|
BESLUIT van 24 juli
1971 tot vaststelling van
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 11 Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (Besluit regeling vergoeding Bijzondere
Ziektekostenverzekering)
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 10 mei 1971,
Directoraat-Generaal van de Volksgezondheid, Hoofdafd. Verz., nr.
112.037;
Gelet op de artikelen 11 en
77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb.
1967, 655);
Gehoord de Ziekenfondsraad;
De Raad van State gehoord
(advies van 9 juni 1971, nr. 15);
Gezien het nader rapport van Onze Minister
van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 15 juli 1971, Directoraat-Generaal van
de Volksgezondheid, Hoofdafd. Verz., nr. 114.900;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
-1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan
onder:
a. tehuis: een in Nederland gelegen tehuis, niet zijnde een inrichting
toegelaten of voorlopig toegelaten overeenkomstig artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten,
hetwelk een capaciteit heeft van ten minste tien bedden welke zijn bestemd om
aan zieken dan wel gehandicapten behandeling dan wel verpleging of
verzorging te verschaffen;
b. centraal betaalkantoor: het centraal administratiekantoor, bedoeld in
het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering.
-2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder een
tehuis niet verstaan een verzorgingshuis als bedoeld in artikel 16 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering, behoudens voor zover het betreft de ziekenafdeling
van een verzorgingshuis.
Art. 2.
-1. De verzekerde die gedurende de dag en nacht verblijft
in een tehuis, heeft met inachtneming van hetgeen nader in dit besluit is
bepaald aanspraak op vergoeding wegens kosten ter zake van het verblijf in dat
tehuis, indien en zolang:
a. ten aanzien van hem een indicatiebeoordeling is vastgesteld voor
opneming en verder verblijf in een verpleeginrichting als bedoeld in artikel
14 of in een inrichting voor zwakzinnigen als bedoeld in artikel 23 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering;
b. hij uitsluitend wegens plaatsgebrek niet in een inrichting als
bedoeld onder a is opgenomen;
c. hij het uitvoeringsorgaan, bedoeld in artikel
3, schriftelijk heeft
gemachtigd de hem ingevolge dit besluit toekomende vergoeding namens hem aan
derden uit te betalen.
-2. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling bepalen dat
het eerste lid in daarbij aan te wijzen gebieden niet van toepassing is. Hij
gaat daartoe niet over dan nadat hem is gebleken dat de inrichtingen van de
desbetreffende categorie in het betrokken gebied naar redelijke maatstaven
gemeten voldoende gelegenheid bieden tot opneming van verzekerden voor wie een
indicatie bestaat als in het eerste lid bedoeld.
-3. Een beschikking krachtens het tweede lid treedt niet
eerder in werking dan nadat drie maanden zijn verstreken na haar bekendmaking in
de Staatscourant.
-4. De regionale contactkantoren, bedoeld in het Besluit
van de Ziekenfondsraad van 26 augustus 1971 (Stcrt. 1971, 169), welke in
het aangewezen gebied werkzaam zijn, dragen zorg dat de verzekerden wie het
aangaat zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van een beschikking krachtens het
tweede lid bericht ontvangen in welke erkende inrichting(en) zij kunnen worden
opgenomen.
Art. 3.
-1. De in artikel 2 bedoelde vergoeding wordt door of
namens de verzekerde aangevraagd bij het uitvoeringsorgaan waarbij hij voor de
toepassing van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is ingeschreven.
-2. Het uitvoeringsorgaan gaat slechts tot toekenning van
de in artikel 2 bedoelde vergoeding over na te hebben vastgesteld dat:
a. voor de verzekerde een indicatie bestaat voor opneming en verder
verblijf in een verpleeg- onderscheidenlijk zwakzinnigeninrichting en
dat
b. metterdaad geen opneming en verder verblijf kunnen plaatsvinden in
een erkende of voorlopig erkende verpleeg- onderscheidenlijk
zwakzinnigeninrichting welke op redelijke afstand is gelegen van de
woonplaats van de verzekerde.
Art. 4.
Indien na toekenning van de in
artikel 2 bedoelde vergoeding naar het oordeel van het uitvoeringsorgaan
opneming en verder verblijf kunnen plaatsvinden in een der erkende of voorlopig
erkende verpleeg- onderscheidenlijk zwakzinnigeninrichtingen als bedoeld in
artikel 3, tweede lid, onderdeel b, wordt deze vergoeding beëindigd, doch niet
dan nadat het uitvoeringsorgaan de mogelijkheid van verblijf in een met name aan
te duiden erkende of voorlopig erkende inrichting ter kennis heeft gebracht van
de verzekerde en aan deze voldoende gelegenheid is geboden tot overplaatsing
naar die erkende of voorlopig erkende inrichting.
Art. 5. De in
artikel 2 bedoelde vergoeding
is gelijk aan het voor het verblijf in het tehuis aan de verzekerde in rekening
gebrachte tarief, doch uitsluitend voor zover dit tarief:
a. niet in strijd met enig wettelijk voorschrift is vastgesteld;
b. niet omvat kosten verband houdende met de verstrekking van
onderwijs, kleedgeld en zakgeld;
c. is gebaseerd op plaatsing in de laagste klasse;
d. geen elementen bevat welke op grond van de in artikel 8 bedoelde
nadere regelen niet bij de berekening van de vergoeding in aanmerking
behoren te worden genomen.
Art. 6.
-1. In de kosten wegens verblijf in een tehuis is door
verzekerden behorende tot daarvoor aan te wijzen groepen van verzekerden van 65
jaar of ouder een bijdrage verschuldigd. Voorts kan van verzekerden beneden
de 65 jaar die ter zake van het verblijf in een tehuis aanspraak hebben op een
vergoeding als bedoeld in artikel 2, eveneens een bijdrage in de kosten daarvan
worden geheven.
-2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt
vastgesteld met toepassing van het Bijdragebesluit
zorg.
Art. 7. Het centraal betaalkantoor draagt
namens de uitvoeringsorganen zorg voor de betaling van de in artikel 2 bedoelde
vergoeding.
Art. 8.
-1. Het College zorgverzekeringen kan met betrekking tot de
uitvoering van dit besluit nadere en zo nodig van dit besluit afwijkende regelen
stellen. Daarbij kan tevens worden bepaald door welke instellingen en onder
welke regelen de administratie wordt verricht.
-2. De kosten welke het centraal betaalkantoor en de
instellingen, bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid, voor de uitvoering
van hun taken maken, worden gedekt door uitkeringen uit het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten volgens het bepaalde bij en krachtens het Besluit financiering uitvoeringsorganisatie Bijzondere
Ziektekostenverzekering.
Art. 9.
-1. Het College van toezicht op de
zorgverzekeringen is belast met het toezicht op de
rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten door het centraal
betaalkantoor en door de instellingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede
volzin.
-2. De artikelen 1x7,
1x11, 1x12,
43e en 43f van de Ziekenfondswet zijn van overeenkomstige toepassing op
het centraal betaalkantoor en de instellingen, bedoeld in artikel
8, eerste lid,
tweede volzin.
-3. Onverminderd het tweede lid kan het College zorgverzekeringen
regels stellen over de wijze waarop het centraal betaalkantoor
en de instellingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede volzin, hun
werkzaamheden uitvoeren.
Art.
9a. Vervallen.
Art. 10. Dit besluit
kan worden aangehaald als: Besluit regeling vergoeding Bijzondere
Ziektekostenverzekering.
Art. 11. Dit besluit
treedt in werking met ingang van 1 oktober 1971.
Onze Minister van
Volksgezondheid en Milieuhygiëne is belast met de uitvoering van dit besluit,
dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State
en de Algemene Rekenkamer.
Porto Ercole, 24 juli 1971
JULIANA
De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
L.B.J. Stuyt
Uitgegeven de vierentwintigste augustus
1971
De Minister van Justitie a.i.,
W.J. Geertsema
|