|
BESLUIT
van 10 juni 1996 tot vaststelling van regels met betrekking tot het
inkomen van de nabestaande (Inkomens- en samenloopbesluit Anw)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 17 juli 1995, Directie Sociale Verzekeringen nr. SV/VP/95/3496;
Gelet op de artikelen
10, tweede lid, en 20
van de Algemene nabestaandenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 15
augustus 1995);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 juni 1996,
Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/VP/96/2142;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Begripsbepalingen
Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene nabestaandenwet;
b. een loondervingsuitkering: een uitkering krachtens de verplichte
verzekering op grond van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet,
de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, alsmede een
uitkering of inkomensvoorziening krachtens de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, krachtens hoofdstuk
3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg, de
Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
en de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen;
c. een stamrecht: een recht op
periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.
§ 2.
Inkomen uit arbeid
Art. 2.
Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen uit arbeid in het
bedrijfs- en beroepsleven verstaan:
a. opbrengst van arbeid;
b. winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.
Art. 3.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld
in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover
bedoelde arbeid door een werknemer in de zin van de Wet
financiering sociale verzekeringen wordt verricht, verstaan het loon
in de zin van die wet.
-2. In afwijking van het eerste lid
wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde
één of
meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet
wordt gedekt door stortingen van de werknemer;
b. een loondervingsuitkering;
c. vakantie-uitkering.
-3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel
b, worden voor zolang de
dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen op grond van de verplichte
verzekering van de Ziektewet,
op grond van hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de
werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel
3:6, eerste lid, van die wet, en op grond van de verplichte
verzekering van de Werkloosheidswet
als opbrengst van arbeid beschouwd.
Art. 4.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoel in
artikel 2, onderdeel
a,
worden, voor zover bedoelde arbeid in dienstbetrekking wordt verricht
doch niet door een werknemer in de zin van de Wet
financiering sociale verzekeringen, verstaan de gelden en alle andere voordelen die
als beloning voor die arbeid worden genoten.
-2. Ten aanzien van de gelden en alle
andere voordelen uit de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is
het bepaalde bij of krachtens artikel 16
van de Wet financiering sociale verzekeringen
van
overeenkomstige toepassing.
-3. In afwijking van het tweede lid
wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een uitkering die naar aard en strekking met een
loondervingsuitkering overeenkomt;
b. vakantie-uitkering.
-4. In afwijking van het derde lid, onderdeel
a, worden voor zolang de
dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen ter zake van werkloosheid als
opbrengst van arbeid beschouwd.
Art. 5.
-1. Onder opbrengst van arbeid als bedoeld in
artikel 2, onderdeel
a,
wordt, voor zover bedoelde arbeid niet in dienstbetrekking wordt
verricht, verstaan het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of
belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk
3 en 7
van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een
werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen
3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92
van die
wet.
-2. Het bij of krachtens artikel 13 van de Wet
op de loonbelasting 1964 bepaalde is met
betrekking tot het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor zover over de opbrengst van
arbeid, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, geen
aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt van dit inkomen slechts
een deel in aanmerking genomen. Dit deel is gelijk aan het quotiënt van
100 en de som van 100 en het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld
in artikel
15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Art. 5a.
-1. Onverminderd de artikelen
3, 4 en 5 wordt tevens onder opbrengst van
arbeid verstaan:
a. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens
derving van inkomen welke ten behoeve van de werknemer in het kader van
een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten;
b. een uitkering op grond van een pensioenregeling met uitzondering van
een weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen;
c. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of
een regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
d. een uitkering op grond van een regeling voor functioneel
leeftijdsontslag of op grond van de Uitkeringswet
gewezen militairen;
e. loon dat uit vroegere dienstbetrekking van de nabestaande wordt
genoten.
-2. In afwijking van het eerste lid
wordt niet onder opbrengst van arbeid verstaan:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde
één of
meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet
worden gedekt door stortingen van degene die het betreffende inkomen
geniet;
b. een eenmalige uitkering die na beëindiging van de dienstbetrekking
aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald;
c. vakantie-uitkering over de in het eerste lid genoemde
inkomensbestanddelen;
d. een vakantiebon, verstrekt naast een loondervingsuitkering, voor
zover niet begrepen onder c;
e. periodieke uitkeringen uit hoofde
van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na
beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die
beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige
uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht
van de werknemer te besteden.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel b, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen
daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-4. Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen
aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor
een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel
5, derde
lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige
toepassing.
Art. 6.
-1. Onder winst als bedoeld in artikel
2, onderdeel
b, wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in
paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van die
wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.
-2. Indien de berekening van de in het
eerste lid bedoelde winst leidt tot een negatief bedrag, wordt die winst
op nihil gesteld.
-3. Van de winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals
vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, wordt slechts een
deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel
5, derde lid,
is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
§ 3.
Inkomen in verband met
arbeid
Art. 7.
-1. Voor de toepassing van artikel
10, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen in verband met arbeid
in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
a. een loondervingsuitkering alsmede uitkeringen die naar aard en
strekking daarmee overeenkomen, met uitzondering van de uitkeringen die
op grond van artikel 3, derde lid, en artikel
4, vierde lid, als
opbrengst van arbeid worden beschouwd;
b. een basisbeurs en een aanvullende beurs op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000 alsmede een beurs die naar aard en
strekking daarmee overeenkomt;
c. een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door
Onze Minister van
Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en sanering midden-
en kleinbedrijf;
d. een maandelijkse bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door
Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opgerichte Stichting
ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw;
e. een uitkering ingevolge de
wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve
van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of een andere mogendheid, die
naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in dit
lid, voor zover niet al begrepen onder a, met uitzondering van een
uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op
grond van de Algemene
Kinderbijslagwet of met zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge een
zorgverzekering als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet
of op grond van artikel 6 van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten; en
f. het bedrag van de uitkering, bedoeld in onderdeel e, waarop recht
bestaat, maar die niet wordt uitbetaald omdat onder de toepasselijke
wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien
van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen in verband
met arbeid beschouwd:
a. het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of inkomensvoorziening is verhoogd met
toepassing van artikel
10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, artikel 2:51 of 3:9
van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, artikel
22 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 53 of 63
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
of een
combinatie van deze artikelen;
b. vakantie-uitkering over de in het eerste lid
genoemde
inkomensbestanddelen;
c. een vakantiebon, verstrekt naast een
loondervingsuitkering, voor
zover niet begrepen onder b;
d. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een
loondervingsuitkering, toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder die niet als werknemer in de zin van de Wet
financiering sociale verzekeringen wordt beschouwd.
-3. Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen
aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor
een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel
5, derde
lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste
lid gekort of
geweigerd is op grond van een bestuurlijke boete of maatregel, wordt voor de
toepassing van dit besluit als inkomen beschouwd de uitkering zonder
deze korting of weigering.
§ 4.
Bepaling van het
inkomen
Art. 8.
-1. Het inkomen uit of in verband met arbeid uit het
bedrijfs- of
beroepsleven wordt vastgesteld op het tot een bedrag per maand herleide
inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat de
uitkeringsgerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt
vastgesteld, verwerft.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de maand gesteld op 21,75
dagen.
-3. Bij per maand wisselende inkomsten kan op basis van een geschat
inkomen een gemiddeld inkomen per maand worden bepaald, waarna per
periode van zes maanden een herberekening plaatsvindt.
Art. 9.
-1. De bij de toepassing van de voorgaande artikelen noodzakelijke
omrekening in euro van het niet in euro uitgedrukte inkomen uit of in
verband met arbeid geschiedt met behulp van de door de Europese Centrale
Bank geadviseerde wisselkoersen.
-2. Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde koers beïnvloedt het
op grond van artikel 8 vastgestelde inkomen niet, met dien verstande
dat:
a. bij wijziging van het inkomen uit of in verband met arbeid, anders
dan tengevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en
b. ten minste eens per jaar een omrekening plaatsvindt.
Art. 10.
Het bepaalde in dit besluit ten aanzien van de onderscheiden
inkomensbestanddelen is van overeenkomstige toepassing op de
overhevelingstoeslag, bedoeld in de Wet
overhevelingstoeslag opslagpremies, voor zover die
inkomensbestanddelen met die overhevelingstoeslag zijn vermeerderd.
§ 5.
Samenloop met
buitenlandse uitkeringen aan nagelaten betrekkingen
Art. 11.
-1. Een op grond van de
wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten behoeve
van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een
volkenrechtelijke organisatie of een andere mogendheid toegekende
uitkering, waaronder mede begrepen een verhoging van een uitkering, die
naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel
14, een uitkering als bedoeld in artikel
22 of een uitkering als bedoeld in artikel
26 van de wet anders dan op grond van de vrijwillige verzekering,
wordt op de uitkering, bedoeld in artikel 14, respectievelijk op de uitkering, bedoeld in
artikel 22, of op de uitkering, bedoeld in artikel
26, in mindering gebracht.
-2. Indien bij de vaststelling van de hoogte van een toegekende uitkering
als bedoeld in het eerste lid, die naar aard en strekking overeenkomt
met een uitkering als bedoeld in artikel
14 van de wet, rekening wordt gehouden met tot het gezin van de
nabestaande behorende kinderen, worden voor de toepassing van het eerste
lid de uitkeringen, bedoeld in artikel
14 en artikel
22 van de wet, samengeteld en als één uitkering beschouwd.
-3. Indien een op grond van
de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten
behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke
organisatie of een andere mogendheid toegekende uitkering als bedoeld in
het eerste en tweede lid gekort of geweigerd is op grond van een
bestuurlijke boete
of maatregel, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid als
uitkering beschouwd de uitkering zonder deze korting of weigering.
-4. Indien een uitkering waarop recht bestaat op grond van
de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of van Nederland ten
behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een volkenrechtelijke organisatie of
een andere mogendheid, niet wordt uitbetaald omdat onder de
toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene
recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling
daarvan, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid uitgegaan
van het bedrag van de uitkering indien geen gebruik zou zijn gemaakt van
het recht af te zien van het recht op uitkering of de uitbetaling
daarvan.
Art. 12.
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op de noodzakelijke
omrekening van de in een buitenlandse munteenheid uitgedrukte uitkering,
bedoeld in artikel 11.
§ 6.
Slotbepalingen
Art. 13.
Indien de toepassing van artikel 8, eerste lid, of artikel 11 van dit
besluit tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepaalt de Sociale
verzekeringsbank het inkomen of de wijze waarop een uitkering als
bedoeld in artikel 11 op een uitkering als bedoeld in
artikel 14, artikel
22 of artikel
26 in mindering wordt gebracht, op andere wijze.
Art. 14.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Algemene
nabestaandenwet in werking treedt.
Art. 15.
Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomens- en samenloopbesluit Anw.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 juni 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
Uitgegeven de vijfentwintigste
juni 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[10 juni 1996]
Algemeen
De Algemene nabestaandenwet
voorziet erin dat de uitkering van de nabestaande gekort wordt
indien deze inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven heeft. Op grond van
artikel 10,
tweede lid, van de wet
worden regels gesteld voor de vaststelling van het inkomen en de periode waarop
die vaststelling betrekking heeft. Dit besluit, aan te halen als
het Inkomens- en samenloopbesluit Anw, strekt daartoe. Bij de opstelling
van dit besluit is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het
Inkomensbesluit AOW 1996 en het Inkomensbesluit
Toeslagenwet. Uitgangspunt
is dat het totale netto-inkomen, dus het inkomen uit of in verband
met arbeid en de gekorte of tot nul gereduceerde Anw-uitkering, steeds
ten minste op het niveau van het sociaal minimum is.
Dit besluit regelt ook de
samenloop van de Anw-uitkering met een buitenlandse nabestaandenuitkering. Op grond van
artikel 20 van de wet
kunnen regels gesteld worden
voor de samenloop met een buitenlandse uitkering. Op grond van de
AWW was een dergelijk samenloopbesluit getroffen. In de situatie
van de Anw wordt de samenloop met een buitenlandse uitkering niet
in een apart samenloopbesluit geregeld, maar als een paragraaf van het
onderhavige besluit.
Het oude samenloopbesluit is
nog van belang voor twee situaties. Dit betreft mensen met een
AWW-uitkering en een buitenlandse nabestaandenuitkering die
hun recht op uitkering ontlenen aan een overlijden vóór
respectievelijk na 20 maart 1968 (de datum van het oude samenloopbesluit). Het is de
bedoeling dat deze nabestaanden hun uitkering behouden. Omdat
zij pas in 1998 met de werking van de gevolgen van dit besluit
worden geconfronteerd, is het van belang dat zij hun geprorateerde uitkering
tot dat moment behouden, berekend volgens de methodiek van het oude
samenloopbesluit. Dit is geregeld in artikel 67 van
de wet, waardoor de
bepalingen van het samenloopbesluit van toepassing verklaard blijven
tot 1998. Hierdoor wordt tevens bereikt dat als de buitenlandse
uitkering wijzigingen ondergaat, de hoogte van de Nederlandse uitkering wordt
bepaald aan de hand van het oude samenloopbesluit.
Om de arbeidsparticipatie
niet te ontmoedigen, wordt een gedeelte van het inkomen uit arbeid (niet
van het inkomen in verband met arbeid) vrijgelaten. De
vrijlatingsregeling houdt in dat van het inkomen uit arbeid een bedrag ter hoogte van
50% van het brutominimumloon buiten aanmerking wordt gelaten,
vermeerderd met een derde gedeelte van het inkomen boven deze 50%. Het
inkomen minus de vrijlating wordt vervolgens van de
nabestaandenuitkering afgetrokken. Voor de volledigheid zij toegevoegd dat in het
wetsvoorstel Wijziging Algemene nabestaandenwet
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 693) wordt voorgesteld
nabestaanden met een AWW-uitkering ook een vrijlating te geven bij het inkomen in verband met
arbeid, en wel ter hoogte van 50% minimumloon.
Tot het inkomen worden niet
gerekend het vermogen of de inkomsten uit vermogen, niet een
particulier afgesloten verzekering en ook niet het aanvullende nabestaandenpensioen. De
Anw-uitkering is namelijk de
bodem voor het aanvullende nabestaandenpensioen. In deze beperktere invulling van het
inkomensbegrip onderscheidt het inkomensbegrip in de Algemene nabestaandenwet
zich van de middelentoets in de Algemene bijstandswet. Voor de
volledigheid zij vermeld dat ook de halfwezenuitkering geen inkomen in de zin van
dit besluit is.
In de
artikelen 2 tot en met
6 wordt aangegeven wat verstaan wordt onder inkomen uit arbeid. Op
dit inkomen is de vrijlating zoals geregeld in artikel 18 van
de wet van
toepassing.
In artikel 7 wordt
aangegeven wat als inkomen in verband met arbeid moet worden beschouwd.
Paragraaf 4 gaat over de
bepaling van het inkomen. Artikel 8 geeft aan hoe het inkomen moet worden
herleid tot een inkomen per maand en hoe moet worden omgegaan met per maand wisselende inkomsten. In
artikel 9 wordt bepaald hoe
inkomen dat is uitgedrukt in een buitenlandse munteenheid, moet worden
omgerekend in de Nederlandse munteenheid. Artikel 10 geeft aan hoe
moet worden omgegaan met de overhevelingstoeslag.
In paragraaf 5 wordt
aangegeven hoe gehandeld moet worden in geval van samenloop met
buitenlandse uitkeringen aan nagelaten betrekkingen. In artikel 13 wordt bepaald
dat de Sociale Verzekeringsbank in bepaalde gevallen tot een andere inkomensvaststelling kan komen.
In het algemeen kan het
volgende gesteld worden over het onderscheid tussen inkomen uit en
inkomen in verband met arbeid. Voor personen die in dienstbetrekking werkzaam
zijn (al dan niet in de zin van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering
(CSV)) of een daarmee te vergelijken arbeidsverhouding hebben,
dient al hetgeen uit die dienstbetrekking genoten wordt als opbrengst
van arbeid te worden aangemerkt. Als inkomen in verband met
arbeid dient te worden aangemerkt al het inkomen dat wordt genoten
uit of is gerelateerd aan die dienstbetrekking, nadat de dienstbetrekking is
geëindigd. Hierbij kan gedacht worden aan loondervingsuitkeringen op
grond van de wettelijke verplichte werknemersverzekeringen,
VUT-uitkeringen, pensioenen, aanvullingen op loondervingsuitkeringen,
enzovoort. Een loondervingsuitkering die wordt verstrekt tijdens het
bestaan van de dienstbetrekking zoals een ziektewetuitkering, wordt gezien als inkomen uit
arbeid. Een eenmalige uitkering die na afloop van de
dienstbetrekking aan de werknemer wordt betaald, wordt niet als inkomen in de
zin van dit besluit beschouwd.
Voor personen die werkzaam
zijn in het kader van bedrijf of zelfstandig uitgeoefend beroep dient
als inkomen uit arbeid te worden aangemerkt de winst. Inkomen in verband
met arbeid voor deze categorie wordt gevormd door uitkeringen in geval van arbeidsongeschiktheid (echter niet op grond van een particulier
afgesloten verzekering) en periodieke uitkeringen in verband met
bedrijfsbeëindiging.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 2
Dit artikel geeft een
globale aanduiding van al hetgeen onder inkomen uit arbeid in het
bedrijfs-
en beroepsleven moet worden verstaan. Het gaat om enerzijds opbrengst van
arbeid (arbeid al dan niet in dienstbetrekking) en anderzijds winst uit
bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.
Artikel
3. Personen werkzaam
in dienstbetrekking in de zin van artikel 3a, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV)
In het eerste lid wordt
bepaald wat de opbrengst van arbeid is voor personen werkzaam in
dienstbetrekking in de zin van artikel 3a, eerste lid, van de
Coördinatiewet
Sociale Verzekering
(CSV). Aansluiting is conform de
Inkomensbesluiten TW en AOW [zie Inkomensbesluit
Toeslagenwet en Inkomensbesluit AOW 1996, red.]
gezocht bij het loonbegrip in de CSV. Indien de bedrijfsvereniging
[zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) en uitvoeringsinstellingen, red.]
de loonbetalingsverplichting op grond van hoofdstuk IV van de
Werkloosheidswet overneemt, is er eveneens sprake van loon.
In het tweede lid wordt een
aantal inkomensbestanddelen die wel als loon in de zin van de CSV
worden beschouwd, uitgezonderd van het begrip inkomen uit arbeid (onderdelen
b en c) dan wel van het inkomensbegrip
in de zin van dit besluit (onderdelen a en d).
Onderdeel a
Een aanspraak, bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van de CSV, om na verloop van tijd of onder
een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen,
wordt niet als loon beschouwd. Indien een dergelijke aanspraak tot het
loon zou worden gerekend, zou de Anw-uitkering onvoldoende
zijn om het relevante sociaal minimum te garanderen.
Onderdelen b en c
Sinds de invoering van de
Wet premieheffing over uitkeringen worden ZW-, WW- en
WAO-uitkeringen,
al dan niet vermeerderd met aanvullingen, beschouwd als loon. In het kader van dit besluit moeten deze
uitkeringen echter als
inkomen in verband met arbeid worden beschouwd (waarop geen vrijlating van
toepassing is). Om die reden wordt in de onderdelen b en c bepaald
dat deze inkomensbestanddelen niet als loon worden beschouwd.
Een uitzondering op de
onderdelen b en c staat in het derde lid. Dit heeft betrekking op het
geval dat deze uitkeringen worden verstrekt terwijl het dienstverband
voortduurt.
Onderdeel d
Voor de bepaling van de
hoogte van de Anw-uitkering dient de vakantie-uitkering (wat loon
in de zin van de CSV is) buiten beschouwing te blijven. De reden
hiervoor is de volgende.
Voor de bepaling van de
hoogte van de vakantie-uitkering over de Anw-uitkering is artikel 32
van de wet
van belang. Hierin wordt bepaald dat als de
nabestaandenuitkering met toepassing van artikel 18 van
de wet
wordt verminderd, op de vakantie-uitkering een evenredige vermindering wordt toegepast.
Door het bepaalde in dit
onderdeel d wordt nu voorkomen dat de vakantie-uitkering als bedoeld in dit onderdeel ook betrokken zou worden
bij de korting van de
Anw-uitkering zelf. Dit zou ertoe leiden dat de Anw-gerechtigde niet het
sociaal minimum zou ontvangen.
Het derde lid regelt een
afwijking van het tweede lid. Dit tweede lid bepaalt dat een Ziektewet-uitkering en een werkloosheidsuitkering en de
eventuele aanvullingen
daarop, in beginsel als inkomen in verband met arbeid beschouwd worden.
Indien deze uitkeringen echter worden verstrekt terwijl de
dienstbetrekking nog voortduurt, worden zij beschouwd als inkomen uit
arbeid. De uitkeringen worden dan dus gelijkgesteld aan het loon. Dit is
van belang voor de vrijlating. Hierdoor wordt bereikt dat bij ziekteverzuim bij een dienstbetrekking en bij werkloosheid
bij een dienstbetrekking (bijvoorbeeld in geval van buitengewone natuurlijke omstandigheden)
er geen terugval in inkomen optreedt.
Artikel
4. Personen werkzaam
in dienstbetrekking, maar niet in de zin van de CSV
Dit artikel bepaalt wat de
opbrengst van arbeid is van degene die wel in dienstbetrekking werkzaam
is, maar niet in dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van
de CSV. Het betreft ambtenaren, militairen en huispersoneel. Teneinde te
bereiken dat de gelden en alle andere voordelen die uit die
dienstbetrekking zijn genoten, op dezelfde wijze worden gewaardeerd als de
voordelen genoten uit een dienstbetrekking in de zin van de CSV, wordt in
het tweede lid van dit artikel geregeld dat het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 5 tot en met 8 van de CSV van overeenkomstige toepassing
wordt verklaard.
In het derde lid is op grond
van dezelfde overwegingen als bij artikel 3, tweede lid, onderdeel b,
c
en d, bepaald dat een met een loondervingsuitkering overeenkomende uitkering en
de vakantie-uitkering niet worden beschouwd als opbrengst van
arbeid. Een overeenkomende uitkering is inkomen in verband met
arbeid waarop de vrijlating niet van toepassing is. Een uitzondering hierop
staat in het vierde lid: zolang de dienstbetrekking voortduurt, wordt de
werkloosheidsuitkering beschouwd als opbrengst van arbeid waarop
de vrijlating wel van toepassing is.
De vakantie-uitkering is geen
inkomen in de zin van dit besluit.
De hier bedoelde uitkeringen
zijn onder meer: de WAO-conforme uitkering, het bovenwettelijk invaliditeitspensioen, het
invaliditeitspensioen voor militairen, het Rijkswachtgeldbesluit
1959, de Uitkeringsregeling
1966, andere werkloosheids-
en ontslaguitkeringsregelingen en de suppletie.
Artikel
5. Personen niet
werkzaam in dienstbetrekking
In dit artikel wordt het
inkomen uit arbeid bepaald van degenen die niet in privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn en waarvan geen sprake is
van arbeid als zelfstandige. Het betreft personen die niet op basis
van een arbeidsovereenkomst werken, terwijl hun arbeidsverhouding ook
niet ingevolge de loondervingsverzekeringswetten met een privaatrechtelijke
of publiekrechtelijke dienstbetrekking is gelijkgesteld.
Zij verrichten arbeid in het
economisch verkeer, waarmee het behalen van enig voordeel wordt
beoogd, zonder dat er sprake is van hetzij een dienstbetrekking, hetzij een
onderneming. In dit verband moet bijvoorbeeld gedacht worden aan
thuiswerkers die per week doorgaans minder dan twee vijfde van het
minimumloon verdienen, aan huishoudelijke hulpen die wekelijks
doorgaans op minder dan drie dagen in een bepaald huishouden werken of aan
politieke ambtsdragers.
Het derde lid is van belang
voor die personen, bedoeld in het eerste lid, die over hun arbeidsinkomen
geen recht op vakantiebijslag hebben. Het totale inkomen per maand (inkomen en
Anw-uitkering) is op het niveau
van het sociaal minimum,
maar het totale inkomen per jaar inclusief vakantiegeld is dat niet,
omdat over de Anw-uitkering wel vakantietoeslag wordt verleend, maar over de
andere inkomsten niet. Door het hier bedoelde arbeidsinkomen
slechts voor een deel (100/108) in aanmerking te nemen, wordt voorkomen
dat het totale inkomen op jaarbasis lager is dan het sociaal minimum.
Artikel
6. Winst uit bedrijf
en zelfstandig uitgeoefend beroep
Artikel 6 verduidelijkt wat
is gesteld bij artikel 2, onderdeel b, namelijk winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep. Een inkomstenbron
die reeds als opbrengst van
arbeid, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 van dit besluit, of als
inkomen in verband met arbeid, bedoeld in artikel 7, is aangemerkt, kan niet ook
onder het winstbegrip begrepen worden.
In het eerste lid is bepaald
wat onder winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep dient te
worden verstaan. Dit winstbegrip is overgenomen uit de Wet op de inkomstenbelasting
1964 [zie Wet
inkomstenbelasting 2001, red.], komt overeen met het
in die wet gehanteerde
begrip winst uit onderneming en dient dan ook overeenkomstig te worden
uitgelegd. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt eerst aangegeven
waaruit gedurende het bestaan van een onderneming de winst
bestaat (het zgn. "totale-winstbegrip" van artikel
7) en vervolgens hoe de
winst moet worden toegerekend aan de respectieve kalenderjaren (het zgn.
"jaarwinstbegrip" van de artikelen 9
en volgende). De "totale winst" is een ruim begrip: het bedrag van de gezamenlijke
voordelen die,
onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit
onderneming. Hieronder vallen ook min of meer incidentele voordelen die
uit de onderneming voortvloeien, zoals de winst behaald bij de verkoop van een bedrijfsauto. De winst wordt
"nominalistisch" berekend,
volgens het zgn. gulden-is-guldenstelsel, dat wil zeggen er wordt geen
rekening gehouden met de waardeverandering die de munteenheid kan
hebben ondergaan.
De "jaarwinst" wordt
bepaald volgens "goed koopmansgebruik", met inachtneming van een
bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst en
die slechts gewijzigd kan worden als goed koopmansgebruik dit
rechtvaardigt. Dit biedt de ondernemer de mogelijkheid zelf binnen
zekere grenzen een bepaald systeem van jaarlijkse winstberekening
te kiezen. Een systeem dat in overeenstemming is met de bedrijfseconomische theorie, is in het algemeen in overeenstemming
met goed koopmansgebruik,
tenzij het niet strookt met de belastingwet, de algemene
opzet van de belastingwet casu quo een beginsel van de
belastingwet. Op dit gebied is een uitgebreide jurisprudentie ontwikkeld.
De bestendige gedragslijn
houdt in dat een eenmaal gekozen systeem dat in overeenstemming is
met goed koopmansgebruik niet zonder meer mag worden vervangen door
een ander, één en ander teneinde te voorkomen dat willekeur of uitsluitend fiscale motieven een rol zouden
kunnen spelen.
Teneinde uit de jaarlijkse
winsten uiteindelijk de totale winst te kunnen berekenen, dient gedurende
het bestaan van de onderneming de eindbalans van ieder jaar
gelijk te zijn aan de beginbalans van het volgend jaar. Dit wordt het beginsel
van de belanscontinuïteit genoemd. De winst behaald met of bij het
staken van een onderneming dan wel met of bij overdracht of liquidatie van
een gedeelte van de onderneming, winst genoten ter vervanging van
door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit onderneming en
voorts voordelen uit onderneming die niet reeds op de voet van de
artikelen 9 tot en met 15 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen als bedoeld in
artikel 16 van die wet,
vallen niet onder het winstbegrip voor de toepassing van de Algemene
nabestaandenwet.
Artikel
7. Inkomen in
verband met arbeid
In artikel 7 wordt
aangegeven wat moet worden verstaan onder inkomen in verband met arbeid. In het eerste lid wordt een limitatieve
opsomming van
inkomensbestanddelen gegeven die volledig met de uitkering worden verrekend.
Voor de volledigheid zij
vermeld dat een toeslag op grond van de Toeslagenwet niet als inkomen in de zin van dit besluit wordt beschouwd.
In het Inkomensbesluit Toeslagenwet wordt een Anw-uitkering als inkomen in verband met
arbeid aangeduid. De Anw-uitkering wordt gekort met de
loondervingsuitkering; betrokkene heeft dan in ieder geval een
totaalinkomen op
minimumniveau, zodat een toeslag op grond van de Toeslagenwet niet
toegekend zal worden.
Afkoopsommen op grond van de
Liquidatiewet invaliditeitswetten en de ongevallenwetten zijn geen
inkomen in de zin van dit besluit.
Onderdeel a
In dit onderdeel wordt
bepaald dat loondervingsuitkeringen als inkomen in verband met arbeid moeten
worden beschouwd. Met de toevoeging "die naar aard en strekking daarmee
overkomen" worden uitkeringen
bedoeld op grond van de "oude" Werkloosheidswet, op grond van de
Wet
Werkloosheidsvoorziening voor zover die nog voorkomen, vergelijkbare uitkeringen voor
overheidspersoneel en militairen (zie de voorbeelden bij de toelichting op
artikel 4), vergelijkbare buitenlandse
socialeverzekeringsuitkeringen,
bovenwettelijke uitkeringen en aanvullingen op loondervingsuitkeringen.
Zoals hierboven in de
toelichting bij artikel 3 reeds is uiteengezet, worden een Ziektewet-uitkering en een werkloosheidsuitkering, zolang de
dienstbetrekking voortduurt,
alsmede aanvullingen op die uitkeringen, als inkomen uit arbeid
beschouwd, waarop de vrijlatingsregeling van toepassing is.
Onderdeel b
Bij een uitkering op grond
van een particuliere verzekering wegens inkomensderving, gesloten
ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of
collectieve arbeidsovereenkomst, gaat het om een uitkering die vergelijkbaar
is met aanvullingen op loondervingsuitkeringen en bovenwettelijke
uitkeringen. Uitkeringen op grond van particuliere verzekeringen, gesloten door
zelfstandigen of door werknemers "los" van de arbeidsovereenkomst in de
privésfeer, worden niet als inkomen in de zin van dit besluit
beschouwd.
Onderdeel c en derde lid
In het derde lid is de
definitie van een pensioenregeling gegeven. Het betreft een toezegging door
de werkgever, een verplichtstelling of een vrijwillige voorziening of
een vrijwillige voortzetting. In dit besluit gaat het alleen om aanvullend
ouderdomspensioen of invaliditeitspensioen. Aanvullend
nabestaandenpensioen is bij onderdeel c uitgezonderd en is dus geen inkomen in de zin
van dit besluit.
Onderdelen d en e
Hierbij gaat het om
uitkeringen op grond van vrijwillige en verplichte regelingen voor vervroegde
uittreding. Deze uitkeringen en uitkeringen die daarmee naar aard en strekking overeenkomen, zijn inkomen in
verband met arbeid.
Onderdeel f
Onder loon uit vroegere
dienstbetrekking van de nabestaande worden alle voordelen verstaan die
een werknemer uit vroegere dienstbetrekking geniet, zoals periodieke uitkeringen die voortvloeien uit een stamrecht dat
als schadeloosstelling voor
gederfd inkomen is toegekend, voor zover deze inkomensbestanddelen
niet al op grond van de onderdelen a, b, c, d,
e, j of k als inkomen in
verband met arbeid worden beschouwd. Het gaat alleen om loon uit vroegere
dienstbetrekking van de nabestaande zelf en niet om dat van de overleden
echtgenoot.
Onderdeel g
Het recht op
studiefinanciering gaat voor op het recht op Anw-uitkering. Dit wordt geregeld in
onderdeel g, waarin is aangegeven dat een beurs en een aanvullende beurs
op
grond van de Wet
op de studiefinanciering ten behoeve van studerenden van
18 jaar of ouder die volledig onderwijs volgen, alsmede beurzen die
daarmee naar aard en strekking overeenkomen, als inkomen in verband met
arbeid worden beschouwd.
Onderdelen h en i
De hier genoemde
bedrijfsbeëindigingsvergoedingen worden als inkomen in verband met
arbeid beschouwd, omdat zij het karakter van inkomensdervingsuitkeringen
hebben.
Onderdelen j en k
Deze onderdelen betreffen
alle sociale wettelijke uitkeringen van de Nederlandse Antillen, Aruba,
een andere mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een
aanspraak daarop in het geval men de uitkering niet daadwerkelijk
ontvangt omdat daarvan is afgezien, met uitzondering van de
buitenlandse nabestaandenuitkeringen op grond van verplichte verzekering en
met uitzondering van een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met
een uitkering op grond van de AKW of de AWBZ.
Tweede lid
In het tweede lid wordt een
opsomming gegeven van inkomensbestanddelen die geen inkomen in verband
met arbeid zijn. Voor de volledigheid zij vermeld dat
deze onderdelen ook geen inkomen uit arbeid zijn, zodat zij geen inkomen
in de zin van dit besluit zijn.
Onderdeel a
In het eerste lid van
artikel 7 is via onderdeel f loon uit vroegere dienstbetrekking als inkomen
in verband met arbeid aangeduid. Dit zou betekenen dat ook aanspraken
die tot het loon uit vroegere dienstbetrekking behoren, tot het loon worden
gerekend; wat ertoe zou kunnen leiden dat de Anw-uitkering
onvoldoende is om het relevante sociaal minimum te garanderen.
Daarom is bepaald dat dergelijke aanspraken (zoals bijvoorbeeld het
werkgeversaandeel ten behoeve van de premieheffing voor de werknemersverzekeringen) niet tot inkomen in verband
met arbeid worden gerekend.
Onderdeel b
Een eenmalige uitkering die
na beeindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer wordt betaald,
wordt buiten beschouwing gelaten. Deze eenmalige uitkering moet wel ter vrije besteding van de werknemer
komen.
Onderdeel c
In dit geval gaat het om een
verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met
hulpbehoevendheid van de arbeidsongeschikte, waardoor oppassing en verzorging nodig is.
Onderdeel d
Op grond van de overwegingen
genoemd in de toelichting op artikel 3, tweede lid, onderdeel d,
dienen ook vakantie-uitkeringen over inkomensbestanddelen die als inkomen in verband
met arbeid beschouwd worden, niet in aanmerking te worden genomen.
Onderdeel e
Bij een aantal
bedrijfsverenigingen (met name de Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch Bedrijf
en de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid) wordt een vakantiebon verstrekt naast de
loondervingsuitkering.
Op grond van artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, zou een dergelijke vakantiebon als inkomen in
verband met arbeid moeten worden beschouwd. Aangezien de
vakantiebon pas op een later tijdstip wordt verzilverd, zou dit ertoe
kunnen leiden dat degene die een vakantiebon naast een
loondervingsuitkering ontvangt, een totaalinkomen zou genieten dat minder bedraagt
dan het relevante sociaal minimum. Om die reden wordt de vakantiebon
niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd.
Onderdeel f
Op grond van de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep van 4 oktober 1985
(RSV, 1986,
21) wordt de directeur-grootaandeelhouder niet als werknemer in de zin
van de werknemersverzekeringen beschouwd indien de
feitelijke gezagsverhouding ontbreekt. In het kader van dit besluit worden de
arbeidsinkomsten van deze directeur-grootaandeelhouder beschouwd als inkomen uit
arbeid uit een dienstbetrekking, doch niet in de zin van
artikel 3a, eerste lid, van de CSV. Dit betekent dat uitkeringen
in geval van
loonderving op grond van een (aanvullende) verzekering die door de
vennootschap ten behoeve van deze directeur-grootaandeelhouder wordt afgesloten, als loon
uit vroegere dienstbetrekking zouden moeten worden
beschouwd. Het gaat hier om uitkeringen op grond van een vrijwillige
verzekering ZW/WAO of op grond van een particuliere verzekering. In
het kader van dit besluit worden deze inkomensbestanddelen buiten
beschouwing gelaten. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat
loondervingsuitkeringen zelf (met name AAW-uitkeringen) wel als
inkomen in verband met arbeid worden beschouwd.
Voor een toelichting op het
vierde lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel
5, derde lid.
Het vijfde lid heeft
betrekking op de situatie dat een uitkering die als inkomen in verband met
arbeid wordt beschouwd, gekort of geweigerd wordt op grond van een boete
of maatregel. Zonder nadere regeling zou een lagere andere uitkering
leiden tot een hogere (minder gekorte) nabestaandenuitkering. Dit
is niet de bedoeling, omdat dan de gevolgen van de boete of maatregel tenietgedaan zouden worden. Een gekorte of geweigerde uitkering wordt
daarom beschouwd als een ongekorte uitkering en als zodanig
bij de korting betrokken.
Artikel
8. Bepaling van het inkomen per maand
Eerste lid
In dit onderdeel wordt
bepaald over welke periode het inkomen uit of in verband met arbeid in
beschouwing wordt genomen. Hoofdregel is daarbij het tot een bedrag
per maand herleidde inkomen dat de Anw-uitkeringsgerechtigde in
die maand verdient.
Derde lid
In
geval van wisselende
inkomsten die leiden tot een per maand andere Anw-uitkering of periodieke
betalingen (bijvoorbeeld eenmaal per kwartaal), is het niet
zinvol per maand een voorschot te betalen en vervolgens iedere maand tot
een beschikking met betrekking tot de afrekening te komen. Dit zou
namelijk tot een verhoging van de werklast bij de SVB leiden, terwijl
de inzichtelijkheid van de uitkeringsbedragen voor de uitkeringsgerechtigde evenredig afneemt.
Om deze redenen is daarom
bepaald dat (binnen de algemene systematiek van uitbetaling
per maand van de uitkering) in bepaalde gevallen de
uitkeringsgerechtigde zelf een schatting maakt van de inkomsten in de komende
periode van zes maanden. Op basis van deze schatting wordt de uitkering
berekend en uitbetaald. Vervolgens wordt ieder halfjaar de uitkering
over de afgelopen maanden herberekend en in één keer verrekend.
Artikel 9
Deze bepalingen zijn conform
die in de andere inkomensbesluiten in de sociale zekerheid en
behoeven dus geen toelichting. Om uitvoeringstechnische redenen is bepaald dat bij
gelijkblijvend inkomen uit het buitenland de uitkering één
keer per jaar herberekend wordt op grond van koersverschillen. In
bijzondere gevallen kan de Sociale Verzekeringsbank dit ook vaker doen.
Artikel 10
De verrekening van
inkomensbestanddelen vindt inclusief de overhevelingstoeslag plaats. Dit artikel regelt
dat een overhevelingstoeslag als inkomen uit of in verband
met arbeid (afhankelijk van de vraag wat het betreffende
inkomensbestanddeel is) moet worden beschouwd.
Artikel 11
In dit artikel wordt
geregeld hoe gehandeld moet worden indien de nabestaande ook een wettelijke uitkering aan nagelaten betrekkingen
ontvangt uit het buitenland.
Dit artikel komt qua resultaat in grote lijnen overeen met het oude
AWW-samenloopbesluit. Nieuw is dat op grond van artikel 11 ook de
wezenuitkering geanticumuleerd wordt met een buitenlandse wezenuitkering.
Dit sluit aan bij de regeling van Verordening (EEG) 1408/71, ingevolge welke
één lidstaat gehouden is wezenuitkering te betalen, waar louter nationaalrechtelijk aanspraak op wezenpensioen in
verschillende lidstaten
bestaat.
Dit artikel ziet op de
situatie van overlijden van een Nederlandse verzekerde, terwijl ook recht bestaat op een uitkering aan nagelaten
betrekkingen uit een ander
land.
Eerste lid
Een
nabestaanden-, halfwezen- of wezenuitkering uit dat andere land wordt in mindering gebracht
op de overeenkomstige Nederlandse Anw-uitkering. Om vast te
stellen welk soort uitkering het betreft, wordt naar de inhoud van de
betreffende regeling gekeken, eerder dan alleen naar de naam.
Tweede lid
Indien het gaat om een
uitkering aan de overgebleven partner waarbij rekening wordt gehouden met
het aanwezig zijn van kinderen in het huishouden, worden de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering
als één geheel beschouwd
voor de berekening van de daadwerkelijke uitkering. Zo wordt bereikt
dat de situatie onder de AWW in grote lijnen wordt voortgezet.
Derde lid
Voor de toelichting op het
derde lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 7, vijfde lid.
Vierde lid
Voor de toelichting op het
vierde lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 7, eerste lid,
onderdeel k.
Artikel 12
Voor de toelichting op
artikel 12 wordt verwezen naar de toelichting op artikel
9.
Artikel 13
Bij een kennelijk onredelijk
resultaat kan aan de volgende situaties gedacht worden. De Sociale
Verzekeringsbank kan tot een andere inkomensvaststelling komen
als toepassing van het eerste lid van artikel 8, gelet op het tijdstip van
verwerving van het inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk
resultaat leidt. De Bank kan dan bepalen op welke periode het
inkomensbestanddeel geacht wordt betrekking te hebben en hoe dit verdeeld moet worden
over deze periode.
Een tweede situatie doet
zich voor als er ook sprake is van buitenlandse nabestaandenuitkering. Het
kan gaan om wederzijdse vermindering van uitkeringen of om het door
verschillende staten in mindering brengen van eenzelfde inkomen op de verschillende uitkeringen. Dit artikel geeft de
mogelijkheid dat de Sociale Verzekeringsbank in samenspraak met de buitenlandse
uitkeringsinstanties tot een voor allen aanvaarde berekeningswijze komt, in
gevallen dat hierin niet in verdragen is voorzien.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|