|
Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank;
Gelet op de artikelen 17e,
eerste lid, en 24b van de Algemene
Ouderdomswet, 41, derde lid, en 55 van de
Algemene nabestaandenwet en 17c, derde lid, en
24b van de
Algemene Kinderbijslagwet;
Besluit:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. de Bank: de Sociale
Verzekeringsbank;
b. de AOW: de Algemene
Ouderdomswet;
c. de Anw: de Algemene
nabestaandenwet;
d. de AKW: de Algemene
Kinderbijslagwet;
e. vordering: een vordering
uit hoofde van een boete die is
opgelegd op grond van artikel 17c AOW, op
grond van artikel 39 Anw of op grond
van artikel 17a AKW, alsmede een bedrag
dat wordt teruggevorderd in een
besluit als bedoeld in de artikelen 24 AOW,
54 Anw en 24
AKW, beide met
inbegrip van de verhogingen als
bedoeld in de artikelen 17i, zesde lid, AOW,
45, zesde lid,
Anw en 17g, zesde lid, AKW;
f. schuldenaar: degene aan
wie een boete is opgelegd dan wel
van wie een bedrag wordt teruggevorderd;
g. aflossingscapaciteit: het
deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden aangewend voor
betaling of verrekening van de vordering;
h. vermogen:
vermogensrechten, roerende en onroerende zaken, met
uitzondering van zaken waarvan de
dagwaarde minder dan €|1135,00
bedraagt.
Art. 2.
-1. Dit besluit is van
toepassing op de invordering van boeten die
zijn opgelegd met toepassing van artikel 17c
AOW, artikel 39
Anw dan wel
artikel 17a AKW.
-2. Dit besluit is voorts van
toepassing op de invordering van
bedragen die in het kader van de uitvoering
van de AOW, de Anw en de
AKW onverschuldigd zijn
uitbetaald, in zoverre het besluit tot
terugvordering hiervan op of na de dag van
inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen, terug- en
invordering sociale zekerheid is
genomen.
-3. Artikel 4, vijfde lid,
artikel 5, vijfde lid, en artikel 6, zesde lid, zijn niet van toepassing
op vorderingen op een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast
verblijft, tenzij de kantonrechter met toepassing van artikel
475e van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn verzoek een
beslagvrije voet heeft vastgesteld.
-4. Dit besluit is niet van toepassing indien en
voor zolang de Bank heeft
ingestemd met een buitengerechtelijke schuldsaneringsregeling als
bedoeld in artikel 285, eerste lid, onderdeel e, Faillissementswet.
-5. Dit besluit is niet van toepassing indien en
voor zolang de rechtbank
met toepassing van artikel 287 Faillissementswet
een
schuldsaneringsregeling van toepassing heeft verklaard.
HOOFDSTUK
2
Termijnen van
aflossing
Art. 3.
-1. De Bank kan de termijn of
termijnen van betaling of verrekening
vaststellen conform een met redenen
omkleed voorstel van de schuldenaar,
mits volgens dit voorstel de gehele
vordering binnen twaalf maanden wordt
voldaan en de schuldenaar dit
voorstel heeft gedaan binnen zes weken
nadat hem daartoe door de Bank de
gelegenheid is geboden.
-2. In afwijking van het
eerste lid doet de Bank ingeval zij een vordering beneden €|2268,00
heeft,
aan de schuldenaar een voorstel inzake de wijze van betaling van deze
vordering. Indien de schuldenaar niet binnen de door de Bank gestelde
termijn op het voorstel reageert, stelt de Bank de wijze en termijnen
van aflossing vast overeenkomstig het gedane voorstel.
-3. In afwijking van het eerste lid
wordt een vordering van ten hoogste €|272,00
zonder voorafgaand overleg met de belanghebbende verrekend door
inhouding van een bedrag van ten hoogste €|22,00
per maand op toekomstige betalingen aan de belanghebbende.
-4. Bij gebreke van
toepassing van één van de voorafgaande leden stelt de Bank de termijn
of termijnen van betaling of
verrekening vast met inachtneming van de
artikelen 4 tot en met 7.
Art. 4.
-1. Dit artikel is van
toepassing op de invordering van boeten.
-2. De Bank stelt de
termijnen voor aflossing van de vordering
zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt
van de volledige
aflossingscapaciteit van de schuldenaar.
-3. Indien bij betaling
conform de volgens het tweede lid vastgestelde
termijnen de vordering binnen twaalf
maanden niet volledig zal zijn
voldaan, dient de schuldenaar, voor zover
dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk
is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes
weken nadat de Bank aan de
schuldenaar kennis heeft gegeven van de
vaststelling van de termijnen. Indien de
schuldenaar echter ten genoegen van de Bank zekerheid stelt voor
dit resterende deel van de vordering, kan
de schuldenaar dit deel later, doch
uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is
bekendgemaakt, voldoen.
-4. Indien de schuldenaar na
aanwending van zijn vermogen en zijn
volledige aflossingscapaciteit de
vordering niet binnen twaalf maanden
volledig zal hebben voldaan, stelt de
Bank een groter aantal termijnen vast
waarbinnen de vordering moet worden
voldaan.
-5. Indien de schuldenaar de
vordering na vijf jaar nog niet
volledig heeft voldaan, worden verdere termijnen van aflossing zodanig
vastgesteld dat de schuldenaar en zijn echtgenoot dan wel degene met wie hij een
huishouden vormt, naast de verhoging
als bedoeld in artikel 475d, derde lid,
een inkomen ontvangen gelijk aan honderd
ten negentigste van de
beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d,
eerste lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-6. Indien de schuldenaar in
verband met zijn
aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in
staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de
Bank, schort de Bank verdere invordering
op tot de schuldenaar weer in staat is
tot het verrichten van betalingen.
-7. In bijzondere gevallen
kan de Bank afwijken van dit artikel.
Art. 5.
-1. Dit artikel is van
toepassing op de invordering van
teruggevorderde onverschuldigd betaalde bedragen indien de terugvordering het gevolg is
van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 49 AOW, artikel 35 Anw
en
artikel 15 AKW.
-2. De Bank stelt de
termijnen voor aflossing van de vordering
zodanig vast dat gebruik wordt gemaakt
van de volledige aflossingscapaciteit van de
schuldenaar.
-3. Indien bij betaling
conform de volgens het tweede lid vastgestelde
termijnen de vordering binnen twaalf
maanden niet volledig zal zijn
voldaan, dient de schuldenaar, voor zover
dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk
is, het resterende deel van de
vordering ineens te voldoen binnen zes
weken nadat de Bank aan de
schuldenaar kennis heeft gegeven van de
vaststelling van de termijnen. Indien de
schuldenaar echter ten genoegen van de
Bank zekerheid stelt voor dit
resterende deel van de vordering, kan de
schuldenaar dit deel later, doch
uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is
bekendgemaakt, voldoen.
-4. Indien de schuldenaar na
aanwending van zijn vermogen en zijn
volledige aflossingscapaciteit de
vordering niet binnen twaalf maanden
volledig zal hebben voldaan, stelt de
Bank een groter aantal termijnen vast
waarbinnen de vordering moet worden
voldaan.
-5. Indien de schuldenaar de
vordering na drie jaar nog niet
volledig heeft voldaan, worden verdere
termijnen van aflossing zodanig
vastgesteld dat de schuldenaar en zijn echtgenoot dan wel degene met wie hij een
huishouding vormt, naast de verhoging
als bedoeld in artikel 475d, vijfde lid,
een inkomen ontvangen gelijk aan honderd
ten negentigste van de
beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d,
eerste en tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-6. Indien de schuldenaar de
vordering na vijf jaar nog niet
volledig heeft voldaan, ziet de Bank af van verdere terugvordering, indien de
schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan; of
b. gedurende vijf jaar niet
volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode vermeerderd
met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering
betrekking hebbende kosten alsnog
heeft betaald.
-7. Indien de schuldenaar in
verband met zijn
aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in staat is betalingen
te verrichten ter voldoening
van de vordering van de Bank, schort de Bank
verdere invordering op tot de
schuldenaar weer in staat is tot het verrichten van betalingen.
-8. In bijzondere gevallen
kan de Bank afwijken van dit artikel.
Art. 6.
-1. Dit artikel is van
toepassing in andere gevallen dan die
genoemd in artikel 4, eerste lid, en
artikel 5, eerste lid.
-2. De Bank stelt de
termijnen voor aflossing van de vordering
zodanig vast dat de vordering volledig
wordt afgelost binnen uiterlijk zestig
maanden nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de
vaststelling van de termijnen.
-3. De termijnen worden
zodanig vastgesteld dat ten minste de
halve en ten hoogste de volledige
aflossingscapaciteit van de schuldenaar wordt
benut.
-4. Indien bij betaling
conform de volgens het derde lid vastgestelde termijnen de vordering
binnen zestig maanden niet volledig zal zijn voldaan, dient de
schuldenaar, voor zover dit met aanwending van zijn vermogen mogelijk
is, het resterende deel van de vordering ineens te voldoen binnen zes
weken nadat de Bank aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de
vaststelling van de termijnen. Indien de schuldenaar echter ten genoegen
van de Bank zekerheid stelt voor dit resterende deel van de vordering,
kan de schuldenaar dit deel later, doch uiterlijk binnen zestig maanden
nadat de vaststelling van de termijnen aan hem is bekendgemaakt,
voldoen.
-5. Indien de schuldenaar de vordering na vijf
jaar nog niet volledig
heeft voldaan, ziet de Bank af van verdere terugvordering, indien de
schuldenaar of zijn wettelijke vertegenwoordiger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft
voldaan; of
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode
vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de
invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald.
-6. De in het vijfde lid genoemde
termijn is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van de schuldenaar in
die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en
475d van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan.
-7. Indien de schuldenaar in
verband met zijn
aflossingscapaciteit en vermogenssituatie niet in
staat is betalingen te verrichten ter voldoening van de vordering van de
Bank, schort de Bank verdere invordering
op tot de schuldenaar weer in staat is
tot het verrichten van betalingen.
-8. In bijzondere gevallen
kan de Bank afwijken van dit artikel.
Art. 7.
-1. In afwijking van de
artikelen 4, 5 en 6 kan de Bank op verzoek van de schuldenaar de
termijnen van aflossing zodanig vaststellen dat aflossing plaatsvindt
binnen kortere tijd dan bij inachtneming van de artikelen
4, 5 en 6.
-2. In afwijking van de artikelen 4 en
5 kan de Bank instemmen met voldoening van de vordering in een periode
van ten hoogste 24 maanden indien binnen deze termijn
volledige aflossing door middel van verrekening met een lopende
uitkering of periodiek inkomen mogelijk is.
-3. In afwijking van de artikelen 5 en
6 kan de Bank op verzoek van de schuldenaar afzien van (verdere)
terugvordering indien de schuldenaar een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost. Van deze bevoegdheid
maakt de Bank slechts gebruik indien zij van oordeel is dat de
invordering op grond van de artikelen 5 of 6 niet langer geëffectueerd
zal kunnen worden.
Art. 8.
Indien de schuldenaar niet voldoet
aan zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 17c, vijfde lid, en
24, zesde lid, AOW, de
artikelen 39, vijfde lid, en 53, zesde lid,
Anw en de artikelen 17a, vijfde lid, en
24, zesde lid,
AKW, is de vordering
terstond opeisbaar.
Art. 9.
De Bank besluit van
(verdere) terugvordering af te zien indien de
schuldenaar of zijn wettelijke
vertegenwoordiger gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten, indien de vordering het bedrag van €|2268,00
niet te boven gaat. De periode is tien jaar bij
vorderingen tot €|6807,00,
vijftien jaar bij vorderingen tot €|11
345,00 en twintig jaar bij vorderingen vanaf €|11 345,00.
Art. 10.
De Bank kan de vastgestelde
termijn of termijnen herzien wegens
gewijzigde omstandigheden. De Bank
onderzoekt of er termen aanwezig zijn
voor herziening indien de schuldenaar
hiertoe een met redenen omkleed verzoek
indient.
HOOFDSTUK
3
Tenuitvoerlegging van boetebesluiten en besluiten tot
terugvordering
Art. 11.
-1. Indien de schuldenaar
heeft nagelaten enig bedrag binnen de
gestelde termijn te voldoen, is de resterende
vordering volledig opeisbaar. De Bank legt dan het besluit waarbij een
boete is opgelegd dan wel een
onverschuldigd betaald bedrag is teruggevorderd, ten uitvoer op de wijze zoals
bepaald in artikel 17i AOW,
45 Anw
dan wel artikel 17g AKW. Deze
tenuitvoerlegging vindt plaats met
inachtneming van het bepaalde in de volgende
leden.
-2. De tenuitvoerlegging
vindt, voor zover mogelijk in verband
met de vrijlating van inkomen als bedoeld in
de artikelen 17i, achtste lid, AOW,
45, achtste lid,
Anw en 17g, achtste lid, AKW, plaats op zodanige
wijze dat de vordering uiterlijk wordt
voldaan:
a. in de gevallen, bedoeld in
artikel 4, eerste lid: binnen twaalf
maanden nadat de vaststelling van de
termijnen, bedoeld in artikel 4, tweede
lid, aan de schuldenaar bekend is
gemaakt;
b. in andere gevallen: binnen
twaalf maanden nadat de Bank een
aanvang heeft gemaakt met de
tenuitvoerlegging van het besluit.
-3. Indien de
tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met
toepassing van artikel 17i, tweede of
derde lid, AOW, artikel
45, tweede of
derde lid, Anw dan wel artikel 17g,
tweede of derde lid, AKW, dan wel door
middel van beslag op periodieke uitkeringen of loon, worden maandelijks
zodanige bedragen gevorderd dat de schuldenaar zijn volledige
aflossingscapaciteit benut. De Bank kan in afwijking van
het gestelde in de vorige volzin een hoger bedrag vorderen als de
schuldenaar zijn verplichting uit hoofde van de artikelen 17c, vijfde
lid, en 24, zesde lid, AOW, de
artikelen 39, vijfde lid, en 53, zesde
lid, Anw of de artikelen 17c, vijfde lid, en
24, zesde lid,
AKW niet
nakomt.
-4. Indien de
tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk plaatsvindt met
toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, merkt de
Bank in afwijking van artikel 1, onderdeel g, als vermogensbestanddelen mede
aan zaken waarvan de dagwaarde
minder dan €|1135,00
bedraagt.
-5. Indien de schuldenaar
onvoldoende verhaal biedt voor volledige
voldoening van de vordering van de
Bank, schort de Bank de verdere
tenuitvoerlegging van het besluit op totdat de
schuldenaar weer verhaal biedt.
-6. Artikel 4, vijfde lid, en
artikel 5, vijfde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
-7. In bijzondere gevallen
kan de Bank afwijken van het bepaalde in
dit artikel.
HOOFDSTUK
4
Wettelijke rente
en kosten
Art. 12.
-1. De wettelijke rente en de
op de invordering betrekking
hebbende kosten zijn verschuldigd vanaf het
tijdstip waarop de termijn of
termijnen zijn verstreken waarbinnen
volgens het besluit tot terugvordering
dan wel het besluit tot boeteoplegging
moest worden betaald.
-2. De op de invordering betrekking hebbende kosten bedragen:
a. 15% van de resterende
vordering, doch ten minste €|45,00
en
ten hoogste €|680,00; alsmede
b. de kosten van betekening
en gerechtelijke tenuitvoerlegging, zoals
vastgesteld bij of krachtens de Wet
tarieven in burgerlijke zaken, alsmede
de hierover verschuldigde BTW.
HOOFDSTUK
5
Toerekening van
betalingen
Art. 13.
-1. Tenzij de schuldenaar een
andere bestemming aanwijst, wordt
een betaling die zou kunnen worden
toegerekend aan één of meer boeten en
aan één of meer teruggevorderde bedragen, in de eerste plaats
toegerekend aan de verschuldigde boete of
boeten.
-2. Met inachtneming van het
eerste lid vindt toerekening van
betalingen plaats op de wijze zoals
vastgesteld in de artikelen 6:43, tweede lid,
en 6:44, eerste lid, van het Burgerlijk
Wetboek.
HOOFDSTUK
6
Slotbepalingen
Art. 14.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de dag waarop de Wet boeten, maatregelen, terug- en
invordering sociale zekerheid in werking
treedt, doch niet eerder dan met ingang van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin het
wordt geplaatst.
Art. 15.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit invordering boeten
en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW.
Dit besluit zal met de
daarbij behorende toelichting in de
Staatscourant worden geplaatst.
Amstelveen, 28 juni 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.
TOELICHTING
[28 juni 1996]
Algemene
toelichting
1. Inleiding
Op 1 augustus 1996 treedt de
Wet boeten, maatregelen, terug- en
invordering sociale zekerheid in
werking. Op grond van deze wet is de SVB
verplicht een boete op te leggen aan
verzekerden die de mededelingsverplichting
niet nakomen die hun wordt opgelegd in de
artikelen 49 AOW,
35
Anw
en 15 AKW. Voorts is de
Bank verplicht
onverschuldigd betaalde bedragen terug te
vorderen.
Op grond van de artikelen 17e, derde lid,
AOW,
41, derde lid, Anw
en 17c, derde lid, AKW
stelt de Bank
nadere regels omtrent de termijn of
termijnen waarbinnen een opgelegde
boete moet worden betaald en de wijze
waarop boetebesluiten ten uitvoer worden gelegd bij gebreke van
tijdige betaling. Voorts dient de Bank op
grond van de artikelen 24b AOW,
55
Anw
en 24b AKW
regels te stellen met
betrekking tot terugvordering en de
tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering als bedoeld in de artikelen
24 en 24a AOW,
53 en 54
Anw
en 24 en 24a
AKW.
Dit besluit bevat regels
over de termijn of termijnen waarbinnen een
boete of een teruggevorderd bedrag
moet worden betaald, de
tenuitvoerlegging van de boete- en terugvorderingsbesluiten bij gebreke van tijdige
betaling, de berekening van rente en kosten bij de tenuitvoerlegging van de
besluiten en de toerekening van
betalingen. Regels over de vaststelling
van boeten zijn neergelegd in het
Boetebesluit AOW, het Boetebesluit Anw en
het Boetebesluit AKW [zie Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.]. Nadere
regels omtrent de vaststelling van terug te vorderen bedragen zijn te
vinden in de Beleidsregels SVB [zie Besluit
beleidsregels SVB 2002, red.].
2. Toepassingssfeer van het
besluit
Dit besluit is van
toepassing op de betaling en invordering van boeten
die de Bank met toepassing van de Wet boeten, maatregelen, terug- en
invordering sociale zekerheid en met
toepassing van de Anw
aan de
belanghebbenden oplegt. Tevens is het
besluit van toepassing op de invordering van
onverschuldigd betaalde bedragen voor zover
het terugvorderingsbesluit op of
na de dag van inwerkingtreding van
deze wetten is genomen. Hierbij is niet
van belang of de onverschuldigde
betaling vóór of na de inwerkingtreding van
de wetten heeft plaatsgevonden. Het
nieuwe invorderingsregime waarin de wet voorziet is namelijk ook van
toepassing als de onverschuldigde
betaling vóór de inwerkingtreding van de
wetten heeft plaatsgevonden, maar het terugvorderingsbesluit pas hierna wordt
genomen.
Het besluit is van
toepassing op de terugvordering van alle
onverschuldigde betalingen die in het kader
van de uitvoering van de AOW, de Anw en de AKW
hebben plaatsgevonden.
Niet van belang is of de
onverschuldigde betaling gebaseerd is geweest op een onjuiste beslissing of dat
anderszins een foutieve betaling heeft
plaatsgevonden (bijvoorbeeld de betaling
van een bedrag dat hoger is dan in
de beslissing is voorzien).
Het besluit heeft geen
betrekking op foutieve betalingen aan
willekeurige derden, bijvoorbeeld doordat
een uitkering op een foutieve rekening is
gestort. In deze gevallen geldt de
algemene regeling in het Burgerlijk
Wetboek inzake terugvordering van onverschuldigde betalingen.
3. Termijnen van aflossing
Als de Bank
een vordering
heeft op een belanghebbende ter zake van
een opgelegde boete of een terugvordering,
worden de termijnen voor voldoening
van de vordering als volgt
vastgesteld.
Voorstel van de
belanghebbende tot afbetaling binnen één jaar
De belanghebbende krijgt in
eerste instantie de gelegenheid om
een voorstel tot terugbetaling of
verrekening te doen. Doet hij een voorstel
dat leidt tot terugbetaling binnen één
jaar, dan kan de Bank zonder nader (inkomens)onderzoek een terugvorderingsbesluit nemen waarin de
betalingstermijnen conform het voorstel van de belanghebbende zijn
vastgesteld. Slechts in bijzondere gevallen zal
de Bank niet op een zodanig voorstel van
de belanghebbende ingaan. In dat geval stelt
de Bank de betalingstermijnen
vast volgens de regels van de artikelen 4
tot en met 7 [zie de artikelen 4 tot en met 8, red.].
De termijnstelling is in dat
geval met name afhankelijk van de
vraag of de vordering aan een gedraging
van de belanghebbende te wijten is
of niet.
Vordering gevolg van
gedraging belanghebbende of partner
Als de vordering het gevolg
is van een gedraging van de
belanghebbende of zijn partner, dient de
belanghebbende zijn volledige
aflossingscapaciteit te benutten om de vordering te
voldoen. Van verwijtbaarheid bij de
belanghebbende is sprake als een boete is opgelegd of aangifte is
gedaan of proces-verbaal opgemaakt van de
gedraging die de vordering tot gevolg
heeft gehad.
De vordering omvat zowel het
bedrag van de boete als het
teruggevorderde bedrag.
Uitgangspunt is dat de
vordering binnen twaalf maanden geheel moet
zijn voldaan.
Zal aanwending van de
volledige aflossingscapaciteit niet binnen twaalf maanden tot volledige
aflossing leiden, dan moet de belanghebbende
het resterende bedrag ineens betalen tot
ten hoogste de waarde in het
economisch verkeer van zijn vermogen.
Met vermogensbestanddelen met
een dagwaarde beneden ƒ2500,-
wordt geen rekening gehouden.
De belanghebbende moet het
bedrag ineens in principe betalen
binnen zes weken nadat de Bank het
besluit over de betalingstermijnen aan
hem heeft toegezonden. Als de belanghebbende echter voldoende zekerheid
stelt voor dit bedrag, kan hij de
betaling uitstellen. Op deze wijze wordt aan de
belanghebbende tijd gegund om het benodigde bedrag vrij te maken op een
manier die zo min mogelijk bezwarend
is, terwijl de Bank voldoende waarborgen
heeft dat de belanghebbende de
vordering ook daadwerkelijk zal voldoen.
De belanghebbende moet het
bedrag ineens uiterlijk binnen
twaalf maanden betalen.
Is de vordering op deze
wijze nog niet volledig voldaan, dan zal de
belanghebbende voor betaling van het
resterende gedeelte weer zijn volledige aflossingscapaciteit moeten
benutten. Na vijf jaar worden de
termijnen zodanig vastgesteld dat de
belanghebbende een besteedbaar inkomen ter hoogte van het volledige sociaal minimum
heeft.
Is de belanghebbende in
verband met de vrijlating van inkomen
niet in staat betalingen te verrichten,
dan wordt de invordering opgeschort tot
een later moment. Kwijtschelding vindt
niet plaats.
Vordering niet aan
belanghebbende of partner te wijten
Is een onverschuldigde
betaling niet te wijten aan een gedraging van
de belanghebbende of zijn
partner, dan dient hij in principe de
helft van zijn aflossingscapaciteit te
benutten om de vordering te voldoen.
Hiermee mag een termijn van uiterlijk zestig
maanden gemoeid zijn. Zou bij
betaling op basis van de halve
aflossingscapaciteit de volledige aflossing meer dan zestig
maanden in beslag nemen, dan worden
de termijnen op een hoger
bedrag gesteld, zodanig dat de vordering
binnen zestig maanden wordt betaald. De
termijnen worden ten hoogste zo
vastgesteld dat de belanghebbende zijn
volledige aflossingscapaciteit benut.
Zal de belanghebbende bij
aanwending van zijn volledige
aflossingscapaciteit de vordering niet binnen
uiterlijk zestig maanden kunnen voldoen, dan
moet hij het resterende bedrag ineens
betalen tot ten hoogste de waarde van
zijn vermogen in het economisch verkeer.
Met vermogensbestanddelen met
een dagwaarde beneden ƒ2500,- wordt
geen rekening gehouden.
De belanghebbende moet het
bedrag ineens in principe binnen
zes weken betalen nadat de Bank het
besluit over de betalingstermijnen aan
hem heeft toegezonden. Als de belanghebbende echter voldoende zekerheid
stelt voor dit bedrag, kan hij de
betaling uitstellen. Hierdoor heeft hij wat meer
tijd ter beschikking om het benodigde
bedrag vrij te maken op een manier
die zo min mogelijk bezwarend is. Hij
moet het bedrag echter uiterlijk
binnen zestig maanden betalen.
Slaagt hij er ook op die
manier niet in binnen zestig maanden
volledig te betalen, dan worden de termijnen
zodanig vastgesteld dat de
belanghebbende een besteedbaar inkomen ter
hoogte van het volledige sociaal minimum heeft. Is de belanghebbende in verband met de vrijlating van inkomen
niet in staat betalingen te verrichten,
dan wordt de invordering opgeschort tot
een later moment. Kwijtschelding vindt
niet plaats.
Snellere afbetaling op
verzoek van de belanghebbende
In principe zal de
belanghebbende zijn vermogen pas hoeven
aanspreken als hij er niet in slaagt de
vordering binnen twaalf dan wel zestig
maanden uit zijn periodieke inkomsten te
voldoen. Het kan echter voorkomen dat de
belanghebbende zelf liever zijn vermogen
wil aanspreken dan aan een
langdurige en bezwarende betalingsregeling
te moeten meewerken. In dat geval kan
de Bank op verzoek van de
belanghebbende afwijkende
betalingstermijnen vaststellen. Voorwaarde is wel dat deze
tot snellere aflossing leiden.
Afwijking in bijzondere
gevallen
De regeling geeft de
Bank de
bevoegdheid om in bijzondere gevallen af
te wijken van de hier
geformuleerde regels voor het stellen van
aflossingstermijnen. Deze afwijking kan zowel in het voordeel als in het
nadeel van de belanghebbende zijn. Bij een
afwijking in het voordeel van de
belanghebbende kan onder meer worden
gedacht aan de situatie waarin meerdere
schuldeisers in het geding zijn. Bestaande
schulden kunnen immers van invloed
zijn op de door de Bank vast te stellen
aflossingsregeling. Van een afwijking ten nadele van de belanghebbende kan
bijvoorbeeld sprake zijn als de
solvabiliteit van de belanghebbende op de
langere termijn aan ernstige twijfel
onderhevig is.
Belanghebbende geeft
onvoldoende inzicht in financiële
situatie
Zoals gesteld, gaat de
Bank bij de vaststelling van de termijnen uit van de gegevens die door de
belanghebbende zijn verstrekt. Weigert de
belanghebbende echter voldoende inzicht te
verstrekken in zijn financiële
situatie, dan is de vordering direct
opeisbaar. De Bank kan het besluit dan ten uitvoer leggen.
4. Wijze van betaling
Waar mogelijk zal de
Bank de
vordering innen door verrekening.
Verrekening kan mogelijk zijn op grond
van artikel 6:135 BW of, als de
schuldenaar niet tijdig betaalt, op grond van de artikelen 17i
AOW,
45
Anw
of 17g AKW.
5. Niet-tijdige betaling;
tenuitvoerlegging van het besluit
Onder punt 3 van deze
toelichting is beschreven hoe de Bank de
termijnen vaststelt waarbinnen de
belanghebbende de vordering moet voldoen.
Als de belanghebbende niet volgens deze termijnen betaalt, is de
volledige vordering terstond opeisbaar en zal de Bank het boetebesluit of
terugvorderingsbesluit ten uitvoer leggen. Over de
wijze van tenuitvoerlegging
bevatten de artikelen 17i AOW,
45
Anw
en 17g AKW
tamelijk gedetailleerde
regels. In dit besluit zijn nog enkele
aanvullende bepalingen opgenomen.
Blijkens de artikelen 17i, vijfde
lid, AOW, 45, vijfde lid,
Anw
en 17g, vijfde lid, AKW
heeft de Bank de vrije
keuze uit diverse manieren van
tenuitvoerlegging. In de eerste plaats kan de
Bank het besluit ten uitvoer leggen
door verrekening met een door de Bank verstrekte uitkering. Uitzondering
hierop is dat een boete of teruggevorderd
bedrag op grond van de AOW
niet mag
worden verrekend met kinderbijslag.
In de tweede plaats kan de
Bank aan een andere
uitvoeringsinstantie verzoeken een socialezekerheidsuitkering waarop de schuldenaar recht
heeft, aan de Bank over te maken.
Verder kan de Bank nog
gebruik maken van de voorzieningen
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (beslaglegging en executie)
om het boete- of terugvorderingbesluit ten uitvoer te leggen.
In het onderhavige besluit
maakt de Bank niet reeds op voorhand
een keuze voor een bepaalde volgorde
van manieren van tenuitvoerlegging. De
Bank beziet per geval welke wijze
van tenuitvoerlegging het meest effectief is. Een belangrijke factor hierbij
is de afweging van kosten en baten van de
verschillende mogelijkheden. De Bank zal voorts streven naar een zo
spoedig mogelijke voldoening van de
vordering. Behoudens het feit dat aan
betrokkenen 90% van het sociaal minimum
ter beschikking moet staan, moet
de vordering volledig zijn afgelost:
- in gevallen van boete of
aangifte: binnen twaalf maanden vanaf het
oorspronkelijke besluit over de betalingstermijnen;
- in andere gevallen:
binnen twaalf maanden na aanvang van de
tenuitvoerlegging.
Voor zover de Bank de
tenuitvoerlegging verricht door verrekening
met of (vereenvoudigd) beslag op
periodieke inkomsten zal zij steeds de
volledige aflossingscapaciteit van de
belanghebbende benutten. Daarbij is niet
van belang of er al of niet
sprake is van aan de vordering ten grondslag
liggend verwijtbaar gedrag. De belanghebbende heeft immers door niet
correct te betalen de tenuitvoerlegging zelf
over zich afgeroepen.
Voor zover de Bank zich
verhaalt op zaken van de belanghebbende
zal zij ook zaken met een dagwaarde
van minder dan ƒ2500,- uitwinnen.
Door van de belanghebbende niet te eisen dat hij deze zaken te gelde maakt
zolang hij correct betaalt, maar deze
zaken wel in de executie te betrekken als tenuitvoerlegging nodig is,
hoopt de Bank een correct betalingsgedrag te stimuleren.
Ook in de fase van
tenuitvoerlegging geldt dat de belanghebbende
na vijf jaar 100% van het sociaal
minimum ter vrije besteding krijgt.
De kosten van de
tenuitvoerlegging van een besluit drukken op de
belanghebbende. Zodra de belanghebbende een achterstallig bedrag niet
binnen de gestelde termijn heeft voldaan, is hij administratiekosten en
wettelijke rente verschuldigd. Wettelijke
rente en kosten komen dus enkel aan de orde in geval van toepassing van artikel 9
[zie artikel 11, red.] van het besluit.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1, onderdeel g
Zoals in het algemene
gedeelte van deze toelichting reeds werd
beschreven, zijn de termijnen die de SVB
vaststelt voor voldoening van de vordering
afhankelijk van de aflossingscapaciteit
van de schuldenaar. Deze
aflossingscapaciteit wordt vastgesteld met
analoge toepassing van de artikelen 17i,
achtste lid, AOW,
45, achtste lid, Anw
en 17g, achtste lid, AKW. In die
artikelen wordt aangesloten bij de
beslagvrije voet als bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel
1, onderdeel h
Deze bepaling bevat de
fictie dat zaken met een dagwaarde beneden ƒ2500,- niet tot het vermogen van de
schuldenaar behoren. Met deze zaken
houdt de Bank dan ook geen rekening
bij de vaststelling van het bedrag
ineens dat de schuldenaar moet betalen
als hij uit zijn periodieke inkomsten
zijn schuld niet binnen twaalf dan wel
zestig maanden kan voldoen (artikel 3,
derde lid; artikel 4, vierde lid;
artikel 9, derde lid
[zie artikel 11, derde lid, red.]). Overigens blijft de
Bank wel bevoegd zich bij
wanbetaling ook op zaken met een dagwaarde
beneden ƒ2500,- te verhalen (artikel 9, vierde lid
[zie artikel 11, vierde lid, red.]).
Artikel 2
Artikel XVI van de
Wet boeten, maatregelen, terug- en
invordering sociale zekerheid regelt het
toepasselijke recht in gevallen waarin het
terugvorderingsbesluit is genomen vóór de
inwerkingtreding van deze wet en in gevallen waarin de onverschuldigde betaling
geheel of gedeeltelijk vóór
deze datum heeft plaatsgevonden, maar
het terugvorderingsbesluit op of na deze datum is genomen. In het eerste
geval blijft het recht van toepassing
zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van
de wet. Dat geldt zowel voor de
bevoegdheid tot terugvordering als voor
de invordering. In het tweede geval wordt
enkel de bevoegdheid tot
terugvordering en verrekening bepaald aan de hand van het oude recht. Kennelijk
gelden voor het overige de bepalingen
van de Wet boeten, maatregelen, terug- en
invordering sociale zekerheid. In het
onderhavige besluit zijn geen bepalingen
opgenomen die afwijken van de regels inzake de bevoegdheid tot terugvordering
die golden vóór de
inwerkingtreding van de wet. Het besluit is daarom volledig van
toepassing op terugvorderingsbesluiten die
geheel of gedeeltelijk handelen over
uitkeringen die vóór de inwerkingtreding
van de wet onverschuldigd zijn
betaald.
Artikelen 3 tot en met 6
Voor een toelichting op deze
artikelen wordt verwezen naar punt 3
van deze toelichting.
Artikel
7. [Zie
art. 8]
De schuldenaar is op grond
van de artikelen 17c, vierde lid,
en 24, vierde lid, AOW, de
artikelen 39,
vierde lid, en 53, vierde lid, Anw
en de
artikelen 17a, vierde lid, en 24,
vierde lid, AKW
verplicht op verzoek aan de Bank inlichtingen te verstrekken
die voor de tenuitvoerlegging van het
boetebesluit en voor de terugvordering
van belang zijn. Laat hij dit na, dan
wordt de vordering direct opeisbaar. De Bank
kan het besluit dan ten uitvoer leggen.
Artikel
8. [Zie
art. 10]
In
geval van gewijzigde
omstandigheden kan de Bank een
overeengekomen of opgelegde
terugbetalingsregeling herzien. De Bank is hiertoe verplicht
wanneer de belanghebbende bij
handhaving van de bestaande
terugbetalingsregeling een inkomen beneden de
beslagvrije voet zou overhouden. Als de belanghebbende gemotiveerd verzoekt
om herziening, onderzoekt de
Bank of hiervoor termen aanwezig
zijn. Dit laat onverlet de bevoegdheid van
de Bank om spontaan een heronderzoek
bij de belanghebbende in te stellen
naar eventuele wijzigingen in diens
financiële situatie en op basis van de
resultaten daarvan de betalingsregeling
te herzien. Herziening van de betalingsregeling kan zowel in het voordeel als in
het nadeel van de belanghebbende zijn.
Verbetering van de inkomenssituatie kan
leiden tot de verplichting tot
snellere aflossing; bij verslechtering van de inkomenssituatie kan de
terugbetaling worden vertraagd.
Artikel
9. [Zie
art. 11]
Hiervoor wordt verwezen naar
punt 5 van deze toelichting.
Artikel
10. [Zie
art. 12]
Op grond van de artikelen
17i, zesde lid AOW,
45, zesde lid, Anw
en 17g, zesde lid, AKW
wordt de vordering
verhoogd met de wettelijke rente en
de op de invordering betrekking hebbende kosten. Zodra de Bank
tot
tenuitvoerlegging van het besluit overgaat, is
de belanghebbende wettelijke
rente en kosten van invordering
verschuldigd. Kosten van invordering
kunnen worden onderscheiden in kosten voor werkzaamheden verricht door
de Bank en kosten die de Bank moet
maken voor de betekening van de beschikking en de executie door de deurwaarder. De kosten voor de
werkzaamheden van de Bank worden gesteld op
15% van de resterende vordering met een
minimum van ƒ100,- en een maximum
van ƒ1500,-. Bij deze kosten
moet worden gedacht aan extra administratiekosten, kosten voor extra onderzoek
naar inkomen en vermogen en de werkzaamheden voor het leggen van
vereenvoudigd derdenbeslag. Als de
vordering niet kan worden geïnd door het
leggen van vereenvoudigd derdenbeslag,
zal de Bank een deurwaarder moeten
inschakelen voor de betekening en het
leggen van beslag. Het Deurwaardersreglement, dat is gebaseerd op de
artikelen 53 tot en met 55 van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken, regelt welke bedragen aan de
deurwaarder zijn verschuldigd voor deze ambtshandelingen. Deze
bedragen komen eveneens voor rekening
van de schuldenaar.
Artikel
11. [Zie
art. 13]
In dit artikel wordt de
toerekening van betalingen geregeld. Een
betaling die aan meerdere vorderingen zou
kunnen worden toegerekend, wordt,
tenzij de schuldenaar een andere
toerekening aanwijst, eerst toegerekend
aan boeten, in volgorde van ouderdom, en
dan aan terugvorderingen, eveneens
in volgorde van ouderdom. Per boete, dan
wel per terugvordering, wordt de
betaling eerst toegerekend aan de kosten van invordering, dan aan de verschuldigde
wettelijke rente en dan aan de
hoofdsom.
Amstelveen, 28 juni 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.
|
|