St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

             

 
vorige

Algemene Ouderdomswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

CONTROLEVOORSCHRIFTEN  AOW
 
 

26 januari 1996, Stcrt. 1996, 141
Inwerkingtreding: 1 augustus 1996
(T.a.v. art. 15:1 AOW)

 

  
•
•
•
•
 

 

 
     Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank;
     Gelet op artikel 15, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

     Besluit:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de AOW: de Algemene Ouderdomswet;
b. de Bank: de Sociale Verzekeringsbank;
c. ouderdomspensioen: ouderdomspensioen of toeslag ingevolge hoofdstuk III van de AOW;
d. de pensioengerechtigde: degene aan wie ouderdomspensioen is toegekend;
e. de partner: degene die op grond van artikel 1, tweede en derde lid, AOW als echtgenoot van de pensioengerechtigde wordt beschouwd.

 

Art. 2.
-1. Dit besluit is van toepassing op:
a. de pensioengerechtigde;
b. de partner van de pensioengerechtigde;
c. de wettelijke vertegenwoordiger van de pensioengerechtigde;
d. de instelling waaraan ingevolge artikel 20 AOW ouderdomspensioen wordt uitbetaald.
-2. Dit besluit is ook van toepassing als de in het eerste lid bedoelde personen in het buitenland wonen en als de in het eerste lid bedoelde instelling in het buitenland is gevestigd.

 

 

HOOFDSTUK  2

Verplichtingen

 

Art. 3.
-1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon of instelling stelt de Bank onverwijld in kennis van een wijziging in het adres van de pensioengerechtigde of diens partner.
-2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, kan bij een verhuizing in Nederland achterwege blijven indien de wijziging in het adres aan de gemeente is gemeld binnen de in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens gestelde termijn.

 

Art. 4.
-1. Op verzoek van de Bank verstrekt de in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon of instelling binnen de door de Bank gestelde termijn en met gebruikmaking van de door de Bank ter beschikking gestelde formulieren informatie welke van belang kan zijn voor het recht op, de hoogte van of de uitbetaling van het pensioen.
-2. Op verzoek van de Bank legt de in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon of instelling binnen de door de Bank gestelde termijn over:
a. een naar waarheid en volledig ingevuld, ondertekend formulier inzake het inkomen van de partner van de pensioengerechtigde, met betrekking tot perioden waarin die partner jonger is dan 65 jaar;
b. bewijsstukken van het inkomen van die partner;
c. bewijsstukken met betrekking tot het al dan niet voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner;
d. andere door de Bank gevraagde.Ή

1. Volgens de redactie dient na "gevraagde" te worden ingevoegd: informatie.

 

Art. 5.
-1. Op verzoek van de Bank geeft de in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon of instelling op een door de Bank vastgesteld tijdstip aan de Bank boeken, documenten en andere informatiedragers ter inzage en stelt deze voor het maken van een kopie ter beschikking.
-2. Op verzoek van de Bank verstrekt de in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon of instelling aan de Bank terstond een geldig identificatiebewijs, zoals bedoeld in de Wet op de identificatieplicht, ter inzage en stelt dit voor het maken van een kopie ter beschikking.
-3. Woont de pensioengerechtigde of diens partner in het buitenland, dan legt de in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon of instelling op verzoek van de Bank op door de Bank vast te stellen tijdstippen een door een bevoegde autoriteit gewaarmerkt levensbewijs van degene die buiten Nederland woont over.

 

Art. 6.
-1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon verschijnt, indien hij in Nederland woont, na een oproep van de Bank op het kantoor van de Bank en verstrekt de gevraagde gegevens.
-2. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon verschijnt, indien hij buiten Nederland woont, na een oproep van de Bank op een door de Bank te bepalen kantoor en verstrekt de gevraagde gegevens.

 

Art. 7.
De in artikel 2, eerste lid, bedoelde persoon of instelling maakt controle mogelijk door personen die daarmee door de Bank zijn belast.

 

 

HOOFDSTUK  3

Slotbepalingen

 

Art. 8.
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid in werking treedt, doch niet eerder dan twee dagen na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Art. 9.
Dit besluit wordt aangehaald als: Controlevoorschriften AOW.

 

 

     Deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst.

 

Amstelveen, 26 januari 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.

 

 

 

TOELICHTING
[26 januari 1996]

 

Algemene  toelichting

 

1. Inleiding


     Met ingang van 1 april 1996 [1 augustus 1996, red.] is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid getreden. Deze wet verleent aan de Bank de bevoegdheid controlevoorschriften AOW vast te stellen. De controlevoorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van de AOW. De bevoegdheid tot het stellen van controlevoorschriften is geopend in artikel 15, eerste lid, AOW.
     Dit besluit bevat de in artikel 15 AOW bedoelde controlevoorschriften. De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, zijn wettelijke vertegenwoordiger en de instelling waaraan ingevolge artikel 20 AOW ouderdomspensioen wordt betaald, zijn op grond van artikel 15, tweede lid, AOW verplicht deze voorschriften op te volgen.
     Als de verplichtingen die in de controlevoorschriften worden opgelegd niet of niet behoorlijk worden nagekomen, is de Bank verplicht het ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren (artikel 17b, eerste lid, AOW). Nadere regelen dienaangaande zijn neergelegd in het Maatregelbesluit AOW.

 

2. Verhouding tussen controlevoorschriften en mededelingsplicht


     De Bank kan slechts correcte uitkeringen toekennen en uitbetalen als zij beschikt over de juiste en volledige gegevens. Om dit te bereiken, verplicht artikel 49 AOW de pensioengerechtigde, zijn partner en de wettelijke vertegenwoordiger van de pensioengerechtigde of de instelling waaraan het ouderdomspensioen wordt uitbetaald, de Bank onverwijld spontaan, dan wel op verzoek, mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt uitbetaald. De mededelingsverplichting van artikel 49 AOW is nader uitgewerkt in het Boetebesluit AOW [zie Boetebesluit socialezekerheidswetten, red.].
     Daarnaast heeft de Bank in artikel 15, eerste lid, AOW de bevoegdheid gekregen om controlevoorschriften vast te stellen. In deze voorschriften is vastgelegd op welke manieren de pensioengerechtigde, zijn partner, zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan het ouderdomspensioen op grond van artikel 20 AOW wordt uitbetaald, moet meewerken aan algemene of op het individuele geval gerichte controles door de Bank. Deze verplichting bestaat ongeacht het antwoord op de vraag of er een wijziging in de omstandigheden heeft plaatsgevonden die van invloed kan zijn op pensioen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het tijdig beantwoorden van vragen van de Bank, het verstrekken van bewijsmateriaal en het ter inzage geven van documenten.

 

3. Sancties bij het niet nakomen van een verplichting


     Als de belanghebbende niet aan de mededelingsplicht van artikel 49 AOW voldoet, legt de Bank hem een boete op. Een boete komt met name aan de orde als de mededelingsplichtige onjuiste of onvolledige gegevens aan de Bank verstrekt, van belang zijnde feiten of omstandigheden niet of niet tijdig meldt, vragen van de Bank niet beantwoordt of misleidend bewijsmateriaal verschaft.
     Een maatregel wordt opgelegd wanneer de betrokkene de Controlevoorschriften AOW heeft overtreden. Dit is onder meer het geval als hij niet binnen de door de Bank gestelde termijn een formulier invult en terugstuurt. Van overtreding is bijvoorbeeld ook sprake als de betrokkene weigert inzage te verlenen in bescheiden waarom de Bank heeft gevraagd of als hij niet binnen de door de Bank gestelde termijn bewijsstukken inzendt.
     Een maatregel wordt bij overtreding van de Controlevoorschriften AOW slechts opgelegd als niet tevens de mededelingsplicht van artikel 49 AOW is geschonden. Is dit wel het geval, dan wordt een boete opgelegd. Het opleggen van een maatregel blijft dan op grond van artikel 17b, vierde lid, achterwege.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1

     In dit artikel wordt een omschrijving gegeven van een aantal begrippen die in de voorschriften worden gebruikt. Onder "partner" wordt verstaan degene die op grond van artikel 1 AOW als echtgenoot van de pensioengerechtigde wordt beschouwd. Dit is de wettige echtgenoot van de pensioengerechtigde die niet duurzaam gescheiden leeft van de pensioengerechtigde, alsmede degene die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met de pensioengerechtigde en geen bloedverwant in de eerste graad van de pensioengerechtigde is.

 

Artikel 2

     De pensioengerechtigde en de partner moeten beiden aan de Controlevoorschriften AOW voldoen. Zij zijn er bijvoorbeeld beiden voor verantwoordelijk dat een formulier in het kader van het jaarlijkse inkomensonderzoek volledig en juist wordt ingevuld en tijdig wordt geretourneerd. Is de pensioengerechtigde handelingsonbekwaam, dan berust deze verplichting op zijn wettelijke vertegenwoordiger.
     Als het pensioen zonder machtiging van de pensioengerechtigde aan een instelling wordt uitbetaald, is naast de wettelijke vertegenwoordiger ook die instelling verplicht om aan de voorschriften te voldoen.

 

Artikel 3

     Het is voor de Bank van belang tijdig op de hoogte te zijn van een wijziging in het adres van de pensioengerechtigde of de partner. De Bank moet immers gericht kunnen corresponderen en controleren.
     Als het sociaal-fiscaal nummer van de pensioengerechtigde of de partner wijzigt, moet dit aan de Bank worden meegedeeld. Als de Bank niet van de wijziging op de hoogte zou worden gesteld, zou dit een efficiλnte controle bij andere instanties, zoals de rijksbelastingdienst of de bedrijfsverenigingen [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en uitvoeringsinstellingen, red.], verhinderen.

 

Artikelen 4 en 5

     In een aantal gevallen neemt de Bank initiatieven om de juistheid van verstrekte gegevens vast te stellen. Zo kan de Bank na een melding van een wijziging door de belanghebbende om nadere bewijsstukken vragen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een wijziging van het inkomen wordt doorgegeven of als de pensioengerechtigde mededeelt dat hij is gaan samenwonen. Ook kan de Bank uit eigen beweging om gegevens of bewijsstukken verzoeken, bijvoorbeeld in het kader van een herhalingsonderzoek.
     Als de Bank om bewijsstukken vraagt, moet aan dit verzoek worden voldaan. In principe moeten originele bewijsstukken worden overgelegd. Bewijsstukken die de Bank van belang acht, zijn onder meer: identificatiebewijs, loonstrook, belastingaangifte en -aanslag, jaaropgave, levensbewijs en samenlevingscontract.
     Als geldig identificatiebewijs zijn onder meer aangewezen:
- voor Nederlanders: het paspoort en de Europese identiteitskaart;
- voor niet-Nederlanders: het verblijfsdocument van de vreemdelingendienst.
Een rijbewijs is geen geldig identificatiebewijs.
     Op het verzoek van de Bank om een levensbewijs op te sturen, staat vermeld welke autoriteit het bewijs mag waarmerken.

 

Artikel 6

     De personen op wie dit besluit van toepassing is, zijn verplicht na een oproep te verschijnen op het kantoor van de Bank.
     Buiten Nederland wonenden kunnen een oproep krijgen om op het kantoor te verschijnen van bijvoorbeeld een instelling die in het woonland de wettelijke ouderdomsverzekering uitvoert, of van de Nederlandse Ambassade.

 

Artikel 7

     De Bank kent zogenaamde buitendienstmedewerkers. De buitendienstmedewerker is belast met onder andere controlewerkzaamheden. Deze medewerker moet de persoon of instelling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit ten behoeve van een doelmatige controle kunnen bereiken. De persoon of instelling moet al het redelijkerwijs mogelijke doen om bereikbaar te zijn voor de buitendienstmedewerker.
     Buiten Nederland wonenden kunnen bezocht worden door een persoon die daar door of namens de Bank mee is belast. Dit kan bijvoorbeeld een medewerker van een zusterorgaan van de Bank zijn.

 

Amstelveen, 26 januari 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x