St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene nabestaandenwet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  VERMOEDELIJK  OVERLIJDEN
 
 

13 juli 1959, Stcrt. 1959, 134
Inwerkingtreding: 4 augustus 1959
(T.a.v. art. 8:2 Anw)

 

  
 

 

 
BESCHIKKING ingevolge artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (vermoedelijk overlijden)

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
    
Gelet op artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
-1. Voor de toepassing van de Algemene nabestaandenwet wordt iemand vermoed te zijn overleden wanneer hij gedurende één jaar afwezig is zonder dat er bericht is ingekomen waaruit blijkt dat hij in leven is of wanneer er één jaar verlopen is na de dag waarop hij volgens de laatste tijding nog in leven was, één en ander mits de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken.
-2. Ingeval iemand zich aan boord van een vaartuig bevond en hij vermist is ter gelegenheid van een noodlottige gebeurtenis aan dat vaartuig, aan een deel van de bemanning of passagiers overkomen, wordt hij, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vermoed te zijn overleden wanneer gedurende drie maanden na het tijdstip waarop die gebeurtenis heeft plaatsgevonden of geacht moet worden te hebben plaatsgevonden, geen bericht is ingekomen waaruit blijkt dat hij in leven is. Onder vaartuig is mede begrepen een luchtvaartuig.
-3. Ingeval iemand wegens omstandigheden in verband met de Tweede Wereldoorlog is vermist en het bepaalde in het vorige lid niet op hem van toepassing is, wordt hij, ook zonder dat overigens omstandigheden aanwezig zijn welke zijn dood waarschijnlijk maken, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vermoed te zijn overleden.

 

Art. 2.
-1. Uit de omstandigheden wordt afgeleid welke dag als dag van vermoedelijk overlijden moet worden vastgesteld.
-2. Wanneer iemand vermist is ter gelegenheid van een noodlottige gebeurtenis als bedoeld in het tweede lid van artikel 1 en vermoed wordt te zijn overleden, wordt als dag van het vermoedelijk overlijden aangenomen de dag waarop die gebeurtenis heeft plaatsgevonden of geacht moet worden te hebben plaatsgevonden.
-3. Wanneer iemand zich aan boord van een vaartuig of een luchtvaartuig bevond waaromtrent gedurende één jaar geen bericht is ingekomen en hij vermoed wordt te zijn overleden, wordt de dag van het vermoedelijk overlijden gesteld op de dag volgende op die waarop volgens de laatste tijding het vaartuig of het luchtvaartuig nog bestond, en indien van geen tijding blijkt, op de dag volgende op die waarop het vaartuig of het luchtvaartuig het laatste in zee gestoken onderscheidenlijk opgestegen is.
-4. Wanneer iemand wegens omstandigheden in verband met de Tweede Wereldoorlog is vermist en ingevolge het derde lid van artikel 1 vermoed wordt te zijn overleden, wordt als dag van het vermoedelijk overlijden aangenomen de eerste januari van het vijfde kalenderjaar volgende op dat in de loop waarvan voor het laatst van het bestaan van de vermiste bleek, met dien verstande dat het vermoedelijk overlijden niet op een vroegere datum dan op 1 januari 1950 wordt gesteld.

 

Art. 3. Overgangsbepaling
Wanneer op de dag waarop de artikelen 8 en 13 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet in werking treden reeds voor de toepassing van de Invaliditeitswet van iemand het vermoedelijk overlijden alsmede de dag van dat overlijden zijn vastgesteld, geldt deze vaststelling tevens voor de toepassing van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

 

 

's-Gravenhage, 13 juli 1959.
De staatssecretaris voornoemd,
B. Roolvink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Anw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x