|
BESLUIT
van 15 november 1985 (Besluit gelijkstelling niet-Nederlanders met
Nederlanders (Algemene Ouderdomswet)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, L. de Graaf, van 30 juli 1985, Directoraat-Generaal
Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling
Volksverzekeringen, nr. SZ/SV/85/2687;
Gelet op de artikelen
57, onderdeel a, en 60,
onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet;
De Raad van State gehoord (advies van 7 oktober
1985, nr. W 12.85.0435/18.5.41);
Gezien het nader rapport van voornoemde staatssecretaris van 31 oktober 1985, Directoraat-Generaal Sociale
Zekerheid, nr. SZ/SV/VV/85/3583;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
-1. Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59
van de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1985, 181) worden, zolang zij
binnen het Rijk wonen, met Nederlanders gelijkgesteld niet-Nederlanders
die na het bereiken van de twintigjarige leeftijd gedurende ten minste
vijftien jaren al dan niet onafgebroken binnen het Rijk hebben gewoond,
mits zij gedurende de vijf aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd
onmiddellijk voorafgaande jaren onafgebroken binnen het Rijk hebben
gewoond.
-2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het wonen
van een lid van de bemanning aan boord van een schip dat binnen het Rijk
zijn thuishaven heeft, niet als wonen binnen het Rijk beschouwd.
Art. 2.
Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59
van de Algemene Ouderdomswet worden, zolang zij binnen het Rijk
wonen, met Nederlanders gelijkgesteld vluchtelingen in de zin van het op
28 juli 1951 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de status
van vluchtelingen (Trb. 1951, 131) en van artikel 1, eerste lid, van het
Protocol van 31 januari 1967 behorend bij dit verdrag, met inachtneming
van de bij de ondertekening afgelegde verklaring als bedoeld in artikel
I, afdeling B, van dat verdrag.
Art. 3.
Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59
van de Algemene Ouderdomswet worden, zolang zij binnen het Rijk
wonen, voorts met Nederlanders gelijkgesteld niet-Nederlanders
afkomstig uit Indonesië, het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea of het
voormalige Westelijk Nieuw-Guinea, die zich vóór 1 januari 1968 met
toestemming van de Nederlandse regering in Nederland hebben gevestigd en
die op het tijdstip van hun vestiging in Nederland 50 jaar of ouder
waren.
Art. 4.
Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59
van de Algemene Ouderdomswet worden met Nederlanders gelijkgesteld
staatsburgers van de Verenigde Staten van Amerika die gedurende de zes
aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd onmiddellijk voorafgaande
jaren onafgebroken binnen het Rijk hebben gewoond.
Art. 5.
Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59
van de Algemene Ouderdomswet worden met Nederlanders gelijkgesteld
onderdanen van een land dat het op 22 juni 1935 te Genève tot stand
gekomen Verdrag (nr. 48) van de Internationale Arbeidsorganisatie
betreffende behoud van pensioenrechten van migranten, 1935, heeft
bekrachtigd.
Art. 6.
Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59
van de Algemene Ouderdomswet worden met Nederlanders gelijkgesteld
niet-Nederlanders die de Surinaamse nationaliteit bezitten.
Art. 6a.
-1. Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59 van de Algemene Ouderdomswet worden met Nederlanders gelijkgesteld
personen die op 31 december 1984 Nederlander waren en het
Nederlanderschap nadien als gevolg van artikel
15, onderdeel c,¹ van de Rijkswet
op het Nederlanderschap hebben
verloren.
-2. Het eerste lid is van toepassing
indien het ouderdomspensioen van de pensioengerechtigde vóór 1 januari
2000 is ingegaan.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 15, onderdeel c" te worden vervangen
door: artikel 15, eerste lid, onderdeel c.
Art. 7.
-1. Voor de toepassing van artikel
56 van de Algemene Ouderdomswet worden, zolang zij in Oostenrijk
wonen, met Nederlanders gelijkgesteld Oostenrijkers die na het bereiken
van de twintigjarige leeftijd gedurende ten minste vijftien jaren al dan
niet onafgebroken binnen het Rijk hebben gewoond, mits zij gedurende de
vijf aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd onmiddellijk
voorafgaande jaren onafgebroken binnen het Rijk hebben gewoond.
-2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid is het bepaalde
in artikel 1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.
Uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel
8 van de Algemene Ouderdomswet met toepassing van het bepaalde in
artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van die
wet, wordt - indien dit tot
een voor de betrokkene gunstiger beslissing leidt - de jongere
echtgenoot van de pensioengerechtigde:
a. voor de toepassing van de artikelen 1, 4 en
7 geacht het 65ste
levensjaar te hebben voleindigd op dezelfde dag als die
pensioengerechtigde;
b. voor de toepassing van artikel 3 geacht het 50ste levensjaar te
hebben voleindigd op dezelfde dag als die pensioengerechtigde.
Art. 9.
Het Koninklijk besluit van 18 december 1956, Stb. 1956, 627, tot vaststelling
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen
45,
onderdeel a, en 48, onderdeel a, van de
Algemene Ouderdomswet
wordt ingetrokken.
Art. 10.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na plaatsing
in het Staatsblad en werkt terug tot 1 april 1985.¹
1. Volgens de redactie
dient "tot 1 april 1985" te worden vervangen door: tot en met
1 april 1985.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
’s-Gravenhage, 15 november
1985
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
Uitgegeven de derde
december 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|