St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

ALGEMENE  OUDERDOMSWET  (AOW)
x
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant
(Zie ook: normbedragen AOW)

 

 

 

 
MEMORIE VAN TOELICHTING

Nadere regelgeving:
-
Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
- Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit beleidsregels SVB afwijking ingangsdatum uitkering
- Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit gelijkstelling niet-Nederlanders met Nederlanders (Algemene Ouderdomswet)
- Besluit gelijkstelling van wonen buiten het Rijk met wonen binnen het Rijk (Algemene Ouderdomswet)
- Besluit regels export uitkeringen

- Besluit tegemoetkoming Anw-ers
- Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften AOW
- Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties 2011
- Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010
- Regeling herleiding gedeelten van kalenderjaren en van jaarpremies
- Regeling nadere regels inzake intrekking en herziening van het ouderdomspensioen
- Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling terugvordering geringe bedragen
- Regeling uitbetaling vakantie-uitkering
- Regeling uitbreiding werkingssfeer Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002
- Regeling uitkering aan gemoedsbezwaarden ex artikel 48 AOW
- Regeling vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds
- Spaarregeling gemoedsbezwaarden ex artikel 48 AOW
- SZW-intrekkingsregeling 2004
- Uitvoeringsbesluit koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen

Vervallen nadere regelgeving:
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2001 (vervallen)
- Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW (vervallen)
- Besluit tegemoetkoming AOW-ers (vervallen)
- Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (vervallen)
- Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001 (vervallen)
- Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden (vervallen)
- Inkomensbesluit AOW 1996 (vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties 2005 (vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002 (vervallen)
- Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland (vervallen)

- Maatregelbesluit AOW (vervallen)
- Regeling vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen (vervallen)

Relevante overige regelgeving:
- Besluit beleidsregels SVB 2010
- Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank
- Wet beperking export uitkeringen
- Wet beslistermijnen sociale verzekeringen
- Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen

 

 

Inhoudsopgave AOW

Hoofdstuk I Algemene bepalingen artt. 1 - 5
Hoofdstuk II Kring der verzekerden artt. 6 - 6a
Hoofdstuk III Het ouderdomspensioen en de toeslag artt. 7 - 33a
§ 1x Het recht op ouderdomspensioen en toeslag artt. 7 - 13
§ 2x Toekenning, ingang, intrekking, herziening en betaling van het ouderdomspensioen artt. 14 - 27
§ 3x Vakantie-uitkering artt. 28 - 33a
§ 4x Vervallen art. 33b
Hoofdstuk IV De vrijwillige verzekering artt. 34 - 40
Hoofdstuk IVa Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven (vervallen) artt. 40 - 46
Hoofdstuk V Gemoedsbezwaren artt. 47 - 48
Hoofdstuk VI Informatieverplichtingen artt. 49 - 50
Hoofdstuk VII Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie artt. 51 - 54
Hoofdstuk VIII Overgangsbepalingen artt. 55 - 64b
§ 1x Het ouderdomspensioen van personen die vóór het in werking treden van artikel 6 de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar hebben bereikt artt. 55 - 57
§ 2x Door vernummering vervallen artt. 58 - 61
§ 2x Overige overgangsbepalingen art. 62 - 64b
Hoofdstuk IX Strafbepalingen artt. 65 - 69
Hoofdstuk X Slotbepalingen artt. 70 - 75
xxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxx

Parlementaire behandeling:
Bijlage Handelingen II 1954-1955, 1955-1956, 4009.
Handelingen I 1955-1956, blz. 3821-3939, 3944-3973.
Bijlage Handelingen I 1955-1956, 4009.
Handelingen I 1955-1956, blz. 3427-3450, 3455-3474.

Geschiedenis:
Staatsblad 1995, 200Staatscourant 1995, 248Staatsblad 1995, 691Staatsblad 1995, 696Staatsblad 1996, 134Staatscourant 1996, 43Staatsblad 1996, 248Staatscourant 1996, 120Staatsblad 1996, 478Staatscourant 1996, 250Staatsblad 1996, 654Staatscourant 1997, 119Staatscourant 1997, 249Staatsblad 1997, 96Staatsblad 1997, 660Staatsblad 1997, 773Staatsblad 1997, 789Staatsblad 1997, 794Staatsblad 1998, 203Staatscourant 1998, 61Staatsblad 1998, 278Staatsblad 1998, 267Staatscourant 1998, 118Staatscourant 1998, 245Staatsblad 1998, 742Staatsblad 1999, 185Staatsblad 1999, 250Staatscourant 1999, 119Staatscourant 1999, 230Staatsblad 1999, 564Staatsblad 1999, 594Staatsblad 2000, 40Staatscourant 2000, 119Staatscourant 2000, 235Staatsblad 2000, 496Staatsblad 2000, 593Staatsblad 2001, 67Staatsblad 2000, 571Staatsblad 2000, 627Staatsblad 2001, 212Staatscourant 2001, 114Staatsblad 2001, 481Staatsblad 2001, 568Staatscourant 2001, 228Staatsblad 2001, 625Staatsblad 2001, 692Staatscourant 2002, 119Staatscourant 2002, 245Staatsblad 2003, 40Staatscourant 2003, 56Staatscourant 2003, 122Staatsblad 2003, 376Staatsblad 2003, 524Staatscourant 2003, 250Staatsblad 2003, 544Staatscourant 2004, 63Staatscourant. 2004, 120Staatsblad 2005, 37Staatsblad 2004, 717Staatsblad 2004, 728Staatsblad 2005, 192Staatsblad 2005, 525Staatsblad 2005, 530Staatsblad 2005, 573Staatsblad 2005, 710Staatsblad 2005, 708Staatsblad 2005, 713Staatsblad 2005, 718Staatsblad 2006, 558Staatsblad 2006, 697Staatsblad 2007, 305Staatsblad 2007, 551Staatsblad 2007, 555Staatsblad 2008, 510Staatsblad 2009, 63Staatsblad 2009, 384Staatsblad 2009, 265Staatsblad 2009, 390Staatsblad 2009, 282Staatsblad 2009, 318Staatsblad 2009, 542Staatsblad 2009, 580Staatsblad 2009, 596Staatsblad 2010, 350Staatsblad 2010, 840Staatsblad 2010, 838Staatsblad 2010, 867Staatsblad 2011, 9Staatsblad 2011, 231Staatsblad 2011, 288Staatsblad 2011, 359Staatsblad 2011, 360Staatsblad 2011, 618Staatsblad 2012, 2Staatsblad 2011, 645Staatsblad 2011, 650Staatsblad 2012, 328Staatsblad 2012, 657Staatsblad 2012, 462Staatsblad 2012, 463Staatsblad 2012, 682Staatsblad 2013, 115.

 

 

WET van 31 mei 1956, Stb. 1956, 281, inzake een algemene ouderdomsverzekering (Algemene Ouderdomswet). Laatste tekstplaatsing: Stb. 1990, 129. Inwerkingtreding: 1 augustus 1956 (Stb. 1956, 408).

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van ouderdom;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1. [Begripsbepalingen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 696 + bisStb. 1997, 660Stb. 1997, 789Stb. 1998, 203Stb. 2000, 496Stb. 2005, 525Stb. 2009, 63Stb. 2009, 596Stb. 2010, 838Stb. 2011, 9Stb. 2012, 328]
-1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
d. brutominimumloon: het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag;
e. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
f. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting of een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden;
g. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
h. continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland;
i. pensioengerechtigde leeftijd: leeftijd, bedoeld in artikel 7a, waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat;
j. aanvangsleeftijd: leeftijd, bedoeld in artikel 7a, met ingang waarvan een niet-verzekerd tijdvak leidt tot een korting op het ouderdomspensioen;
k. CBS: Centraal bureau voor de statistiek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek.

-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige. 
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 2. [Begrip ingezetene]  [GeschiedenisOvWMvT]
Ingezetene in de zin van deze wet is degene die in Nederland woont.

 

Art. 3. [Woonplaats, vestigingsplaats]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2005, 710Stb. 2010, 350]
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd.
-3. Hij die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of op het grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.

 

Art. 4. Vervallen[GeschiedenisOvWMvTStb. 2001, 692Stb. 2010, 867]

 

Art. 5. Vervallen[GeschiedenisOvWMvTStb. 1997, 789Stb. 1999, 564Stb. 2000, 627 + bis]

 

 

HOOFDSTUK  II

Kring der verzekerden

 

Art. 6. [Kring verzekerden]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1998, 203Stb. 2000, 496 + bisStb. 2011, 9Stb. 2012, 328]
-1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland
of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
-2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. [Bubkvv99]
-4. Bij een maatregel als bedoeld in het derde lid kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

 

Art. 6a. [Uitbreiding en beperking kring verzekerden i.v.m. internationaal recht]  [GeschiedenisStb. 1998, 267]
Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

 

 

HOOFDSTUK  III

Het ouderdomspensioen en de toeslag

 

§ 1.  Het recht op ouderdomspensioen en toeslag

 

Art. 7. [Recht op ouderdomspensioen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2012, 328 + bisStb. 2013, 115]
Recht op ouderdomspensioen overeenkomstig de bepalingen van deze wet heeft degene die:
a. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; en 
b. ingevolge deze wet verzekerd is geweest in het tijdvak aanvangende met de dag waarop de aanvangsleeftijd is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt.

 

Art. 7a. [Pensioengerechtigde leeftijd en aanvangsleeftijd]  [GeschiedenisStb. 2012, 328]
-1. De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn:
a. vóór 1 januari 2013: 65, respectievelijk 15 jaar;
b. in 2013: 65 jaar en één maand, respectievelijk 15 jaar en één maand;
c. in 2014: 65 jaar en twee maanden, respectievelijk 15 jaar en twee maanden;
d. in 2015: 65 jaar en drie maanden, respectievelijk 15 jaar en drie maanden;
e. in 2016: 65 jaar en vijf maanden, respectievelijk 15 jaar en vijf maanden;
f. in 2017: 65 jaar en zeven maanden, respectievelijk 15 jaar en zeven maanden;
g. in 2018: 65 jaar en negen maanden, respectievelijk 15 jaar en negen maanden;
h. in 2019: 66 jaar, respectievelijk 16 jaar;
i. in 2020: 66 jaar en drie maanden, respectievelijk 16 jaar en drie maanden;
j. in 2021: 66 jaar en zes maanden, respectievelijk 16 jaar en zes maanden;
k. in 2022: 66 jaar en negen maanden, respectievelijk 16 jaar en negen maanden;
l. in 2023: 67 jaar, respectievelijk 17 jaar.
Op pensioengerechtigden die in een bepaald kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt zijn de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd in de kalenderjaren daarna niet van toepassing.
-2. De verdere verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd wordt jaarlijks, voor de eerste maal uiterlijk op 1 januari 2019 voor het jaar 2024, bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld volgens de volgende formule:
V = (L – 18,26) – (P – 65)
waarbij:
V staat voor de periode waarmee de pensioengerechtigde leeftijd respectievelijk aanvangsleeftijd wordt verhoogd, uitgedrukt in perioden van één jaar;
L staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar van verhoging;
P staat voor de pensioengerechtigde leeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van verhoging.
Indien V negatief is of minder dan 0,25 bedraagt, wordt deze gesteld op 0. Indien V 0,25 of meer bedraagt, wordt deze gesteld op drie maanden.
-3. De verhoging, bedoeld in het tweede lid, treedt telkens in werking vijf jaar na de uiterste datum van vaststelling, bedoeld in het tweede lid, voor de eerste maal met ingang van 1 januari 2024.
-4. De ramingen van de macro gemiddelde resterende levensverwachting, bedoeld in het tweede lid, worden uitgevoerd en bekendgemaakt door het CBS.

 

Art. 8. [Recht op toeslag]  [GeschiedenisStb. 1995, 696Stb. 2001, 692Stb. 2010, 867 + bisStb. 2012, 328Stb. 2013, 115]
-1. De pensioengerechtigde die vóór 1 januari 2015 is gehuwd en vóór die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige brutotoeslag.
-2. In afwijking van het eerste lid ontstaat op of na 1 januari 2015 als gevolg van wijziging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, geen recht meer op toeslag.
-3. Waar in deze wet en in de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gesproken van ouderdomspensioen wordt daaronder mede verstaan de in het eerste lid bedoelde toeslag, voor zover niet anders is bepaald.

 

Art. 8a. [Beperking export toeslag]  [GeschiedenisStb. 1999, 250 + bisStb. 1999, 594 + bisStb. 2003, 524Stb. 2010, 350Stb. 2012, 657]
-1. Geen recht op toeslag heeft de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 8, eerste lid, die niet in Nederland woont.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de pensioengerechtigde woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op toeslag kan bestaan.
-3. Voor de pensioengerechtigde wiens recht op toeslag op grond van het eerste lid niet is ontstaan of is geëindigd, ontstaat respectievelijk herleeft het recht op toeslag op de eerste dag van de maand:
a. waarin hij in Nederland woont; of
b. dat hij in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op toeslag kan bestaan;
en hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 8, eerste lid. 
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat recht heeft op toeslag: [Breu] [RaoB02]
a. de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 8, eerste lid, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 8, eerste lid, die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde pensioengerechtigde.
-5. Onze Minister deelt mede in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op toeslag kan bestaan. In deze mededeling wordt tevens opgenomen: [BB01] [BB03]
a. de vindplaats van het desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat verdrag of besluit aanwezige beperkingen.

 

Art. 8b. [Uitsluiting bij detentie] [Bevsz]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2009, 63Stb. 2010, 838Stb. 2012, 2]
-1. Geen recht op ouderdomspensioen ontstaat voor de pensioengerechtigde aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen indien de dag waarop het ouderdomspensioen zou ingaan dan wel de dag na afloop van de toepassing van artikel 8c, eerste lid, met betrekking tot dat recht op ouderdomspensioen, is gelegen in de periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. Het recht op ouderdomspensioen eindigt indien de pensioengerechtigde rechtens zijn vrijheid is ontnomen gedurende ten minste één maand.
-3. De persoon die op grond van het eerste of tweede lid geen recht op ouderdomspensioen heeft, heeft met ingang van de dag waarop hij in vrijheid is gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen.
-4. Voor de toepassing van het tweede lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-5. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing en het derde lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
-6. Voor de pensioengerechtigde die op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht heeft op ouderdomspensioen op grond van artikel 8c, tweede lid, eindigt het recht op ouderdomspensioen, in afwijking van het tweede lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat.

 

Art. 8c. [Uitsluiting, eindiging en herleving uitkering bij onttrekking aan vrijheidsontneming]  [GeschiedenisStb. 2010, 838]
-1. Voor de pensioengerechtigde ontstaat geen recht op ouderdomspensioen indien en voor zolang hij zich op de dag waarop het ouderdomspensioen zou ingaan en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
-2. Het recht op ouderdomspensioen eindigt indien de pensioengerechtigde zich, nadat het recht op ouderdomspensioen is ingegaan, onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
-3. De persoon die op grond van het eerste of tweede lid geen recht op ouderdomspensioen heeft, heeft met ingang van de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen.

 

Art. 9. [Hoogte ouderdomspensioen en brutotoeslag]  [GeschiedenisOvWMvTStcrt. 1995, 248Stb. 1996, 134Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 120Stcrt. 1996, 250Stb. 1996, 654Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 249Stb. 1997, 794Stcrt. 1998, 61 + bis + bis + bisStcrt. 1998, 118Stcrt. 1998, 245Stcrt. 1999, 199Stcrt. 1999, 230Stb. 1999, 564Stcrt. 2000, 119Stcrt. 2000, 235Stb. 2000, 571Stcrt. 2001, 114Stcrt. 2001, 228Stcrt. 2002, 119Stcrt. 2002, 245Stcrt. 2003, 56Stcrt. 2003, 122Stcrt. 2003, 250Stcrt. 2004, 63Stcrt. 2004, 120Stb. 2005, 37Stb. 2004, 728Stb. 2005, 525Stb. 2005, 713Stb. 2009, 265Stb. 2010, 838Stb. 2011, 288Stb. 2012, 328]
-1. Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor:
a. de ongehuwde pensioengerechtigde;
b. de gehuwde pensioengerechtigde;
c. de ongehuwde pensioengerechtigde die een kind heeft jonger dan 18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie aan hem op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.
-2. De in het eerste lid bedoelde ouderdomspensioenen worden afgeleid van het nettominimumloon per maand.
-3. Onder het nettominimumloon wordt verstaan het brutominimumloon na aftrek van premies op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen en loonbelasting.
-4. De loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen, worden berekend voor een werknemer jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het brutominimumloon.
-5. De bruto-ouderdomspensioenen worden zodanig vastgesteld dat na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon van de pensioengerechtigde leeftijd of ouder, en van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet:
a. het netto-ouderdomspensioen per maand van een pensioengerechtigde als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gelijk is aan 70% van het nettominimumloon per maand;
b. het netto-ouderdomspensioen per maand van een pensioengerechtigde als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gelijk is aan 50% van het nettominimumloon per maand;
c. het netto-ouderdomspensioen per maand van een pensioengerechtigde als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gelijk is aan 90% van het nettominimumloon per maand.
-6. De volledige brutotoeslag, bedoeld in artikel 8, is gelijk aan het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
-7. Een herziening van het bruto-ouderdomspensioen in verband met een wijziging van het nettominimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-8. De Sociale verzekeringsbank betaalt het herziene ouderdomspensioen, bedoeld in het zevende lid, bij de eerstvolgende betaling van het ouderdomspensioen nadat de herziening, bedoeld in het zevende lid, heeft plaatsgevonden.

 

Art. 9a. [Beperking export ouderdomspensioen]  [GeschiedenisStb. 1999, 250 + bisStb. 1999, 594 + bisStb. 2003, 524Stb. 2004, 728Stb. 2010, 350Stb. 2012, 657]
-1. In afwijking van artikel 9 is voor de pensioengerechtigde die niet in Nederland woont het bruto-ouderdomspensioen gelijk aan het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onverminderd artikel 13, eerste lid.
-2. Artikel 8a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat recht heeft op ouderdomspensioen alsof hij in Nederland woont: [Breu] [RaoB02]
a. de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of c, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of c, die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde pensioengerechtigde.
-4. Onze Minister deelt mede in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op ouderdomspensioen bestaat alsof de pensioengerechtigde in Nederland woont. In deze mededeling wordt tevens opgenomen: [BB01] [BB03]
a. de vindplaats van het desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat verdrag of besluit aanwezige beperkingen.

 

Art. 10. [Inkomstenverrekening met brutotoeslag]  [GeschiedenisStb. 2001, 692Stb. 2003, 544Stb. 2010, 867 + bisStb. 2011, 359 + bis]
-1. De volledige brutotoeslag wordt toegekend voor zolang, met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde nihil bedraagt.
-2. Op de volledige brutotoeslag wordt in mindering gebracht het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit arbeid of overig inkomen, vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 11.

 

Art. 11. [Inkomstenvrijlating]  [GeschiedenisStb. 1995, 696 + bisStb. 2001, 692Stb. 2005, 525Stb. 2010, 867 + bisStb. 2011, 618Stb. 2012, 328]
-1. Voor de toepassing van de artikelen 8 en 10 wordt van het inkomen uit arbeid buiten aanmerking gelaten: 
1º. een bedrag gelijk aan 15% van het brutominimumloon; alsmede
2º. voor zover het inkomen uit arbeid meer bedraagt dan het onder 1º bedoelde bedrag, een derde gedeelte van dat meerdere.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt in de maand waarin de pensioengerechtigde of de echtgenoot van de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt het brutominimumloon, bedoeld in het eerste lid, onder 1º, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:
- X staat voor:
a. het aantal dagen gelegen in de maand waarin de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, vanaf de dag dat de pensioengerechtigde deze leeftijd heeft bereikt; of
b. het aantal dagen gelegen in de maand waarin de echtgenoot van de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, voordat de echtgenoot deze leeftijd heeft bereikt; en
- Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de pensioengerechtigde of de echtgenoot van de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

 

Art. 12. [Korting op brutotoeslag]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1999, 564Stb. 2004, 728Stb. 2011, 359 + bisStb. 2011, 360]
-1. Op de brutotoeslag vastgesteld op grond van artikel 10 en, indien van toepassing, na toepassing van artikel 13, tweede lid, wordt een korting toegepast tot 10% voor zover de toeslag samen met het gezamenlijke inkomen uit arbeid of overig inkomen van de gehuwde pensioengerechtigde en diens echtgenoot vermeerderd met het op grond van de artikelen 9, zesde lid, onderdeel b, en 13, eerste lid, vastgestelde bruto-ouderdomspensioen door de toepassing van de korting niet minder bedraagt dan 162% van het brutominimumloon met inbegrip van de brutominimumvakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-2. De met toepassing van artikel 10, tweede lid, of artikel 13, tweede lid, of het eerste lid berekende niet-volledige brutotoeslag wordt voor toepassing van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, uitgedrukt in een percentage van de volledige brutotoeslag. Dit percentage wordt rekenkundig afgerond op een veelvoud van een honderdste.
-3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel II van de Wet van 23 oktober 1993 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet (wijziging in de verhouding van ouderdomspensioen en toeslag) (Stb. 1993, 592). Ten aanzien van die pensioengerechtigden dient:
a. artikel 10, vierde lid, zoals dat luidde vóór de datum van inwerkingtreding van die wet, te worden gelezen alsof "en 11" is vervangen door "11 en 12"; en
b. artikel 29, tweede lid, zoals dat luidde vóór de datum van inwerkingtreding van die wet, te worden gelezen alsof "met toepassing van artikel 10, tweede lid," is vervangen door "met toepassing van artikel 10, tweede lid, of artikel 13, tweede lid, of artikel 12, eerste lid," en "de in artikel 10, derde lid, bedoelde percenten" is vervangen door "de in artikel 12, tweede lid, bedoelde percenten".

 

Art. 12a. [AMvB inkomstenverrekening]  [GeschiedenisStb. 2010, 867]
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid en overig inkomen als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste en tweede lid, 11 en 12 wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Ais]

 

Art. 13. [Korting op bruto-ouderdomspensioen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2005, 37Stb. 2004, 728Stb. 2012, 328]
-1. Op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9, wordt een korting toegepast van 2%:
a. voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de de pensioengerechtigde leeftijd, niet verzekerd is geweest;
b. voor elke jaarpremie op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen welke de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd schuldig nalatig is geweest te betalen als bedoeld in artikel 61 van die wet.
-2. Op de brutotoeslag wordt, na toepassing van artikel 10, een korting toegepast van 2%:
a. voor elk kalenderjaar dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de pensioengerechtigde, niet verzekerd is geweest;
b. voor elke jaarpremie op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen welke de echtgenoot van de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de pensioengerechtigde, schuldig nalatig is geweest te betalen.
-3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de herleiding van gedeelten van kalenderjaren tot gehele kalenderjaren en gedeelten van jaarpremies tot gehele jaarpremies. [Rhgkj]

 

Art. 13a. [Beperking kortingsregeling]  [GeschiedenisStb. 2003, 40]
-1. Artikel 13, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de vrouwelijke pensioengerechtigde voor elk kalenderjaar dat zij in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 niet verzekerd was, doordat zij in Nederland woonde en gehuwd dan wel gehuwd geweest was met een persoon die in die periode niet verzekerd was.
-2. Artikel 13, tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de pensioengerechtigde voor elk kalenderjaar dat zijn echtgenoot in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 niet verzekerd was, doordat die echtgenoot in Nederland woonde en gehuwd dan wel gehuwd geweest was met een persoon die in die periode niet verzekerd was.

 

 

§ 2. Toekenning, ingang, intrekking, herziening en betaling van het ouderdomspensioen

 

Art. 14. [Aanvraag ouderdomspensioen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2001, 625]
-1. Het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt op aanvraag toegekend door de Sociale verzekeringsbank.
-2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is de Sociale verzekeringsbank bevoegd het ouderdomspensioen of een verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen.

 

Art. 15. [Controlevoorschriften en reikwijdte]  [GeschiedenisStb. 1996, 248 + bisStb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2012, 463]
-1. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. [CA]
-2. De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan op grond van artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan de Sociale verzekeringsbank desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

 

Art. 16. [Aanvang ouderdomspensioen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2001, 625Stb. 2012, 2]
-1. Het ouderdomspensioen gaat in op de dag waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.
-2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan één jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend of vóór de dag waarop ambtshalve toekenning plaatsvond. De Sociale verzekeringsbank kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken. [BbSaiu]

 

Art. 16a. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1998, 203Stb. 1999, 564]

 

Art. 17. [Intrekking of herziening ouderdomspensioen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2001, 625Stb. 2004, 728Stb. 2006, 558Stb. 2009, 63Stb. 2012, 463Stb. 2013, 115]
-1. Het ouderdomspensioen wordt door de Sociale verzekeringsbank ingetrokken of herzien wanneer degene aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.
-2. In afwijking van het eerste lid vindt geen herziening van het ouderdomspensioen plaats, indien:
a. sprake is van zorg voor een pensioengerechtigde die hulpbehoevend is als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Algemene nabestaandenwet;
b. door deze zorg een gezamenlijke huishouding ontstaat van twee pensioengerechtigden; en
c. de pensioengerechtigde en de hulpbehoevende pensioengerechtigde ieder beschikken over een woning en daarvoor de financiële lasten dragen.
-3. De herziening van het ouderdomspensioen welke voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden en welke een verhoging van dit ouderdomspensioen tot gevolg heeft, gaat in op de eerste dag der maand waarin de wijziging dier omstandigheden heeft plaatsgevonden. Het bepaalde in artikel 16, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. De Sociale verzekeringsbank kent, indien de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger niet op grond van artikel 50 desgevraagd aantoont dat hij een pensioengerechtigde is als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of c, of dat zijn feitelijke woonsituatie in overeenstemming is met het door hem dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verstrekte adres, een ouderdomspensioen toe gelijk aan dat van een pensioengerechtigde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, dan wel herziet het ouderdomspensioen tot het bedrag van dat ouderdomspensioen.
-5. De intrekking van het ouderdomspensioen of de herziening daarvan, welke voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden en welke een verlaging van dit ouderdomspensioen tot gevolg heeft, gaat, behoudens in de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen, in op de eerste dag der maand volgende op die waarin de dag is gelegen met ingang waarvan degene aan wie ouderdomspensioen is toegekend, daarvoor niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. Indien het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, wordt het ingetrokken onderscheidenlijk herzien met ingang van de dag waarop het is ingegaan. [Riho]
-6. De herziening van het ouderdomspensioen als gevolg van een wijziging van het nettominimumloon gaat, in afwijking van het bepaalde in het derde en vierde lid, in op de dag waarop het nettominimumloon is herzien.
-7. De beëindiging van het ouderdomspensioen op grond van artikel 8b, tweede lid, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-8. Ter uitvoering van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven. [Riho]

 

Art. 17a. [Herziening of intrekking toekenningsbesluit]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1997, 789Stb. 1999, 564Stb. 2001, 625]
-1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en ter zake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in: 
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

 

Art. 17b. [Weigering ouderdomspensioen bij niet-nakoming verplichtingen | Afstemming maatregel]  [GeschiedenisStb. 1996, 248 + bisStb. 1997, 96 + bisStb. 1997, 789Stb. 1998, 742Stb. 2001, 625 + bis + bisStb. 2007, 305Stb. 2009, 265]
-1. De Sociale verzekeringsbank weigert het ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend indien de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting hem op grond van artikel 15, tweede lid, opgelegd, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 49, niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 17c wordt opgelegd. 
-6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. [MA] [Mszw] [Ukob]

 

Art. 17c. [Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting | Schriftelijke waarschuwing | Reformatio in peius]  [GeschiedenisStb. 1996, 248 + bisStb. 1997, 96Stb. 1997, 789Stb. 1998, 742Stb. 2001, 481Stb. 2001, 625Stb. 2005, 708Stb. 2009, 265Stb. 2012, 462]
-1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen is verleend.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen is ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
-6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 49 van deze wet of 35 van de Algemene nabestaandenwet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen, nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering is verleend.
-7. In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
-8. De Sociale verzekeringsbank kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-11. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.

 

Art. 17d. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248 + bis + bisStb. 2001, 625Stb. 2009, 265]

 

Art. 17e. [Nadere regelgeving tenuitvoerlegging bestuurlijke boete]  [GeschiedenisStb. 1996, 248 + bisStb. 2001, 625 + bis + bisStb. 2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel 17i, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt. [BibobbAAA] [Rtbbtob]

 

Art. 17f. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248 + bisStb. 2001, 625Stb. 2009, 265]

 

Art. 17g. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248 + bisStb. 2001, 625Stb. 2009, 265]

 

Art. 17h. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248 + bisStb. 2009, 265Stb. 2012, 462]

 

Art. 17i. [Invordering bestuurlijke boete]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1997, 96Stb. 1997, 789Stb. 1997, 794Stb. 1998, 742 + bisStb. 1999, 564Stb. 2001, 568Stb. 2001, 625 + bisStb. 2003, 376Stb. 2004, 717Stb. 2005, 573Stb. 2005, 708Stb. 2009, 265Stb. 2009, 390Stb. 2009, 282Stb. 2009, 318Stb. 2009, 580Stb. 2011, 645Stb. 2011, 650Stb. 2012, 462]
-1. De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete met het ouderdomspensioen dat degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd op grond van deze wet ontvangt.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 17c, negende lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.

 

Art. 17j. [Verrekening bestuurlijke boete bij recidive]  [GeschiedenisStb. 2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel 17i, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 17c, vijfde lid, door Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
-2. Artikel 17i, eerste lid, en het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 17c, zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is betaald.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, besluiten het eerste en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel 17i, eerste lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij ministeriële regeling bepaald deel van het ouderdomspensioen op grond van deze wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen. Het vrij te laten deel van het ouderdomspensioen kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie.

 

Art. 18. [Overlijdensuitkering]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 696Stb. 1997, 773Stb. 2001, 625Stb. 2010, 867Stb. 2011, 618]
-1. Na het overlijden van degene aan wie ouderdomspensioen is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden ouderdomspensioen in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde.
-2. De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van het ouderdomspensioen over één maand, met uitzondering van de toeslag, berekend naar de hoogte van het ouderdomspensioen in de maand van overlijden van degene aan wie ouderdomspensioen is toegekend.
-3. De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden door de Sociale verzekeringsbank uitbetaald.
-4. De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens aan de rechthebbende of rechthebbenden uitbetaald.
-5. Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan ouderdomspensioen dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
-6. De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.

 

Art. 19. [Betaalbaarstelling ouderdomspensioen en toeslag]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 593Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265Stb. 2010, 838Stb. 2012, 463Stb. 2012, 463]
-1. De Sociale verzekeringsbank betaalt het ouderdomspensioen waarop op grond van deze wet recht bestaat. De betaling geschiedt als regel maandelijks.
-2. De Sociale verzekeringsbank kan de aan een gehuwde pensioengerechtigde toegekende toeslag betaalbaar stellen aan de echtgenoot.
-3. Indien het ouderdomspensioen in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling, in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
-4. Wanneer een pensioengerechtigde een ander machtigt om het ouderdomspensioen in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking der machtiging.
-5. De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van het ouderdomspensioen op of schorst de betaling indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op ouderdomspensioen niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lager ouderdomspensioen bestaat; of
c. de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan op grond van artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald een verplichting als bedoeld in artikel 15, tweede lid, artikel 49 of artikel 50 niet is nagekomen.
-6. De Sociale verzekeringsbank stelt de betrokken persoon of instelling onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing, bedoeld in het vijfde lid.

 

Art. 19a. [Opschorting betaling uitkering bij onrechtmatig verblijf in Nederland]  [GeschiedenisStb. 1998, 203Stb. 1999, 564Stb. 2000, 496Stb. 2001, 625]
-1. De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van het ouderdomspensioen op indien degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
-2. De betaling van het ouderdomspensioen wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het de Sociale verzekeringsbank is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.

 

Art. 19b. [Opschorting betaling uitkering bij afwijking adres]  [GeschiedenisStb. 2001, 67Stb. 2001, 625]
-1. De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de uitkering op indien blijkt dat het door de pensioengerechtigde verstrekte adres van hemzelf of van zijn echtgenoot afwijkt van het adres waaronder de pensioengerechtigde of zijn echtgenoot in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven.
-2. Geen opschorting vindt plaats:
a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering;
b. indien de pensioengerechtigde van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
-3. De Sociale verzekeringsbank doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de belanghebbende.
-4. De opschorting wordt beëindigd zodra het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat.

 

Art. 20. [Betaling aan instellingen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 691Stb. 1996, 478 + bisStb. 1999, 185Stb. 2001, 625Stb. 2005, 525Stb. 2005, 530Stb. 2009, 265]
-1. Indien degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd het ouderdomspensioen tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie ouderdomspensioen is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de Sociale verzekeringsbank van de desbetreffende inrichting of van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om het ouderdomspensioen aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het ouderdomspensioen dat niet aan het College voor zorgverzekeringen wordt uitbetaald.
-4. Een herziening van het ouderdomspensioen op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld.

 

Art. 21. [Voorschot]  [GeschiedenisStb. 1995, 691Stb. 1995, 696Stb. 2003, 544Stb. 2009, 265]
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op het nog niet vastgestelde ouderdomspensioen beschouwd als ouderdomspensioen op grond van deze wet.

 

Art. 22. [Voorschotverlening in 2013, 2014 en 2015]  [GeschiedenisStb. 2001, 692Stb. 2010, 867 + bisStb. 2012, 328]
-1. De Sociale verzekeringsbank verleent op aanvraag aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken in de jaren 2013, 2014 of 2015 een voorschot op het ouderdomspensioen in de vorm van een renteloze lening.
-2. De voorschotverlening gaat in op de dag waarop de persoon, bedoeld in het eerste lid, de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-3. Het bedrag van het voorschot over één maand, respectievelijk van de voorschotten over twee en drie maanden, wordt verrekend met het ouderdomspensioen over respectievelijk de eerste zes volledige kalendermaanden, de eerste twaalf volledige kalendermaanden en de eerste achttien volledige kalendermaanden na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
-4. Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2017.

 

Art. 23. [Verjaring betaalbaarstelling]  [GeschiedenisOvWMvT]
De termijnen van het ouderdomspensioen welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de eerste dag waarop zij konden worden ingevorderd, worden niet meer uitbetaald.

 

Art. 24. [Terugvordering]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1996, 248 + bisStb. 1997, 789Stb. 1998, 278 + bisStb. 1998, 742Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265Stb. 2012, 462]
-1. Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49.
-5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat. [Rtgb]

 

Art. 24a. [Invordering bij dwangbevel]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1998, 278Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265]
-1. De Sociale verzekeringsbank kan het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Artikel 17i is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager vaststelt.

 

Art. 24b. [Nadere regelgeving tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1998, 278Stb. 2001, 625 + bisStb. 2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. [BibobbAAA] [Rtbbtob]

 

Art. 25. [Schuldregeling]  [GeschiedenisStb. 1995, 200Stb. 1996, 248Stb. 2008, 510Stb. 2011, 618]
-1. In afwijking van artikel 24, eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de pensioengerechtigde niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van de Sociale verzekeringsbank wegens onverschuldigde betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de pensioengerechtigde van de verplichting, bedoeld in artikel 49, en met betrekking tot het niet naleven van die verplichting een boete als bedoeld in artikel 17c is opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn schuld aan de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.

 

Art. 25a. [Preferentie]  [GeschiedenisStb. 2008, 510Stb. 2011, 618]
Een vordering van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Art. 26. [Onvervreemdbaarheid ouderdomspensioen]  [GeschiedenisOvWMvT]
-1. Het ouderdomspensioen is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst van ouderdomspensioen, onder welke vorm of welke benaming ook door de gepensioneerde verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.

 

Art. 27. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvT]

 

 

§ 3.  Vakantie-uitkering

 

Art. 28. [Recht op vakantie-uitkering]  [Geschiedenis]
Degene die over een maand recht heeft op ouderdomspensioen, heeft over die maand tevens recht op vakantie-uitkering.

 

Art. 29. [Hoogte vakantie-uitkering]  [GeschiedenisStcrt. 1995, 248Stb. 1996, 134Stcrt. 1996, 43Stcrt. 1996, 120Stcrt. 1996, 250Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 249Stb. 1997, 794Stcrt. 1998, 61 + bisStcrt. 1998, 118Stcrt. 1998, 245Stcrt. 1999, 199Stcrt. 1999, 230Stcrt. 2000, 119Stcrt. 2000, 235Stb. 2000, 571Stcrt. 2001, 114Stcrt. 2001, 228Stcrt. 2002, 119Stcrt. 2002, 245Stcrt. 2003, 56Stcrt. 2003, 122Stcrt. 2003, 250Stb. 2003, 544Stcrt. 2004, 63Stcrt. 2004, 120Stb. 2005, 37Stb. 2004, 728Stb. 2005, 192Stb. 2011, 359Stb. 2012, 328 + bis]
-1. De brutovakantie-uitkering wordt zodanig vastgesteld dat:
a. de nettovakantie-uitkering per maand van de ongehuwde pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, gelijk is aan 90% van de nettominimumvakantiebijslag per maand;
b. de nettovakantie-uitkering per maand van een ongehuwde pensioengerechtigde gelijk is aan 70% van de nettominimumvakantiebijslag per maand;
c. de nettovakantie-uitkering per maand van de gehuwde pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van wie de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt dan wel de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar voor wie geen recht op toeslag bestaat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, gelijk is aan 50% van de nettominimumvakantiebijslag per maand.
-2. De brutovakantie-uitkering per maand van een gehuwde pensioengerechtigde:
a. aan wie een volledige toeslag is toegekend, is gelijk aan tweemaal de brutovakantie-uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;
b. aan wie een niet-volledige toeslag is toegekend met toepassing van artikel 10, tweede lid, artikel 13, tweede lid, of artikel 12, eerste lid, is gelijk aan de brutovakantie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vermeerderd met de met behulp van de in artikel 12, tweede lid, bedoelde percenten over het verschil tussen de vastgestelde brutovakantie-uitkering, bedoeld in onderdeel a, en de vastgestelde brutovakantie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
-3. De in het eerste lid bedoelde nettominimumvakantiebijslag bedraagt het verschil tussen het bedrag dat voor een werknemer jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd ontstaat door toepassing van artikel 9, derde lid, op het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag vermeerderd met de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van die wet van degene die aanspraak heeft op laatstgenoemd bedrag, en het nettominimumloon, bedoeld in artikel 9, derde lid.
-4. In de gevallen dat op het ouderdomspensioen vastgesteld op grond van artikel 9, met toepassing van artikel 13, eerste lid, een korting wordt toegepast, wordt op de op grond van het eerste en derde lid vastgestelde brutovakantie-uitkering een evenredige korting toegepast.

 

Art. 29a. Vervallen[Geschiedenis]

 

Art. 30. Vervallen[GeschiedenisStb. 2003, 544Stb. 2004, 728]

 

Art. 31. [Uitbetaling vakantie-uitkering]  [GeschiedenisStb. 2009, 265]
-1. Eenmaal per jaar vindt ambtshalve uitbetaling van de vakantie-uitkering plaats.
-2. De in het vorige lid bedoelde uitbetaling vindt plaats in de maand mei en omvat de vakantie-uitkering waarop recht bestond over de periode van twaalf maanden voorafgaande aan de maand mei.
-3. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

 

Art. 32. [Schakelbepaling]  [GeschiedenisStb. 1995, 696Stb. 2012, 328]
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 18, 19, 20, 23, 24, 26 en 49 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering, voor zover bij of krachtens deze paragraaf niet anders is bepaald.

 

Art. 33. [Nadere regelgeving]  [Geschiedenis]
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot deze paragraaf nadere regels worden gesteld. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 31, tweede lid.
[Ruv]

 

Art. 33a. Vervallen[GeschiedenisStb. 2009, 265]

 

 

§ 4.  Tegemoetkoming in aanvulling op het ouderdomspensioen

Vervallen

 

Art. 33b. Vervallen[GeschiedenisStb. 2005, 713Stb. 2009, 265Stb. 2011, 231]

 

 

HOOFDSTUK  IV

De vrijwillige verzekering

 

Art. 34. [Begrip gewezen verzekerde]  [GeschiedenisStb. 2001, 212]
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde: degene wiens verplichte verzekering is geëindigd.

 

Art. 35. [Periode vrijwillige verzekering]  [GeschiedenisStb. 2001, 212 + bis + bis + bisStb. 2005, 525Stb. 2005, 573 + bisStb. 2009, 580Stb. 2011, 618Stb. 2012, 328 + bisStb. 2012, 657]
-1. De gewezen verzekerde die de aanvangsleeftijd heeft bereikt, kan zich, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren over een periode van maximaal tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste één jaar verplicht verzekerd is geweest.
-2. Indien de periode van vrijwillige verzekering is onderbroken door een periode van verplichte verzekering korter dan één jaar, kan de gewezen verzekerde zich opnieuw vrijwillig verzekeren voor de resterende periode van de tien jaar.
-3. De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
a. de gewezen verzekerde die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon;
b. de gewezen verzekerde die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking; [RuwRaoB02] [Rao05]
[Rao11]
c. de gewezen verzekerde die werkzaam is bij een door Onze Minister, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie;
d. de gewezen verzekerde die werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
e. de gewezen verzekerde die op de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, niet in Nederland woont en recht heeft op een:
1º. uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
2º. uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3º. uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
4º. uitkering of op recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
5º. uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
6º. pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds;
7º. pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die luidde vóór 1 januari 1998; of
8º. nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet;
mits die uitkering of dat pensioen ten minste gelijk is aan 35% van het brutominimumloon;
f. de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 40.
-4. De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de echtgenoot van de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde en de inwonende minderjarige kinderen met wie die gewezen verzekerde of die echtgenoot in familierechtelijke betrekking staat. Voor de toepassing van dit lid wordt onder de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde mede verstaan de gewezen verzekerde, bedoeld in onderdeel e van dat lid, wiens recht op een uitkering als bedoeld in dat onderdeel uitsluitend als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is geëindigd.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld. [BvvAA01]

 

Art. 36. [Aanvraag vrijwillige verzekering]  [GeschiedenisStb. 2001, 212Stb. 2001, 625]
-1. De gewezen verzekerde die van de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 35, eerste lid, gebruik wil maken, is verplicht uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank.
-2. De aanvraag wordt afgewezen indien de gewezen verzekerde niet voldoet aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.

 

Art. 37. [Eindiging vrijwillige verzekering]  [GeschiedenisStb. 2001, 212Stb. 2001, 625Stb. 2005, 37Stb. 2004, 728Stb. 2005, 708Stb. 2012, 328]
De vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 35, eerste lid, eindigt:
a. met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de Sociale verzekeringsbank een schriftelijke opzegging van de gewezen verzekerde heeft ontvangen;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
c. met ingang van de dag waarop de periode van tien jaar, bedoeld in artikel 35, eerste lid, is verstreken;
d. met ingang van de dag waarop de gewezen verzekerde verplicht verzekerd wordt op grond van deze wet;
e. met ingang van de eerste dag van de vierde maand volgend op de laatste dag van de door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering, bedoeld in artikel 71 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dient te worden betaald, indien de betaling niet of niet geheel heeft plaatsgevonden;
f. met ingang van de dag volgend op de laatste dag van een door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de gewezen verzekerde de van hem, in verband met de toepassing van dit hoofdstuk, verlangde inlichtingen dient te verstrekken, indien de gewezen verzekerde die gegevens niet heeft verstrekt, tenzij de gewezen verzekerde aannemelijk maakt dat dat hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

 

Art. 38. [Vrijwillige verzekering over achterliggende periode]  [GeschiedenisStb. 2001, 212Stb. 2009, 596Stb. 2012, 328 + bis]
-1. De verzekerde die voorafgaand aan de verplichte verzekering niet eerder verplicht verzekerd is geweest, kan zich, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren vanaf de aanvangsleeftijd, over de achterliggende periode waarin hij niet verplicht verzekerd is geweest.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene wiens verplichte verzekering vóór het bereiken van de aanvangsleeftijd is beëindigd, geacht niet verplicht verzekerd te zijn geweest gedurende de periode voorafgaand aan het bereiken van de aanvangsleeftijd.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid nadere regels worden gesteld. [BvvAA01]

 

Art. 39. [Indieningstermijn aanvraag vrijwillige verzekering over achterliggende periode]  [GeschiedenisStb. 2001, 212Stb. 2001, 625Stb. 2005, 708Stb. 2009, 596]
-1. De verzekerde die van de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 38, eerste lid, gebruik wil maken, is verplicht uiterlijk tien jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is ontstaan een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank.
-2. De artikelen 36, tweede lid, en 37, onderdeel e en f, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 40. [Overgangsrecht 1 januari 2013 vrijwillige verzekering]  [GeschiedenisStb. 2005, 718Stb. 2012, 657 + bis]
De artikelen 34 tot en met 39 zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen verzekerde die op 31 december 2005 vrijwillig verzekerd was op grond van een algemene maatregel van bestuur die gebaseerd was op artikel 40 zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde deze in overeenstemming te brengen met de motie van het voormalige Eerstekamerlid Jurgens c.s.
[BvvAAEu]

 

 

HOOFDSTUK  IVA

Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven

Vervallen

 

[Art. 40. Vervallen[GeschiedenisStb. 2005, 718Stb. 2012, 657]]

 

Art. 41. Vervallen.  [Geschiedenis]

 

Art. 42. Vervallen.  [Geschiedenis]

 

Art. 43. Vervallen.  [Geschiedenis]

 

Art. 44. Vervallen.  [Geschiedenis]

 

Art. 45. Vervallen.  [Geschiedenis]

 

Art. 46. Vervallen.  [Geschiedenis]

 

 

HOOFDSTUK  V

Gemoedsbezwaren

 

Art. 47. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2005, 37]

 

Art. 48. [Uitkering voor gemoedsbezwaarden]  [GeschiedenisStb. 2001, 625Stb. 2005, 37Stb. 2012, 328]
-1. Degene van wie ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen belasting is geheven of in door Onze Minister en Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen geacht wordt te zijn geheven, heeft recht op een uitkering indien en zolang hij recht heeft op ouderdomspensioen krachtens deze wet en hij wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak maakt op dit ouderdomspensioen. [Sga48A]
-2. Degene die ingevolge het eerste lid recht op een uitkering heeft, dient de Sociale verzekeringsbank schriftelijk in kennis te stellen zodra naar zijn oordeel het totaal aan uitkering betaalde bedragen heeft overschreden het totaal van de bedragen die van hem op grond van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde bepalingen aan belasting zijn geheven of geacht worden te zijn geheven. De uitbetaling van deze uitkering wordt dan beëindigd met ingang van een betalingstermijn aanvangende na de dag waarop de kennisgeving door de Sociale verzekeringsbank is ontvangen, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van ontvangst van die kennisgeving.
-3. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt het totaal van de aan belasting geheven bedragen:
a. verminderd met de bedragen die niet zijn ingevorderd, dan wel die de verzekerde nalatig is gebleven te betalen;
b. vermeerderd met een door de in het eerste lid bedoelde uitkeringsgerechtigde te bepalen opslag.
-4. Het bedrag van de uitkering is gelijk aan het bedrag aan ouderdomspensioen en vakantie-uitkering waarop de belanghebbende krachtens deze wet recht heeft.
-5. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 14 tot en met 26, 31 en 33 is, voor zover daarvan ten aanzien van de artikelen 17, derde lid, 18, en 24, eerste lid, bij ministeriële regeling niet wordt afgeweken, van overeenkomstige toepassing. [Ruga48A]
-6. Het bepaalde bij artikel 49 is van overeenkomstige toepassing.
-7. Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen bij ministeriële regeling ter zake van het bepaalde in het eerste tot en met het zesde lid nadere regels en uitvoeringsvoorschriften geven. [Sga48A]

 

 

HOOFDSTUK  VI

Informatieverplichtingen

 

Art. 49. [Inlichtingenverplichting]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1996, 248 + bisStb. 2001, 625Stb. 2007, 555]
De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge
artikel 20 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

 

Art. 50. [Onderzoek woonsituatie]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2012, 463]
In aanvulling op artikel 49 kan de Sociale verzekeringsbank de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger verzoeken aan te tonen dat:
a. de pensioengerechtigde een pensioengerechtigde is als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of c;
b. de feitelijke woonsituatie van de pensioengerechtigde in overeenstemming is met het door hem dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verstrekte adres.
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen, kan de Sociale verzekeringsbank bij die verzoeken aanbieden met de toestemming van de pensioengerechtigde dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger de woning van de pensioengerechtigde binnen te treden.

 

 

HOOFDSTUK  VII

Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie

 

Art. 51. [Beslistermijnen aanvraag]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 627Stb. 2009, 542Stb. 2010, 840]
-1. Een beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.

 

Art. 51a. Vervallen[GeschiedenisStb. 2005, 573Stb. 2012, 682]

 

Art. 52. [Beslistermijn bezwaar]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2001, 625Stb. 2009, 384]
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de Sociale verzekeringsbank binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

 

Art. 53. [Beroep in cassatie]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1997, 660Stb. 1997, 789]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 en de op die artikelen berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

 

Art. 54. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvT]

 

 

HOOFDSTUK  VIII

Overgangsbepalingen

 

§ 1.  Het ouderdomspensioen van personen die vóór het in werking treden van artikel 6 de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar hebben bereikt

 

Art. 55. [Overgangsrecht 1 januari 1957 kring verzekerden]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2010, 350]
-1. Degene die vóór het in werking treden van artikel 6 de leeftijd van 15, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, en die - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn 59ste levensjaar in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft gewoond, wordt voor de toepassing van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, gedurende het tijdvak gelegen tussen de voleindiging van zijn 15de levensjaar en het in werking treden van artikel 6, geacht verzekerd te zijn geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin wordt, uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel 8, met toepassing van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onderdeel a, de jongere echtgenoot van de pensioengerechtigde geacht het 59ste levensjaar te hebben voleindigd op dezelfde dag als de pensioengerechtigde.
-2. Degene die voldoet aan het bepaalde in de eerste volzin van het eerste lid, doch nimmer ingevolge deze wet verzekerd is geweest, wordt nochtans voor de toepassing van artikel 7 geacht verzekerd te zijn geweest.

 

Art. 56. [Nadere voorwaarden artikel 55]  [GeschiedenisOvWMvT]
De voordelen uit artikel 55 voortvloeiende komen enkel toe aan degene die:
a. Nederlander is; en
b. in Nederland woont.

 

Art. 57. [Nadere regelgeving uitbreiding kring verzekerden]  [GeschiedenisOvWMvT]
Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald dat:
a. voor de toepassing van artikel 56 niet-Nederlanders met Nederlanders worden gelijkgesteld; [BgnnA]
b. voor de toepassing van de artikelen 55 en 56 het wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld met het wonen in Nederland. [BgwrwrA]

 

 

§ 2.  Het ouderdomspensioen van personen die vóór of op de dag van het in werking treden van artikel 7 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt

Door vernummering vervallen

 

Art. 58. Vervallen[GeschiedenisOvWMvTStb. 2010, 350]

 

Art. 59. Vervallen[GeschiedenisOvWMvT]

 

Art. 60. Vervallen[GeschiedenisOvWMvT]

 

Art. 61. Vervallen[GeschiedenisOvWMvT]

 

 

§ 2.  Overige overgangsbepalingen

 

Art. 62. [Overgangsrecht 20 december 2005 beperking export ouderdomspensioen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40Stb. 2001, 212Stb. 2003, 524Stb. 2006, 558Stb. 2006, 697Stb. 2007, 551]
De artikelen 8a en 9a zijn niet van toepassing op de pensioengerechtigde die:
a. op 31 december 1999 recht heeft op een ouderdomspensioen en op die dag niet in Nederland woont; en
b. op 19 december 2005 dit recht op een ouderdomspensioen uitsluitend nog heeft op grond van artikel 2 van de Wet van 9 december 2004, houdende goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid (Verdrag nr. 118, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122, en Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715).

 

Art. 63. [Overgangsrecht 22 november 2006 samenwoning vanwege zorgrelatie]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40Stb. 2001, 212Stb. 2007, 551]
-1. De besluiten tot herziening van het ouderdomspensioen genomen met toepassing van artikel 17 zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de Wet van 2 november 2006 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met samenwonen ten behoeve van zorg voor een hulpbehoevende (Stb. 2006, 558), worden op aanvraag door de Sociale verzekeringsbank met toepassing van artikel 17, tweede lid, gewijzigd met ingang van 4 april 2006 of indien de herziening op een later tijdstip heeft plaatsgevonden, met ingang van dat tijdstip, indien:
a. de herziening voortvloeit uit de omstandigheid van het voeren van een gezamenlijke huishouding in verband met zorg door een pensioengerechtigde voor een hulpbehoevende pensioengerechtigde als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Algemene nabestaandenwet;
b. de pensioengerechtigden ieder beschikken over een eigen woning.
-2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet.

 

Art. 63a. [Overgangsrecht 1 januari 2010 gelijkstelling voormalige pleeg- en stiefkinderen aan eigen kinderen]  [GeschiedenisStb. 2009, 596]
Artikel 1, achtste en negende lid, is niet van toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van artikel 8 recht bestaat op toeslag, omdat de ongehuwde pensioengerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op toeslag bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hoger ouderdomspensioen.

 

Art. 64. [Overgangsrecht 1 juli 2009 uitsluiting bij detentie]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40Stb. 2001, 212Stb. 2009, 63]
Ten aanzien van de persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel 8b reeds rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van dat artikel als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel 8b en eindigt het recht op ouderdomspensioen in afwijking van artikel 8b, tweede lid, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.

 

Art. 64a. [Overgangsrecht 1 januari 2013 recht op toeslag]  [GeschiedenisStb. 2010, 838Stb. 2012, 328]
-1. Pensioengerechtigden die vóór 1 januari 2015 zijn gehuwd en die in november of december 2014 de leeftijd van 65 jaar bereiken en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd hebben, in afwijking van artikel 8, eerste lid, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige brutotoeslag.
-2. Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 64b. Nog niet in werking getreden. [Overgangsrecht 1 april 2015 recht op AOW-kruimelpensioen]  [GeschiedenisStb. 2010, 867Stb. 2013, 115]

 

 

HOOFDSTUK  IX

Strafbepalingen

 

Art. 65. [Strafbepaling gedraging strijdig met AMvB]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40Stb. 2001, 212Stb. 2009, 265]
Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie. Het in de eerste zin bedoelde feit wordt beschouwd als een overtreding.

 

Art. 66. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40Stb. 2001, 212]

 

Art. 67. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 691Stb. 2000, 40]

 

Art. 68. Vervallen[GeschiedenisOvWMvTStb. 1996, 248 + bisStb. 2001, 625Stb. 2009, 265]

 

Art. 69. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40Stb. 2001, 212]

 

 

HOOFDSTUK  X

Slotbepalingen

 

Art. 70. [Ministeriële regelgeving]  [GeschiedenisOvWMvT]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt geregeld bij ministeriële regeling.

 

Art. 71. [Korting op pensioenregeling wegens verhoging ouderdomspensioen na beëindiging actieve deelneming aan die regeling]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2006, 558]
-1. Indien in een pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of worden opgenomen krachtens welke op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk met het ouderdomspensioen ingevolge deze wet rekening wordt gehouden, dient bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden genomen dat een verhoging van het ouderdomspensioen welke plaatsvindt na de datum van beëindiging van de actieve deelneming aan de pensioenregeling, buiten beschouwing blijft.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op pensioenregelingen waarin bepalingen zijn opgenomen volgens welke het ouderdomspensioen ingevolge deze wet en de premievrije aanspraken of het pensioen van die regeling tezamen na beëindiging van de actieve deelneming jaarlijks ten minste worden verhoogd met het percentage van de in het eerste lid bedoelde verhoging van het ouderdomspensioen of het percentage van de loon- of prijsontwikkeling.

 

Art. 72. Vervallen[GeschiedenisOvWMvT]

 

Art. 72a. Vervallen.  [Geschiedenis]

 

Art. 73. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvT]

 

Art. 74. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvT]

 

Art. 75. [Citeertitel en inwerkingtreding]  [GeschiedenisOvWMvT]
-1. Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Algemene Ouderdomswet".
-2. De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹

1. Bij Besluit van 12 juli 1956, Stb. 1956, 408, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 augustus 1956, red.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 31 mei 1956

 

JULIANA

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
J.G. Suurhoff

De Minister van Financiën,
Van de Kieft

De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge

De Minister van Binnenlandse Zaken,
Beel

 

Uitgegeven de achtste juni 1956
De Minister van Justitie,
J.C. van Oven

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | jurisprudentie | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x