|
De
Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf, en de Staatssecretaris
van Financiën;
Gelet op
artikel 48, eerste en zevende lid, van de Algemene
Ouderdomswet;
Besluiten:
Art. 1.
De rijksbelastingdienst
verstrekt aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek een
opgave van het bedrag dat ingevolge artikel
65, eerste en derde lid, in samenhang met de artikelen
58 en 60, eerste en tweede lid,
van de Wet financiering sociale
verzekeringen van een
gemoedsbezwaarde aan verhoogde belasting is geheven.
Art. 2.
Na ontvangst van de in artikel
1 bedoelde opgave berekent de Sociale verzekeringsbank
per gemoedsbezwaarde het bedrag dat van deze ingevolge artikel
65, eerste en derde lid, in samenhang met de artikelen
58 en 60, eerste en tweede lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen aan verhoogde belasting is
geheven. De Sociale verzekeringsbank boekt dit bedrag
op een per gemoedsbezwaarde aan te leggen spaarrekening. Indien
van een echtpaar aan beide echtgenoten een ontheffing als bedoeld
in artikel 64 van de Wet
financiering sociale verzekeringen is verleend, wordt, in
afwijking van de vorige volzin, het bedrag geboekt op een voor hen
gezamenlijk aan te leggen spaarrekening.
Art. 3.
-1. Indien
van een echtpaar aan één van de echtgenoten ontheffing is
verleend als bedoeld in artikel 64
van de Wet financiering sociale
verzekeringen, wordt de echtgenoot, die geen inkomen heeft
genoten, indien en voor zover deze recht heeft op een uitkering op
grond van de Algemene Ouderdomswet
en wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak maakt op deze uitkering,
aangewezen als degene van wie geacht wordt op grond van artikel
65, eerste lid, van de Wet financiering
sociale verzekeringen belasting te zijn geheven. Het saldo van
de spaarrekening van de echtgenoot aan wie ontheffing is verleend,
wordt overgeboekt op een voor beide echtgenoten gezamenlijk aan te
leggen spaarrekening.
-2. Indien
van het in het eerste lid bedoelde echtpaar degene aan wie
ontheffing is verleend, is overleden, wordt de overlevende
echtgenoot, die geen inkomen heeft genoten, indien en voor zover
deze recht heeft op een uitkering krachtens de Algemene
Ouderdomswet en wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak maakt op
deze uitkering, aangewezen als degene van wie geacht wordt op
grond van artikel 65, eerste lid, van
de Wet financiering sociale verzekeringen
belasting te zijn geheven. Zodra de overlevende echtgenoot recht heeft op
een uitkering op grond van de Algemene
Ouderdomswet en wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak
maakt op deze uitkering, wordt het saldo van de spaarrekening
van de overleden echtgenoot overgeboekt op een voor de
overlevende echtgenoot aan te leggen spaarrekening.
-3. De Sociale verzekeringsbank
stelt de echtgenoot, bedoeld in het eerste en
tweede lid, die aangewezen wenst te worden als degene van wie
geacht wordt op grond van artikel 65,
eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen belasting te
zijn geheven en waarop het eerste dan wel het tweede lid nog
geen toepassing heeft gevonden, in de gelegenheid hiervan
mededeling te doen.
Art. 4.
Op de spaarrekening
tekent de Sociale verzekeringsbank tevens aan het
bedrag dat de
gemoedsbezwaarde in het totaal aan uitkering, bedoeld in artikel
48, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft genoten.
Art. 5.
-1. Indien degene die
een spaarrekening heeft, huwt met iemand die eveneens een
zodanige spaarrekening heeft, wordt het saldo van hun
spaarrekeningen overgeboekt op een voor hen gezamenlijk aan te
leggen spaarrekening.
De vorige volzin
blijft buiten toepassing indien man en vrouw beiden reeds in
het genot zijn van een uitkering als bedoeld in artikel
48, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.
-2. Indien een echtpaar
dat een gezamenlijke spaarrekening heeft, duurzaam gescheiden
is gaan leven of van echt is gaan scheiden, wordt de helft van
het saldo van de spaarrekening aanwezig op de dag met ingang
waarvan het duurzaam gescheiden leven een aanvang nam
onderscheidenlijk de echtscheiding plaatshad, overgeboekt op
een voor ieder van hen aan te leggen afzonderlijke
spaarrekening.
-3. Indien een man en
een vrouw die in verband met het vorige lid beiden een
spaarrekening hebben, na duurzaam gescheiden van elkaar te
hebben geleefd, weer zijn gaan samenwonen, vindt het bepaalde
in het eerste lid overeenkomstige toepassing.
-4. Indien van een echtpaar dat een gezamenlijke spaarrekening heeft, één van
de echtgenoten overlijdt, wordt het saldo van die
spaarrekening overgeboekt op een voor de langstlevende
echtgenoot aan te leggen spaarrekening.
-5. Het saldo, in de
vorige leden bedoeld, is gelijk aan het totaal van de
overeenkomstig artikel
2 geboekte bedragen, verminderd met, indien uitkering is
genoten, het totale bedrag van de uitkeringen aangetekend
overeenkomstig het bepaalde in artikel
3.
Art. 6.
Voor de toepassing van artikel 48, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet wordt, indien op
grond van artikel
3 en 5
een bedrag op een andere spaarrekening wordt overgeboekt, dat
overgeboekte bedrag geacht te zijn geheven van degene op de
spaarrekening van wie dat bedrag is overgeboekt.
Art. 7.
De Beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en de
Staatssecretaris van Financiën van 2 juli 1962, nr. 3492,
Stcrt.
1962, 135, wordt ingetrokken.
Art. 8.
Deze beschikking treedt
in werking met ingang van de dag na bekendmaking in de Nederlandse
Staatscourant en werkt terug tot en met 1 april 1985.
's-Gravenhage, 23 april 1985.
De Staatssecretaris
voornoemd,
L. de Graaf.
's-Gravenhage,
24 april 1985.
De Staatssecretaris
van Financiën,
H.E. Koning.
|
|