|
Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank;
Gelet op artikel 15, eerste
lid, van de Algemene Ouderdomswet;
Besluit:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. de AOW: de Algemene
Ouderdomswet;
b. de Bank: de Sociale
Verzekeringsbank;
c. ouderdomspensioen:
ouderdomspensioen of toeslag ingevolge hoofdstuk III van de AOW;
d. de pensioengerechtigde:
degene aan wie ouderdomspensioen is
toegekend;
e. de partner: degene die op
grond van artikel 1, tweede en derde
lid, AOW als echtgenoot van de
pensioengerechtigde wordt beschouwd.
Art. 2.
-1. Dit besluit is van
toepassing op:
a. de pensioengerechtigde;
b. de partner van de
pensioengerechtigde;
c. de wettelijke
vertegenwoordiger van de pensioengerechtigde;
d. de instelling waaraan
ingevolge artikel 20 AOW ouderdomspensioen
wordt uitbetaald.
-2. Dit besluit is ook van
toepassing als de in het eerste lid
bedoelde personen in het buitenland wonen en
als de in het eerste lid bedoelde
instelling in het buitenland is gevestigd.
HOOFDSTUK
2
Verplichtingen
Art. 3.
-1. De in artikel 2, eerste
lid, bedoelde persoon of instelling stelt
de Bank onverwijld in kennis van een
wijziging in het adres van de
pensioengerechtigde of diens partner.
-2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste
lid, kan bij een verhuizing in Nederland achterwege blijven indien de
wijziging in het adres aan de gemeente is gemeld
binnen de in de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens gestelde termijn.
Art. 4.
-1. Op verzoek van de Bank
verstrekt de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde persoon of instelling binnen de door de Bank gestelde termijn
en met gebruikmaking van de door de Bank ter beschikking gestelde
formulieren informatie welke van belang kan zijn voor het recht op, de
hoogte van of de uitbetaling van het pensioen.
-2. Op verzoek van de Bank legt de in artikel
2, eerste lid, bedoelde
persoon of instelling binnen de door de Bank gestelde termijn over:
a. een naar waarheid en volledig ingevuld, ondertekend formulier inzake
het inkomen van de partner van de pensioengerechtigde, met betrekking
tot perioden waarin die partner jonger is dan 65 jaar;
b. bewijsstukken van het inkomen van die partner;
c. bewijsstukken met betrekking tot het al dan niet voeren van een
gezamenlijke huishouding met een partner;
d. andere door de Bank gevraagde.Ή
1. Volgens de redactie
dient na "gevraagde" te worden ingevoegd: informatie.
Art. 5.
-1. Op verzoek van de Bank
geeft de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde persoon of instelling op een door de
Bank vastgesteld tijdstip aan de Bank boeken, documenten en andere informatiedragers
ter inzage en stelt deze
voor het maken van een kopie ter beschikking.
-2. Op verzoek van de Bank
verstrekt de in artikel 2, eerste lid,
bedoelde persoon of instelling aan de Bank
terstond een geldig identificatiebewijs,
zoals bedoeld in de Wet
op de identificatieplicht, ter inzage en stelt dit voor het maken van een
kopie ter beschikking.
-3. Woont de
pensioengerechtigde of diens partner in het
buitenland, dan legt de in artikel 2, eerste
lid, bedoelde persoon of instelling op
verzoek van de Bank op door de Bank vast te
stellen tijdstippen een door een
bevoegde autoriteit gewaarmerkt levensbewijs van degene die buiten Nederland
woont over.
Art. 6.
-1. De in artikel 2, eerste
lid, bedoelde persoon verschijnt, indien
hij in Nederland woont, na een oproep van de Bank
op het kantoor van de
Bank en verstrekt de gevraagde gegevens.
-2. De in artikel 2, eerste
lid, bedoelde persoon verschijnt, indien
hij buiten Nederland woont, na een
oproep van de Bank op een door de Bank
te bepalen kantoor en verstrekt de
gevraagde gegevens.
Art. 7.
De in artikel 2, eerste lid,
bedoelde persoon of instelling maakt controle
mogelijk door personen die daarmee
door de Bank zijn belast.
HOOFDSTUK
3
Slotbepalingen
Art. 8.
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid in werking
treedt, doch niet eerder dan twee dagen na de dagtekening van de
Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Art. 9.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Controlevoorschriften AOW.
Deze regeling wordt in de
Staatscourant geplaatst.
Amstelveen, 26 januari 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.
TOELICHTING
[26 januari 1996]
Algemene
toelichting
1. Inleiding
Met ingang van 1 april 1996
[1 augustus 1996, red.] is de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid getreden. Deze wet verleent
aan de Bank
de bevoegdheid controlevoorschriften AOW vast te stellen. De
controlevoorschriften mogen
niet verder gaan dan strikt noodzakelijk
is voor een juiste uitvoering
van de AOW. De bevoegdheid tot het
stellen van controlevoorschriften is
geopend in artikel 15, eerste lid, AOW.
Dit besluit bevat de in
artikel 15 AOW bedoelde
controlevoorschriften. De pensioengerechtigde, zijn
echtgenoot, zijn wettelijke
vertegenwoordiger en de instelling waaraan ingevolge
artikel 20 AOW ouderdomspensioen wordt betaald, zijn op grond van
artikel 15,
tweede lid, AOW verplicht
deze voorschriften op te volgen.
Als de verplichtingen die in
de controlevoorschriften worden opgelegd niet of niet behoorlijk worden
nagekomen, is de Bank verplicht het
ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk,
tijdelijk of blijvend te weigeren (artikel 17b, eerste lid, AOW). Nadere regelen dienaangaande zijn neergelegd in het
Maatregelbesluit AOW.
2. Verhouding tussen
controlevoorschriften en mededelingsplicht
De Bank
kan slechts correcte
uitkeringen toekennen en uitbetalen als
zij beschikt over de juiste en
volledige gegevens. Om dit te bereiken,
verplicht artikel 49 AOW de pensioengerechtigde, zijn partner en de
wettelijke vertegenwoordiger van de pensioengerechtigde of de
instelling waaraan het
ouderdomspensioen wordt uitbetaald, de Bank
onverwijld spontaan, dan wel op verzoek,
mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn
op het recht op of de hoogte
van de uitkering of op het bedrag van de
uitkering dat wordt uitbetaald. De mededelingsverplichting van artikel 49
AOW is
nader uitgewerkt in het
Boetebesluit AOW [zie Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.].
Daarnaast heeft de Bank in
artikel 15, eerste lid, AOW de
bevoegdheid gekregen om controlevoorschriften
vast te stellen. In deze
voorschriften is vastgelegd op welke manieren de
pensioengerechtigde, zijn partner, zijn
wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan het
ouderdomspensioen op grond van artikel 20 AOW wordt uitbetaald, moet meewerken
aan algemene of op het individuele geval gerichte controles door de
Bank. Deze verplichting bestaat
ongeacht het antwoord op de vraag of er een wijziging in de omstandigheden heeft
plaatsgevonden die van invloed kan zijn op pensioen. Het gaat daarbij
bijvoorbeeld om het tijdig beantwoorden
van vragen van de Bank, het verstrekken
van bewijsmateriaal en het ter
inzage geven van documenten.
3. Sancties bij het niet
nakomen van een verplichting
Als de belanghebbende niet
aan de mededelingsplicht van
artikel 49 AOW voldoet, legt de Bank
hem
een boete op. Een boete komt met name
aan de orde als de mededelingsplichtige onjuiste of onvolledige
gegevens aan de Bank verstrekt, van belang
zijnde feiten of omstandigheden niet of
niet tijdig meldt, vragen van de Bank
niet beantwoordt of misleidend
bewijsmateriaal verschaft.
Een maatregel wordt opgelegd
wanneer de betrokkene de Controlevoorschriften AOW heeft overtreden. Dit is
onder meer het geval als hij niet
binnen de door de Bank gestelde
termijn een formulier invult en terugstuurt. Van
overtreding is bijvoorbeeld ook sprake
als de betrokkene weigert inzage
te verlenen in bescheiden waarom de Bank heeft gevraagd of als hij
niet binnen de door de Bank gestelde
termijn bewijsstukken inzendt.
Een maatregel wordt bij
overtreding van de Controlevoorschriften AOW slechts opgelegd als niet tevens de
mededelingsplicht van artikel 49 AOW is geschonden. Is dit wel het
geval, dan wordt een boete opgelegd.
Het opleggen van een maatregel blijft dan
op grond van artikel 17b, vierde lid, achterwege.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
In dit artikel wordt een
omschrijving gegeven van een aantal
begrippen die in de voorschriften worden
gebruikt. Onder "partner" wordt
verstaan degene die op grond van artikel 1 AOW als echtgenoot van de
pensioengerechtigde wordt beschouwd. Dit is de wettige echtgenoot van de
pensioengerechtigde die niet duurzaam gescheiden
leeft van de pensioengerechtigde,
alsmede degene die duurzaam een
gezamenlijke huishouding voert met de
pensioengerechtigde en geen bloedverwant in de eerste graad van de pensioengerechtigde
is.
Artikel 2
De pensioengerechtigde en de
partner moeten beiden aan de Controlevoorschriften AOW voldoen. Zij zijn er
bijvoorbeeld beiden voor verantwoordelijk
dat een formulier in het kader
van het jaarlijkse inkomensonderzoek volledig
en juist wordt ingevuld en
tijdig wordt geretourneerd. Is de
pensioengerechtigde handelingsonbekwaam, dan berust deze verplichting op
zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Als het pensioen zonder
machtiging van de pensioengerechtigde
aan een instelling wordt uitbetaald,
is naast de wettelijke vertegenwoordiger
ook die instelling verplicht om aan
de voorschriften te voldoen.
Artikel 3
Het is voor de
Bank
van
belang tijdig op de hoogte te zijn van een
wijziging in het adres van de
pensioengerechtigde of de partner. De Bank moet
immers gericht kunnen corresponderen en controleren.
Als het sociaal-fiscaal
nummer van de pensioengerechtigde of de
partner wijzigt, moet dit aan de Bank worden meegedeeld. Als de Bank niet
van de wijziging op de hoogte zou worden gesteld, zou dit een efficiλnte controle bij andere instanties, zoals
de rijksbelastingdienst of de
bedrijfsverenigingen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) en uitvoeringsinstellingen,
red.], verhinderen.
Artikelen 4 en
5
In een aantal gevallen neemt
de Bank
initiatieven om de juistheid
van verstrekte gegevens vast te stellen. Zo
kan de Bank na een melding van
een wijziging door de belanghebbende om nadere bewijsstukken vragen.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn
als een wijziging van het inkomen wordt doorgegeven of als de
pensioengerechtigde mededeelt dat hij is gaan
samenwonen. Ook kan de Bank uit eigen
beweging om gegevens of bewijsstukken
verzoeken, bijvoorbeeld in het kader
van een herhalingsonderzoek.
Als de Bank om bewijsstukken
vraagt, moet aan dit verzoek worden
voldaan. In principe moeten originele
bewijsstukken worden overgelegd.
Bewijsstukken die de Bank van belang acht,
zijn onder meer: identificatiebewijs,
loonstrook, belastingaangifte en -aanslag, jaaropgave, levensbewijs en
samenlevingscontract.
Als geldig
identificatiebewijs zijn onder meer aangewezen:
- voor Nederlanders: het
paspoort en de Europese
identiteitskaart;
- voor niet-Nederlanders:
het verblijfsdocument van de vreemdelingendienst.
Een rijbewijs is geen geldig
identificatiebewijs.
Op het verzoek van de Bank
om een levensbewijs op te sturen,
staat vermeld welke autoriteit het bewijs
mag waarmerken.
Artikel 6
De personen op wie dit
besluit van toepassing is, zijn verplicht na een
oproep te verschijnen op het
kantoor van de Bank.
Buiten Nederland wonenden
kunnen een oproep krijgen om op het
kantoor te verschijnen van
bijvoorbeeld een instelling die in het
woonland de wettelijke ouderdomsverzekering uitvoert, of van de Nederlandse
Ambassade.
Artikel 7
De Bank
kent zogenaamde
buitendienstmedewerkers. De buitendienstmedewerker is belast met onder andere
controlewerkzaamheden. Deze medewerker moet de persoon of instelling als bedoeld in
artikel 2,
eerste lid, van dit besluit ten behoeve
van een doelmatige controle kunnen
bereiken. De persoon of instelling
moet al het redelijkerwijs mogelijke
doen om bereikbaar te zijn voor de
buitendienstmedewerker.
Buiten Nederland wonenden
kunnen bezocht worden door een
persoon die daar door of namens de Bank
mee is belast. Dit kan bijvoorbeeld
een medewerker van een zusterorgaan van de Bank zijn.
Amstelveen, 26 januari 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.
|