelden. Zonder een
dergelijk recht zou de betrokkene tijdens ziekte zijn inkomen namelijk zien
dalen. Immers, de reïntegratie-uitkering wordt alleen verstrekt over de
uren van onbeloonde arbeid, derhalve niet over uren waarover tengevolge
van ziekte geen arbeid is verricht, terwijl de WW-uitkering bij ziekte,
uitzonderingen daargelaten, niet zal herleven. Met rblz.|33|
de wijziging van artikel
21 van de ZW wordt bewerkstelligd dat hij ter zake van die proefplaatsing
bij ziekte recht op ziekengeld heeft. Als dagloon zou dan kunnen gaan
gelden het dagloon dat laatstelijk aan de WW-uitkering van de
betrokkene ten grondslag lag. Hiervoor is geen afzonderlijke bepaling
nodig, omdat het Tica voor die situaties op grond van artikel 15 van de ZW
regels kan stellen.
Opgemerkt wordt
nog dat
bij ziekte tijdens proefplaatsing de WAO-uitkering doorloopt.
Artikel
IV.
(Werkloosheidswet)
Onderdeel A
(artikel 16 WW)
In
artikel 76
WW is
geregeld dat degene die recht heeft op een uitkering ingevolge hoofdstuk
IIa of IIb van de WW en die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel
van de bedrijfsvereniging noodzakelijke opleiding of scholing,
gedurende die opleiding of scholing recht blijft houden op de WW-uitkering. Scholing met behoud van WW-uitkering is echter op dit moment niet
mogelijk indien de aanvang van de opleiding of scholing aansluit op of
voorafgaat aan het arbeidsurenverlies. De reden daarvan is dat
betrokkenen in dergelijke gevallen strikt genomen niet werkloos zijn geworden en
derhalve geen recht op uitkering kunnen hebben. De voorgestelde
wijzigingen in artikel 16 WW strekken ertoe dit ongewenste gevolg van de
WW-systematiek teniet te doen. Door toevoeging van een nieuw
tiende lid wordt bereikt dat betrokkenen, ondanks het feit dat er
geen periode is aan te wijzen gedurende welke ze beschikbaar zijn geweest
voor arbeid, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, WW, wel
werkloos zullen kunnen worden geacht in de zin van die
wet. De wijziging
van het achtste lid en opname van de tweede volzin in het nieuwe
tiende lid leiden ertoe dat in deze gevallen tevens een eerste
werkloosheidsdag zal kunnen worden bepaald.
Onderdeel B
(artikel 76 WW)
De wijziging van het
eerste lid houdt verband met de mogelijkheid ook opleiding of scholing met
behoud van WW-uitkering mogelijk te maken indien de aanvang daarvan aansluit op of voorafgaat aan het arbeidsurenverlies
dat tot het ontstaan van
het recht op uitkering heeft geleid.
De voorgestelde wijziging
van het tweede lid van artikel 76 WW strekt ertoe duidelijk te maken
dat de regels van het Tica voor verschillende groepen werknemers
verschillend kunnen luiden. Voor een nadere uiteenzetting wordt
verwezen naar het algemene deel van deze toelichting.
Artikel
V (Wet
financiering volksverzekeringen)
en artikel XIII (overgangsbepaling financiering) [zie
art. XVI Wet Amber,
red.]
Artikel V strekt ertoe de
verwijzingen naar bepalingen inzake het toekennen van bonusuitkeringen en opleggen van geldelijke bijdragen
aan werkgevers en de loonkostensubsidie, neergelegd in hoofdstuk IIIb
van de WW [AAW, red.],
die voorkomen
in de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) te schrappen. Dit
betekent dat vanaf de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
de
in artikel 35 van de Wfv genoemde eventueel teruggevorderde
bonusuitkeringen en de nog te betalen geldelijke bijdragen niet langer ten gunste van het AAf kunnen komen,
alsmede dat de in dat
artikel bedoelde nog te betalen bonusuitkeringen en restitutie van geldelijke
bijdragen niet meer ten laste van het AAf kunnen komen. Op grond van
artikel XIII zullen de betalingen, voor zover deze rblz.|34|
verschuldigd zijn aan of
verschuldigd zijn door een bedrijfsvereniging en voor zover deze betrekking
hebben op perioden gelegen vóór
de datum van inwerkingtreding van
deze wet, ten laste onderscheidenlijk ten gunste komen van het in artikel
72 van de WAO bedoelde Aof.
In het nieuwe onderdeel e
van het tweede lid van artikel 35 Wfv is
bepaald dat de inkomenssuppletie voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte
zelfstandigen, neergelegd
in het nieuwe hoofdstuk IIIb van de AAW
(artikel 59b), ten laste
van het AAf komt.
Artikel
VI. (Wet arbeid
gehandicapte werknemers)
In dit artikel wordt de
mogelijkheid geschapen bij ministeriële regeling nader te regelen tot
welke categorieën personen de bemiddelingstaak zich uitstrekt. Op dit moment
stemt de bemiddelingspopulatie die de bedrijfsverenigingen feitelijk hanteren niet
overeen met de definitie van werknemer zoals die in de Wagw is opgenomen. De bemiddelingspopulatie die de
bedrijfsverenigingen hanteren is ruimer. Om misverstanden en onduidelijkheden te
voorkomen dan wel weg te nemen, acht ik de mogelijkheid tot
nadere regeling noodzakelijk; daarbij neem ik de door de bedrijfsverenigingen
gehanteerde bemiddelingspopulatie tot uitgangspunt.
Tot de
bemiddelingspopulatie worden gerekend (en dus in de ministeriële regeling
opgenomen):
- personen met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
- personen met een
werkvoorziening;
- personen die tot
minder dan 15% respectievelijk 25% arbeidsongeschikt zijn afgeschat na
één ziektejaar;
- personen die ziek
zijn tijdens het eerste ziekjaar en waarvan duidelijk is dat zijn niet meer
terug kunnen naar de eigen werkgever of op zoek zijn naar een nieuwe
werkgever.
Onder nader in de
regeling aan te geven voorwaarden worden ook tot de bemiddelingspopulatie
gerekend:
- vroeggehandicapten zonder een AAW-uitkering;
- herintreders zonder
uitkering die functionele beperkingen hebben.
In de
ministeriële
regeling zal ik ook een bepaling opnemen op grond waarvan tot de bemiddelingspopulatie gerekend worden diegenen die
geen relatie hebben met
een arbeidsongeschiktheidsregeling of de WW en als gevolg van een
functionele beperking toch een extra belemmering hebben om tot de
arbeidsmarkt toe te treden. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan chronisch zieken die
of geen uitkering hebben en dus geen relatie met enige uitvoerende
instantie hebben of die bij de sociale dienst een uitkering krijgen en daar
als gevolg van hun gezondheidsprobleem als onbemiddelbaar worden beschouwd.
Artikel
VII. (Wet
terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume)
In artikel
XVI, eerste
lid, van de Wet
TAV is bepaald dat tot een bij koninklijk besluit nader
te bepalen tijdstip de geldelijke bijdrage als bedoeld in artikel 59j,
eerste lid, van de AAW
de helft bedraagt van het jaarloon van de persoon
voor wie die bijdrage is verschuldigd in plaats van het hele jaarloon.
In het tweede lid van
genoemd artikel XVI is bepaald dat de werkgever geen geldelijke bijdrage
verschuldigd is indien de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte gelegen is vóór 1 maart 1992.
Als gevolg van het
vervallen van het bonus-malussysteem heeft artikel XVI van de
Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume zijn
betekenis verloren en kan
dit artikel gevoeglijk vervallen.
rblz.|35|
Artikel
VIII. (Wet
terugdringing ziekteverzuim)
In
artikel III, onderdeel D, van de Wet terugdringing ziekteverzuim (Wet
TZ) is artikel
59i van de AAW
gewijzigd in die zin dat de werkgever geen geldelijke bijdrage
verschuldigd is indien de ongeschiktheid tot werken die heeft geleid tot
toekenning of verhoging van uitkering is aangevangen in het eerste jaar van de
dienstbetrekking. Voorts is daarbij bepaald dat de werkgever in een
kalenderjaar aan geldelijke bijdragen niet meer verschuldigd is dan 3%
van de loonsom van de onderneming. Dit percentage bedroeg 5.
In onderdeel E van
artikel III van de Wet TZ is artikel 59j van de AAW
gewijzigd. Daarbij is
de
hoogte van de geldelijke bijdrage gesteld op de helft indien de werknemer
in het tweede jaar van de dienstbetrekking arbeidsongeschikt wordt.
Voorts is daarbij bepaald dat de geldelijke bijdrage wordt gehalveerd
als de werkgever een werknemer in dienst heeft genomen waarvoor
hij een bonusuitkering of een loonkostensubsidie heeft ontvangen en de
werknemer daarna (toegenomen) arbeidsongeschikt wordt.
Als gevolg van het feit
dat op grond van artikel XXII, tweede lid, van de Wet TZ
aan bovenbedoelde
wijzigingen van de artikelen 59i en 59j van de
AAW
terugwerkende kracht
is verleend tot en met 1 maart 1992, kan het voorkomen dat door de
werkgever in de periode van 1 maart 1992 tot de datum van
inwerkingtreding van deze wijzigingen (1 januari 1994) ten onrechte of tot een te
hoog bedrag een geldelijke bijdrage is betaald.
In verband hiermee is in
artikel XX van de Wet TZ bepaald dat restitutie van als gevolg daarvan
ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaalde geldelijke bijdragen
uitsluitend plaatsvindt op verzoek van de werkgever bij de bedrijfsvereniging
aan wie hij de geldelijke bijdrage heeft betaald.
Deze bepaling kan
vervallen op het moment dat de onderhavige wet, waarbij het
bonus-malussysteem vervalt, kracht van wet verkrijgt en in
werking treedt. Dit
artikel strekt daartoe.
Artikel
IX. [Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, red.]
Bij het wetsvoorstel tot
wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere
vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot
wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen
en terug- en invordering sociale zekerheid (Kamerstukken 23 909),
worden onder meer de terugvorderingsbepalingen gewijzigd. Indien dit
wetsvoorstel op een eerder tijdstip tot wet wordt verheven en in werking
treedt dan deze wet, dienen onder meer de
terugvorderingsbepalingen neergelegd in het vijfde en zesde lid van het
in artikel II, onderdeel E, voorgestelde artikel 62 WAO (loonkostensubsidie), nog daarmee in
overeenstemming te worden gebracht. Hetzelfde geldt voor de
sanctiebepaling neergelegd in het in artikel II, onderdeel E, voorgestelde
negende lid van artikel 63 WAO. Dit artikel strekt daartoe.
Artikel
X. (Overgangsbepaling bonusuitkering)
[zie art. XIII Wet Amber,
red.]
In dit artikel wordt een
aantal situaties opgesomd waarin de vervallen bepalingen over de
bonusuitkering na de datum van inwerkingtreding van de wet toch van kracht
blijven.
Zo kan het voorkomen dat
de uitbetaling door de bedrijfsvereniging bij wijze van voorschot van
een bonusuitkering die vóór die datum is toegekend (onderdeel a) nog niet heeft plaatsgevonden of dat de
bonusuitkering nog niet
definitief is vastgesteld.
Een andere situatie
betreft de aanvraag om een bonusuitkering, ingediend vóór
de datum van de inwerkingtreding van de wet, die rblz.|36|
betrekking heeft op een vóór
die datum aangegane dienstbetrekking en die op die datum nog niet
door de bedrijfsvereniging is toegekend (onderdeel b).
Een derde mogelijkheid is
dat een bonusuitkering die betrekking heeft op een vóór
de datum van inwerkingtreding van de wet aangegane
dienstbetrekking eerst op
of na die datum bij de bedrijfsvereniging wordt aangevraagd (onderdeel c).
Zonder nadere voorziening
zouden in de hiervoor genoemde situaties de bepalingen van paragraaf 1
van hoofdstuk IIIb van de AAW,
zoals deze paragraaf tot de datum
van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
F, luidde, geen toepassing
meer kunnen vinden. De in het eerste lid van dit artikel opgenomen
bepaling strekt ertoe dit te voorkomen.
Vermelding verdient nog
dat aanvragen om een bonusuitkering die na de datum van de inwerkingtreding van
de wet zijn ingediend en
betrekking hebben op een vóór die datum aangegane dienstbetrekking, alleen in behandeling
worden genomen indien deze zijn ingediend binnen acht weken na de
aanvang van de dienstbetrekking. Dit is het gevolg van het feit dat
artikel 59f van de AAW
als onderdeel van paragraaf 1 van hoofdstuk
IIIb op deze
aanvragen van toepassing blijft. In dat artikel is bepaald dat aanvragen
niet in behandeling worden genomen indien deze zijn ingediend na afloop
van acht weken na de aanvang van de dienstbetrekking.
Voor de goede orde wordt
erop gewezen dat deze overgangsbepaling over het algemeen slechts
gedurende een beperkte periode van toepassing zal zijn. De werkingsduur van deze bepaling is in de eerste
plaats immers beperkt
doordat op grond van artikel 59f van de AAW
een aanvraag om een
bonusuitkering, ingediend na afloop van acht weken na aanvang van de
dienstbetrekking, niet in behandeling wordt genomen. In de tweede plaats doordat
een beschikking met betrekking tot een bonusuitkering op grond
van de artikel 5, zesde lid, van het Besluit beslistermijnen socialeverzekeringswetten
[zie Wet beslistermijnen sociale verzekeringen,
red.] binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag
gegeven dient te worden. Vervolgens dient uiterlijk veertien
maanden na de aanvang van de dienstbetrekking het bedrag van de
bonusuitkering te worden vastgesteld. De enige situatie waarin het
overgangsartikel een langere werkingsduur kan hebben, is die waarin sprake is van
terugvordering van een bonusuitkering. Ingevolge artikel 59h van de
AAW
kan terugvordering van onverschuldigd betaalde
bonusuitkeringen nog
gedurende vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling plaatsvinden indien door
toedoen van de werkgever onverschuldigd is betaald en gedurende
twee jaar na de dag van betaalbaarstelling indien het de werkgever
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat onverschuldigd is
betaald.
Artikel
XI. (Overgangsbepaling geldelijke bijdrage)
[zie art. XIV Wet Amber,
red.]
Zoals bij de
toelichting
op artikel I, onderdeel F, reeds is gesteld, zijn zonder nadere voorziening
vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet geen geldelijke bijdragen als bedoeld in
paragraaf 2 van hoofdstuk
IIIb van
de AAW,
zoals deze
paragraaf tot de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
F,
luidde, meer verschuldigd. Dit artikel bevat een daarvan afwijkende
bepaling.
Bepaald is dat de
bepalingen van paragraaf 2 van hoofdstuk IIIb
AAW
van toepassing blijven op geldelijke bijdragen die op grond van artikel
59i,
tweede lid, van de AAW
voor personen wier eerste dag van ongeschiktheid tot werken
als bedoeld in het eerste lid gelegen is vóór 1 juli 1993, aan de
bedrijfsvereniging verschuldigd zijn. Op grond van het tweede lid van artikel
59i is de geldelijke bijdrage door de werkgever eerst verschuldigd
één jaar
nadat het recht op toekenning (of in geval van rblz.|37|
toename van de arbeidsongeschiktheid op een verhoging) van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
is verkregen. Geldelijke bijdragen die ter zake van vóór
1
juli 1993 ingetreden arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 59i,
tweede lid,
van de AAW
zijn verschuldigd, blijven op of na die datum nog verschuldigd.
Hiermee wordt voorkomen dat een werkgever die ter zake van vóór
1 juli 1993 ingetreden arbeidsongeschiktheid een geldelijke bijdrage is
verschuldigd, geldelijk voordeel kan behalen door de betaling daarvan uit te
stellen. Wanneer de werkgever in deze gevallen de door hem verschuldigde,
doch nog niet betaalde, geldelijke bijdrage niet meer zou hoeven te betalen, zou dit die werkgever in een gunstiger positie
brengen dan de werkgever
die de door hem verschuldigde geldelijke bijdrage wel vóór
de datum van inwerkingtreding van de wet heeft betaald.
Voor de goede orde wordt
nog opgemerkt dat dit artikel geen betrekking heeft op geldelijke
bijdragen die op de datum van inwerkingtreding
van de onderhavige wet
nog niet zijn verschuldigd omdat er nog geen jaar is verstreken
sinds het moment waarop recht op toekenning (of in geval van toename van
de arbeidsongeschiktheid op een verhoging) van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, ook al zijn deze vóór de datum van
inwerkingtreding aangezegd. Dergelijke bijdragen vallen niet onder de werking van dit
artikel en zijn, gelet op de onmiddellijke werking van artikel I, onderdeel
F, na de inwerkingtreding niet meer verschuldigd.
Artikel
XII. (Overgangsbepaling loonkostensubsidie)
[zie art. XV Wet Amber,
red.]
In dit artikel is met
betrekking tot de loonkostensubsidieregeling een overeenkomstige overgangsregeling getroffen als in
artikel X met
betrekking tot de
bonusuitkeringen. Ook hier zouden zonder nadere voorziening de bepalingen
van paragraaf 3 van hoofdstuk IIIb van de AAW, zoals
deze paragraaf tot de
datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
F, luidde, geen
toepassing meer kunnen vinden. Volledigheidshalve zij hier nog vermeld dat de hoogte
van de loonkostensubsidie door het van toepassing blijven van paragraaf 3 van hoofdstuk IIIb van de AAW
in de aldaar bedoelde gevallen
gehandhaafd blijft op het in artikel 59n, tweede lid, van de
AAW
neergelegde
niveau, te weten ten hoogste 20% van het overeengekomen brutoloon.
Artikel 59n, zevende lid,
van de AAW
(toekenning budget door het AAf) blijft echter niet van
toepassing. Het AAf hoeft derhalve geen apart budget te blijven vaststellen
voor de financiering van loonkostensubsidies die betrekking hebben op
reeds vóór de datum van inwerkingtreding toegekende subsidies die
na die datum nog worden uitbetaald. Door de onmiddellijke werking van de wet
op dit punt komen deze automatisch ten laste van het Aof.
Uiteraard zal het Aof bij het vaststellen van de hoogte van het budget voor
de
financiering van de in artikel 62 van de WAO bedoelde
loonkostensubsidie rekening dienen te houden met de vóór
de datum van
inwerkingtreding van de wet toegekende subsidies die na die datum nog worden
uitbetaald.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|