|
BESLUIT
van 3 december 1985 (Besluit gelijkstelling van wonen buiten het Rijk
met wonen binnen het Rijk (Algemene Ouderdomswet)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, L. de Graaf, van 20 september 1985,
Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen,
Hoofdafdeling Volksverzekeringen, nr. SZ/SV/VV/85/3297;
Gelet op de artikelen
57, onderdeel b, en 60,
onderdeel b, van de Algemene
Ouderdomswet (Stb. 1985, 181);
De Raad van State gehoord (advies van 29
oktober 1985, nr. W.12.85.0503/17.5.44);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf, van 28 november 1985, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Directie
Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling Volksverzekeringen, nr. SZ/SV/VV/85/3297;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Voor de toepassing van de artikelen
55 en 58
van de Algemene
Ouderdomswet (Stb. 1985, 181) wordt met het wonen
binnen het Rijk gelijkgesteld:
a. het wonen in Nederlands-Indië;
b. het wonen in Indonesië, voor zover dit heeft plaatsgevonden
voordat
de betrokkene na 27 december 1949 Indonesië voor de eerste maal
metterwoon heeft verlaten, mits de betrokkene op 27 december 1949 in
Indonesië woonde en het bedoelde metterwoon verlaten vóór 1 januari
1968 heeft plaatsgevonden;
c. het wonen in Indonesië van de gehuwde of gehuwd geweest zijnde
vrouw die zelf niet, doch wier echtgenoot onderscheidenlijk gewezen
echtgenoot wel op 27 december 1949 in Indonesië woonde gedurende de
tijd dat zij dezelfde woonplaats had als haar echtgenoot
onderscheidenlijk gewezen echtgenoot voordat deze na 27 december 1949
Indonesië voor de eerste maal metterwoon heeft verlaten, mits zij
Indonesië vóór 1 januari 1968 metterwoon heeft verlaten;
d. het wonen in Nederlands Nieuw-Guinea;
e. het wonen in Westelijk Nieuw-Guinea;
f. het wonen in dat gebiedsdeel van Indonesië dat gevormd werd door
Nederlands Nieuw-Guinea, voor zover dit heeft plaatsgevonden voordat
de betrokkene na 1 mei 1963 dat gebiedsdeel voor de eerste maal
metterwoon heeft verlaten, mits de betrokkene op 1 mei 1963 in dat
gebiedsdeel woonde en het metterwoon verlaten vóór 1 januari 1968
heeft plaatsgevonden;
g. het wonen in dat gebiedsdeel van Indonesië dat gevormd werd door
Nederlands Nieuw-Guinea, van een gehuwde of gehuwd geweest zijnde vrouw
die zelf niet, doch wier echtgenoot onderscheidenlijk gewezen echtgenoot
wel op 1 mei 1963 in dat gebiedsdeel woonde, gedurende de tijd dat zij
dezelfde woonplaats had als haar echtgenoot onderscheidenlijk gewezen
echtgenoot vóór dat deze na 1 mei 1963 dat gebiedsdeel voor de eerste
maal metterwoon heeft verlaten, mits zij dat gebiedsdeel vóór 1
januari 1968 metterwoon heeft verlaten;
h. het wonen in Suriname gedurende de tijd dat Suriname deel heeft
uitgemaakt van het Koninkrijk der Nederlanden;
i. het wonen in Suriname, voor zover dit heeft plaatsgevonden
voordat
de betrokkene na 25 november 1975 Suriname voor de eerste maal
metterwoon heeft verlaten, mits de betrokkene op 25 november 1975 in
Suriname woonde en zich vóór 1 januari 1981 metterwoon in Nederland
heeft gevestigd;
j. het wonen in Suriname van de gehuwde of gehuwd geweest zijnde
vrouw
die zelf niet, doch wier echtgenoot onderscheidenlijk gewezen echtgenoot
wel op 25 november 1975 in Suriname woonde, gedurende de tijd dat zij
dezelfde woonplaats had als haar echtgenoot onderscheidenlijk gewezen
echtgenoot voordat deze na 25 november 1975 Suriname voor de eerste
maal metterwoon heeft verlaten, mits zij zich vóór 1 januari 1981
metterwoon in Nederland heeft gevestigd;
k. het wonen buiten het Rijk gedurende de tijd dat de betrokkene, in
dienstbetrekking staande tot een binnen het Rijk wonende of gevestigde
werkgever, als Nederlands lid van de bemanning woonde aan boord van een
schip dat niet binnen het Rijk zijn thuishaven had;
l. het wonen buiten het Rijk van degene die gehuwd is of gehuwd geweest
is gedurende de tijd dat zijn echtgenoot onderscheidenlijk gewezen
echtgenoot aan de in onderdeel k gestelde voorwaarden voldeed of als
Nederlands lid van de bemanning woonde aan boord van een schip dat
binnen het Rijk zijn thuishaven had, één en ander mits diegene woonde
aan boord van het door zijn echtgenoot onderscheidenlijk gewezen
echtgenoot bevaren schip.
Art. 2.
Voor de toepassing van artikel
55 van de Algemene
Ouderdomswet wordt met het wonen binnen het Rijk
gelijkgesteld het wonen buiten het Rijk gedurende de tijd dat
betrokkene verzekerd was ingevolge de Algemene
Ouderdomswet.
Art. 3.
Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59
van de Algemene
Ouderdomswet wordt met het wonen binnen het Rijk
gelijkgesteld:
a. het wonen buiten het Rijk van de
Nederlander die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, van het Koninklijk besluit van 19 oktober 1976
(Stb. 1976, 557), alsmede zijn echtgenoot;
b. het wonen buiten het Rijk van de weduwe of weduwnaar van wie de
echtgenoot op de dag van zijn overlijden voldeed aan de voorwaarden
gesteld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Koninklijk
besluit van 19 oktober 1976 (Stb. 1976, 557), gedurende één jaar of een door
Onze Minister te bepalen langere termijn na vorenbedoelde dag;
c. het wonen buiten het Rijk van een Nederlander die, in
dienstbetrekking staande tot een binnen het Rijk wonende of gevestigde
werkgever, als lid van de bemanning woont aan boord van een schip dat
niet binnen het Rijk zijn thuishaven heeft;
d. het wonen buiten het Rijk van degene die gehuwd is met een
Nederlander als bedoeld in onderdeel c of met een Nederlander die als
lid van de bemanning woont aan boord van een schip dat binnen het Rijk
zijn thuishaven heeft, één en ander mits diegene woont aan boord van het
door zijn echtgenoot bevaren schip;
e. het wonen buiten het Rijk van een Nederlander aan wie, vóór hij het
Rijk metterwoon verliet, de voordelen voortvloeiend uit artikel
55 van de Algemene
Ouderdomswet toekwamen of die toen voldeed aan de
eisen van artikel 58 in verbinding met artikel 59 van genoemde
wet, mits
hij - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging
van zijn 59ste levensjaar binnen het Rijk heeft gewoond.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt, wanneer het de voordelen
voortvloeiende uit artikel
55 van de Algemene
Ouderdomswet betreft, uitsluitend voor de
vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel
8 van de Algemene
Ouderdomswet met toepassing van het bepaalde in
artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van die
wet, de jongere echtgenoot
van de pensioengerechtigde geacht het 59ste levensjaar te hebben
voleindigd op dezelfde dag als die pensioengerechtigde;
f. het wonen buiten het Rijk van een staatsburger van de Verenigde
Staten van Amerika;
g. het wonen buiten het Rijk van degene die op 31 december 1984
Nederlander was en die nadien het Nederlanderschap heeft verloren als
gevolg van artikel
15, onderdeel c, van de Rijkswet
op het Nederlanderschap.
Art. 4.
-1. Voor de toepassing van de artikelen
56 en 59
van de Algemene
Ouderdomswet wordt met het wonen binnen het Rijk
gelijkgesteld het wonen in Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van
een Surinamer aan wie, vóór hij het Rijk metterwoon verliet, de
voordelen voortvloeiend uit artikel
55 van de Algemene
Ouderdomswet toekwamen of die toen voldeed aan de
eisen van artikel 58 in verbinding met artikel 59 van genoemde
wet, mits
hij - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging
van zijn 59ste levensjaar binnen het Rijk heeft gewoond.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt, wanneer het de voordelen
voortvloeiend uit artikel
55 van de Algemene
Ouderdomswet betreft, uitsluitend voor de
vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel
8 van de Algemene
Ouderdomswet met toepassing van het bepaalde in
artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van die
wet, de jongere echtgenoot
van de pensioengerechtigde geacht het 59ste levensjaar te hebben
voleindigd op dezelfde dag als die pensioengerechtigde.
Art. 5.
-1. Voor de toepassing van de artikelen
55 en 56
van de Algemene
Ouderdomswet wordt met het wonen binnen het Rijk
gelijkgesteld het wonen in België van een Nederlander of een Belg die
gedurende de zes aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd onmiddellijk
voorafgaande jaren onafgebroken in Nederland arbeid in loondienst heeft
verricht.
-2. Voor de toepassing van het vorige
lid wordt met het verrichten van arbeid in loondienst gelijkgesteld het
genot ingevolge een Nederlandse wettelijke regeling van een uitkering
naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 50%, mits de betrokkene
tijdens het genot van bedoelde uitkering in België geen arbeid in
loondienst of als zelfstandige verricht.
-3. Een onderbreking van het in de
voorgaande leden bedoelde tijdvak welke korter dan dertig dagen heeft
geduurd, blijft buiten aanmerking, met dien verstande dat wanneer zich
in één jaar meerdere onderbrekingen hebben voorgedaan, deze slechts
buiten aanmerking blijven wanneer zij tezamen minder dan dertig dagen
belopen.
Art. 6.
-1. Voor de toepassing van artikel
56 van de Algemene
Ouderdomswet wordt met het wonen binnen het Rijk
gelijkgesteld:
a. het wonen buiten het Rijk van een
Nederlander die van 1 januari 1957 tot het bereiken van de leeftijd van
65 jaar onafgebroken verzekerd is geweest krachtens de Algemene
Ouderdomswet;
b. het wonen in Oostenrijk van een Nederlander en een Oostenrijker.
-2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel
a,
wordt, uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel
8 van de Algemene
Ouderdomswet met toepassing van het bepaalde in
artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van die wet, de jongere echtgenoot
van de pensioengerechtigde geacht het 65ste levensjaar te hebben
voleindigd op dezelfde dag als die pensioengerechtigde.
Art. 7.
-1. Voor de toepassing van artikel
56 van de Algemene
Ouderdomswet wordt met het wonen binnen het Rijk
gelijkgesteld het wonen in Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van een Surinamer die van 1 januari 1957 tot het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar onafgebroken verzekerd is geweest krachtens de Algemene
Ouderdomswet.
-2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste
lid wordt,
uitsluitend voor de vaststelling van de toeslag, bedoeld in artikel
8 van de Algemene
Ouderdomswet met toepassing van het bepaalde in
artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van die wet, de jongere echtgenoot
van de pensioengerechtigde Surinamer geacht het 65ste levensjaar te
hebben voleindigd op dezelfde dag als die Surinamer.
Art. 8.
Voor de toepassing van artikel
59 van de Algemene
Ouderdomswet wordt met het wonen binnen het Rijk
gelijkgesteld het wonen buiten het Rijk van een Nederlander die het
Rijk vóór 1 januari 1957 metterwoon heeft verlaten, mits hij - al dan
niet onafgebroken - gedurende zes jaren na de voleindiging van zijn
59ste levensjaar binnen het Rijk heeft gewoond.
Art. 9.
Voor de toepassing van artikel
59 van de Algemene
Ouderdomswet wordt met het wonen binnen het Rijk
gelijkgesteld het wonen in Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van een Surinamer die het Rijk vóór 1 januari 1957 metterwoon heeft
verlaten, mits hij - al dan niet onafgebroken - gedurende zes jaren na
de voleindiging van zijn 59ste levensjaar binnen het Rijk heeft gewoond.
Art. 10.
Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit wordt met een
Nederlander gelijkgesteld een onderdaan van het land dat het Verdrag (nr. 48) betreffende behoud van pensioenrechten van migranten, 1935, van
de Internationale Arbeidsorganisatie heeft bekrachtigd.
Art. 11.
Het Koninklijk besluit van 20 december 1956 (Stb. 1956, 628) tot vaststelling
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen
45,
onderdeel b, en 48, onderdeel b, van de
Algemene
Ouderdomswet wordt ingetrokken.
Art. 12.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
’s-Gravenhage, 3 december
1985
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
Uitgegeven de twaalfde
december 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|