|
BESCHIKKING ingevolge
artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (vermoedelijk overlijden)
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
Gelet
op artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
Besluit:
Art.
1.
-1. Voor de toepassing van de Algemene
nabestaandenwet wordt iemand vermoed te zijn overleden
wanneer hij gedurende één jaar afwezig is zonder dat er bericht is
ingekomen waaruit blijkt dat hij in leven is of wanneer er één jaar
verlopen is na de dag waarop hij volgens de laatste tijding nog in leven
was, één en ander mits de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk
maken.
-2. Ingeval iemand zich aan boord van een
vaartuig bevond en hij vermist is ter gelegenheid van een noodlottige
gebeurtenis aan dat vaartuig, aan een deel van de bemanning of
passagiers overkomen, wordt hij, in afwijking van het bepaalde in het
eerste lid, vermoed te zijn overleden wanneer gedurende drie maanden na
het tijdstip waarop die gebeurtenis heeft plaatsgevonden of geacht moet
worden te hebben plaatsgevonden, geen bericht is ingekomen waaruit
blijkt dat hij in leven is. Onder vaartuig is mede begrepen een
luchtvaartuig.
-3. Ingeval iemand wegens omstandigheden in
verband met de Tweede Wereldoorlog is vermist en het bepaalde in het
vorige lid niet op hem van toepassing is, wordt hij, ook zonder dat
overigens omstandigheden aanwezig zijn welke zijn dood waarschijnlijk
maken, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vermoed te zijn
overleden.
Art.
2.
-1. Uit de omstandigheden wordt afgeleid
welke dag als dag van vermoedelijk overlijden moet worden vastgesteld.
-2. Wanneer iemand vermist is ter
gelegenheid van een noodlottige gebeurtenis als bedoeld in het tweede
lid van artikel 1 en vermoed wordt te zijn overleden,
wordt als dag van het vermoedelijk overlijden aangenomen de dag waarop
die gebeurtenis heeft plaatsgevonden of geacht moet worden te hebben
plaatsgevonden.
-3. Wanneer iemand zich aan boord van een
vaartuig of een luchtvaartuig bevond waaromtrent gedurende één jaar
geen bericht is ingekomen en hij vermoed wordt te zijn overleden, wordt
de dag van het vermoedelijk overlijden gesteld op de dag volgende op die
waarop volgens de laatste tijding het vaartuig of het luchtvaartuig nog
bestond, en indien van geen tijding blijkt, op de dag volgende op die
waarop het vaartuig of het luchtvaartuig het laatste in zee gestoken
onderscheidenlijk opgestegen is.
-4. Wanneer iemand wegens omstandigheden in
verband met de Tweede Wereldoorlog is vermist en ingevolge het derde lid
van artikel 1 vermoed wordt te zijn overleden, wordt
als dag van het vermoedelijk overlijden aangenomen de eerste januari van
het vijfde kalenderjaar volgende op dat in de loop waarvan voor het
laatst van het bestaan van de vermiste bleek, met dien verstande dat het
vermoedelijk overlijden niet op een vroegere datum dan op 1 januari 1950
wordt gesteld.
Art.
3. Overgangsbepaling
Wanneer op de dag waarop de artikelen
8 en 13 van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet in werking treden reeds voor de toepassing
van de Invaliditeitswet van
iemand het vermoedelijk overlijden alsmede de dag van dat overlijden
zijn vastgesteld, geldt deze vaststelling tevens voor de toepassing van
de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
's-Gravenhage, 13 juli
1959.
De staatssecretaris voornoemd,
B. Roolvink.
|