|
6 februari 1997/nr. SV/VP/97/0345
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 33 van
de Algemene Ouderdomswet en 50, tweede lid, van de
Algemene nabestaandenwet;
Besluit:
Art. 1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. pensioen: het
ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet;
b. uitkering: de
nabestaandenuitkering, de halfwezenuitkering en de wezenuitkering op grond van
de Algemene nabestaandenwet.
Art. 2.
Indien een pensioen wordt
beëindigd, vindt de uitbetaling van de vakantie-uitkering waarop op grond van dat pensioen recht bestaat,
gelijktijdig plaats met de uitbetaling van de laatste termijn van dat pensioen of
zo spoedig mogelijk daarna.
Art. 3.
Indien in een periode van
twaalf maanden als bedoeld in de
artikelen 31, tweede lid, van de Algemene
Ouderdomswet en 50, eerste
lid, van de Algemene nabestaandenwet
het recht op pensioen dan wel
uitkering is beëindigd en nadien in
dezelfde periode opnieuw een recht op
pensioen dan wel uitkering is ontstaan,
wordt voor de berekening van de vakantie-uitkering rekening gehouden met
hetgeen over die periode reeds aan vakantie-uitkering op grond
van pensioen dan wel uitkering is
uitbetaald.
Art. 4.
De uitbetaling van
vakantie-uitkering over de maanden dat de
uitbetaling van pensioen dan wel
uitkering is opgeschort of geschorst,
vindt niet eerder plaats dan nadat die opschorting of schorsing is opgeheven.
Indien de uitbetaling van een pensioen
dan wel uitkering gedeeltelijk is
opgeschort, is de eerste zin van
overeenkomstige toepassing op de vakantie-uitkering die betrekking heeft op dat
gedeelte van het pensioen dan wel uitkering dat door opschorting of
schorsing niet is uitbetaald.
Art. 5.
De uitbetaling van de
vakantie-uitkering vindt na overlijden
tegelijkertijd plaats met de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel
18,
eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet en artikel
51, eerste lid, van de
Algemene nabestaandenwet.
Art. 6.
De Regeling van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
30 juli 1985, nr. SZ/SV/VV/85/1382 (Stcrt. 1985, 151), wordt ingetrokken.
Art. 7.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 juli 1996.
Art. 8.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling uitbetaling
vakantie-uitkering.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 6 februari
1997.
De Staatssecretaris
voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[6 februari 1997]
Algemeen
Op grond van
artikel 33 van
de Algemene Ouderdomswet (AOW)
en artikel 37f van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) zijn met betrekking tot de
vakantie-uitkering nadere regelen gesteld. Dit
is gebeurt bij de Regeling van 30 juli 1985, nr. SZ/SV/VV/85/1382,
Stcrt. 151.
In verband met de
inwerkingtreding van de Algemene
nabestaandenwet (Anw) en de intrekking van
de Algemene Weduwen- en
Wezenwet is het om reden van
duidelijkheid wenselijk, ondanks artikel 106, derde
lid, van de Anw dat het
overgangsrecht inzake deze ministeriële regeling
regelt, de hiervoor genoemde regeling
in haar geheel te vervangen.
Inhoudelijk komt de nieuwe regeling overeen
met de oude. Artikel 6 en 6a uit de
huidige regeling komen in de hier
voorgestelde regeling niet terug, omdat
zij niet meer nodig zijn.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Met het gemaakte
onderscheid tussen de begrippen pensioen en uitkering wordt aangesloten bij de
in de wet vastgelegde
begripsomschrijvingen. De Anw spreekt in tegenstelling tot de voorheen bestaande
Algemene Weduwen- en
Wezenwet niet meer van
(weduwen)pensioen, maar van
(nabestaanden)uitkering. In artikel 8, tweede lid, van de AOW wordt onder
ouderdomspensioen mede verstaan de in het
eerste lid van dat artikel genoemde
toeslag. Dit betekent dat in de
onderhavige regeling een uitdrukkelijke gelijkstelling achterwege kan blijven.
Artikel 2
De uitbetaling van
de vakantie-uitkering vindt, in
afwijking van de hoofdregel neergelegd in
artikel 31, tweede lid, van de Algemene
Ouderdomswet, gelijktijdig
plaats met de uitbetaling van de
laatste termijn van het pensioen waarop de pensioengerechtigde recht
heeft. Deze situatie kan zich bij de
uitbetaling van een AOW-pensioen voordoen
indien de pensioengerechtigde
alleenstaand is en als gevolg daarvan
geen recht op een overlijdensuitkering
bestaat. Bij het beëindigen van de toeslag omdat de jongere partner 65 jaar
wordt of omdat de jongere partner een
hoger inkomen krijgt, wordt de
vakantie-uitkering over de toeslag in
overeenstemming met de hoofdregel in mei
uitbetaald aan de pensioengerechtigde.
Een soortgelijke bepaling
voor de Anw is niet nodig, omdat dit
in de Anw zelf reeds is geregeld
(zie artikel 50). Hierin is ook bepaald
dat, indien aansluitend op de Anw-uitkering recht bestaat op een AOW-pensioen,
in de maand mei de vakantie-uitkering op grond van de Anw gelijk
wordt uitbetaald met de vakantie-uitkering op grond van de AOW.
Artikel 3
Met dit artikel
wordt beoogd te voorkomen dat over een
maand meer dan één keer vakantie-uitkering betaald zou worden,
bijvoorbeeld in de situatie dat de nabestaandenuitkering eindigt omdat de nabestaande
hertrouwt en dat binnen één
jaar opnieuw recht op
nabestaandenuitkering ontstaat door overlijden van
de nieuwe echtgenoot.
Artikel 4
Indien over een
maand de uitbetaling van het pensioen of de
uitkering is geschorst of opgeschort,
kan over die maand ook geen
vakantie-uitkering betaald worden. De vakantie-uitkering komt pas tot uitbetaling
als de (gehele of gedeeltelijke)
schorsing of opschorting is opgeheven.
Artikel 5
Indien er sprake
is van een recht op
overlijdensuitkering, zal de uitbetaling hiervan om administratief-technische
redenen gecombineerd worden met de uitbetaling
van de vakantie-uitkering. Dit
voorkomt dat met de uitbetaling van de
vakantie-uitkering over de overlijdensuitkering
of slottermijn anders tot de
maand mei na het overlijden moet worden gewacht, zodat ook de
desbetreffende dossiers niet kunnen worden
afgesloten.
Artikel 7
Hoewel deze
ministeriële regeling overwegend op de
uitvoering is gericht, is het belang van parallelle inwerkingtreding met de
Anw
van dien aard dat gekozen is
voor een inwerkingtreding met ingang
van 1 juli 1996, de dag van
inwerkingtreding van de Anw.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|