St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene Ouderdomswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

BESLUIT  BELEIDSREGELS  SVB  AFWIJKING  INGANGSDATUM  UITKERING
 
 

26 april 1996, Stcrt. 1996, 146
Inwerkingtreding: 1 juli 1996
(T.a.v. artt. 16:2 AOW, 33:4 Anw en 14:3 AKW)

 

  
 

 

 
24 juli 1996/nr. 963564

     Het College van toezicht sociale verzekeringen;
     Gelezen het verzoek van de Sociale Verzekeringsbank van 10 mei 1996;
     Gelet op artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 1, van de Regeling voorlegging besluiten uitvoeringsinstanties;

     Besluit:

 

 

Goed te keuren het bijgevoegde besluit met bijlage van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank van 26 april 1996 tot vaststelling van het Besluit beleidsregels SVB afwijking ingangsdatum uitkering.

 

 

Zoetermeer, 24 juli 1996.
College van toezicht sociale verzekeringen,
A. Geurtsen, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

 

Besluit beleidsregels SVB ter vaststelling van de omstandigheden waaronder een uitkering krachtens de AOW, Anw of AKW kan worden toegekend met een langer terugwerkende kracht dan één jaar (Besluit beleidsregels SVB afwijking ingangsdatum uitkering).

     Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank;
     Gelet op artikel 16, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, artikel 33, vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet en artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Van de bevoegdheid op grond van de artikelen 16, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, 33, vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet en 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet om voor bijzondere gevallen af te wijken van de ingangsdatum zoals bedoeld in de artikelen 16, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, 33, vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet en 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, zal gebruik worden gemaakt aan de hand van het beleid dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

 

Art. 2.
-1. Het vigerende beleid met betrekking tot de toekenning van uitkeringen met een langer terugwerkende kracht dan één jaar wordt ingetrokken.
-2. Het beleid als bedoeld in het vorige lid blijft van toepassing op de beoordeling van rechten over perioden welke zijn gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

 

Art. 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot 1 juli 1996.¹

1. Volgens de redactie dient "tot 1 juli 1996" te worden vervangen door: tot en met 1 juli 1996.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beleidsregels SVB afwijking ingangsdatum uitkering.

 

 

     Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Aldus door het bestuur vastgesteld op 22 september 1995 en 26 april 1996.
B. de Vries, voorzitter,
P.A. Schaafsma, president-directeur.

 

 

 

BIJLAGE

 

     Het recht op een uitkering krachtens de AOW en de Anw gaat in op de eerste dag van de maand waarin aan de voorwaarden voor het recht op de desbetreffende uitkering is voldaan (artikelen 16, eerste lid, AOW en 22, derde lid, en 26, derde lid, Anw), dan wel op de eerste dag van de maand van het overlijden van verzekerde (artikel 14, tweede lid, Anw).
     De artikelen 16, tweede lid, AOW en 33, vierde lid, Anw bepalen dat het recht op de desbetreffende uitkering niet wordt vastgesteld over perioden gelegen vóór één jaar voorafgaand aan de dag van ontvangst van de aanvraag. Op grond van artikel 14, derde lid, AKW kan het recht op kinderbijslag eveneens niet worden vastgesteld over perioden gelegen vóór één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend.
     De SVB kan hiervan in bijzondere gevallen afwijken (artikel 16, tweede lid, AOW, artikel 33, vierde lid, Anw en artikel 14, derde lid, AKW).
     Indien de aanvrager aan de voorwaarden voor het recht op een AOW- of Anw-uitkering, dan wel aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voldoet en de aanvraag één jaar of meer na de maand waarin aan de voorwaarden voor het recht op uitkering wordt voldaan, is ingediend, wordt altijd terugwerkende kracht van minimaal één jaar verleend. Bij een postume aanvraag is de terugwerkende kracht beperkt tot maximaal één jaar vanaf de eerste dag van de maand van aanvraag. Een verdergaande terugwerkende kracht is in deze gevallen niet aan de orde, omdat er geen hardheid aanwezig kan zijn bij degene die een postume aanvraag indient. De beoordeling van hardheid is strikt gebonden aan de omstandigheden van de gerechtigde zelf.
     Terugwerkende kracht van meer dan één jaar: artikel 16, tweede lid, AOW, artikel 33, vierde lid, Anw en artikel 14, derde lid, AKW. In bijzondere gevallen waarin de AOW-, AWW- of kinderbijslagaanvraag meer dan één jaar te laat werd ingediend, is de SVB bevoegd de desbetreffende uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Als een aanvraag meer dan één jaar te laat wordt ingediend, toetst de SVB eerst of er sprake is van een bijzonder geval. Alleen als dit het geval is, is de SVB bevoegd de uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Van deze bevoegdheid maakt de SVB alleen gebruik als het van hardheid zou getuigen de terugwerkende kracht tot één jaar te beperken.

 

Bijzonder geval


     Er is sprake van een bijzonder geval:
- indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;
- indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen én deze onbekendheid verschoonbaar was.
     In elk voorkomend geval wordt aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden bezien of het geval als bijzonder kan worden aangemerkt. Beoordeeld wordt of het complex van omstandigheden in onderlinge samenhang een bijzonder geval oplevert.
     De volgende - niet limitatief opgesomde - gevallen kunnen zich voordoen:
- De aanvraag is te laat ingediend omdat de aanvrager als gevolg van geestelijke gestoordheid of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen.
- De te late aanvraag is een aantoonbaar gevolg van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan en betrokkene had redelijkerwijs niet aan die voorlichting hoeven twijfelen.
- De te late aanvraag is een gevolg van onbekendheid met rechten welke voortvloeien uit verdragsbepalingen of uit bijzondere nationale bepalingen. Hoofdregel is dat onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn wettelijke rechten.
     Het uitgangspunt hierbij is dat iedereen weet dat hij als hij 65 jaar wordt of als zijn echtgenoot overlijdt, waarschijnlijk een pensioenrecht geldend kan maken. Gebeurt dit in Nederland, dan zullen uitvoeringsorganen wijzen op eventuele rechten in andere lidstaten van de Europese Unie of verdragslanden. Dient men in een ander land een aanvraag in, dan zullen de uitvoeringsorganen in dat land attenderen op het bestaan van eventuele rechten in Nederland. Dit laatste hoeft echter niet altijd het geval te zijn, omdat:
- iemand na zijn 65e verjaardag doorgaat met werken;
- een buitenlands pensioen kan ingaan vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd;
- iemand in het buitenland geen recht heeft op een uitkering.
     De hierboven genoemde concrete situaties kunnen een bijkomende omstandigheid vormen waardoor onbekendheid met rechten kan worden geëxcuseerd. Er kan dan sprake zijn van een bijzonder geval.
- De wetgever heeft nationale bepalingen niet tijdig in overeenstemming gebracht met internationale, rechtstreeks werkende bepalingen. De hoogste bevoegde rechter die de nationale regelgeving in eerste instantie niet in strijd heeft geacht met deze internationale bepalingen, acht op een zeker moment een dergelijke strijdigheid wel aanwezig. Voorwaarde is dat de betrokkene naar aanleiding van zo’n omslag in jurisprudentie, die voldoende bekend is gemaakt, een aanvraag heeft ingediend. Indien niet binnen één jaar na de bekendmaking van de jurisprudentie een aanvraag wordt ingediend, is er geen sprake van een bijzonder geval, omdat algemeen bekend is geworden dat die aanspraken (kunnen) bestaan. Voor de termijn van één jaar is aansluiting gezocht bij de in de wet gehanteerde termijnen.
     De volgende situaties leveren geen bijzonder geval op:
- een fout van de belangenbehartiger van de betrokkene;
- onvoldoende activiteit van de betrokkene;
- het niet aangetekend verzenden van stukken door de betrokkene;
- onvoldoende oplettendheid van de betrokkene;
- enkele onbekendheid met de wettelijke bepalingen;
- een noodgedwongen verblijf in het buitenland;
- niet kunnen lezen en schrijven, terwijl men over voldoende hulp kan beschikken;
- niet op de hoogte zijn van gepubliceerde beleidswijzigingen en voldoende bekend geworden jurisprudentie vormt na verloop van een bepaalde termijn - in het algemeen één jaar - geen verschoonbare onbekendheid en derhalve geen bijzonder geval.

 

Hardheid


     Wanneer er volgens de hierboven aangeduide criteria sprake is van een bijzonder geval, moet de SVB vervolgens beoordelen of zij gebruik zal maken van haar bevoegdheid de uitkering of kinderbijslag met terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. De SVB maakt gebruik van deze bevoegdheid wanneer het van hardheid zou getuigen te volstaan met een terugwerkende kracht van één jaar.
     Er is sprake van hardheid indien een persoon schade heeft geleden als gevolg van het niet aanvragen van de uitkering waarop hij op grond van de desbetreffende aanspraakgevende gebeurtenis recht zou hebben gehad. Deze schade wordt geacht te zijn opgetreden indien zijn netto inkomen mede door het niet tijdig aanvragen van de desbetreffende uitkering onder de voor hem geldende minimumnorm is gedaald in de periode welke is gelegen tussen de datum van de aanspraakgevende gebeurtenis en de datum die ligt één jaar vóór de aanvraag.
     Voor de bepaling van het netto inkomen worden alle inkomensbestanddelen van de gerechtigde en zijn eventuele partner, zoals bijvoorbeeld inkomen uit arbeid, uitkeringen, bovenwettelijke pensioenen of inkomen uit vermogen, in aanmerking genomen. Op dit genoten inkomen kunnen eventueel bijzondere uitgaven in mindering worden gebracht welke verband houden met het verzekerde risico zoals bijvoorbeeld kosten van leningen die betrokkene heeft moeten maken om te kunnen voorzien in de behoeften waarvoor de desbetreffende uitkeringen zijn bedoeld. Als minimumnorm voor toepassing op de AOW gelden de op de desbetreffende situatie toepasselijke volledige netto-uitkeringsbedragen zoals vervat in deze wet. Indien het AOW-pensioen als minimumnorm wordt gehanteerd voor een aanvrager met een partner, wordt de norm die voor de aanvrager geldt, verhoogd met het desbetreffende normbedrag voor zijn partner.
     Ten aanzien van de nabestaandenuitkering krachtens de Anw geldt als minimumnorm het maximale netto bedrag aan nabestaandenuitkering, eventueel vermeerderd met de halfwezenuitkering voor zover hierop in de periode waarover de eventuele hardheid wordt beoordeeld, recht zou hebben bestaan. Ten aanzien van de AKW geldt als minimumnorm de op de gezinssituatie (fictief) toepasselijke netto-uitkeringsbedragen krachtens de AOW, verhoogd met de op de desbetreffende situatie toepasselijke kinderbijslagrechten.
     De betrokkene dient de geleden schade aannemelijk te maken door overlegging van schriftelijke stukken.

 

Mate van terugwerkende kracht


     De mate van terugwerkende kracht hangt af van de omvang van het schadebedrag. Er wordt zoveel terugwerkende kracht verleend als nodig is om het vastgestelde schadebedrag te compenseren, met een maximum van vijf jaar gerekend vanaf het moment van de aanvraag.
     Als schadebedrag wordt aangemerkt het verschil tussen de voor betrokkene geldende minimumnorm en zijn netto inkomen in de in aanmerking te nemen periode, met dien verstande dat het in aanmerking te nemen schadebedrag nimmer hoger kan zijn dan het recht waarop betrokkene in de desbetreffende periode ten hoogste aanspraak had kunnen maken.

 

Individuele beoordeling


     De hierboven geformuleerde beleidslijnen geven het algemene kader weer aan de hand waarvan de SVB beoordeelt of in geval van een te late aanvraag de desbetreffende uitkering of de kinderbijslag met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar dient te worden toegekend. Als er evenwel aantoonbare redenen zijn om van het geformuleerde beleid af te wijken, bestaat hiertoe de mogelijkheid.

 

 

 

TOELICHTING
[26 april 1996]

 

     In het kader van de AOW, de Anw en de AKW is de SVB bevoegd om in bijzondere gevallen waarin de aanvraag voor de desbetreffende uitkering meer dan één jaar te laat is ingediend, deze uitkering met terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Het in dit besluit neergelegde beleid voor de vaststelling van een bijzonder geval wijkt niet af van het door de SVB tot dusver gehanteerde beleid op dit punt.
     Niet in alle bijzondere gevallen wordt een langer terugwerkende kracht dan één jaar verleend. Van deze bevoegdheid maakt de SVB alleen gebruik als het van hardheid zou getuigen de terugwerkende kracht tot één jaar te beperken.
     In dit besluit is - in afwijking van het voorheen geldende beleid - een uniformering van het ten aanzien van alle door de SVB uit te voeren materiewetten te hanteren hardheidsbeleid tot stand gebracht.
     In algemene zin wordt nu de beperking van de terugwerkende kracht tot één jaar als hard aangemerkt indien het netto inkomen van de aanvrager mede als gevolg van het niet hebben aangevraagd van het pensioen of de uitkering waarop hij aanspraak had kunnen maken, onder de voor hem geldende minimumnorm is gedaald in de periode welke is gelegen tussen de datum van de aanspraakgevende gebeurtenis en de datum die ligt één jaar vóór de aanvraag.
     Voorbeelden van een aanspraakgevende gebeurtenis zijn: het overlijden van de partner, het bereiken van de 65-jarige leeftijd of het krijgen van een kind.
     Als minimumnorm worden de relevante maximale netto-uitkeringsbedragen gehanteerd die op de desbetreffende situatie van kracht zouden zijn geweest. Zo zal voor een alleenstaande AOW-gerechtigde het maximale netto-ongehuwdenpensioen als norm worden gehanteerd en voor een Anw-gerechtigde met de zorg voor een halfwees de gecumuleerde 70%- en 20%-Anw-uitkeringsbedragen.
     Het verschil tussen het daadwerkelijk genoten netto inkomen en de minimumnorm wordt als schade aangemerkt welke door toekenning van de langer terugwerkende kracht in beginsel wordt gecompenseerd. Indien de betrokkene over de in aanmerking te nemen periode een schade van bijvoorbeeld ƒ8000,- heeft geleden, zal de aangevraagde uitkering met zoveel extra maanden terugwerkende kracht worden toegekend als nodig is om het schadebedrag geheel te compenseren. Bij een uitkeringshoogte van ƒ1000,- per maand zal dan acht maanden extra terugwerkende kracht worden toegekend. De terugwerkende kracht kan zich echter niet over een langere periode dan vijf jaar, gerekend vanaf het moment van de aanvraag, uitstrekken. Met deze maximale termijn van vijf jaar is aangesloten bij de systematiek in het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van verjaring van rechtsvorderingen tot voldoening van periodieke betalingen (artikel 3:308 BW).
     Het in aanmerking te nemen schadebedrag kan nooit hoger zijn dan het totale uitkeringsbedrag waarop de aanvrager in de desbetreffende periode aanspraak had kunnen maken. Dit is van belang in de gevallen dat slechts recht zou hebben bestaan op een gekort pensioen of een deel van de uitkering. In specifieke gevallen kan het voor de beoordeling van hardheid in aanmerking te nemen inkomen van betrokkene nog worden verminderd met specifieke schadeposten welke rechtstreeks verband houden met het niet hebben aangevraagd van de uitkering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan kosten van leningen die betrokkene heeft moeten afsluiten om te voorzien in het desbetreffende inkomenstekort dat heeft bestaan.
     De relatering van het hardheidsbegrip aan de inkomenspositie van de betrokkenen is in bestendige jurisprudentie aanvaard (bijvoorbeeld: CRvB 29 april 1993, RSV 1994, 11)
     Met dit besluit is het tot op heden door de SVB in de praktijk gehanteerde beleid voor de toekenning van pensioenen of kinderbijslag komen te vervallen. Dit oude beleid zal slechts nog van toepassing zijn op de beoordeling van tijdvakken welke zijn gelegen vóór 1 juli 1996.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x