|
Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank;
Gelet op artikel 17b, vijfde
lid, van de Algemene Ouderdomswet;
Besluit:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. de AOW: de Algemene
Ouderdomswet;
b. de Bank: de Sociale
Verzekeringsbank;
c. ouderdomspensioen:
ouderdomspensioen of toeslag ingevolge hoofdstuk III van de AOW;
d. de pensioengerechtigde:
degene aan wie ouderdomspensioen is
toegekend;
e. de partner: degene die op
grond van artikel 1, tweede en derde
lid, AOW als echtgenoot van de
pensioengerechtigde wordt beschouwd.
Art. 2.
-1. Dit besluit is van
toepassing op:
a. de pensioengerechtigde;
b. de partner van de
pensioengerechtigde;
c. de wettelijke
vertegenwoordiger van de pensioengerechtigde.
-2. Dit besluit is ook van
toepassing als de in het eerste lid
bedoelde personen in het buitenland wonen.
HOOFDSTUK
2
Maatregelen
Art. 3.
-1. Indien degene op wie dit
besluit van toepassing is de verplichting om op verzoek informatie te verstrekken als bedoeld in
artikel 49 AOW niet binnen de door de
Bank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen of
een verplichting, genoemd in de artikelen 3 tot en met 7 van de
Controlevoorschriften AOW, niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt
het ouderdomspensioen tijdelijk gedeeltelijk geweigerd.
-2. De weigering, bedoeld in
het eerste lid, vindt plaats door een bedrag dat met inachtneming van artikel
4 dan wel artikel 6
is vastgesteld, in mindering te brengen op de eerstvolgende uit te betalen
termijn of termijnen van het
ouderdomspensioen.
-3. In afwijking van het
eerste lid vindt geen weigering plaats maar wordt een schriftelijke
waarschuwing gegeven indien het niet tijdig nakomen van de verplichting
om op verzoek informatie te verstrekken als bedoeld in artikel 49 AOW
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van ouderdomspensioen, tenzij:
a. door de Bank ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting
reeds een schorsingsbeslissing is genomen; of
b. het niet nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop aan de
mededelingsplichtige reeds eerder een zodanige waarschuwing is gegeven.
Art. 4.
-1. Bij het na een
schriftelijk rappel of een schriftelijke
waarschuwing niet binnen twee weken, dan wel op een
door de Bank nader vast te
stellen tijdstip, nakomen van een verplichting
als bedoeld in de artikelen 4
tot en met 7 van de
Controlevoorschriften AOW wordt een bedrag van €|22,00
in mindering gebracht op het
ouderdomspensioen.
-2. Bij het niet nakomen van
een verplichting als bedoeld in artikel 3 van
de
Controlevoorschriften AOW wordt een bedrag van €|22,00
in mindering gebracht op het ouderdomspensioen.
-3. Indien binnen één
kalendermaand twee of meer verplichtingen,
genoemd in de artikelen 3 tot en met
7 van de
Controlevoorschriften AOW,
niet worden nagekomen, wordt eenmaal het
in het eerste lid genoemde
bedrag op het ouderdomspensioen in mindering gebracht.
-4. Indien binnen twee jaren
na de dag waarop een weigering als
gevolg van het niet nakomen van één
of meer verplichtingen is
bekendgemaakt, opnieuw één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt een
bedrag van €|34,00
in mindering gebracht op het ouderdomspensioen.
Art. 5.
Indien ten genoegen van de Bank aannemelijk wordt gemaakt dat het niet nakomen van een verplichting
zoals opgelegd in de
Controlevoorschriften AOW niet kan worden verweten
aan degene aan wie de
verplichting is opgelegd, worden de artikelen 3 en 4 niet toegepast.
Art. 6.
Indien ten genoegen van de Bank aannemelijk wordt gemaakt dat het niet nakomen van een verplichting
zoals opgelegd in de
Controlevoorschriften AOW aan degene aan wie de
verplichting is opgelegd in verminderde
mate kan worden verweten, wordt
het bedrag dat is vastgesteld met
toepassing van artikel 4 gehalveerd.
HOOFDSTUK
3
Slotbepalingen
Art. 7.
Dit besluit treedt in
werking op de dag waarop de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid in werking treedt, doch niet eerder dan
met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin het wordt geplaatst.
Art. 8.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Maatregelbesluit AOW.
Deze regeling wordt in de
Staatscourant geplaatst.
Amstelveen, 26 januari 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.
TOELICHTING
[26 januari 1996]
Algemene
toelichting
1. Inleiding
Met ingang van 1 april 1996
[1 augustus 1995, red.] is de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid in werking getreden. Deze wet verplicht
de Bank
ertoe bij overtreding van
de
Controlevoorschriften AOW of bij het niet binnen de door de Bank gestelde
termijn voldoen aan een verzoek om
informatie, het ouderdomspensioen geheel
of gedeeltelijk, tijdelijk of
blijvend te weigeren. In artikel 17b, vijfde lid [zesde lid, red.],
van de AOW is bepaald dat de Bank
nadere regels stelt met betrekking
tot de weigering. Deze regels zijn in dit
besluit vastgelegd.
De verplichting om het
ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk,
tijdelijk of blijvend te weigeren is
opgenomen in artikel 17b, eerste lid, AOW. Zij geldt bij overtreding van de
Controlevoorschriften AOW, bij het niet binnen de
door de Bank gestelde
termijn verstrekken van inlichtingen op verzoek
van de Bank en wanneer de
verplichting tot overlegging van een geldig
identificatiebewijs niet wordt nagekomen. Deze laatste verplichting is
behalve in de Controlevoorschriften AOW
ook neergelegd in artikel 91, vierde lid,
van de Organisatiewet sociale verzekeringen.
In de citeertitel van het
besluit en in deze toelichting gebruikt de
Bank de term "een maatregel
opleggen" in plaats van "het weigeren van een
uitkering". Hiermee wordt aangesloten
bij de terminologie in de memorie van toelichting bij de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid.
2. Verhouding tussen
maatregelen en boetes
De Bank
kan slechts correcte
uitkeringen toekennen en uitbetalen als
zij beschikt over de juiste en
volledige gegevens. Om dit te bereiken,
verplicht artikel 49 AOW de pensioengerechtigde, zijn partner en de
wettelijke vertegenwoordiger van de pensioengerechtigde of de instelling waaraan het
ouderdomspensioen wordt
uitbetaald, de Bank onverwijld, spontaan
of op verzoek mededeling te doen
van alle feiten en omstandigheden die
van invloed kunnen zijn op het
recht op of de hoogte van de uitkering
of op het bedrag van de uitkering dat
wordt uitbetaald.
Daarnaast heeft de Bank in
artikel 15, eerste lid, AOW de
bevoegdheid gekregen om controlevoorschriften
vast te stellen. In deze
voorschriften is vastgelegd op welke manieren de
belanghebbende moet meewerken aan algemene of op het individuele geval gerichte
controles door de Bank. De pensioengerechtigde, zijn
partner, zijn wettelijke vertegenwoordiger
of de instelling waaraan het
ouderdomspensioen op grond van artikel 20 AOW wordt uitbetaald, zijn op
grond van artikel 15, tweede lid, AOW verplicht deze voorschriften op te
volgen.
Als de belanghebbende niet
aan de mededelingsplicht van
artikel 49 AOW voldoet, legt de Bank hem
een boete op. Een boete komt met name
aan de orde als de belanghebbende
onjuiste of onvolledige gegevens aan de
Bank verstrekt, van belang zijnde feiten of omstandigheden niet of niet
tijdig meldt, vragen van de Bank
niet beantwoordt of misleidend
bewijsmateriaal verschaft.
Een maatregel wordt opgelegd
wanneer de belanghebbende de
Controlevoorschriften AOW heeft overtreden. Dit is onder meer het geval als hij
niet binnen de door de Bank gestelde
termijn een door de Bank toegestuurd
formulier invult en terugzendt. Van overtreding is bijvoorbeeld ook sprake als
de belanghebbende weigert
inzage te verlenen in bescheiden waarom de Bank heeft gevraagd of als hij
niet binnen de door de Bank gestelde
termijn bewijsstukken inzendt.
Een maatregel wordt bij
overtreding van de Controlevoorschriften WAO slechts opgelegd als geen relevante
wijziging van de omstandigheden heeft
plaatsgevonden. Is dit wel het geval en
heeft betrokkene verzuimd de
wijziging te melden, dan wordt een boete opgelegd. Het opleggen van een
maatregel blijft dan op grond van artikel 17b, vierde lid, AOW
achterwege.
3. Verhouding tussen het
opleggen van een maatregel en opschorting
of schorsing van de betaling of de
beëindiging van het pensioen
De verplichting om bij
niet-naleving van de
Controlevoorschriften AOW een maatregel op te leggen, laat onverlet
de bevoegdheid van de Bank de
uitbetaling van ouderdomspensioen op te schorten of te schorsen
wanneer zij vermoedt dat het pensioen moet worden ingetrokken of verminderd.
Deze bevoegdheid is neergelegd in artikel 4 van de Beschikking van de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 12 juli 1985, Stcrt. 1985, 136, laatstelijk gewijzigd bij Beschikking
van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 6 september 1988, Stcrt. 1988, 175.
Van de bevoegdheid tot
schorsing van de uitbetaling zal
bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt als de
betrokkene zijn officiële levensbewijs niet
inzendt of een inkomensopgaveformulier met
betrekking tot de AOW-toeslag niet
invult. Voldoet de betrokkene op een
later moment alsnog aan zijn
verplichting, dan herleeft de uitbetaling van het pensioen. Hierop wordt dan de
opgelegde maatregel ten uitvoer
gelegd.
Het kan ook voorkomen dat de
belanghebbende zo lang niet aan bepaalde verplichtingen voldoet, dat
de Bank niet kan vaststellen of er
nog recht op ouderdomspensioen bestaat.
De Bank is dan op grond van artikel 17a, eerste lid, onderdeel c,
AOW verplicht
het ouderdomspensioen in te trekken. Als de burger alsnog aan zijn verplichtingen
voldoet nadat de
intrekkingsbeslissing rechtens onaantastbaar is geworden, zal de Bank terugkomen op de
beëindigingsbeslissing. In
het algemeen zal echter aan de beslissing
om terug te komen op de intrekkingsbeslissing geen terugwerkende kracht worden
verleend.
4. De zwaarte van de
maatregel
Het besluit kent twee
standaardmaatregelen, te weten een maatregel bij
een eerste overtreding en een
maatregel bij recidive.
Het feit dat slechts twee
standaardmaatregelen worden onderscheiden, is gebaseerd op de volgende
overwegingen.
In de eerste plaats zijn de
controlevoorschriften van onderling gelijk
gewicht. Dit betekent dat de
overtreding van het ene voorschrift tot
eenzelfde maatregel dient te leiden als
overtreding van het andere voorschrift.
In de tweede plaats kan de
enkele overtreding van de controlevoorschriften nimmer tot ten onrechte
betaalde bedragen leiden. Van een
teveelbetaling kan slechts sprake zijn als
de belanghebbende naast de
controlevoorschriften ook zijn
mededelingsverplichting van artikel 49 AOW heeft
geschonden. In dat geval moet een boete
worden opgelegd. Dat betekent dat
er geen samenhang behoeft te worden
gecreëerd tussen de door de Bank
geleden of potentieel te lijden schade
en de zwaarte van de maatregel.
Kan de overtreding in het
geheel niet aan de betrokkene worden
verweten, dan ziet de Bank af van het opleggen van een maatregel. Is de
gedraging wel verwijtbaar, maar zijn er
zodanige verzachtende omstandigheden dat de
overtreding slechts in beperkte mate aan
de betrokkene kan worden
verweten, dan wordt het op het pensioen in
mindering te brengen bedrag
gehalveerd.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
In dit artikel wordt een
omschrijving gegeven van een aantal
begrippen dat in dit besluit wordt
gebruikt. Onder "partner" wordt
verstaan degene die op grond van artikel 1 AOW als echtgenoot van de
pensioengerechtigde wordt beschouwd. Dit is de
wettige echtgenoot van de
pensioengerechtigde die niet duurzaam gescheiden
leeft van de pensioengerechtigde,
alsmede degene die duurzaam een
gezamenlijke huishouding voert met de
pensioengerechtigde en geen bloedverwant in de eerste graad van de pensioengerechtigde
is.
Artikel 2
Het besluit is van
toepassing op de pensioengerechtigde, zijn
partner en zijn wettelijke vertegenwoordiger. Komt één van deze personen de
Controlevoorschriften AOW niet na, dan wordt het ouderdomspensioen van de
pensioengerechtigde
tijdelijk gedeeltelijk geweigerd.
Artikel 3
In verband met het door de
wetgever gewenste lik-op-stukbeleid
wordt de maatregel zo snel mogelijk
ten uitvoer gelegd.
Artikel
4, eerste lid
Aan vrijwel alle
verplichtingen genoemd in de
Controlevoorschriften AOW gaat een verzoek van de Bank
vooraf om binnen een
bepaalde termijn op een bepaalde manier medewerking te verlenen. Als deze
medewerking tegen het einde van de
gestelde termijn niet is verleend, verzendt
de Bank een rappel waarbij aan de
betrokkene nog een korte aanvullende
termijn wordt gegund, dan wel een nieuw
tijdstip wordt genoemd waarop de betrokkene zijn medewerking moet
verlenen. Voldoet de betrokkene daaraan niet,
dan wordt een maatregel
opgelegd.
Artikel
4, tweede lid
Als de betrokkene een
wijziging van zijn adres of zijn
sociaal-fiscaal nummer niet binnen vier weken aan
de Bank
meldt, wordt hem een
boete van ƒ50,- opgelegd. Omdat het
hier om een spontane meldingsplicht gaat,
is een voorafgaand rappel of een
voorafgaande waarschuwing niet aan de
orde.
Artikel
4, derde lid
Als de belanghebbende binnen
één uitkeringstijdvak (dat wil zeggen één maand) meerdere verplichtingen niet
nakomt, wordt slechts één
maatregel opgelegd.
Artikel
4, vierde lid
Als de betrokkene binnen
twee jaar nadat hem een maatregel is
opgelegd op grond van artikel 17b,
eerste lid, AOW, wederom de
Controlevoorschriften AOW overtreedt, wordt de hem op te leggen
maatregel met 50% verhoogd. Het op de
uitkering in mindering te brengen bedrag
is dan ƒ75,-.
Artikelen 5 en
6
Als de betrokkene in de
feitelijke onmogelijkheid heeft
verkeerd om de controlevoorschriften na te leven of als een verzoek om medewerking
hem niet heeft bereikt om redenen die
hem niet kunnen worden aangerekend,
is de overtreding van de controlevoorschriften niet verwijtbaar. Oplegging
van een maatregel blijft dan achterwege.
Het kan ook voorkomen dat
het niet naleven van de
Controlevoorschriften AOW wel enigszins, maar niet ten
volle aan de betrokkene kan worden
verweten. In dat geval wordt de op te
leggen maatregel gehalveerd.
De Bank
gaat er bij de
oplegging van de maatregel van uit dat er
geen sprake is van verzachtende
omstandigheden, tenzij de betrokkene zelf - naar aanleiding van het rappel van de Bank
als bedoeld in artikel 4 - al
melding heeft gemaakt van dergelijke omstandigheden.
De belanghebbende die meent
dat hem ten onrechte een maatregel
is opgelegd zonder toepassing van
artikel 5 of artikel 6, kan bezwaar aantekenen
tegen het besluit waarbij de
maatregel is opgelegd. Blijkt tijdens de
bezwaarschriftprocedure van verzachtende omstandigheden, dan wordt
hiermee in de beslissing op bezwaar
alsnog rekening gehouden.
Amstelveen, 26 januari 1996.
B. de Vries,
P.A. Schaafsma.
|