|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1994-1995,
24 169
Regeling van een verzekering voor
nabestaanden (Algemene nabestaandenwet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Ontwikkelingen in het
verleden |
| 2.1 |
Het
tot stand komen
van de AWW |
| 2.2 |
De adviesaanvraag aan
SER, ER en Raad voor het Jeugdbeleid van 16 juli 1987 |
| 2.3 |
Advies van de SER |
| 2.4 |
Advies van de ER |
| 2.5 |
Het wetsvoorstel
Algemene nabestaandenwet |
| 3 |
Achtergrond en
hoofdlijnen van de wet |
| 4 |
Uitwerking van de
belangrijkste onderdelen van de wet |
| 4.1 |
Rechthebbenden |
| 4.2 |
Inkomensafhankelijkheid en het inkomensbegrip |
| 4.3 |
Pseudo-weduwen |
| 4.4 |
Einde van de
uitkering |
| 4.5 |
Wezenuitkering |
| 4.6 |
Hoogte van de
uitkering |
| 4.7 |
Geen tijdelijke
gewenningsuitkering |
| 4.8 |
Halfwezen |
| 5 |
Overgangsrecht |
| 6 |
Internationale
aspecten |
| 7 |
Het regresrecht |
| 7.1 |
Voorgeschiedenis |
| 7.2 |
Opvattingen
adviesorganen |
| 7.3 |
Inhoud voorstellen |
| 8 |
Gevolgen voor de
aanvullende nabestaandenpensioenen |
| 8.1 |
De particuliere
sector |
| 8.2 |
De overheidssector |
| 9 |
Financiële
consequenties en inkomenseffecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
3 t/m 97 |
Algemeen
1.
Inleiding
Het laatste decennium is algemeen de noodzaak
gevoeld om de Algemene Weduwen- en Wezenwet te wijzigen. Deze wet uit
1959 paste bij de toenmalige maatschappelijke constellatie van een
duidelijke arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen, maar schiet thans
op een groot aantal punten tekort.
De AWW geeft een
uitkering aan nabestaanden alhoewel die vaak niet in behoeftige omstandigheden zijn. Dit komt enerzijds omdat weduwen
anders dan ten tijde van het in werking treden van de AWW vaak aan het arbeidsproces deelnemen
en anderzijds omdat ook weduwnaars met een baan een uitkering
krijgen. Dit strookt niet met het karakter van de AWW als volksverzekering
gebaseerd op het behoefteprincipe. Dit gegeven gecombineerd met de
behoefte om de collectieve lasten te verlagen, leidt ertoe dat een
nabestaandenwet die een inkomensafhankelijke uitkering verstrekt de voorkeur
verdient. Daarnaast heeft het kabinet zich beraden over de vraag welke
groepen nabestaanden onder de bescherming van de wet zouden moeten
vallen
en welke groepen zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien dan wel
zich particulier kunnen verzekeren voor het overlijdensrisico.
De regering stelt voor
een nabestaandenverzekering te handhaven waarin aan een beperkte
groep nabestaanden waarvan niet kan worden verwacht dat zij door
middel van arbeid in hun onderhoud voorzien, recht op uitkering wordt
gegeven. Op die manier wordt de solidariteit tussen burgers via een
volksverzekering optimaal vormgegeven.
Bovenstaande overwegingen
leiden tot het voorstel voor een nieuwe
nabestaandenwet die
recht geeft op uitkering aan nabestaanden met kinderen onder de 18
jaar, arbeidsongeschikte nabestaanden en nabestaanden geboren vóór 1945 waarvan in zijn algemeenheid gezien hun arbeidsverleden geen arbeidsparticipatie verwacht kan worden. De
uitkering die op grond
van deze wet verstrekt wordt, is inkomensafhankelijk, waarbij een gedeelte van
het inkomen uit arbeid wordt vrijgelaten.
rblz.|2|
Deze memorie van toelichting is als volgt opgebouwd.
In hoofdstuk 2 wordt het
ontstaan van de AWW geschetst en de in het verleden voorgenomen
wijzigingen daarvan, waaronder het wetsvoorstel Algemene
nabestaandenwet.
In hoofdstuk 3 worden de
achtergrond en de hoofdlijnen van de nieuwe nabestaandenwet geschetst.
In hoofdstuk 4 worden de
belangrijkste onderdelen van het wetsvoorstel verder uitgewerkt.
In hoofdstuk 5 wordt het
overgangsrecht met betrekking tot nabestaanden met een AWW-uitkering
beschreven.
In hoofdstuk 6 komen de
internationale aspecten aan de orde, te weten de relevante IAO-verdragen
[Internationale Arbeidsorganisatie, red.] en de Europese Code met
Protocol.
In hoofdstuk 7 wordt de
regeling voor het regresrecht toegelicht.
In hoofdstuk 8 worden de
gevolgen voor de aanvullende nabestaandenpensioenen beschreven.
In hoofdstuk 9 worden de
financiële effecten van de nieuwe wet gepresenteerd.
2.
Ontwikkelingen in het verleden
2.1.
Het tot stand komen van de AWW
De eerste wettelijke
regeling waarbij in de vorm van een verplichte sociale verzekering een
voorziening voor weduwen en wezen was getroffen, was de Ongevallenwet 1901. Deze wet voorzag in een rente
voor de weduwe en wees
van een als gevolg van een bedrijfsongeval overleden, verzekerde
arbeider wanneer deze in een nader aangewezen industrieel bedrijf had
gewerkt. Ook de inmiddels in liquidatie zijnde Invaliditeitswet (1919)
kende aan weduwen en wezen een rente toe.
De renten ingevolge de
ongevallenwetten en de Invaliditeitswet lagen niet op het peil dat
voldoende kon worden geacht om de weduwen en wezen in staat te stellen
in het noodzakelijk levensonderhoud te voorzien. Bovendien bleef de
ontwikkeling van privaatrechtelijke voorzieningen voor het
overlijdensrisico achter. Daarnaast was de kring van verzekerden tot loontrekkenden
beperkt. De roep om een wettelijke, meer adequate regeling werd daarom
steeds groter.
Na de Tweede wereldoorlog
werd de zogenaamde gemengde commissie-Van Rhijn ingesteld om te adviseren over voorzieningen voor
weduwen. Deze commissie
was van mening dat aan het recht op weduwenpensioen de
beperkende voorwaarde verbonden moest worden dat de vrouw op de dag
van overlijden van haar echtgenoot een bepaalde leeftijd - bijvoorbeeld
45 of 50 jaar - zou moeten hebben bereikt, dan wel blijvend invalide zou
moeten zijn of één of meer kinderen beneden een bepaalde leeftijd zou
moeten hebben. De commissie was namelijk van mening dat de overige
weduwen in het algemeen nog wel in het arbeidsproces een plaats
zouden kunnen vinden om dan door eigen werkzaamheid inkomsten te
verwerven.
De SER [Sociaal-Economische
Raad, red.] sloot zich in 1957
in zijn advies over een algemene weduwen- en wezenverzekering in
hoofdlijnen aan bij de voorstellen van de commissie-Van Rhijn.
De toenmalige regering
onderschreef de stelling van de SER dat in veel situaties weduwen en
wezen in geval van vroegtijdig overlijden van de kostwinner onverzorgd of
onvoldoende verzorgd achterbleven. Het besef van persoonlijke verantwoordelijkheid in deze had in 1959 nog niet tot
tastbare resultaten
geleid. De regering achtte het de taak van de sociale verzekering om
voorzieningen te treffen voor degenen die tengevolge van bepaalde
omstandigheden in materiële nood geraken. Hiervan was echter geen sprake indien
na het overlijden van de echtgenoot de weduwe rblz.|3|
in staat geacht moet
worden door eigen arbeid in haar onderhoud te voorzien.
Bij de vertaling van de
algemene doelstellingen in een concreet recht op weduwenpensioen nam de
regering de toelatingsvoorwaarden zoals door de SER voorgesteld, over.
Er werd gekozen voor het stellen van geobjectiveerde criteria. In feite werd
toen ten aanzien van weduwen van 50 jaar of ouder, weduwen met jonge kinderen en invalide weduwen geoordeeld dat
van hen niet gevergd zou
mogen worden dat zij door arbeid in het levensonderhoud
voorzagen. Van die groepen werd derhalve verondersteld dat zij zonder
voorziening in behoeftige omstandigheden kwamen te verkeren.
Ten aanzien van weduwen
van 50 jaar of ouder achtte de regering de kans zeer gering dat zij
nog weer een redelijke plaats zouden vinden in het bedrijfs- of beroepsleven.
In geval van jonge kinderen (tot 18 jaar) werd
aangenomen dat de weduwen
door de zorg voor die kinderen aan huis gebonden zouden zijn. Met betrekking tot de voorwaarden van zowel de
aanwezigheid van jonge
kinderen als de invaliditeit van de weduwe stelde de regering dat het recht
op pensioen diende te vervallen zodra niet meer aan de voorwaarden werd
voldaan, tenzij de weduwe op dat tijdstip inmiddels de leeftijd van ten
minste 45 jaar had bereikt.
De parlementaire
behandeling leidde niet tot andere gezichtspunten of wijzigingen van het
wetsvoorstel.
De AWW is sinds de
totstandkoming in 1959 in essentie nauwelijks gewijzigd. Wel is in 1962
de leeftijdsgrens voor een blijvende uitkering aan weduwen verlaagd naar 40
jaar. Na de totstandkoming van de AWW bleek namelijk dat ook in de leeftijdscategorie 40-50 jaar veel weduwen in
behoeftige omstandigheden
kwamen te verkeren door het overlijden van de echtgenoot. De kans
voor weduwen van die leeftijd tot (her)intreding tot de arbeidsmarkt bleek
achteraf te gering. Om die reden werd aan de verlaging van de
leeftijdsgrens naar 40 jaar terugwerkende kracht verleend tot 1 oktober
1959. Voorts hebben de weduwenpensioenen door de koppeling op brutobasis aan
AOW-pensioen geprofiteerd van de structurele verhogingen
van laatstgenoemde pensioenen en de uiteindelijk gerealiseerde gelijkheid
per 1 januari 1980 aan het nettominimumloon. Sinds de Oort-operatie
kent de AWW per 1 januari 1990 een zelfstandige nettokoppeling aan het minimumloon. Voor het overige heeft de AWW zijn
oorspronkelijke opzet van 1959 behouden.
2.2.
De adviesaanvraag aan SER, ER en Raad voor het Jeugdbeleid van 16
juli 1987
In 1987 was het
toenmalige kabinet van mening dat de AWW geheel herzien zou moeten
worden. Aanleiding hiertoe vormden de maatschappelijke ontwikkelingen. Er
werd
geconstateerd dat een nieuw, minder traditioneel, patroon
zichtbaar werd in de taakverdeling tussen mannen en vrouwen: meer getrouwde
vrouwen met een betaalde baan, meer mannen die een deel van
de huishoudelijke en verzorgende taken op zich nemen. In de
adviesaanvraag aan SER, ER
[Emancipatieraad, red.] en Raad voor het Jeugdbeleid werd deze ontwikkeling
geschetst. De zgn. 1990-generatie (de generatie die na 31 december 1989 18
jaar zou worden) werd gezien als een deel van de bevolking waarvan moet
worden aangenomen dat opleiding en beroepstoerusting in voldoende mate
aanwezig zijn om zelf in het levensonderhoud te voorzien. Dit uitgangspunt van de adviesaanvraag was in
overeenstemming met de uitgangspunten en doelstellingen van het emancipatiebeleid van de
regering, zoals neergelegd in het Beleidsplan Emancipatie.
De nabestaandenregeling
die in de adviesaanvraag werd voorgesteld, maakte onderscheid tussen
de 1990-generatie: weduwnaars (ten tijde van de adviesaanvraag hadden
mannen nog geen recht op AWW-uitkering!) rblz.|4|
en toekomstige weduwen
van de niet-1990-generatie, en bestaande AWW-gerechtigden. De
regeling zou bij de 1990-generatie en de weduwnaars voorzien in een
gewenningsuitkering van zes maanden, niet afhankelijk van het
inkomen. Na afloop van deze gewenningsuitkering zou voor deze categorie
uitsluitend nog recht op uitkering bestaan in het geval er jonge kinderen
tot 12 jaar te verzorgen zouden zijn. Deze uitkering zou gekort worden met
eventuele inkomsten uit of in verband met arbeid, waarbij een bepaald gedeelte van het inkomen uit arbeid zou worden
vrijgelaten. Bij een
combinatie van arbeid buitenshuis en verzorging van kinderen zou daarnaast
nog een van het inkomen onafhankelijke verzorgingsuitkering van
10% van het minimumloon worden toegekend.
Voor toekomstige weduwen
van de niet-1990-generatie zou er rekening mee worden gehouden dat
zij vaak niet de mogelijkheden bezitten om zich zelfstandig een inkomen te verwerven. Naast de hierboven
beschreven regeling voor
weduwen met kinderen zouden deze weduwen in beginsel dan ook recht
hebben op een uitkering van onbeperkte duur, ook als er geen kinderen
jonger dan 12 jaar zijn. Bij die uitkering zou wel rekening worden gehouden
met eventuele inkomsten uit of in verband met arbeid, met een
vrijlating gedurende de eerste twee jaar.
Bestaande
AWW-gerechtigden zouden ook geconfronteerd worden met een korting bij inkomsten
uit of in verband met arbeid, echter na een gewenningstermijn van minimaal vier
jaar en niet als er kinderen onder
de 12 jaar in het gezin
zijn.
De in de adviesaanvraag
voorgestelde regeling kende een gelijkstellingsbepaling
voor ongehuwd samenwonenden wanneer er ten minste twee jaar een
gezamenlijke huishouding was geweest.
Ten aanzien van de
wezenuitkering heeft het kabinet de vraag voorgelegd of er nog wel
behoefte bestond aan een uitkeringsregeling voor volle wezen en
gesteld dat een eventuele uitkering voor wezen in ieder geval beperkt zou
moeten zijn tot wezen jonger dan 18 jaar.
2.3.
Advies van de SER
De SER was in zijn advies
van 1989 van mening dat er bij het recht op uitkering geen onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen de
1990-generatie en de niet-1990-generatie; dat nabestaanden zonder kinderen van 40 jaar
of ouder en nabestaanden met kinderen onder de 18 jaar in beginsel in
aanmerking zouden moeten komen voor een uitkering tot hun 65e jaar.
Bij de
nabestaandenuitkering werden door de SER twee hoofdvarianten onderscheiden.
De ene hoofdvariant ging
uit van het inkomensdervingsprincipe: een recht op uitkering
ontstaat alleen wanneer de overleden partner een inkomen (van een zekere
minimale omvang) uit of in verband met arbeid had; de uitkering
(onafhankelijk van het inkomen van de nabestaande) bedraagt 70% van het
gederfde inkomen met een maximum van 70% van het nettominimumloon.
De andere hoofdvariant
zou recht op uitkering geven als de nabestaande voldoet aan de toelatingsvoorwaarde inzake leeftijd of
aanwezigheid van
kinderen; of de overleden partner inkomen had, is hierbij niet relevant. De
uitkering bedraagt maximaal 70% nettominimumloon. De hoogte van de
uitkering is afhankelijk van het arbeidsinkomen van de nabestaande,
waarbij een zekere vrijlating aan de voet geldt en een
kortingspercentage van 50% van het meerdere.
Daarnaast zou er volgens
de SER een kinderafhankelijke uitkering, al dan niet in aanvulling op
de nabestaandenuitkering, gegeven moeten worden wanneer een nabestaande
ten minste één kind heeft dat jonger is
dan 18 jaar. Deze
uitkering is noch afhankelijk van het inkomen van de overledene noch van het
inkomen van de nabestaande. De hoogte van de kinderafhankelijke
uitkering wordt niet bepaald door het aantal kinderen, rblz.|5|
maar wel door de keuze
voor één van de twee mogelijke varianten: in de ene variant is de hoogte
afhankelijk van de leeftijd van het jongste kind: hoe jonger het kind hoe
hoger de uitkering, met een maximum van 90% nettominimumloon. De
samenloop tussen de nabestaandenuitkering en de kinderafhankelijke
uitkering wordt gemaximeerd op 100% nettominimumloon. In de andere variant is
de hoogte van de uitkering steeds 20% nettominimumloon en
bij samenloop tussen de nabestaandenuitkering en de kinderafhankelijke
uitkering is de totale uitkering gemaximeerd op 90% nettominimumloon.
De SER was verdeeld over
de vraag welke variant van respectievelijk de nabestaandenuitkering en
de kinderafhankelijke uitkering gekozen zou moeten worden.
2.4.
Advies van de ER
De Emancipatieraad was in
zijn advies van 1989 van mening dat er recht op nabestaandenuitkering
zou moeten zijn als er bij overlijden sprake is van reële inkomensderving. De uitkering zou niet afhankelijk moeten zijn
van de vraag of de nabestaande zelf in eigen inkomen kan voorzien.
Een nieuwe
nabestaandenverzekering zou uit drie hoofdlijnen moeten bestaan. Ten eerste zou
hij uitkering moeten geven aan (half)wezen als bijdrage aan hun onderhoud en verzorging. De hoogte van deze uitkering
zou moeten aansluiten bij
de vergoedingen voor verzorging en onderhoud van pleegkinderen. De (half)wezenuitkering zou onafhankelijk moeten zijn
van de vraag of de
overblijvende ouder recht heeft op AWW, of de overblijvende ouder werkt
en of de ouders getrouwd of samenwonend waren.
Ten tweede zou er een
overlijdensuitkering ter hoogte van 70% nettominimumloon moeten
zijn voor alle nabestaanden, onafhankelijk van de vraag of de
overledene inkomen had en ook onafhankelijk van het inkomen van de
nabestaande. Deze uitkering zou één jaar moeten duren.
Ten derde zou er na
afloop van de tijdelijke overlijdensuitkering een nadere
partneruitkering
voor nabestaanden die inkomen derven moeten zijn. Deze uitkering van
70% nettominimumloon is inkomensonafhankelijk en zou ook moeten gelden
voor ex-partners. De partneruitkering aan nabestaanden onder de
40 jaar zonder kinderen zou gemaximeerd moeten
worden.
Hoewel voor de
1990-generatie in beginsel geen nabestaandenuitkering nodig is (afgezien van de
halfwezenuitkering en de tijdelijke overlijdensuitkering), constateert de ER dat ook
deze generatie voorlopig nog geen volledige individuele
economische zelfstandigheid zal bereiken. Om die reden stelt de ER voor
bij inkomensderving wel een nabestaandenuitkering te geven, maar deze te
maximeren op drie jaar.
2.5.
Het wetsvoorstel Algemene nabestaandenwet
In maart 1991 heeft het
toenmalige kabinet het wetsvoorstel Algemene nabestaandenwet (Kamerstukken II
1990-1991, 22 013, nrs. 1-3) bij het parlement ingediend. De
Algemene nabestaandenwet was gebaseerd op het behoefteprincipe en
is gedeeltelijk inkomensafhankelijk. Voor een volledig
inkomensafhankelijke uitkeringssysteem achtte het kabinet de tijd nog niet rijp. Na een
periode van tien jaar zou dit heroverwogen moeten worden.
De hoofdlijnen van het
uitkeringssysteem zoals vastgesteld door de Tweede Kamer, waren als
volgt. Gedurende zes maanden na het overlijden bestond voor
elke nabestaande een tijdelijk recht op uitkering ter hoogte van 50% (voor
nabestaanden met een kind onder de 18 jaar) of 30% nettominimumloon.
Deze tijdelijke basisuitkering werd verhoogd met een toeslag van 40%.
Tijdelijke basisuitkering en toeslag waren inkomensonafhankelijk.
Bepaalde nabestaanden zouden in aansluiting op rblz.|6|
de tijdelijke
basisuitkering een verlengde basisuitkering krijgen: zij die 50 jaar zijn
of ouder (de
eerste jaren zou tijdelijk een lagere leeftijd gelden), zij die een ongehuwd
kind
jonger dan 18 jaar hebben en zij die voor 45% of meer arbeidsongeschikt
zijn. De verlengde basisuitkering zou ook 50 respectievelijk 30%
nettominimumloon bedragen. Op de verlengde basisuitkering kon een toeslag verleend
worden van 40%; deze toeslag was afhankelijk van het inkomen. De
toeslag werd gekort als de nabestaande naast de Anw-uitkering inkomsten
uit bedrijf of beroep of een socialezekerheidsuitkering heeft. Inkomen uit arbeid
zou gedeeltelijk worden vrijgelaten, namelijk 15% van het
brutominimumloon vermeerderd met een derde van
de rest van het inkomen.
Inkomen in verband met arbeid (bijvoorbeeld een andere socialezekerheidsuitkering) zou geheel gekort worden, terwijl bepaalde andere inkomsten
zoals aanvullend nabestaandenpensioen of rente niet zouden worden
betrokken bij de korting.
De Anw kende een
gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden.
Als een nabestaande
opnieuw zou gaan trouwen of samenwonen, zou het recht op uitkering beëindigd worden. Echter zolang de nabestaande een kind heeft van jonger
dan 18 jaar, zou een recht op uitkering blijven bestaan van 20%
nettominimumloon.
Bestaande
AWW-gerechtigden zouden na een overgangsperiode van twee jaar gedeeltelijk en
na vier jaar geheel met de inkomenstoets geconfronteerd worden.
Een uitzondering hierop werd gevormd door AWW-gerechtigden van 60
jaar of ouder; zij zouden niet met de inkomenstoets te maken
krijgen.
De Algemene
nabestaandenwet kende geen regeling voor zgn. pseudo-weduwen (mensen waarvan na hun
scheiding de ex-partner komt te overlijden en die in de AWW in sommige gevallen recht op uitkering
hebben).
De wezenuitkering zou
voor volle wezen jonger dan 16 jaar een bepaald percentage van de
nabestaandenuitkering bedragen, afhankelijk van de leeftijd. In bepaalde
gevallen zouden ook wezen van 16 tot 21 jaar een wezenuitkering kunnen
krijgen, namelijk zij die hun tijd grotendeels besteden aan het volgen
van onderwijs of aan het huishouden waarin ten minste één andere wees
behoort; arbeidsongeschikte wezen van 16 en 17 jaar kunnen ook
uitkering krijgen.
Een aantal van de
bovenstaande punten zijn op verzoek van de Tweede Kamer tijdens de
schriftelijke voorbereiding aangebracht. Het zijn: een verruiming van de
vrijlatingsregeling; de verhoging van de beëindigingsleeftijd voor het recht op
wezenpensioen van 18 naar 21 jaar; verlaging van het uitkeringsniveau
van 100% naar 90% voor bestaande gevallen door bevriezing;
gefaseerde invoering van de verhoging van 40 naar 50 jaar van de
toetredingsleeftijd. Ook is de tijdelijke uitkering bekort van één jaar naar een
halfjaar.
Een ander punt is bij amendement ingebracht, namelijk de "halfwezenuitkering" bij hertrouwen van de nabestaande.
De parlementaire
behandeling van het wetsvoorstel Anw is in december 1992 gestagneerd in de
Eerste Kamer. De voornaamste bezwaren die er bestonden tegen het
wetsvoorstel betroffen de overgangsbepalingen voor bestaande AWW-gerechtigden en de gelijkstelling van ongehuwd
samenwonenden. Men meende dat door de gelijkstelling in te veel gevallen recht op
nabestaandenpensioen zou ontstaan en wenste daarom stringentere normen te
hanteren dan elders in de sociale zekerheid. Om aan deze bezwaren
tegemoet te komen, is een novelle ingediend bij de Tweede Kamer. In de
novelle is voorgesteld AWW-gerechtigden ouder dan 60 jaar niet te
confronteren met de gevolgen van het samenwoonbegrip en niet met de verlaging
van 100 naar 90%, de uitkering van samenwonende AWW-gerechtigden pas na
anderhalf jaar te beëindigen en tot slot de gelijkstellingsbepaling voor gehuwden en ongehuwd samenwonenden
aan te passen. Het in het
wetsvoorstel opgenomen criterium op grond rblz.|7|
waarvan een samenwoonrelatie kan worden gelijkgesteld met huwelijk is
in de novelle vervangen door een aantal formele criteria (zoals het hebben
van een
samenlevingscontract). Bij intrekking van de uitkering bij het gaan samenwonen van de
nabestaande zou echter het materiële criterium gelden. Voordeel van deze
constructie was dat de entree-eis verscherpt werd, waardoor in minder
gevallen recht op nabestaandenuitkering zou ontstaan, terwijl bij het beëindigen van het recht het elders in de sociale zekerheid gangbare en
ruimere criterium zou gelden. Deze discongruentie tussen het ontstaan van
het recht op uitkering en de intrekking daarvan leverde echter grote
bezwaren op bij een meerderheid van de Tweede Kamer. De behandeling van
de novelle in de Tweede Kamer is vervolgens opgeschort.
Vervolgens is in het
regeerakkoord het voornemen opgenomen voor een nieuwe wet die de AWW
moet vervangen en een inkomensafhankelijke uitkering verstrekt. Dit wetsvoorstel strekt daartoe. Het wetsvoorstel
Algemene nabestaandenwet
wordt ingetrokken.
3.
Achtergrond en hoofdlijnen van de wet
De AWW was toegesneden op
de maatschappelijke samenleving van de jaren vijftig. Er werd
van uitgegaan dat de gehuwde man de kost voor het gezin verdiende en dat
de vrouw voor het gezin zorgde en geen betaalde arbeid verrichtte. De AWW
was erop gericht te voorkomen dat de vrouw na het overlijden van de
kostwinner in behoeftige omstandigheden achter zou blijven. De weduwe
kreeg daarom een uitkering en de weduwnaar niet, omdat hij geacht
werd een eigen arbeidsinkomen te hebben. De wetgever achtte hiervoor
een volksverzekering op zijn plaats, waaraan alle verzekerden met inkomen
meebetaalden. De basis hiervoor was solidariteit tussen verzekerden.
De maatschappelijke
situatie in de jaren negentig wijkt echter sterk af van die in de jaren
vijftig. Veel meer vrouwen, ook vrouwen met kinderen, hebben een betaalde
baan
en zijn financieel niet of minder afhankelijk van hun man. Veel minder
vrouwen blijven zodoende in behoeftige omstandigheden achter na
het overlijden van hun man. Daarnaast zijn er meer mogelijkheden in de
particuliere sfeer om zich al dan niet collectief te verzekeren voor het
overlijdensrisico. Een ander relevant gegeven is dat mannen sinds 1988 ook
recht hebben op AWW-uitkering op grond van gerechtelijke uitspraak.
Door deze ontwikkelingen
in de samenleving is de vraag opgekomen of het financiële risico
van overlijden van de partner niet in eerste instantie tot de eigen verantwoordelijkheid van de individuele burgers behoort.
Ieder kan voor zich afwegen en besluiten of hij zich voor dit risico wil
verzekeren, en zo ja, op
welke wijze en op welk niveau. Indien deze vraag positief beantwoord
wordt, is een wettelijke verplichting voor alle personen die verzekerd
zijn voor de volksverzekeringen niet meer nodig. Het kabinet is van mening
dat op termijn het wenselijk is dat burgers zelf afwegen of zij zich
willen verzekeren voor het overlijdensrisico. Op die manier kunnen mensen die
dekking bereiken die zij zelf gewenst vinden. Te verwachten valt ook
dat bepaalde groepen zoals partners die beiden betaalde arbeid
verrichten, geen behoefte hebben aan dekking van het overlijdensrisico in de
vorm van een periodieke uitkering. Daarentegen zullen andere groepen
zoals ouders van kinderen die verzorging behoeven, waarschijnlijk wel
behoefte hebben aan een (aanvullende) uitkering.
Voor de korte termijn is
de situatie dat mensen zelf beslissen of zij zich willen verzekeren voor
het overlijdensrisico, niet voor iedereen reëel. Immers vooral voor bepaalde groepen zullen de kosten erg hoog uitvallen
(namelijk die groepen
waarbij een ongunstige sterftekans gekoppeld is aan een relatief lange
potentiële uitkeringsduur).
Om bovenstaande reden
kiest het kabinet ervoor om nu de volksverzekering niet geheel op te heffen
maar een wetsvoorstel in te dienen voor rblz.|8|
een nieuwe, beperktere
volksverzekering die de AWW zal vervangen.
Deze nieuwe wet geeft
recht op een inkomensafhankelijke uitkering aan nabestaanden met kinderen
onder de 18 jaar, gehandicapte nabestaanden en
nabestaanden zonder kinderen en geboren vóór 1945. Belangrijkste verschillen
tussen deze wet en de AWW zijn de inkomenstoets en de beperking van de
gerechtigden zonder kinderen tot hen die geboren zijn vóór 1945
(in plaats van hen die 40 jaar of ouder zijn).
Het kabinet houdt vast
aan een volksverzekering voor het overlijdensrisico omdat alleen op die
manier de solidariteit tussen burgers optimaal vorm kan krijgen. Solidariteit is nodig voor die groepen nabestaanden
waarvan niet verwacht kan worden dat zij zelf door middel van arbeid in hun bestaan voorzien. Het
kabinet wil deze groepen nabestaanden niet aangewezen laten zijn op
het strengere regime van de Algemene Bijstandswet [zie Algemene
bijstandswet, red.], omdat de
samenleving voor deze groepen een bijzondere verantwoordelijkheid
heeft. In deze opvatting voelt het kabinet zich gesteund door de inhoud
van de maatschappelijke discussie over de noodzaak van een
nabestaandenwet. Hieruit kan geconcludeerd worden
dat in de samenleving
breed de gedachte wordt gedragen dat bepaalde groepen nabestaanden
recht zouden moeten hebben op een socialeverzekeringsuitkering.
Door deze socialeverzekeringsuitkering worden deze nabestaanden niet
gedwongen zich op de arbeidsmarkt te begeven. De socialeverzekeringsuitkering kan bovendien anders dan de bijstandsuitkering dienen als basis voor het
aanvullende pensioen.
Indien in de toekomst de
arbeidssituatie van vrouwen en mannen en van mensen met en mensen
zonder kinderen niet verschilt, kan de noodzaak voor een volksverzekering voor het overlijdensrisico vervallen.
Iedereen is dan immers
zelf in staat voor het eigen inkomen te zorgen en zich te verzekeren voor
het overlijdensrisico van de partner. Om die reden zal de nieuwe wet na tien
jaar geëvalueerd worden. Daarbij kan dan ook de vraag betrokken worden
in hoeverre mensen zich (ook) particulier verzekeren voor het
overlijdensrisico en voor welke groepen in de bevolking dat geldt. Voor
een termijn van tien jaar is gekozen omdat maatschappelijke
veranderingen die in dit verband relevant zijn pas na verloop van tijd
zichtbaar worden. De werking van dit wetsvoorstel wordt bovendien de eerste
jaren
beheerst door het overgangsrecht.
In verband met de
evaluatie en de noodzaak beleid over de nabestaandenverzekering verder te ontwikkelen, is de informatievoorziening
van de SVB naar het ministerie van SZW
van belang. Op grond van de
nieuwe
Organisatiewet sociale verzekeringen is de SVB verplicht relevante
gegevens te verstrekken.
De beperking van de
rechthebbenden tot drie groepen is als volgt te verklaren.
Nabestaanden met kinderen
onder de 18 jaar hebben door hun zorgplicht voor deze kinderen meer problemen met de combinatie zorg en
arbeid dan mensen zonder kinderen en dan ouders die de zorgplicht kunnen delen met een
partner. Het kabinet wil deze groep niet verplichten tot het verrichten van
betaalde arbeid. De noodzaak tot uitkering voor arbeidsongeschikte
nabestaanden is evident en ook in de samenleving niet ter discussie
gesteld. Voor nabestaanden die geen arbeidsinkomen hadden, maar afhankelijk
waren van het inkomen van de overleden partner, bestaat doorgaans ook geen recht op een AAW- of
WAO-uitkering.
(Voor de volledigheid zij vermeld dat in het geval wel recht bestaat op AAW-uitkering, de
nabestaandenuitkering wordt gekort tengevolge van dit AAW-inkomen; zie ook
hoofdstuk 4). De reden dat oudere nabestaanden zonder
kinderen (geboren vóór 1945) recht op uitkering op grond van de nieuwe wet
hebben, is dat de gehuwde vrouwen in deze leeftijdscategorie
meestal geen baan en geen of een verouderde opleiding hebben. Deze groep heeft
door hun verzorgende taken in het gezin aan rblz.|9|
verdiencapaciteit
ingeboet. Zij zijn in de meeste gevallen onvoldoende toegerust om alsnog met
een baan of een opleiding te beginnen.
In de leeftijdscategorie
van vrouwen geboren na 1944 is de arbeidsparticipatie van gehuwde en
gescheiden/verweduwde vrouwen sterk gestegen. De
arbeidsparticipatie van gehuwde en gescheiden/verweduwde vrouwen in de
leeftijdscategorie 40-50 jaar is van 1981 tot 1993 gestegen van 34%
naar 50%. De arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen in de
leeftijdscategorie 45-49 jaar en in de leeftijdscategorie 50-54 jaar was in 1993
respectievelijk 45 en 32%. De arbeidsparticipatie van gescheiden en verweduwde vrouwen in dezelfde
leeftijdscategorieën
was in 1993
respectievelijk 58 en 42%.
Uiteraard geldt de
redenering met betrekking tot de slechte arbeidsmarktpositie van vrouwen geboren
vóór 1945 niet voor mannen uit
dit geboortecohort. Door
de gelijke behandeling van mannen en vrouwen krijgen ook mannen uit
deze leeftijdscategorie recht op uitkering. Dit is echter niet bezwaarlijk
gezien de inkomenstoets van de nieuwe wet.
Voor de constructie van
een geboortecohort is gekozen om deze oudere generatie die moeilijker
alsnog particulier verzekerd kan worden, via de wettelijke regeling verzekerd te houden, terwijl voor de jongere generatie
een wettelijke nabestaandenuitkering niet meer nodig wordt geacht. Voor de jongere generatie zal
een uitkering ook minder nodig zijn omdat de arbeidsparticipatiecijfers
van vrouwen een stijgende lijn vertoont.
De rechtsgrond van
de
nieuwe wet verschilt niet van die van de AWW, namelijk het behoeftebeginsel. Door een uitkering te verschaffen aan
nabestaanden waarvan niet verwacht kan worden dat zij zelf in hun onderhoud voorzien, wordt
voorkomen dat deze nabestaanden in behoeftige omstandigheden
komen te verkeren. Indien er geen behoefte is aan een
nabestaandenuitkering omdat de nabestaande voldoende eigen inkomen heeft, wordt geen
uitkering verstrekt.
Zoals hiervoor al is
aangegeven, wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen nabestaanden
waarvan verwacht wordt dat zij zelf in hun onderhoud voorzien (los van de vraag of zij dit ook daadwerkelijk
doen)
en nabestaanden waarvan
verwacht wordt dat zij juist niet in hun onderhoud voorzien (een
arbeidsongeschikte nabestaande, een nabestaande met kinderen
of een nabestaande geboren vóór 1945). Enerzijds kan iemand uit
de eerste categorie in de praktijk blijken niet in het eigen onderhoud te
kunnen voorzien als hij bijvoorbeeld werkloos is en bijstand ontvangt;
anderzijds kan iemand uit de tweede categorie in de praktijk wel een betaalde
baan hebben en zo in het eigen onderhoud voorzien. In het eerste
geval wordt toch geen uitkering op grond van deze wet verstrekt, omdat de
bescherming van deze volksverzekering niet zover hoeft te strekken.
In het tweede geval
bestaat wel recht op uitkering, maar kan deze geheel of gedeeltelijk
gekort worden.
Zoals eerder aangegeven,
komt het steeds vaker voor dat AWW-gerechtigden ook een
arbeidsinkomen hebben. Ten tijde van het ontstaan van de AWW was
dit zeer ongebruikelijk. Het combineren van een AWW-uitkering met een
arbeidsinkomen komt zowel omdat vrouwelijke nabestaanden een betaalde
baan hebben als omdat weduwnaars met een baan sinds 1988 ook
uitkeringsrecht hebben. Het kabinet is van mening dat de combinatie
AWW-uitkering met een arbeidsinkomen ongewenst is, omdat zo
uitkeringsgelden op grond van de volksverzekeringen terecht komen bij mensen
die al inkomen uit of in verband met arbeid hebben. Dit is een
niet-zinvol gebruik van collectieve middelen die bijeen zijn gebracht om
bepaalde groepen verzekerden een minimumuitkering rblz.|10|
te geven. Door
de uitkering te korten bij de aanwezigheid van arbeidsinkomen wordt een
besparing op de collectieve uitgaven bereikt.
Hoe de
inkomensafhankelijkheid vorm krijgt, wordt in hoofdstuk 4 uiteengezet.
De wet kent geen
gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden; alleen gehuwde
partners kunnen recht op uitkering krijgen.
Zoals bekend was in het
oude wetsvoorstel Anw wel een gelijkstellingsbepaling opgenomen van ongehuwd
samenwonenden met gehuwden, maar was hierover geen politieke overeenstemming te bereiken.
Eén van
de problemen hierbij was
dat de controle op het begrip gezamenlijke huishouding moeizaam is.
Dit is met name een probleem bij de nabestaandenwet, omdat
afhankelijk van de beoordeling van de situatie op één moment,
namelijk het moment van overlijden, een langdurig uitkeringsrecht kan
ontstaan. Dit in tegenstelling tot de situatie bij andere socialezekerheidswetten
met een gelijkstelling van ongehuwden met gehuwden, waar een continue beoordeling van de leefsituatie plaats kan
vinden, waarbij de uitkeringssituatie steeds aangepast kan worden aan de
feitelijke leefsituatie.
Dit probleem speelt minder indien in de socialeverzekeringswetten het
nieuwe geharmoniseerde begrip gezamenlijke huishouding zou zijn
opgenomen, maar wordt daarmee niet tot nul teruggebracht.
Een ander argument om in
deze wet geen gelijkstelling op te nemen van ongehuwd samenwonenden
met gehuwden is dat de wet recht op uitkering geeft aan die groepen waarvoor de samenleving een bijzondere
verantwoordelijkheid
heeft. Het kabinet is van mening dat het de eigen verantwoordelijkheid is
van mensen die ongehuwd samenwonen om desgewenst een
particuliere overlijdensrisicoverzekering af te sluiten.
In het parlement is in
behandeling een voorstel tot zogenaamde zware registratie (Kamerstukken
II 1993-1994, 23 761), waardoor het mogelijk wordt voor personen die
niet kunnen huwen zich te laten registreren bij de burgerlijke stand; de
rechtsgevolgen hiervan zijn grotendeels vergelijkbaar met die van het huwelijk.
Indien dit voorstel wet is geworden, zullen personen die een
zware registratie zijn aangegaan ook in deze wet gelijkgesteld worden met
gehuwden.
Meer in het algemeen
bestaat in verband met de wens tot stimulering van de eigen verantwoordelijkheid van burgers het streven naar vermindering
van het aantal groepen
dat recht kan krijgen op een nabestaandenuitkering. In dat kader ligt het
niet voor de hand om een wet in het leven te roepen die leidt tot
uitbreiding van groepen rechthebbenden.
Gevolg van het feit dat
alleen gehuwden recht op uitkering kunnen krijgen, is ook dat nabestaanden die gaan samenwonen hun uitkering
behouden en dat alleen
het inkomen van de nabestaande bij de inkomenstoets wordt
betrokken.
Voor de volledigheid zij
nog vermeld dat het kabinet in het binnenkort in te dienen wetsvoorstel
tot wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp) en de
Algemene militaire pensioenwet (invoering partnerpensioen) wel een gelijkstelling
voorstelt van ongehuwd samenwonenden met gehuwden. De
verklaring voor het daar wel voorstellen van een gelijkstelling van
ongehuwd samenwonenden met gehuwden en niet in deze wet, is als volgt.
Het wetsvoorstel Invoering partnerpensioen sluit, evenals in veel andere
aanvullende pensioenregelingen het geval is, aan bij een tendens en een
behoefte in de samenleving aan gelijke behandeling van ongehuwd samenwonenden. Invoering van het partnerpensioen
in het Abp en de Algemene militaire pensioenwet is op verzoek van de
werknemersorganisaties overeengekomen in het arbeidsvoorwaardenoverleg
voor de overheidssector. In de onderhavige wet spelen andere
overwegingen een rol, omdat het hier om een volksverzekering gaat. Deze zijn hierboven genoemd.
Eén en ander is in
overeenstemming met het
beleid ten aanzien van de bescherming in de rblz.|11|
Pensioen- en
spaarfondsenwet van partnerpensioenen in aanvullende pensioenregelingen,
voortvloeiend uit de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en
sociale partners op dit terrein. De wetgever volgt ook op het punt van de
nabestaandenpensioenen de afspraken zoals die in het arbeidsvoorwaardenoverleg
zijn gemaakt en vervolgens zijn neergelegd in de pensioenregeling.
Zowel voor bestaande
AWW-gerechtigden als voor personen die met de nieuwe wet geconfronteerd
kunnen worden, is het van belang dat zij geïnformeerd worden
over de wijzigingen op grond van dit wetsvoorstel. Vooral de inkomenstoets
en de cohortsgewijze uitsluiting voor nabestaanden zonder
kinderen dienen onder de aandacht te worden gebracht. Het kabinet
heeft het voornemen door middel van advertenties te wijzen op de
voorgenomen wetswijziging, zodat burgers informatiemateriaal bij het ministerie kunnen
opvragen. Daarnaast zal de Sociale Verzekeringsbank
AWW-gerechtigden informeren.
Tot
slot zij nog het volgende vermeld over de uitvoeringslasten.
De overgang van AWW naar
Algemene nabestaandenwet zal bij de Sociale Verzekeringsbank
tot een aantal wijzigingen in en daarmee een verzwaring van de
uitvoering leiden, zowel voor nieuwe gevallen als voor oude gevallen.
Veranderingen bestaan onder andere hieruit dat nieuwe
uitkeringsgerechtigden met de inkomenstoets te maken krijgen en dat er
bij gescheiden nabestaanden getoetst moet worden op
alimentatieverplichtingen. Anderzijds zijn er minder rechthebbenden en
bestaan onderdelen als de tijdelijke uitkering en de bruidsschat niet
meer. Voor de bestaande AWW-gerechtigden is van belang dat zij met
ingang van januari 1998 met de inkomenstoets geconfronteerd worden. Alle
uitkeringsgerechtigden zal periodiek naar hun inkomen gevraagd moeten
worden. Eén en ander zal naar verwachting leiden tot een toename van de
uitvoeringslasten van ca. ƒ4 mln in 1998.
4.
Uitwerking van de belangrijkste onderdelen van de wet
4.1.
Rechthebbenden
De eerste groep
rechthebbenden wordt gevormd door nabestaanden met een kind onder de 18
jaar. De leeftijd van 18 jaar is evenals bij het oude wetsvoorstel Anw gebaseerd op de meerderjarigheidsgrens. Vanaf
18 jaar heeft het kind in
beginsel een eigen inkomen en eindigt de verzorgingsfase. Om die
reden eindigt ook het recht op uitkering voor de nabestaande als het
(jongste) kind 18 jaar wordt. De nabestaande heeft dan geen
zorgverplichtingen meer en kan deelnemen aan de arbeidsmarkt. De uitkeringsgerechtigde
weet tevoren wanneer het uitkeringsrecht eindigt en kan zich dus
in de jaren daarvoor voorbereiden op de terugkeer naar de
arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door middel van scholing. In tegenstelling tot de AWW
en het oude wetsvoorstel Anw kent deze wet dus geen regeling voor
zogenaamde post-verzorgers.
De tweede groep
rechthebbenden wordt gevormd door arbeidsongeschikte nabestaanden, dat wil
zeggen nabestaanden die arbeidsongeschikt zijn op de dag van
overlijden of op de dag dat hun kind de leeftijd van 18 jaar bereikt en de
arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden duurt. Onder arbeidsongeschikt
wordt verstaan dat betrokkene tengevolge van objectief medisch vast te
stellen ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen
van wat gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring
gewoonlijk verdienen. Dit is dezelfde definitie als in de arbeidsongeschiktheidswetten. Een deel van de arbeidsongeschikte nabestaanden heeft een
AAW-uitkering. Omdat voorkomen moet worden dat twee volksverzekeringensuitkeringen op minimumniveau naast elkaar
worden verstrekt, is thans in de AAW een anticumulatiebepaling rblz.|12|
opgenomen. Deze houdt in
dat nabestaanden met AWW-uitkering die ook een AAW-uitkering hebben,
hun AAW-uitkering verliezen. In het systeem van deze wet is een
dergelijke anticumulatiebepaling niet nodig om deze doelstelling te bereiken.
Immers, al het inkomen wordt gekort. De AAW-uitkering kan evenals
een andere socialeverzekeringsuitkering op de gangbare wijze gekort
worden. De derde groep rechthebbenden wordt gevormd door nabestaanden
die geboren zijn vóór 1 januari 1945. De motivering hiervoor is in
het vorige hoofdstuk al gegeven.
4.2.
Inkomensafhankelijkheid en het inkomensbegrip
Zoals hiervoor aangegeven, is de uitkering op
grond van deze wet afhankelijk van het
inkomen. Het inkomen wordt (na een vrijlating bij inkomen uit arbeid
[zie artikel 18 Anw
of normbedragen Anw, red.]) gekort,
zodat bij een neveninkomen van bruto ƒ3012,- per maand (nabestaande
zonder kinderen) respectievelijk ƒ3536,- per maand (nabestaande met
kind onder de 18 jaar) de uitkering tot nul gereduceerd wordt (prijzen
1994). Het recht op uitkering blijft echter wel bestaan, zodat bij
daling van het inkomen de uitkering weer zal stijgen dan wel tot
uitbetaling zal komen. De uitkeringsgerechtigde zal hiertoe zijn
gewijzigde inkomen bij de
SVB moeten melden.
De vrijlating is bedoeld om de
arbeidsparticipatie niet te ontmoedigen. Om die reden wordt alleen het
inkomen uit arbeid bij de vrijlating betrokken. Inkomen in verband met
arbeid zoals een andere socialeverzekeringsuitkering wordt geheel
gekort. Eén en ander is conform het oude wetsvoorstel Anw. De
vrijlating is 15% van het brutominimumloon,
plus een derde deel van het inkomen boven deze 15%. Het inkomen minus de
vrijlating wordt vervolgens van de nabestaandenuitkering afgetrokken. De
vrijlating is niet in de tijd beperkt.
Bij
deze wet wordt
evenals dat het geval was bij het oude wetsvoorstel Anw zo nauw mogelijk
aangesloten bij het inkomensbegrip zoals dat wordt toegepast in de
huidige sociale wetgeving, namelijk het inkomen uit of in verband met arbeid
in het bedrijfs- en beroepsleven. In een algemene maatregel van
bestuur zal het inkomensbegrip nader worden ingevuld.
Wat niet onder het
inkomensbegrip valt, zijn inkomsten uit vermogen en het vermogen zelf. Ook
het particuliere aanvullend pensioen blijft buiten het inkomensbegrip. De
reden voor dit laatste is dat de nabestaandenuitkering de bodem is voor het
aanvullende nabestaandenpensioen. Daarnaast is een
particulier nabestaandenpensioen tot op zekere hoogte te vergelijken met een
voorziening in de vorm van spaartegoeden of andere vermogensvormen.
In deze beperktere
invulling van het inkomensbegrip onderscheidt deze wet zich van de Algemene
bijstandswet. De reden hiervoor is dat de nabestaandenwet uitkering geeft aan nabestaanden van wie wordt
aangenomen dat zij zich
niet door middel van arbeid voldoende inkomsten kunnen
verwerven. Indien blijkt dat de nabestaande dit wel kan, kan de uitkering
gekort worden. Bij de Abw gaat het om een voorziening in de
noodzakelijke kosten van het bestaan voor iemand bij wie alle middelen
ontbreken om die kosten zelf te dragen. Daarbij zijn alle middelen in het geding.
4.3.
Pseudo-weduwen
Een
pseudo-weduwe in de
AWW is een nabestaande die gescheiden is van de echtgenoot en die
recht op uitkering krijgt na het overlijden van deze ex-echtgenoot. Voorwaarde is dat de nabestaande zowel op het
moment van de
echtscheiding als op het moment van het overlijden tot de groep van
rechthebbenden behoort.
In het oude wetsvoorstel
Anw werd geen regeling voor pseudo-weduwen rblz.|13|
voorgesteld. Het
kabinet is echter van mening dat het ontbreken van een regeling voor
pseudo-weduwen onrechtvaardig zou uitwerken voor een bepaalde groep gescheiden nabestaanden, namelijk voor hen
die alimentatie ontvingen
van de ex-echtgenoot. Tussen hen is daardoor nog sprake van een financiële
band en om die reden worden zij in deze wet
gelijkgesteld met
gehuwden. Het moet wel gaan om een alimentatieverplichting die door de rechter, in
een notariële akte of een akte mede ondertekend door een
advocaat is vastgelegd. In het geval de alimentatie lager was dan het sociaal
minimum van de nabestaande, wordt de nabestaandenuitkering gemaximeerd op de hoogte van de ontvangen
alimentatie.
4.4.
Einde van de uitkering
De uitkering eindigt behalve bij het bereiken
van de 65-jarige leeftijd en bij hertrouwen, indien de nabestaande meer
arbeidsgeschikt wordt of als het jongste kind de leeftijd van 18 jaar
bereikt heeft. Voor de volledigheid zij vermeld dat er in
deze wet evenals bij het oude wetsvoorstel Anw geen sprake is van
een uitkering ineens bij hertrouwen (de zgn. bruidsschat).
Indien de nabestaande uitkeringsrecht heeft op
grond van de zorg voor een kind onder de 18 jaar, is het van belang dat
de nabestaande zich al gedurende de uitkeringsperiode voorbereidt op
(een grotere) participatie op de arbeidsmarkt. Om die reden is in deze
wet en in de Osv [Organisatiewet sociale verzekeringen, Stb.
1994, 790, red.] een artikel opgenomen waarin staat dat de Sociale Verzekeringsbank
moet bevorderen dat nabestaanden met een nabestaandenuitkering zich met
behulp van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie oriënteren op de arbeidsmarkt. Het
betreft een inspanningsverplichting van de SVB.
Dit is in lijn met de doelstelling van het
kabinet om de arbeidsmarktparticipatie van met name
uitkeringsafhankelijke, alleenstaande vrouwen met kinderen te
bevorderen. Economische zelfstandigheid behoedt vrouwen voor de noodzaak
een beroep te doen op de bijstand. Een versterking van de activerende
werking van de sociale zekerheid is één van de speerpunten van het
kabinetsbeleid. De overheid tracht de arbeidsparticipatie van vrouwen op
velerlei wijzen te bevorderen door middel van bijvoorbeeld een
verbetering van de kinderopvangmogelijkheden, ondersteuning van Vrouw en
Werkwinkels en vrouwenvakscholen, en de bevordering van positieve
actieprogramma’s bij bedrijven en de overheid.
Gemeenten, Arbeidsvoorziening en andere
instanties beschikken over een aanbod van activiteiten die perspectief
bieden op vergroting van de kansen op arbeidsinpassing. Na inschrijving
als werkzoekende kan er een proces van toeleiding naar de arbeidsmarkt
worden ingezet. Het gaat dan om een voorbereidingsfase voor eventuele
vervolgtoeleidingstrajecten, als onderdeel van een individueel traject
gericht op het zoveel mogelijk verbeteren van de arbeidsmarktkansen van
de betrokkenen, ook al is dit op langere termijn, door middel van
bijvoorbeeld een beroepsoriëntatie, scholing of het opdoen van
(onbetaalde) werkervaring. De nog aanwezige arbeidscapaciteit kan op
deze manier in stand worden gehouden en er vindt in elk geval geen
achteruitgang plaats van die arbeidscapaciteit.
4.5.
Wezenuitkering
De uitkering voor volle
wezen in deze wet is gelijk aan die in het oude wetsvoorstel Anw, omdat
er geen ontwikkelingen of signalen zijn geweest die nopen tot een andere
inhoud van de regeling voor wezen. Dit impliceert dat wezen
jonger dan 16 jaar altijd een uitkering krijgen en dat deze uitkering
onafhankelijk is van eventueel ander inkomen. Op deze wijze wordt het mogelijk
gemaakt dat wezen na het overlijden van de ouders opgevoed en
verzorgd kunnen worden door familie of vrienden. Een dergelijke opvang is
in het belang van de wees.
rblz.|14|
Voor wezen van 16 jaar en
ouder kan het uitkeringsrecht verlengd worden indien er sprake
is van een van de volgende situaties: arbeidsongeschiktheid (de verlenging
vindt dan
plaats tot het moment dat recht bestaat op AAW), studie
of het verzorgen van het huishouden waartoe ten minste één andere wees
behoort. In de twee laatste gevallen kan de uitkering verlengd worden
tot de wees 21 jaar is.
De hoogte van de
uitkering (een percentage dat afhangt van de leeftijd van de wees) wordt ook
niet gewijzigd, omdat er geen aanwijzingen zijn dat dit aanpassing behoeft.
Een verschil met de
regeling voor wezen in de AWW is dat in de AWW de wezenuitkering voor
studerende wezen van 16 jaar of ouder die uit hoofde van hun opleiding
inkomen verwierven, gekort werd met een gedeelte van dit inkomen.
Zowel in het oude wetsvoorstel Anw als in dit wetsvoorstel komt deze
kortingsregeling niet meer voor.
4.6.
Hoogte van de uitkering
De hoogte van de
uitkering komt evenals in de andere volksverzekeringen overeen met het sociaal
minimum. Dat betekent dat een nabestaande met een kind
onder de 18 jaar een uitkering ter hoogte van 90% van het nettominimumloon
ontvangt en een nabestaande zonder kinderen onder de 18 jaar
een uitkering ter hoogte van 70% van het nettominimumloon.
Dit komt overeen met het
oude wetsvoorstel Anw. Een verschil met de AWW is dat daar
nabestaanden met een kind onder de 18 jaar een 100%-uitkering ontvangen.
Deze uitzonderingspositie binnen de sociale verzekeringen is niet
meer te verdedigen.
4.7.
Geen tijdelijke gewenningsuitkering
In tegenstelling tot de
AWW kent deze wet geen tijdelijke gewenningsuitkering. Een tijdelijke
gewenningsuitkering geeft een uitkering aan die nabestaanden die geen recht hebben op nabestaandenuitkering.
Een dergelijke uitkering
staat naar de mening van het kabinet haaks op de achterliggende
gedachten van deze wet. De achtergrond van deze wet is die nabestaanden
uitkeringsrecht te geven waarvan niet verwacht kan worden dat zij zelf door
middel van arbeid in hun levensonderhoud voorzien. Nabestaanden
die niet tot één van de in de wet genoemde groepen behoren, kunnen
in principe zelf in hun onderhoud voorzien. Ook een tijdelijke uitkering
die tot doel heeft de nabestaande te laten wennen aan de nieuwe situatie,
is voor deze groepen niet nodig. Immers ingeval de overledene inkomen
had, zal dat in de regel nog enkele maanden doorlopen, zodat dat
extra inkomen kan dienen als gewenningsuitkering. Ingeval de overledene
geen inkomen had, ontstaat er door het overlijden geen financieel
probleem
en is er ook geen aanleiding voor een financiële tegemoetkoming. Het is in
de ogen van het kabinet een eigen verantwoordelijkheid van mensen om ervoor te
zorgen dat kosten die er zijn in verband met een
overlijden, gedragen kunnen worden.
4.8.
Halfwezen
Met het aanwezig zijn van
een halfwees in het gezin van de nabestaande wordt in deze
wet rekening gehouden door middel van een hogere uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm van 90% voor uitkeringsgerechtigden
met een kind onder de 18
jaar die in de sociale zekerheid gangbaar is, houdt
rekening met de kosten die samenhangen met de verzorging van dat kind.
Om die reden ontvangen nabestaanden met een kind een hogere uitkering
dan nabestaanden zonder kind.
In het verleden zijn er
wel verschillende suggesties in discussie geweest om halfwezen dan wel hun
overgebleven ouder een apart uitkeringsrecht rblz.|15|
te geven. In het oude
wetsvoorstel Anw was bijvoorbeeld een verzorgingsuitkering van
20% minimumloon opgenomen. Dit hield in dat een nabestaande met een
kind onder de 18 jaar een verzorgingsuitkering van 20% minimumloon
behield bij hertrouwen. Deze wet geeft alleen uitkeringsrecht aan die
groepen nabestaanden waarvan niet verwacht kan worden dat zij door
arbeid in hun levensonderhoud voorzien. Van een nabestaande die
hertrouwt, kan niet gesteld worden dat hij door het overlijden nog in
behoeftige omstandigheden verkeert. Immers door het nieuwe huwelijk kunnen
beide partners arbeid- en zorgtaken onderling verdelen.
Een andere vorm
(bijvoorbeeld door de Emancipatieraad gesuggereerd) houdt in dat halfwezen
een uitkering zouden moeten krijgen als bijdrage aan hun onderhoud en verzorging. Een dergelijk soort uitkering zou in het
systeem van deze wet neerkomen op een inkomensonafhankelijk deel van de nabestaandenuitkering
van 90%. Het kabinet wil echter de gehele uitkering
inkomensafhankelijk maken, omdat alleen dan voorkomen kan worden dat nabestaanden
met voldoende inkomen ook een (gehele of gedeeltelijke) uitkering
ontvangen, terwijl dit vanuit het behoeftebeginsel niet nodig is.
5. Overgangsrecht
Uitgangspunt bij het
overgangsrecht voor bestaande AWW-gerechtigden is dat deze wet ook zal
gelden voor bestaande AWW-gerechtigden. Hun uitkering wordt vervangen door een uitkering op grond van deze wet.
Alleen op deze manier kan voorkomen worden dat gedurende lange tijd twee afzonderlijke wetten
voor hetzelfde risico naast elkaar bestaan. In dat geval zouden bestaande
gerechtigden geheel anders behandeld worden dan nieuwe gerechtigden,
terwijl zij overigens in dezelfde omstandigheden zouden verkeren. Dit zou
alleen kunnen als daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging
voor bestaat. Het kabinet is van mening dat daar in dit geval geen sprake
van is. Een dergelijke ongelijke behandeling zou in strijd zijn met het
gelijkheidsbeginsel.
Anderzijds zouden er
onaanvaardbare gevolgen optreden voor bestaande AWW-gerechtigden indien zij met onmiddellijke ingang onder
het regime van de nieuwe
wet zouden vallen. Onmiddellijke werking zou bijvoorbeeld betekenen
dat zij meteen geconfronteerd zouden worden met de inkomenstoets, met
de verlaging van 100% naar 90% (bij aanwezigheid van kinderen onder de 18
jaar) en dat hun uitkeringsrecht zou eindigen op het moment
dat hun jongste kind 18 jaar zou zijn geworden (tenzij de nabestaande
geboren is vóór 1945).
Het kabinet is tot de
conclusie gekomen dat met name voor bovengenoemde situaties het een
onaanvaardbare inbreuk zou betekenen op het rechtszekerheidsbeginsel
indien AWW-gerechtigden hun uitkering direct geheel of gedeeltelijk
zouden verliezen. Hoewel de nabestaandenverzekering de laatste jaren volop in
de publieke belangstelling staat en het algemeen bekend is
dat er veranderingen in de nabestaandenuitkeringen op handen zijn, is een
zekere overgangstermijn waarin nabestaanden zich op de
nieuwe situatie kunnen instellen, op zijn plaats.
Het kabinet staat daarom
het volgende overgangsrecht voor ogen:
Wat betreft de invoering
van de inkomenstoets is een termijn gewenst waarin de huidige
nabestaanden zich kunnen voorbereiden op een inkomensdaling. De inkomenstoets voor bestaande AWW-gerechtigden
zal daarom pas vanaf 1
januari 1998 worden ingevoerd.
Wat betreft de verlaging
van de uitkering van 100 naar 90% voor nabestaanden met kinderen
onder de 18 jaar wordt voorgesteld dit via bevriezing te laten
verlopen. Dit betekent dat de netto-uitkering van deze nabestaanden in guldens
gelijk blijft, tot het moment dat het niveau van de 90%-uitkering gelijk
is aan de oude uitkering. Vanaf dat moment is hun uitkering op het
gebruikelijke 90%-niveau.
rblz.|16|
Het derde punt betreft de
voorwaarden van beëindigen van de uitkering. De AWW-gerechtigden
houden onder de nieuwe wet in beginsel hun uitkering tot het moment
waarop zij hem krachtens de uitkeringsvoorwaarden van de AWW zouden hebben
behouden. Dat betekent bijvoorbeeld dat
nabestaanden waarvan het jongste kind 18 jaar wordt, hun uitkering behouden
indien zij 35 jaar of ouder zijn; dat volle wezen van 16 jaar of ouder hun
uitkering houden tot zij 27 zijn (als zij aan de overige voorwaarden
voldoen); dat nabestaanden met een tijdelijke uitkering deze houden.
Met het hier geschetste
overgangsrecht wordt in de ogen van het kabinet bereikt dat oude
en nieuwe uitkeringsgerechtigden zoveel mogelijk gelijk behandeld worden en dat sprake is van een evenwichtige afweging tussen het
gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Bestaande
AWW-gerechtigden die geen andere inkomsten hebben, behouden in beginsel hun
uitkering. Op die manier wordt voorkomen dat zij door het ontbreken
van een inkomen of een uitkering in behoeftige omstandigheden geraken,
waaraan zij onmachtig zijn iets te doen omdat het verzekerd risico al
is ingetreden. Voor het eerbiedigen van bestaande rechten op langere
termijn van AWW-gerechtigden met een inkomen bestaat geen noodzaak, aangezien zij juist om die reden in staat worden
geacht op voldoende wijze
in hun inkomen te voorzien.
6. Internationale
aspecten
Ten aanzien van de vraag
of het onderhavige wetsvoorstel in overeenstemming is met de door Nederland
in internationaal verband aangegane verplichtingen, zijn van belang de verplichtingen voortvloeiende enerzijds
uit Verdrag nr. 121 (Trb.
1966, 137) en Verdrag nr. 128 (Trb. 1968, 131) van de Internationale
Arbeidsorganisatie en anderzijds uit de Europese Code inzake sociale zekerheid
met bijbehorend Protocol (Trb. 1965, 47) van de Raad van Europa.
Voor wat betreft de
verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie wordt het volgende
opgemerkt.
Met betrekking tot de te
beschermen eventualiteit gaat Verdrag nr. 128 ervan uit dat de
verzekering gevallen dient te beschermen waarin verlies van middelen van
bestaan
optreedt als gevolg van het overlijden van de kostwinner (artikel 21,
eerste lid). Ingevolge Verdrag nr. 121 wordt de eventualiteit beperkt tot
het overlijden van de kostwinner als gevolg van een arbeidsongeval of een
beroepsziekte (artikel 6).
Verdrag nr. 128 schrijft
voor dat weduwen met kinderen ten laste en invalide weduwen in
beginsel aanspraak op uitkering dienen te hebben. Voor weduwen zonder
kinderen kan het recht op uitkering worden verbonden aan het bereikt hebben van een bij de nationale wetgeving
vastgestelde leeftijd. Deze leeftijd mag ten hoogste worden gesteld op die van de
pensioengerechtigde leeftijd (artikel 21, tweede lid).
Verdrag nr. 121 bevat
voor de toekenning van het recht op uitkering een enigszins andere
formulering. Volgens dit verdrag (artikel 18, eerste lid) dient aan een
"weduwe
als voorgeschreven" wier kostwinner als gevolg van een arbeidsongeval of
beroepsziekte is overleden, een periodieke uitkering te worden
verleend. Mede op grond van met het Internationaal Arbeidsbureau gevoerd
overleg is vastgesteld dat met het hanteren van het begrip "weduwe als
voorgeschreven" aan de nationale wetgeving een beslissingsbevoegdheid is
gegeven inzake het vaststellen van de voorwaarden waaronder
weduwen een uitkering krijgen. Bij deze vaststelling behoeft niet
alleen rekening te worden gehouden met het feit of de weduwe financieel afhankelijk was van de kostwinner, maar ook met
haar huidige situatie. De doelstelling die aan dit verdrag ten grondslag
ligt strekt ertoe dat ten
minste uitkering wordt verschaft aan weduwen indien daarvoor een
sociale noodzaak of rechtvaardiging bestaat. Het rblz.|17|
verdrag staat derhalve
toe dat het recht op uitkering wordt beperkt tot de in het onderhavige
wetsvoorstel voorziene categorieën van weduwen.
Voor wat betreft de
hoogte van de weduwenuitkeringen schrijft Verdrag nr. 128 voor (artikel 23,
onderdeel b, jo. artikel 28) dat deze voor een weduwe met twee kinderen ten minste 45% moet bedragen van het loon van een
ongeschoolde werknemer.
Voor Nederland wordt hiervoor het minimumloon gehanteerd.
Bij het bepalen van de hoogte van de uitkering mag rekening worden
gehouden met de overige inkomsten van de rechthebbende en van de
gezinsleden, onder vrijlating van een aanzienlijk bedrag. In het verdrag is
niet nader aangegeven hoe hoog een dergelijk bedrag moet zijn; dit
wordt aan de nationale wetgeving overgelaten. De regeling zoals die in het
onderhavige wetsvoorstel is opgenomen en die ertoe strekt dat bij de
toepassing van de inkomenstoets op inkomsten uit arbeid 15% WML en 1/3 van
het meerdere buiten beschouwing wordt gelaten, wordt in
overeenstemming met Verdrag nr. 128 geacht [zie artikel 18 Anw
of normbedragen
Anw, red.].
Volgens Verdrag nr. 121
(artikel 18, eerste lid, jo. artikel 20) dient de uitkering voor een weduwe
met twee kinderen ten minste 50% te bedragen van het loon van
een ongeschoolde werknemer (lees: minimumloon). In
afwijking tot Verdrag nr. 128 bevat Verdrag nr. 121 geen uitdrukkelijke bepaling
dat de hoogte van de weduwenuitkering afhankelijk kan worden gesteld van de
overige inkomsten. Zoals hiervoor echter is aangegeven, vloeit uit
het begrip "weduwe als voorgeschreven" voort dat de uitkering niet
ongeconditioneerd behoeft te worden verstrekt. Uit het feit dat het is toegestaan dat er in het geheel geen uitkering wordt
verleend indien daartoe
geen sociale noodzaak of rechtvaardiging bestaat, volgt tevens dat het ook
in overeenstemming met de verdragsverplichtingen is om gereduceerde
uitkeringen te verlenen indien sprake is van samenloop met
overige inkomsten. Bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering
zal er ook in dit geval rekening moeten zijn van een redelijk vrij te
laten bedrag. Zoals hiervoor is geconstateerd ten aanzien van Verdrag nr.
128, kan ook ten aanzien van Verdrag nr. 121 worden geconstateerd dat
het onderhavige wetsvoorstel in overeenstemming is met de gestelde normen.
Zowel Verdrag nr. 121
(artikel 18, eerste lid) als Verdrag nr. 128 (artikel 22) verplichten tot het
verstrekken van een uitkering aan de kinderen die ten laste kwamen van de
overledene. Dit impliceert derhalve zowel aan halfwezen als aan volle wezen. De uitkering moet worden verstrekt zolang
de (half)wees als ten
laste komend kind wordt beschouwd, hetgeen wil zeggen tot het
verstrijken van de leerplichtige leeftijd en onder bij de nationale wetgeving
vastgestelde voorwaarden tot een hogere leeftijd bij invaliditeit en studie
(Verdrag nr. 121: artikel [?, red.], onderdeel e; Verdrag nr. 128: artikel 1, onderdeel
h).
De beide verdragen
stellen geen concrete norm ten aanzien van de hoogte van de uitkeringen. Zoals hiervoor is aangegeven, is slechts de
uitkeringsnorm voor een weduwe met twee kinderen vastgesteld. Voor de overige rechthebbenden
dienen de uitkeringen in een redelijke verhouding te staan tot
die van deze weduwe. Het onderhavige wetsvoorstel bevat geen
voorziening voor de halfwees. Dit gebrek wordt evenwel opgevangen door
het hogere uitkeringsniveau voor nabestaanden met kinderen
onder de 18 jaar, waarin het wetsvoorstel wél voorziet, namelijk 90% van het
minimumloon. Het verschil in hoogte
tussen dit "hoge" en
het "lage" pensioen voor nabestaanden zonder kinderen (70%) kan worden
beschouwd als een tegemoetkoming voor de halfwees.
Overigens hebben de in de
beide verdragen opgenomen normen uitsluitend betrekking op
de traditionele (gehuwden)gezinssituatie en rblz.|18|
bevatten geen verplichtingen tot gelijkstelling van gehuwden met
ongehuwd samenwonenden.
Voor wat betreft de
Europese Code inzake sociale zekerheid met Protocol (hierna te noemen Code en Protocol) wordt het volgende
opgemerkt.
In de eerste plaats moet
een onderscheid worden gemaakt naar enerzijds overlijden als
gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte en anderzijds overlijden
niet als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte.
Ten aanzien van het
overlijden niet als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte
schrijven Code en Protocol (Deel X) voor dat het te beschermen risico moet
omvatten het verlies van middelen van bestaan door de weduwe of de
kinderen tengevolge van het overlijden van de
kostwinner. Wat betreft
de weduwe mag het recht op uitkering afhankelijk worden gesteld van het
vermoeden dat zij niet in staat is in haar eigen behoeften te voorzien
(artikel 60, eerste lid).
Voor een weduwe met twee
kinderen moet de uitkering ten minste 45% van het loon van een
ongeschoolde werknemer (lees: minimumloon) bedragen. Voorts is het toegestaan dat bij de vaststelling van de hoogte
van de uitkering rekening
wordt gehouden met overige inkomsten, echter onder vrijlating van een
bij de nationale wetgeving vastgesteld bedrag (artikel 62, onderdeel b, jo.
artikel 67). Geconcludeerd wordt dat het onderhavige wetsvoorstel in
overeenstemming is met de vereisten die de Code en Protocol stellen ten
aanzien van het hier bedoelde risico.
Voor wat betreft het
overlijden als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte definieert
de Code (Deel VI) het risico eveneens als het verlies van middelen van bestaan
tengevolge van de kostwinner (artikel
32, onderdeel d).
Overeenkomstig de in het Protocol opgenomen aanvullende norm mag de
weduwenuitkering evenwel niet afhankelijk worden gesteld van een vermoeden dat zij
niet in staat is in haar eigen behoeften te voorzien. Eén en ander
betekent dat de Code en Protocol voorschrijven dat in beginsel alle
weduwen wier kostwinner als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte is overleden recht op een weduwenpensioen
moeten hebben ter hoogte
van ten minste 45% van het loon van een ongeschoolde werknemer
(lees: minimumloon) voor een weduwe met twee kinderen (artikel
36, eerste lid, jo. artikel 66).
Bij de vaststelling van
de hoogte van de uitkering mag geen rekening worden gehouden met
overige inkomsten. Bovendien dient de uitkering voor de gehele duur van
de eventualiteit, dus in beginsel tot het overlijden van de weduwe te worden
verleend (artikel 38).
Door het toezichthoudend
orgaan op de naleving van de verplichtingen voortvloeiend uit Code en
Protocol, te weten de Raad van Ministers van de Raad van Europa, wordt
Nederland er al bij herhaling op gewezen dat zij niet volledig voldoet aan de verplichtingen die worden gesteld, omdat:
a. de huidige AWW het
recht op weduwenpensioen voor weduwen zonder kinderen ten laste
afhankelijk stelt van het bereikt hebben van de 40-jarige leeftijd. Door
de toezichthoudende instantie wordt deze leeftijdseis vertaald als
zijnde een vermoeden dat de (jongere) weduwe in staat wordt geacht om in
haar eigen levensonderhoud te voorzien; en
b. volgens de huidige AWW
het weduwenpensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
wordt beëindigd c.q. omgezet in een (eventueel lager) AOW-pensioen.
Geconcludeerd moet dan
ook worden dat het onderhavige wetsvoorstel, onder meer strekkende tot een afbouw in de tijd van het
recht op uitkering voor
weduwen zonder kinderen en inkomensafhankelijke rblz.|19|
uitkeringen voor
andere weduwen, niet in overeenstemming is met de normen zoals die door
de Code en het Protocol worden voorgeschreven ten aanzien van
overlijden als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte. Dit zou
met zich brengen dat het desbetreffende deel van de Code en Protocol zou
moeten worden opgezegd. Opzegging van (onderdelen van) Code en Protocol is
eenmaal in de vijf jaar mogelijk en
wel na verloop van een
termijn van vijf jaar na de datum waarop deze instrumenten van kracht
zijn geworden c.q. na verloop van elke volgende vijf jaar (artikel 81),
één en ander met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar.
Aangezien de Code en Protocol voor Nederland op 16 maart 1968 in werking zijn
getreden, betekent dit dat eerst tegen 16 maart 1998 opzegging kan plaats
vinden en de verdragen alsdan per 16 maart 1999 effectief buiten werking
kunnen treden.
In dit verband is evenwel
van belang dat inmiddels tot stand is gekomen de Europese Code
inzake sociale zekerheid (herzien) (Trb. 1993, 123). (hierna te noemen
"herziene Code"). Qua structuur is de herziene
Code gelijk aan de
huidige Code en Protocol; ook in dit instrument zijn de normen voor de negen
takken van sociale zekerheid opgenomen in afzonderlijk te
bekrachtigen delen. Bekrachtiging van één of meerdere delen van de herziene
Code (artikel 2, eerste lid, jo. artikel 5) betekent dat deze automatisch in de
plaats treedt c.q. treden van de overeenkomstige delen van huidige Code en
Protocol.
De herziene Code is op 6
november 1990 voor bekrachtiging opengesteld en op 1 juni 1993 door
Nederland ondertekend. Hoewel op 8 april 1993 de Rijksministerraad akkoord ging met de bekrachtiging van de
gehele herziene Code en
de Raad van State van het Koninkrijk op 11 januari 1994
dienaangaande een positief advies heeft uitgebracht, is de bekrachtigingsprocedure
van de herziene Code opgeschort als gevolg van de recente ontwikkelingen
op het gebied van de Ziektewet (ZW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De gronden hiervoor zijn de volgende.
Uit het vorenstaande
volgt dat de problemen die worden ondervonden met Deel VI van de Code
en Protocol worden opgeheven indien het overeenkomstige Deel VI
van de herziene Code zou kunnen worden bekrachtigd.
Bekrachtiging van dit deel stuit echter op de verplichting dat de uitkering
inkomensonafhankelijk dient te zijn en voorts dat de uitkering voor de gehele duur van
de eventualiteit moet worden verleend (artikel 41). Zoals hiervoor reeds
is aangegeven vormt dit laatste al een probleem met de huidige Code.
De herziene Code kent
evenwel een alternatief om het probleem op te lossen.
Ten aanzien van Deel VI
voorziet de herziene Code namelijk in de mogelijkheid (artikel 3,
derde lid) dat staten zoals Nederland die geen specifieke wetgeving
inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten kennen, geacht worden aan de
bepalingen van Deel VI te voldoen indien de verplichtingen van de
Delen II, III, IX en X worden aanvaard. Deze delen hebben betrekking op
respectievelijk medische zorg, ziekengeld, uitkeringen bij invaliditeit en
uitkeringen aan nagelaten betrekkingen.
Hoewel de regering
streeft naar bekrachtiging van de Delen II en III, is dit opgeschort totdat de
besluitvorming over de voorstellen inzake de marktwerking ZW en
WAO vorm heeft gekregen en een deugdelijke toets
aan de verdragsbepalingen
kan plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor Deel IX. Zeker waar het gaat om verdragsbepalingen die normen stellen aan de
nationale wetgeving, is
het niet wenselijk tot bekrachtiging over te gaan indien een voorstel nog
niet tot wetgeving is getransformeerd.
rblz.|20|
Zodra dit mogelijk is,
zal de regering op de bekrachtiging van de herziene Code terugkomen.
Voor het moment kan
worden gesteld dat het onderhavige wetsvoorstel in overeenstemming is met
Deel IX (aan nagelaten betrekkingen) van de herziene Code. Ter
toelichting moge het volgende dienen.
De in dit deel geregelde
eventualiteit wordt omschreven als het verlies van bestaansmiddelen dat
voor een echtgeno(o)t(e) of kind ontstaat tengevolge van het overlijden van de kostwinner (artikel 64, eerste lid).
Aanspraak op uitkering
heeft de weduwe/weduwnaar die een bij de nationale wetgeving
vastgestelde leeftijd heeft bereikt of invalide is, dan wel ten minste
één kind ten laste heeft (artikel 64, tweede en derde lid). Ten aanzien van de
vastgestelde leeftijd geldt dat deze niet hoger mag zijn dan die van de
pensioengerechtigde leeftijd. Onder "een kind ten laste" wordt verstaan een kind
in de leerplichtige leeftijd of kinderen jonger dan 16 jaar. Voor leerlingen,
studenten of invalide kinderen moet een hogere leeftijd (18 jaar) worden
aangehouden (artikel 1, onderdeel g). Uitkeringen aan halfwezen kunnen worden
verleend in de vorm van al dan niet verhoogde kinderbijslag of kunnen
worden geïncorporeerd in de (verhoogde) weduwe-/weduwnaarsuitkering.
De betreffende bepalingen
komen overeen met die welke in de huidige Code en Protocol zijn
opgenomen; in de herziene Code is evenwel de gelijkheid van behandeling tot uitdrukking gebracht, in die zin dat geen
onderscheid wordt gemaakt
naar geslacht. De normen zien dus uitsluitend op de traditionele (gehuwden)gezinssituatie en bevatten geen verplichting
tot gelijkstelling van gehuwden met ongehuwd samenwonenden.
Ingeval alle ingezetenen
worden beschermd en het recht op uitkering niet aan enige wachttijd
is onderworpen, zoals in het onderhavige wetsvoorstel het geval
is, dient de uitkering voor rechthebbenden met personen ten laste,
tezamen met eventueel overig (gezins)inkomen ten minste 55% te bedragen
van het minimumloon (artikel 66 jo. artikel 73).
In tegenstelling tot
hetgeen in de huidige Code is bepaald, namelijk dat de uitkering in beginsel
tot het overlijden van de uitkeringsgerechtigde moet worden verleend, is
in de herziene Code vastgesteld dat de uitkeringen moeten worden
verleend voor de gehele duur van de eventualiteit of tot de
vervanging ervan door invaliditeits- of ouderdomsuitkeringen (artikel 68).
Indien voorts niet langer
aan de voorwaarden voor het recht op uitkering wordt voldaan,
bijvoorbeeld van het hebben van een kind ten laste, mag de uitkering worden
beëindigd (artikel 69). Geheel nieuw in de
herziene Code is ten slotte
de bepaling dat de weduwe-/weduwnaarsuitkering mag worden geweigerd,
geschorst of ingetrokken zolang de rechthebbende een
winstgevende activiteit uitoefent, waaronder wordt verstaan inkomen uit
arbeid of inkomen verworven als zelfstandige, dan wel wanneer sprake is van
samenwoning (artikel 74, eerste lid, letters i en j).
7. Het regresrecht
Er bestaat al enkele
jaren het voornemen het regresrecht in de socialeverzekeringswetten uit te
breiden naar de volksverzekeringen. Het kabinet heeft deze voornemens
kenbaar gemaakt en daarover advies gevraagd aan ondermeer de Sociaal-Economische Raad en de Sociale
Verzekeringsraad. De
bedoeling van het kabinet was de uitbreiding van het regresrecht naar de
volksverzekeringen in een apart wetsvoorstel te regelen. De voornaamste
wetten worden echter door de afspraken in het regeerakkoord de komende
tijd gewijzigd. De invoering van het regresrecht wordt daarom bij die
wetswijzigingen meegenomen. Daarom wordt rblz.|21|
nu ook het regresrecht in
verband met uitkeringen aan nabestaanden en wezen in dit wetsvoorstel
opgenomen. Gelet op de voorgeschiedenis wordt in dit hoofdstuk
wat uitgebreider ingegaan op de achtergronden en de geschiedenis van dit
voorstel, voordat de artikelen zelf worden toegelicht.
7.1. Voorgeschiedenis
Het regresrecht van de
uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen is het recht om de kosten
van een door het betrokken orgaan verstrekte uitkering te verhalen op
degene die door zijn onrechtmatig handelen er de
oorzaak van is dat een
persoon beroep moet doen op een bepaalde socialeverzekeringsuitkering. In het huidige wettelijke systeem bestaat alleen voor de
werknemersverzekeringen een regresrecht. In het verleden is ervan afgezien om ook
voor de volksverzekeringen een regresrecht tot stand te brengen. De
veroorzaker van de schade is voor dit deel niet tot schadevergoeding
verplicht. Dit betekent dat de premies voor de sociale verzekeringen hoger zijn
dan strikt noodzakelijk, terwijl die voor de (al dan niet verplichte)
aansprakelijkheidsverzekeringen relatief laag zijn, zeker in vergelijking
met de ons
omringende landen. Eén en ander leidt ertoe dat de kosten van bepaalde
maatschappelijke activiteiten, bijvoorbeeld het verkeer en de daarmee gepaard gaande onveiligheid, onvoldoende tot
uiting komen. Overigens
gaat het hier zeker niet alleen om verkeersonveiligheid. Ook de risico’s en
kosten van andere maatschappelijke verschijnselen, zoals de
milieuproblematiek, foutief medisch handelen en criminaliteit zijn voor een deel
verborgen in de uitgaven voor de sociale verzekeringen.
Zowel uit beleidsmatige
als uit financiële overwegingen acht het kabinet een herbezinning op het
regresrecht gewenst. Het gaat hier om een uitbreiding van het regresrecht naar situaties waarin dit thans niet bestaat.
Ter uitvoering van het voornemen over te gaan tot uitbreiding van het regresrecht naar de
volksverzekeringen zijn op 21 januari 1993 aan de Sociaal-Economische Raad
(SER), de Sociale Verzekeringsraad (SVr) en de Ziekenfondsraad [zie College
voor zorgverzekeringen, red.] adviesaanvragen verzonden waarin de diverse aspecten van deze uitbreiding aan
de orde zijn gesteld.
Uitbreiding van het
regresrecht naar de volksverzekeringen is overigens niet alleen een
financiële kwestie. Het betreft hier ook een principiële verandering, namelijk
een
beperking van de reikwijdte van de volksverzekeringen als verzekering. Vroeger
was het uitgangspunt van de volksverzekeringen dat zowel het risico dat
een verzekerde schade zou leiden was verzekerd, als het risico
dat een verzekerde een schade zou veroorzaken welke zou leiden tot een
uitkering of verstrekking ingevolge één van de volksverzekeringen. Thans
wordt het verzekerd risico uitdrukkelijk beperkt tot de eerste situatie.
Wie in de nieuwe situatie schade veroorzaakt die bij een ander leidt tot een
uitkering krachtens één der volksverzekeringen, is hiervoor aansprakelijk.
Voor het dekken van dit risico zal men dus - voor zover men dat nog niet gedaan heeft
- een particuliere aansprakelijkheidsverzekering
moeten afsluiten.
Het regresrecht zoals het
thans in de socialeverzekeringswetten is opgenomen, heeft een lange
voorgeschiedenis. De basis van de regeling is gelegen in het leerstuk van de onrechtmatige daad en het algemene
verzekeringsrecht, zoals
dat is neergelegd in het Wetboek
van Koophandel. Tevens
bestaan er belangrijke aanrakingspunten met de problematiek van de
verkeersverzekering.
Ingevolge artikel 162,
eerste lid, Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de pleger van een
onrechtmatige daad verplicht de schade die een rblz.|22|
ander dientengevolge
lijdt te vergoeden. De verzekeraar die de schade heeft vergoed kan verhaal
nemen op de aansprakelijke persoon dan wel diens verzekeraar. De particuliere verzekeraar wordt krachtens artikel 284
Wetboek van
Koophandel gesubrogeerd in de rechten van zijn verzekerde tegen diens
aansprakelijke wederpartij: hij heeft regres. Ook een aantal sociale verzekeringen
kennen het regresrecht. Dit is niet gebaseerd op de algemene regel van het
Wetboek van
Koophandel, maar op speciale bepalingen in de werknemersverzekeringswetten. De overheid heeft krachtens artikel 2 van
de Verhaalswet
ongevallen ambtenaren (VOA) een regresrecht voor hetgeen
zij heeft uitgekeerd aan of ten behoeve van een ambtenaar ter zake van een
aan hem overkomen ongeval op de veroorzaker van dat ongeval.
Bovendien bepaalt de Algemene burgerlijke pensioenwet dat voor
zover verhaal krachtens de Abp toegekende pensioenen niet
rechtstreeks op basis van de VOA
kan plaats vinden, de VOA op die pensioenen van
overeenkomstige toepassing is.
De AAW, de Algemene
Weduwen- en Wezenwet (AWW) en de AWBZ kennen geen regresrecht.
De gedachte hierachter was dat, waar iedere ingezetene verzekerd is, niet alleen de slachtoffers maar ook de veroorzakers
tot de Nederlandse gemeenschap behoren en premies hebben betaald. De consequentie
van het ontbreken van een regresrecht in de volksverzekeringen is dat
met name bij uitkeringen door de bedrijfsvereniging bij arbeidsongeschiktheid
de omvang van het verhaal beperkt is. Omdat de AAW
oorspronkelijk de bodemvoorziening bij arbeidsongeschiktheid was en de WAO een
loongerelateerde aanvulling daarop, bestond alleen voor het
bovenminimale deel regres.
Tijdens de parlementaire
behandeling van Boek
6 nBW is de kwestie van de regresrechten
diverse malen ter sprake gekomen (Parlementaire geschiedenis invoering Boek 6,
blz. 1404). Bij de
aansprakelijkheden van titel 6.3 heeft de wens voorop gestaan de
slachtoffers van ongevallen te beschermen. Bij de voorbereiding van
afdeling 6.3.2, zoals deze bij de Vaststellingswet (Stb. 1980, 432) tot stand is
gekomen, is uitgangspunt geweest dat de daarin opgenomen
risicoaansprakelijkheden zich niet laten verenigen met een onbeperkte doorwerking
daarvan in de regresrechten, doch dat integendeel op zijn minst
een substantiële beperking daarvan of een vervanging door een
eenvoudiger stelsel overweging verdient (Parlementaire geschiedenis
invoering Boek 6, blz.
1412). Onbeperkte doorwerking in de regresrechten zou betekenen dat het
premieniveau voor de aansprakelijkheidsverzekeringen niet onaanzienlijk zou
stijgen. Het werd niet verantwoord geacht een dergelijke
kostenstijging aan particulieren en bedrijfsleven op te leggen. Daarnaast werd
gevreesd dat een dergelijke stijging van de premies tot gevolg zou
kunnen hebben dat men nalaat zich te verzekeren tegen aansprakelijkheid.
Een argument daarvoor was dat de controle ter handhaving van de
verzekeringsplicht - aan de orde in het kader van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) - voor Justitie problemen en aanzienlijke kosten met
zich zou kunnen brengen. Soortgelijke gedachten zijn ook naar voren
gekomen bij de later ingevoegde regeling van de productaansprakelijkheid
en beide op 1 februari jl. in werking getreden regels betreffende
risicoaansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen en milieuverontreiniging in
het Burgerlijk Wetboek.
Voorts hebben de
regresrechten in het verleden een rol gespeeld in het kader van een onderzoek
om tot een regeling te komen betreffende de verkeersaansprakelijkheid.
De Studiegroep Verkeersaansprakelijkheid heeft in 1978 in deel I
van haar rapport, vergoeding van schade door dood en letsel, een voorstel
gedaan tot algehele afschaffing van de regresrechten. Naar aanleiding hiervan
is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid advies gevraagd aan
de Sociale Verzekeringsraad. In het advies, dat in 1981 is uitgebracht,
kwam de Raad tot de conclusie dat vooralsnog niet rblz.|23|
met het voorstel van de
studiegroep kon worden ingestemd en dat het gewenst is de gehele
kwestie nog eens aan een nader onderzoek te onderwerpen in het kader
van het nBW. De
SVr
stelde in zijn advies voor om de gevreesde stijging
van de te verhalen bedragen te beperken door het regresrecht slechts
in stand te laten voor de gevallen waarin dit ook vóór de invoering
van het nBW bestond, hetgeen betekende dat tegenover de uitvoeringsorganen geen
risicoaansprakelijkheid zou
gelden, maar schuldaansprakelijkheid zou blijven bestaan.
Uiteindelijk hebben deze
discussies geleid tot het op 1 januari 1992 in werking getreden artikel
197 van Boek 6 BW
(de tijdelijke regeling verhaalsrechten), waarin de status quo werd gehandhaafd. In dit kader is
erop gewezen dat een
definitieve beslissing over de reikwijdte van het regres pas kan worden
genomen zodra voldoende inzicht is verkregen in een reeks van factoren
die pas na inwerkingtreding van Boek 6 BW aan de orde kunnen komen omdat
het goeddeels gaat om de vraag hoe de sociale zekerheid en Boek
6 BW op elkaar zullen inwerken en welke dan de verhouding zal zijn
tussen de risicodragers uit hoofde van sociale verzekering, de particuliere verzekeraars
- zowel van bijvoorbeeld ziektekosten als
van aansprakelijkheid - en de overheid, daaronder begrepen het ABP [Algemeeen Burgerlijk Pensioenfonds, red.], in
verband met verhaal. Wel
is gevolg gegeven aan het verzoek van de Tweede Kamer een notitie
op te stellen die inzicht geeft op basis van de rapportage van de
Studiegroep Verkeersaansprakelijkheid in de wijze waarop ter bescherming
van verkeersslachtoffers een stelsel kan worden verkregen dat een zo
volledig mogelijke vergoeding biedt en in verband daarmee hoe het regres
bij de invoering van Boek 6 BW kan worden geregeld (Notitie Verkeersaansprakelijkheid,
Kamerstukken II 1989-1990,
21 528, nrs. 1-4).
De voorgeschiedenis maakt
duidelijk dat het moeilijk is gebleken op alle terreinen al tot een
vergaande risicoaansprakelijkheid te komen. Op de terreinen waarbij het
verhaalsrecht van de socialeverzekeringsinstanties op de veroorzaker van de
schade met name aan de orde is, te weten
verkeersaansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor medisch handelen, is nog sprake
van aansprakelijkheid op basis van het schuldbeginsel. Daarom is voor de
uitbreiding van het regresrecht in de socialeverzekeringswetten,
waarin dat nog niet was geregeld, gekozen voor handhaving van het
regresrecht vanuit het schuldbeginsel op de veroorzaker van de schade.
7.2. Opvattingen
adviesorganen ¹
1. Het advies van de
Sociale Verzekeringsbank inzake de
uitvoeringtechnische aspecten van het wetsvoorstel is ter
inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.
De Sociaal-Economische
Raad (SER) is op 17 september 1993 tot een unaniem advies gekomen.
De SER onderschrijft het
beginsel dat de kosten daar moeten worden gelegd waar deze zijn gemaakt en merkt daarbij op dat het in de discussie over het regres steeds
terugkerende profijtargument - dat schadeveroorzakers er niet van hoeven te
profiteren dat de sociale verzekeringen een deel van de schade
vergoeden - als een variant op dit beginsel kan worden gezien. De mate
waarin regres in de sociale verzekeringen kan bijdragen aan de
toerekening van de kosten aan de individuele veroorzaker mag volgens de SER echter
ook niet worden overschat. Ook deze is immers voor zijn
aansprakelijkheid verzekerd. Wel zullen de schadeveroorzakers op enig moment de
consequenties van de toerekening ondervinden in de vorm van individuele of algemene premieverhogingen. Een
zekere allocerende
werking vindt dus wel degelijk plaats.
De
SER waarschuwt ervoor
dat de verplaatsing van de lasten door het regres ook kosten met
zich brengt. De SER verwijst daarbij naar de discussie rond de Notitie Verkeersaansprakelijkheid waarbij de
stelling rblz.|24|
dat de kosten verbonden
aan het regresrecht zodanig hoog zouden zijn dat het regres alleen al
om die reden zou moeten worden afgewezen, door het kabinet werd verworpen. De SER onderschrijft dit
voor zover het gaat
om de huidige situatie,
doch stelt dat dit niet betekent dat dit zo blijft. Niet ondenkbaar is
bijvoorbeeld dat het toegenomen belang van regres tot een verharding van
verhoudingen en onderhandelingen leidt en mitsdien tot meer en langduriger
gerechtelijke procedures respectievelijk tot meer proces- en
uitvoeringskosten.
De
SER komt tot de
conclusie dat naar de huidige inzichten geen doorslaggevende argumenten meer zijn aan te voeren tegen een
uitbreiding van het
regres naar de daarvoor in aanmerking komende volksverzekeringen. Voor
de SER is daarbij het beginsel dat de kosten daar moeten worden gelegd waar
zij zijn gemaakt van doorslaggevende betekenis: een
kostenconfrontatie kan ook hier leiden tot een scherpere verantwoordelijkheidsbeleving
en tot maatschappelijk gezien meer doelmatige
allocatiebeslissingen.
Deze afwegingen van de
SER, waarbij de kosten van het regresrecht niet onderschat worden, zijn
ook voor het kabinet doorslaggevend om dit regresrecht in te voeren. Daarbij sluit het kabinet niet
uit dat dit een
bijdrage kan leveren, al
is deze wellicht gering, aan de allocatie van kosten van de socialeverzekeringsregelingen.
Bij de adviesaanvrage aan
Sociale Verzekeringsraad (SVr) werd met name gevraagd naar de
uitvoeringstechnische aspecten van de uitbreiding van de
regresrechten naar de volksverzekeringen, de financiële consequenties daarvan en
de mogelijke gedragseffecten van het in sterkere mate toerekenen
van schade aan veroorzakers.
De SVr
(november 1993) is
van oordeel dat de aansporing van het kabinet om waar mogelijk
consequenter en systematischer tot regresname over te gaan
op zijn plaats is. Dit dient wel te geschieden met behoud van de
oorspronkelijke gedragsregel dat regres alleen wordt uitgeoefend indien de
baten de kosten overtreffen en voorts de dader niet onevenredig zwaar wordt
getroffen. Voor wat betreft de eventuele uitbreiding naar de door
de Sociale Verzekeringsbank uitgevoerde wetten, is de
SVr
van oordeel dat
de uitbreiding naar de AWW gezien vanuit een kosten-batenoogpunt
opportuun kan zijn.
De conclusie die aan de
boven omschreven advisering kan worden verbonden, is dat uitbreiding van het regresrecht naar de volksverzekeringen
ook voor de adviesorganen
een gewenste ontwikkeling is. Wat betreft de omvang van het
regres zijn de adviezen eenduidig. Vanwege de onduidelijkheid van de
ontwikkelingen op het gebied van de risicoaansprakelijkheid en de daaruit
voortvloeiende onzekerheid over de kosteneffecten van een
dergelijke maatregel, pleit men ervoor om de uitbreiding van het
regresrecht alleen plaats te doen vinden voor de oude schuldaansprakelijkheid.
Dit heeft het kabinet overgenomen.
Wat betreft de
collectivering van het regres zijn de adviesorganen over het algemeen positief
gestemd. Collectivering betekent dat de schadeverzekeraars jaarlijks een
bedrag aan
de sociale verzekeraars overmaken om (bijvoorbeeld) de
schadelast van het verkeer te vergoeden. Alle regresprocedures worden
dan in één keer afgekocht. De uitvoeringskosten zullen bij collectivering
kunnen afnemen, met zowel een positief effect op de kosten voor
de bij het regres betrokken organen en verzekeraars als op de belasting voor
de rechterlijke macht.
Dat collectivering van
het regres belangrijke voordelen heeft, staat ook volgens het kabinet vast.
Waar thans echter nog veel onduidelijkheid bestaat over
uiteindelijke hoogte van de betrokken bedragen, lijkt het rblz.|25|
verstandig om eerst
enkele jaren af te wachten hoe het regresrecht zich ontwikkelt en dat dan
bezien wordt of aan verdere uitbreiding op dit punt behoefte bestaat. Het is
in de optiek van het kabinet onjuist om de invoering van het
regresrecht afhankelijk te maken van afspraken over collectivering, zoals de
Raad van State heeft aanbevolen. Onderzoek naar collectivering zou
te veel tijd in beslag nemen, waarbij geen garantie
bestaat dat er gelet op
de verschillende belangen overeenstemming zal komen over de
vaststelling van de afkoopsom. De belangen zijn divers en financieel omvangrijk.
Indien het regresrecht nu wordt ingevoerd, bestaat er daarentegen juist
inzicht in de omvang van de kosten, waardoor deze een incentive vormen voor
alle partijen om snel tot collectivering te komen.
7.3. Inhoud voorstellen
Het regresrecht wordt
geregeld door in hoofdstuk 4 van deze wet een drietal bepalingen op te
nemen die de relatie met het burgerlijk recht regelen en waarin aan de
Bank een regresrecht wordt toegekend.
Het uitgangspunt daarbij
is dat het gaat om een sociale verzekering: het verzekeringskarakter van
deze wet staat voorop.
De sociale verzekeringen
komen tot op zekere hoogte overeen met een schadeverzekering, wat
ook tot uitdrukking komt in het regresrecht. Bij deze wet is het
verzekeringskarakter duidelijk: er wordt premie betaald en er wordt een duidelijk
omschreven risico, inkomensverlies tengevolge van overlijden,
verzekerd. Een regresrecht is hier derhalve op zijn plaats.
Omvang regres
Over de omvang van het
regres is het volgende bepaald. De rechter moet bij het vaststellen
van de schadevergoeding rekening houden met de aanspraken die de nabestaande of de ouderloos geworden kinderen
krachtens deze wet hebben
(artikel 55 [60]). Vervolgens kan de Bank de door haar gemaakte kosten op
de schadeplichtige verhalen. Omdat het regresrecht van de Bank
in het verlengde ligt van de schadevergoedingsvordering van de nabestaanden van
het slachtoffer, is dit verhaal aan een maximum gebonden. Dit
heeft men gedaan door een fictie op te nemen: de Bank kan niet méér verhalen dan het bedrag dat de nabestaanden zou kunnen vorderen als de
betreffende sociale verzekering niet zou hebben bestaan. Dit maximum
wordt het civiel plafond genoemd (artikel 56 [61]). Voorts is het regres
beperkt tot gevallen van schuldaansprakelijkheid. Dat wil zeggen dat voor de
vaststelling van het totale bedrag waarvoor aansprakelijkheid naar
burgerlijk recht zou bestaan, de artikelen betreffende wettelijke
aansprakelijkheid buiten schuld van degene die de schade veroorzaakt buiten
toepassing blijven. Om dit te bewerkstelligen is in artikel 197 van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek de verwijzing naar artikel 56 [61]
van deze wet
opgenomen.
Hoogte regres
Om de hoogte van het
regres te kunnen vaststellen, moet de rechter dus eerst de hoogte van de
schadevergoeding van het slachtoffer vaststellen, zoals die zou zijn geweest als er geen sociale verzekeringen waren
geweest. De rechter gaat
er dan van uit dat in die situatie de nabestaanden van het
slachtoffer een schadevergoeding ontvangen zouden hebben uit een
particuliere verzekering. De vraag of die fictieve schadevergoeding
onderworpen zou zijn geweest aan de heffing van belastingen en premies is
in de jurisprudentie aan de orde geweest. Daarbij lijkt de Hoge
Raad te streven naar een zo’n eenvoudig mogelijke regeling. De Hoge Raad
heeft uitgaande van de wettelijke fictie bepaald dat over de
schadevergoeding die het slachtoffer in die fictieve situatie rblz.|26|
ontvangen zou hebben geen
belastingen verschuldigd zouden zijn. Dit maakt dat het maximaal
verhaalbare bedrag afgezet moet worden tegen het netto civiel plafond.
In artikel 56 [61] wordt dan
ook uitgegaan van een nettosysteem. Daarmee blijft de nu bij de
regresregeling in de WAO en ZW toegepaste praktijk gehandhaafd.
Regres op de werkgever en
collega’s van het slachtoffer
Vervolgens is de vraag
aan de orde in hoeverre de werkgever aangesproken kan worden bij
onrechtmatig handelen van zijn zijde dat de dood van de verzekerde tot gevolg had. Thans zijn de mogelijkheden tot regres
hierbij zeer gering. De SER achtte het wenselijk dat regres op de werkgever en collega-werknemer beperkt blijft tot gevallen waarin sprake is van opzet en bewuste
roekeloosheid; vanzelfsprekend dient daarbij direct causaal verband te
bestaan met de schade. Om dezelfde redenen en met het oog op een
uniforme regeling zou de beperking van regres op de werkgever en
collega-werknemer tot gevallen van opzet en bewuste roekeloosheid ook moeten
worden doorgetrokken naar de volksverzekeringen. De SVr
deelt de opvatting
van de SER dat regres op de werkgever en de collega-werknemer
beperkt dient te blijven tot gevallen van opzet of bewuste roekeloosheid.
Het regresrecht richting
werkgever stelt op dit moment niet veel voor. Thans bevat de wet de
term bewuste roekeloosheid. In de praktijk wordt hier een zeer beperkte uitleg aan gegeven: alleen waar de bewuste
roekeloosheid grenst aan
opzet wordt aansprakelijkheid aangenomen. Historisch gezien is dit
goed verklaarbaar. In het verleden dekten de Ongevallenwetten het
risico dat de werkgever aansprakelijk gesteld zou worden voor de schade die
de werknemer tengevolge van een bedrijfsongeval zou lijden. In dat kader
was zelfs de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever jegens
zijn werknemer opgeheven. Het beleid is er tegenwoordig op gericht dat ondernemers hun bedrijfsvoering zo inrichten dat de
gezondheid van hun werknemers daardoor niet onevenredig in gevaar wordt gebracht.
Bovenstaande redenering
zou ervoor pleiten de beperking van het regres voor feiten binnen
de werksfeer te laten vervallen en ook hier uit te gaan van de algemene
schuldaansprakelijkheid die met betrekking tot derden bestaat. In
verband met het feit dat de problematiek van de verantwoordelijkheid van
de werkgever onderdeel uitmaakt van de discussies rond
maatregelen op het gebied van arbeidsomstandigheden, wordt hier echter
voorlopig van afgezien. De gehele wetgeving op het gebied van de
arbeidsomstandigheden en de zorgplicht van de werkgever zal grondig worden
herzien. Teneinde te voorkomen dat de discussie over de zorgplicht ook voor
een deel reeds in het kader van het regresrecht wordt gevoerd, is ervoor
gekozen de uitzonderingsbepaling voor de werkgever voorlopig nog
te handhaven als in de WAO en de ZW en deze regresmogelijkheid op de werkgever ook hier in
deze wet op te nemen
(artikel 57 [62]).
8. Gevolgen voor de
aanvullende nabestaandenpensioenen
8.1. De particuliere
sector
De verantwoordelijkheid
voor het afspreken en vormgeven van aanvullende ouderdoms- en
nabestaandenpensioenen in de particuliere sector berust bij werkgevers en werknemers dan wel hun organisaties.
Het nabestaandenpensioen wordt in de meeste pensioenregelingen vormgegeven door het te
definiëren als een vast percentage van het te bereiken
ouderdomspensioen. Voor de hoogte van zo’n nabestaandenpensioen rblz.|27|
is het al dan
niet uitgekeerd worden van een wettelijke nabestaandenuitkering of
de hoogte van die uitkering in de meeste gevallen niet van belang.
Wijzigingen in de wettelijke verzekering zoals in dit wetsvoorstel aan de
orde zijn, zijn in die gevallen niet relevant, omdat zij het op grond van de
aanvullende pensioenregeling uit te keren bedrag niet beïnvloeden.
In twee gevallen hebben
wijzigingen in de wettelijke regeling waardoor geen recht op wettelijk
nabestaandenpensioen bestaat of een gekorte uitkering wordt
uitgekeerd, wel gevolgen voor het aanvullend nabestaandenpensioen. Het
betreft ten eerste de zogenaamde inbouwregelingen. Daarbij bedraagt de
bovenwettelijke nabestaandenvoorziening ook een percentage van
het ouderdomspensioen bij volle diensttijd, zoals berekend zonder inbouw
wegens de AOW-uitkering, en daarop wordt na pensioeningang de
AWW-uitkering in mindering gebracht. Wordt in zo'n geval uitgegaan van het
feitelijk ontvangen bedrag aan wettelijke uitkering, dan kan sprake
zijn van automatische kostenstijgingen in de bovenwettelijke
pensioensfeer bij wijziging van het wettelijke systeem. Ten tweede gaat het om
regelingen die voorzien in een extra uitkering in geval van het ontbreken
van een wettelijke nabestaandenuitkering (de zgn. hiatenregelingen). In
deze regelingen zal een zekere lastenverhoging optreden als gevolg van
het bij meer deelnemers ontbreken van het recht op of het verlagen van de
uitkering.
Het kabinet vindt het
niet redelijk om partijen die een pensioenovereenkomst hebben gesloten die op
enigerlei wijze rekening houdt met de AWW, te confronteren
met onvoorziene kosten als gevolg van wetswijziging zonder dat
de partijen voldoende tijd is gegund om zich naar aanleiding van de
nieuwe wet opnieuw te beraden over de vormgeving van de eigen
pensioenregeling. Daarom is in deze wet een zogenaamde paraplubepaling
opgenomen om de werkgevers en werknemers in de gelegenheid te stellen hun regelingen desgewenst aan
te passen aan deze wet.
De paraplubepaling houdt in dat tot 1 januari 2000 deze wet niet kan
leiden tot wijziging van de in guldens uitgedrukte pensioenaanspraken,
rechten en verplichtingen. Dit betekent dat voor de aanvullende
pensioenregelingen het AWW-regime van toepassing blijft als ware deze wet in
stand gebleven. Er wordt rekening gehouden met een fictieve
AWW-uitkering.
De paraplubepaling in
hoofdstuk 10 geldt ook de overheidspensioenregelingen.
De werking van de paraplubepaling voor een bepaalde pensioenregeling eindigt uiterlijk op 1
januari 2000 of zoveel eerder als partijen bij een pensioenregeling een herziening van de regeling van het
nabestaandenpensioen
overeenkomen dan wel overeenstemming bereiken over handhaving
van de thans geldende regeling van het nabestaandenpensioen. De
datum van 1 januari 2000 hangt samen met artikel 2b van de Pensioen-
en spaarfondsenwet. Op grond van dit artikel (dat op 1 januari 2000 in
werking treedt) moeten in pensioenregelingen die een
nabestaandenpensioen kennen, gelijkwaardige keuzemogelijkheden zijn opgenomen tussen een
nabestaandenpensioen en een (hoger of eerder ingaand)
ouderdomspensioen.
Van belang voor de
aanvullende pensioenen is voorts dat in hoofdstuk 10 een wijziging wordt
voorgesteld van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds. Deze wijziging leidt
ertoe dat
de mogelijkheid wordt geschapen dat onderdelen van statuten en reglementen met
betrekking tot nabestaandenpensioen niet verplicht worden gesteld. Op die
manier kan desgewenst voorkomen worden dat afspraken over een
nabestaandenpensioen, bijvoorbeeld ten aanzien van het opvullen van een
AWW-gat (door het ontbreken van een recht op nabestaandenuitkering
voor bepaalde groepen nabestaanden), door verplichtstelling worden
opgelegd aan ongeorganiseerden.
rblz.|28|
8.2. De overheidssector
De overheidspensioenen
worden gekenmerkt door hun integrale karakter. Dat wil zeggen
dat in beginsel een bepaald pensioenresultaat wordt gegarandeerd, ongeacht het al dan niet ontvangen van een op een
volksverzekering
berustend algemeen pensioen. Het pensioenresultaat wordt uitgedrukt in een
percentage van het laatstelijk genoten ambtelijke inkomen (bij ouderdoms-
en invaliditeitspensioen), dan wel in een gedeelte van het
ouderdomspensioen (bij nabestaanden- en wezenpensioenen). Dit geldt zowel voor het
tot 1 januari 1986 geldende inbouwsysteem als voor
het vanaf 1 januari 1986 van kracht zijnde franchisesysteem.
In het
inbouwsysteem
wordt het AOW-pensioen in mindering gebracht op het ambtelijk
pensioen. In het franchisesysteem wordt geen ambtelijk pensioen opgebouwd over
dat gedeelte van het inkomen dat is afgedekt door het AOW-pensioen.
Dit verschilt feitelijk niet van het vroegere inbouwsysteem. Met ingang van 1 januari 1995 is dit systeem in zoverre
gewijzigd dat een
uniforme franchise wordt gehanteerd voor alleenstaanden en voor gehuwden (of voor
de toepassing van de AOW daarmee gelijkgestelden). Dit betekent dat nu door alle deelnemers een gelijk aanvullend pensioen wordt
opgebouwd.
Het nabestaandenpensioen
bedraagt in beginsel 5/7 deel van het - eventueel bij fictief
voortdurend dienstverband te bereiken - ouderdomspensioen van de overleden
ambtenaar. Voor het nabestaandenpensioen houdt het voor de
diensttijd vóór 1 januari 1986 geldende inbouwsysteem in dat per dienstjaar van
de ambtenaar aan wiens overlijden het recht op
nabestaandenpensioen wordt ontleend, 2% van het AWW-pensioen wordt
ingebouwd, in zover die nabestaande recht heeft op een AWW-pensioen. Bestaat
geen recht op een AWW-pensioen, dan vindt er geen inbouw plaats. In
het per 1 januari 1986 ingevoerde franchisesysteem wordt voor de diensttijd
gelegen na 31 december 1985 uitgegaan van de veronderstelling
dat per dienstjaar 2,5% van het AOW-pensioen wordt ontvangen door de pensioengerechtigde (en diens echtgenote/noot
of partner). Door de
koppeling van het AWW-pensioen aan de AOW-pensioenen wat
betreft de hoogte van die pensioenen, betekent het voorgaande dat in het
franchisesysteem wordt verondersteld dat de nabestaande per
dienstjaar 2,5% van het AWW-pensioen ontvangt. Indien deze veronderstelling
niet juist is en de nabestaande geen recht heeft op een AWW-pensioen, heeft
deze aanspraak op een toeslag van 2,5% van het AWW-pensioen per
dienstjaar.
Het voorgaande houdt in
dat invoering van een nieuwe nabestaandenwet in de
plaats van de AWW, conform het voorstel van de
regering, zonder nadere
maatregelen financiële gevolgen zou hebben voor de
nabestaandenpensioenen ingevolge de overheidspensioenwetten. De uitkeringslasten
zouden toenemen door de verminderde aanspraken ingevolge de
volksverzekering. Op enige belangrijke aspecten heeft het ABP de financiële gevolgen van de invoering van de Algemene nabestaandenwet
voor het ABP berekend. De gevolgen van het (steeds verder) optrekken
van de leeftijdsgrens voor nabestaanden zonder kinderen zal naar verwachting leiden tot een toename van de lasten voor
het ABP met ƒ3 mln in het eerste jaar en met ƒ24 mln vanaf het vijftiende
jaar. Voor wat betreft de inkomensafhankelijkheid van de nabestaandenwet kan
gesteld worden dat elke procent verlaging van de wettelijke
nabestaandenuitkering tengevolge van inkomensafhankelijkheid zal leiden tot een
verhoging van de ABP-voorziening van ƒ30 mln. Eveneens kan
gesteld worden dat het niet opnemen van gelijke behandeling van gehuwden
en ongehuwd samenwonenden in de rblz.|29|
nabestaandenwet zal
leiden tot extra lasten voor het ABP, aangezien voor het overheidspersoneel
wel een partnerpensioen is voorzien (het wetsontwerp dat voorziet
in de invoering van het partnerpensioen met terugwerkende kracht tot
en met 1 juli 1994 ligt voor advies bij de Raad van
State). In totaal
zouden deze drie punten leiden tot een stijging van de synthesepremie met ruim
1,6 procentpunt, uitgaande bij het tweede aspect van een 20%-daling van de
uitkering ingevolge de nabestaandenwet in verband met de inkomensafhankelijkheid.
Eén en ander is behoudens de
premieafdracht mutatis mutandis ook van toepassing voor het militaire personeel van
Defensie.
9. Financiële
consequenties en inkomenseffecten
In onderstaande tabel
worden de financiële consequenties aangegeven van het
wetsvoorstel.
Daarbij worden eerst de besparingen in de AWW ten opzichte van ongewijzigd beleid weergegeven, uitgesplitst naar de
effecten van de
verschillende maatregelen. De financiële effecten van de verschillende maatregelen
beïnvloeden elkaar. In de tabel zijn de partiële financiële effecten
weergegeven van de maatregelen bij volgtijdelijke uitvoering in de volgorde
waarin ze in de tabel staan.
Vervolgens worden de
meeruitgaven in de ABW [zie Abw, red.]
weergegeven die ontstaan als gevolg van
het wetsvoorstel. Ten slotte wordt het besparingsverlies als gevolg van het niet
invoeren van het oude wetsvoorstel Anw aangegeven. Het bedrag
dat per saldo resteert is de besparing ten opzichte van de
meerjarenraming ten tijde van de opstelling van het regeerakkoord.
De financiële effecten
in de tabel betreffen alleen de uitkeringslasten. De uitvoeringskosten worden
in hoofdstuk 3 aan de orde gesteld.
Financiële effecten Algemene
nabestaandenwet, invoering 1 januari 1996 (in mln gld., prijzen 1994):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
Struct. |
a.
cohortsgewijze uitsluiting:
b. verlagen 100%-uitk.+ vervallen tijdelijke uitk.:
c. inkomenstoets:
d. bruidsschat:
e. wezen:
f. pseudo-weduwen (stelpost): |
0x
0x
0x
0x
0x
0x |
35x
20x
60x
40x
0x
0x |
115x
40x
190x
40x
0x
0x |
210x
50x
1125x
25x
0x
0x |
315x
60x
1095x
25x
0x
0x |
3670x
90x
175x
5x
15x
0x |
| Besparing in AWW
t.o.v.
ongewijzigd beleid: |
0x |
155x |
385x |
1410x |
1495x |
3955x |
| Weglek naar de ABW: |
0x |
-25x |
-70x |
-125x |
-180x |
-1710x |
| Besparing per
saldo t.o.v. ongewijzigd beleid: |
0x |
130x |
315x |
1285x |
1315x |
2245x |
| Besparingsverlies niet
invoeren Anw: |
-25x |
-110x |
-435x |
-455x |
-695x |
-965x |
Besparing per saldo
t.o.v. ongewijzigde meerjarenraming:
x |
-25x
x
|
20x
x
|
-120x
x
|
830x
x
|
620x
x
|
1280x
x
|
+ = besparing, - = kosten
Ad a. cohortsgewijze
uitsluiting
Bij de berekening is
uitgegaan van de meerjarenraming bij ongewijzigd beleid van de SVB.
Uitgegaan is van invoering per 1 januari 1996. De structurele opbrengst is
gebaseerd op het volume in 1999. In onderstaande tabel wordt een overzicht
gegeven van het volume in de AWW bij ongewijzigd beleid.
rblz.|30|
Volume AWW bij
ongewijzigd beleid (jaargemiddelden):
| xxxxxxxxxxxxxxxxx |
|x1995x| |
|x1996x| |
|x1997x| |
|x1998x| |
|x1999x| |
Nabestaanden
met kind <18 j.
- weduwen:
- weduwnaar:
Nabestaanden
zonder kind <18 j.
- weduwen:
- weduwnaars: |
17 600x
5 900x
136 900x
27 200x |
17 200x
5 800x
136 400x
27 800x |
16
800x
5
700x
136 100x
28 300x |
16 400x
5 600x
136 300x
28 700x |
16 100x
5 400x
137 000x
29 000x |
Totaal:
x |
187 600x |
187 200x |
186 900x |
187 000x |
187 500x |
Bron: SVB
In de structurele
situatie (als de nabestaanden geboren vóór 1945 65 jaar zijn geworden)
zullen alleen nabestaanden met kinderen onder de 18 recht hebben op een
nabestaandenuitkering. Een uitzondering vormt de groep arbeidsongeschikte
nabestaanden. Zij krijgen immers ook recht op een uitkering als zij
geen kinderen onder de 18 hebben. In totaal resteert dan een groep van ruim 21
000 nabestaanden met kinderen onder de 18 plus een groep van naar
schatting ruim 2000 arbeidsongeschikte nabestaanden zonder
kinderen onder de 18 (uitgaande van de volumina in 1999).
Volume AWW bij gewijzigd
beleid (jaargemiddelden):
| xxxxxxxxxxxxxxxx| |
x1995x |
x1996x |
x1997x |
x1998x |
x1999x |
xStruct.x |
Nabestaanden
met kind <18 j.
- weduwen:
- weduwnaar:
Nabestaanden
zonder kind <18 j.
- weduwen:
- weduwnaars: |
17 600x
5 900x
136 900x
27 200x |
17 200x
5 800x
135 300x
27 500x |
16
800x
5
700x
132 600x
27 300x |
16 400x
5 600x
129 600x
26 800x |
16 100x
5 400x
126 300x
26 000x |
16 100x
5 400x
2 000x
300x |
Totaal:
x |
187 600x |
185
800x |
182 400x |
178
400x |
173
800x |
23
800x |
Ad b. Verlaging
100%-uitkering en vervallen tijdelijke uitkering
De verlaging van de
100%-uitkering voor nabestaanden met een kind onder de 18 jaar gebeurt
voor bestaande gevallen geleidelijk, via bevriezing. Nieuwe
gevallen met een kind onder de 18 jaar worden per 1 januari 1996
geconfronteerd met de 90%-uitkering.
De tijdelijke uitkering
vervalt per 1 januari voor nieuwe gevallen. Met deze tijdelijke uitkering
was in 1993 ƒ7 miljoen gemoeid.
Ad c. Inkomenstoets
Het effect van de
inkomenstoets is berekend op basis van CBS-gegevens [CBS: Centraal
Bureau voor de Statistiek, red.] over het inkomen van AWW-gerechtigden in 1990. Deze
cijfers geven aan dat
ongeveer 65% van de weduwen geen inkomen uit of in verband met arbeid
heeft. Bij de weduwnaars ligt dit percentage op ongeveer 15%. De
inkomenstoets heeft voor deze groepen geen effect op de hoogte van de
uitkering . Ook degenen met een inkomen uit arbeid onder de vrijlatingsgrens
(15% minimumloon) [zie
artikel 18 Anw of normbedragen
Anw, red.] ondervinden geen gevolg van de inkomenstoets.
Degenen met een 90%-uitkering die een inkomen uit arbeid hebben hoger
dan ƒ362,- bruto per maand (15% minimumloon) en lager dan ƒ3536,- bruto
per maand zien hun uitkering gekort, maar behouden een deel van de
uitkering. Bij een inkomen boven ƒ3536,- bestaat rblz.|31|
dan geen recht meer op
uitkering. Voor degenen met een 70%-uitkering bestaat bij een inkomen
uit arbeid van ƒ3012,- bruto per maand geen recht meer op uitkering
(prijzen 1994). Naar schatting zullen als gevolg van de inkomenstoets ongeveer
60% van de mannelijke rechthebbenden en 5% van de vrouwelijke
rechthebbenden geen uitkering meer krijgen. In onderstaande grafiek worden de inkomenseffecten geïllustreerd.
De opmerkingen van de SVB
geven geen aanleiding de raming met betrekking tot de inkomenstoets te herzien. Zoals de SVB zelf ook
aangeeft, is de raming
met veel onzekerheden omgeven. De conclusie van de SVB dat de door SZW
berekende besparing in ieder geval gerealiseerd zal kunnen worden, lijkt
wel gerechtvaardigd.
Ad d. Bruidsschat
Momenteel krijgt een
AWW-gerechtigde die gaat trouwen een uitkering ineens ter hoogte van het
jaarbedrag van de AWW-uitkering. Hiermee is momenteel jaarlijks bijna ƒ40 miljoen
gemoeid. In de nabestaandenwet komt deze
zogenaamde bruidsschat te vervallen. De ingeboekte besparing
neemt in de loop der tijd af omdat de kosten van de bruidsschat, wanneer deze
niet zou worden afgeschaft, zouden afnemen als gevolg van de
vermindering van het volume in de nabestaandenwet en doordat het jaarbedrag
afneemt als gevolg van de inkomenstoets.
Ad e. Wezen
De huidige AWW kent een
recht op wezenpensioen tot de wees de leeftijd van 27 jaar bereikt. In de
nabestaandenwet wordt het recht op
wezenpensioen beëindigd op 21-jarige leeftijd. Bij wijze van overgangsrecht is geregeld dat wezen van
16 tot 27 jaar met een AWW-uitkering hun recht behouden conform de
AWW. Door dit overgangsrecht treden de eerste vijf jaar geen
besparingen op. Structureel levert deze maatregel ƒ15 miljoen op.
Ad f. Pseudo-weduwen
De huidige AWW kent recht
op een uitkering toe aan de ex-echtgenoot van de overledene wanneer
de ex-echtgenoot zowel op het moment van scheiding als op het moment van overlijden aan alle eisen voor een
AWW-uitkering voldeed. De nabestaandenwet stelt een aanvullende eis
rblz.|32|
aan de ex-echtgenoot,
namelijk
dat deze alimentatiegerechtigd was. Deze maatregel zal een geringe
besparing opleveren. Deze besparing is niet te kwantificeren omdat zowel
gegevens over het aantal pseudo-weduwen in de huidige AWW als
gegevens over hoeveel personen alimentatie ontvangen ontbreken.
Weglek naar de ABW
Als gevolg van de
cohortsgewijze uitsluiting zal een aantal nabestaanden in de bijstand
terechtkomen. Bij het berekenen van de
weglek is, evenals bij
het berekenen van de inkomenstoets, uitgegaan van gegevens van het CBS over
het inkomen van AWW-gerechtigden in 1990. Hierbij is ook het
inkomen uit aanvullend nabestaandenpensioen en inkomen uit vermogen,
alsmede het vermogen zelf in de berekening betrokken, conform de
normen van de ABW [zie Abw, red.]. Nadrukkelijk moet hierbij worden gesteld dat geen
rekening is gehouden met gedragseffecten. Met andere woorden, met een
stijging van de arbeidsparticipatie van weduwen als gevolg van
het feit dat zij geen recht meer hebben op een AWW-uitkering is geen
rekening gehouden. Ook met een autonome stijging van de
participatiegraad is geen rekening gehouden. Verder is geabstraheerd van een
mogelijke herverzekering van het AWW-gat op de particuliere
verzekeringsmarkt. Deze effecten (toename participatie en particuliere verzekering)
zijn niet meegenomen omdat zij moeilijk te kwantificeren zijn. Voor
zover ze optreden, leiden beide effecten tot een vermindering van de weglek.
Besparingsverlies niet
invoeren Anw
Ten tijde van het
regeerakkoord was de geraamde besparing als gevolg van het oude wetsvoorstel
Anw reeds ingeboekt in de meerjarenramingen. In het regeerakkoord is afgesproken op de AWW in 1998
ƒ820
miljoen te besparen ten
opzichte van de meerjarenramingen. Dit betekent dat ten opzichte van
ongewijzigd beleid de taakstelling voor 1998 ƒ820 miljoen plus de reeds
ingeboekte besparing van ƒ455 miljoen bedraagt, in totaal dus ƒ1270
miljoen.
Besparing per saldo
Het huidige voorstel
leidt tot een besparing ten opzichte van ongewijzigd beleid van ƒ1285 miljoen en ten opzichte van de meerjarenraming
van ƒ830 miljoen in 1998.
Dit is iets hoger dan de besparing die in het regeerakkoord is
afgesproken als gevolg van een op onderdelen nadere invulling van het
voorstel.
Naast de besparing op de
uitkeringslasten nemen de ontvangsten van het nabestaandenfonds toe
als gevolg van de invoering van het regresrecht. Het gaat om ongeveer ƒ10
miljoen in 1998. Daartegenover staan de extra kosten die de SVB
moet maken om de nieuwe Algemene nabestaandenwet uit te
voeren. Deze bedragen ca. ƒ4 miljoen in 1998.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 3. [Zie
art. 4 Anw, red.]
In dit artikel wordt
geregeld dat met de nabestaande gelijk wordt gesteld de persoon van
wie de ex-echtgenoot is overleden en die een alimentatie of andere vergoeding in levensonderhoud van die
ex-echtgenoot ontving. Er
moet sprake zijn van een verplichting van de ex-echtgenoot ten
opzichte van de nabestaande en zijn kinderen. Om misbruik van de regeling
te voorkomen is bepaald dat de verplichting tot levensonderhoud moet
blijken uit een rechterlijk vonnis of een overeenkomst die is vastgelegd in een
notariële akte of een akte mede ondertekend rblz.|33|
door een advocaat.
Hierdoor wordt het ook mogelijk voor de Bank de hoogte van de
uitkering tot levensonderhoud vast te stellen. Dit is ook noodzakelijk voor de
vaststelling van de hoogte van de nabestaandenuitkering voor deze nabestaanden op
grond van artikel 16 [17], derde lid. Voor de formulering van deze
verplichting is aangesloten bij de artikelen 157-162 Boek
1 BW. Wat
betreft de onderhoudsplicht voor de kinderen kan verwezen worden naar
artikel 395a (meerderjarige kinderen, maar onder eenentwintig jaar) en
artikel 404 (onderhoudsplicht voor minderjarige kinderen naar draagkracht). Er is
van uitgegaan dat deze verplichting tot
levensonderhoud ten opzichte van de ex-echtgenoot eindigt in de in artikel 160
Boek 1 BW genoemde omstandigheden, dat wil zeggen bij een nieuw huwelijk dan wel bij het
gaan samenleven met een andere als waren zij gehuwd. De voorwaarde
voor gelijkstelling die wel in artikel 4a van de AWW is genoemd,
namelijk
dat de nabestaande niet is hertrouwd, is in dit artikel niet meer
benoemd, omdat met toepassing van artikel 160 BW
de verplichting tot betaling
van alimentatie al is geëindigd. Verder is de eis gesteld dat recht op
nabestaandenuitkering had moeten bestaan als vond het overlijden plaats op
de dag van ontbinding van het huwelijk. De aanspraak van deze
nabestaande wordt dus mede beoordeeld naar de omstandigheden op de dag
van de echtscheiding.
Artikel 4. [Zie
art. 5 Anw, red.]
De
omschrijving van het kind is zowel van belang voor de relatie van het
kind tot de nabestaande om te kunnen vaststellen of dit kind tot zijn
zorg behoort als om te kunnen bepalen of een kind bij overlijden van een
verzekerde aanspraak kan maken op een wezenuitkering indien het door dat
overlijden ouderloos wordt.
De uitzonderingen op wie als kind wordt
aangemerkt in het derde en het vierde lid gelden alleen om vast te
stellen of die persoon als kind van de nabestaande kan worden
aangemerkt. In die omstandigheden (de nabestaande heeft niet het
ouderlijk gezag of het pleegkind is niet aan de pleegouderlijke zorg van
de nabestaande toevertrouwd) is dat kind geen kind van de nabestaande.
Voor de formulering van het derde lid is aangesloten bij de
formuleringen in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat wordt aangepast met de Wet
houdende nadere regeling van het gezag over en van de omgang met
minderjarige kinderen (het wetsvoorstel op dit punt is in behandeling
bij de Eerste Kamer, Kamerstukken I 1994-1995, 23 012, nr. 73).
Artikel 6. [Zie
art. 7 Anw, red.]
Deze nadere omschrijving
van waar iemand woont is van belang voor de regeling van de kring
der verzekerden (artikel 12 [13]). Dit artikel is niet gewijzigd ten opzichte
van de AWW.
Artikel 7. [Zie
art. 8 Anw, red.]
De bedoelde
ministeriële regeling is het besluit van 13 juli 1959 (regels betreffende vermoedelijk
overlijden), dat gebaseerd was op artikel 4 AWW. Dit besluit zal aan deze wet worden aangepast.
Artikel 8. [Zie
art. 9 Anw, red.]
Om voor een
wezenuitkering in aanmerking te komen dient het kind ouderloos te zijn. In
aansluiting op de bepalingen in de AWW (artikel 16) is voor de duidelijkheid
bepaald dat het kind ouderloos is als de overblijvende ouder niet het ouderlijke
gezag heeft over het kind. Daarvoor is aangesloten bij de
formulering van het derde lid van artikel 4 [5].
Dat het kind ouderloos is als de moeder overlijdt en er geen vader
is rblz.|34|
omdat het niet door een
man is erkend, is vanzelfsprekend en is daarom niet meer expliciet in de
begripsbepalingen geregeld (vergelijk artikel 4b AWW).
Artikel 9. [Zie
art. 10 Anw, red.]
In
de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur (AMvB)
wordt op vergelijkbare wijze als in het
Inkomensbesluit Toeslagenwet en het Inkomensbesluit AOW [zie Inkomensbesluit
AOW 1996, red.] geregeld uit welke inkomensbestanddelen
inkomen uit of in verband met arbeid bestaat en hoe het inkomen wordt
vastgesteld. In deze AMvB zal ook bepaald worden hoe, met welke
valutaomrekeningen, rekening wordt gehouden met inkomen afkomstig uit
het buitenland.
Artikel 10. [Zie
art. 11 Anw, red.]
De
formulering van het arbeidsongeschiktheidsbegrip is overgenomen uit
artikel 12 AWW, dat is aangepast aan het nieuwe
arbeidsongeschiktheidsbegrip. Bij de formulering van het eerste lid is
rekening gehouden met de technische verbetering van de vergelijkbare
bepaling in de WAO en AAW, die naar het
kabinet verwacht nog dit jaar tot stand zal komen. Deze verbetering is
opgenomen in een voorgenomen wetsvoorstel Technische
verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige
andere wijzigingen, dat binnenkort bij de Tweede Kamer zal worden
ingediend. Het betreft overigens een zuivere formuleringstechnische
aanpassing.
Artikel 11. [Zie
art. 12 Anw, red.]
Dit artikel is gelijk aan
artikel 6a AWW, dat met de inwerkingtreding van de Algemene wet
bestuursrecht in de AWW is opgenomen. In verband met het voorstel voor de
Regeling van de organisatie belast met de inning van onderhoudsbijdragen
voor kinderen en met de vaststelling en inning van onderhoudsbijdragen
voor jeugdhulpverlening (Wet
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, Kamerstukken II 1994-1995, 23 938), waarin de raad voor de
kinderbescherming wordt verzelfstandigd en de taken overgaan naar het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt in dit artikel en in artikel
44 [49] al verwezen naar dit bureau.
Artikel
12.
[Zie
art. 13 Anw, red.]
De kring der verzekerden
is dezelfde als die voor de AWW. Met deze wet worden daarin geen
wijzigingen voorgesteld. De AMvB, bedoeld in het tweede lid, is het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989
(KB 164).
Artikel
13. [Zie
art. 14 Anw, red.]
Dit artikel regelt de
voorwaarden voor het recht op nabestaandenuitkering. Om voor een
nabestaandenuitkering in aanmerking te komen moet ten minste aan één van de genoemde voorwaarden worden voldaan.
Door de definitie van
nabestaande (echtgenoot van de verzekerde) is de echtgenoot van een
niet-verzekerde geen nabestaande en ontstaat bij overlijden van een niet-verzekerde echtgenoot op grond daarvan al geen
recht op uitkering. Voor
de toelichting op de voorwaarden wordt verwezen naar het algemene deel
van deze toelichting.
rblz.|35|
Artikel
14. [Zie
art. 15 Anw, red.]
Dit
artikel regelt wanneer geen recht op uitkering bestaat. Volgens de
systematiek, die ook in andere socialeverzekeringswetten
gebruikelijk is, wordt dit direct geregeld na de bepaling over het
recht. Het tweede lid stemt overeen met het vierde lid van artikel 14
AWW. Er kunnen bijzondere bepalingen gelden voor de verzekering(sduur)
van de overleden echtgenoot indien verzekerde tijdvakken in het
buitenland worden meegeteld. Dit zal veelal in de verdragen en
internationale regelingen geregeld zijn. Er kan echter behoefte blijken
aan nadere regelgeving. Omdat het karakter van zo'n regeling verder gaat
dan een puur uitvoeringstechnische maatregel, is gekozen voor regeling
in een AMvB in plaats van op het niveau van een ministeriële regeling,
zoals in de AWW.
Het vierde lid betreft het herleven van een oud
recht op nabestaandenuitkering in verband met het overlijden van een
eerdere echtgenoot, dat geëindigd was wegens het huwen van de
nabestaande.
Artikel
15. [Zie
art. 16 Anw, red.]
Dit artikel regelt de
omstandigheden waarin het recht op uitkering eindigt. Deze zijn: wanneer niet meer aan enige voorwaarde voor het recht
op uitkering wordt
voldaan, de nabestaande in het huwelijk treedt of wanneer hij de leeftijd
van 65 jaar bereikt. In het tweede lid is geregeld op welk tijdstip de
eindiging van het recht ingaat.
Artikel
16. [Zie
art. 17 Anw, red.]
Dit
artikel bepaalt dat de hoogte van de nettonabestaandenuitkering is
gekoppeld aan het nettominimumloon en hoe die
uitkering dan gebruteerd wordt. Aangegeven wordt hoe de
uitkeringsbedragen direct zijn af te leiden van het nettominimumloon. De
bedragen van de uitkeringen worden als gebruikelijk bij wijziging
bekendgemaakt.
Het derde lid bevat de regeling voor de
maximering van de uitkering van de nabestaande die recht op
nabestaandenuitkering ontleent aan het feit dat de ex-echtgenoot aan de
nabestaande een uitkering tot levensonderhoud verschuldigd was.
Artikel
17. [Zie
art. 18 Anw, red.]
Hierin wordt de korting wegens andere inkomsten en de daarbij te
hanteren vrijlating van inkomsten uit arbeid geregeld. De
inkomensafhankelijkheid van de uitkering is in het algemene deel
toegelicht. Bij het vaststellen van de vrijlating wordt uitgegaan van
het brutominimumloon inclusief
overhevelingstoeslag. Dit is geregeld in het voorstel tot wijziging van
de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies in
artikel 76 van dit wetsvoorstel, onderdeel B [zie artikel
82, onderdeel B, Anw, red.].
Artikel
18. [Zie
art. 19 Anw, red.]
Wijzigingen in inkomen in een bepaalde maand (verandering uitkering,
verlies arbeid of weer of meer arbeid gaan verrichten, etc.) leiden tot
herziening van de nabestaandenuitkering in diezelfde maand. Op deze
herziening heeft het eerste lid betrekking. Het tweede lid gaat om
herziening van de uitkering wegens wijziging van andere voorwaarden dan
wijziging in het inkomen, bijvoorbeeld verlaging van de uitkering van
90% naar 70% van het
nettominimumloon of verlaging wegens
samenloop met een uitkering afkomstig uit het buitenland, waarop artikel
19 [20] betrekking heeft. Leidt dit tot een
lagere uitkering, dan geldt als rblz.|36|
ingangsdatum de volgende
maand, bij een hogere uitkering is de ingangsdatum van de
herziening dezelfde maand.
De bedoeling van dit
artikel is de dag van ingang van de herziening te regelen en daarmee
tegelijk geen onduidelijkheid te laten bestaan dat de uitkering per maand
kan
worden herzien bij wijziging van het inkomen.
Artikel
19. [Zie
art. 20 Anw, red.]
Deze bepaling over
samenloop met een uitkering afkomstig uit een ander land komt ook in de
AWW voor (artikel 30a). De bedoelde AMvB is de AMvB van 20 maart 1968
(Stb. 1968, 174), die laatstelijk gewijzigd is bij Besluit van 21 februari
1972 (Stb. 1972, 89). Het gaat om regels over hoe de uitkering naar
Nederlandse valuta wordt omgerekend en hoe rekening moet worden gehouden met
die buitenlandse uitkeringen en de in het buitenland opgebouwde
verzekerde tijdvakken. De regeling van de omrekening van de in
buitenlandse munteenheid uitgedrukte uitkering in deze AMvB wordt afgestemd
met hetgeen over de omrekening van inkomen afkomstig uit het
buitenland moet worden geregeld in het Inkomensbesluit, bedoeld
in artikel 9 [10]. Deze AMvB zal ook regels bevatten voor de samenloop van een
Nederlandse met een buitenlandse uitkering in verband met de aftrek
van inkomen uit of in verband met arbeid, ook indien die buitenlandse
uitkering voorziet in een aftrek van inkomen uit of in verband met arbeid en
daardoor de uitkeringen wederzijds kunnen worden geschorst of verminderd.
Artikel
20. [Zie
art. 21 Anw, red.]
Dit
artikel over de doorwerking van verhogingen in de brutobedragen die geen
invloed hebben op het uit te betalen particulier of overheidspensioen,
waarbij met de uitkeringen (dus ook de wezenuitkering) op grond van deze wet
wordt rekening gehouden na ingang van dat pensioen, komt overeen met het
bepaalde in artikel 21 AWW. Het tweede lid vloeit voort uit de Wet van
30 juni 1994 tot wijziging van de Pensioen-
en spaarfondsenwet en enige andere wetten (wettelijk recht op
waardeoverdracht en enige andere maatregelen op het aanvullende
pensioenterrein, Stb. 1994, 496).
Artikelen
21, 22, 23 en 24. [Zie artt. 22-29 Anw,
red.]
Inhoudelijk zijn de
bepalingen over de wezenuitkering toegelicht in het algemene deel van de
toelichting. De systematiek van regelen van het recht op de
wezenuitkering en de hoogte van deze uitkering is gelijk aan die van de
nabestaandenuitkering. Wel is in artikel 23 [28] een aparte regeling opgenomen over het
herleven van de uitkering indien het ouderloos kind weer voldoet aan
voorwaarden, zoals het alsnog een opleiding volgen, terwijl de uitkering
eerder beëindigd was omdat dit kind niet was gaan studeren. Deze
mogelijkheid hangt samen met het feit dat het recht op wezenuitkering ingaat
wanneer aan de voorwaarden is voldaan en in tegenstelling tot de
nabestaandenuitkering de datum van ingang niet uitsluitend gekoppeld is
aan de datum van overlijden van de verzekerde.
Artikelen
25,
26 en 27. [Zie
artt. 30-32 Anw, red.]
De bepalingen over de
vakantie-uitkering zijn afgestemd op die van de nabestaandenuitkering.
Artikel 27 [32] bevat bijzondere bepalingen over het hoogte van de
vakantie-uitkering bij verlaging van de nabestaandenuitkering wegens ander
inkomen van
de nabestaande en over de hoogte van deze uitkering in
samenhang met een uitkering verkregen uit een ander land.
rblz.|37|
Artikel
28. [Zie
art. 33 Anw, red.]
In
dit artikel wordt geregeld dat de Bank beslist
op aanvraag. De vakantie-uitkering wordt ambtshalve toegekend, omdat
geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat zonder dat er recht is op
nabestaanden- of wezenuitkering. De beslissingstermijn wordt beheerst
door de Algemene wet
bestuursrecht. De algemene maatregel van bestuur die in het vijfde
lid wordt bedoeld, is het Besluit beslistermijnen
socialeverzekeringswetten (Stb. 1993, 779) [zie Wet beslistermijnen sociale
verzekeringen, red.], dat onder andere op artikel 6 AWW is
gebaseerd. Dit besluit zal aan deze wet
worden aangepast. Dit betekent dat uitgegaan zal worden van de
beslistermijn voor de AWW. Deze beslistermijn is conform artikel 13 van
dit besluit dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Het zesde lid
voorziet erin dat de toekenning van de vakantie-uitkering niet wordt
bekendgemaakt door toezending of uitreiking van het besluit daartoe aan
de rechthebbende. Als gevolg daarvan kan daarbij geen melding worden
gemaakt van de mogelijkheid en de termijn van bezwaar en beroep tegen zo’n
besluit. Achtergrond hiervan is dat de vakantie-uitkering in feite
gekoppeld is aan de nabestaanden- of wezenuitkering en er daarom geen
reden is voor aparte bekendmaking van de toekenning van deze uitkering.
Daarom behoeft deze uitkering ook niet apart te worden aangevraagd.
Artikelen
29 tot en met 40. [Zie artt. 34-45 Anw,
red.]
Deze bepalingen stemmen overeen met de wijzigingen van de socialezekerheidswetten
in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van
administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte
regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de
invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid), die zijn opgenomen in het
wetsvoorstel dat in behandeling is bij de Tweede Kamer der
Staten-Generaal (Kamerstukken II 1994-1995, 23 909). In dit wetsvoorstel
zijn geen bepalingen voor de AWW opgenomen, omdat voorzienbaar was dat
die wet zou worden gewijzigd en zou worden vervangen door deze wet.
De artikelen 29 tot en met 40 [34-45] volgen
de systematiek in bovengenoemd wetsvoorstel. Voor de achtergrond bij dat
stelsel van boeten en maatregelen en terug- en invorderingsbepalingen
wordt verwezen naar de algemene toelichting bij dat wetsvoorstel
(Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 3).
In deze bepalingen is het niet meewerken aan
het geneeskundig onderzoek (verwijzing naar artikel 32 [37])
apart genoemd naast de verwijzing naar artikel 31 [36]
(controlevoorschriften), alhoewel deze verplichting te beschouwen is als
een bijzonder controlevoorschrift. Artikel 32 [37]
is echter voor de duidelijkheid als aparte verplichting gehandhaafd,
omdat het zich verplicht onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek een
bijzondere inbreuk op de persoonlijke integriteit betreft die een
duidelijke wettelijke basis behoeft.
Voor een goede uitvoering is het van belang dat
de Bank naast het vaststellen van
controlevoorschriften ook bevordert dat de nabestaande gemakkelijker
toegang krijgt tot de arbeidsmarkt. In samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal de Bank daartoe activiteiten
moeten ontwikkelen. Dit is geregeld in het derde lid van artikel 31 [36].
De voorschriften voor de samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de verslaglegging daarover zijn
opgenomen in de Organisatiewet sociale verzekeringen (het nieuwe artikel
30a, zie artikel 74, onderdeel D [zie artikel
80, onderdeel D, Anw,
red.]).
Artikelen
41 tot en met 44. [Zie artt. 46-49 Anw,
red.]
Deze bepalingen over het
betalen van de uitkering waren in het wetsvoorstel Anw ten opzichte van de AWW (artikelen 28 en 31)
aangepast aan de
systematiek van socialeverzekeringswetten van rblz.|38|
recentere datum, zodat
duidelijk is dat maandelijks betaald wordt, dat de betaling kan worden
opgeschort of een lopende betaling kan worden geschorst en dat een
voorschot kan worden verstrekt. Voor het overige zijn deze artikelen
inhoudelijk gelijk aan de genoemde artikelen in de AWW.
Artikel
45. [Zie
art. 50 Anw, red.]
Dit
artikel regelt de uitbetaling van de vakantie-uitkering. In principe
wordt de vakantie-uitkering betaald in de maand mei over maximaal twaalf
maanden die aan die maand zijn voorafgegaan. Dit was ook geregeld in
artikel 37d
AWW. Geregeld is nu ook dat indien het recht op nabestaandenuitkering
eindigt op een eerder tijdstip dan de maand mei, de vakantie-uitkering
wordt uitbetaald in de maand waarin het recht eindigt. Op deze regel is
een uitzondering, namelijk indien de nabestaande de 65-jarige leeftijd
bereikt en een recht op AOW ontstaat. Daar de
AOW ook door de
Bank wordt uitgevoerd, heeft het de voorkeur
dat in de maand mei een gecombineerde uitbetaling plaatsvindt van de
vakantie-uitkering over de AOW- en nabestaandenuitkering.
De ministeriële regeling, bedoeld in het
tweede lid, is vergelijkbaar met de regeling die gebaseerd is op artikel
37f AWW.
Artikel
46. [Zie
art. 51 Anw, red.]
Bij de formulering van de
overlijdensuitkering is rekening gehouden met het advies van de
Sociale Verzekeringsraad van november 1993. Mede op basis van dit
advies heeft het kabinet in het kader van de maatregelen in de AOW
nadere voorstellen tot wijziging van de socialeverzekeringswetten
gedaan. Doel is de bepalingen in alle socialeverzekeringswetten te
harmoniseren. Voorts wordt voorgesteld de periode waarnaar de
overlijdensuitkering wordt berekend te bepalen op exact twee maanden. Dit artikel
is aangepast aan die voorstellen.
Artikelen
48 tot en met 50. [Zie
artt. 53-55, red. Anw]
Deze bepalingen zijn
afgestemd op die in het hiervoor bij de artikelen 29 tot en met 40 [34-45] genoemde
wetsvoorstel. Door wijzigingen in de andere wetten in dat
wetsvoorstel is de verrekening in het algemeen geregeld (in dit wetsvoorstel via
artikel 40 [45]). Door de wijziging van de Algemene bijstandswet
(Abw) in dat
wetsvoorstel (artikel 14f Abw) is in de regeling van de verrekening met
gemeenten bij achteraf toekennen van een nabestaandenuitkering
voorzien. Het is dus niet meer noodzakelijk dit apart te regelen, zoals
in artikel 35a van de AWW.
Artikelen
52 en
53. [Zie
artt. 57 en 58 Anw, red.]
In het wetsvoorstel met
technische verbeteringen, waarvan hiervoor bij artikel 10 [11]
melding is
gemaakt, wordt voorgesteld deze artikelen over het uitbetalen van een uitkering aan een instelling op gelijke wijze te
formuleren. Daarbij is
hier al aangesloten. De uitkering aan de instelling na het overlijden van de
nabestaande of het ouderloos kind is geformuleerd als in de voorstellen van
het kabinet die vermeld zijn bij artikel 46 [51]. Inhoudelijk stemmen deze
bepalingen overeen met die in de AWW (artikelen 32 en 33).
Artikelen
55,
56 en 57. [Zie
artt. 60-62 Anw, red.]
Deze artikelen bevatten
het regresrecht. De inhoud van de artikelen is toegelicht in hoofdstuk 7
van het algemene deel van deze toelichting.
rblz.|39|
Artikel
58.
[Zie
art. 63 Anw, red.]
Het
kabinet treft voorbereidingen die uiteindelijk moeten leiden tot een
herziening van het huidige Besluit vrijwillige verzekering AOW, AWW en
AAW [zie Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001, red.]. De
voorstellen voor die wijziging van het besluit kunnen ook tot een
wijziging van dit artikel in de wet leiden.
Over de voorstellen is al advies ingewonnen bij de voormalige Sociale
Verzekeringsraad. Dit artikel wordt aangepast tegelijk met het
vergelijkbare artikel in de andere genoemde wetten indien dat
noodzakelijk blijkt.
Artikelen
60 en
61. [Zie
artt. 65 en 66 Anw, red.]
De
bepalingen over beroep en bezwaar zijn gelijk aan die in de artikelen 52
en 53 van de AWW, die aangepast zijn aan de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) en op dezelfde punten van de Awb afwijken. De termijn van
beslissing op bezwaar is afwijkend van die van zes weken in de Awb. De
zeswekentermijn is voor de Bank onvoldoende om
de bezwaarschriften naar behoren af te doen.
Het beroep in cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep
geldt alleen voor uitspraken die betrekking hebben op elementen die de
verzekeringsplicht betreffen. Daarbij is de samenhang met de
belastingheffing van belang. De premie wordt geheven door de belastingdienst.
Daarom is het noodzakelijk dat zaken als waar iemand woont bij de
belastingheffing en de heffing premies volksverzekeringen op dezelfde
wijze beoordeeld worden. Deze samenhang blijkt ook uit het tweede lid
van artikel 61 [66].
Artikel
62.
[Zie art. 67 Anw, red.]
Het
overgangsrecht als geregeld in dit artikel is toegelicht in het algemene deel van de
toelichting. In dit artikel wordt geregeld welke aanspraken de
personen met een AWW-uitkering met toepassing van deze wet
behouden.
Op grond van de Wet van 9 april 1959 (de Wet
beperking samenloop van uitkeringen ingevolge de AWW met uitkeringen en
renten op grond van de Ongevallenwet 1921) wordt de rente of uitkering
op grond van de Ongevallenwet 1921 slechts uitbetaald wanneer deze het
weduwenpensioen overtreft. Op grond hiervan komen de meeste renten
ingevolge de Ongevallenwet niet tot uitbetaling. Door de werking van het
overgangsrecht zal de AWW-uitkering met toepassing van deze wet worden
vastgesteld. Vanaf 1998 wordt daarbij ook de inkomenstoets toegepast.
Het kan nog voorkomen dat door de lagere nabestaandenuitkeringen die als
gevolg van de inkomenstoets ontstaan, het recht op rente op grond van de
Ongevallenwet 1921 weer tot uitbetaling moet komen. Omdat het om zeer
oude aanspraken gaat en het in alle gevallen nagaan of de inkomenstoets
tot dit effect leidt tot grote uitvoeringslast zal leiden, wordt in het
tweede lid bepaald dat voor dit soort gevallen de inkomenstoets buiten
aanmerking blijft. Daarmee wordt bereikt dat aan weduwen wier renten op
grond van de Ongevallenwet momenteel niet worden betaald in verband met
de ontvangst van AWW-pensioen, ook in de toekomst geen oude rente
behoeven te worden uitbetaald.
Artikel
63. [Zie
art. 68 Anw, red.]
Dit
artikel bepaalt dat de uitkering van de AWW-gerechtigden met kinderen
jonger dan 18 jaar op 100% van het nettominimumloon
wordt vastgesteld op de dag van inwerkingtreding van
deze wet. De uitkering wordt gebruteerd
conform het bepaalde in artikel 16 [17],
tweede lid, maar de uitkomst blijft gelijk aan 100% van het
nettominimumloon, zoals dat geldt op de dag van inwerkingtreding van
deze wet. Door deze bevriezing wordt rblz.|40|
uiteindelijk
bereikt dat
de uitkering wordt verlaagd naar het niveau van 90% van het
nettominimumloon. Wanneer de grens van 90% van het nettominimumloon wordt
bereikt, vervalt de vaststelling van de uitkering op grond van het eerste
lid. Dit is geregeld in het tweede lid.
Artikel
64. [Zie
artt. 69 en 70 Anw, red.]
Dit artikel regelt het
overgangsrecht voor ontvangers van een tijdelijke uitkering op grond van de
AWW. Deze blijft doorlopen voor de periode waarvoor hij op grond van artikel 13 AWW is vastgesteld.
Artikel
65. [Zie
art. 71 Anw, red.]
De uitkering van de wees
die al een wezenuitkering ontving, wordt vastgesteld volgens de
bepalingen van deze wet. De hoogte van de uitkering is die van
artikel 24 [29]. Het enige verschil is dat een wees op grond van de AWW onder bepaalde
voorwaarden recht had op een uitkering tot de leeftijd van 27 jaar
in plaats van 21 jaar, zoals bij die omstandigheden (voor arbeid beschikbare
tijd grotendeels besteden aan volgen van onderwijs of verzorging
van huishouden) in deze wet is bepaald. In het tweede lid van dit
artikel wordt erin voorzien dat de wees in de leeftijdscategorie van 21
tot 27 jaar in die
omstandigheden zijn uitkering behoudt zolang hij aan de
voorwaarden die in deze wet aan de wezenuitkering worden gesteld, blijft
voldoen.
Artikel
66. [Zie
art. 72 Anw, red.]
De vakantie-uitkering
wordt aangepast aan de uitkering die op grond van artikel 63 [68]
is
vastgesteld (overgang van 100% naar 90% nettominimumloon en bevriezing). Voor
het
overige bestaat ook recht op vakantie-uitkering over
de nabestaandenuitkering die met toepassing van artikelen 62 [67]
en 64 [69 en 70] wordt
toegekend. Dit vloeit voort uit de hoofdregel in artikel 25 [30]
van deze wet.
Artikel
68. [Zie
art. 74 Anw, red.]
Hier wordt in algemene zin geregeld dat alle verplichtingen ten laste
van het Weduwen- en Wezenfonds worden overgenomen en ten laste van het
Nabestaandenfonds worden gebracht.
De uit dit hoofdstuk
voortvloeiende lasten worden betaald uit het Nabestaandenfonds. In de
Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) wordt geregeld welke
uitgaven ten laste komen van het Nabestaandenfonds. Dat lasten
voortvloeiend uit dit overgangsrecht ten laste komen van het
Nabestaandenfonds is daarom geregeld met een wijziging van artikel 30
van de Wfv
(tweede lid onderdeel b, zie artikel 75 [81]
van
dit wetsvoorstel).
Artikelen
69 tot en met 73. [Zie artt. 75-79 Anw, red.]
Deze strafbepalingen zullen, indien het voorstel van Wet concentratie strafbaarstelling
frauduleuze gedragingen (Kamerstukken II 1994-1995, 23 993) wet
wordt en in werking is getreden, met uitzondering van artikel 71 [77]
kunnen vervallen. Dit is geregeld in artikel 90 [95]
van deze
wet. Inhoudelijk blijven ze gelijk. Ze zullen echter in algemene zin
geregeld worden in het Wetboek
van Strafrecht. De strafbepalingen zijn overigens gelijk aan die in
hoofdstuk IX van de AWW.
rblz.|41|
Artikel
74. [Zie
art. 80 Anw, red.]
In
de Organisatiewet sociale verzekeringen (artikel 28) wordt met deze
wijziging de uitvoering van deze wet
opgedragen aan de Bank.
In onderdeel D [zie artikel
80, onderdeel D, Anw, red.] is de
samenwerking tussen de Bank en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
geregeld. Evenals de bedrijfsverenigingen wordt de Bank verplicht de minister
over de wijze van samenwerking te rapporteren. De verslaglegging aan het
Tica heeft tot doel over de samenwerking met de bedrijfsverenigingen tot
afstemming te komen.
Artikel
75. [Zie
art. 81 Anw, red.]
De
wijziging van
artikel
30 van Wfv is hiervoor bij artikel 68 [74]
al genoemd. Omdat de uitkeringen op grond hoofdstuk VIII van AWW
beschouwd worden als uitkeringen op grond van de AWW, die vallen onder
het overgangsrecht van artikel 62 [67], is
het niet noodzakelijk in de
Wfv nog naar de lasten op grond van dit
hoofdstuk te verwijzen.
Artikel
76. [Zie
art. 82 Anw, red.]
Onderdeel B. [Zie art.
82, onderdeel B, Anw, red.]
Artikel 3 betreft het meenemen van de overhevelingstoeslag (OT) bij het
berekenen van uitkeringen die gekoppeld zijn aan het minimumloon.
Hierbij is berekening op grond van de AWW feitelijk niet meer aan de
orde. Daarom zijn de in dit artikel genoemde AWW-bepalingen geschrapt.
Voor het overige kunnen in deze wet (afdeling 3) de bepalingen voor de
AWW nog van betekenis zijn.
Door de toevoeging van artikel 17 [18],
tweede lid, van deze wet in dit artikel 3
wordt bereikt dat door de werking van het eerste lid van artikel 3 bij
de berekening van de vrijlating op basis van het bedrag van 15% van het
minimumloon de OT wordt meegenomen.
Onderdeel C. [Zie art.
82, onderdeel C, Anw, red.]
Deze wijziging is
noodzakelijk om bij samenloop te kunnen vaststellen hoe de overhevelingstoeslag wordt meegenomen.
Artikel
78. [Zie
art. 84 Anw, red.]
In
het
algemene deel van
de toelichting is beschreven dat de AAW in die zin gewijzigd wordt
dat de AAW-uitkering niet wordt ingetrokken wanneer de betrokkene in
aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering. Dit wordt geregeld in de
onderdelen A tot en met D [zie artikel 84,
onderdeel A tot en met D, Anw, red.].
Dit heeft tot gevolg dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van lopende
gevallen kan worden heropend. Deze heropening kan pas ingaan op 1
januari 1998, omdat dan ook de inkomenstoets kan plaatsvinden (onderdeel
E [zie artikel 84, onderdeel E, Anw, red.]).
Hiermee wordt voorkomen dat een nabestaande door de werking van het
overgangsrecht in artikel 62 [67] met de
heropening twee uitkeringen naast elkaar kan hebben, terwijl dit met de
oude regeling nadrukkelijk werd voorkomen. Het derde lid van artikel 38
(onderdeel E [zie artikel 84, onderdeel E, Anw, red.])
heeft betrekking op de vrouwen die op grond van de AAW een bruidsschat
ontvingen. Conform de huidige bepalingen in de AAW wordt deze uitkering
toegerekend aan de periode waarnaar hij is berekend. Het kan voorkomen
dat die periode nog doorloopt na de in het eerste lid genoemde datum van
ingang van de heropening. In dat geval kan de heropening pas ingaan na
afloop van de bedoelde periode.
rblz.|42|
Artikel
83. [Zie
art. 89 Anw, red.]
Door deze wijziging van de Ziekenfondswet kan
degene die een nabestaanden- of wezenuitkering ontvangt onder de verder
in de Ziekenfondswet genoemde voorwaarden verzekerd worden voor de
Ziekenfondswet.
Artikel
84. [Zie
art. 90 Anw, red.]
In dit artikel van de Wet
op de toegang tot ziektekostenverzekering wordt bepaald onder welke
voorwaarden een persoon die een nabestaandenuitkering
ontvangt in aanmerking kan komen voor ontheffing van de
verplichte ziekenfondsverzekering.
Artikel 85.
[Vervallen, red.]
Deze wijziging van de Wet
betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds is
toegelicht in hoofdstuk 8 van het algemene deel van deze toelichting. Het
betreft de mogelijkheid regelingen van aanvullend nabestaandenpensioen van de verplichtstelling uit te sluiten.
Artikelen
86 tot en met 88. [Zie artt. 91-93 Anw,
red.]
Het betreft redactionele
aanpassingen in de verwijzingen in deze wetten.
Artikel
89. [Zie
art. 94 Anw, red.]
Deze wijziging van het
Burgerlijk
Wetboek vloeit voort uit de invoering van het regresrecht in
deze wet. De wijziging is in paragraaf 7.3 van het algemene deel van de
toelichting nader toegelicht.
Artikel
91. [Zie
art. 97 Anw, red.]
Dit artikel is hiervoor
bij de strafbepalingen (artikelen 69 tot en met 73) [75-79] toegelicht.
Artikelen
92 en
93. [Zie
artt. 98 en 99 Anw, red.]
Het betreft redactionele
wijzigingen in de Algemene bijstandswet en in de
Ioaw en Ioaz, waarvan
de herziening op het moment van indiening van dit wetsvoorstel nog niet in werking is getreden.
Artikel
94. [Zie
art. 100 Anw, red.]
Om
te zorgen dat tegen uitspraken van de rechtbank
op beroep tegen besluiten op grond van
deze wet hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep
kan worden ingesteld, moet deze wet op de bijlage C bij de Beroepswet
[lees: bijlage bij de Beroepswet,
onderdeel C, red.] worden geplaatst. De Centrale Raad van
Beroep heeft op de datum van inwerkingtreding van deze wet ook nog
besluiten op grond van de AWW te behandelen. Daarom wordt de AWW niet
van deze bijlage geschrapt.
Artikel
95. [Zie
art. 103 Anw, red.]
Deze paraplubepaling is in hoofdstuk 8 van het
algemene deel van deze toelichting besproken.
Omdat op grond van artikel 2b van de Pensioen-
en spaarfondsenwet in de pensioenregelingen keuzemogelijkheden voor
een nabestaandenpensioen moeten worden opgenomen en dit artikel op 1
januari 2000 in rblz.|43|
werking treedt om
voldoende tijd te hebben voor aanpassing van bestaande
pensioenregelingen, is de aanpassing van pensioenregelingen aan deze wet aan
dezelfde termijn gekoppeld.
Artikel
96. [Zie
art. 104 Anw, red.]
Het voornemen van
evaluatie van de wet wordt hiermee in de wet geregeld. De keuze van de
evaluatietermijn van tien jaar is in het algemene deel van de
toelichting toegelicht.
Artikel
97. [Zie
art. 105 Anw, red.]
Het gaat hier
bijvoorbeeld om gevallen waarin de verzekerde vóór de datum van inwerkingtreding van
deze wet is overleden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|