|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Algemeen
inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Bekendmaking
op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
-
Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit beleidsregels SVB afwijking ingangsdatum uitkering
- Besluit ex artikel 66a Anw
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit regels export uitkeringen
- Besluit tegemoetkoming Anw-ers
- Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften Anw
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Regeling aanwijzing
ontwikkelingsorganisaties 2011
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland
- Regeling klokuren 2010
- Regeling op grond van Besluit ex artikel 66a Anw
-
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
- Regeling uitbetaling vakantie-uitkering
- Regeling
uitbreiding werkingssfeer Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties
BEU 2002
- Regeling
vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten
gunste komt van het wachtgeldfonds
- Regeling
vermoedelijk overlijden
- Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
Vervallen
nadere regelgeving:
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export
uitkeringen 2001
(vervallen)
- Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW,
Anw en AKW (vervallen)
- Besluit koranonderwijs AKW/Anw (vervallen)
- Besluit
vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen
(vervallen)
- Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001
(vervallen)
- Besluit vrijwillige verzekering AOW en
Anw
voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden (vervallen)
- Inkomens- en samenloopbesluit Anw (vervallen)
- Maatregelbesluit Anw (vervallen)
-
Regeling aanwijzing
ontwikkelingsorganisaties 2005
(vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002
(vervallen)
- Regeling klokuren 1998 (vervallen)
- Regeling vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen
(vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Besluit beleidsregels SVB 2010
- Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank
- Regeling vergoeding uitvoeringskosten reïntegratie
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers
(vervallen)
- Tijdelijke
regeling tegemoetkoming Anw-ers
(vervallen)
- Wet
beperking export uitkeringen
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
Inhoudsopgave
Anw
| Hoofdstuk
1 |
Begripsbepalingen |
artt.
1 - 12 |
| Hoofdstuk
2 |
Kring
van verzekerden |
artt.
13 - 13a |
| Hoofdstuk
3 |
De
uitkeringen |
artt.
14 - 59 |
| Afdeling
Ix |
Het
recht op en de hoogte van de uitkering |
artt.
14 - 32d |
| §
1x |
De
nabestaandenuitkering |
artt.
14 - 16 |
| §
2x |
De
hoogte van de nabestaandenuitkering |
artt.
17 - 21 |
| §
3x |
De
halfwezenuitkering |
artt.
22 - 24 |
| §
4x |
De
hoogte van de halfwezenuitkering |
art.
25 |
| §
5x |
De
wezenuitkering |
artt.
26 - 28 |
| §
6x |
De
hoogte van de wezenuitkering |
art.
29 |
| §
6ax |
Tegemoetkoming
in aanvulling op de nabestaandenuitkering, de halfwezenuitkering
en de wezenuitkering |
art.
29a |
| §
7x |
De
vakantie-uitkering |
art.
30 |
| §
8x |
De
hoogte van de vakantie-uitkering |
artt.
31 - 32 |
| §
9x |
Geen
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en
wezenuitkering buiten Nederland |
artt.
32a - 32b |
| §|10x |
Geen
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en
wezenuitkering tijdens vrijheidsontneming en onttrekking aan
vrijheidsontneming |
artt.
32c - 32f |
| Afdeling
IIx |
Het
geldend maken van het recht op uitkering |
artt.
33 - 45a |
| Afdeling
IIIx |
De
betaling van de uitkering |
artt.
46 - 59 |
| Hoofdstuk
4 |
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht |
artt.
60 - 62 |
| Hoofdstuk
5 |
De
vrijwillige verzekering |
artt.
63 - 63d |
| Hoofdstuk
5a |
Vrijwillige
verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven (vervallen) |
art.
63e |
| Hoofdstuk
6 |
Vrijstelling
wegens gemoedsbezwaren (vervallen) |
art.
64 |
| Hoofdstuk
7 |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het
beroep in cassatie |
artt.
64a - 66 |
| Hoofdstuk
8 |
Overgangsbepalingen |
artt.
66a - 74a |
| Hoofdstuk
9 |
Strafbepalingen |
artt.
75 - 79 |
| Hoofdstuk
10 |
Wijziging
van andere wetten |
artt.
80 - 102 |
| Hoofdstuk
11 |
Paraplubepaling
voor de aanvullende pensioenen |
art.
103 |
| Hoofdstuk
12 |
Slotbepalingen |
artt.
104 - 108 |
| xxxxxxxxxxxx| |
|
xxxxxxxxxxxx| |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1994-1995, 1995-1996, 24 169.
Handelingen II 1995-1996, blz. 389-400, 403-439, 500-544, 564-573,
595-598.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 169 (45, 45a, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 20 december 1995.
Geschiedenis:
Staatsblad 1995,
690; Staatsblad 1995, 691;
Staatsblad 1995, 696; Staatsblad 1996,
134; Staatsblad 1996, 248;
Staatsblad 1996, 369; Staatsblad 1996,
478; Staatsblad 1997, 33;
Staatsblad 1997, 96; Staatsblad 1997,
660; Staatsblad 1997, 773;
Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1997,
794; Staatsblad 1998, 203;
Staatsblad 1998, 278; Staatsblad 1998,
267; Staatsblad 1998, 377;
Staatsblad 1998, 742; Staatsblad 1999,
185; Staatsblad 1999, 250;
Staatsblad 1999, 543; Staatsblad 1999,
564; Staatsblad 1999, 594;
Staatsblad 1999, 595; Staatsblad 2000,
496; Staatsblad 2000, 593;
Staatsblad 2001, 67; Staatsblad 2000,
571; Staatsblad 2000, 627;
Staatsblad 2001, 128; Staatsblad 2001,
212; Staatsblad 2001, 481;
Staatsblad 2001, 568; Staatsblad 2001,
625; Staatsblad 2001, 692;
Staatsblad 2003, 376; Staatsblad 2003,
524; Staatsblad 2003, 544;
Staatsblad 2004, 306; Staatsblad
2005, 37; Staatsblad
2004, 717; Staatsblad 2004, 728;
Staatsblad 2005, 192; Staatsblad 2005, 525; Staatsblad
2005, 530; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 710; Staatsblad 2005, 708;
Staatsblad 2005, 713; Staatsblad
2005, 718; Staatsblad 2006, 559;
Staatsblad 2006, 644; Staatsblad
2006, 697; Staatsblad 2007, 305;
Staatsblad 2007, 555; Staatsblad
2008, 510; Staatsblad
2009, 384; Staatsblad 2009, 265;
Staatsblad 2009, 390;
Staatsblad 2009, 282;
Staatsblad 2009, 318; Staatsblad
2009, 542; Staatsblad 2009, 580;
Staatsblad 2009, 596; Staatsblad
2010, 74; Staatsblad 2010, 350;
Staatsblad 2010, 840;
Staatsblad 2010, 838; Staatsblad
2010, 867; Staatsblad 2011, 9;
Staatsblad 2011, 231; Staatsblad
2011, 288; Staatsblad 2011,
618; Staatsblad 2012, 2; Staatsblad 2011, 647; Staatsblad 2011, 645;
Staatsblad 2011, 650; Staatsblad
2012, 198; Staatsblad 2012,
361; Staatsblad 2012, 657; Staatsblad 2012, 462;
Staatsblad 2012, 463; Staatsblad
2012, 682; Staatsblad 2013,
115.
WET van 21 december 1995,
Stb. 1995, 690, tot regeling van een verzekering voor
nabestaanden (Algemene nabestaandenwet). Inwerkingtreding: 1 juli
1996 (Stb. 1996, 305), zie artikel
96.
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene Weduwen- en Wezenwet
te vervangen door een nabestaandenverzekering, waarin rekening wordt
gehouden met maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste
decennia;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Begripsbepalingen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
versie 21 december 1995; Stb.
1996, 369; Stb. 1997, 789
+ bis + bis;
Stb. 1998, 203; Stb.
1998, 377; Stb. 1999, 595;
Stb. 2000, 496; Stb.
2001, 128; Stb. 2001,
625; Stb.
2004, 306; Stb.
2005, 37; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 9;
Stb. 2012, 361; Stb.
2013, 115]
In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. premie voor de
volksverzekeringen: de premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen;
c.
de Sociale
verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in
hoofdstuk 6 van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. nabestaande: de
echtgenoot van degene die op de dag van overlijden verzekerd is op grond
van deze wet;
e.
halfwees: een
ongehuwd kind van wie één van beide ouders is overleden en van wie die
ouder op de dag van overlijden:
1º. verzekerd was op
grond van deze wet en dat als gevolg van dat overlijden nog een overlevende
ouder heeft; of
2º. verzekerd was op
grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, zoals die wet luidde
op de dag vóór inwerkingtreding van deze wet, en dat als gevolg van dat
overlijden nog een overlevende ouder heeft die het kind al geruime
tijd vóór het overlijden niet heeft verzorgd en opgevoed noch op substantiële
wijze heeft bijgedragen in de kosten van diens levensonderhoud en dit ook na het overlijden niet doet en naar
verwachting niet zal
doen;
f. wezenuitkering:
uitkering voor een kind dat ouderloos is geworden door het overlijden van
degene die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet;
g. lichaam: een
rechtspersoon, een maat- en vennootschap, een samenwerkingsvorm zonder
rechtspersoonlijkheid die met een vereniging kan worden gelijkgesteld, een
onderneming van publiekrechtelijke rechtspersonen en een doelvermogen;
h. vreemdeling:
hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet
2000;
i. gezamenlijke huishouding: een
gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede tot en met zesde
lid;
j. hulpbehoevende: de persoon die
vanwege ziekte of één of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of
geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te
voeren daar hij dagelijks is aangewezen op intensieve zorg van anderen;
k. gezamenlijke huishouding ten
behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende:
1º. de gezamenlijke huishouding van
een nabestaande met een hulpbehoevende indien de nabestaande of de overleden
verzekerde een huishouding is gaan voeren met het
doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen; of
2º. de gezamenlijke huishouding van
een nabestaande die hulpbehoevende is met een ander, indien de
nabestaande een huishouding is gaan voeren met het doel door die
ander te worden verzorgd;
l. rechtens zijn vrijheid is ontnomen:
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de
Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste
lid, van het Wetboek
van Strafrecht;
m. justitiële inrichting: een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
n. vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis
opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in
het Wetboek van
Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste
lid, van het Wetboek
van Strafrecht;
o. continentaal plat: de exclusieve
economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet
instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst aan
de territoriale zee van Nederland;
p. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld
in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet.
Art.
2.
[Begrippen bruto- en nettominimumloon en bruto- en
nettominimumvakantiebijslag] [Geschiedenis:
versie 21 december 1995; Stb.
1995, 690; Stb. 1996,
134; Stb. 1996, 369;
Stb. 1997, 794; Stb.
2000, 571; Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 728; Stb. 2005, 192;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 713; Stb. 2009, 265;
Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 618;
Stb. 2011, 647 + bis
+ bis; Stb.
2012, 361]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. brutominimumloon: het in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag;
b. nettominimumloon: het brutominimumloon na aftrek van
premies volksverzekeringen
en loonbelasting. De loonbelasting en premie voor
de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 1
van de
Wet financiering sociale verzekeringen, worden berekend voor een
werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet
heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend 197,5% van de algemene
heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964,
over het brutominimumloon;
c. brutominimumvakantiebijslag: het
bedrag waarop degene die aanspraak heeft op het brutominimumloon
ingevolge artikel 15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag aanspraak heeft;
d. nettominimumvakantiebijslag:
het verschil tussen het bedrag dat zou zijn berekend voor een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet
heeft bereikt indien onderdeel b wordt toegepast op het
brutominimumloon verhoogd met de brutominimumvakantiebijslag, en het
nettominimumloon, bedoeld in onderdeel b.
-2. Een herziening van een uitkering op grond van deze wet in
verband met een wijziging van het nettominimumloon vindt plaats zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-3. De Sociale
verzekeringsbank betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het tweede
lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening,
bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden.
-4. Met ingang van 1 juli 2012 wordt het in
het eerste lid, onderdeel b, genoemde percentage twee keer per
kalenderjaar, op 1 januari en 1 juli, verlaagd met 2,5 procentpunt, tot
het percentage van 100 is bereikt. Van het herziene percentage doet Onze
Minister mededeling in de Staatscourant. Dit lid vervalt met
ingang van 1 januari 2032.
Art.
3.
[Geregistreerd partnerschap; gezamenlijke
huishouding] [Geschiedenis:
versie 21 december 1995; Stb.
1997, 660 + bis; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 377;
Stb.
2009, 596]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. huwelijk: geregistreerd
partnerschap;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. de huwelijkssluiting: het aangaan
van het geregistreerd partnerschap;
e. in het huwelijk treedt: een
geregistreerd partnerschap aangaat.
-2. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de
ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt mede als
ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de
persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt
in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest
of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren
of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in
het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel
d. [Bargh98]
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het
derde lid.
-7. Onder bloedverwant in de eerste
graad als bedoeld in het tweede lid wordt mede verstaan een meerderjarig
aangehuwd of voormalig pleegkind van de nabestaande of een meerderjarig
eigen, aangehuwd of voormalig pleegkind van de overleden
verzekerde of van de persoon die met de nabestaande een gezamenlijke
huishouding voert.
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld
in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de nabestaande
een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art.
4.
[Uitbreiding begrip nabestaande] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 660; Stb. 2003, 544;
Stb.
2004, 728]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt in afwijking van artikel 3, tweede tot en met zesde lid, onder
nabestaande mede verstaan de gewezen echtgenoot van een overleden
verzekerde, indien:
a. het huwelijk anders dan door de
dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde
onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is levensonderhoud
te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op grond van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek krachtens een rechterlijke uitspraak of overeenkomst,
vastgelegd in:
1º. een notariële akte;
2º. een akte mede
ondertekend door een advocaat;
3º. een akte waarvan door
de gewezen echtgenoot aannemelijk wordt gemaakt dat die tot stand is
gekomen door de inzet van een bij de echtscheiding betrokken
advocaat; of
4º. een document opgesteld
in overleg tussen de gewezen echtgenoot en de overleden verzekerde
door tussenkomst van een bemiddelaar; en
c. de gewezen echtgenoot
overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht op nabestaandenuitkering zou hebben
gehad indien het overlijden plaats zou hebben gehad op de dag van
ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste lid, onderdeel
b, ten vierde.
Art.
5.
[Begrippen kind en pleegkind] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb.
2013, 115]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt voor het recht op nabestaandenuitkering als kind
aangemerkt een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind in de zin van de
Algemene Kinderbijslagwet, dat geboren is vóór of op de dag van overlijden
van de verzekerde.
-2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt een kind van wie een vrouw zwanger is op de dag van overlijden
van haar echtgenoot, op die dag als reeds geboren aangemerkt.
-3. In afwijking van het eerste lid
wordt niet als kind van de nabestaande aangemerkt het kind over wie de
nabestaande geen gezag heeft wegens ontzetting daarvan.
-4. In afwijking van het eerste lid
wordt slechts als pleegkind van de nabestaande aangemerkt het pleegkind voor wie de
nabestaande ten tijde van het overlijden van de echtgenoot zorg
droeg als ware hij ouder.
Art.
6.
[Begrip ingezetene] [Geschiedenis:
versie 21 december 1995]
Ingezetene in de zin van deze wet is
degene die in Nederland woont.
Art.
7.
[Woonplaats, vestigingsplaats]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2005, 710; Stb. 2010,
350]
-1. Waar iemand woont en waar een
lichaam is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste
lid worden schepen die in Nederland hun thuishaven
hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd.
-3. Degene die Nederland metterwoon
heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels
in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba of op het grondgebied van een
andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn
afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.
Art.
8.
[Vermoedelijk overlijden] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995]
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt met overlijden gelijkgesteld vermoedelijk overlijden. Bij
ministeriële regeling wordt bepaald hoe het vermoedelijke overlijden en de dag
waarop het overlijden geacht wordt te hebben plaatsgevonden, worden
vastgesteld. [Rvo]
Art.
9.
[Uitbreiding begrip ouderloos kind]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995]
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt mede als ouderloos aangemerkt het kind over wie de
overlevende ouder geen gezag heeft wegens ontzetting daarvan.
Art.
10.
[Begrip inkomen] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2001, 692; Stb.
2010, 867 + bis]
-1. In deze
wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan het
inkomen van de nabestaande uit arbeid of overig inkomen.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld
in het eerste lid wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat
nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt
genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of
nalaten van betrokkene, in aanmerking wordt genomen alsof het wel
volledig wordt genoten. [Ais]
Art.
11. [Begrippen
arbeidsongeschikt en arbeid] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 691]
-1. Arbeidsongeschikt is degene die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde
personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij
arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan,
met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. In het eerste lid
wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid
waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat
is.
Art.
12. [LBIO als
medebelanghebbende] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995]
Bij een besluit
ingevolge artikel 49 is mede belanghebbende het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen.
HOOFDSTUK
2
Kring van
verzekerden
Art.
13. [Kring verzekerden]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1998, 203; Stb. 2000,
496 + bis; Stb.
2005, 37; Stb.
2010, 74; Stb. 2010, 350;
Stb. 2011, 9]
-1. Verzekerd
overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is,
doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan
de loonbelasting is onderworpen.
-2. Niet verzekerd is
de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van
artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid,
uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van
verzekerden. [Bubkvv99]
-4. Indien een
verzekerde ophoudt ingezetene te zijn, eindigt zijn verzekering, behoudens voor de
toepassing van de
Wet financiering sociale verzekeringen
en voor zover niet
reeds op hem van toepassing is een overeenkomstige regeling van Aruba,
Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
Saba, van een andere mogendheid of
een volkenrechtelijke organisatie, niet eerder dan zes weken na de dag met ingang waarvan hij heeft opgehouden
ingezetene
te zijn. Op de termijn gesteld in de eerste volzin is de Algemene
termijnenwet niet van
toepassing.
-5. Bij een
maatregel
als bedoeld in het derde lid kan worden kan worden bepaald dat bij een
niet-rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, onderdeel
a tot en met e en l,¹ verzekerd zijn:
a. vreemdelingen die
rechtmatig in Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die,
na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8,
onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als
bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
1. Volgens de redactie
dient na "onderdeel a tot en met e en l,"
te worden ingevoegd: van de Vreemdelingenwet
2000.
Art.
13a. [Uitbreiding en
beperking kring verzekerden i.v.m. internationaal recht] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 267]
Zo nodig in afwijking
van artikel 13 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als
verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet
voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van
een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als
verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een
andere mogendheid van toepassing is.
HOOFDSTUK
3
De uitkeringen
AFDELING
I
Het
recht op en de hoogte van de uitkering
§ 1.
De
nabestaandenuitkering
Art.
14. [Recht op
nabestaandenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1998, 377;
Stb. 2001, 625]
-1. Recht op
nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:
a. een ongehuwd kind
heeft dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een
ander behoort; of
b. arbeidsongeschikt
is:
1º. op en sedert de
dag van overlijden van de verzekerde; of
2º. op en sedert de
laatste dag van de maand waarin hij niet meer voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in onderdeel a, en wiens
arbeidsongeschiktheid na de onderscheidenlijk onder 1º en 2º bedoelde dag ten
minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie
aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na de
vorenbedoelde dag zal voortduren; of
c. geboren is vóór 1
januari 1950.
-2. Het recht op
nabestaandenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand van overlijden
van de verzekerde.
-3. Voor de nabestaande
die op de dag van overlijden van de verzekerde niet voldoet aan de
voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, omdat het kind op het
moment van overlijden tot het huishouden van een ander behoort, gaat
het recht op nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de maand waarin hij als gevolg van het overlijden wel aan die
voorwaarde voldoet.
-4. Voor de nabestaande
die geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van artikel
15, eerste lid, onderdeel d, gaat het recht op een nabestaandenuitkering
in op de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het overlijden
van de verzekerde, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.
-5. De Sociale
verzekeringsbank kan, in afwijking van het
vierde lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn
van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende
aard.
Art.
15.
[Beperking recht op nabestaandenuitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 96; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 377;
Stb. 2012, 2; Stb.
2012, 361; Stb. 2012, 657]
-1. Geen recht op nabestaandenuitkering
heeft de nabestaande:
a. wiens echtgenoot is overleden
binnen één jaar nadat hij met die echtgenoot is gehuwd en de
gezondheidstoestand ten tijde van de huwelijkssluiting zulks redelijkerwijs
moest doen verwachten; of
b. indien de echtgenoot binnen één
jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand
ten tijde van de aanvang van de verzekering zulks
redelijkerwijs moest doen verwachten; of
c. indien de echtgenoot door de
nabestaande of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd;
d. die een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de
verzorging van een hulpbehoevende;
e. die al recht op een
nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft en die nadien wederom
nabestaande is geworden als gevolg van het overlijden van de
hulpbehoevende met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde ten behoeve van de
verzorging van die hulpbehoevende.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13, tweede lid, of
bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale
zekerheid
die tussen Nederland en één of meer mogendheden van kracht is,
ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels
worden gesteld.
-3. Geen recht op nabestaandenuitkering
ontstaat indien de echtgenoot
overlijdt op of na de dag waarop de nabestaande de pensioengerechtigde
leeftijd bereikt.
-4. De onderdelen a en b van het eerste
lid zijn niet van toepassing indien de nabestaande, zo hij niet opnieuw zou
zijn gehuwd, recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad.
Art.
16.
[Eindiging recht op nabestaandenuitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 660; Stb. 1997, 789;
Stb. 1998, 377; Stb.
2001, 625; Stb.
2012, 2; Stb. 2012, 361]
-1. Het recht op nabestaandenuitkering
eindigt, indien:
a. niet langer aan de
voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdeel a en b, wordt voldaan,
tenzij de nabestaande is geboren vóór 1 januari 1950; of
b. de nabestaande in
het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat
voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; of
c. de nabestaande
de pensioengerechtigde
leeftijd
bereikt.
-2. Het recht op
uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die
waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoen,
maar in
geval van onderdeel c met ingang van de dag waarop de pensioengerechtigde
leeftijd wordt bereikt.
-3. Voor de nabestaande
wiens uitkering op grond van het eerste lid, onderdeel b, wegens het voeren
van een gezamenlijke huishouding is geëindigd, herleeft het recht op
een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de
maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen van de
nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.
-4. De
Sociale
verzekeringsbank
kan, in
afwijking van het derde lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing
wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard.
§ 2.
De hoogte
van de nabestaandenuitkering
Art.
17. [Hoogte
nabestaandenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1998, 377;
Stb. 1998, 742; Stb.
2000, 571; Stb.
2005, 525; Stb. 2006, 644;
Stb.
2011, 288; Stb. 2012, 198;
Stb. 2012, 361; Stb.
2013, 115]
-1. De brutonabestaandenuitkering wordt
op een zodanig bedrag vastgesteld dat nadat de over dat bedrag in te
houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een
persoon die de
pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene
heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, is afgetrokken, de
nettonabestaandenuitkering gelijk is aan 70%
van het nettominimumloon.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt de
brutonabestaandenuitkering van de nabestaande, zolang hij een
gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende voert, op een zodanig bedrag vastgesteld dat nadat de
over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen voor een persoon die de
pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend
met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van
de Wet
op de loonbelasting 1964, is afgetrokken, de
nettonabestaandenuitkering gelijk is aan 50% van het nettominimumloon.
-3.
De
brutonabestaandenuitkering bedraagt voor een nabestaande die woont
buiten Nederland, één van de andere lidstaten van de Europese Unie,
een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële
regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste of
tweede lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het
een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land
waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage
bedraagt maximaal 100.
[Rwsz12]
-4. De
brutonabestaandenuitkering van de nabestaande, bedoeld in artikel
4, is niet hoger dan de
door de overleden verzekerde aan de nabestaande verschuldigde
uitkering tot levensonderhoud van de nabestaande.
Art.
18. [Inkomstenverrekening en
-vrijlating] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1998, 377; Stb. 2003, 544;
Stb.
2010, 867; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 198; Stb.
2012, 361; Stb. 2013, 115]
-1. Op de
nabestaandenuitkering wordt inkomen in mindering gebracht.
-2. In afwijking van
het eerste lid wordt van het inkomen uit arbeid buiten aanmerking gelaten:
a. een bedrag gelijk
aan 50% van het brutominimumloon; alsmede
b. voor zover het
inkomen uit arbeid meer bedraagt dan het in onderdeel a bedoelde bedrag,
een derde gedeelte van dat meerdere.
-3. In afwijking van het tweede lid wordt
in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt
het brutominimumloon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:
- X staat voor het aantal dagen gelegen
in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, voordat
de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt; en
- Y staat voor het aantal dagen van de
maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
-4. Voor een nabestaande die woont buiten
Nederland, één van de andere lidstaten van de Europese Unie, een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte en Zwitserland, wordt, in afwijking van het tweede
lid, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op
grond van dat lid vastgestelde bedrag buiten aanmerking gelaten. Het
percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding
tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is
en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. [Rwsz12]
Art.
19. [Herziening
nabestaandenuitkering bij wijziging inkomen] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb.
2013, 115]
De
nabestaandenuitkering wordt bij wijziging van het inkomen herzien. Deze herziening gaat in op
de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet.
Art.
20. [Nadere regelgeving
samenloop met buitenlandse uitkeringen] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2001, 692; Stb.
2010, 350; Stb.
2010, 867]
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld voor samenloop van uitkering
ingevolge deze wet met uitkering aan nagelaten betrekkingen ingevolge de
wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de wetgeving van Nederland
ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van een andere
mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie.
[Ais]
Art.
21. [Korting op
pensioenregeling wegens verhoging nabestaandenuitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2013, 115]
-1. Indien in een
pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of
worden opgenomen krachtens welke op enigerlei wijze geheel of
gedeeltelijk met een uitkering ingevolge dit hoofdstuk rekening wordt gehouden, dient
bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden genomen dat een verhoging van de uitkering ingevolge deze wet als gevolg
van de artikelen 17, 25 en 29, welke plaatsvindt na ingang van een
pensioen of na het verkrijgen van een recht op uitgesteld pensioen, buiten
beschouwing blijft.
-2. Het eerste lid is
niet van toepassing op pensioenregelingen waarin bepalingen zijn opgenomen volgens
welke een uitkering ingevolge deze wet en de premievrije
aanspraken of het pensioen van die regeling tezamen na beëindiging van de
actieve deelneming jaarlijks ten minste worden verhoogd met het percentage van
de in het eerste lid bedoelde verhoging van de uitkering of het
percentage van de loon- of prijsontwikkeling.
§ 3.
De
halfwezenuitkering
Art.
22. [Recht op
halfwezenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1997, 789;
Stb. 2001, 128; Stb.
2001, 625; Stb.
2013, 115]
-1. Recht op
halfwezenuitkering heeft de nabestaande die een halfwees heeft jonger dan 18
jaar die niet tot het huishouden van een ander behoort.
-2. Voor de toepassing van deze
paragraaf en paragraaf 4 van deze afdeling alsmede van de
afdelingen II en III
van dit hoofdstuk wordt, in afwijking van hoofdstuk 1, onder nabestaande
verstaan: de ouder van een halfwees of de persoon die als ware hij ouder zorg
draagt voor een halfwees die tot zijn huishouden behoort.
-3. Het recht op halfwezenuitkering
gaat in op de eerste dag van de maand waarin aan de voorwaarden, bedoeld in
het eerste en tweede lid, wordt voldaan.
-4. Ten aanzien van het overlijden van
één van beide ouders van één of meer kinderen bestaat per huishouding
slechts recht op één halfwezenuitkering ten aanzien van dit kind of deze
kinderen voor één nabestaande. Ingeval sprake is van meer dan één
nabestaande binnen één huishouding die een aanvraag doet voor een
halfwezenuitkering ten aanzien van dit kind of deze kinderen, bepaalt
de Sociale
verzekeringsbank welke nabestaande in aanmerking komt voor het recht op
halfwezenuitkering.
Art.
23.
[Beperking recht op halfwezenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2012, 657; Stb. 2013, 115]
-1. Geen recht op halfwezenuitkering
bestaat, indien:
a. de verzekerde binnen één jaar na
aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand
ten tijde van de aanvang van de verzekering zulks redelijkerwijs
moest doen verwachten; of
b. de verzekerde door de nabestaande
of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13, tweede lid, of
bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale
zekerheid
die tussen Nederland en één of meer mogendheden van kracht is,
ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels
worden gesteld.
Art.
24.
[Eindiging recht op halfwezenuitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1997, 33;
Stb. 1998, 377; Stb.
2012, 2; Stb. 2013, 115]
-1. Het recht op halfwezenuitkering
eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die:
a. waarin niet langer aan de
voorwaarden voor het verkrijgen van een halfwezenuitkering, bedoeld in artikel
22, eerste en tweede lid, wordt voldaan; of
b. waarin de halfwees de leeftijd van
18 jaar bereikt.
-2. Het recht op halfwezenuitkering
eindigt met
ingang van de dag waarop de nabestaande een
bruto-ouderdomspensioen voor de ongehuwde pensioengerechtigde als
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet
ontvangt.
-3. Het recht op
halfwezenuitkering eindigt wanneer de halfwees wordt geadopteerd door de echtgenoot van
de ouder met ingang van de dag waarop de uitspraak in
kracht van gewijsde is gegaan.
§ 4.
De hoogte
van de halfwezenuitkering
Art.
25. [Hoogte
halfwezenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995; Stb.
1998, 377; Stb.
2000, 571; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 525; Stb. 2006, 644;
Stb.
2011, 288; Stb. 2012, 198;
Stb. 2012, 361; Stb.
2013, 115]
-1.
De brutohalfwezenuitkering wordt op
een zodanig bedrag vastgesteld dat nadat de over dat bedrag in te
houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een
persoon die de
pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, rekening houdend met uitsluitend de algemene
heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, en de alleenstaandeouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001, is afgetrokken, de nettohalfwezenuitkering
gelijk is aan 20% van het nettominimumloon.
-2.
De
brutohalfwezenuitkering ten behoeve van een halfwees die woont buiten
Nederland, één van de andere lidstaten van de Europese Unie, een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte en Zwitserland, bedraagt een bij ministeriële
regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste lid
vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een
weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar
de halfwees woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt
maximaal 100.
[Rwsz12]
-3.
Indien een
nabestaande recht heeft op een halfwezenuitkering ten aanzien van het
overlijden van één van beide ouders ten behoeve van twee of meer
kinderen waarvan er ten minste één woonachtig is in Nederland, één
van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
of Zwitserland, bedraagt de brutohalfwezenuitkering het op grond van het
eerste lid vastgestelde bedrag.
-4.
Indien een
nabestaande recht heeft op een halfwezenuitkering ten aanzien van het
overlijden van één van beide ouders ten behoeve van twee of meer
kinderen die woonachtig zijn in verschillende landen, waarvoor op grond
van het tweede lid percentages zijn vastgesteld bij ministeriële
regeling, bedraagt de brutohalfwezenuitkering het hoogste van die
vastgestelde percentages van het op grond van het eerste lid
vastgestelde bedrag.
-5. Op de
halfwezenuitkering ten behoeve van de halfwees, bedoeld in artikel
1, aanhef en
onder e, onder 2º, wordt de financiële bijdrage die de overlevende ouder
betaalt of op grond van een rechterlijke uitspraak in verband met zijn
onderhoudsplicht als bedoeld in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek dient te
betalen in mindering gebracht. De Sociale
verzekeringsbank
kan hiertoe zelf een onderzoek
instellen. Indien de toepassing van de eerste zin tot een onbillijkheid van
overwegende aard leidt, kan de Sociale
verzekeringsbank
hiervan afzien.
§ 5.
De
wezenuitkering
Art.
26. Recht op wezenuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb.
1997, 33; Stb.
1998, 377; Stb.
1998, 742; Stb.
2010, 74; Stb. 2010,
838; Stb. 2013, 115]
-1.
Recht op een wezenuitkering heeft een kind dat door het
overlijden van een verzekerde ouderloos is geworden, zolang het de
leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt met een kind dat de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt,
gelijkgesteld:
a. een kind van 16 of 17 jaar ten
aanzien van wie is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de
artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet
1969, dan wel één van de vrijstellingen van die verplichtingen op
grond van die wet van
toepassing is; [BkAA]
b. een kind van 16 of 17 jaar dat na
het behalen van een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1,
onderdeel f, van de Leerplichtwet
1969 op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot
een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten dan wel
een vervolgstudie volgt;
c. een kind van 18 jaar of ouder,
doch jonger dan 21 jaar, dat als leerling of deelnemer staat
ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in artikel 4a
van de Leerplichtwet 1969
en deze geregeld bezoekt of een vervolgstudie volgt;
d. een ongehuwd kind van 16 jaar of
ouder doch jonger dan 21 jaar, dat een startkwalificatie als bedoeld in
artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet
1969 heeft behaald dan wel op wie één van de vrijstellingen als
bedoeld in onderdeel a van toepassing zijn geweest of zouden zijn
geweest en wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in
beslag wordt genomen door het verzorgen van zijn huishouden, waartoe
overigens ten minste één kind dat recht heeft op wezenuitkering
behoort.
-3. Voor de toepassing van het tweede lid,
onderdeel d, wordt mede als ongehuwd aangemerkt het kind dat een
gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende indien de
overledene vóór diens overlijden een huishouden met de hulpbehoevende
is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen of
indien het kind na het overlijden van de verzekerde een huishouding is
gaan voeren met een hulpbehoevende met het doel de hulpbehoevende te
gaan verzorgen.
-4. Het recht op wezenuitkering gaat in op
de eerste dag van de maand waarin het kind ouderloos is geworden en aan
de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid.
Art.
26a. Overgangsbepaling wezenuitkering kind van 16 jaar of
ouder [Geschiedenis:
Stb. 2010, 74]
Artikel 26, zoals dat artikel luidde op de dag
voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel
III, onderdeel B, van de Wet van 4 februari
2010 tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene
nabestaandenwet in verband met aanpassing aan de invoering van een
kwalificatieplicht in de Leerplichtwet 1969 en het aanbrengen van een
aantal vereenvoudigingen in de Algemene Kinderbijslagwet alsmede enkele
andere aanpassingen van die wet (Stb. 2010, 74), blijft van
toepassing op het kind dat vóór 1 oktober 2009 de leeftijd van 16 jaar
heeft bereikt. [Rk10]
Art.
27.
[Beperking recht op wezenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2012, 657]
-1. Geen recht op wezenuitkering
bestaat, indien:
a. de verzekerde binnen één jaar na
aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand
ten tijde van de aanvang van de verzekering zulks redelijkerwijs
moest doen verwachten; of
b. de verzekerde door het ouderloos
kind of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13, tweede lid, of
bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale
zekerheid
die tussen Nederland en één of meer mogendheden van kracht is,
ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels
worden gesteld.
Art.
28.
[Eindiging wezenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995]
-1. Het recht op wezenuitkering eindigt
met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin niet
langer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een wezenuitkering,
bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, wordt voldaan.
-2. Het recht op wezenuitkering
herleeft met ingang van de eerste dag van de maand waarin het kind weer aan de
voorwaarden voor het verkrijgen van een wezenuitkering voldoet.
-3. Een kind wordt niet langer als
ouderloos aangemerkt:
a. in geval van erkenning van het
kind; of
b. wanneer het wordt geadopteerd met
ingang van de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is
gegaan.
-4. Ontkenning van het
door erkenning ontstane vaderschap doet het recht op wezenuitkering, zo
dit nog zou hebben bestaan indien geen erkenning had plaatsgevonden,
herleven met ingang van de dag waarop de beschikking waarbij de ontkenning
is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan.
-5. Herroeping van
adoptie als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet het recht, zo dit nog
zou hebben bestaan indien geen adoptie zou hebben plaatsgevonden,
herleven met ingang van de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde
is gegaan.
§ 6.
De hoogte
van de wezenuitkering
Art.
29. [Hoogte wezenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2012, 198]
-1. De
brutowezenuitkering is gelijk aan een percentage van het brutobedrag behorend bij de
nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
-2. Het in het eerste
lid bedoelde percentage bedraagt voor een kind dat op de eerste dag van een
kalendermaand:
a. jonger is dan 10
jaar: 32;
b. 10 jaar of ouder
doch jonger dan 16 jaar is: 48; en
c. 16 jaar of ouder
doch jonger dan 21 jaar is: 64.
-3.
De brutowezenuitkering bedraagt voor een kind dat woont buiten
Nederland, één van de andere lidstaten van de Europese Unie, een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling
vastgesteld percentage van het op grond van het eerste en tweede lid
vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een
weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar
het kind woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt
maximaal 100. [Rwsz12]
§
6a. Tegemoetkoming in aanvulling op de nabestaandenuitkering, de
halfwezenuitkering en de wezenuitkering
Art.
29a.
[Tegemoetkoming Anw-ers]
[Geschiedenis:
Stb. 2006, 559; Stb.
2011, 231; Stb. 2012, 198;
Stb. 2013, 115]
-1. Degene die een nabestaandenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op
een tegemoetkoming.
-2. Degene die een halfwezenuitkering ontvangt en geen
nabestaandenuitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, heeft
tevens recht op een tegemoetkoming.
-3. Degene die een wezenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een
tegemoetkoming.
-4. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt
niet beschouwd als een nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of
wezenuitkering op grond van deze wet, behoudens voor de toepassing van afdeling
II van hoofdstuk 3.
-5. Geen recht op een tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid
bestaat voor een ongehuwde pensioengerechtigde als bedoeld in artikel
9, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene
Ouderdomswet die recht heeft op een tegemoetkoming als bedoeld in artikel
3 van de Wet mogelijkheid
koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen.
-6. Artikel 2, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de hoogte, de indexering en de wijze van betaling van de
tegemoetkoming. [BtA]
-8. De tegemoetkoming bedraagt indien de
nabestaande, de halfwees ten behoeve van wie de tegemoetkoming wordt
ontvangen of de wees woont buiten Nederland, één van de andere
lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland,
een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond
van het eerste tot en met zevende lid vastgestelde bedrag. Het
percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding
tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande, de halfwees of
wees woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt
maximaal 100. [Rwsz12]
-9. De tegemoetkoming is niet vatbaar voor beslag.
§ 7.
De vakantie-uitkering
Art.
30. [Recht op
vakantie-uitkering] [Geschiedenis:
MvT;
versie 21 december 1995; Stb.
2013, 115]
Recht op
vakantie-uitkering over een maand heeft degene die over die maand recht heeft op
een nabestaandenuitkering, op een halfwezenuitkering of op een
wezenuitkering.
§ 8.
De hoogte
van de vakantie-uitkering
Art.
31. [Hoogte
vakantie-uitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1998, 377; Stb.
2000, 571; Stb.
2005, 192; Stb.
2013, 115]
-1.
De brutovakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering wordt zodanig
vastgesteld dat de nettovakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering
gelijk is aan 70% van de nettominimumvakantiebijslag per maand.
-2.
De
brutovakantie-uitkering over de halfwezenuitkering wordt zodanig
vastgesteld dat de nettovakantie-uitkering over de halfwezenuitkering
gelijk is aan 20% van de nettominimumvakantiebijslag per maand.
-3. De
brutovakantie-uitkering over de wezenuitkering bedraagt een bepaald percentage van
brutobedragen vastgesteld op grond van het eerste lid.
-4. Voor de
vaststelling van het in het derde lid bedoelde percentage is artikel
29, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
Art.
32. [Evenredige
vermindering vakantie-uitkering bij vermindering nabestaandenuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1998, 377;
Stb.
2012, 198; Stb. 2013, 115]
-1. Indien de
nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 17, tweede,
derde of vierde lid,
18 of 67
wordt verminderd dan wel anderszins op een lager bedrag wordt vastgesteld dan
het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt op de vakantie-uitkering een evenredige vermindering toegepast dan wel de
vakantie-uitkering evenredig verlaagd.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de berekening van de
vakantie-uitkering van degene wiens uitkering met toepassing van artikel
20 is verminderd en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van een
andere mogendheid geen recht heeft op een vakantie-uitkering
ingevolge die wetgeving.
-3.
Indien de halfwezenuitkering met toepassing van artikel 25,
tweede of vierde lid, op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het
bedrag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt de
vakantie-uitkering evenredig verlaagd.
-4.
Indien de wezenuitkering met toepassing van artikel 29,
derde lid, op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag, bedoeld
in artikel 29, eerste en tweede lid, wordt de
vakantie-uitkering evenredig verlaagd.
§ 9.
Geen recht
op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering buiten Nederland
Art. 32a.
[Beperking export uitkering] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 742; Stb.
1999, 250 + bis; Stb.
1999, 594 + bis; Stb.
2003, 524; Stb.
2011, 618; Stb. 2012, 657;
Stb. 2013, 115]
-1. Geen recht op
nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij op de dag
van het overlijden van de verzekerde niet in Nederland woont. Geen recht op
halfwezenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij of de
halfwees op de dag van het overlijden van de verzekerde niet in
Nederland woont. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien
het op de dag van het overlijden van de verzekerde niet in Nederland
woont.
-2. Het eerste lid is
niet van toepassing indien de nabestaande, de nabestaande of de halfwees
onderscheidenlijk het kind op de dag van het overlijden van de
verzekerde woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering
onderscheidenlijk wezenuitkering kan bestaan.
-3. Voor de persoon,
bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel
15, 23 of 27, recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat:
a. de nabestaande in
Nederland woont en hij voldoet aan een voorwaarde
als bedoeld in artikel 14, eerste
lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede lid;
b. de nabestaande en de halfwees in
Nederland wonen en de nabestaande voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 22, eerste en tweede lid;
c. het kind in Nederland woont en het
voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en
tweede lid.
-4. Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing indien de nabestaande, de nabestaande en de halfwees
onderscheidenlijk het kind niet in Nederland wonen, vanaf de dag dat
betrokkene in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden
dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is
geworden, op
grond waarvan recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering onderscheidenlijk
wezenuitkering kan bestaan.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat recht op nabestaandenuitkering,
halfwezenuitkering of wezenuitkering ontstaat voor: [Breu]
[RaoB02]
a. de nabestaande of het kind indien de
nabestaande, de halfwees of het kind werkzaamheden verricht in het
algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. de nabestaande of het kind indien de
nabestaande, de halfwees of het kind in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen
a of b bedoelde nabestaande of het kind.
-6. Onze Minister deelt mede
in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht
op nabestaandenuitkering,
halfwezenuitkering dan wel wezenuitkering kan bestaan. In deze mededeling
wordt tevens opgenomen: [BB01]
[BB03]
a. de vindplaats van het
desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat
verdrag of besluit aanwezige beperkingen.
Art.
32b.
[Tijdstip eindiging en herleving uitkering bij
niet wonen resp. weer wonen in Nederland] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 742; Stb.
1999, 250 + bis; Stb.
1999, 594 + bis; Stb.
2003, 524; Stb.
2013, 115]
-1. Het recht op nabestaandenuitkering
eindigt op de eerste dag dat de nabestaande niet in Nederland woont. Het recht op
halfwezenuitkering eindigt op de eerste dag dat de nabestaande of
de halfwees niet in Nederland woont. Het recht op wezenuitkering eindigt op de eerste dag dat het kind niet in Nederland woont.
-2. Voor de persoon, bedoeld in het
eerste lid, herleeft, onverminderd artikel
15, 23 of 27, het recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering op de
dag dat:
a. de nabestaande in
Nederland woont en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede
lid;
b. de nabestaande en
de halfwees in Nederland wonen en de nabestaande voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste en tweede lid;
c. het kind in
Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
26,
eerste en tweede lid.
-3. Het tweede lid is
van overeenkomstige toepassing indien de nabestaande, de nabestaande en de
halfwees onderscheidenlijk het kind niet in Nederland wonen, vanaf de dag
dat betrokkene in een land
woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op nabestaandenuitkering,
halfwezenuitkering onderscheidenlijk wezenuitkering kan bestaan.
-4.
Artikel
32a,
tweede, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
[Breu]
[RaoB02]
§ 10.
Geen recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering tijdens
vrijheidsontneming en onttrekking aan vrijheidsontneming
Art.
32c. [Uitsluiting bij
detentie] [Geschiedenis:
Stb. 1999, 595; Stb. 2010,
838; Stb. 2013, 115]
-1. Geen recht op
nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem op de dag
van het overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag na afloop van de
toepassing van artikel 32e met betrekking tot
dat recht op uitkering, rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Geen recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem
of de halfwees op de dag van het overlijden van de verzekerde, dan wel
op de dag na afloop van de toepassing van artikel 32e
met betrekking tot dat recht op uitkering, rechtens
zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind
indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. Voor de persoon,
bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel
15, 23 of 27, recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat:
a. de nabestaande in
vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede
lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;
b. de nabestaande en
de halfwees in vrijheid worden gesteld en de nabestaande voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste en tweede lid;
c. het kind in
vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
26, eerste en tweede lid.
-3. Het eerste lid is
niet van toepassing en het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
Art.
32d. [Tijdstip eindiging en
herleving uitkering bij detentie] [Geschiedenis:
Stb. 1999, 595 + bis;
Stb. 2010,
838; Stb. 2013, 115]
-1. Het recht op
nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande rechtens zijn vrijheid
is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft
geduurd. Het recht op halfwezenuitkering eindigt, indien de nabestaande
of de halfwees rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze
vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Het recht op wezenuitkering eindigt, indien het kind rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, vanaf de dag
dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-2. Voor de persoon,
bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel
15, 23 of 27, het
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering op de
dag dat:
a. de nabestaande in
vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede
lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;
b. de nabestaande en
de halfwees in vrijheid worden gesteld en de nabestaande voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste en tweede lid;
c. het kind in
vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
26, eerste en tweede lid.
-3. Voor de toepassing
van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien
zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
-4.
Artikel
32c, derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-5.
Het recht op nabestaandenuitkering respectievelijk het recht op
halfwezenuitkering of het recht op wezenuitkering eindigt, in afwijking
van het eerste lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat,
indien op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht
bestaat op die uitkering op grond van artikel 32f,
eerste lid.
Art.
32e. [Uitsluiting bij onttrekking aan vrijheidsontneming] [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838; Stb. 2013, 115]
Geen recht op nabestaandenuitkering
ontstaat voor de nabestaande indien en voor zolang hij zich op de dag
van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel. Geen recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de nabestaande
indien en voor zolang hij of de halfwees zich op de dag van het
overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Geen recht op
wezenuitkering ontstaat voor het kind indien en voor zolang het zich op
de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
Art.
32f. [Eindiging en herleving uitkering bij
onttrekking aan vrijheidsontneming] [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838; Stb. 2013, 115]
-1. Het
recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande zich
onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel. Het recht op halfwezenuitkering eindigt
indien de nabestaande of de halfwees zich onttrekt aan de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind zich
onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel.
-2. Voor de persoon, bedoeld in het eerste
lid, herleeft, onverminderd artikel 15, 23,
27 of 32d, het recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering op de dag
dat:
a. de nabestaande zich niet langer
onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel en hij voldoet aan een voorwaarde als
bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden,
bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en
onverminderd artikel 14, derde lid;
b. de nabestaande en de halfwees
zich niet langer onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en de nabestaande voldoet
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste en
tweede lid;
c. het kind zich niet langer
onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel en het voldoet aan een voorwaarde als
bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.
AFDELING
II
Het geldend
maken van het recht op uitkering
Art. 33.
[Aanvraag en aanvang uitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 789; Stb. 1999, 564;
Stb. 2000, 627 + bis;
Stb.
2001, 625; Stb.
2009, 265; Stb. 2013, 115]
-1. De
Sociale
verzekeringsbank
stelt op
aanvraag vast of recht op nabestaanden-, halfwezen- of wezenuitkering
bestaat.
-2.
De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
-3. Een aanvraag wordt
ingediend door middel van een door de Sociale
verzekeringsbank
beschikbaar gesteld formulier.
-4. Het recht op uitkering wordt niet
vastgesteld over perioden gelegen vóór één jaar voorafgaand aan de dag
waarop de Sociale
verzekeringsbank de aanvraag om uitkering heeft ontvangen. De Sociale
verzekeringsbank is bevoegd in
bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin. [BbSaiu]
Art. 33a.
Door vernummering vervallen.
[Geschiedenis: Stb.
1998, 203; Stb. 1999,
564]
Art.
34.
[Herziening of intrekking toekenningsbesluit]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2001, 625; Stb.
2012, 463]
-1. Onverminderd het elders in deze wet
bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot
toekenning van uitkering en ter zake van weigering van uitkering, herziet de
Sociale
verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 35,
36, tweede lid,
of 37 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 35,
35a,
36, tweede lid,
of 37 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op
uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan de Sociale
verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening
of intrekking af te zien.
Art.
35.
[Inlichtingenverplichting] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 789; Stb. 2001,
625; Stb.
2007, 555]
De nabestaande, het ouderloos kind en
zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge
artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale
verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden
mee te delen waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het
geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de
uitkering dat
wordt uitbetaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en
omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden
vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek
aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële
regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Art.
35a. [Onderzoek
woonsituatie]
[Geschiedenis:
Stb. 2012, 463]
In aanvulling op artikel 35 kan de
Sociale verzekeringsbank de nabestaande dan wel zijn wettelijke
vertegenwoordiger respectievelijk het ouderloos kind dan wel zijn
wettelijke vertegenwoordiger verzoeken aan te tonen dat:
a. de nabestaande geen gezamenlijke
huishouding voert anders dan ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende;
b. het kind, bedoeld in artikel 26,
tweede lid, onderdeel d, ongehuwd is en dat tot zijn huishouden ten
minste één ander kind behoort dat recht heeft op een wezenuitkering;
c. de feitelijke woonsituatie van de
nabestaande of van een ouderloos kind in overeenstemming is met het
verstrekte adres van die nabestaande of van dat ouderloos kind.
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te
stellen, kan de Sociale verzekeringsbank bij die verzoeken aanbieden met
de toestemming van de nabestaande, het ouderloos kind dan wel de
wettelijke vertegenwoordiger de woning van de nabestaande
respectievelijk het ouderloos kind binnen te treden.
Art.
36.
[Controlevoorschriften en reikwijdte]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 789; Stb.
1997, 794; Stb. 2001,
625 + bis; Stb.
2012, 463]
-1. De
Sociale
verzekeringsbank is bevoegd
controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt
noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. [CA]
-2. De nabestaande, het ouderloos kind dan
wel zijn wettelijk vertegenwoordiger of de instelling waaraan op grond
van artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, is verplicht de
voorschriften op te volgen en anderszins aan de Sociale verzekeringsbank
desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor
de uitvoering van deze wet.
Art.
37.
[Verplicht geneeskundig onderzoek] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1998, 377; Stb. 2001,
625]
Voor de toepassing van de artikelen
5,
tweede lid, 11, 14, eerste lid, aanhef en onder b,
26, tweede lid, aanhef
en onder b, dan wel om te bepalen of een gezamenlijke huishouding ten
behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende wordt gevoerd,
onderwerpt de betrokken persoon zich op verzoek van de Sociale
verzekeringsbank aan een
geneeskundig onderzoek.
Art.
38.
[Weigering uitkering bij niet-nakoming
verplichtingen | Afstemming maatregel] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690 + bis; Stb. 1996, 248;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 789 + bis; Stb.
1998, 742; Stb. 2001,
625 + bis
+ bis; Stb.
2003, 544; Stb.
2007, 305; Stb.
2009, 265]
-1. De Sociale
verzekeringsbank weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel
of gedeeltelijk indien de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een verplichting op grond van artikel
36, tweede lid, of 37 opgelegd, of de
verplichtingen, bedoeld in artikel 55,
tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 35,
niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste
lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger de
gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt
in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien
van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
35, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien
van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel
blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in
artikel 39 wordt opgelegd.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste
en tweede lid. [MA]
[Mszw]
Art.
39.
[Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
| Schriftelijke waarschuwing | Reformatio in peius] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb.
1996, 248 + bis; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 789
+ bis; Stb.
1998, 742; Stb. 2001, 481;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 708; Stb. 2009, 265;
Stb.
2012, 462]
-1. De Sociale verzekeringsbank
legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het
niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind
of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in
artikel 35. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op
grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was
van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
35,
ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering,
halfwezenuitkering of wezenuitkering is verleend.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
35, niet heeft
geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een
bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede
categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien
van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid
en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het
niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
35, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. De Sociale verzekeringsbank legt een
bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger
van de verplichting, bedoeld in artikel 35, als gevolg waarvan ten
onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering,
halfwezenuitkering of wezenuitkering is ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf
jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een
eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd
wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die
onherroepelijk is geworden.
-6. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de nabestaande, het
ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
-7. De Sociale verzekeringsbank kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de
bestuurlijke boete van belang zijn.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-10. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger
wijzigen.
Art.
40.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb.
1996, 248 + bis; Stb.
1997, 789; Stb. 2001,
625; Stb. 2009, 265]
Art.
41.
[Nadere regelgeving tenuitvoerlegging bestuurlijke
boete]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb.
1996, 248 + bis; Stb.
1997, 789; Stb. 2001,
625 + bis
+ bis; Stb.
2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de
bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het
op grond van artikel 45, eerste of tweede lid, te
verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening
plaatsvindt.
[BibobbAAA] [Rtbbtob]
Art.
42.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb.
1996, 248; Stb. 1997, 789;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
Art.
43.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb.
1996, 248; Stb. 1997, 789;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
Art.
44.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb.
1996, 248; Stb. 1997, 789;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
Art.
45.
[Invordering bestuurlijke boete]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb.
1996, 248; Stb. 1997,
96; Stb. 1997, 789 + bis
+ bis; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 742
+ bis; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625 + bis; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 717;
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb.
2009, 265; Stb.
2009, 390; Stb. 2009, 282;
Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 580;
Stb. 2011, 645; Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 462]
-1. De
Sociale verzekeringsbank verrekent de
bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, kinderbijslag
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of
ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd,
ontvangt.
-2.
Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,
onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke
boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan
de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Wet
werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening
oudere werklozen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3.
De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan het Landelijk
Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale
verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de
bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan
wie de boete is opgelegd.
-4.
Zolang de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 39,
achtste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a.
is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de
vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b.
geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en
met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Art.
45a. [Verrekening
bestuurlijke boete bij recidive] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel
45, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel
39,
vijfde lid, door Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende
een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vanaf het moment van de
dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
-2. Artikel 45, eerste lid, en het eerste
lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de
bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 39, eerste lid, indien en voor
zover op het moment van verrekening, bedoeld in het eerste lid, de
bestuurlijke boete door de overtreder niet is betaald.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan op
verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, besluiten
het eerste en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet
op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de
verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel
45, eerste
lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening,
bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij
ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze
wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van
kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden
gesteld van de leefsituatie. [Rtbbtob]
AFDELING
III
De betaling van
de uitkering
Art.
46. [Betaalbaarstelling
uitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 248; Stb. 1997, 789;
Stb.
2001, 625; Stb.
2009, 265; Stb.
2012, 463]
-1.
De Sociale verzekeringsbank betaalt de uitkering
waarop op grond van deze wet recht bestaat.
-2. De betaling, bedoeld
in het eerste lid, geschiedt in de regel per maand.
-3. De Sociale
verzekeringsbank schort de betaling van de
uitkering op of schorst de betaling, indien zij op grond van duidelijke
aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of niet
meer bestaat; of
b. recht op een lagere uitkering
bestaat; of
c. de nabestaande, het ouderloos kind
of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel de instelling aan welke
ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, een
verplichting, bedoeld in artikel
35, 35a, 36, tweede lid,
of 37 niet is nagekomen.
-4. De Sociale
verzekeringsbank stelt de betrokken persoon
of instelling onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing, bedoeld in
het derde lid.
Art.
46a.
[Opschorting betaling uitkering bij onrechtmatig
verblijf in Nederland] [Geschiedenis:
Stb.
1998, 203; Stb. 1999,
564 + bis; Stb.
2000, 496; Stb. 2001, 67;
Stb. 2001, 625 + bis]
-1. De
Sociale
verzekeringsbank schort de betaling van de
uitkering op indien degene aan wie een uitkering is toegekend een
vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld
in artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De betaling van de uitkering wordt
hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het de Sociale
verzekeringsbank is
gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.
Art.
46b.
[Opschorting betaling uitkering bij afwijking
adres] [Geschiedenis:
Stb. 2001, 67; Stb. 2001, 625]
-1. De Sociale verzekeringsbank
schort de betaling van de uitkering op indien blijkt dat het door de
nabestaande verstrekte adres van hemzelf of van een kind afwijkt van het adres waaronder de
betrokkene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat
ingeschreven.
-2. Geen opschorting vindt plaats:
a. indien de afwijking
redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte
van de uitkering;
b. indien de nabestaande van
de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
-3. De Sociale verzekeringsbank doet
schriftelijk mededeling van de opschorting aan de nabestaande.
-4. De opschorting wordt beëindigd zodra
het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet
meer bestaat.
Art.
47. [Voorschot]
[Geschiedenis:
MvT;
versie 21 december 1995; Stb.
2001, 625; Stb.
2009, 265]
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een
voorschot op de nog niet vastgestelde uitkering beschouwd als een
uitkering op grond van deze wet.
Art.
48.
[Uitbetaling uitkering in buitenland]
[Geschiedenis:
MvT;
versie 21 december 1995; Stb.
2000, 593; Stb. 2003, 544;
Stb.
2009, 265; Stb. 2010,
838]
Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de
betaling, in afwijking van artikel 4:89,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser
aangewezen bank wordt gecrediteerd.
Art.
49.
[Betaalbaarstelling wezenuitkering aan ander |
Aanvraagbevoegdheid LBIO] [Geschiedenis:
MvT;
versie 21 december 1995; Stb.
2001, 625]
-1. De
Sociale
verzekeringsbank is bevoegd, voor zover
nodig na ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen, de wezenuitkering betaalbaar te stellen aan een ander dan de
wettelijke vertegenwoordiger van het kind.
-2. Indien de rechthebbende of diens
wettelijke vertegenwoordiger nalaat een aanvraag om wezenuitkering in te
dienen, kan deze aanvraag geschieden door het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de wezenuitkering betaalbaar
kan worden gesteld.
Art.
50.
[Betaling vakantie-uitkering] [Geschiedenis:
MvT;
versie 21 december 1995; Stb.
2001, 625; Stb. 2010, 840]
-1. De
Sociale
verzekeringsbank betaalt, voor zover niet
reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking van artikel 46 jaarlijks in
de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden of, indien het
recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de
desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op uitkering op grond van
deze wet recht op uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontstaat.
-2. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld voor de betaling van de vakantie-uitkering. [Ruv]
Art.
51.
[Overlijdensuitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb. 1995, 696;
Stb. 1996, 369; Stb.
1997, 773; Stb. 2001,
625; Stb.
2010, 867; Stb. 2013, 115]
-1. Na het overlijden van degene aan
wie nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering is toegekend, wordt met ingang van de
dag na overlijden nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering in de vorm van
een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de minderjarige kinderen tot
wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel a bedoelde kinderen aan degenen met wie de overledene in
gezinsverband leefde.
-2. De overlijdensuitkering is gelijk
aan het bedrag van de nabestaandenuitkering of de halfwezenuitkering dan wel van
de nabestaanden- en halfwezenuitkering over één maand, berekend naar de
hoogte van die uitkeringen in de maand van overlijden van degene
aan wie nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering is toegekend.
-3. De overlijdensuitkering wordt
ambtshalve of op verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden door de Sociale
verzekeringsbank uitbetaald.
-4. De overlijdensuitkering wordt in
een bedrag ineens uitbetaald.
-5. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan nabestaandenuitkering of
halfwezenuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
-6. De overlijdensuitkering is niet
vatbaar voor beslag.
Art.
52.
[Verjaring betaalbaarstelling] [Geschiedenis:
versie 21 december 1995; Stb.
2001, 625]
-1. Een uitkering op grond van deze wet
die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na
de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald.
-2. De Sociale
verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere
gevallen ten gunste van de nabestaande of het ouderloos kind af te wijken van
de termijn van drie maanden.
Art.
53.
[Terugvordering] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 789
+ bis; Stb.
1998, 278 + bis; Stb.
1998, 742; Stb. 1999, 564
+ bis; Stb.
2001, 625; Stb.
2009, 265; Stb.
2012, 462]
-1. De uitkering op grond van deze wet
die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigd
is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door
de Sociale
verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn
wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of
57
de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
de Sociale
verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te
zien,
indien de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of
57 de
uitkering wordt uitbetaald:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog
heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen
heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b
en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 35.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a en
b,
genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet
te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 35.
-5. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan de Sociale
verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de
terugvordering af te zien.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd,
is verplicht desgevraagd aan de Sociale
verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken
die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan
de Sociale
verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister
kan stellen, besluiten van
terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze
Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat. [Rtgb]
Art.
54.
[Invordering bij dwangbevel]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb. 1998, 278;
Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 625;
Stb.
2009, 265]
-1. De Sociale
verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld
in artikel 53, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Artikel 45 is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, de Sociale
verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager
vaststelt.
Art.
55.
[Nadere regelgeving tenuitvoerlegging
onverschuldigde betaling] [Geschiedenis:
MvT;
versie 21 december 1995; Stb.
1998, 278; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 625
+ bis; Stb.
2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de
beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. [BibobbAAA]
[Rtbbtob]
Art.
55a. [Schuldregeling]
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
-1. In afwijking van artikel
53, eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank,
op verzoek van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke
vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel
49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, besluiten
gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling,
indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat
de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger,
respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel
49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, niet zal
kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de
toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat
een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in
het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van de Sociale
verzekeringsbank wegens onverschuldigde betaling ten minste zal worden
voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van
gelijke rang;
d. een naar het oordeel van de
Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen
door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48
van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de
schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de
nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger,
respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel
49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, van de
verplichting, bedoeld in artikel 35, en hiervoor een
boete als bedoeld in artikel 39 is opgelegd, dan wel
met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is
gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de nabestaande, het ouderloos
kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling
aan welke ingevolge artikel 49 of 57
de uitkering wordt uitbetaald, zijn schuld aan het de Sociale
verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
55b. [Preferentie]
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
Een vordering van de Sociale verzekeringsbank
als bedoeld in de artikelen 53 en 55a
is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
56.
[Betaling aan minderjarige] [Geschiedenis:
versie 21 december 1995; Stb.
2001, 625]
-1. Voor het in ontvangst nemen en het
verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering wordt een
minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
-2. Indien de wettelijke
vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij de Sociale
verzekeringsbank verzet tegen betaling aan
de minderjarige, wordt de uitkering aan de wettelijke vertegenwoordiger
betaald.
Art.
57.
[Betaling aan instellingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1996, 478
+ bis; Stb.
1997, 789 + bis; Stb.
1999, 185; Stb. 2001,
625; Stb.
2005, 525; Stb. 2005, 530;
Stb.
2009, 265]
-1. Indien
degene aan wie
uitkering op grond van deze wet is toegekend in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is
opgenomen en de Sociale
verzekeringsbank
van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente
die de
opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of
die gemeente uit te betalen, is de Sociale
verzekeringsbank
bevoegd dat verzoek zonder het
stellen van andere voorwaarden in te willigen.
-2. Indien degene aan wie
uitkering op grond van deze wet is toegekend aanspraak heeft op
verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg
verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot
het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie de
uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-3. Indien het tweede
lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking
op het gedeelte van de uitkering dat niet aan het in het tweede lid
bedoelde orgaan wordt uitbetaald.
-4.
Een herziening van een uitkering op grond van het tweede lid als gevolg
van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat
dit bij beschikking is vastgesteld.
Art. 58.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 696]
Art.
59. [Onvervreemdbaarheid
uitkering] [Geschiedenis:
versie 21 december 1995]
-1.
De uitkering is:
a.
onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot
ontvangst van uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk
beding
strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.
HOOFDSTUK
4
De invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 60.
[Samenloop aanspraken bij regres] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995]
Bij de vaststelling
van de schadevergoeding waarop de nabestaande en ouderloos geworden kinderen van
de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kunnen maken ter zake
van het overlijden van de verzekerde, houdt de rechter rekening
met de aanspraken op uitkeringen die de nabestaande en het ouderloos kind
op grond van deze wet hebben.
Art.
61. [Regresrecht SVB]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2001, 625]
-1. De
Sociale
verzekeringsbank heeft voor
de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene die in verband
met het veroorzaken van het overlijden van de verzekerde jegens
diens nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht
tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag
waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken op grond van deze wet
naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk
aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijk persoon jegens de nabestaande en
ouderloos
geworden kinderen naar
burgerlijk recht is gehouden.
-2. De
Sociale
verzekeringsbank kan in
plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde
daarvan vorderen in de vorm van een jaarlijks vast te stellen afkoopsom die
aan de Sociale
verzekeringsbank wordt vergoed voor de totale schadelast tengevolge van het
veroorzaken van overlijden.
Art.
62. [Regresrecht binnen
arbeidsverhouding] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2005, 37]
-1. Indien de
verzekerde bij zijn overlijden in dienstbetrekking werkzaam was, geldt artikel
61 ten
aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever
van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar
burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte persoon die in
dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wiens
nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht
verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien het overlijden van de
verzekerde is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever
onderscheidenlijk persoon.
-2. Voor de toepassing
van het eerste lid wordt mede als werkgever beschouwd de
inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet
1990.
HOOFDSTUK
5
De
vrijwillige verzekering
Art.
63. [Begrip gewezen
verzekerde] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2001, 212; Stb.
2005, 708]
In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde: degene
wiens verplichte verzekering is geëindigd.
Art.
63a.
[Periode vrijwillige verzekering] [Geschiedenis:
Stb. 1999, 543; Stb.
2001, 212 + bis + bis
+ bis; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 580;
Stb. 2011, 618; Stb.
2012, 361; Stb. 2012, 657]
-1. De gewezen verzekerde kan zich vrijwillig verzekeren
over een periode van tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de
verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van
toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode
van vrijwillige verzekering ten minste één jaar verplicht verzekerd is
geweest.
-2. De gewezen verzekerde, bedoeld in het eerste lid, kan
zich, indien de periode van vrijwillige verzekering is onderbroken door
een periode van verplichte verzekering korter dan één jaar, opnieuw
vrijwillig verzekeren voor de resterende periode van de tien jaar, bedoeld in
dat lid.
-3. De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in
het eerste lid, is niet van toepassing op:
a. de gewezen verzekerde die in
dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan
wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon;
b. de gewezen verzekerde die is uitgezonden
om werkzaamheden te verrichten voor door Onze Minister
in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor
ontwikkelingssamenwerking; [RuwRaoB02] [Rao05]
[Rao11]
c. de gewezen verzekerde die werkzaam is bij
een door Onze Minister, Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie;
d. de gewezen verzekerde die werkzaamheden
verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het
Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter
uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen
overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
e. de gewezen verzekerde die op de dag
waarop de verplichte verzekering is geëindigd de leeftijd van 50 jaar heeft
bereikt, niet in Nederland woont en recht heeft op een:
1º. uitkering op grond
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
2º. uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3º. uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
4º. uitkering of op recht op
arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
5º. uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
6º. pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op
grond van de Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds;
7º.
pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die luidde
vóór 1
januari 1998;
8º.
ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet; of
9º.
nabestaandenuitkering op grond van deze wet;
mits die uitkering of dat pensioen ten minste gelijk is aan 35% van het in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag; of
f. de gewezen verzekerde wiens recht op een uitkering
als bedoeld in onderdeel e uitsluitend als gevolg van het bereiken
van de pensioengerechtigde leeftijd is geëindigd;
g. de gewezen verzekerde, bedoeld in
artikel 63d, tweede lid.
-4. De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het
eerste lid, is niet van toepassing op de echtgenoot van de in het derde lid
genoemde gewezen verzekerde en de inwonende minderjarige kinderen met wie
die gewezen verzekerde of die echtgenoot in familierechtelijke
betrekking staat.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld. [BvvAA01]
Art.
63b.
[Aanvraag vrijwillige verzekering] [Geschiedenis:
Stb. 2001, 212; Stb.
2001, 625]
-1. De gewezen verzekerde die van de vrijwillige
verzekering, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, gebruik wil maken, is verplicht
uiterlijk één jaar na de dag waarop de verzekering is geëindigd een
aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale
verzekeringsbank.
-2. De aanvraag wordt afgewezen indien de gewezen
verzekerde niet voldoet aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.
Art.
63c.
[Eindiging vrijwillige verzekering] [Geschiedenis:
Stb. 2001, 212; Stb.
2001, 625 + bis;
Stb. 2005, 37; Stb.
2004, 728]
De vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 63a,
eerste lid, eindigt:
a. met ingang van de eerste
dag van de tweede maand volgend op die waarin de Sociale
verzekeringsbank een schriftelijke opzegging van de gewezen verzekerde heeft
ontvangen;
b. met ingang van de dag waarop de periode van tien
jaar, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, is verstreken;
c. met ingang van de dag waarop de gewezen verzekerde
verplicht verzekerd wordt op grond van deze wet;
d. met ingang van de eerste
dag van de vierde maand volgend op de laatste dag van de door de
Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de verschuldigde
premie voor de vrijwillige algemene nabestaandenverzekering,
bedoeld in artikel
71 van de
Wet financiering sociale verzekeringen, dient te
worden betaald, indien die betaling niet of niet geheel heeft
plaatsgevonden;
e. met ingang van de dag
volgend op de laatste dag van een door de Sociale verzekeringsbank
gestelde termijn waarbinnen de gewezen verzekerde de van hem, in
verband met de toepassing van dit hoofdstuk, verlangde inlichtingen dient
te verstrekken, indien de gewezen verzekerde die gegevens niet heeft
verstrekt, tenzij de gewezen verzekerde aannemelijk maakt dat dat hem niet in
overwegende mate kan worden verweten.
Art.
63d.
[Overgangsrecht 1 januari 2001 en 1 januari 2013 vrijwillige verzekering] [Geschiedenis:
Stb. 2001, 212; Stb.
2003, 544; Stb.
2012, 657]
-1. De artikelen 63 tot en met 63c zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. de gewezen verzekerde die op 31 december 1999
verplicht verzekerd was op grond van artikel 26 van het
Besluit uitbreiding
en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 en die op of
na 1 januari 2000, maar vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet
herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw, de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt;
b. de gewezen verzekerde die op 31 december 1999
vrijwillig verzekerd was op grond van artikel 63 van deze wet, zoals dat
artikel luidde tot en met de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van de
Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw, en
wiens vrijwillige verzekering tussen 31 december 1999 en de dag van
inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw
uitsluitend als gevolg van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar
is geëindigd;
met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 63b,
eerste lid, de verzekering geacht wordt geëindigd te zijn op de dag vóór inwerkingtreding
van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw.
-2. De artikelen 63 tot en met 63c
zijn
van overeenkomstige toepassing op de gewezen verzekerde die op 31
december 2005 vrijwillig verzekerd was op grond van een algemene
maatregel van bestuur die gebaseerd was op artikel
63 zoals dat luidde
op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van een aantal
wetten op het terrein van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid teneinde deze in overeenstemming te brengen met de motie
van het voormalige Eerstekamerlid Jurgens c.s.
HOOFDSTUK
5A
Vrijwillige
verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
Vervallen
Art.
63e.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 718; Stb.
2012, 657]
HOOFDSTUK
6
Vrijstelling
wegens gemoedsbezwaren
Vervallen
Art. 64.
Vervallen.
[Geschiedenis:
versie 21 december 1995; Stb.
2005, 37]
HOOFDSTUK
7
Bepalingen in
verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art.
64a.
[Beslistermijnen aanvraag] [Geschiedenis:
Stb.
2000, 627; Stb. 2009, 542;
Stb. 2010, 840]
-1. Een beschikking op grond van deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt gegeven binnen een redelijke
termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
Art.
64b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2012, 682]
Art.
65. [Beslistermijn bezwaar]
[Geschiedenis:
MvT;
versie 21 december 1995; Stb.
2001, 625; Stb.
2009, 384]
In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de
Sociale
verzekeringsbank
binnen
dertien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Art.
66. [Beroep in cassatie]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 789]
-1. Tegen uitspraken
van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der
partijen beroep in cassatie
instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen
3,
tweede tot en met zesde lid, 6, 7 en 13 en de op die artikelen
berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn
de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van
de gerechtshoven inzake beroepen in
belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van
een gerechtshof.
HOOFDSTUK
8
Overgangsbepalingen
Art.
66a. [Overgangsrecht 1 juli
1996 uitbreiding kring verzekerden] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 369; Stb.
1997, 660; Stb. 1998, 377;
Stb. 2001, 625]
-1. Een
persoon wiens
echtgenoot overlijdt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet wordt
aangemerkt als geboren vóór 1 januari 1950.
-2. Voor de toepassing
van het eerste lid wordt een persoon uitsluitend als nabestaande
aangemerkt, indien hij:
a. is geboren op of na
1 januari 1950 en vóór 1 juli 1956;
b. op de dag van
overlijden was gehuwd met de persoon die nadien is overleden, waarbij
artikel 3 buiten toepassing blijft; en
c. overigens ter zake
van het overlijden van zijn echtgenoot, indien dat overlijden zou hebben
plaatsgevonden op de dag vóór inwerkingtreding van deze wet, recht
zou hebben gehad op een weduwenpensioen op grond van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden in afwijking van het eerste lid regels
gesteld waarbij een persoon die voldoet aan die regels alsmede aan het tweede
lid, doch wiens echtgenoot overlijdt op of na de dag gelegen drie
jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als
geboren vóór 1 januari 1950. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de periode waarbinnen en de voorwaarden
waaronder een aanvraag
om als zodanig te worden aangemerkt bij de Sociale
verzekeringsbank moet worden ingediend en op de hoogte van een daartoe
verschuldigde
bijdrage. Daarnaast
hebben deze regels betrekking op de door de Sociale
verzekeringsbank verschuldigde vergoeding aan derden in verband met door hen
gemaakte
kosten ten behoeve van
de uitvoering van de in de eerste zin bedoelde algemene maatregel van
bestuur. [Ba66aA] [RBa66aA]
Art.
67.
[Overgangsrecht 1 juli 1996 AWW-ers] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 691; Stb. 1996, 369;
Stb. 1997, 660; Stb.
1997, 789; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 377;
Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 625;
Stb.
2009, 580; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 198; Stb. 2012, 361
+ bis; Stb.
2012, 657; Stb. 2013, 115
+ bis]
-1. Tot de dag met ingang waarvan hij
een nieuw recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft de persoon
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet recht had op een uitkering op grond van artikel 8 van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet overeenkomstig de bepalingen van deze
wet recht op een nabestaandenuitkering en halfwezenuitkering, met dien
verstande dat:
a. het recht op nabestaandenuitkering
niet eindigt wanneer de nabestaande niet meer voldoet aan de voorwaarden
van artikel 14, eerste lid, onderdeel a en b, zolang hij de pensioengerechtigde
leeftijd nog niet heeft bereikt, indien hij:
1º. 40 jaar of ouder is op de laatste
dag van de maand waarin de dag gelegen is met ingang waarvan hij
niet aan de bedoelde voorwaarden voldoet; of
2º. 35 jaar of ouder doch jonger dan 40 jaar is
op de laatste dag van de maand waarin de dag gelegen is met
ingang waarvan hij anders dan in verband met artikel 5, derde
lid, niet meer voldoet aan de voorwaarde voor het recht op
uitkering overeenkomstig artikel 14, eerste lid, onderdeel a;
b. inkomen bestaande uit een
uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten op de
nabestaandenuitkering
in mindering wordt gebracht; en
c. met ingang van 1 januari 1998 op de
nabestaandenuitkering het overig inkomen in mindering wordt
gebracht overeenkomstig het tweede lid, waarbij van de
nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30% van het brutominimumloon
buiten aanmerking blijft.
-2. Voor de persoon, bedoeld in het
eerste lid, wordt van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, buiten
aanmerking gelaten een bedrag gelijk aan 70% van het brutominimumloon. Indien het inkomen
geheel of mede bestaat uit inkomen uit arbeid
en dat inkomen meer bedraagt dan 70% van het brutominimumloon,
wordt naast het bedrag, bedoeld in de eerste zin, een derde gedeelte
van dat meerdere buiten aanmerking gelaten.
-3. Van de persoon, bedoeld in het
eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke
huishouding voert anders dan ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31
december 1997, wordt de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998
verminderd tot een bedrag van 30% van het brutominimumloon,
waarop in mindering wordt gebracht een uitkering als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b. Deze nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70% van het
nettominimumloon met ingang van de eerste dag van de
maand dat de nabestaande vóór 1 juli 1998 geen gezamenlijke
huishouding meer voert. De Sociale
verzekeringsbank kan, indien de toepassing van de tweede zin wat de
datum 1 juli 1998 betreft tot een onbillijkheid van overwegende aard
leidt, een latere datum vaststellen.
-4. Vervallen.
-5. Tot 1 januari 1998 blijft voor de
persoon, bedoeld in het eerste lid, het besluit op grond van artikel 30a van
de Algemene Weduwen- en Wezenwet, zoals dat artikel luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing, waarbij
voor de vaststelling van de uitkering de nabestaandenuitkering en
de halfwezenuitkering worden samengeteld en als één uitkering worden
beschouwd.
-6. Voor de persoon, bedoeld in het
eerste lid, die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet
onder toepassing van een overeenkomst of een regeling inzake sociale
zekerheid die tussen Nederland en één of meer mogendheden van kracht
is, recht had op een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet, geldt tot 1 januari 1998 dat voor de vaststelling van de
uitkering vanaf de dag van inwerkingtreding van deze wet de nabestaandenuitkering
en de halfwezenuitkering worden samengeteld en als één
uitkering worden beschouwd.
-7. Voor de toepassing van de Wet
beperking samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet met uitkeringen en renten op grond van de Ongevallenwet 1921
wordt een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet
als een uitkering op grond van deze wet in aanmerking genomen,
met dien verstande dat voor het bepalen van de rente op grond van de
Ongevallenwet 1921 die tot uitbetaling komt, artikel 18 buiten aanmerking
blijft.
-8. Bij ministeriële regeling kunnen
voor situaties waarin dit artikel niet of onvoldoende voorziet dan wel toepassing van dit
artikel tot onredelijke resultaten leidt nadere regels worden gesteld.
-9. In afwijking van het derde lid
wordt de nabestaandenuitkering van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de
dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding
voert ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en deze
gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, met
ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een bedrag van 50% van het nettominimumloon, waarop in mindering wordt gebracht een uitkering
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Op het deel van de
nabestaandenuitkering dat meer bedraagt dan 30% van het brutominimumloon
wordt het overig inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, in
mindering gebracht. De in de eerste zin bedoelde nabestaandenuitkering wordt
verhoogd tot 70% van het nettominimumloon met ingang van de eerste dag van de
maand waarin geen gezamenlijke huishouding ten behoeve
van de verzorging van een hulpbehoevende meer wordt gevoerd.
-10. Indien de gezamenlijke
huishouding, bedoeld in het negende lid, eindigt door het overlijden van de
hulpbehoevende die niet tevens nabestaande is, ontstaat geen nieuw recht op
nabestaandenuitkering.
-11. Van de persoon, bedoeld in het
eerste lid, eindigt de in dat lid bedoelde halfwezenuitkering met ingang van de
eerste dag van de maand waarin een recht op halfwezenuitkering ten
behoeve van een halfwees als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder 2º,
wordt toegekend.
-12. In afwijking van het tweede lid wordt
in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt
het brutominimumloon, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de
factor X/Y, waarbij:
- X staat voor het aantal dagen gelegen
in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, voordat
de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt; en
- Y staat voor het aantal dagen van de
maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
-13. De nabestaandenuitkering en de
halfwezenuitkering bedragen voor de nabestaande een bij ministeriële
regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste tot en
met het elfde lid vastgestelde bedrag indien de nabestaande
respectievelijk de halfwees woont buiten Nederland, één van de andere
lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland.
Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de
verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande
respectievelijk de hafwees woonachtig is en dat van Nederland. Het
percentage bedraagt maximaal 100. Bij de toepassing van de eerste zin
blijven de artikelen 17, derde lid, en 25,
tweede lid, buiten toepassing. [Rwsz12]
Art.
68.
[Overgangsrecht 20 december 2005 beperking export
uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1999, 564;
Stb. 2003, 524; Stb.
2006, 697; Stb. 2013, 115]
Hoofdstuk 3, afdeling I,
paragraaf 9, is niet van toepassing op de persoon die:
a. op 31 december 1999 op
grond van artikel 14, 22 dan wel
26 recht heeft op een
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan wel wezenuitkering en op die dag
niet in Nederland woont; en
b. op 19 december 2005 dit
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan wel wezenuitkering
uitsluitend nog heeft op grond van artikel 2 van de Wet van 9 december 2004,
houdende goedkeuring van het
voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève tot stand
gekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling
van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale
zekerheid (Verdrag nr. 118, aangenomen door de Internationale
Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122, en
Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715).
Art.
69.
[Overgangsrecht 1 juli 1996 tijdelijke uitkering
AWW] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1997, 33;
Stb.
1997, 794; Stb.
2009, 580; Stb. 2013, 115]
-1. Tot de dag met ingang waarvan hij
een nieuw recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van deze wet behoudt de
persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet recht had op een tijdelijke uitkering op grond van artikel 13 van
de Algemene Weduwen- en Wezenwet deze uitkering voor de nog
resterende periode die is vastgesteld op grond van dit artikel van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet. Daarbij wordt inkomen bestaande uit
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten op de
tijdelijke
uitkering in mindering gebracht.
-2. De persoon, bedoeld in het eerste
lid, heeft, onverminderd het eerste lid, recht op nabestaandenuitkering vanaf
de eerste dag van de maand volgend op de eindiging van zijn tijdelijke
uitkering op grond van artikel 13 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet
indien hij op de laatste dag van de periode waarover hem deze
tijdelijke uitkering is toegekend arbeidsongeschikt is en van wie aannemelijk is dat de
arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na deze dag
zal voortduren.
Art. 70.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1997, 33; Stb.
2005, 525]
Art.
71.
[Overgangsrecht 1 juli 1996 wezenpensioen AWW]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 1997, 33;
Stb. 1997, 660; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 377;
Stb.
2010, 350]
-1.
Degene die op de dag
vóór de
inwerkingtreding van deze wet recht had op een wezenpensioen op grond van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet heeft overeenkomstig de bepalingen in
deze wet recht op een wezenuitkering.
-2. In afwijking van het eerste lid
wordt ten aanzien van het kind dat op de dag van inwerkingtreding van deze
wet 16 jaar of ouder is en recht had op uitkering op grond van artikel
17 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet bij de toepassing van artikel
26, tweede lid, onderdeel a en c, en artikel
29, tweede lid, onderdeel
c,
in plaats van 21 jaar gelezen: 27 jaar.
-3. Van de persoon, bedoeld in dit
artikel, die recht heeft op uitkering op grond van artikel
26, tweede lid,
onderdeel c, en die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke
huishouding voert, en deze gezamenlijke huishouding nog steeds
voert op 31 december 1997, eindigt de wezenuitkering met ingang van 1
januari 1998.
-4. In afwijking van het derde lid
eindigt de wezenuitkering van de aldaar bedoelde persoon niet zolang de persoon die
gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende en indien
de persoon of de overleden verzekerde een huishouding is gaan
voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen.
Art. 72.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1996, 369; Stb. 2003, 544]
Art.
73.
[Gelijkstelling verzekerde tijdvakken AWW]
[Geschiedenis:
versie 21 december 1995]
Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt een tijdvak van verzekering op grond
van de Algemene Weduwen- en Wezenwet mede aangemerkt als een tijdvak van
verzekering op grond van deze wet.
Art. 74.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2005, 37; Stb. 2010,
838]
Art.
74a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
HOOFDSTUK
9
Strafbepalingen
Art. 75.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb. 2000, 40]
Art.
76. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb. 2000, 40]
Art.
77. [Strafbepaling gedraging
strijdig met AMvB] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2009, 265]
Een gedraging die in strijd is met
een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur,
voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete
van de tweede categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.
Art. 78.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb. 2000, 40]
Art.
79. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 690; Stb.
1996, 248; Stb. 1997, 789;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
HOOFDSTUK
10
Wijziging van
andere wetten
Art.
80.
[Wijziging OSV] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
De Organisatiewet sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In de artikelen 1, onderdeel h, ten zesde, en 85, tweede lid, wordt
"Weduwen-
en Wezenfonds" vervangen door: Nabestaandenfonds.
B. [MvT]
In artikel 1, onderdeel o, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet (Stb. 1965,
429)" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
C. [MvT]
In de artikelen 28, eerste lid, onderdeel a, en 89, tweede en derde lid, wordt
"Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
D. [MvT]
Na artikel 30 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 30a.
-1. De Bank en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om
de inschakeling
van uitkeringsgerechtigden met een nabestaandenuitkering in
het arbeidsproces te bevorderen.
-2. De Bank zendt jaarlijks vóór een door Onze Minister
vast te stellen tijdstip
aan Onze Minister een rapportage van de wijze waarop zij met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft samengewerkt. Onze Minister kan regels
stellen omtrent de aard en de inrichting van deze rapportage.
-3. De Bank brengt de afspraken over samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningorganisatie ter kennis van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
bedoeld in dit artikel.
Art.
81. [Wijziging Wfv] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
De Wet financiering volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1, onderdeel c, wordt vervangen door:
c. nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 13 van de
Algemene nabestaandenwet;
B. [MvT]
Artikel 2, onderdeel c, wordt vervangen door:
c. vrijwillige nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 63
van de Algemene nabestaandenwet;
C. [MvT]
In de artikelen 11, eerste lid, en 18, vierde lid, onderdeel c, wordt
"algemene
weduwen- en wezenverzekering" vervangen door: nabestaandenverzekering.
D. [MvT]
In de artikelen 25, 26, eerste lid, onderdeel a, en
27, derde lid, wordt
"vrijwillige algemene weduwen- en wezenverzekering" vervangen door:
vrijwillige nabestaandenverzekering.
E. [MvT]
In artikel 28, tweede lid, wordt "Weduwen- en Wezenfonds" vervangen door:
Nabestaandenfonds.
F. [MvT]
Artikel 30 komt te luiden:
Art. 30.
-1. Ten gunste van het Nabestaandenfonds komen:
a. de premies voor de nabestaandenverzekering en voor de vrijwillige
nabestaandenverzekering;
b. de boeten, bedoeld in artikel 39 van de Algemene nabestaandenwet.
-2. Uit het Nabestaandenfonds worden betaald:
a. de lasten van de nabestaandenverzekering en van de vrijwillige
nabestaandenverzekering;
b. de lasten voortvloeiend uit hoofdstuk 8 van de Algemene nabestaandenwet.
Art.
82. [Wijziging Wauoo] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
De Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies wordt
als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1 wordt de punt aan het slot van onderdeel q door een puntkomma
vervangen en wordt een nieuw onderdeel r toegevoegd, luidende:
r. de Anw: de Algemene nabestaandenwet.
B. [MvT]
In artikel 3, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 19, derde lid, en artikel
37b, vierde lid, van de AWW" vervangen door: artikel 2, eerste lid,
onderdeel
b en d, en artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van de Anw.
C. [MvT]
Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid vervalt "en een AWW-uitkering".
2. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid wordt
een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een bij ministeriële regeling
vast te stellen deel van de Anw-uitkering als overhevelingstoeslag beschouwd.
Het in de eerste volzin bedoelde deel is gelijk aan het bedrag waarmee de
Anw-uitkering op 1 januari zou zijn verhoogd indien de Anw vóór 1 januari
1990 in werking zou zijn getreden.
Art.
83.
[Wijziging Woo] [Geschiedenis: versie 21 december 1995]
De Wet overhevelingstoeslag opslagpremies wordt als volgt gewijzigd:
In
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet
(Stb.
1965, 429)" vervangen door: Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene
nabestaandenwet.
Art.
84. [Wijziging AAW] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995; Stb. 1996, 369]
De Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 9 vervalt.
B. [MvT]
In artikel 32 vervallen in het eerste lid en in het tweede lid de dubbele punt,
de letter a en het onderdeel b en wordt in die leden de puntkomma vervangen door
een punt.
C. [MvT]
Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "wezenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet" vervangen door: wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
2. In het tweede lid wordt "wezenpensioen" telkens vervangen door:
wezenuitkering.
D. [MvT]
Het zevende lid van artikel 37 vervalt.
E. [MvT]
Artikel 38 komt te luiden:
Art. 38.
-1. Degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het recht op een
uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet is ingetrokken, heeft,
indien hij sedert de dag waarop de intrekking plaatsvond onafgebroken
arbeidsongeschikt is geweest, met ingang van 1 januari 1998 aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. De heropening vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum
van ingang van de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Indien een uitkering is verstrekt als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van
de Algemene Weduwen- en Wezenwet vóór de datum van inwerkingtreding van de
Algemene nabestaandenwet, wordt deze voor de toepassing van het eerste lid geacht
verleend te zijn voor één jaar en wordt de uitkering ineens als bedoeld in het
tweede en derde lid van dat artikel geacht te zijn verleend over de periode
waarover zij is berekend. Met inachtneming van de datum van ingang van het
eerste lid gaat de heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in dat
geval in na afloop van de in de vorige volzin bedoelde periode.
-4. De artikelen 6, zesde lid, 24, eerste lid, en 25, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art.
85.
[Wijziging WBP] [Geschiedenis: versie 21 december 1995]
De Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt de zinsnede "de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(Stb.
1959, 139)" vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
2. In het derde en vijfde lid wordt "de Algemene Weduwen- en
Wezenwet"
telkens vervangen door: de Algemene nabestaandenwet.
B.
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanhef van het vijfde lid komt te luiden:
Indien een uitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet wordt genoten, wordt die uitkering niet gerekend tot
de met het buitengewoon pensioen verrekenbare inkomsten als in de voorgaande
leden bedoeld. In dat geval worden echter, nadat de voorgaande leden zijn
toegepast, van het bedrag van de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht:
2. In de slotalinea van het vijfde lid en in het zesde lid wordt "pensioen of
tijdelijke uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet" telkens
vervangen door: uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
Art.
86.
[Wijziging Wubo] [Geschiedenis: versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 691]
De Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wordt als
volgt gewijzigd:
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt de zinsnede "het pensioen krachtens de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van die wet" vervangen
door: de uitkering, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Algemene
nabestaandenwet.
2. In het vijfde lid wordt de zinsnede "het pensioen krachtens de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van die wet" vervangen
door: de som van de uitkeringen, bedoeld in artikelen 17, eerste lid,
en 25 van de Algemene
nabestaandenwet.
Art.
87.
[Wijziging Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers] [Geschiedenis: versie 21 december 1995]
De Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt de zinsnede "de Algemene Weduwen- en Wezenwet
(Stb.
1959, 139)" vervangen door: de Algemene nabestaandenwet.
2. In het derde en vijfde lid wordt "de Algemene Weduwen- en
Wezenwet" telkens
vervangen door: de Algemene nabestaandenwet.
B.
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanhef van het vijfde lid komt te luiden:
Indien een uitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet wordt genoten, wordt die uitkering niet gerekend tot
de met het buitengewoon pensioen verrekenbare inkomsten als in de voorgaande
leden bedoeld. In dat geval worden echter, nadat de voorgaande leden zijn
toegepast, van het bedrag van de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht:
2. In de slotalinea van het vijfde lid en in het zesde lid wordt "pensioen of
tijdelijke uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet" telkens
vervangen door: uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
Art.
88.
[Wijziging WIV] [Geschiedenis: versie 21 december 1995]
De Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 16, tweede lid, wordt
de zinsnede "het genoten pensioen of de genoten tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene
Weduwen- en
Wezenwet (Stb. 1965, 429)" vervangen door: de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
B.
In artikel 16, derde lid, wordt "de Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: de Algemene
nabestaandenwet.
C.
Artikel 23 wordt als volgt
gewijzigd:
1. De aanhef van het vijfde lid
komt te luiden:
Indien een uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet wordt genoten, wordt die uitkering niet
gerekend tot de met het buitengewoon pensioen verrekenbare inkomsten
als in de voorgaande leden bedoeld. In dat geval worden echter, nadat de
voorgaande leden zijn toegepast, van het bedrag van de uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering
gebracht:
2. In de slotalinea van het
vijfde lid en in het zesde lid wordt "pensioen of tijdelijke weduwenuitkering
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet" telkens vervangen door: uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet.
Art.
89. [Wijziging Zfw] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
De Ziekenfondswet wordt als
volgt gewijzigd:
In artikel 3, eerste lid, onderdeel d, wordt "een tijdelijke weduwenuitkering of een weduwen- of wezenpensioen
ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (Stb. 1965, 429)" vervangen door: een uitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet.
Art.
90.
[Wijziging Wtz] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
Artikel 16, tweede lid, van de
Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b komt te luiden:
b. degene die een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontvangt wegens het overlijden
van degene die op de dag van diens overlijden deelnam aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor
ambtenaren, bedoeld in artikel 4,
zestiende lid, onderdeel b, van de Ziekenfondswet, voor zolang die
uitkering met ingang van de eerste dag van de maand van dat overlijden
wordt ontvangen;
2. Onderdeel c komt te luiden:
c. degene die een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontvangt indien hij deelneemt
dan wel op de dag voorafgaande aan de eerste dag van de maand met
ingang waarvan de uitkering wordt ontvangen, deelnam aan een
publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren, bedoeld in artikel
4,
zestiende lid, onderdeel b, van de Ziekenfondswet.
Art.
91. [Wijziging WvK] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
In artikel 415e van het Wetboek
van Koophandel wordt "artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door:
artikel 8 van de Algemene nabestaandenwet.
Art.
92. [Wijziging Wet IB] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
In artikel 30a, eerste lid, van
de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt "artikel 47 van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (Stb. 1990, 130)" vervangen door: artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet.
Art.
93. [Wijziging SW] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
Artikel 32 van de Successiewet
1956 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt "- andere dan die ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet
-" vervangen door: - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -.
2. In het derde lid wordt "- andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene
Weduwen- en Wezenwet -" vervangen door: - andere dan die
ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet
-.
Art.
94. [Wijziging Boek 6 BW]
[Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
In onderdeel a van artikel 197,
eerste lid, van Boek 6
van het Burgerlijk Wetboek wordt na "Ziektewet,"
toegevoegd: 61 van de Algemene nabestaandenwet.
Art.
95.
[Wijziging sz-wetten i.v.m. Wet BMT] [Geschiedenis: versie 21 december 1995]
Indien het bij koninklijke boodschap van 21 september 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging
van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve sancties,
alsook tot wijziging van de
daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen
en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid; Kamerstukken 23 909) op of na de datum van inwerkingtreding van
deze wet tot wet is of wordt verheven, worden deze wetten als volgt
gewijzigd:
A.
In het vierde lid van artikel 27g van de Werkloosheidswet wordt "Algemene Weduwen- en
Wezenwet"
vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
B.
In het vierde lid van artikel 45g van de Ziektewet wordt "Algemene
Weduwen- en Wezenwet" vervangen
door: Algemene nabestaandenwet.
C.
In het vierde lid van artikel 29g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
"Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door: Algemene
nabestaandenwet.
D.
In het vierde lid van artikel 20g
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet wordt "Algemene Weduwen- en
Wezenwet" vervangen door: Algemene
nabestaandenwet.
E.
In het vierde lid van artikel 14g van de Toeslagenwet wordt "Algemene Weduwen- en
Wezenwet"
vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
F.
In het tweede lid van artikel 17g van de Algemene Kinderbijslagwet wordt "pensioen of uitkering op
grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door "uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet" en vervalt de
zinsnede ", dat pensioen".
G.
In het vierde lid van artikel 14f van de Algemene bijstandswet wordt "Algemene Weduwen- en
Wezenwet"
vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
H.
In artikel 20f, vierde lid, van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen
door: Algemene nabestaandenwet.
I.
In artikel 20f, vierde lid, van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet"
vervangen door: Algemene nabestaandenwet.
Art.
96.
[Bepalingen geldend tot inwerkingtreding Wet BMT]
[Geschiedenis: versie 21 december 1995]
Indien het bij koninklijke boodschap van 21 september 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging
van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van
een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin
vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en
de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid; Kamerstukken 23 909) niet tot wet is verheven en in werking is
getreden op de datum van inwerkingtreding van deze wet:
a. treden tot het tijdstip van
inwerkingtreding van het in de aanhef genoemde voorstel van wet de
artikelen 38, vierde lid, 39 tot en met 45 en 79 van deze wet en
artikel 30,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet financiering volksverzekeringen
niet in werking;
b. wordt tot het in onderdeel a
genoemde tijdstip in artikel 38, eerste lid, na "artikel 91, vierde lid,
van de Organisatiewet sociale verzekeringen" ingevoegd: of in artikel 35;
c. wordt tot dat tijdstip artikel
54, tweede lid, vervangen door zes leden, luidende:
-2. Indien de nabestaande of het
ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de
instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of 57 de uitkering wordt
uitbetaald,
uitkering op grond van deze wet, kinderbijslag op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet of ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet ontvangt, kan het besluit tot terugvordering ten
uitvoer worden gelegd door verrekening met die uitkering op grond van
deze wet, die kinderbijslag of dat ouderdomspensioen.
-3. Indien de nabestaande of het
ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de
instelling aan welke ingevolge de artikelen 49 of 57
de uitkering wordt
uitbetaald,
een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, betaalt de betrokken
gemeente,
onderscheidenlijk de betrokken bedrijfsvereniging, het bedrag dat wordt
teruggevorderd, zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is, op haar
verzoek aan de Bank.
-4. Indien degene van wie wordt teruggevorderd geen kinderbijslag, pensioen of uitkering als bedoeld
in het tweede of derde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten
aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde lid niet mogelijk
is, wordt het besluit tot terugvordering bij gebreke van tijdige betaling met
toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging van een
besluit tot terugvordering vindt plaats met toepassing van het tweede en
derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van het tweede of derde
in combinatie met het vierde lid.
-6. Op het executoriaal beslag
ingevolge dit artikel door de Bank op loon, sociale uitkeringen of
andere periodieke betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden aan
degene van wie wordt teruggevorderd, zijn de artikelen 479b tot en met
479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g
aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende
bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Bank.
-7. De tenuitvoerlegging van een
besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
nabestaande of het ouderloos kind blijven beschikken over een inkomen
gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.
Art.
97.
[Verval strafbepalingen] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
A. [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 17 november 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging
van het Wetboek van
Strafrecht en andere wetten met het oog op de opneming
in het Wetboek van Strafrecht van eenvormige strafbepalingen inzake
het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen aan
wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken (concentratie
strafbaarstelling frauduleuze gedragingen; Kamerstukken 23 993) op de datum van
inwerkingtreding van deze wet tot wet is verheven en in werking is
getreden, vervallen de artikelen 75, 76 en
78.
B. [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 17 november 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging
van het Wetboek van
Strafrecht en andere wetten met het oog op de opneming
in het Wetboek van Strafrecht van eenvormige strafbepalingen inzake
het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen aan
wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken (concentratie
strafbaarstelling frauduleuze gedragingen; Kamerstukken 23 993) op de datum van
inwerkingtreding van deze wet nog niet tot wet is verheven en in werking is
getreden, wordt die wet als volgt gewijzigd:
Artikel VII komt te luiden:
Art. VII.
De Algemene nabestaandenwet wordt
als volgt gewijzigd:
De artikelen 75, 76 en 78
vervallen.
Art.
98. [Wijziging Abw] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
Indien het bij koninklijke boodschap van 12 maart 1992 ingediende voorstel van wet
houdende herinrichting
van de Algemene Bijstandswet (Algemene bijstandswet;
Kamerstukken 22
545) op de datum van inwerkingtreding van deze wet
tot wet is verheven en in werking
is getreden, wordt de Algemene bijstandswet als volgt gewijzigd:
In artikel
125, eerste lid,
onderdeel d, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door:
Algemene nabestaandenwet.
Art.
99.
[Wijziging Ioaw en Ioaz] [Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
A. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, zoals die
komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 25 mei 1992
ingediende voorstel van wet houdende invoering van een nieuwe Algemene
bijstandswet (Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet;
Kamerstukken 22
614) tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt als
volgt gewijzigd:
In artikel 48, eerste lid,
onderdeel d, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door:
Algemene nabestaandenwet.
B. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, zoals die
komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 25 mei 1992
ingediende voorstel van wet houdende invoering van een nieuwe Algemene
bijstandswet (Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet;
Kamerstukken 22 614) tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt als
volgt gewijzigd:
In artikel 48 eerste lid,
onderdeel d, wordt "Algemene Weduwen- en Wezenwet" vervangen door:
Algemene nabestaandenwet.
Art.
100. [Wijziging bijlage Bw]
[Geschiedenis: MvT;
versie 21 december 1995]
In de bijlage bij de Beroepswet, onderdeel
C, wordt na onderdeel 7a een onderdeel 7b ingevoegd,
luidende:
7b. Algemene nabestaandenwet.
Art.
101.
[Wijziging artikel 51 tot 1 januari 1997]
[Geschiedenis: versie 21 december 1995;
Stb.
1995, 696; Stb.
1996, 369]
Tot het tijdstip waarop artikel I, onderdeel D, van de
Wet van 21
december 1995 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en enkele
andere wetten in werking treedt, wordt in artikel
51,
tweede lid, "over één maand, berekend naar de hoogte van die uitkering in de
maand van overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend" vervangen door: tot en met de laatste dag van de tweede maand,
volgend op die waarin het overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend, plaatsvond.
Art.
102.
[Wijziging artikel 2] [Geschiedenis: versie 21 december 1995]
Indien het bij koninklijke boodschap van 2 oktober 1995 ingediende voorstel van
wet tot
wijziging van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enige andere wetten
in
verband met afschaffing van verzekeraarsbudgettering ten
aanzien van de kosten van AWBZ-verstrekkingen (Kamerstukken 24 429) tot
wet is verheven en in werking is getreden, wordt in artikel 2,
eerste lid, onderdeel b en d, "de nominale premies ingevolge de
Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten" telkens vervangen
door: de nominale premie ingevolge de Ziekenfondswet.
HOOFDSTUK
11
Paraplubepaling
voor de aanvullende pensioenen
Art.
103. [Paraplubepaling voor
aanvullende pensioenen] [Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995;
Stb.
2003, 544]
-1. De inwerkingtreding
van deze wet leidt tot 1 januari 2000 niet tot wijziging van de in guldens
uitgedrukte aanspraken, rechten en verplichtingen zoals die voor degenen die
betrokken zijn bij een pensioenregeling van een pensioenfonds of van
een werkgever luidden op de dag vóór de datum van die
inwerkingtreding.
-2. Indien
vóór 1
januari 2000 een herziening van de pensioenregeling in verband met deze wet
wordt overeengekomen of overeenstemming wordt bereikt over de
handhaving van de vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet geldende
regeling van het nabestaandenpensioen, kan de inwerkingtreding van
deze wet vanaf dat tijdstip wel tot wijziging leiden van de in het eerste lid
genoemde aanspraken, rechten en verplichtingen.
-3. Het bepaalde in het
eerste lid is niet van toepassing op de pensioenaanspraken van de nabestaanden
van de militair, gewezen militair of gepensioneerde militair die is
overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken, als bedoeld
in artikel E 11 van de Algemene militaire pensioenwet. Onze Minister van
Defensie stelt in verband daarmee voor de in het eerste lid bedoelde
periode en met inachtneming van het tweede lid bij ministeriële regeling
nadere regels overeenkomstig de inbouw- en franchisebepalingen van die
wet.
HOOFDSTUK
12
Slotbepalingen
Art.
104. [Evaluatiebepaling]
[Geschiedenis:
MvT;
versie 21 december 1995]
Onze Minister
zendt
binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Art.
105. [Intrekking AWW]
[Geschiedenis:
MvT; versie 21 december 1995]
-1. De Algemene
Weduwen- en Wezenwet wordt ingetrokken.
-2. De Algemene
Weduwen- en Wezenwet en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing
op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken
gelegen vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, voor zover in
deze wet niet anders is bepaald.
Art.
106. [Omhanging nadere
regelgeving] [Geschiedenis:
versie 21 december 1995; Stb.
1996, 369; Stb.
2000, 627; Stb. 2003, 544]
Na de inwerkingtreding van
deze wet berust de ministeriële regeling op grond van artikel 4 van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet op artikel 8
van deze wet.
Art.
107.
[Inwerkingtreding]
[Geschiedenis:
versie 21 december 1995]
Deze wet treedt in werking op een bij
of krachtens koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 10 juni 1996, Stb. 1996, 305, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 juli 1996, red.
Art.
108.
[Citeertitel]
[Geschiedenis:
versie 21 december 1995]
Deze wet wordt aangehaald als:
Algemene nabestaandenwet.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 21 december
1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
Uitgegeven de achtentwintigste
december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
MEMORIE VAN
TOELICHTING
|
|