|
13 juli 1998/nr. SV/VP/98/2888
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel
4, tweede
lid, en 7, tweede lid, van het Besluit ex artikel
66a Anw;
Besluit:
Art. 1.
Hoogte van de
bijdrage
De hoogte van de door de
persoon of de echtgenoot aan de Bank
verschuldigde bijdrage, bedoeld in artikel
4, eerste en tweede lid, van
het Besluit
ex artikel 66a Anw, bedraagt met
ingang van 1 januari 2012 €|57,68
per maand.
Art. 2. Vervallen.
Art. 3.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling op grond van
Besluit ex artikel 66a Anw.
Art. 4.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 1999.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 13 juli
1998.
De Staatssecretaris
voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[13 juli 1998]
Op grond van
artikel
66a van
de Algemene nabestaandenwet (Anw) is in het Besluit
ex artikel 66a Anw (hierna te noemen het
besluit) een voorziening getroffen
voor mensen die onverzekerbaar zijn.
Iemand is onverzekerbaar als hij óf
door een verzekeraar geweigerd wordt voor een overlijdensrisicoverzekering
óf slechts wordt geaccepteerd tegen een
premie die minimaal 2,5-maal zo
hoog is als de premie voor iemand zonder
gezondheidsrisico’s in dezelfde
leeftijdscategorie voor dezelfde verzekering.
Op grond van het besluit kan
een nabestaande die niet aan de eisen genoemd in artikel 14 van de Anw
voldoet, toch onder bepaalde voorwaarden aanspraak krijgen op een
nabestaandenuitkering op grond van de Anw.
Eén van die voorwaarden is
dat met ingang van 1 juli 1999 een
maandelijkse bijdrage dient te worden
betaald aan de Sociale Verzekeringsbank. In deze regeling wordt die bijdrage met ingang van 1 juli 1999
vastgesteld op ƒ100,- per maand (artikel 1).
De regeling staat open voor
personen die geboren zijn tussen 1
januari 1950 en 1 juli 1956 waarvan
de echtgenoot volgens bovenstaande
definitie onverzekerbaar is. Betrokkenen dienen zich vóór 1 april 1999 te
melden bij de SVB.
Om te bepalen of een persoon
onverzekerbaar is, kan het noodzakelijk zijn dat een verzekeraar deze
persoon aan een medisch onderzoek zal
moeten onderwerpen. Op grond van
artikel 7 van het besluit ontvangt een
verzekeraar van de SVB een vergoeding in
de kosten van dat onderzoek. In
artikel 2 van deze regeling is
vastgelegd dat indien de echtgenoot, om te
bepalen of hij onverzekerbaar is,
aan een medisch onderzoek is onderworpen, een verzekeraar afhankelijk
van de aard en omvang van het
medisch onderzoek dat is verricht,
een vergoeding per onverzekerbare
echtgenoot ontvangt.
Bij het onderzoek door een
huisarts zal in de meeste gevallen
een bloedonderzoek behoren. De hoogte van de voorgestelde vergoeding is
daarop afgestemd. Bij het vragen van aanvullende inlichtingen wordt gedacht
aan aanvullende inlichtingen bij
de arts die de persoon eerder heeft
onderzocht. Ten aanzien van de genoemde maximumbedragen wordt opgemerkt dat de in
artikel 2 genoemde
bedragen vaste standaardbedragen, inclusief eventuele belastingen,
zullen zijn. In de praktijk betekent dit dat
aan een verzekeraar slechts een
vergoeding wordt verstrekt voor één
onderzoek door een huisarts, één
gericht medisch onderzoek en eenmaal voor
aanvullende inlichtingen. Deze
onderdelen kunnen wel naast elkaar
voorkomen. Welk onderzoek of welke onderzoeken door een verzekeraar zijn
verricht, zal moeten blijken uit de
door een verzekeraar ingediende declaratie bij de SVB.
Aan de vergoeding aan
verzekeraars die de echtgenoot aan een
medisch onderzoek heeft onderworpen,
bestaat alleen behoefte in het jaar
1999; het jaar waarin bepaald dient te
worden of de echtgenoot
onverzekerbaar is. Artikel 4, tweede lid,
voorziet in verband hiermee alvast in een aantal
wijzigingen van deze regeling per 1
januari 2000.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|