St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene Ouderdomswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  UITBETALING  VAKANTIE-UITKERING
 
 

6 februari 1997, Stcrt. 1997, 29
Inwerkingtreding: 1 juli 1996
(T.a.v. artt. 33 AOW en 50:2 Anw)

 

  
 

 

 
6 februari 1997/nr. SV/VP/97/0345
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 33 van de Algemene Ouderdomswet en 50, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. pensioen: het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet;
b. uitkering: de nabestaandenuitkering, de halfwezenuitkering en de wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.

 

Art. 2.
Indien een pensioen wordt beëindigd, vindt de uitbetaling van de vakantie-uitkering waarop op grond van dat pensioen recht bestaat, gelijktijdig plaats met de uitbetaling van de laatste termijn van dat pensioen of zo spoedig mogelijk daarna.

 

Art. 3.
Indien in een periode van twaalf maanden als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet en 50, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet het recht op pensioen dan wel uitkering is beëindigd en nadien in dezelfde periode opnieuw een recht op pensioen dan wel uitkering is ontstaan, wordt voor de berekening van de vakantie-uitkering rekening gehouden met hetgeen over die periode reeds aan vakantie-uitkering op grond van pensioen dan wel uitkering is uitbetaald.

 

Art. 4.
De uitbetaling van vakantie-uitkering over de maanden dat de uitbetaling van pensioen dan wel uitkering is opgeschort of geschorst, vindt niet eerder plaats dan nadat die opschorting of schorsing is opgeheven. Indien de uitbetaling van een pensioen dan wel uitkering gedeeltelijk is opgeschort, is de eerste zin van overeenkomstige toepassing op de vakantie-uitkering die betrekking heeft op dat gedeelte van het pensioen dan wel uitkering dat door opschorting of schorsing niet is uitbetaald.

 

Art. 5.
De uitbetaling van de vakantie-uitkering vindt na overlijden tegelijkertijd plaats met de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet en artikel 51, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet.

 

Art. 6.
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juli 1985, nr. SZ/SV/VV/85/1382 (Stcrt. 1985, 151), wordt ingetrokken.

 

Art. 7.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1996.

 

Art. 8.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitbetaling vakantie-uitkering.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 6 februari 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

TOELICHTING
[6 februari 1997]

 

Algemeen

 

     Op grond van artikel 33 van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en artikel 37f van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) zijn met betrekking tot de vakantie-uitkering nadere regelen gesteld. Dit is gebeurt bij de Regeling van 30 juli 1985, nr. SZ/SV/VV/85/1382, Stcrt. 151.
     In verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de intrekking van de Algemene Weduwen- en Wezenwet is het om reden van duidelijkheid wenselijk, ondanks artikel 106, derde lid, van de Anw dat het overgangsrecht inzake deze ministeriële regeling regelt, de hiervoor genoemde regeling in haar geheel te vervangen. Inhoudelijk komt de nieuwe regeling overeen met de oude. Artikel 6 en 6a uit de huidige regeling komen in de hier voorgestelde regeling niet terug, omdat zij niet meer nodig zijn.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Met het gemaakte onderscheid tussen de begrippen pensioen en uitkering wordt aangesloten bij de in de wet vastgelegde begripsomschrijvingen. De Anw spreekt in tegenstelling tot de voorheen bestaande Algemene Weduwen- en Wezenwet niet meer van (weduwen)pensioen, maar van (nabestaanden)uitkering. In artikel 8, tweede lid, van de AOW wordt onder ouderdomspensioen mede verstaan de in het eerste lid van dat artikel genoemde toeslag. Dit betekent dat in de onderhavige regeling een uitdrukkelijke gelijkstelling achterwege kan blijven.

 

Artikel 2

     De uitbetaling van de vakantie-uitkering vindt, in afwijking van de hoofdregel neergelegd in artikel 31, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, gelijktijdig plaats met de uitbetaling van de laatste termijn van het pensioen waarop de pensioengerechtigde recht heeft. Deze situatie kan zich bij de uitbetaling van een AOW-pensioen voordoen indien de pensioengerechtigde alleenstaand is en als gevolg daarvan geen recht op een overlijdensuitkering bestaat. Bij het beëindigen van de toeslag omdat de jongere partner 65 jaar wordt of omdat de jongere partner een hoger inkomen krijgt, wordt de vakantie-uitkering over de toeslag in overeenstemming met de hoofdregel in mei uitbetaald aan de pensioengerechtigde.
     Een soortgelijke bepaling voor de Anw is niet nodig, omdat dit in de Anw zelf reeds is geregeld (zie artikel 50). Hierin is ook bepaald dat, indien aansluitend op de Anw-uitkering recht bestaat op een AOW-pensioen, in de maand mei de vakantie-uitkering op grond van de Anw gelijk wordt uitbetaald met de vakantie-uitkering op grond van de AOW.

 

Artikel 3

     Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat over een maand meer dan één keer vakantie-uitkering betaald zou worden, bijvoorbeeld in de situatie dat de nabestaandenuitkering eindigt omdat de nabestaande hertrouwt en dat binnen één jaar opnieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat door overlijden van de nieuwe echtgenoot.

 

Artikel 4

     Indien over een maand de uitbetaling van het pensioen of de uitkering is geschorst of opgeschort, kan over die maand ook geen vakantie-uitkering betaald worden. De vakantie-uitkering komt pas tot uitbetaling als de (gehele of gedeeltelijke) schorsing of opschorting is opgeheven.

 

Artikel 5

     Indien er sprake is van een recht op overlijdensuitkering, zal de uitbetaling hiervan om administratief-technische redenen gecombineerd worden met de uitbetaling van de vakantie-uitkering. Dit voorkomt dat met de uitbetaling van de vakantie-uitkering over de overlijdensuitkering of slottermijn anders tot de maand mei na het overlijden moet worden gewacht, zodat ook de desbetreffende dossiers niet kunnen worden afgesloten.

 

Artikel 7

     Hoewel deze ministeriële regeling overwegend op de uitvoering is gericht, is het belang van parallelle inwerkingtreding met de Anw van dien aard dat gekozen is voor een inwerkingtreding met ingang van 1 juli 1996, de dag van inwerkingtreding van de Anw.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x