|
26 juni 1996/nr. SV/VP/96/2459
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikel 10,
vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet;
Besluit:
§ 1.
Begripsbepalingen
Art. 1.
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Algemene
Ouderdomswet;
b. een loondervingsuitkering: een uitkering krachtens de verplichte verzekering
op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede een uitkering of
inkomensvoorziening op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidverzekering zelfstandigen, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, alsmede een uitkering op
grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid
en zorg met uitzondering van een uitkering aan de werknemer of
gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, tweede lid, van die
wet;
c. een stamrecht: een recht op periodieke
uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.
§ 2.
Inkomen uit arbeid
Art. 2.
Voor de toepassing van
artikel 8, eerste lid, artikel 10, eerste en
tweede lid, en artikel 11 van de wet
wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan:
a. opbrengst van arbeid;
b. winst uit bedrijf en
zelfstandig uitgeoefend beroep.
Art. 3.
-1. Onder
opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2,
onderdeel a, wordt, voor zover
deze arbeid door een werknemer in de zin van de Wet
financiering sociale verzekeringen wordt verricht, verstaan het loon
in de zin van die wet.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt niet als opbrengst van
arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na
verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen, voor zover deze
niet wordt gedekt door stortingen van
de werknemer;
b. een loondervingsuitkering;
c. een aanvulling op een
loondervingsuitkering;
d. vakantie-uitkering.
-3. In afwijking van het
tweede lid, onderdeel b en c, worden
voor zolang de dienstbetrekking
voortduurt, uitkeringen op grond van de verplichte verzekering van
de Ziektewet, op grond van hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg
aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel
3:6, tweede lid,
van die wet, en op grond van de
verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, alsmede aanvullingen op die
uitkeringen, als opbrengst van arbeid beschouwd.
Art. 4.
-1. Onder opbrengst van
arbeid, bedoeld in artikel 2,
onderdeel a, wordt, voor zover deze arbeid in dienstbetrekking wordt
verricht doch niet door een werknemer in de zin van de Wet
financiering sociale verzekeringen,
verstaan de gelden en alle andere voordelen die
als beloning voor die arbeid
worden genoten.
-2. Ten aanzien van de gelden
en alle andere voordelen uit de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid,
is het bepaalde bij artikel 16 van de Wet
financiering sociale verzekeringen van
overeenkomstige toepassing.
-3. In afwijking van het
tweede lid wordt niet als opbrengst van
arbeid beschouwd:
a. een uitkering die naar
aard en strekking met een
loondervingsuitkering overeenkomt;
b. een aanvulling daarop;
c. vakantie-uitkering.
-4. In afwijking van het
derde lid, onderdeel a en b, worden,
voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen ter zake van
werkloosheid alsmede aanvullingen daarop als opbrengst van arbeid
beschouwd.
Art. 5.
-1. Onder opbrengst van
arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover deze arbeid
niet in dienstbetrekking wordt verricht, verstaan het belastbaar loon
uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de
artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92 van
die wet.
-2. Het bij of krachtens artikel 13 van de Wet
op de loonbelasting 1964 bepaalde is met betrekking
tot het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
-3. Voor zover over de
opbrengst van arbeid, zoals vastgesteld op
grond van het eerste en tweede lid,
geen aanspraak op vakantie-uitkering
bestaat, wordt van dit inkomen slechts een deel in aanmerking genomen. Dit
deel is gelijk aan het quotiënt van
100 en de som van 100 en het
percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in
artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Art. 5a.
Vervallen.
Art. 6.
-1. Onder winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel b,
wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1
van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5
van die
wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c,
van die
wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.
-2. Indien de berekening van
de in het eerste lid bedoelde winst
leidt tot een negatief bedrag, wordt die
winst op nihil gesteld.
-3. Van de winst uit bedrijf
en zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals
vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, wordt slechts
een deel in aanmerking genomen. De
laatste volzin van artikel 5, derde lid, is
voor het vaststellen van dit deel van
overeenkomstige toepassing.
-4. Indien de
pensioengerechtigde en zijn echtgenoot samenwerken in de uitoefening van
een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep en de
echtgenoot dan wel de pensioengerechtigde geen vergoeding ontvangt ter
zake van de in de onderneming verrichte arbeid, wordt ter vaststelling
van het deel van de met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid
berekende winst dat de echtgenoot toekomt, de winst vermenigvuldigd met
de factor a/b, waarbij:
a. het loon voorstelt van de werknemer die in dienstbetrekking een
gelijkwaardige functie uitoefent als de echtgenoot; en
b. de som voorstelt van het onder a bedoelde loon en het loon van de
werknemer die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent
als de pensioengerechtigde.
§ 3.
Inkomen in verband met
arbeid
Art. 7.
-1. Voor de toepassing van
artikel 8, eerste lid, artikel 10,
eerste en tweede lid, en artikel 11 van de wet
wordt onder inkomen in verband met
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
a. een loondervingsuitkering
alsmede uitkeringen die naar aard en
strekking daarmee overeenkomen, met
uitzondering van de uitkeringen die op grond van artikel 3, derde lid, en
artikel 4, vierde lid, als opbrengst
van arbeid worden beschouwd;
b. een uitkering op grond
van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen die ten behoeve
van de werknemer in het kader van
een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten;
c. een uitkering op grond
van een pensioenregeling, voor zover niet begrepen onder a;
d. een uitkering op grond
van een regeling voor vervroegde
uittreding of een regeling die naar aard
en strekking daarmee overeenkomt;
e. een uitkering op grond
van een regeling voor functioneel
leeftijdsontslag of op grond van de Uitkeringswet
gewezen militairen;
f. loon dat uit vroegere
dienstbetrekking wordt
genoten, voor zover niet begrepen
onder a, b, c, d, e, j en k;
g. een
basisbeurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 alsmede een beurs die naar aard en
strekking daarmee overeenkomt;
h. een
bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister
van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en
sanering midden- en kleinbedrijf;
i. een maandelijkse
bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij opgerichte
Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw;
j. een uitkering ingevolge
de wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba, een volkenrechtelijke
organisatie of één of meer andere mogendheden, die naar aard
en strekking overeenkomt met een
uitkering als bedoeld in dit lid, voor zover niet al begrepen onder a, of met een
nabestaandenuitkering, met uitzondering van een uitkering die naar
aard en strekking overeenkomt met
een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet
of met zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als
bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van
de Zorgverzekeringswet of op grond van artikel
6 van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
k. het bedrag van de
uitkering, bedoeld in onderdeel j, waarop recht
bestaat, maar die niet wordt uitbetaald omdat onder de toepasselijke
wetgeving gebruik is gemaakt van het
daarin voorziene recht af te zien
van het recht op die uitkering of de
uitbetaling daarvan;
l. een uitkering op grond
van de Algemene nabestaandenwet.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt niet als inkomen in verband
met arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na
verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen, voor zover deze
niet worden gedekt door stortingen van
degene die het desbetreffende
inkomen geniet;
b. een eenmalige uitkering
die na beëindiging van de
dienstbetrekking aan een werknemer in verband
met die beëindiging wordt
betaald;
c. het bedrag waarmee de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is verhoogd met toepassing van artikel
22 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen
53 of 63 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 10 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel
2:51 of 3:9 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of een
combinatie van deze artikelen;
d. vakantie-uitkering over
de in het eerste lid genoemde
inkomensbestanddelen;
e. een vakantiebon,
verstrekt naast een loondervingsuitkering,
voor zover niet begrepen onder d;
f. een uitkering die naar
aard en strekking overeenkomt met een loondervingsuitkering, toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder
die niet als werknemer in de zin van
de Wet financiering sociale verzekeringen
wordt beschouwd;
g. periodieke uitkeringen uit hoofde
van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na
beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die
beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige
uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht
van de werknemer te besteden.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel c, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen
daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-4. Voor zover over een
inkomen als genoemd in het eerste lid
geen aanspraak op vakantie-uitkering
bestaat, wordt dit inkomen slechts
voor een deel in aanmerking genomen.
De laatste volzin van artikel 5, derde
lid, is voor het vaststellen van dit
deel van overeenkomstige toepassing.
-5. Indien een uitkering als
bedoeld in het eerste lid gekort of
geweigerd is op grond van een bestuurlijke boete of
maatregel, wordt voor de toepassing van
dit besluit als inkomen beschouwd de uitkering zonder deze korting of
weigering.
§ 4.
Bepaling van het
inkomen
Art. 8.
-1. Het inkomen uit of in
verband met arbeid uit het bedrijfs- of
beroepsleven wordt vastgesteld op het tot
een bedrag per maand herleide
inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat de echtgenoot van de
pensioengerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt
vastgesteld, verwerft.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt de maand gesteld
op 21,75 dagen.
-3. Bij per maand wisselende
inkomsten kan op basis van een geschat
inkomen een gemiddeld inkomen per
maand worden bepaald, waarna per
periode van zes maanden een
herberekening plaatsvindt.
Art. 9.
-1. De bij de toepassing van de voorgaande
artikelen noodzakelijke omrekening in euro van het niet in euro
uitgedrukte inkomen uit of in verband met arbeid geschiedt met behulp
van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
-2. Een wijziging van de in
het eerste lid bedoelde koers beïnvloedt
het op grond van artikel 8
vastgestelde inkomen niet, met dien verstande
dat:
1º. bij wijziging van het
inkomen uit of in verband met arbeid,
anders dan tengevolge van de
koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en
2º. ten minste eens per jaar een omrekening
plaatsvindt.
Art. 10.
Indien de toepassing van dit
besluit leidt tot een kennelijk
onredelijk resultaat, bepaalt de Sociale verzekeringsbank het inkomen op andere wijze.
Art. 11. Vervallen.
§ 5.
Slotbepalingen
Art. 12.
Het Inkomensbesluit AOW
wordt ingetrokken.
Art. 13.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 juli 1996.
Art. 14.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Inkomensbesluit AOW 1996.
’s-Gravenhage, 26 juni
1996.
De Staatssecretaris
voornoemd,
R.L.O. Linschoten.
TOELICHTING
[26 juni 1996]
Algemeen
1. Inleiding
Met ingang van 1 juli 1996
wordt voor de bepaling van de hoogte
van de AOW-toeslag het inkomen in
verband met arbeid van de partner
van de pensioengerechtigde niet meer vrijgelaten. Dit noodzaakte tot een
wijziging van het Inkomensbesluit AOW,
omdat in het tot die datum vigerende Inkomensbesluit AOW geen
onderscheid werd gemaakt tussen inkomen
uit arbeid en inkomen in verband
met arbeid. Het onderscheid
tussen beide soorten inkomens is van
belang omdat van het inkomen uit arbeid
een deel, namelijk 15% van het brutominimumloon en
een derde van het meerdere, wordt vrijgelaten, terwijl
van het inkomen in verband met arbeid niet
een deel wordt vrijgelaten.
Overigens geldt de nieuwe bepaling over de
vrijlating alleen voor echtgenoten van
personen die 65 jaar worden vanaf 1
juli 1996.
Ook op enkele andere punten
was een aanpassing van het
Inkomensbesluit nodig. Om die reden is
besloten het gehele oude
Inkomensbesluit AOW (Stcrt. 1988, 64) in te
trekken en te vervangen door het
onderhavige Inkomensbesluit AOW 1996. In
grote lijnen en afgezien van bovenstaande
hebben beide inkomensbesluiten
dezelfde strekking. Aan het eind van
het algemene deel van deze toelichting
worden de belangrijkste verschillen
tussen beide inkomensbesluiten
beschreven.
Bij de opstelling van dit
besluit is zoveel mogelijk aansluiting
gezocht bij het Inkomensbesluit
Toeslagenwet en het Inkomensbesluit Anw [zie Inkomens-
en samenloopbesluit Anw, red.].
Uitgangspunt is dat het totale nettogezinsinkomen, dus het inkomen uit of in
verband met arbeid en AOW-uitkering met toeslag, steeds ten minste op het niveau van het
sociaal
minimum is.
Tot het inkomen worden niet
gerekend het vermogen of de inkomsten uit vermogen en niet een
particulier afgesloten verzekering. In
deze beperktere invulling van het inkomensbegrip onderscheidt het
inkomensbegrip in de AOW zich van de
middelentoets in de Algemene bijstandswet.
In de artikelen 2 tot en met
6 wordt aangegeven wat verstaan
wordt onder inkomen uit arbeid. Op dit
inkomen is de vrijlating zoals geregeld
in artikel 11 van de wet van toepassing.
In artikel 7 wordt
aangegeven wat als inkomen in verband met
arbeid moet worden beschouwd.
Paragraaf 4 (artikelen 8 tot en met
11)
gaat over de bepaling van het inkomen.
Artikel 8 geeft aan hoe het inkomen
moet worden herleid tot een inkomen per maand en hoe moet worden omgegaan
met per maand wisselende
inkomsten. In artikel 9 wordt bepaald
hoe inkomen dat is uitgedrukt in
een buitenlandse munteenheid, moet worden omgerekend in de Nederlandse
munteenheid. In artikel 10 wordt bepaald dat de Sociale
Verzekeringsbank in bepaalde gevallen tot een
andere inkomensvaststelling kan komen.
Artikel 11 geeft aan hoe
moet worden omgegaan met de
overhevelingstoeslag.
In het algemeen kan het
volgende gesteld worden over het
onderscheid tussen inkomen uit en
inkomen in verband met arbeid. Voor personen
die in dienstbetrekking werkzaam zijn (al dan niet in de zin van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV))
of een daarmee te vergelijken
arbeidsverhouding hebben, dient al hetgeen uit
die dienstbetrekking genoten wordt als opbrengst van arbeid te
worden aangemerkt. Als inkomen in verband met arbeid dient te worden
aangemerkt al het inkomen dat wordt genoten uit of is gerelateerd aan die
dienstbetrekking, nadat de dienstbetrekking is geëindigd. Hierbij kan
gedacht worden aan loondervingsuitkeringen
op grond van de wettelijke verplichte
werknemersverzekeringen, VUT-uitkeringen, pensioenen, aanvullingen op
loondervingsuitkeringen,
enzovoort. Een loondervingsuitkering
die wordt verstrekt tijdens het
bestaan van de dienstbetrekking zoals een Ziektewetuitkering, wordt gezien als inkomen
uit arbeid. Een eenmalige
uitkering die na afloop van de
dienstbetrekking aan de werknemer wordt betaald,
wordt niet als inkomen in de zin
van dit besluit beschouwd.
Voor personen die werkzaam
zijn in het kader van bedrijf of
zelfstandig uitgeoefend beroep wordt
als inkomen uit arbeid aangemerkt de
winst. Inkomen in verband met arbeid voor deze categorie wordt gevormd
door uitkeringen in geval van arbeidsongeschiktheid (echter niet op grond van
een particulier afgesloten
verzekering) en periodieke uitkeringen in
verband met bedrijfsbeëindiging.
Dit inkomensbesluit wijkt op
de volgende punten af van het oude inkomensbesluit.
Het belangrijkste verschil
is, zoals hierboven al is aangegeven,
dat in dit besluit onderscheid wordt
gemaakt tussen inkomen uit en
inkomen in verband met arbeid. Dit heeft
gevolgen voor de artikelen 3, 4 en 5
van het oude besluit waarin inkomen
uit arbeid wordt gedefinieerd.
In de corresponderende artikelen 3, 4 en
5 van dit besluit wordt thans
aangegeven wat in afwijking van deze
artikelen als inkomen in verband met arbeid of niet als inkomen
in de zin van dit besluit wordt
beschouwd.
Artikel 6 van dit besluit dat betrekking heeft op winst uit bedrijf
of zelfstandig uitgeoefend beroep, komt overeen met artikel 7 van
het oude besluit. Een inhoudelijk verschil tussen deze artikelen is (evenals
dat het geval is bij artikel 5, derde lid,
van het nieuwe besluit; zie de toelichting
aldaar) dat het inkomen slechts voor een
deel (100/108) in aanmerking
wordt genomen.
Artikel 7 van dit besluit
(inkomen in verband met arbeid) komt
grotendeels overeen met artikel 6 van
het oude besluit. Nieuw is het vierde lid en het vijfde lid. In dit laatste wordt bepaald dat indien een uitkering wordt
gekort of geweigerd op grond van een
boete of maatregel, bij de
vaststelling van de toeslag gerekend wordt met
de ongekorte uitkering. Nieuw is in
artikel 8 over de bepaling van het
inkomen dat om uitvoeringstechnische redenen bij wisselende inkomsten gewerkt
kan worden met een geschat
gemiddeld inkomen per maand. Artikel 9
komt in hoofdlijnen overeen met
artikel 8a van het oude besluit. Artikel 10
is nieuw; het betreft een bepaling die
de Sociale Verzekeringsbank de bevoegdheid geeft om in uitzonderlijke
gevallen bij een kennelijk onredelijk resultaat het inkomen anders vast te
stellen. Dit artikel komt overeen met een
betreffend artikel in het Inkomens- en
samenloopbesluit Anw.
Artikel 9 van het oude
besluit kon vervallen. Artikel 9a van
het oude besluit komt overeen met
artikel 11 van het nieuwe besluit.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 2
Dit artikel geeft een
globale aanduiding van al hetgeen onder inkomen
uit arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven moet worden verstaan. Het
gaat om enerzijds opbrengst van arbeid (arbeid al dan niet in
dienstbetrekking) en anderzijds winst uit bedrijf
en zelfstandig uitgeoefend beroep.
Artikel
3. Personen werkzaam
in dienstbetrekking in de zin
van artikel 3a, eerste lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
In het eerste lid wordt
bepaald wat de opbrengst van arbeid is voor
personen werkzaam in dienstbetrekking
in de zin van artikel 3a, eerste
lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Aansluiting is
conform het Inkomensbesluit Toeslagenwet en het Inkomens-
en samenloopbesluit Anw gezocht bij het loonbegrip
in de CSV. Indien de bedrijfsvereniging [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) en uitvoeringsinstellingen,
red.] de loonbetalingsverplichting op grond van hoofdstuk IV van de
Werkloosheidswet overneemt, is er eveneens sprake van loon.
In het tweede lid wordt een
aantal inkomensbestanddelen die wel als loon in de zin van de CSV worden
beschouwd, uitgezonderd van het begrip
inkomen uit arbeid (onderdeel b en c) dan wel van het inkomensbegrip in de
zin van dit besluit (onderdeel a en d).
Onderdeel a. Een aanspraak,
bedoeld in artikel 4, tweede lid,
van de CSV, om na verloop van tijd of onder
een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen,
wordt niet als loon beschouwd.
Indien een dergelijke aanspraak tot het
loon zou worden gerekend, zou de AOW-uitkering inclusief toeslag
onvoldoende zijn om het relevante sociaal
minimum te garanderen.
Onderdelen b en c. Sinds de
invoering van de Wet premieheffing
over uitkeringen worden ZW-, WW- en
WAO-uitkeringen, al dan niet vermeerderd met aanvullingen, beschouwd als
loon. In het kader van dit besluit
moeten deze uitkeringen echter als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd
(waarop geen vrijlating van toepassing is). Om die reden wordt in
de onderdelen b en c bepaald dat deze inkomensbestanddelen niet als loon worden
beschouwd.
Een uitzondering op de
onderdelen b en c staat in het derde lid.
Dit heeft betrekking op het geval dat
deze uitkeringen worden verstrekt terwijl het dienstverband voortduurt.
Onderdeel d. Voor de bepaling
van de hoogte van de AOW-toeslag
dient de vakantie-uitkering (wat
loon in de zin van de CSV is) buiten
beschouwing te blijven. De reden
hiervoor is de volgende.
Voor de bepaling van de
hoogte van de vakantie-uitkering over de
toeslag is artikel 29 van de wet
van
belang. Hierin wordt bepaald dat als
de toeslag met toepassing van artikel
10 van de wet
wordt verminderd, op
de vakantie-uitkering een
evenredige vermindering wordt toegepast.
Door het bepaalde in dit
onderdeel d wordt nu voorkomen dat de vakantie-uitkering als bedoeld in dit onderdeel ook betrokken zou worden bij
de korting van de toeslag zelf. Dit zou ertoe leiden dat de
AOW-gerechtigde niet het sociaal minimum zou
ontvangen.
Het derde lid regelt een
afwijking van het tweede lid. Dit
tweede lid bepaalt dat een Ziektewetuitkering en een werkloosheidsuitkering
en de eventuele aanvullingen
daarop, in beginsel als inkomen in
verband met arbeid beschouwd worden.
Indien deze uitkeringen echter
worden verstrekt terwijl de dienstbetrekking
nog voortduurt, worden zij
beschouwd als inkomen uit arbeid. De
uitkeringen worden dan dus gelijkgesteld aan het loon. Dit is van belang voor
de vrijlating. Hierdoor wordt bereikt dat
bij ziekteverzuim bij een
dienstbetrekking en bij werkloosheid bij een
dienstbetrekking (bijvoorbeeld in geval van buitengewone natuurlijke
omstandigheden) er geen terugval in inkomen optreedt.
Artikel
4. Personen
werkzaam
in dienstbetrekking, maar niet
in de zin van de CSV
Dit artikel bepaalt wat de
opbrengst van arbeid is van degene die
wel in dienstbetrekking werkzaam
is, maar niet in dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van
de CSV. Het betreft ambtenaren,
militairen en huispersoneel. Teneinde te bereiken dat de gelden en alle andere
voordelen die uit die dienstbetrekking
zijn genoten, op dezelfde wijze worden
gewaardeerd als de voordelen genoten uit een dienstbetrekking in de
zin van de CSV, wordt in het tweede lid
van dit artikel geregeld dat het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 5
tot en met 8 van de CSV van
overeenkomstige toepassing wordt verklaard.
In het derde lid is op grond
van dezelfde overwegingen als
bij artikel 3, tweede lid, onderdeel b, c
en d, bepaald dat een met een
loondervingsuitkering overeenkomende uitkering en de vakantie-uitkering
niet worden beschouwd als opbrengst van
arbeid. Een overeenkomende uitkering
is inkomen in verband met arbeid waarop
de vrijlating niet van
toepassing is. Een uitzondering hierop staat in
het vierde lid: zolang de dienstbetrekking voortduurt, wordt de
werkloosheidsuitkering beschouwd als opbrengst van arbeid waarop de vrijlating
wel van toepassing is.
De vakantie-uitkering is geen
inkomen in de zin van dit besluit.
De hier bedoelde uitkeringen
zijn onder meer: de WAO-conforme
uitkering, het bovenwettelijk
invaliditeitspensioen, het invaliditeitspensioen voor militairen, het Rijkswachtgeldbesluit
1959, de Uitkeringsregeling
1966, andere werkloosheids- en ontslaguitkeringsregelingen en de suppletie.
Artikel
5. Personen niet
werkzaam in dienstbetrekking
In dit artikel wordt het
inkomen uit arbeid bepaald van degenen
die niet in privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn en waarvan geen sprake is van
arbeid als zelfstandige. Het betreft
personen die niet op basis van een arbeidsovereenkomst werken, terwijl hun
arbeidsverhouding ook niet ingevolge de loondervingsverzekeringswetten
met een privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke dienstbetrekking is gelijkgesteld.
Zij verrichten arbeid in het
economisch verkeer, waarmee het behalen van enig voordeel wordt
beoogd, zonder dat er sprake is van hetzij
een dienstbetrekking, hetzij een onderneming. In dit verband moet
bijvoorbeeld gedacht worden aan
thuiswerkers die per week doorgaans minder
dan twee vijfde van het minimumloon
verdienen, aan huishoudelijke hulpen
die wekelijks doorgaans op
minder dan drie dagen in een bepaald huishouden werken of aan politieke
ambtsdragers.
Het derde lid is van belang
voor die personen, bedoeld in het
eerste lid, die over hun arbeidsinkomen geen
recht op vakantiebijslag hebben.
Het totale gezinsinkomen per maand
(inkomen en AOW-uitkering met
toeslag) is op het niveau van het sociaal
minimum, maar het totale inkomen per
jaar inclusief vakantiegeld is dat niet,
omdat over de AOW-uitkering en
toeslag wel vakantietoeslag wordt
verleend, maar over de andere inkomsten
niet. Door het hier bedoelde
arbeidsinkomen slechts voor een deel
(100/108) in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat het totale inkomen op
jaarbasis lager is dan het sociaal
minimum.
Artikel
6. Winst uit bedrijf
en zelfstandig uitgeoefend beroep
Artikel 6 verduidelijkt wat
is gesteld bij artikel 2, onderdeel b,
namelijk winst uit bedrijf en zelfstandig
uitgeoefend beroep. Een inkomstenbron
die reeds als opbrengst van arbeid, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 van
dit besluit, of als inkomen in verband
met arbeid, bedoeld in artikel 7, is
aangemerkt, kan niet ook onder het
winstbegrip begrepen worden.
In het eerste lid is bepaald
wat onder winst uit bedrijf en
zelfstandig uitgeoefend beroep dient te worden
verstaan. Dit winstbegrip is
overgenomen uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964 [zie Wet
inkomstenbelasting 2001, red.], komt overeen met het
in die wet gehanteerde begrip winst uit onderneming en dient dan ook
overeenkomstig te worden uitgelegd. In de
Wet op de inkomstenbelasting 1964
wordt eerst aangegeven waaruit
gedurende het bestaan van een onderneming de winst bestaat (het zgn.
"totale-winstbegrip" van artikel 7) en
vervolgens hoe de winst moet worden
toegerekend aan de respectieve
kalenderjaren (het zgn. "jaarwinstbegrip"
van de artikelen 9 en volgende). De "totale
winst" is een ruim begrip: het
bedrag van de gezamenlijke voordelen die,
onder welke naam en in welke vorm
ook, worden verkregen uit
onderneming. Hieronder vallen ook min of
meer incidentele voordelen die uit de
onderneming voortvloeien, zoals de winst behaald bij de verkoop van
een bedrijfsauto. De winst wordt "nominalistisch" berekend, volgens het zgn.
gulden-is-guldenstelsel, dat wil
zeggen er wordt geen rekening gehouden
met de waardeverandering die de
munteenheid kan hebben ondergaan.
De "jaarwinst" wordt
bepaald volgens "goed koopmansgebruik",
met inachtneming van een bestendige
gedragslijn die onafhankelijk is van de
vermoedelijke uitkomst en die slechts
gewijzigd kan worden als goed
koopmansgebruik dit rechtvaardigt. Dit biedt
de ondernemer de mogelijkheid
zelf binnen zekere grenzen een bepaald
systeem van jaarlijkse
winstberekening te kiezen. Een systeem dat in
overeenstemming is met de bedrijfseconomische theorie, is in het algemeen
in overeenstemming met goed koopmansgebruik, tenzij het niet strookt met de belastingwet, de
algemene opzet van de belastingwet
casu quo een beginsel van de
belastingwet. Op dit gebied is een uitgebreide jurisprudentie ontwikkeld.
De bestendige gedragslijn
houdt in dat een eenmaal gekozen
systeem dat in overeenstemming is met
goed koopmansgebruik niet zonder meer mag worden vervangen door een
ander, één en ander teneinde te
voorkomen dat willekeur of uitsluitend
fiscale motieven een rol zouden
kunnen spelen.
Teneinde uit de jaarlijkse
winsten uiteindelijk de totale winst te kunnen berekenen, dient gedurende
het bestaan van de onderneming
de eindbalans van ieder jaar gelijk te
zijn aan de beginbalans van het
volgend jaar. Dit wordt het beginsel van
de balanscontinuïteit genoemd. De winst behaald met of bij het
staken van een onderneming dan wel met of
bij overdracht of liquidatie van een
gedeelte van de onderneming, winst
genoten ter vervanging van door een
onteigening gederfde of te derven
voordelen uit onderneming en voorts
voordelen uit onderneming die niet
reeds op de voet van de artikelen 9 tot
en met 15 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn
genomen als bedoeld in artikel 16 van
die wet, vallen niet onder het winstbegrip
voor de toepassing van de AOW.
Voor een toelichting op het
derde lid wordt verwezen naar de
toelichting op artikel 5, derde lid.
Vierde lid
Dit onderdeel regelt de
verdeling van de winst over beide echtgenoten indien zij samen in de
uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep werkzaam
zijn.
Een voorbeeld ter
verduidelijking. De gezamenlijke winst van A
en B over één jaar is ƒ60 000,-. De
echtgenoot A werkt parttime en zou in
dienstbetrekking ƒ25. 000,- verdiend hebben, en de met pensioengerechtigde B
vergelijkbare werknemer zou in dienstbetrekking ƒ50 000,- verdiend hebben.
Het aandeel van A in de winst is nu
25/75 x ƒ60 000,- = ƒ20 000,-.
Artikel
7. Inkomen in
verband met arbeid
In artikel 7 wordt
aangegeven wat moet worden verstaan
onder inkomen in verband met arbeid. In
het eerste lid wordt een limitatieve
opsomming van inkomensbestanddelen gegeven die volledig met de AOW-uitkering worden verrekend.
Voor de volledigheid zij
vermeld dat een toeslag op grond van
de Toeslagenwet niet als inkomen in de zin van dit besluit wordt
beschouwd. In het Inkomensbesluit Toeslagenwet wordt een AOW-uitkering
en toeslag als inkomen in verband
met arbeid aangeduid. De toeslag op
de AOW-uitkering wordt gekort met de loondervingsuitkering;
het totale gezinsinkomen is dan in
ieder geval op minimumniveau, zodat een
toeslag op grond van de Toeslagenwet
niet toegekend zal worden.
Afkoopsommen op grond van
de Liquidatiewet
invaliditeitswetten en de ongevallenwetten, en de
eenmalige silicosevergoeding
ingevolge het Reglement eenmalige
silicosevergoeding oud-mijnwerkers zijn geen
inkomen in de zin van dit besluit.
Onderdeel a
In dit onderdeel wordt
bepaald dat loondervingsuitkeringen
als inkomen in verband met arbeid
moeten worden beschouwd. Met de
toevoeging "die naar aard en strekking daarmee overeenkomen" worden uitkeringen
bedoeld op grond van de "oude" Werkloosheidswet, op grond van de
Wet
Werkloosheidsvoorziening voor zover die nog voorkomen,
vergelijkbare uitkeringen voor overheidspersoneel
en militairen (zie de voorbeelden bij de toelichting op artikel
4), vergelijkbare buitenlandse socialeverzekeringsuitkeringen, bovenwettelijke
uitkeringen en aanvullingen op loondervingsuitkeringen.
Zoals hierboven in de
toelichting bij artikel 3 reeds is
uiteengezet, worden een Ziektewetuitkering en
een werkloosheidsuitkering,
zolang de dienstbetrekking voortduurt, alsmede aanvullingen op die
uitkeringen, als inkomen uit arbeid
beschouwd, waarop de vrijlatingsregeling
van toepassing is.
Onderdeel b
Bij een uitkering op
grond van een particuliere verzekering
wegens inkomensderving, gesloten ten behoeve van de werknemer in het
kader van een individuele of
collectieve arbeidsovereenkomst, gaat
het om een uitkering die
vergelijkbaar is met aanvullingen op
loondervingsuitkeringen en bovenwettelijke
uitkeringen. Uitkeringen op grond van particuliere verzekeringen, gesloten
door zelfstandigen of door werknemers "los"
van de arbeidsovereenkomst in de privésfeer, worden niet als inkomen
in de zin van dit besluit beschouwd.
Onderdeel c en derde lid
In het derde lid is de
definitie van een pensioenregeling gegeven.
Het betreft een toezegging door de
werkgever, een verplichtstelling of
een vrijwillige voorziening of een
vrijwillige voortzetting. In dit besluit gaat het
om aanvullend ouderdomspensioen, invaliditeitspensioen en aanvullend
nabestaandenpensioen of pensioen voortvloeiend uit pensioenverevening
bij scheiding.
Onderdelen d en e
Hierbij gaat het om
uitkeringen op grond van vrijwillige en
verplichte regelingen voor vervroegde uittreding. Deze uitkeringen en
uitkeringen die daarmee naar aard en strekking overeenkomen, zijn
inkomen in verband met arbeid.
Onderdeel f
Onder loon uit vroegere
dienstbetrekking van de echtgenoot worden
alle voordelen verstaan die
een werknemer uit vroegere
dienstbetrekking geniet, zoals periodieke uitkeringen die voortvloeien uit een stamrecht dat als
schadeloosstelling voor
gederfd inkomen is toegekend, voor zover
deze inkomensbestanddelen niet
al op grond van de onderdelen a, b, c, d, e,
j of k als inkomen in
verband met arbeid worden beschouwd. Het
gaat alleen om loon uit vroegere
dienstbetrekking van de jongere echtgenoot zelf en niet om dat van de AOW-gerechtigde.
Onderdeel g
Het recht op
studiefinanciering gaat voor op het recht op AOW-toeslag.
Dit wordt geregeld in
onderdeel g, waarin is aangegeven dat een
beurs en een aanvullende beurs op
grond van de Wet
op de studiefinanciering ten behoeve van studerenden
van 18 jaar of ouder die volledig
onderwijs volgen, alsmede beurzen die
daarmee naar aard en strekking
overeenkomen, als inkomen in verband
met arbeid worden beschouwd.
Onderdelen h en i
De hier genoemde
bedrijfsbeëindigingsvergoedingen worden als inkomen in verband met arbeid
beschouwd, omdat zij het
karakter van inkomensdervingsuitkeringen hebben.
Onderdelen j en k
Deze onderdelen betreffen
alle sociale wettelijke uitkeringen
van de Nederlandse Antillen,
Aruba, een andere mogendheid of een
volkenrechtelijke organisatie, dan wel een aanspraak daarop in het
geval men de uitkering niet
daadwerkelijk ontvangt omdat daarvan is
afgezien, inclusief de buitenlandse
nabestaandenuitkeringen op grond van verplichte
verzekering en met uitzondering van een
uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op
grond van de AKW of de AWBZ.
Onderdeel q
Onder een
Anw-uitkering wordt verstaan een
nabestaandenuitkering, een halfwezenuitkering of een
wezenuitkering.
Voor personen die vóór
inwerkingtreding van de Anw een
AWW-uitkering genoten, kan het
voorkomen dat zij terwijl zij een
gezamenlijke huishouding voeren met een AOW-gerechtigde, op grond van het
overgangsrecht toch recht op een nabestaandenuitkering hebben. Dit kan het geval
zijn tot 1998 (als de
gelijkstelling voor AWW-gerechtigden van
toepassing wordt) en na 1998 (als de
nabestaande is geboren vóór 1941).
Voor alle Anw-gerechtigden kan het gaan om een halfwezenuitkering of een wezenuitkering.
Tweede lid
In het tweede lid wordt
een opsomming gegeven van
inkomensbestanddelen die geen inkomen in
verband met arbeid zijn. Voor de volledigheid zij vermeld
dat deze onderdelen ook geen
inkomen uit arbeid zijn, zodat zij
geen inkomen in de zin van dit besluit
zijn.
Onderdeel a
In het eerste lid van
artikel 7 is via onderdeel f loon uit
vroegere dienstbetrekking als inkomen in
verband met arbeid aangeduid. Dit zou
betekenen dat ook aanspraken die tot het loon uit vroegere
dienstbetrekking behoren, tot het loon worden
gerekend; wat ertoe zou kunnen
leiden dat de toeslag onvoldoende is om
het relevante sociaal minimum te
garanderen. Daarom is bepaald dat
dergelijke aanspraken (zoals bijvoorbeeld het werkgeversaandeel ten
behoeve van de premieheffing voor de werknemersverzekeringen) niet tot inkomen in
verband met arbeid worden
gerekend.
Onderdeel b
Een eenmalige uitkering
die na beëindiging van de dienstbetrekking
aan de werknemer in verband met
de beëindiging wordt betaald, wordt
buiten beschouwing gelaten. Deze eenmalige uitkering moet wel ter
vrije besteding van de werknemer komen.
Onderdeel c
In dit geval gaat het om
een verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met
hulpbehoevendheid van de
arbeidsongeschikte, waardoor oppassing en verzorging
nodig is.
Onderdeel d
Op grond van de
overwegingen genoemd in de toelichting
op artikel 3, tweede lid, onderdeel d,
dienen ook vakantie-uitkeringen over
inkomensbestanddelen die als inkomen in
verband met arbeid beschouwd
worden, niet in aanmerking te worden genomen.
Onderdeel e
Bij een aantal
bedrijfsverenigingen (met name de
Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch Bedrijf en
de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid) wordt een vakantiebon verstrekt naast
de loondervingsuitkering.
Op grond van artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, zou een dergelijke
vakantiebon als inkomen in verband met
arbeid moeten worden beschouwd.
Aangezien de vakantiebon pas op een
later tijdstip wordt verzilverd, zou dit ertoe kunnen leiden dat degene die een
vakantiebon naast een loondervingsuitkering ontvangt, een totaalinkomen zou
genieten dat minder bedraagt dan
het relevante sociaal minimum. Om die
reden wordt de vakantiebon niet
als inkomen in verband met arbeid
beschouwd.
Onderdeel f
Op grond van de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep
van 4 oktober 1985 (RSV, 1986, 21)
wordt de directeur-grootaandeelhouder
niet als werknemer in de zin van
de werknemersverzekeringen beschouwd indien de feitelijke
gezagsverhouding ontbreekt. In het kader
van dit besluit worden de
arbeidsinkomsten van deze directeur-grootaandeelhouder beschouwd als inkomen uit
arbeid uit een dienstbetrekking,
doch niet in de zin van artikel 3a,
eerste lid, van de CSV. Dit betekent dat
uitkeringen in geval van loonderving
op grond van een (aanvullende)
verzekering die door de vennootschap ten
behoeve van deze
directeur-grootaandeelhouder wordt afgesloten, als
loon uit vroegere dienstbetrekking zouden
moeten worden beschouwd. Het gaat hier
om uitkeringen op grond van een
vrijwillige verzekering ZW/WAO of op grond van een particuliere
verzekering. In het kader van dit besluit
worden deze inkomensbestanddelen
buiten beschouwing gelaten. Voor
de volledigheid zij opgemerkt dat loondervingsuitkeringen
zelf (met name AAW-uitkeringen) wel
als inkomen in verband met arbeid
worden beschouwd.
Voor een toelichting op
het vierde lid wordt verwezen naar de
toelichting bij artikel 5, derde lid.
Het vijfde lid heeft
betrekking op de situatie dat een
uitkering die als inkomen in verband met arbeid
wordt beschouwd, gekort of geweigerd wordt op grond van een boete of maatregel.
Zonder nadere regeling
zou een lagere andere uitkering leiden
tot een hogere (minder gekorte) toeslag.
Dit is niet de bedoeling, omdat dan de
gevolgen van de boete of maatregel tenietgedaan zouden worden. Een
gekorte of geweigerde uitkering wordt daarom
beschouwd als een ongekorte uitkering en als zodanig bij de korting betrokken.
Artikel
8. Bepaling van het inkomen per maand
Eerste lid
In dit onderdeel wordt
bepaald over welke periode het inkomen
uit of in verband met arbeid in
beschouwing wordt genomen. Hoofdregel
is daarbij het tot een bedrag per maand herleidde inkomen dat de jongere
echtgenoot die maand verdient.
Derde lid
In
geval van wisselende
inkomsten die leiden tot een per maand
andere toeslag of periodieke betalingen
(bijvoorbeeld eenmaal per kwartaal), is
het niet zinvol per maand een
voorschot te betalen en vervolgens
iedere maand tot een beschikking met betrekking tot de afrekening te komen.
Dit zou namelijk tot een
verhoging van de werklast bij de SVB
leiden, terwijl de inzichtelijkheid van de
uitkeringsbedragen voor de uitkeringsgerechtigde evenredig afneemt.
Om deze redenen is daarom
bepaald dat (binnen de algemene
systematiek van uitbetaling per maand
van de uitkering) in bepaalde gevallen de
uitkeringsgerechtigde zelf een schatting maakt van de inkomsten in
de komende periode van zes maanden.
Op basis van deze schatting wordt
de uitkering berekend en uitbetaald.
Vervolgens wordt ieder halfjaar de
uitkering over de afgelopen maanden
herberekend en in één keer verrekend.
Artikel 9
Deze bepalingen zijn
conform die in de andere inkomensbesluiten
in de sociale zekerheid en behoeven dus
geen toelichting. Om
uitvoeringstechnische redenen is bepaald dat
bij gelijkblijvend inkomen uit het
buitenland de toeslag één keer per jaar herberekend wordt op grond van
koersverschillen. In bijzondere gevallen
kan de Sociale Verzekeringsbank dit ook
vaker doen.
Artikel 10
Bij een kennelijk
onredelijk resultaat kan aan de volgende
situaties gedacht worden. De Sociale
Verzekeringsbank kan tot een andere
inkomensvaststelling komen als toepassing van
het eerste lid van artikel 8, gelet
op het tijdstip van verwerving van het inkomensbestanddeel, tot
een kennelijk onredelijk resultaat
leidt. De Bank kan dan bepalen op welke
periode het inkomensbestanddeel
geacht wordt betrekking te hebben en
hoe dit verdeeld moet worden over deze
periode.
Een tweede situatie doet
zich voor als er ook sprake is van
een buitenlandse inkomensafhankelijke
uitkering. Het kan gaan om
wederzijdse vermindering van uitkeringen of om het
door verschillende staten in
mindering brengen van eenzelfde inkomen op
de verschillende uitkeringen. Dit artikel
geeft de mogelijkheid dat de
Sociale Verzekeringsbank in
samenspraak met de buitenlandse
uitkeringsinstanties tot een voor allen
aanvaarde berekeningswijze komt, in
gevallen dat hierin niet in verdragen
is voorzien.
Een derde mogelijkheid
waarin dit artikel kan voorzien is
de volgende. Het kan gebeuren dat het nettogezinsinkomen van een AOW-gerechtigde met een partner jonger
dan 65 jaar lager uitkomt dan
het sociaal minimum voor een gezin indien de
jongere partner inkomen in
verband met arbeid heeft dat geheel
in mindering wordt gebracht op de toeslag. Dit inkomenseffect wordt
veroorzaakt door de verschillende
tarieven voor de inhouding van loonheffing
en ziekenfondspremie die voor beide partners gelden. Het is gewenst
dat de Sociale Verzekeringsbank in
dergelijke gevallen waarin door de toepassing
van artikel 7 van dit besluit het
totale nettogezinsinkomen lager is
dan het nettogezinsinkomen van een
AOW-gerechtigde met volledige toeslag, de
toeslag zo vaststelt dat het nettogezinsinkomen gelijk is aan het nettogezinsinkomen van een AOW-gerechtigde
met volledige toeslag.
Artikel 11
De verrekening van
inkomensbestanddelen vindt inclusief de
overhevelingstoeslag plaats. Dit artikel
regelt dat een overhevelingstoeslag
als inkomen uit of in verband met arbeid (afhankelijk van de vraag wat het
betreffende inkomensbestanddeel is)
moet worden beschouwd.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten.
|
|