|
De
Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf;
Gelet op
artikel 13, derde lid, van de Algemene
Ouderdomswet;
Besluit:
Art. 1.
-1. Gedeelten van kalenderjaren gedurende welke de pensioengerechtigde na het
bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de
65-jarige leeftijd, niet verzekerd is geweest, worden voor de
vaststelling van de korting, bedoeld in artikel
13, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet,
samengesteld en herleid tot gehele kalenderjaren.
-2. Gedeelten van kalenderjaren gedurende welke de echtgenoot van de
pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige leeftijd,
doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd van die
pensioengerechtigden, niet verzekerd is geweest, worden voor de
vaststelling van de korting, bedoeld in artikel
13, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet,
samengesteld en herleid tot gehele kalenderjaren.
-3. De samenstelling en
herleiding, in het eerste en tweede lid bedoeld, geschiedt met
inachtneming van het volgende:
1º. Een kalenderjaar wordt op 360 dagen en elke kalendermaand op
30 dagen gesteld.
2º. Een dag
waarop de verzekering een aanvang nam of eindigde, wordt:
a. voor een
gehele dag gerekend, wanneer de betrokkene gedurende
die gehele dag ingezetene was;
b. verwaarloosd,
wanneer de betrokkene gedurende die dag of gedurende
een gedeelte van die dag geen ingezetene was.
-4. Een na de in het
eerste, tweede en derde lid bedoelde herleiding overblijvend
gedeelte van een kalenderjaar blijft verder buiten
beschouwing. Het bepaalde in de vorige volzin vindt
overeenkomstig toepassing indien de samenstelling minder dan
een kalenderjaar oplevert, alsmede indien de betrokkene
slechts eenmaal gedurende een voor korting meetellend
gedeelte van een kalenderjaar niet verzekerd is geweest.
Art. 2.
-1. Gedeelten van jaarpremies welke de pensioengerechtigde schuldig nalatig is
geweest te betalen, worden voor de vaststelling van de
korting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel
b, van de Algemene Ouderdomswet,
samengesteld en herleid tot gehele jaarpremies.
-2. Gedeelten van jaarpremies welke de echtgenoot van de pensioengerechtigde na
het bereiken van de 15-jarige leeftijd, doch vóór het
bereiken van de 65-jarige leeftijd van die pensioengerechtigde,
schuldig nalatig is geweest te betalen, worden voor de
vaststelling van de korting, bedoeld in artikel
13, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet,
samengeteld en herleid tot gehele jaarpremies.
-3. Voor de
samenstelling, in het eerste en tweede lid bedoeld, wordt elk
gedeelte van een jaarpremie uitgedrukt in honderdsten van een
jaarpremie. Daarbij wordt een gedeelte van een jaarpremie dat
minder bedraagt dan een honderdste jaarpremie verwaarloosd.
-4. Een na de in het
eerste, tweede en derde lid bedoelde herleiding overblijvend
gedeelte van een jaarpremie blijft verder buiten beschouwing
indien het minder dan de helft van een jaarpremie bedraagt en
wordt voor een gehele jaarpremie gerekend indien het ten
minste de helft van een jaarpremie bedraagt. Bedoeld
overblijvend gedeelte wordt eveneens voor een gehele
jaarpremie gerekend indien het minder dan de helft van een
jaarpremie bedraagt, doch de betrokkene over het gehele
tijdvak waarover hij verzekerd is geweest, schuldig nalatig
zijnde, geen premie heeft betaald.
Het bepaalde in de
beide vorige volzinnen vindt overeenkomstige toepassing
indien de samentelling minder dan een jaarpremie oplevert,
alsmede indien de betrokkene slechts eenmaal een gedeelte
van een jaarpremie schuldig nalatig is geweest te betalen.
Art. 3.
-1. Ten aanzien van degene die slechts gedurende een gedeelte van een
kalenderjaar verzekerd is geweest, wordt onder jaarpremie
verstaan de premie die hij bij herleiding naar tijdsruimte
van de gedeeltelijke jaarpremie over het kalenderjaar
verschuldigd zou zijn geweest indien hij gedurende dat gehele
kalenderjaar verzekerd zou zijn geweest.
-2. De herleiding, in
het eerste lid bedoeld, geschiedt met inachtneming van het
volgende:
1º. Een kalenderjaar wordt op 360 dagen en elke kalendermaand op
30 dagen gesteld.
2º. Bij het
bepalen van het gedeelte van een kalenderjaar gedurende
hetwelk de betrokkene verzekerd is geweest, wordt een dag
waarop de verzekering een aanvang nam of eindigde:
a. verwaarloosd,
wanneer de betrokkene gedurende die gehele dag
ingezetene was;
b. voor
een
gehele dag gerekend, wanneer de betrokkene gedurende
die dag of gedurende een gedeelte van die dag geen
ingezetene was.
Art. 4.
De Beschikking van de
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 17 juni 1957,
nr. 1869, Stcrt. 1957, 118, wordt ingetrokken.
Art. 5.
Deze beschikking treedt
in werking met ingang van de dag na bekendmaking in de
Nederlandse Staatscourant en werkt terug tot en met 1 april 1985.
's-Gravenhage, 27 juni 1985.
De Staatssecretaris voornoemd,
L. de Graaf.
|
|