|
BESLUIT van 24 december 1998 tot vaststelling
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, van de
Algemene Ouderdomswet, 13, derde lid, van de Algemene
nabestaandenwet, 6, derde
lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en 5, derde en vierde lid, van de
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 20 november 1998, nr. SV/GSV/98/35098, mede
namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 6, derde lid, van de Algemene
Ouderdomswet,
artikel 13, derde lid, van de Algemene
nabestaandenwet, artikel 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en
artikel 5, derde en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
De Raad van State gehoord (advies van 17 december
1998, nr. W12.98.0549);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 18 december 1998, nr. SV/GSV/98/42566, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Art. 1.
Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de volksverzekeringen: de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. kind: het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind, bedoeld
in artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet, jonger dan 27
jaar, dat in belangrijke mate door de ouders wordt onderhouden;
c. Onze Ministers: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
d. arbeid: arbeid verricht in het economisch verkeer en gericht op het
verwerven van inkomen;
e. Nederlandse socialeverzekeringsuitkering: een uitkering op grond van
de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg,
de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Algemene
Ouderdomswet, de
Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet.
§ 2. Uitbreiding van de kring van verzekerden
Art. 2.
Nederlandse
ambtenaren en hun gezinsleden in het buitenland
-1. Verzekerd op grond
van de volksverzekeringen is de niet in Nederland wonende Nederlander
die op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, derde lid,
onderdeel a, vierde, vijfde of zesde lid, van het Reglement
Dienst Buitenlandse Zaken werkzaam is bij een vertegenwoordiging van het
Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland als bedoeld in artikel 7,
tweede lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, tenzij hij:
a. buiten Nederland arbeid verricht
anders dan de werkzaamheden, bedoeld in de aanhef; of
b. een uitkering ontvangt op grond
van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
-2. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn de
gezinsleden, bedoeld in artikel 2 van het Reglement
Dienst Buitenlandse Zaken,
van de in het eerste lid bedoelde verzekerde, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer
bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke
regeling inzake sociale zekerheid.
-3. De gezinsleden die op grond van het tweede lid zijn
verzekerd, blijven verzekerd op grond van de volksverzekeringen gedurende de
periode van één jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de
verzekerde, bedoeld in het eerste lid, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer
bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke
regeling inzake sociale zekerheid.
-4. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de niet
in Nederland wonende particuliere bediende die in dienst is van de verzekerde,
bedoeld in het eerste lid, tenzij hij:
a. onderdaan is van de ontvangende staat;
b. ten tijde van aanwerving niet in Nederland woonde;
c. buiten Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van
vorenbedoelde dienstbetrekking; of
d. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke
regeling inzake sociale zekerheid.
Art. 3.
Nederlanders, in
dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon, en hun gezinsleden in het
buitenland
-1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de niet
in Nederland wonende Nederlander, voor zover niet reeds begrepen onder artikel
2, die uit hoofde van een dienstbetrekking met een Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon buiten Nederland arbeid verricht ten behoeve
van die rechtspersoon, tenzij hij:
a. ten tijde van aanwerving niet in Nederland woonde;
b. buiten Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de
vorenbedoelde dienstbetrekking;
c. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke
regeling inzake sociale zekerheid; of
d. werkzaam is bij een door Onze Ministers en Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke
organisatie en op hem een regeling inzake sociale zekerheid van die
organisatie van toepassing is.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel
b, is
verzekerd op grond van de volksverzekeringen de Nederlander die in dienst is van
een publiekrechtelijke rechtspersoon in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba mits
hij door de Nederlandse overheid is uitgezonden.
-3. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn de
echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van de verzekerde, bedoeld
in het eerste en tweede lid, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer
bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke
regeling inzake sociale zekerheid.
-4. De echtgenoot, kinderen en overige inwonende
gezinsleden die op grond van het derde lid zijn verzekerd, blijven verzekerd op
grond van de volksverzekeringen gedurende de periode van één jaar, te rekenen
vanaf de datum van overlijden van de verzekerde, bedoeld in het eerste en tweede
lid, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer
bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke
regeling inzake sociale zekerheid.
Art.
3a.
-1. Verzekerd op grond van de
volksverzekeringen is de Rijksvertegenwoordiger.
-2. Verzekerd op grond van de
volksverzekeringen zijn de echtgenoot, kinderen en overige inwonende
gezinsleden van de Rijksvertegenwoordiger, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht
en de inkomsten uit deze arbeid meer bedragen dan het bedrag, genoemd in
artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond
van een andere wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
-3. De echtgenoot, kinderen en overige
inwonende gezinsleden die op grond van het tweede lid zijn verzekerd,
blijven verzekerd op grond van de volksverzekeringen gedurende de
periode van één jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de
Rijksvertegenwoordiger, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht
en de inkomsten uit deze arbeid meer bedragen dan het bedrag, genoemd in
artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond
van een andere wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
-4. Onder Rijksvertegenwoordiger als
bedoeld in dit artikel wordt verstaan: de Rijksvertegenwoordiger voor de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Art. 4.
Rijdend, vliegend
of varend personeel, buiten Nederland wonend
Verzekerd op grond van de
volksverzekeringen is de persoon die niet in Nederland woont en behoort tot het
rijdend, vliegend of op de binnenwateren varend personeel van een in Nederland
wonende of gevestigde werkgever die internationaal vervoer verricht, tenzij hij:
a. in hoofdzaak in het land waarin hij woont arbeid verricht; of
b. werkt bij een filiaal of een vaste vertegenwoordiging van die
werkgever buiten Nederland.
Art. 5.
Gezinsleden van
varend personeel Verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn de
aan boord van een schip wonende echtgenoot en kinderen van de persoon die op
grond van de volksverzekeringen of van artikel 4 verzekerd is.
Art. 6.
Tijdelijke
onderbreking van arbeid in Nederland Verzekerd op grond van de
volksverzekeringen blijft de persoon die niet in Nederland woont, maar die
uitsluitend in Nederland arbeid verricht en van wie de arbeid tijdelijk wordt
onderbroken:
a. wegens ziekte, gebreken, zwangerschap, bevalling of werkloosheid; of
b. wegens verlof, staking of uitsluiting.
Art. 7.
Vervallen.
Art. 8.
Tijdelijk buiten
Nederland studerenden en verpleegden
-1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen blijft de
persoon die aansluitend op het wonen in Nederland uitsluitend wegens
studieredenen niet meer in Nederland woont en jonger is dan 30 jaar.
-2. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen blijft de
persoon die aansluitend op het wonen in Nederland, uitsluitend omdat hij wordt
verpleegd in een door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te
wijzen instelling die overeenkomt met een instelling als bedoeld in
artikel 1, onderdeel f,¹ van de Wet
toelating zorginstellingen die zorg levert waarop aanspraak
bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, niet meer in Nederland woont.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 1, onderdeel f" te worden vervangen
door:
artikel 1, eerste lid, onderdeel f.
Art. 9.
Niet in Nederland
wonende zelfstandigen Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
persoon die niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse
onderneming als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 geniet, mits hij
in Nederland arbeid verricht voor die onderneming.
Art. 9a.
Vreemdelingen
met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel Een vreemdeling die
rechtmatig in Nederland verblijft, in de zin van artikel 8, onderdeel c, van de
Vreemdelingenwet
2000, is, ongeacht
of hij als ingezetene kan worden beschouwd, verzekerd op grond van de
volksverzekeringen met ingang van de dag waarop positief op de
verblijfsvergunningsaanvraag wordt beschikt.
Art. 10.
Vreemdelingen
in Nederland wonend
-1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de in
Nederland wonende vreemdeling die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de
Vreemdelingenwet
2000:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om
voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet
2000, of,
buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de
Algemene wet bestuursrecht toepassing
heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen
intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met
e, of l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De verzekering op grond van het eerste lid eindigt
zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist;
of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting op
grond van de Vreemdelingenwet
2000 of op grond van een rechterlijke
beslissing achterwege dient te blijven.
Art. 11.
Vreemdelingen
rechtmatig verblijf houdend in Nederland
-1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel
f tot en met k, van de Vreemdelingenwet
2000 indien hij in overeenstemming met de Wet
arbeid vreemdelingen arbeid in dienstbetrekking verricht uit
hoofde waarvan hij aan de loonbelasting is onderworpen.
-2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, blijft
verzekerd op grond van de volksverzekeringen indien hij uit hoofde van het
verrichten van arbeid als bedoeld in het eerste lid recht heeft op betaling van
loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of recht heeft
op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet of de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, alsmede indien de
arbeid, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk is onderbroken als gevolg van
verlof, staking of uitsluiting.
§ 3. Beperking van de kring van verzekerden
Art. 12.
Wonen in
Nederland, werken buiten Nederland
-1. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van
ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die
arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in
Nederland wonende of gevestigde werkgever.
-2. Voor de vaststelling van de periode van drie maanden,
bedoeld in het eerste lid, worden perioden gedurende welke de arbeid buiten
Nederland tijdelijk wordt onderbroken:
a. wegens ziekte, gebreken, zwangerschap, bevalling of werkloosheid; of
b. wegens verlof, staking of uitsluiting;
beschouwd als perioden waarin
uitsluitend buiten Nederland arbeid wordt verricht, tenzij tijdens deze
perioden arbeid in Nederland wordt verricht.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder het
verrichten van arbeid buiten Nederland niet verstaan arbeid verricht op het
buiten de territoriale zee onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de
ondergrond daarvan, voor zover het Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van
het internationale recht ten behoeve van de exploratie en exploitatie van
natuurlijke rijkdommen soevereine rechten mag uitoefenen, mits deze arbeid
plaatsvindt op installaties en andere inrichtingen die in, op of boven dat
gebied aanwezig zijn ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van
natuurlijke rijkdommen van dat gebied.
Art. 13.
Personeelsleden
ambassades en consulaten in Nederland en hun gezinsleden
-1. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn
de diplomatieke ambtenaar en de consulaire ambtenaar, niet zijnde honorair
consul, van een andere mogendheid, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten anders dan uit hoofde van de
vorenbedoelde dienstbetrekking; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
-2. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn
de naar Nederland uitgezonden leden van het administratieve, technische en
bedienende personeel van de diplomatieke zending of de consulaire post van een
andere mogendheid indien zij korter dan tien jaar in Nederland werkzaam zijn,
tenzij zij:
a. Nederlander zijn;
b. ten tijde van aanwerving in Nederland woonden;
c. in Nederland arbeid verrichten anders dan de werkzaamheden, bedoeld
in de aanhef; of
d. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
-3. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn
de leden van het administratieve, technische en bedienende personeel van de
diplomatieke zending of de consulaire post van een andere mogendheid alsmede de
particuliere bedienden die in dienst zijn van de ambtenaar, bedoeld in het
eerste lid, of van de leden van het personeel, bedoeld in het tweede lid, indien
zij reeds vóór 1 augustus 1987 als zodanig in dienst waren en vanaf 1
augustus 1987 als zodanig onafgebroken in dienst zijn, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten anders dan de werkzaamheden, bedoeld
in de aanhef; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering
ontvangen.
In afwijking van de eerste zin zijn de daar
genoemde leden en particuliere bedienden verzekerd op grond van de
volksverzekeringen indien zij dit reeds op 31 juli 1987 waren.
-4. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
particuliere bediende die in dienst is van de ambtenaar, bedoeld in het eerste
lid, of van de leden van het personeel, bedoeld in het tweede lid, indien hij
korter dan tien jaar in Nederland werkzaam is en op hem het stelsel van sociale
verzekering van een andere mogendheid van toepassing is, tenzij hij:
a. Nederlander is;
b. ten tijde van aanwerving in Nederland woonde;
c. in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de
vorenbedoelde dienstbetrekking; of
d. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.
-5. De in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en overige
inwonende gezinsleden van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, en van de
personeelsleden, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn niet verzekerd op
grond van de volksverzekeringen, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten;
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen; of
c. indien die ambtenaar of die personeelsleden zijn verzekerd op grond
van de volksverzekeringen.
-6. De echtgenoot, kinderen en overige inwonende
gezinsleden die op grond van het vijfde lid niet zijn verzekerd, blijven van de
verzekering op grond van de volksverzekeringen uitgesloten gedurende de periode
van één jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de persoon, bedoeld
in het eerste of tweede lid, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
Art. 14.
Personeelsleden
in dienst van volkenrechtelijke organisaties en hun gezinsleden
-1. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
persoon die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de
regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is, tenzij
hij: [RavoN] [RavoN10]
a. in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de
vorenbedoelde dienstbetrekking; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.
-2. De volkenrechtelijke organisaties, bedoeld in het
eerste lid, worden door Onze Ministers, in overeenstemming met Onze Minister van
Buitenlandse Zaken, aangewezen.
-3. De in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en overige
inwonende gezinsleden van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn niet
verzekerd op grond van de volksverzekeringen indien de zetelovereenkomst tussen
het Koninkrijk der Nederlanden en de volkenrechtelijke organisatie zulks
bepaalt, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
-4. De echtgenoot, kinderen en overige inwonende
gezinsleden die op grond van het derde lid niet zijn verzekerd, blijven van de
verzekering op grond van de volksverzekeringen uitgesloten gedurende de periode
van één jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de persoon, bedoeld
in het eerste lid, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
Art. 15.
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba
-1. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is:
a. de gevolmachtigde Minister van Aruba, de gevolmachtigde
Minister van Curaçao en de gevolmachtigde Minister van Sint Maarten;
b. de persoon die als ambtenaar is toegevoegd aan één van de in
onderdeel a bedoelde personen en die ten tijde van aanwerving niet in
Nederland woonde; of
c. de persoon die als ambtenaar van Aruba, Curaçao, Sint
Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba of een
publiekrechtelijke rechtspersoon van één van de drie landen of
openbare lichamen in Nederland
een studieopdracht vervult en die ten tijde van aanwerving niet in Nederland
woonde, tenzij hij:
1º. in Nederland arbeid verricht anders dan
uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking; of
2º. een
Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.
-2. De in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en overige
inwonende gezinsleden van een persoon als bedoeld in het eerste lid zijn niet
verzekerd op grond van de volksverzekeringen, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
-3. De echtgenoot, kinderen en overige inwonende
gezinsleden die op grond van het tweede lid niet verzekerd zijn, blijven van de
verzekering op grond van de volksverzekeringen uitgesloten gedurende de periode
van één jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de persoon, bedoeld
in het eerste lid, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
Art. 16.
Buitenlandse
ambtenaren
-1. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
persoon, voor zover niet reeds begrepen onder artikel 13, die arbeid verricht
uit hoofde van een dienstbetrekking met een buitenlandse publiekrechtelijke
rechtspersoon, tenzij hij:
a. in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van die
dienstbetrekking; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.
-2. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn
de echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van een persoon als
bedoeld in het eerste lid, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
-3. De echtgenoot, kinderen en overige inwonende
gezinsleden die op grond van het tweede lid niet verzekerd zijn, blijven van de
verzekering op grond van de volksverzekeringen uitgesloten gedurende de periode
van één jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de persoon, bedoeld
in het eerste lid, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
Art. 17.
Rijdend,
vliegend of varend personeel, in Nederland wonend Niet verzekerd op
grond van de volksverzekeringen is de persoon die in Nederland woont en die
behoort tot het rijdend, vliegend of op de binnenwateren varend personeel van
een buiten Nederland wonende of gevestigde werkgever die internationaal vervoer
verricht, tenzij hij:
a. in hoofdzaak in Nederland arbeid verricht; of
b. werkt bij een filiaal of een vaste vertegenwoordiging van die
werkgever in Nederland.
Art. 18.
Tijdelijk in
Nederland werkzaam personeel
-1. De persoon die tijdelijk in Nederland verblijft, in
dienstbetrekking werkzaam is van een in Nederland gevestigde buitenlandse
instelling zonder winstoogmerk en op wie een buitenlandse wettelijke regeling
inzake sociale zekerheid van toepassing blijft, wordt voor de duur van ten
hoogste twee jaar op zijn aanvraag of op aanvraag van de werkgever door de
Sociale verzekeringsbank van de verzekering op grond van de volksverzekeringen
ontheven, tenzij hij:
a. in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de
vorenbedoelde dienstbetrekking; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.
De periode van
twee jaar, bedoeld in de eerste zin, kan op aanvraag telkens voor de duur
van twee jaar worden verlengd.
-2. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn
de echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van een persoon die als
niet verzekerd wordt aangemerkt op grond van het eerste lid, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
-3. De echtgenoot, kinderen en overige inwonende
gezinsleden die op grond van het tweede lid niet verzekerd zijn, blijven van de
verzekering op grond van de volksverzekeringen uitgesloten gedurende de periode
van één jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de persoon die als
niet verzekerd wordt aangemerkt op grond van het eerste lid, tenzij zij:
a. in Nederland arbeid verrichten; of
b. een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
Art. 19.
Musici,
artiesten en sporters
-1. Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de
persoon die niet in Nederland woont en die in Nederland als musicus of
anderszins als artiest voor korte duur arbeid verricht.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met artiest
gelijkgesteld degene die als beroep een tak van sport beoefent.
Art. 20.
Tijdelijk in
Nederland studerenden Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen
is:
a. de persoon die uitsluitend wegens
studieredenen in Nederland woont en jonger is dan 30 jaar; en
b. de vreemdeling die een
geaccrediteerde opleiding aan een hogere onderwijsinstelling in
Nederland heeft afgerond en die beschikt over een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000 op grond waarvan verblijf is toegestaan uitsluitend voor het
zoeken naar werk.
Art. 21.
Geen
verzekering op grond van de AWBZ
-1. Niet verzekerd op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is de persoon die in
Nederland woont, doch die met toepassing van een verordening van
de Raad van de Europese Gemeenschappen of van een door Nederland met één of meer
andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in Nederland recht kan
doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee
Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten.
-2. Niet verzekerd op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is de persoon die in
Nederland woont en die recht heeft op een uitkering of pensioen ingevolge een
regeling van een op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, dan wel
artikel 14, tweede lid, aangewezen volkenrechtelijke organisatie, indien hij op grond
van een regeling van die organisatie in Nederland aanspraak heeft op zorg, of op
vergoeding voor de kosten daarvan, tenzij hij in Nederland arbeid verricht. De
aanspraak, bedoeld in de vorige volzin, omvat in ieder geval opname en
verpleging in ziekenhuizen en in instellingen voor langdurige verpleging en
verzorging.
-3. De in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en
inwonende overige gezinsleden van de in het tweede lid bedoelde persoon zijn
eveneens niet verzekerd op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten indien zij ingevolge een
regeling van de desbetreffende volkenrechtelijke organisatie in Nederland
aanspraak hebben op zorg, of op vergoeding voor de kosten daarvan. De aanspraak,
bedoeld in de vorige volzin, omvat in ieder geval opname en verpleging in
ziekenhuizen en in instellingen voor langdurige verpleging en
verzorging.
-4. De echtgenoot, de kinderen en inwonende overige
gezinsleden die op grond van het derde lid niet verzekerd zijn op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, blijven van de verzekering
op grond van die wet uitgesloten vanaf de datum van overlijden van de persoon
die als niet verzekerd werd aangemerkt op grond van het tweede lid, zolang
voornoemde aanspraak op zorg, of op vergoeding voor de kosten daarvan,
bestaat.
-5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op
personen die in Nederland arbeid verrichten of die een Nederlandse
socialeverzekeringsuitkering ontvangen.
-6. De Sociale
verzekeringsbank geeft op aanvraag van de
persoon, bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid, een verklaring af
dat hij niet verzekerd is.
Art.
21a. Ontheffing verzekeringsplicht AWBZ
-1. In afwijking van artikel
14, derde lid, aanhef en onder b, is niet verzekerd op grond
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
de persoon die op grond van een regeling van de in dat lid bedoelde
organisatie aanspraken heeft op zorg, waaronder in ieder geval opname en
verpleging in ziekenhuizen en in instellingen voor langdurige verpleging
en verzorging, of op vergoeding voor de kosten daarvan, die een
ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet ontvangt en aan wie de Sociale
verzekeringsbank op zijn verzoek een ontheffing van de verzekering op grond van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten heeft verleend, tenzij hij in
Nederland arbeid verricht.
-2. Artikel 21, vijfde
lid, is niet van toepassing op de persoon die een ouderdomspensioen op
grond van de Algemene Ouderdomswet ontvangt en aan wie de Sociale
verzekeringsbank op zijn verzoek een ontheffing van de verzekering op grond van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten heeft verleend, tenzij hij in
Nederland arbeid verricht.
-3. De Sociale verzekeringsbank verleent
de ontheffing indien en voor zolang wordt voldaan aan de in het eerste
lid en aan de in artikel 21, derde en vierde lid,
gestelde voorwaarden.
-4. Indien de aanvraag wordt
ingediend binnen vier maanden nadat een persoon voor het eerst is gaan
voldoen aan de in het eerste lid genoemde voorwaarde, gaat de ontheffing
in met ingang van de dag waarop aan deze voorwaarde wordt
voldaan. Indien de aanvraag voor de ontheffing later wordt ingediend,
gaat de ontheffing in op de datum van de aanvraag om ontheffing.
Art.
21b. Ontheffing verzekeringsplicht AWBZ, AOW, Anw en AKW
-1. Voor zover de in Nederland wonende
echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van de persoon,
bedoeld in artikel
14, eerste lid, niet van de verzekering op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
zijn uitgesloten op grond van de artikelen 14, derde
lid, 21 of 21a, wordt, op
aanvraag, door de
Sociale verzekeringsbank een ontheffing verleend van de verzekering op
grond van zowel de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten als de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet
indien de echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden op grond
van een regeling van een op grond van artikel 14,
tweede lid, aangewezen volkenrechtelijke organisatie aanspraken hebben
op zorg, waaronder in ieder geval opname en verpleging in ziekenhuizen
en in instellingen voor langdurige verpleging en verzorging, of op
vergoeding voor de kosten daarvan.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
op de echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden die in
Nederland arbeid verrichten of een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering
ontvangen anders dan de in artikel 21a
bedoelde uitkering.
-3. De Sociale verzekeringsbank verleent de
ontheffing indien en voor zolang wordt voldaan aan de in het eerste en
tweede lid gestelde voorwaarden.
-4. Indien de aanvraag voor de ontheffing
wordt ingediend binnen vier maanden nadat een persoon voor het eerst is
gaan voldoen aan de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden,
gaat de ontheffing in met ingang van de dag waarop aan deze voorwaarden
wordt voldaan.
-5. Indien de aanvraag voor de ontheffing
niet binnen de in het vierde lid genoemde periode wordt
ingediend, gaat de ontheffing in op de eerste dag van de maand volgende
op de dag waarop de aanvraag door de Sociale verzekeringsbank is
ontvangen, indien op die eerste dag aan de in het eerste en tweede lid
gestelde voorwaarden wordt voldaan.
-6. De echtgenoot, kinderen en overige
inwonende gezinsleden die op grond van het eerste lid zijn ontheven,
blijven ontheven van de verzekering op grond van zowel de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten als de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet gedurende de periode van
één jaar, te rekenen vanaf de datum van overlijden van de persoon,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, tenzij zij in
Nederland arbeid verrichten.
Art. 22.
Ontheffing verzekeringsplicht AOW, Anw en AKW
-1. De persoon die in Nederland woont en die recht heeft op
een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke of bovenwettelijke regeling inzake sociale
zekerheid of op grond van een regeling van een volkenrechtelijke organisatie,
wordt op zijn aanvraag, voor zolang hij geen arbeid in Nederland verricht, door
de
Sociale verzekeringsbank van de verzekering op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de
Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet
ontheven, zolang hij:
a. duurzaam recht heeft op uitsluitend een uitkering als bedoeld in de
aanhef en deze uitkering per maand ten minste gelijk is aan 70% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag; of
b. naast een uitkering als bedoeld in onderdeel a recht heeft op een
Nederlandse socialeverzekeringsuitkering en het totaal van deze uitkering en
de buitenlandse wettelijke of
bovenwettelijke uitkering of de uitkering van de
volkenrechtelijke organisatie per maand ten minste gelijk is aan 70% van het
in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag en de buitenlandse uitkering of
de uitkering van de volkenrechtelijke organisatie groter is dan of gelijk is
aan de Nederlandse uitkering.
-2. Indien de aanvraag voor de
ontheffing wordt ingediend
binnen één jaar na de datum waarop de persoon, bedoeld in het eerste lid, voor
het eerst voldoet aan de in dat lid opgenomen voorwaarden, gaat de ontheffing in op die datum. Indien de aanvraag voor de
ontheffing later wordt ingediend,
gaat de ontheffing in op de datum van de aanvraag om ontheffing.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan de
ontheffing,
bedoeld in het eerste lid, verlenen met ingang van een datum die gelegen is ten
hoogste drie jaar vóór de datum van de aanvraag, doch niet eerder dan de datum
waarop recht is ontstaan op de buitenlandse wettelijke
of bovenwettelijke uitkering of de uitkering
van de volkenrechtelijke organisatie, indien toepassing van het tweede lid leidt
tot onbillijkheden van overwegende aard.
-4. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een
uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke
of bovenwettelijke regeling inzake sociale
zekerheid gelijkgesteld een vergelijkbare buitenlandse uitkering krachtens een
bijzondere regeling voor ambtenaren en wordt met een Nederlandse
socialeverzekeringsuitkering gelijkgesteld een vergelijkbare Nederlandse
uitkering krachtens een bijzondere regeling voor ambtenaren.
-5. Voor de toepassing van dit artikel wordt een uitkering
op grond van een wettelijke of
bovenwettelijke regeling inzake sociale zekerheid van Aruba, Curaçao,
Sint Maarten of van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangemerkt als een uitkering op grond van een buitenlandse
regeling.
-6. Het tweede lid, eerste zin, en het derde
lid zijn niet
van toepassing indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, binnen de in die
leden genoemde periode van één jaar respectievelijk ten hoogste drie jaar, een
uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet dan wel kinderbijslag op
grond van de Algemene Kinderbijslagwet heeft ontvangen.
Art. 23.
Vreemdelingen, rechtmatig verblijf houdend in Nederland
De vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van
artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet
2000, is niet op grond van het verrichten van arbeid
uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting is onderworpen, verzekerd
voor de volksverzekeringen indien hij voor een werkgever arbeid verricht
zonder dat aan de Wet
arbeid vreemdelingen is voldaan.
§
4. Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 24.
Hardheidsclausule
-1. De
Sociale verzekeringsbank kan, met uitzondering van
artikel 22, derde lid, artikelen van dit besluit buiten toepassing laten of
daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de uitbreiding en
beperking van de kring van verzekerden zal leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard die uitsluitend voortvloeit uit de verzekeringsplicht of de
uitsluiting daarvan krachtens dit besluit.
-2. Van een besluit van de Sociale verzekeringsbank op
grond van het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
§ 5.
Overgangs- en slotbepalingen
Art. 25.
Voortzetting
verstrekkingen op grond van de AWBZ
-1. De persoon die niet in Nederland woont en van wie de
verzekering op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitsluitend wegens de
inwerkingtreding van enig artikel van dit besluit dan wel wegens het vervallen
van artikel 26 is geëindigd, heeft niettemin met overeenkomstige toepassing van
artikel 20, eerste lid, onderdeel
b, en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ
recht op uitkeringen ten
laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in de Wet
financiering sociale verzekeringen, ter zake van de kosten van
verblijf en voortgezet verblijf als bedoeld in de artikelen 9
en 13 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, voor zover die zorg op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van
enig artikel van dit besluit dan wel aan het vervallen van artikel 26 ingevolge
artikel 20, eerste lid, onderdeel
b, en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ
voor rekening van het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten werd verleend en op een tijdstip gelegen
uiterlijk op die dag was aangevangen maar nog niet voltooid.
-2. De belanghebbende die op grond van het eerste lid zijn
aanspraak tot gelding wil brengen, meldt zich daartoe binnen een termijn van vier
maanden na de inwerkingtreding van enig artikel van dit besluit dan wel vier
maanden na het vervallen van artikel 26 aan bij de
zorgverzekeraar waarbij
hij op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van enig artikel van dit
besluit dan wel het vervallen van artikel 26 als verzekerde op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten was ingeschreven. Indien de
belanghebbende op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van enig artikel
van dit besluit dan wel het vervallen van artikel 26 nog niet was ingeschreven,
dan wel diens inschrijving in de periode gelegen tussen die dag en de dag van
aanmelding als belanghebbende is komen te vervallen, meldt hij zich binnen een
termijn van vier maanden om zijn aanspraak tot gelding te brengen ¹ een
zorgverzekeraar naar eigen keuze.
-3. De belanghebbende die zich niet binnen de in het tweede
lid bedoelde termijn als zodanig heeft aangemeld, wordt geacht aan die termijn
te hebben voldaan indien hij naar het oordeel van de instelling, bedoeld in het
tweede lid, genoegzaam aantoont dat hij zich heeft aangemeld binnen een termijn
van vier maanden na de dag waarop hij redelijkerwijs van de inwerkingtreding van
enig artikel van dit besluit dan wel het vervallen van artikel 26 kennis heeft
kunnen nemen.
1. Volgens de redactie
dient na "te brengen" te worden ingevoegd: aan bij.
Art. 26. Vervallen.
Art. 27.
Vervallen.
Art. 28.
Voortzetting
beschikkingen Beschikkingen gegeven op grond van de artikelen 18, 23, 24 en
25 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 worden aangemerkt als beschikkingen op grond van de
artikelen 18, 21, 22 en 24.
Art.
28a.¹
Door het College zorgverzekeringen vóór de
inwerkingtreding van dit besluit ² afgegeven verklaringen als bedoeld
in artikel 21 en verleende ontheffingen als bedoeld in
artikel 21a worden aangemerkt als door de Sociale
verzekeringsbank op grond van de desbetreffende artikelen afgegeven
verklaringen en ontheffingen.
1. Volgens de redactie
dient artikel 28a te worden voorzien van een
opschrift, luidende: Overgangsrecht per 15 maart 2011.
2. Volgens de redactie dient "dit besluit" te worden
vervangen door: het Besluit van 26 februari 2011, houdende wijziging van
het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999 in verband met het overdragen van de bevoegdheid
tot het verlenen van een ontheffing van de verzekeringsplicht AWBZ
aan de Sociale verzekeringsbank (Stb.
2011, 112),.
Art. 29.
Ministeriële
regelingen Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de
ministeriële regelingen op grond van de artikelen 3, derde lid, en 13, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1989 op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel d, en
14, tweede lid, van dit besluit.
Art. 30.
Intrekking Het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 wordt ingetrokken.
Art. 31.
Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari
1999.
Art. 32.
Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1999.
Lasten en bevelen dat
dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 24 december 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F.
Hoogervorst
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de dertigste december 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[24 december 1998]
Algemeen
1.1. Inleiding
Om de verzekeringspositie
van personen in het kader van de volksverzekeringen te kunnen vaststellen
wordt het ingezetenschap als uitgangspunt genomen. Iedereen die in Nederland woont is in beginsel verplicht
verzekerd voor de
Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ). Waar iemand woont, wordt aan de hand van de
individuele omstandigheden beoordeeld.
Verzekerd zijn bovendien
de personen die niet in Nederland wonen, maar die ter zake van in
ons land in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn
onderworpen. Deze regel sluit aan bij het internationaal algemeen aanvaarde
uitgangspunt dat men verzekerd is op grond van de
socialeverzekeringswetgeving van het land waar de werkzaamheden worden verricht.
Reeds vanaf het moment
dat de eerste volksverzekering in werking trad (de AOW, per 1 januari
1957) bestond er behoefte om via een algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel beperking te geven aan de
hoofdregel op grond
waarvan het ingezetenschap tot verzekeringsplicht leidt. Zo zouden bepaalde
groepen van personen die in Nederland woonden van de
verzekeringsplicht moeten worden uitgesloten. De gedachten gingen daarbij
uit naar de personen die reeds op grond van een buitenlandse regeling
waren verzekerd voor een oudedagsvoorziening. Uitsluiting van
Nederlandse verzekeringsplicht moest in een dergelijke situatie
samenloop tussen AOW- en buitenlandse verzekering, en daarmee in de toekomst
een dubbele uitkering, voorkomen. Daarnaast werd het wenselijk
geoordeeld om in een aantal gevallen personen die buiten ons land woonden
toch onder de Nederlandse verzekeringsplicht te houden, bijvoorbeeld de
personen die wedde of loon genoten ten laste van het Rijk, alsmede hun echtgenoten en overige gezinsleden.
Het beleid moest erop
gericht zijn om incidenteel en van land tot land te bezien of bij algemene
maatregel van bestuur aan het begrip verzekerde uitbreiding dan wel beperking diende te worden gegeven. Bij
Koninklijk besluit van 20
december 1956, Stb. 1956, 624, werd deze beleidslijn voor het eerst
geconcretiseerd.
In de jaren daarna heeft
het besluit vele aanpassingen ondergaan. Een duidelijke lijn was daarin niet te ontdekken. Met name in de zestiger jaren
lag aan de beslissingen
inzake uitbreiding en beperking geen eenduidig motief ten grondslag.
Elke beslissing werd van geval tot geval beoordeeld. Op deze manier kon een
geheel van bepalingen ontstaan waarin een onderlinge
consistentie ontbrak.
In de zeventiger jaren
ontstond meer lijn in het beleid ter zake. De uitbreiding van de kring
van verzekerden werd door drie uitgangspunten bepaald, namelijk:
a. het nakomen van
internationale verplichtingen;
b. de tijdelijke aard van
het wonen in het buitenland, dan wel de tijdelijke onderbreking van werkzaamheden in Nederland, zodat een
onderbreking van de
Nederlandse verzekering voor korte duur niet zinvol werd geacht;
c. het ontbreken van
buitenlandse voorzieningen.
Waar het ging om het
beperken van de kring van verzekerden waren de uitgangspunten spiegelbeeldig aan die welke voor de uitbreiding golden.
In het begin van de jaren
tachtig besloot de regering om het toen geldende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen
(Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 1976, 557) algeheel te herzien. Een dergelijke herziening was
onder meer nodig omdat in dat besluit enkele lacunes werden
geconstateerd die het gevolg waren van nieuwe maatschappelijke
ontwikkelingen. In dat verband werden genoemd de vervroegde pensionering
en de landsgrensoverschrijdende arbeidsparticipatie. Als herzieningsargument
werd voorts genoemd een aantal uitspraken van de
beroepsrechter die tot toepassingen leidden, die niet met de bedoelingen van de
nationale en internationale wetgever strookten.
Op 27 augustus 1986 zond
de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
De Graaf aan het parlement een beleidsnota met als uitgangspunt om naar de oorsprong van de volksverzekeringen
terug te gaan en alleen
nog ingezetenen verzekerd te doen zijn (Kamerstukken II 1985-1986, 19 615,
nrs.
1-2). Hierop zou een uitzondering moeten worden gemaakt ten
aanzien van de personen van wie de verzekering kort wordt onderbroken. Dit
voorstel zou betekenen dat niet-ingezetenen met een AAW/WAO-,
AOW- of
AWW-uitkering (de zogenoemde postactieven in het buitenland) uit de
kring van verzekerden voor de volksverzekeringen moesten worden genomen.
De toenmalige regering vond dat deze postactieven hun AOW-/AWW-verzekering desgewenst maar op vrijwillige
basis moesten
voortzetten. Nadrukkelijk zij gesteld dat de regering het er niet om begonnen was de
uitkeringen van deze niet-ingezetenen stop te zetten, maar om de met die
uitkering verbonden verzekering voor de (overige)
volksverzekeringen te beëindigen.
Op aandrang van de Tweede
Kamer echter is uiteindelijk - gelet op de toenmalige rechtspraak ter
zake van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - het standpunt ingenomen om de postactieven
vooralsnog verzekerd te
houden. Besloten werd voorts verdere ontwikkelingen in de communautaire
wetgeving en in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen af te wachten. Het nieuwe Besluit van 3 mei
1989 (Stb. 1989, 164, kortweg: KB 164) ["Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989", red.] bevatte dus voor postactieven geen
fundamentele wijziging ten opzichte van de situatie daarvoor.
Wel zijn uiteindelijk in
KB 164 de verzekeringsvoorwaarden zoveel als mogelijk aangepast aan de
internationale regelingen waaraan Nederland is gebonden. Zo is bijvoorbeeld bepaald dat personen die (langer dan drie
maanden) buiten Nederland
hun werkzaamheden verrichten, ondanks het feit dat zij hier te
lande wonen, in beginsel niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen. Ook
is in KB 164 een vrijstellingssysteem ingevoerd ten behoeve van
ingezetenen met een langlopende wettelijke socialeverzekeringsuitkering krachtens een buitenlands
stelsel of een stelsel van een volkenrechtelijke
organisatie.
1.2. Aanleiding tot
herziening van KB 164
Op basis van de ongeveer
negenjarige ervaring met de huidige regeling - KB 164 trad op 1 juli
1989 in werking - kan worden gesteld dat dit besluit op diverse punten aan
herziening toe is. Daarvoor zijn een aantal redenen aan te voeren: de
aankondiging in de toelichting op KB 164 en de toezegging aan de Tweede
Kamer om de socialeverzekeringspositie van postactieven te
heroverwegen én het "nieuwe" KB 164 te evalueren.
Voorts de wens tot
vereenvoudiging, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, een in de pas lopen met
internationale voorschriften en het opnieuw toetsen aan de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen
om alleen ingezetenen te verzekeren. Overigens laat dit laatste onverlet het beginsel om
niet-ingezetenen die hier te lande in het economisch verkeer
werkzaam zijn, in de kring van verzekerden te houden.
In het algemeen deel van
de nota van toelichting van KB 164 werd over de verzekeringspositie
van buiten Nederland wonende personen met een langlopende Nederlandse
socialeverzekeringsuitkering opgemerkt dat deze zogenoemde postactieven op verzoek van de Tweede Kamer
vooralsnog verplicht
verzekerd dienden te blijven. De ontwikkelingen binnen de Europese Unie
met betrekking tot het creëren van aanwijsregels inzake de toepasselijke
wetgeving voor deze personen moesten worden afgewacht, aldus
de Tweede Kamer. Na verdere ontwikkelingen ter zake heeft de toenmalige
staatssecretaris, mevrouw Ter Veld, op 25 juni
1992 aan de voormalige Sociale Verzekeringsraad (SVr) en aan de Ziekenfondsraad
(ZFR)
[zie College voor zorgverzekeringen, red.]
advies gevraagd. De ZFR kwam op 26 november 1992 met een advies, de SVr 9 september 1993. Bij brief van 23 november 1993 aan de voorzitter
van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de
Tweede Kamer kondigde oud-staatssecretaris Wallage aan dat hij
beide adviezen bij de algemene herbezinning op KB 164 zou meenemen. Die toezegging had eveneens betrekking op de door
de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) en de rijksbelastingdienst gesignaleerde knelpunten bij de
uitvoering van het hiervoor bedoelde besluit.
In de brief inzake de
herbezinning van KB 164 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 754, nr.1) van 29 mei
1996 is aan alle elementen met betrekking tot het functioneren van dit
besluit ruim aandacht besteed. De Vaste Commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van de Tweede Kamer heeft op 28 mei 1997 over deze
brief gedebatteerd. Daarbij zijn tevens de antwoorden betrokken op
schriftelijke vragen die de Commissie naar aanleiding van eerder
gememoreerde brief aan de regering heeft gesteld.
In het kader van de
handhaafbaarheid heeft de regering in een brief van 27 april 1993 aan de
Tweede Kamer (Kamerstukken II 1992-1993, 17 050, nr. 176) naar aanleiding van
het heroverwegingsrapport "Misbruikgevoeligheid van de regelgeving in de
sociale zekerheid" eveneens het voornemen kenbaar gemaakt
om de verzekeringsplicht in het buitenland zoveel mogelijk te
beperken. Dit voornemen is nader geduid in de nota betreffende de "handhaving over de grens bij export van
uitkeringen" (Kamerstukken II 1995-1996,
17 050, nr.199), die op 20 februari 1996 aan de Tweede Kamer is
toegezonden en op 22 mei van dat jaar met haar is besproken. In lijn
daarmee zouden mensen met een uitkering die in het buitenland wonen en
andere groepen niet-ingezetenen die op basis van KB 164 verzekerd zijn,
zoveel mogelijk buiten de kring van verzekerden volksverzekeringen moeten
worden gehouden.
Samenvattend kan worden
gesteld dat de herziening van KB 164 voornamelijk tot doel heeft om strakker vast te houden aan de oorspronkelijke
bedoeling van de volksverzekeringen, namelijk dat wie hier woont, verzekerd is.
Tot slot is in dit kader
nog relevant de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de
aanspraak van
vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen,
uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig
verblijf van de vreemdeling in Nederland (Stb. 1998, 203, kortweg: de
Koppelingswet).
Daarin wordt uitwerking
gegeven aan het uitgangspunt dat vreemdelingen die niet onvoorwaardelijk
tot Nederland zijn toegelaten in beginsel geen toegang hebben tot
de collectieve sociale voorzieningen (het koppelingsbeginsel).
Indachtig dit
koppelingsbeginsel is de verzekeringsplicht in de verschillende volksverzekeringswetten
beperkt tot vreemdelingen die hier verblijven op grond van
een besluit tot toelating of op grond van toelating als EG-onderdaan (de
vreemdeling, bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet).
De regering is van mening
dat in een aantal situaties van deze hoofdregel dient te worden
afgeweken. In dit besluit zijn daartoe enkele bepalingen opgenomen die uitbreiding dan wel beperking aan het
koppelingsbeginsel geven.
1.3. Financiële gevolgen
Wat betreft de
financiële gevolgen van de herziening van KB 164 kan worden opgemerkt dat er
onvoldoende gegevens voorhanden zijn om tot een betrouwbare raming te
kunnen komen. Een tentatieve raming voor een onderdeel van de
wijzigingsvoorstellen - de beëindiging van de verzekeringsplicht voor
postactieven in het buitenland - wees vorig jaar op een structurele
besparing in de orde van grootte van ƒ50 miljoen (zie Kamerstukken II
1996-1997,
24 754, nr. 6). Daartegenover staat echter ook een structurele kostenpost
omdat tegelijkertijd de verzekeringsplicht voor een aantal andere groepen
wordt uitgebreid. Voor de korte termijn is het vanwege het voorgestelde
overgangsrecht en de mogelijkheid om de verzekering voor AOW en
Anw op vrijwillige basis voort te zetten, nog moeilijker om tot een
enigszins betrouwbare schatting van de financiële effecten te komen.
Duidelijk is wel dat het ook dan om zowel baten als kostenposten gaat van
relatief geringe omvang. Dit overwegende, acht de regering het verstandig
om vast te houden aan de veronderstelling uit de beleidsnotitie van 29 mei
1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 754, nr. 1) dat het geheel van
wijzigingsvoorstellen met betrekking tot KB 164 per saldo kostenneutraal zal zijn.
Artikelsgewijs
Artikel
1.
Begripsbepalingen
In dit artikel worden
enige begripsomschrijvingen gegeven.
De formulering in
onderdeel a betekent dat het begrip volksverzekeringen in dit besluit betrekking
heeft op alle volksverzekeringen. Indien bijvoorbeeld toepassing
van enig artikel in dit besluit leidt tot verzekeringsplicht, dan
geldt deze voor zowel de AOW, Anw,
AKW als de AWBZ, waarbij uiteraard
rekening moet worden gehouden met de specifieke voorwaarden
die elk van deze wetten ten aanzien van de verzekering kent, zoals leeftijdscriteria.
In onderdeel b wordt het
begrip "kind" afgebakend. Het gaat hier om eigen, aangehuwde of
pleegkinderen die in belangrijke mate door de ouders worden onderhouden
als bedoeld in de AKW. Deze formulering impliceert niet dat de
betreffende ouders aanspraak hebben op kinderbijslag. Er wordt slechts mee
aangegeven dat zij het betreffende kind dienen te onderhouden
krachtens de voorwaarden die de AKW ter zake stelt.
Veelal is in dit besluit
de verzekeringspositie van het kind in beginsel gekoppeld aan dat van
één
van de ouders. Is met andere woorden de ouder verzekerd, dan geldt
voor het kind hetzelfde (artikel 2, 3 en
5). Wanneer de ouder als niet
verplicht verzekerd wordt beschouwd, is zulks eveneens van toepassing
op het betreffende kind (artikel 13, 14,
15, 16 en 18). Slechts ten aanzien
van een tweetal groepen kinderen wordt de verzekeringspositie op
eigen merites beoordeeld (artikel 8 en artikel
20). Het gaat met name hier om
studerende kinderen.
De leeftijdsgrens van 27
jaar die ook werd gehanteerd in KB 164, blijft gehandhaafd.
Directe oorzaak voor het
opnemen van deze leeftijd was destijds de totstandkoming van de Wet
op de studiefinanciering onder gelijktijdige afschaffing van het recht
op kinderbijslag voor studerende kinderen van 18 tot 27 jaar. Omdat het
daardoor noodzakelijk werd uit te wijken naar een meer feitelijke
omschrijving van de doelgroep, is toen aansluiting gezocht bij de
formulering van artikel 2, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
In onderdeel d wordt het
begrip arbeid gedefinieerd. De gehanteerde formulering bedoelt aan
te geven dat met de betreffende werkzaamheden in beginsel inkomen wordt verworven. Vrijwilligerswerk valt daar met
andere woorden niet
onder.
Onderdeel e ten slotte
bepaalt wat onder een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering dient te worden verstaan.
Artikel
2. Nederlandse
ambtenaren en hun gezinsleden in het buitenland
In het Verdrag van Wenen
inzake diplomatiek verkeer, met twee Protocollen; Wenen, 18 april 1961 (Trb. 1962, 159)
- kortweg het Verdrag
van Wenen diplomatiek - is een aantal diplomatieke voorrechten en immuniteiten
opgenomen
die beogen diplomatieke zendingen als vertegenwoordigers van
hun staten doelmatig te laten functioneren. Onder die immuniteiten
valt de vrijstelling van in de ontvangende staat van kracht zijnde voorschriften op het terrein van de sociale verzekeringen.
Nederland, dat voornoemd
verdrag heeft geratificeerd, is derhalve gehouden van de verzekering op grond van de
volksverzekeringswetten
uit te zonderen de
buitenlandse diplomatieke ambtenaren van hier te lande gevestigde
diplomatieke zendingen (ambassades) en nader in het verdrag genoemde
personen.
Eén en ander is geregeld
in artikel 13 van dit besluit. Artikel 2 regelt de spiegelbeeldsituatie van
artikel 13, namelijk de socialeverzekeringspositie van de Nederlandse
diplomatieke ambtenaren in het buitenland. Deze ambtenaren dienen mede gelet op de immuniteiten en voorrechten jegens
de ontvangende staat
terug te kunnen vallen op de sociale bescherming in Nederland.
Dit geldt eveneens voor
wat betreft de leden van de Nederlandse consulaire posten in den
vreemde, gelet op het door Nederland geratificeerde Verdrag van Wenen inzake
consulaire betrekkingen, met twee protocollen; Wenen, 24
april 1963 (Trb. 1981, 143), kortweg het Verdrag van Wenen consulair.
Eerste lid
Het eerste lid regelt de
verzekering van personen die werkzaam zijn bij één van de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland.
Onder deze vertegenwoordigingen worden verstaan de vaste en de tijdelijke diplomatieke
zendingen, de consulaire posten en de permanente vertegenwoordigingen van
ons land bij internationale organisaties. De personen worden nader
omschreven in het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken. De uitbreiding
geldt uitdrukkelijk niet voor de personen die bij een
vertegenwoordiging van het Koninkrijk als lokaal aangeworven werknemer werkzaam zijn.
De band met Nederland van de betreffende groep is te gering om de Nederlandse volksverzekeringen van toepassing
te achten. Evenmin zijn
verzekerd de personen die tevens andere werkzaamheden verrichten
dan uit hoofde van hun functie voor de Nederlandse
vertegenwoordiging of die een buitenlandse wettelijke uitkering ontvangen.
Tweede lid
In het tweede lid wordt
de verzekering geregeld van de gezinsleden van de in het eerste lid
bedoelde personen. Daaronder vallen de personen, genoemd in artikel 2 van
het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.
Voor de gezinsleden geldt
- in tegenstelling tot de beperking van de kring van verzekerden - niet als voorwaarde dat zij inwonend moeten zijn. De eerder bedoelde verdragen van Wenen staan dergelijke uitbreidingen
toe.
Dit lid regelt tevens dat
de verzekeringsplicht voor gezinsleden eindigt indien zij in het buitenland werken
- en zich zodoende onder de invloedssfeer
van de aldaar vigerende wetgeving stellen - of in verband daarmee een
socialeverzekeringsuitkering ontvangen krachtens een buitenlandse wettelijke regeling. Het
gaat dan niet om werkzaamheden die zij voor de Nederlandse overheid
verrichten. Uit de verwijzing naar het eerste lid volgt verder dat, indien
het personeel als bedoeld in dat lid niet in functie is en hun verzekering
derhalve onderbroken is, de gezinsleden evenmin verzekerd zijn. De bepalingen van KB 164 waarin de medeverzekering is
vastgelegd, worden niet
alleen gehandhaafd, maar bovendien op een onderdeel ook uitgebreid,
namelijk in de situatie waarbij het gezinslid in het buitenland gaat
werken. Op grond van het oude KB eindigt in zo’n geval de Nederlandse
verzekeringsplicht, ook al gaat het daarbij om werkzaamheden van slechts
enkele uren per week of per maand. Aldus wordt het Nederlandse
beleid, dat erop is gericht echtgenoten van diplomaten en consuls
actief aan het arbeidsproces in het buitenland te laten deelnemen,
doorkruist. Deze werkzaamheden leveren, gezien de beperkte duur dat zij
meestal worden uitgeoefend, financieel weinig op.
Op grond van de nieuwe
regeling worden geen consequenties aan deze activiteiten in het
buitenland verbonden, mits de daaraan gekoppelde verdiensten niet meer
bedragen dan de voor de tariefgroepindeling voor de loon- en
inkomstenbelasting geldende basisaftrek (in 1998: ƒ8207,- op jaarbasis). Aangezien in
het kader van de AKW- en de Anw-beoordeling gedurende het jaar dient
te worden getoetst of aan de verzekeringsvoorwaarden wordt voldaan, dient de
inkomenstoets in voorkomende gevallen naar rato van de
verstreken tijdsduur plaats te vinden.
Het bovenstaande geldt
overigens niet voor de personen die hun werkzaamheden verrichten
in een EU/EER- of verdragsland.
Immers in dergelijke
gevallen is te allen tijde uitsluitend de wetgeving van toepassing van het
land waar de werkzaamheden worden verricht, ongeacht de duur van die werkzaamheden of de hoogte van de daaraan
verbonden verdiensten. Voor zover het werkzaamheden betreft die op het grondgebied van de
Europese Unie plaats vinden, vloeit één en ander voort uit Verordening
(EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen
op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich
binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: Verordening (EEG) nr.
1408/71). Gaat het om werkzaamheden die in een land worden uitgeoefend
waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten,
dan is dit uitgangspunt in zo’n verdrag opgenomen.
Derde lid
In het derde lid wordt de
verzekering geregeld van de nagelaten betrekkingen van het diplomatiek en consulair personeel bij vertegenwoordigingen
van ons land in het buitenland. Deze verzekering is van beperkte duur. Eén en
ander komt overeen met het derde lid van artikel 39 van het Verdrag van Wenen
diplomatiek. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat na het
overlijden van bijvoorbeeld de diplomatieke ambtenaar de nagelaten
betrekkingen niet in de ontvangende staat achterblijven. Bij het
overlijden van de diplomatieke ambtenaar, voor zover deze voor de
volksverzekeringen verzekerd was, blijft gedurende één jaar de
achtergebleven weduwe of weduwnaar onder de volksverzekeringen vallen. Dat geldt ook
voor de kinderen en de overige gezinsleden. Voorwaarde voor de
verzekering is dat de nagelaten betrekkingen zelf ten tijde van het overlijden verzekerd waren. Indien dat niet het geval
is, is het creëren van
verzekering gedurende één jaar niet wenselijk. De verzekering kan
vroegtijdig eindigen indien bijvoorbeeld de weduwe/weduwnaar arbeid gaat
verrichten of een buitenlandse uitkering ontvangt.
De voortzetting van de
verzekering geldt ook voor de nagelaten betrekkingen van het administratieve, technische en bedienende
personeel. Aan de
beperkingskant is een zelfde regeling getroffen.
Vierde lid
In het vierde lid wordt
geregeld dat de particuliere bedienden van de in het eerste lid bedoelde
personen zijn verzekerd krachtens de volksverzekeringen, tenzij zij onderdaan
zijn
van de ontvangende staat, buiten Nederland zijn
aangeworven, buiten ons land arbeid verrichten anders dan uit hoofde van
eerderbedoelde dienstbetrekking dan wel een uitkering ontvangen op grond van
een buitenlandse wettelijke socialeverzekeringsregeling. Eén en ander is af te
leiden uit artikel 33, tweede lid, van het Verdrag van Wenen
diplomatiek. Ten aanzien van die particuliere bedienden wordt een zodanige band met het woonland
verondersteld dat
niet door de enkele
indiensttreding bij een Nederlandse werkgever verzekering dient te
ontstaan. Dit laat onverlet hetgeen in Verordening (EEG) nr. 1408/71 is
vastgelegd of in bilaterale verdragen is overeengekomen.
Artikel
3. Nederlanders,
in dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon, en hun gezinsleden in het buitenland
Naast de in
artikel 2
genoemde groep diplomaten e.a. zijn er ook andere Nederlandse ambtenaren
die buiten Nederland arbeid verrichten: zij blijven op grond van dit
artikel verzekerd voor de volksverzekeringen.
Het moet wel gaan om
werkzaamheden die ten behoeve van een Nederlands publiekrechtelijke rechtspersoon worden verricht. De
verzekering geldt ook
voor hun (inwonende) gezinsleden.
Eerste lid
In het eerste lid wordt
aangegeven dat het moet gaan om een niet in Nederland wonende ambtenaar die in dienst is bij een Nederlands
publiekrechtelijk
rechtspersoon. Daarnaast worden beperkende voorwaarden gesteld aan
het verzekerd zijn: deze voorwaarden brengen tot uitdrukking dat als
de betreffende personen een onvoldoende band met Nederland hebben, er
onvoldoende aanleiding is om hen onder de kring van verzekerden te
brengen of te houden. Evenals dit in het eerste lid van artikel 2 is
vermeld (onderdeel a), geldt de uitbreiding niet voor personen die buiten
Nederland zijn aangeworven. Hiermee wordt niet bedoeld dat de
arbeidsovereenkomst buiten Nederland is gesloten, maar dat de persoon buiten
Nederland woonachtig was toen hij voor de dienstbetrekking bij de
Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon werd aangeworven. Evenmin
zijn verzekerd de personen die tevens andere werkzaamheden
verrichten dan uit hoofde van hun functie voor de Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon, dan wel die een socialezekerheidsuitkering
ontvangen krachtens een
buitenlandse wettelijke regeling (onderdeel b en c). Deze personen vallen onder de sociale bescherming van het land waar men werkt of waarvan men een uitkering
ontvangt.
Met de beperking van
onderdeel d wordt bereikt dat ambtenaren die - al dan niet onder condities
van buitengewoon verlof - naar het buitenland worden uitgezonden voor
het werken bij een aangewezen volkenrechtelijke organisatie, niet
verzekerd zijn. Hoewel in formele zin de dienstbetrekking met de
Nederlandse overheid gedurende hun afwezigheid gehandhaafd
blijft en hun arbeid in opdracht van de Nederlandse overheid dan
wel in het kader van het Nederlands overheidsbeleid wordt verricht, is
daarvan in materiële zin nauwelijks sprake. De ambtenaren treden in
dienst van volkenrechtelijke organisaties en vallen op grond daarvan onder
het socialezekerheidsstelsel van die organisaties. De hier bedoelde
beperkende voorwaarde strekt ter voorkoming van dubbele verzekering.
Omdat niet alle volkenrechtelijke organisaties beschikken over een volwaardig stelsel van sociale zekerheid, is de
bevoegdheid opgenomen om
deze organisaties aan te wijzen.
Tweede lid
Het tweede lid is bedoeld
voor een speciale categorie ambtenaren: ten aanzien van iemand die
weliswaar formeel in dienst blijft van de Nederlandse publiekrechtelijke
rechtspersoon maar die daarnaast in niet-Nederlandse
overheidsdienst treedt en voor die overheid gaat werken, eindigt de
Nederlandse verzekeringsplicht. Door het verrichten van laatstbedoelde
werkzaamheden onderwerpt de desbetreffende persoon zich immers aan
het wettelijke socialezekerheidsstelsel van het land waartoe die overheidsdienst behoort. Een uitzondering daarop vormt
de ambtenaar die in
opdracht van de Nederlandse overheid gaat werken en daartoe in dienst
treedt bij de Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse overheid. Deze groep
blijft Nederlands verzekerd. Met de overzeese Rijksdelen is afgesproken
dat deze groep niet aldaar, maar in Nederland onder de sociale
bescherming valt.
Derde lid
Het derde lid regelt dat
echtgenoten, kinderen en overige inwonende gezinsleden van de op
grond van het eerste en het tweede lid verzekerde personen eveneens
verzekerd zijn.
Dit lid regelt tevens dat
er voor gezinsleden geen sprake zal zijn van Nederlandse
verzekeringsplicht indien zij in het buitenland werken - en
zich zodoende onder de invloedssfeer van de plaatselijke wetgeving stellen
- of in verband
daarmee een socialezekerheidsuitkering ontvangen krachtens een
buitenlandse wettelijke regeling. Uit de verwijzing naar het eerste lid volgt verder
dat, indien het personeel als bedoeld in dat lid niet in functie is en hun
verzekering derhalve onderbroken is, de gezinsleden evenmin verzekerd zijn.
De bepalingen van KB 164
waarin de medeverzekering is vastgelegd, worden niet alleen gehandhaafd, maar bovendien op een onderdeel ook
uitgebreid, namelijk in
de situatie waarbij het gezinslid in het buitenland gaat werken. Op grond van
de bestaande regeling eindigt in zo’n geval de Nederlandse
verzekeringsplicht, ook al gaat het daarbij om werkzaamheden van slechts enkele uren
per week of per maand. Daarmee wordt het Nederlands beleid, dat
erop is gericht echtgenoten van ambtenaren actief in het buitenland aan het
arbeidsproces te laten deelnemen, doorkruist. Over het algemeen gaat
het daarbij om werkzaamheden die, gezien de beperkte duur daarvan,
financieel weinig opleveren. Teneinde dit stimuleringsbeleid niet
te doorkruisen, worden geen consequenties aan deze activiteiten in het
buitenland verbonden, mits de daaraan gekoppelde verdiensten minder
bedragen dan de voor de tariefgroepindeling voor de loon- en inkomstenbelasting geldende basisaftrek (in 1998:
ƒ8207,- op jaarbasis).
Deze voorgestelde wijziging heeft overigens geen gevolgen voor zover de
werkzaamheden worden verricht in een EU/EER- of verdragsland. Immers in
dergelijke gevallen is te allen tijde uitsluitend de wetgeving van toepassing
van het land waar de werkzaamheden worden verricht, ongeacht de
duur van die werkzaamheden of de hoogte van de daaraan verbonden
verdiensten.
Vierde lid
In het vierde lid wordt
de verzekering geregeld van de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar, genoemd in het eerste lid. Deze verzekering
is van beperkte duur.
Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat na het overlijden van de
ambtenaar de nagelaten betrekkingen niet in de ontvangende staat
achterblijven. Na het overlijden van de ambtenaar, voor zover deze voor de
volksverzekeringen verzekerd was, blijft gedurende één jaar de
achtergebleven weduwe of weduwnaar onder de volksverzekeringen
vallen. Dat geldt ook voor de kinderen en de overige gezinsleden. Voorwaarde
voor de verzekering is dat de nagelaten betrekkingen zelf ten
tijde van het overlijden verzekerd waren. Indien dat niet het geval is, is het
creëren van verzekering niet wenselijk. De verzekering kan
vroegtijdig eindigen indien bijvoorbeeld de weduwe/weduwnaar arbeid gaat
verrichten of een buitenlandse uitkering ontvangt.
Artikel
4. Rijdend,
vliegend of varend personeel, buiten Nederland wonend
Een niet in Nederland
wonend - rijdend, vliegend of varend - personeelslid (kortweg aan te duiden
als transportarbeider) die in dienst is van een hier te lande
gevestigde onderneming, is in de regel verplicht verzekerd. Onder de
transportarbeider wordt niet verstaan het kantoorpersoneel van een
transportonderneming. Met het begrip "personeel" is reeds voldoende
aangegeven dat het gaat om in loondienst werkende personen. Het transport
kan zowel het vervoer van goederen als personen betreffen. Deze bepaling
is in overeenstemming met artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71.
Eén en ander komt erop neer dat onder een transportarbeider niet alleen moet worden verstaan degene die in loondienst is van een
transportonderneming, maar
ook degene die in loondienst werkt bij een onderneming van andere
aard die haar vervoer zelf organiseert (bijvoorbeeld een touroperator). De
uitbreiding geldt ook voor het vervoer per vliegtuig. Uitzonderingen
op de uitbreiding van de kring van verzekerden worden conform de
hiervoor genoemde verordening gemaakt voor degene die werkt bij een
filiaal of vaste vertegenwoordiging van de werkgever buiten
Nederland en in het geval de werkzaamheden in hoofdzaak buiten
Nederland worden verricht, ongeacht of aldaar een onderdeel van de
werkgever is gevestigd. In de praktijk zou door de diverse uitvoeringsorganen een verschillende uitleg kunnen worden
gegeven aan het begrip "in hoofdzaak", zoals dat in dit artikel voorkomt.
Hierdoor zou discrepantie
kunnen ontstaan tussen de premieheffing en het recht op prestaties,
of discrepantie in toekenning van prestaties door uitvoerende organen. Ter
voorkoming van een verschil in uitleg is aansluiting gezocht bij
de interpretatie die de belastingwetgeving ten aanzien van het begrip
"in hoofdzaak" hanteert. Dit leidt ertoe dat voor de toepassing van dit
artikel betrokkene geacht wordt in hoofdzaak in zijn woonland werkzaamheden te
verrichten indien hij minimaal 70% van de gebruikelijke arbeidstijd
werkzaam is in zijn woonland. Alsdan is betrokkene niet in
Nederland verzekerd. Er wordt derhalve niet gekeken naar de verhouding van de
werkzaamheden in het woonland en de totale werkzaamheden (in een
beperkte periode), maar naar het gebruikelijke arbeidspatroon (over een
langere periode). Wat de vestiging betreft wordt uitgegaan van de plaats
waar het zwaartepunt van de werkzaamheden ligt.
Artikel
5. Gezinsleden
van varend personeel
Dit artikel regelt de
verzekering van de echtgenoot en kinderen van de op grond van de volksverzekeringswetten verzekerde binnenschipper. Zij
wonen aan boord van het
schip en hebben met andere woorden geen vaste woon- of
verblijfplaats aan de wal, zoals dat wel geldt voor bijvoorbeeld de
gezinsleden van het rijdend of het vliegend personeel. De echtgenoot en de kinderen
van de binnenschipper zijn daarom niet in de gelegenheid om een eigen
sociale verzekering op grond van wonen of werken op het grondgebied
van enige staat op te bouwen. Hun verzekeringspositie
blijft daarom gekoppeld aan die van de binnenschipper.
Artikel
6. Tijdelijk
onderbreking van arbeid in Nederland
Degene die niet in
Nederland woont, maar ter zake van binnen het Rijk in dienstbetrekking
verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen, is verplicht verzekerd. Dit
op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de AOW en de overeenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringen.
Eén en ander vloeit voort uit de internationaal aanvaarde regel dat men verzekerd is in het
land waar wordt gewerkt. In de Verordening (EEG) nr. 1408/71 is bepaald
dat voor personen die wonen op het grondgebied van de bij de Europese
Unie aangesloten landen, de hiervoor genoemde regel tevens van
toepassing is op zelfstandigen.
Daarmee wordt naar de
mening van ondergetekenden reeds aangegeven dat voor het aannemen van
verzekering niet het zwaartepunt ligt op de dienstbetrekking in
Nederland of de onderworpenheid van de arbeidsinkomsten aan de
Nederlandse loonbelasting, maar op de hier te lande daadwerkelijk
verrichte arbeid.
Het wordt niet zinvol
geacht dat de verplichte verzekering eindigt in geval van korte onderbrekingen van het werk en weer wordt hervat na
afloop van die
onderbrekingen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van perioden van ziekte.
Artikel 6 heeft daarom tot doel de verplichte verzekering op grond van
de volksverzekeringen te continueren gedurende de periode dat
de niet-ingezetene niet in staat is hier te lande arbeid te verrichten. Aan
de tijdelijkheid wordt geen maximum gesteld. Wel is een limitatieve
opsomming gegeven van de oorzaken van de werkonderbrekingen. Ten
opzichte van de tekst van het oorspronkelijke artikel 7 zoals
geformuleerd in KB 164, is onderdeel a van artikel 6 enigszins gewijzigd. Deze
wijzigingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van een advies van de
Raad van State hierover ten tijde van de totstandkoming van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
WAZ (Stb. 1997, 797), waarin een
enigszins vergelijkbare bepaling is opgenomen (artikel 2, tweede lid).
De oorspronkelijk geformuleerde tekst was - in het kader van harmonisatie
- overgenomen van het hiervoor bedoelde artikel 7. De Raad stelde in zijn
advies onder meer dat de termen "moederschap" en "ongeval" niet meer
van deze tijd zijn en bovendien - zeker moederschap - multi-interpretabel.
Naar de omstandigheden
zal moeten worden beoordeeld of de werkzaamheden weer worden
hervat.
Uit de formulering van
artikel 6 volgt dat gedurende de ziekte niet noodzakelijkerwijs sprake
moet zijn van loondoorbetaling bij ziekte of van een ziekengelduitkering.
Zelfstandigen zouden daardoor in het algemeen niet in Nederland
verzekerd blijven. Ook in geval van wachtdagen loopt de verzekering in Nederland
door. De na een periode van ziekte ingegane arbeidsongeschiktheid of
overlijden na ziekte doet ons inziens aan de tijdelijkheid van de
ziekte niets af.
Bij onderbreking wegens
werkloosheid kan gedacht worden aan situaties als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onderdeel
a)i) van de
Verordening (EEG) nr.
1408/71. Dit artikel heeft betrekking op grensarbeiders die te maken hebben met
onderbrekingswerkloosheid of werktijdverkorting. Ook
de gevallen van onderdeel b)i), dat betrekking heeft op andere groepen
dan grensarbeiders, zoals transportarbeiders, vallen onder artikel
6.
Voorts dient te worden
opgemerkt dat onder tijdelijke onderbreking van de werkzaamheden wegens
verlof zowel betaald als onbetaald verlof dient te worden begrepen
(onderdeel b).
Voor de goede orde wordt
nog opgemerkt dat artikel 6 zonder meer geldt indien men woont in
het buitenland en uitsluitend werkt in Nederland. Zodra echter
bovendien nog werkzaamheden in het woonland worden verricht, staat
het niet altijd vast dat er sprake is van Nederlandse verzekeringsplicht.
Indien de desbetreffende
persoon bijvoorbeeld ook werkt in een woonland dat deel uitmaakt van de Europese Unie, is op grond van de
Verordening (EEG) nr.
1408/71 uitsluitend de wetgeving van het woonland van toepassing. Is met
het woonland een verdrag inzake sociale zekerheid gesloten, dan is het
afhankelijk van de inhoud van dat verdrag of in een dergelijke situatie
dubbele verzekering kan ontstaan. Wanneer echter geen sprake is van een
dergelijk verdrag, kan er zonder meer van worden uitgegaan dat het werken
in twee landen dubbele verzekering met zich zal brengen.
Artikel
7.
AWBZ-verzekerden
Op grond van de
Verordening (EEG) nr. 1408/71 en op grond van door Nederland met andere
staten gesloten socialezekerheidsverdragen kunnen bepaalde
categorieën van personen die, buiten Nederland, in een zogeheten "verdragsstaat" wonen, ten laste van de Nederlandse
sociale ziektekostenverzekering,
in hun woonland recht op verstrekkingen doen gelden voor zichzelf
en voor hun gezinsleden, in de omvang en volgens de voorwaarden
zoals geregeld in de in het woonland bestaande wettelijke sociale
ziektekostenregeling(en).
Op grond van een
beperkende voorwaarde die in de verordening en de desbetreffende socialezekerheidsverdragen is opgenomen, is de
toepassing van de hier bedoelde coördinatie-instrumenten beperkt tot personen die verzekerd
zijn op grond van de Ziekenfondswet (Zfw). Personen die uitsluitend
verzekerd zijn op grond van de AWBZ worden derhalve niet door deze
coördinatie-instrumenten beschermd. Deze beperking vloeit voort
uit het in deze instrumenten gevolgde beginsel dat de medische verzorging
steeds wordt verleend overeenkomstig de wettelijke regeling van
het land waar de zorg wordt verleend. Een persoon die op grond van de
Nederlandse wetgeving verzekerd is, heeft in de andere "verdragsstaat"
recht op alle verstrekkingen van die staat. Deze verstrekkingen komen ten
laste van de Nederlandse verzekering. Omdat de AWBZ slechts een
beperkt deel van het totale Nederlandse verstrekkingenpakket dekt,
zou de Nederlandse verzekering een te groot financieel risico lopen
wanneer de kosten betaald moeten worden van verstrekkingen die in een
andere "verdragsstaat" zijn verleend aan iemand die in Nederland
uitsluitend verzekerd is op grond van de AWBZ. Om deze financiële reden
is gekozen voor de hiervoor aangeduide beperking.
De herziening van het
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen kan
tot gevolg hebben dat, zonder nadere regeling in de nationale regelgeving, personen, bedoeld in artikel 8 van
KB 164, voor zover zij
woonachtig zijn in EU/EER-lidstaten of in staten waarmee Nederland een
verdrag heeft gesloten inzake sociale zekerheid, wel verzekerd zijn op
grond van de Zfw, maar niet langer verzekerd zijn op grond van de
AWBZ.
Verzekerd op grond van de
Zfw is ook een aantal categorieën van personen die onder KB 164
niet verzekerd waren op grond van de volksverzekeringen, zoals
categorieën van rechthebbenden op uitkeringen wegens vervroegde
uittreding, rechthebbenden op een vervroegd pensioen, rechthebbenden
op een AMF-(mijnwerkers)pensioen, alsmede rechthebbenden op
pensioenen met een omvang die kleiner is dan 35% van het in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag.
De consequentie van de
herziening van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen
- zonder nadere regeling - zou zijn dat de
groep die tegenover een - uit hoofde van vorenbedoelde internationale
coördinatieregelingen voortvloeiend - volledig recht op medische zorg in de
woonstaat (vergelijkbaar met de medische zorg die in Nederland als aanspraak
in de Zfw en de AWBZ is geregeld) slechts een beperkte verplichting
heeft tot premiebetaling, te weten: die op grond van de ziekenfondsverzekering, nog groter zou worden.
In navolging van de
adviezen van de ZFR van 4 juni 1991 en 26 november
1992 acht de regering het onwenselijk een situatie in stand te
houden of in het leven te roepen waarbij tegenover een volledig recht op medische
zorg geen
premie op grond van de AWBZ verschuldigd is, te meer nu uit de middelen
van de sociale ziektekostenverzekering wel die volledige zorg aan de
"verdragsstaten" wordt vergoed. Het ontstaan van een "AWBZ-gat" zou een
dekkingstekort opleveren van naar schatting ƒ25 miljoen op jaarbasis.
Artikel 7 van het
onderhavige besluit voorziet dan ook in een algemene regeling voor de AWBZ-verzekering van personen die verzekerd zijn op
grond van de Zfw en die
op grond van internationale coördinatieregelingen inzake sociale zekerheid
in hun woonland recht hebben op medische zorg ten laste
van de middelen van de Nederlandse sociale ziektekostenverzekering.
Voor de goede orde zij
vermeld dat het hier gaat om niet-ingezetenen die niet reeds op grond
van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ of op grond van de zogeheten
aanwijsregels voor de toepasselijke wetgeving van de hiervoor bedoelde coördinatieregelingen AWBZ-verzekerd zijn.
Artikel 7 heeft mitsdien geen betrekking op personen die in Nederland
arbeid verrichten, maar wel op bijvoorbeeld de gezinsleden van personen
die in Nederland arbeid verrichten en op rechthebbenden op een
pensioen of rente en hun gezinsleden.
Op grond van de
Wet
financiering volksverzekeringen geschiedt de premieheffing voor onder
meer de AWBZ door de rijksbelastingdienst, hetzij bij wijze van
inhouding, hetzij bij wege van aanslag.
In tegenstelling tot
inhoudingsplichtigen als bijvoorbeeld de uitvoeringsorganen van de socialezekerheidswetgeving is het voor de
belastingdienst niet goed
mogelijk vast te stellen of een niet in Nederland wonende persoon
ziekenfondsverzekerd is en op grond van verordening of verdrag recht op
verstrekkingen ten laste van de middelen van de ziekenfondsverzekering
heeft. Teneinde te voorkomen dat de belastingdienst ten behoeve van de
premieheffing voor de AWBZ-verzekering zelfstandig moet
beoordelen of sprake is van zodanig recht op verstrekkingen in het woonland ten laste
van Nederland, alsmede om de uitvoering van de
onderhavige bepaling voor de rijksbelastingdienst zo eenvoudig mogelijk te
maken, is het tweede lid opgenomen.
De ZFR dan wel het
bevoegde ziekenfonds stelt de rijksbelastingdienst daartoe op de hoogte van
begin en einde van de registratie als rechthebbende op verstrekkingen.
Artikel
8. Tijdelijk
buiten Nederland studerenden en verpleegden
Dit artikel beoogt de
verzekeringsplicht van de personen die in verband met studie of gezondheid
tijdelijk niet in Nederland wonen, gedurende die periode te continueren.
Het wordt in het algemeen zinvol geacht om gedurende korte
onderbrekingen van het wonen in Nederland de Nederlandse verzekering
voort te zetten. Bovendien zal gedurende de afwezigheid naar alle
waarschijnlijkheid niet elders verzekering op grond van een sociaalzekerheidsstelsel voor de hier bedoelde personen
ontstaan. Wanneer
gedurende het verblijf in het buitenland vanwege studie of gezondheid
arbeid wordt verricht, eindigt de Nederlandse verzekeringsplicht; dat
ligt besloten in de voorwaarde dat men uitsluitend om voornoemde redenen
niet meer in Nederland woont.
Eerste lid
Van studeren als in het
eerste lid bedoeld is slechts sprake indien de voor werkzaamheden
beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding. De
hier bedoelde kinderen
die tijdens het volgen van hun studie uitsluitend vanwege het ontbreken van
passende woonruimte buiten ons land wonen, blijven eveneens
verplicht verzekerd.
Voor wat betreft de
hantering van de leeftijdsgrens van 27 jaar is aansluiting gezocht bij de
Wet op de
studiefinanciering en de Wet op de
inkomstenbelasting 1964.
De formulering van dit
artikellid impliceert dat voor kinderen die nimmer in Nederland hebben
gewoond geen verzekering kan ontstaan.
Tweede lid
Het tweede lid is tot op
heden uitsluitend van belang voor de personen die in het Nederlands
Sanatorium in Davos worden verpleegd.
Artikel
9. Niet in
Nederland wonende zelfstandigen
Met deze bepaling wordt
de verzekering van zelfstandigen die niet in Nederland wonen en die
hier te lande aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen, in de
nationale regelgeving geformaliseerd. Tot nu toe werd hun verzekeringspositie
bepaald door toepassing van de zogenaamde conflictregels volgens
welke de wetgeving van toepassing is van het land waar de werkzaamheden
worden verricht. Deze conflictregels zijn terug te vinden in Verordening
(EEG) nr. 1408/71 en in een aantal bi- en multilaterale verdragen waarbij
Nederland partij is. In EU/EER- en in de hiervoor bedoelde verdragssituaties verandert er in de praktijk dan ook niets door
het opnemen van deze nieuwe bepaling. Dit artikel is dan ook met name van invloed op situaties
daarbuiten.
Uit de formulering blijkt
dat voor het bepalen van de voorwaarden waaronder de belanghebbende als verzekeringsplichtige kan worden
aangemerkt, aansluiting
is gezocht bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964: er dient sprake te
zijn van winst uit binnenlandse onderneming. Daarnaast moeten de
werkzaamheden voor die onderneming in Nederland worden
verricht. Dit betekent ook dat de commanditaire vennoot die geen arbeid
verricht niet verzekerd is voor de volksverzekeringen.
Artikel
10. Vreemdelingen
in Nederland wonend
In de
Koppelingswet wordt
uitwerking gegeven aan het uitgangspunt dat vreemdelingen die
niet onvoorwaardelijk tot Nederland zijn toegelaten in beginsel geen toegang
hebben tot de collectieve sociale voorzieningen (het koppelingsbeginsel).
De verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen is - indachtig dit
koppelingsbeginsel - beperkt tot vreemdelingen die hier verblijven op
grond van een besluit tot toelating of op grond van toelating als
EU-onderdaan. In een aantal situaties wordt van deze hoofdregel afgeweken. In
vergelijking met het eigenlijke koppelingsbeginsel betreft dit enerzijds een
verruiming (artikel 10 en 11), anderzijds een verdere beperking
(artikel 23).
In dit artikel wordt de
groep van vreemdelingen die verzekerd kan zijn voor de volksverzekeringen, uitgebreid met een tweetal categorieën in
Nederland wonende vreemdelingen. Krachtens het eerste lid, onderdeel a, zijn verzekerd die
vreemdelingen die eerder over een verblijfsrecht op grond van artikel 9 of
artikel 10 van de Vreemdelingenwet hebben beschikt, en die, vóór
het vervallen van dit verblijfsrecht, een aanvraag tot voortgezet verblijf
hebben ingediend.
Op grond van het eerste
lid, onderdeel b, zijn voorts verzekerd die vreemdelingen die, naar
aanleiding van een intrekking van een verblijfsrecht ex artikel 9 of 10 van de
Vreemdelingenwet, dan wel naar aanleiding van een weigering van
voortgezet verblijf, tijdig - dat wil zeggen binnen de daarvoor in de
artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet gestelde termijn van vier
weken - bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld. De
verzekering geldt mede vreemdelingen die weliswaar buiten deze termijn bezwaar of beroep hebben ingesteld, doch
waarbij redelijkerwijs
niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, zodat
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht op die
termijnoverschrijding toepassing vindt.
Het tweede lid regelt
wanneer een uit het eerste lid voortvloeiende verzekering eindigt. Dit
is het geval wanneer onherroepelijk op de aanvraag of het bezwaar
of beroep is beslist (dat wil zeggen wanneer tegen die beslissing geen
normale rechtsmiddelen meer openstaan) en in alle gevallen (dat wil
zeggen ook wanneer nog rechtsmiddelen openstaan tegen de weigering van
voortgezet verblijf) zodra de uitzetting van de vreemdeling is gelast,
tenzij uit de Vreemdelingenwet (hierbij valt in het bijzonder te denken aan
artikel 25 van die wet) dan wel uit een rechterlijke uitspraak een beletsel
voortvloeit de uitzetting daadwerkelijk te effectueren.
Artikel
11. Vreemdelingen
rechtmatig verblijf houdend in Nederland
In dit artikel wordt de
groep van vreemdelingen die verzekerd kan zijn voor de volksverzekeringen verder uitgebreid met personen die weliswaar
niet (meer) onvoorwaardelijk zijn toegelaten, doch aan wie het is toegestaan in Nederland
arbeid te verrichten en die uit dien hoofde aan de loonbelasting zijn
onderworpen. Het betreft hier personen die voorwaardelijk zijn toegelaten als
bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 2, van de Vreemdelingenwet,
vreemdelingen die een aanvraag tot verblijf hebben ingediend en aan wie het
in afwachting daarvan is toegestaan in Nederland arbeid te
verrichten (artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vreemdelingenwet),
vreemdelingen die in Nederland arbeid verrichten gedurende de zogenaamde
"vrije termijn", zoals werknemers in het internationale vervoer
(artikel 1b, onderdeel 4) en vreemdelingen aan wie het in afwachting van hun
uitzetting (artikel 1b, aanhef en onder 5) is toegestaan in Nederland
te blijven werken.
Artikel
12. Wonen in
Nederland, werken buiten Nederland
Artikel 10 van KB 164
kende tot 1 januari 1997 een beperking van de kring van verzekerden
door ingezetenen die buiten Nederland arbeid verrichten (hetzij in dienstbetrekking, hetzij anders dan in dienstbetrekking)
uit te sluiten van de
verzekering. Vanaf die datum geldt dat degene die als werknemer
in het buitenland werkzaam is voor een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever (waaronder tevens wordt verstaan "een
Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon") wordt uitgezonderd van de
beperking op grond van artikel 10 van de kring van verzekerden.
Hieraan lag de volgende
motivering ten grondslag.
Ingezetenen die buiten
Nederland werkzaamheden in dienstbetrekking gaan verrichten, maar die
een nauwe band met Nederland blijven behouden, dienen
verzekerd te blijven voor de volksverzekeringen. Gebleken is namelijk dat
personen die uitsluitend in het buitenland - afgezien van EU/EER- of
verdragslanden - werkzaamheden in loondienst verrichten meestal in het
geheel niet dan wel zeer gebrekkig verzekerd zijn krachtens het aldaar
geldende socialezekerheidsstelsel. Vaak ook werken de desbetreffende
personen op zee (baggeraars, zeelieden) en vallen dan onder de
socialeverzekeringswetgeving van geen enkel land. Voorts, als er al sprake is van een
sociale verzekering elders, zal deze gezien de aard van de te verrichten
werkzaamheden zeer versnipperd zijn. Derhalve is de sociale bescherming van
de desbetreffende groep Nederlands ingezetenen gediend met een
voortgezette dekking voor de risico’s, waarvoor de volksverzekeringen bescherming bieden. Ook wordt gewezen op de
systematiek van de werknemersverzekeringen. Op grond van die regelingen zijn
Nederlandse ingezetenen die buiten Nederland in loondienst werkzaam zijn
voor een in Nederland wonende of gevestigde werkgever, verzekerd. Van
een nauwe band met Nederland is sprake indien naast het
ingezetenschap de werkgever in Nederland woont of gevestigd is. De woon-
respectievelijk vestigingseis leidt ertoe dat ook de premie-inning soepel zal
kunnen verlopen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze
uitzondering op de beperking van de kring der verzekerden niet geldt
wanneer op basis van een verdrag inzake sociale zekerheid tussen
Nederland en één of meer andere staten of op basis van Verordening (EEG) nr.
1408/71 de wetgeving van een andere staat van toepassing wordt verklaard.
De groepen die met het
gewijzigde artikel te maken krijgen, zijn in het bijzonder de tijdelijk door een Nederlandse werkgever elders tewerkgestelde
personen. De met deze
wijziging bereikte duidelijkheid omtrent de verzekeringspositie van
in Nederland woonachtige zeelieden en baggeraars kan ook van belang zijn
voor de werkgever in verband met de omvang van de faciliteit
voor de zeevaart. In een aantal gevallen zal deze faciliteit beter kunnen
worden benut indien door de premieplicht een hogere loonheffing is verschuldigd. Voorts zij vermeld dat de driemaandstermijn
van de oude bepaling is gehandhaafd en derhalve blijft gelden voor werknemers die
uitsluitend buiten Nederland werkzaam zijn in dienstbetrekking van een
buitenlandse werkgever en voor personen die anders dan in
dienstbetrekking (zoals zelfstandigen) uitsluitend buiten Nederland werkzaam zijn.
Beide groepen zijn, indien zij langer dan drie maanden in het buitenland
werken, vanaf de eerste dag dat de werkzaamheden in het buitenland worden
vervuld, niet verzekerd.
Artikel
13.
Personeelsleden ambassades en consulaten in Nederland en hun
gezinsleden
In dit artikel wordt de
positie geregeld van personeel van buitenlandse ambassades en consulaten
in Nederland. Het betreft hier de spiegelbeeldsituatie van artikel 2 dat de
verzekeringspositie regelt van het personeel verbonden aan Nederlandse
ambassades in het buitenland. Vanuit het oogpunt van
vereenvoudiging zijn de bepalingen (de artikelen 11 en
12) uit het oude KB 164
samengevoegd. Artikel 11 regelde de
voorwaarden voor uitsluiting van de verzekering van ambassadepersoneel en
van particuliere bedienden van dit personeel; artikel 12 regelde de
voorwaarden voor uitsluiting van de verzekering van leden van consulaire
posten en van hun particuliere bedienden.
In de nieuwe regeling
zijn evenals bij de vorige regeling de voorschriften van het
Verdrag van Wenen diplomatiek en van het Verdrag van Wenen consulair
betreffende de vrijstelling van verplichte deelname aan de sociale
verzekering in acht genomen.
Eerste lid
Het eerste lid regelt dat
buitenlandse diplomaten en de leden van de consulaire post niet verzekerd zijn. Onder diplomatiek of consulair
ambtenaar wordt verstaan
het hoofd van de zending of een lid van het diplomatieke of
consulaire personeel. Indien de ambtenaar anders dan uit hoofde van zijn functie
voor een buitenlandse mogendheid werkzaamheden in Nederland gaat
verrichten of een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt, is hij
verzekeringsplichtig op grond van de volksverzekeringen.
Overigens dient nog de
aandacht te worden gevestigd op het volgende. De postactieve diplomaat
of beroepsconsulaire vertegenwoordiger van een vreemde mogendheid
die in Nederland bijvoorbeeld als pensioengerechtigde of arbeidsongeschikte
blijft wonen, is vanaf dat moment qua status niet langer te
onderscheiden van iedere andere ingezetene. Nog duidelijker is hiervan
sprake indien de diplomaat ontslag heeft genomen uit de buitenlandse
dienst. Hij valt daardoor dan ook onder de werkingssfeer van de Nederlandse
wetgeving, hetgeen betekent dat hij in principe verplicht verzekerd is
voor de volksverzekeringswetten. Indien hij echter een buitenlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt als bedoeld in
artikel 22 van het
onderhavige besluit, kan hij op grond van dat artikel bij de SVB om vrijstelling
van verzekeringsplicht op grond van de volksverzekeringen vragen. Dit geldt
vanzelfsprekend ook voor de hier te lande gevestigde postactieve
bedienden die werkzaam waren bij actieve leden van bedoelde
vertegenwoordigingen.
Tweede lid
Het tweede lid regelt de
uitsluiting van de verzekering van het administratieve, technische en bedienende
personeel van de buitenlandse diplomatieke zending of consulaire post. De betreffende personeelsleden
die niet beschikken over
een diplomatieke of consulaire status zijn niet verzekerd indien zij
korter dan tien jaar in Nederland werkzaam zijn. Met deze voorwaarde wordt
invulling gegeven aan het begrip duurzaam verblijf houden zoals is
verwoord in artikel 33, tweede lid, onderdeel a, van het Verdrag van Wenen
diplomatiek. Staten die het Verdrag van Wenen hebben
geratificeerd kunnen de term "duurzaam verblijf houden" eenzijdig interpreteren.
In het Verdrag van Wenen consulair ontbreekt een dergelijke bepaling.
Sinds 1987 vermeldt het ministerie van Buitenlandse Zaken
"DV" (= duurzaam verblijf) op de
ID-card van nieuw personeel van ambassades en consulaten indien het
personeelslid vóór indiensttreding langer dan één jaar rechtmatig in
Nederland verbleef. Voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving is de DV-status niet
maatgevend. Daarvoor gelden namelijk andere
maatstaven. Of iemand in Nederland woont, wordt naar de omstandigheden
beoordeeld. Bepalend is waar het centrum van iemand zijn maatschappelijke belangen liggen. De vermelding
"DV" is
daarvoor een aanwijzing,
maar meer ook niet.
Van personeel van
buitenlandse ambassades dat hier is aangeworven, mag in het algemeen
worden aangenomen dat het in Nederland woont. Maar ook van personeel
dat is uitgezonden door een staat om in Nederland te werken, kan
soms worden gezegd dat het na verloop van tijd in Nederland woont.
Gebruikelijk is dat een
personeelslid van een ambassade voor drie tot vier jaar voor tewerkstelling in een ander land wordt uitgezonden.
Niet ongebruikelijk is
dat aansluitend een verlenging plaatsvindt met nog zo’n periode. Indien de tewerkstelling aanmerkelijk langer duurt en er
geen concreet uitzicht
bestaat op terugkeer of vertrek, is bijna altijd sprake van wonen in Nederland.
Omdat niet ieder land een
zelfde periode van uitzending hanteert, wordt in dit lid aangenomen dat
voor de toepassing van de volksverzekeringen van verzekering door uitgezonden administratief, technisch en bedienend
personeel en (op grond
van het derde lid) uitgezonden particuliere bedienden van ambassades
en consulaten sprake is, indien men langer dan tien jaar in
Nederland werkt. Deze groepen worden dan dus verzekerd voor de
volksverzekeringen, ongeacht de nationaliteit die zij hebben.
In een aantal gevallen
wordt er echter voorbij gegaan aan de periode van tien jaar als het gaat om het tijdstip waarop de Nederlandse
verzekeringsplicht een
aanvang neemt. Dat is het geval wanneer het desbetreffende
personeelslid de Nederlandse nationaliteit bezit dan wel op het moment van de
aanwerving in Nederland woonde dan wel buiten zijn werkzaamheden bij de
ambassade of het consulaat in Nederland nog ander werk verricht of
indien hij een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt. Deze
voorwaarden brengen namelijk een zodanige band met Nederland tot
uitdrukking dat verzekeringsplicht aangewezen is.
Wat het
nationaliteitscriterium betreft: onderdanen van EU/EER-lidstaten of staten
waarmee
Nederland een sociaalzekerheidsverdrag heeft gesloten, worden
met Nederlanders gelijkgesteld. Deze nationaliteitsgelijkstelling
geldt daardoor - behalve voor EU/EER-onderdanen - voor onderdanen van
Australië, Bosnië-Herzegovina, Canada, Chili, Israël, Federale Republiek Joegoslavië, Kaapverdië, Kroatië, Marokko, Nieuw-Zeeland, Slovenië, Tunesië, Turkije,
Verenigde Staten van Amerika,
Voormalige Joegoslavische
Republiek Macedonië en Zwitserland. Op grond van de Europese
Interimovereenkomsten worden voorts de onderdanen van Cyprus met
Nederlanders gelijkgesteld.
In de meeste
internationale regelingen voor sociale zekerheid wordt de wetgeving van de
werkstaat als de toepasselijke aangewezen. Voor een lid van het administratief,
technisch en bedienend personeel van een ambassade of een
consulaat van een EU/EER-staat geldt evenwel dat hij kan kiezen voor
toepassing van de sociale wetgeving van die staat. Voorwaarde is dat hij
onderdaan is van die staat. Dit betekent bijvoorbeeld dat bedienend personeel
van de Griekse ambassade in Den Haag met de Griekse nationaliteit
Nederlands verzekerd is, tenzij men kiest voor toepassing van de Griekse
wetgeving.
Ook in een aantal
bilaterale verdragen wordt aan bepaalde functionarissen een dergelijk keuzerecht
toegekend. Dit geldt voor functionarissen van Bosnië-Herzegowina,
Canada, Federale Republiek Joegoslavië, Kaapverdië, Kroatië,
Marokko, Slovenië, Tunesië, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en
Zwitserland. In relatie tot Turkije geldt het keuzerecht op basis van
artikel 17 van het Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid.
Hierbij wordt opgemerkt dat er in de Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de
verdragen termijnen zijn gesteld waarbinnen de keuze moet worden gemaakt.
Derde lid
Op 16 maart 1987 is aan
de in Nederland gevestigde ambassades en consulaten medegedeeld
dat vanaf 1 augustus 1987 uitvoering zou worden gegeven aan de
invulling van het begrip "duurzaam verblijvend" zoals dat wordt
gehanteerd in de Verdragen van Wenen diplomatiek en consulair van
respectievelijk 1961 en 1963. Sedertdien wordt een persoon die in dienst treedt van
een diplomatieke vertegenwoordiging als duurzaam verblijf houdend
in Nederland aangemerkt indien hij voorafgaande aan zijn indiensttreding
één jaar of meer legaal in Nederland heeft verbleven. Als ingezetene
van ons land worden deze personen als verzekeringsplichtig voor
de volksverzekeringen aangemerkt.
De personen die reeds op
een datum véér 1 augustus 1987 bij één van de ambassades of consulaten in dienst waren getreden en daar tot op
heden nog steeds werkzaam
zijn, hebben destijds de toezegging gekregen dat aan eenmaal
toegekende rechten - onder meer op het gebied van de sociale zekerheid -
niet zou worden getornd. Deze toezegging heeft echter nimmer een wettelijke
basis gekregen. Eén en ander heeft in de praktijk in enkele situaties tot
onduidelijkheden geleid, met name bij de uitvoeringsorganen, maar in sommige gevallen
ook bij de direct belanghebbenden. Deze onduidelijkheden
leidden soms tot verzekeringsplicht zonder dat daar premieplicht tegenover stond. Om elke vorm van verwarring in de
toekomst uit te sluiten,
bepaalt dit artikel dat de betreffende groep van personen met ingang van
de datum waarop dit besluit in werking treedt ook formeel niet langer
verzekeringsplichtig is.
Vierde lid
De voorwaarden op grond
waarvan particuliere bedienden niet verzekeringsplichtig zijn voor de volksverzekeringen, zijn identiek aan die
voor de leden van het
administratieve, technische en bedienende personeel in het tweede
lid. Voor uitsluiting van de verzekering wordt hier echter bovendien de eis
gesteld dat de particuliere bediende verzekerd dient te zijn op grond
van het stelsel van een andere mogendheid. Overigens wordt verwezen
naar de toelichting bij het tweede lid. Over de verzekeringspositie van de echtgenoot van de particuliere bediende is in
dit besluit niets
geregeld. Hij wordt met andere woorden getoetst aan de hoofdregel in de wet,
bijvoorbeeld artikel 6 van de AOW. Woont deze partner in Nederland, dan
zal hij dus als verzekeringsplichtig worden aangemerkt.
Vijfde lid
In het vijfde lid is
aangegeven dat de echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van
personen als bedoeld in het eerste of tweede lid niet verzekerd zijn indien de betreffende persoon niet is verzekerd. De
echtgenoot, kinderen en
overige inwonende gezinsleden zijn wel verzekerd indien zij in
Nederland arbeid verrichten of een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering
ontvangen, of als de persoon zelf is verzekerd. Het voorgaande
geldt overigens niet voor gezinsleden van particuliere bedienden.
Zij zijn in het algemeen gewoon in Nederland verzekerd.
Voor wat betreft de
gezinsleden kan aansluiting worden gezocht bij het toelatingsbeleid van het
ministerie van Buitenlandse Zaken en de door dat ministerie verzorgde registratie. Met de voorwaarde dat de gezinsleden
inwonend moeten zijn,
wordt bedoeld dat zij deel uitmaken van de huishouding van de
diplomatieke ambtenaar (in de Engelse tekst van het verdrag wordt gesproken
van "forming part of their households", in de Franse tekst van
"vivant
à leur foyer").
Afgezien is van de
voorwaarde dat de gezinsleden een buitenlandse nationaliteit moeten bezitten. Daarmee wordt bereikt dat van een echtpaar
de echtgenoten geen verschillende socialeverzekeringspositie innemen.
Zesde lid
Dit artikellid regelt de
verzekeringspositie van de nagelaten betrekkingen van de overleden
diplomatieke en consulaire ambtenaar, alsmede van het administratieve, technische en bedienende personeelslid. De
echtgenoot, kinderen en
overige inwonende gezinsleden die ten tijde van het overlijden van één
van de hiervoor bedoelde personen niet verzekeringsplichtig waren, blijven dat nog
gedurende één jaar, te rekenen vanaf de datum van dat
overlijden. Uiteraard kan er geen sprake meer zijn van uitsluiting van de
verzekeringsplicht op grond van de volksverzekeringen zodra men in Nederland
arbeid gaat verrichten of een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering
ontvangt.
De termijn van
één jaar
gedurende welke de uitsluiting van de verzekeringsplicht doorloopt, geeft invulling aan de bedoeling van artikel
39, derde lid, van het
Verdrag van Wenen diplomatiek. Daarin is met zoveel
woorden vastgelegd dat de nagelaten betrekkingen hun voorrechten en
immuniteiten behouden tot aan het verstrijken van een redelijke termijn om
het land te verlaten. Er wordt namelijk van uitgegaan dat na het
overlijden van bijvoorbeeld de diplomatieke ambtenaar de nagelaten
betrekkingen niet in de ontvangende staat achterblijven. Zou dat
laatste wel gebeuren, dan worden zij, na afloop van dat jaar, behandeld als
ieder ander ingezetene van ons land.
Zo zal er in dat geval
onder meer verzekeringsplicht ontstaan krachtens de volksverzekeringen.
Tot slot wordt nog
opgemerkt dat uitsluiting van de verzekeringsplicht gedurende het jaar na
overlijden alleen geldt indien de nagelaten betrekking ten tijde van
het overlijden van bijvoorbeeld de diplomatieke ambtenaar reeds niet
verzekerd was. Indien dat laatste niet het geval is, wordt het alsnog
uitsluiten van de verzekeringsplicht gedurende dat ene jaar als niet wenselijk
ervaren.
Artikel
14.
Personeelsleden in dienst van volkenrechtelijke organisaties en hun gezinsleden
Personen die werken bij
een in Nederland gevestigde volkenrechtelijke organisatie zijn, ongeacht hun nationaliteit, van de volksverzekeringen
uitgesloten indien het
eigen socialezekerheidsstelsel van de organisatie op hen van toepassing is.
De uitsluiting is gebaseerd op de zetelovereenkomst die tussen Nederland en
de organisatie is gesloten. Hieraan ligt de gedachte ten
grondslag dat de rechtspositie van deze personen in Nederland in vele
opzichten te vergelijken is met voornoemde, hier te lande wonende buitenlandse leden van in Nederland gevestigde
diplomatieke zendingen,
hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen. Zo genieten bijvoorbeeld
functionarissen van volkenrechtelijke organisaties en hun gezinsleden in
Nederland enige voorrechten die met die van diplomatiek personeel
zijn te vergelijken. Zij zijn onder meer vrijgesteld van de
vreemdelingenregistratie en van het hebben van een vergunning tot verblijf.
Indien hun
dienstbetrekking eindigt, dienen de buitenlandse onderdanen in beginsel Nederland te
verlaten; één en ander geldt niet voor EU-onderdanen. Voorts
hebben zij voor hun ambtshandelingen een bijzondere immuniteit
voor jurisdictie en zijn zij vrijgesteld van militaire dienst en in het algemeen
wat hun salaris betreft van de heffing van inkomstenbelasting.
Eerste lid
Uit de formulering van
het eerste lid blijkt dat vrijstelling van de Nederlandse verzekeringsplicht slechts geldt indien de betrokkene
uitsluitend werkzaam is
bij die volkenrechtelijke organisatie. Een dergelijk persoon plaatst zich
onder de Nederlandse wetgeving zodra hij (mede) andere werkzaamheden dan
die als hier bedoeld gaat verrichten. Dit geldt ook voor de persoon die
een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt.
Tweede lid
Met een volkenrechtelijke
organisatie wordt bedoeld een intergouvernementele instelling die door
nationale overheden is opgericht en waarbij landen zich
kunnen aansluiten. De aanwijzing van volkenrechtelijke organisaties geschiedde
in een ministeriële regeling op basis van KB 164, naar
aanleiding van de zetelovereenkomst. Ook in dit besluit wordt deze procedure
gevolgd.
Bij de vrijstelling van
de Nederlandse volksverzekeringen van personen, werkzaam bij een
volkenrechtelijke organisatie, heeft de aard van de dienstbetrekking nimmer
een rol gespeeld: van belang is wel dat zij vallen onder de
socialezekerheidsregeling van de organisatie.
De betrokken werknemers
zijn zoals gesteld veelal krachtens de afspraken gemaakt in het
kader van de zetelovereenkomsten tussen Nederland en de betrokken
organisaties, ook zonder vermelding op de lijst vrijgesteld van de
verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen respectievelijk de
werknemersverzekeringen. Opname in de lijst van volkenrechtelijke
organisaties is dan ook ten aanzien van deze werknemers in de eerste plaats codificatie van hetgeen in de zetelovereenkomsten
is vastgelegd en heeft
dan ook met name betekenis voor de uitvoeringspraktijk.
Derde lid
Onder KB 164 waren
gezinsleden van niet-verzekerde personeelsleden van volkenrechtelijke
organisaties niet verzekerd. Onder het nieuwe besluit zal dit alleen gelden voor de gezinsleden van het personeelslid dat
werkzaam is bij een organisatie te wiens aanzien de zetelovereenkomst tussen die organisatie en
Nederland zulks bepaalt. Wanneer de zetelovereenkomst niet tot vrijstelling
verplicht, zijn echtgenoten, kinderen en overige inwonende
gezinsleden gewoon op basis van ingezetenschap verzekerd.
Vierde lid
De bedoeling van deze
bepaling ten aanzien van de personen die op basis van de zetelovereenkomst vrijgesteld zijn van de verzekeringsplicht
komt overeen met artikel 13, zesde lid, van dit besluit.
Zodra zij in Nederland
werkzaamheden gaan verrichten of een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering
ontvangen en daarmee binnen de invloedssfeer van onze nationale wetgeving geraken, worden zij verzekeringsplichtig.
Artikel
15. Nederlandse
Antillen en Aruba
De in Nederland wonende
gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba
alsmede enige nader omschreven categorieën van
Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse ambtenaren zijn niet verzekerd krachtens de
volksverzekeringen. Onder de ambtenaren als bedoeld in artikel
15,
eerste lid, onderdeel b, worden overeenkomstig de bestaande praktijk
eveneens verstaan de hier te lande gedetacheerde arbeidscontractanten.
Lokaal (dus in Nederland) aangeworven personeelsleden vallen niet onder het
socialezekerheidsstelsel van de Nederlandse Antillen en Aruba; zij
zijn verzekerd op grond van de volksverzekeringen.
De verzekeringspositie
van echtgenoten, kinderen en overige inwonende gezinsleden is dezelfde als voor deze groepen personen is
beschreven onder de
artikelen 13 en 14.
Artikel
16. Buitenlandse
ambtenaren
Verwezen wordt naar de
spiegelbeeldsituatie zoals beschreven in de toelichting bij artikel 3
van dit besluit. De beperking van de verzekering geldt zowel voor de
buitenlandse ambtenaar als zijn gezinsleden. De gezinsleden zullen in de
regel onder het buitenlandse socialezekerheidsstelsel van hun echtgenoot of
ouders vallen.
Artikel
17. Rijdend,
vliegend of varend personeel, in Nederland wonend
Dit artikel vormt het
spiegelbeeld van artikel 4 van dit besluit. Verwezen wordt naar de
toelichting
op dat artikel.
Artikel
18. Tijdelijk in
Nederland werkzaam personeel
Op grond van dit artikel
kan degene die tijdelijk in Nederland werkt voor een hier te lande gevestigde buitenlandse
non-profitinstelling, van de
verzekeringsplicht
krachtens de volksverzekeringen worden vrijgesteld. Vrijstelling ligt voor de
hand indien de betrokkene slechts tijdelijk hier te lande verblijf houdt en
gedurende dit verblijf elders verzekerd blijft. Het verlenen van vrijstelling
is echter wel gebonden aan een aantal beperkende voorwaarden.
Daarvoor zijn twee
redenen aan te wijzen. In de eerste plaats wordt hierdoor voorkomen dat in
het kader van een de gehele bevolking omvattende verzekering er te veel individuele afwijkingen zullen ontstaan. Als tweede argument kan
worden aangevoerd dat een al te soepel vrijstellingsbeleid
verschillen in sociale lasten tussen in Nederland gevestigde ondernemingen
doet ontstaan wanneer zij werknemers in dienst hebben die van de
volksverzekeringen zijn vrijgesteld, hetgeen uiteindelijk kan
resulteren in concurrentievervalsing.
Hieronder wordt nader op
de voorwaarden ingegaan. De werkgever van degene ten behoeve van
wie de vrijstelling dient te gelden, behoort een buitenlandse instelling
zonder winstoogmerk te zijn die een vestiging in Nederland heeft én in de
Nederlandse samenleving een geïsoleerde plaats inneemt. Bovendien wordt
als voorwaarde gesteld dat de betrokkene gedurende de periode
waarvoor vrijstelling wordt aangevraagd, verzekerd is en blijft krachtens
het wettelijke socialezekerheidsstelsel van het land van herkomst.
De vrijstelling geldt
voor ten hoogste twee jaren, met de mogelijkheid van verlenging. Deze
voorwaarde past bij de gestelde tijdelijkheid van het verblijf in Nederland. Na
verloop van die tijd zal opnieuw een vrijstellingsverzoek moeten worden ingediend.
Hierdoor is het uitvoeringsorgaan in staat te controleren of
de vrijgestelde nog steeds aan de voorwaarden voor vrijstelling
voldoet. In de praktijk is namelijk gebleken dat de omstandigheden wel eens
zodanig kunnen zijn gewijzigd dat het verblijf hier te lande inmiddels
voor onbepaalde tijd is, hetgeen niet langer een vrijstelling
rechtvaardigt.
Een verzoek om
vrijstelling moet door de betrokkene zelf of door diens werkgever bij de
SVB
worden ingediend, die vervolgens daarop een beslissing neemt. Deze
beslissing geldt voor alle volksverzekeringen. Van de bevoegdheid tot het
verlenen van vrijstelling wordt, mede gelet op het geringe aantal aanvragen,
weinig gebruik gemaakt.
De verzekeringspositie
van echtgenoten, kinderen en overige inwonende gezinsleden van
degene die tijdelijk van Nederlandse verzekeringsplicht is
vrijgesteld, is dezelfde als voor overeenkomstige groepen is beschreven
onder de artikelen 13 tot en met 16.
Artikel
19. Musici en
artiesten
Verzekerd op grond van de
volksverzekeringen is de ingezetene en de niet-ingezetene die in
Nederland arbeid in dienstbetrekking verricht ter zake waarvan hij of
zij aan de loonbelasting is onderworpen. De verzekeringsplicht van
musicus of artiest vormt daarop in beginsel geen uitzondering. Het wordt
echter niet zinvol geacht dat ter zake van incidentele optredens
door de in het buitenland wonende musici en artiesten verzekering
ontstaat.
De uitvoeringsorganen
moeten bij het beoordelen van de verzekeringspositie van de hier bedoelde
musici en artiesten vaststellen of er sprake is van een dienstbetrekking
én of de arbeid in Nederland uit hoofde van deze dienstbetrekking van
korte duur is. Om te bepalen wat hier onder "korte duur" moet worden
verstaan, is aangesloten bij de belastingwetgeving. Op grond van de Wet
op de loonbelasting 1964 (artikel 26a, eerste lid) wordt het loon van de
niet in Nederland wonende musicus of artiest belast tegen een speciaal
tarief indien een overeenkomst van korte duur is aangegaan. In de uitvoeringspraktijk wordt onder dit laatste een termijn
van ten hoogste drie
maanden verstaan.
Voor de toepassing van
dit artikel dient een dergelijke termijn eveneens te worden gehanteerd om
vast te kunnen stellen of er sprake is van in dienstbetrekking verrichte
arbeid in Nederland die van korte duur is. De overeenkomst of de
dienstbetrekking zelf hoeft niet van korte duur te zijn. De arbeid in Nederland
omvat overigens niet alleen de optredens maar ook de daarmee
samenhangende in Nederland verrichte werkzaamheden, zoals repetities.
Overigens sluit deze
bepaling aan bij internationale afspraken inzake sociale zekerheid op
grond waarvan de persoon die in verschillende landen arbeid verricht,
is aangewezen op de wetgeving van het land waar hij woont.
Artikel
20. Tijdelijk in
Nederland studerenden
Dit artikel vormt ten
behoeve van tijdelijk in Nederland studerenden het spiegelbeeld van artikel
8. Voor de toelichting wordt naar dat artikel verwezen.
Artikel
21. Geen
verzekering op grond van de AWBZ
De in dit artikel
geregelde materie betreft de spiegelbeeldsituatie van artikel
7. In deze
bepaling zijn ten opzichte van het met het onderhavige artikel vergelijkbare
artikel 23 van KB 164 een paar wijzigingen aangebracht.
Waar het eerste lid van
artikel 23 van KB 164 beperkt is tot rechthebbenden op een pensioen en hun
gezinsleden, geldt het eerste lid van artikel 21 voor alle in
Nederland wonende personen die met toepassing van verordening of
verdrag ten laste van een andere staat in Nederland recht hebben op medische
zorg. Het betreft personen die verzekerd en premieplichtig zijn
volgens de wetgeving van de staat ten laste waarvan de betrokkene recht heeft
op zorg. In die gevallen acht de regering het onjuist betrokkenen op
grond van hun ingezetenschap verzekerd en mitsdien ook
premieplichtig te doen zijn op grond van de AWBZ.
Een tweede wijziging
betreft het ongedaan maken van de uitsluiting van de AWBZ-verzekering van
gepensioneerde werknemers van volkenrechtelijke organisaties en hun
gezinsleden, zoals was voorzien in het eerste lid van artikel 23
van KB 164. De regering komt hiermee tegemoet aan bezwaren die met name
vanuit organisaties van (gepensioneerde) ambtenaren van
internationale organisaties zijn geuit. Van diverse zijden is de regering erop
gewezen dat bijvoorbeeld verpleeghuiszorg veelal niet in het pakket van de
ziektekostenverzekering van internationale organisaties is opgenomen.
Dat veroorzaakt problemen
op het moment dat de betrokkene is aangewezen op verpleging
in een instelling. AWBZ-verzekering van deze categorie van personen (gepensioneerde werknemers van volkenrechtelijke
organisaties en hun
gezinsleden) is mogelijk, omdat zetelovereenkomsten die in de weg staan aan
verzekeringsplicht op grond van de in Nederland geldende socialezekerheidswetgeving
van het actieve personeel van
internationale organisaties, niet in de weg staan aan verzekeringsplicht op
grond van de in Nederland geldende socialezekerheidswetgeving van gepensioneerde
werknemers van die internationale organisaties en hun
gezinsleden.
Het tweede lid van
artikel 21 strekt ertoe de belanghebbende die dat bijvoorbeeld voor zijn
jaarlijkse belastingopgave nodig heeft, in het bezit te doen stellen van een
verklaring waarmee hij kan aantonen dat hij aanspraak op
verstrekkingen ten laste van een andere staat heeft. Daarmee kan ten behoeve
van de belastingdienst worden aangetoond dat geen premie verschuldigd
is op grond van de AWBZ.
Artikel
22. Vrijstelling
verzekeringsplicht
Eerste lid
Degene die in Nederland
woont is in beginsel verzekerd op grond van de volksverzekeringen.
Deze regel geldt ook voor ingezetenen met een niet-Nederlandse
socialeverzekeringsuitkering. Dit laatste sluit bovendien
aan bij de sedert 1991 opgenomen bepalingen in Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening
(EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de
wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, PbEG 1972 L
74/1, op basis waarvan postactieven onderworpen zijn aan de wetgeving van
het woonland, voor zover men ophoudt onderworpen te zijn aan
de wetgeving van het laatste werkland.
Sinds de invoering van KB
164 geldt een uitzondering voor de persoon die bijvoorbeeld in
verband met in het buitenland verrichte arbeid op grond van het wettelijke
socialezekerheidsstelsel van een andere mogendheid of als
nagelaten betrekking recht heeft op een uitkering, waardoor hij in staat is
in zijn levensonderhoud te blijven voorzien.
Zij kunnen onder bepaalde
voorwaarden vrijstelling krijgen van verzekeringsplicht, met uitzondering van de
AWBZ-verzekering. De
onderliggende rechtsgrond
voor die uitkering (ziekte, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid,
ouderdom of overlijden) is niet relevant. Het gaat erom dat de buitenlandse
voorzieningen gedurende de uitkeringsduur doorlopen. Met een
buitenlandse wettelijke regeling is gelijkgesteld het socialezekerheidsstelsel
van een volkenrechtelijke organisatie.
Zoals opgemerkt geldt de
vrijstelling van verzekeringsplicht niet voor de AWBZ. Dit houdt verband
met het volgende. Het is in het belang van iedere ingezetene dat
het risico zoals omschreven in de AWBZ is afgedekt. Dit is
uitsluitend gegarandeerd als betrokkene op grond van een internationale
coördinatieregeling in beginsel ten laste van het land dat een uitkering verstrekt
in Nederland recht heeft op medische zorg zoals omschreven in de Zfw en
de AWBZ. In dat geval is in artikel 21 geregeld dat betrokkene niet
verzekerd is voor de AWBZ. Daarnaast geldt dat Verordening (EEG) nr.
1408/71 in artikel 27 bepaalt dat degene die zowel in het buitenland als in
het woonland recht heeft op een pensioen of uitkering, recht op
prestaties uit het woonland (in casu Nederland) heeft indien hij daar voor de
Zfw verzekerd is.
Op grond van deze
regeling heeft de betrokkene die dus zowel AWBZ- als Zfw-verzekerd is, recht
op het verstrekkingenpakket op grond van beide wetten. De kosten
die daarmee gemoeid zijn, komen geheel ten laste van Nederland.
Wanneer men nu om
vrijstelling van de Nederlandse verzekeringsplicht op grond van de volksverzekeringen vraagt en deze krijgt, ontstaat de
volgende situatie.
Er bestaat dan geen
dekking meer tegen de in de AWBZ geregelde risico’s. Op grond van
de door Nederland gesloten socialezekerheidsverdragen bestaat evenmin de
mogelijkheid tot een adequate, vervangende buitenlandse dekking.
Deze situatie kan ook ontstaan indien men op een later tijdstip
alsnog recht heeft op een Nederlandse uitkering (zoals een AOW-pensioen) naast
de buitenlandse uitkering. Zou men niet in staat zijn de kosten van een
AWBZ-verstrekking te betalen, dan zou men een beroep op de Algemene bijstandswet (Abw) moeten doen. Dat is
uitdrukkelijk niet de
bedoeling van de regering.
De buitenlandse uitkering
dient qua hoogte voor de rechthebbende voldoende te zijn om van
te kunnen leven. Het al dan niet verlenen van de vrijstelling zal niet
mogen afhangen van de vraag of van de buitenlandse uitkering of de uitkering
van een volkenrechtelijke organisatie tevens de gezinsleden van
betrokkene kunnen worden onderhouden. Daarom geldt als voorwaarde dat de
betreffende uitkering op zijn minst gelijk dient te zijn aan 70% van het
wettelijk minimumloon (zie eerste lid, onderdeel a).
Hiermee wordt het beste
aangegeven dat de buitenlandse uitkering of de uitkering van een
volkenrechtelijke organisatie de gerechtigde in staat stelt in zijn kosten van
levensonderhoud te voorzien, waardoor de Nederlandse overheid in
zijn verantwoordelijkheid voor een minimuminkomensgarantie
voor zijn onderdanen tegen bepaalde calamiteiten kan
terugtreden.
De SVB behoeft door de
koppeling aan een bruto niveau niet de inhoudingstrajecten van buitenlandse uitkeringen te onderzoeken. Dit
betekent dat voor de
vaststelling van de hoogte van de buitenlandse uitkering, bijvoorbeeld
Duitse Renten, niet verminderd dienen te worden met het werknemersdeel
van de premie voor de Duitse ziektekostenverzekering. Evenmin dient die
Rente
te worden verhoogd met het deel van de Duitse
ziektekostenverzekering dat het Duitse uitkeringsorgaan voor zijn rekening
neemt (het
zogenaamde werkgeversdeel).
Een verzoek om
vrijstelling moet worden ingediend bij de SVB. Deze zal beoordelen of voldoende
aanleiding voor vrijstelling bestaat. Het is daarbij van belang dat de omstandigheden voor vrijstelling niet alleen ten
tijde van het verzoek om
vrijstelling aanwezig zijn, maar ook daarna aanwezig blijven. Vandaar
dat is bepaald dat de buitenlandse uitkering of de uitkering van een
volkenrechtelijke organisatie een duurzaam karakter (zie eerste lid,
onderdeel a) moet hebben.
Indien de vrijgestelde in
Nederland arbeid verricht, eindigt van rechtswege de
vrijstelling.
Dit vloeit mede voort uit
de internationaal aanvaarde regel dat de wetgeving van toepassing
is van het land waar wordt gewerkt.
Het eerste lid, onderdeel
b, stelt nadere voorwaarden over de hoogte van de uitkeringen indien
de belanghebbende recht heeft op een buitenlandse uitkering of
een uitkering van een volkenrechtelijke organisatie, in
combinatie met een Nederlandse.
Het ligt in zo’n geval
voor de hand aan de vrijstelling van de volksverzekeringen de voorwaarde te
verbinden dat de buitenlandse uitkering of de uitkering van de volkenrechtelijke organisatie groter is dan of ten minste
gelijk is aan de
Nederlandse. Indien zulks namelijk niet het geval is, wordt de band met Nederland
(afhankelijkheid van een Nederlandse inkomensbron)
verondersteld zo sterk te zijn dat de Nederlandse overheid de hiervoor genoemde
verantwoordelijkheid wel moet behouden.
Tweede lid
In het tweede lid wordt
bepaald dat de vrijstelling ingaat op de dag van het daartoe ingediende
verzoek. De vrijstelling kan niet eerder ingaan dan op het moment dat de
bedoelde inkomenssituatie ook daadwerkelijk bestaat; derhalve vanaf
het tijdstip waarop de buitenlandse uitkering of de uitkering van de
volkenrechtelijke organisatie feitelijk wordt ontvangen.
Derde lid
In bepaalde gevallen
waarin toepassing van het tweede lid tot een onredelijke uitkomst zou
leiden, is het mogelijk dat aan de vrijstelling terugwerkende kracht
wordt verleend.
Hierbij wordt
bijvoorbeeld gedacht aan de persoon die aantoonbaar heeft getracht duidelijkheid te krijgen over zijn verzekeringspositie, maar
door hem niet toe te
rekenen omstandigheden daarin niet is geslaagd. De terugwerkende kracht die
door de SVB aan de vrijstelling kan worden verleend, beslaat ten
hoogste een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het
vrijstellingsverzoek werd ingediend. Uiteraard kan ook hier de vrijstelling
niet eerder ingaan dan de datum waarop de aanspraak op de niet-Nederlandse uitkering is ontstaan. Zou het
toepassen van de terugwerkendekrachtbepaling betekenen dat de vrijstelling dient in te
gaan op een datum die ligt vóór de datum van inwerkingtreding van dit
besluit, dan mag dat geen beletsel vormen.
Vierde lid
Voorwaarde voor
vrijstelling op grond van dit artikel is dat de buitenlandse uitkering of
de uitkering
van de volkenrechtelijke organisatie groter dan of gelijk is aan de Nederlandse uitkering. Een dergelijke beoordeling
is slechts mogelijk
indien er sprake is van een vergelijking tussen twee gelijke grootheden: de
Nederlandse socialeverzekeringsuitkering enerzijds en de buitenlandse
wettelijke uitkering anderzijds. Overhevelingstoeslag is in het buitenland een
onbekend begrip. Om toch een zuivere vergelijking te kunnen trekken, dient
voor het bepalen van de hoogte van de Nederlandse uitkering de
overhevelingstoeslag, die op grond van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies wordt toegekend, buiten
beschouwing te worden
gelaten. Tevens dienen de op grond van artikel 81 van de Wet aanpassing
uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies bij ministeriële
regeling vastgestelde bedragen waarmee de AOW-uitkeringen worden
verhoogd en het deel van de Anw-uitkering dat als overhevelingstoeslag
wordt beschouwd, buiten beschouwing te worden gelaten.
Vijfde lid
In de uitvoeringspraktijk
blijkt zich ten aanzien van de vrijstellingsregeling een knelpunt voor te doen
ten aanzien van personen die als ambtenaar in en voor een
andere staat werkzaam zijn geweest en thans een uitkering ontvangen
op grond van een ambtelijke regeling. In artikel 22 zijn uitsluitend
bedoeld de "algemene" wettelijke regelingen. Een uitkering op grond van
een bijzondere regeling voor ambtenaren valt daar niet onder. Artikel 22
spreekt zelfs expliciet van een "Nederlandse
socialeverzekeringsuitkering".
In een aantal landen,
zoals Duitsland, treedt de regeling voor ambtenaren echter geheel in de
plaats van de "algemene" socialezekerheidswetgeving. Dit betekent dat personen
met een pensioen uit een land dat een dergelijk systeem
hanteert, in het geheel niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van de
verzekeringsplicht op grond van artikel 22 zouden kunnen voldoen en
derhalve premies volksverzekeringen verschuldigd zouden zijn over hun
inkomen. De bescherming die door het ambtelijk stelsel wordt geboden, doet niet onder voor de bescherming van de
algemene regeling.
Derhalve worden de belanghebbende personen vrijgesteld van de
verplichte verzekeringen. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de in
het kader van een ambtelijke regeling verleende uitkering bij vervroegde
uittreding, zoals overbruggingsuitkering en uitkering bij functioneel leeftijdsontslag, niet als uitkering inzake sociale zekerheid
worden beschouwd. De overheid treedt hier op als werkgeefster. Aangezien de regelingen
bij vervroegde uittreding krachtens CAO of wet bij de totstandkoming van
het besluit niet gelijkgesteld kunnen worden met een "algemene"
socialeverzekeringsregeling, dient ook ten aanzien van ambtenaren de
verruiming van de vrijstellingsmogelijkheid beperkt te blijven tot bedoelde
vergelijkbare uitkeringen.
Zesde lid
Het zesde lid van
artikel
22 voorziet in de mogelijkheid van vrijstelling van de verzekeringsplicht
in het geval betrokkene een pensioen of rente geniet op grond van een
regeling van de Nederlandse Antillen of Aruba. Deze aparte bepaling is
nodig naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
(CRvB) van 28 september 1989, AAW/WAO 1985, B 264, (RSV 1990,
nr. 103), waarin een dergelijk pensioen in tegenstelling tot de
eerdere jurisprudentie (CRvB, 24 november 1967, IW 1966/612 en IWI 1966/590;
RSV, 1968, 56) niet langer wordt aangemerkt als een pensioen op grond
van een buitenlandse wettelijke regeling.
Voor de overige
bepalingen in de socialezekerheidswetten (bijvoorbeeld anticumulatie) blijft op
grond van de eerstgenoemde uitspraak van de CRvB gelden dat een
Antilliaans pensioen (ongeacht of dit op grond van de ambtelijke regeling of
het "algemene" stelsel wordt verleend) geen pensioen van een andere
mogendheid is.
Artikel
23.
Vreemdelingen, rechtmatig verblijf houdend in Nederland
Dit artikel heeft
betrekking op personen aan wie op grond van een vergunning ex artikel 9 van de Vreemdelingenwet is toegestaan in
Nederland te verblijven,
maar aan wie het niet is toegestaan in Nederland arbeid te verrichten. Als
voorbeeld kan worden genoemd de vreemdeling aan wie het uitsluitend
is toegestaan om redenen van studie tijdelijk in Nederland te verblijven.
Het is hun in beginsel niet toegestaan in Nederland arbeid te verrichten, tenzij ten behoeve van die arbeid een
tewerkstellingsvergunning
is verleend. Consistentie in het overheidsbeleid vergt dat in die
gevallen waarin desondanks toch zonder tewerkstellingsvergunning arbeid wordt verricht,
uit dien hoofde geen aanspraak op de toekenning van een
uitkering of een voorziening op grond van de volksverzekeringen kan
worden ontleend.
Artikel
24.
Hardheidsclausule
Dit artikel geeft de
SVB
de bevoegdheid in gevallen van kennelijke hardheid af te wijken van
de in dit besluit gestelde regels met betrekking tot de uitbreiding en
beperking van de kring van verzekerden volksverzekeringen.
De SVB heeft echter niet
de bevoegdheid af te wijken van de hoofdregels van de wet waar het gaat
om de verzekering hier te lande. Door de toevoeging van het woord "uitsluitend" wordt benadrukt dat alleen
gevolgen van het besluit
voor iemand zijn verzekeringspositie in het kader van de hardheidsclausule
kunnen worden beoordeeld.
Aan het door de
SVB te
ontwikkelen beleid inzake de toepassing van de hardheidsclausule zijn
geen nadere eisen gesteld. Wel is het uitvoeringsorgaan verplicht zijn
beslissingen ter zake openbaar te maken.
Artikel
25. Voortzetting
verstrekkingen op grond van de AWBZ
Door de inwerkingtreding
van enig artikel van dit besluit dan wel door het vervallen van artikel
26 van dit besluit (het oude artikel 8 van het KB 164) met ingang van 1
januari 2000 komt de verzekeringsplicht op grond van de
volksverzekeringen, en daarmee van de AWBZ-verzekering, van een aantal categorieën
van personen die buiten Nederland wonen, te vervallen. Daardoor
vervalt van rechtswege ook het recht op verstrekkingen ten laste van de AWBZ uit
hoofde van artikel 34 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekosten. Personen die op dat moment reeds verstrekkingen
geldend maken, kunnen daardoor in ernstige financiële problemen
geraken. Om dit risico met name voor de hier bedoelde personen - die
in verzekeringsjargon als "brandende huizen" worden aangeduid
- te
mitigeren, heeft de regering gemeend om ten behoeve van de personen
van wie de AWBZ-verzekering als gevolg van enig artikel van dit
besluit dan wel door het vervallen van artikel 26 wordt beëindigd, een
overgangsregeling in het leven te roepen.
Deze regeling komt
erop
neer dat zij die met toepassing van artikel 34, eerste lid, onderdeel b,
en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekosten
op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van enig artikel van dit
besluit dan wel voorafgaande aan het vervallen van artikel 26 van dit
besluit, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten recht hadden
op een (aanvullende) financiële vergoeding van in dat besluit omschreven
vormen van intramurale zorg, zoals bijvoorbeeld opname in verpleeghuizen
en instellingen voor gehandicapten, dit recht kunnen houden
indien de verlening van de desbetreffende medische zorg op de dag
voorafgaande aan de inwerkingtreding van enig artikel van dit besluit dan wel het
vervallen van artikel 26 was aangevangen en zolang deze voortduurt.
Het gaat hier om vormen van intramurale zorg die zo kostbaar zijn dat de
kosten daarvan doorgaans niet op de particuliereziektekostenverzekeringsmarkt
verzekerbaar zijn en over het algemeen ook niet door de betrokkenen zelf kunnen worden gedragen. Voorwaarde
is dat men zich binnen
vier maanden na de inwerkingtreding van enig artikel van dit besluit
dan wel na het vervallen van artikel 26 als belanghebbende heeft aangemeld.
De regering acht het niet
aangewezen bij wijze van overgangsmaatregel de verzekeringsplicht op
grond van de AWBZ van deze categorie van personen te handhaven,
zoals door de Ziekenfondsraad in zijn advies van 26 november 1992
(VERZ/12
171/92, blz. 7 en 8) is geadviseerd, zulks in verband met daaraan
verbonden problemen met betrekking tot de premieheffing aan de
zijde van de belastingdienst.
Het betreft dus een
voortzetting van bestaande aanspraken zonder onderliggende verzekeringsplicht. Betrokkenen zijn mitsdien geen premie
verschuldigd. Artikel 6,
vijfde lid, van de AWBZ biedt hiertoe de mogelijkheid. Op basis
van zeer grove schattingen (de uitgaven op basis van genoemd artikel 34,
eerste lid, onderdeel b, zijn niet door alle uitvoeringsorganen
afzonderlijk geregistreerd) kost dat het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten een bedrag van
ƒ12 miljoen op
jaarbasis.
Aan de aanmelding als
belanghebbende is een termijn van vier maanden na inwerkingtreding van enig artikel van dit besluit dan wel vier
maanden na het vervallen van artikel 26 gesteld. Deze termijn heeft enerzijds ten doel ten
behoeve van de uitvoeringsorganen de periode te beperken waarbinnen nog
een beroep op de overgangsmaatregel kan worden gedaan en
anderzijds mogelijk oneigenlijk gebruik van het overgangsrecht zoveel
mogelijk te beperken. Voor de vaststelling van de duur van deze termijn is
aangesloten bij de termijnen genoemd in de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen.
Artikel
26. Tijdelijke
uitbreiding van de kring van verzekerden op grond van het recht hebben op een uitkering
Het vervallen van artikel
8 van het KB 164 leidt ertoe dat de personen die met een langlopende
socialeverzekeringsuitkering in het buitenland (gaan) wonen, niet langer
verplicht verzekerd zijn voor de volksverzekeringen. De tijdspanne tussen de
plaatsing van dit besluit in het Staatsblad en de inwerkingtreding
van dit besluit met ingang van 1 januari 1999 is echter te kort om dit
reeds per laatstgenoemde datum te effectueren. De uitbreiding van de kring
van verzekerden die in artikel 8 van het KB 164 was geregeld, vindt
tijdelijk nog tot 1 januari 2000 plaats.
Eerste tot en met derde
lid
Deze leden komen overeen
met artikel 8, eerste tot en met derde lid, van het KB 164.
Vierde lid
Dit lid komt overeen met
artikel 26a van het KB 164, voor zover in dat artikel verwezen wordt
naar artikel 8, eerst en tweede lid, van het KB 164.
Vijfde lid
Ten tijde van de
inwerkingtreding van KB 164 bleef op grond van het aldaar geformuleerde
overgangsrecht in enkele nader omschreven gevallen ten behoeve van degenen die op dat moment reeds een
langlopende, wettelijke,
Nederlandse uitkering ontvingen, KB 557 van toepassing.
Zij ontlenen hun
verzekeringspositie met andere woorden aan dat overgangsrecht en zijn uit dien hoofde verzekerd of, indien zij niet voldoen
aan de daarvoor gestelde voorwaarden in KB 557, juist niet verzekerd voor
de volksverzekeringen.
Met de inwerkingtreding van het onderhavige besluit wordt
tegelijkertijd KB 164 ingetrokken. Daarmee vervallen in beginsel eveneens de
overgangsbepalingen die daarin zijn geformuleerd. Degenen die hun
verzekeringspositie tot aan die datum aan het overgangsrecht ontlenen,
worden vanaf 1 januari 1999 getoetst aan de bepalingen van het
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.
Nu het artikel waarin de verzekeringsvoorwaarden zijn opgenomen voor
degenen die een langlopende, wettelijke, Nederlandse
uitkering ontvangen, pas met ingang van 1 januari 2000 komt te vervallen,
kunnen zich in de praktijk voor de oude groep van uitkeringsgerechtigden
- dus degenen die in het verleden reeds werden getoetst aan KB 557 en
vervolgens aan één van de overgangsbepalingen van KB 164 - de
volgende twee situaties voordoen:
- men was verzekerd tot
1 januari 1999, maar vanaf die datum voldoet men niet aan de voorwaarden van
artikel 26, eerste, tweede of derde lid,
als gevolg waarvan de verzekering per die datum eindigt. De verzekeringsplicht eindigt voor deze
groep dus één jaar eerder dan voor degenen die een soortgelijke
uitkering ontvangen, maar die hun verzekeringspositie ontlenen aan artikel 8
van KB 164;
- men was niet
verzekerd tot 1 januari 1999, maar vanaf die datum voldoet men wel aan de
verzekeringsvoorwaarden van artikel 26, eerste, tweede of derde lid. Er
ontstaat met andere woorden vanaf die datum verzekeringsplicht, die
echter met ingang van 1 januari 2000 weer wordt beëindigd omdat vanaf
die datum artikel 26 vervalt.
Beide situaties worden
onwenselijk geacht. Daarom regelt dit artikellid dat het betreffende
overgangsrecht in KB 164, voor zover dat betrekking heeft op de uitkeringsgerechtigden als hiervoor aangegeven, nog van
toepassing blijft tot 1
januari 2000.
Zesde lid
Dit lid geeft het
tijdelijke karakter weer van hetgeen geregeld is in de voorgaande leden.
Met
ingang van 1 januari 2000 zijn betrokkenen niet meer verplicht verzekerd
voor de volksverzekeringen. Voor een nadere toelichting kan verwezen
worden naar het algemene deel van deze nota van toelichting onder het
kopje "Aanleiding tot herziening van KB 164".
Artikel
27. Voortzetting
van verzekeringsplicht op grond van de AKW
Op grond van
artikel 26 van dit besluit (voorheen materieel overeenkomend met artikel 8 van het KB
164) zijn postactieven die met een langlopende Nederlandse
wettelijke uitkering in het buitenland zijn gaan wonen, tot 1 januari 2000
verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. Uiteraard dient de
belanghebbende in dat geval wel aan enkele voorwaarden te voldoen.
Zo behoort de hoogte van de Nederlandse uitkering ten minste gelijk te zijn aan 35% van het
wettelijk minimumloon,
terwijl de persoon in
kwestie geen werkzaamheden in het buitenland mag verrichten en evenmin een
uitkering mag ontvangen op grond van een buitenlandse wettelijke
regeling.
In de beleidsnotitie van
29 mei 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 754, nr. 1) heeft de toenmalige regering een uitgebreide uiteenzetting gegeven
waarom in de toekomst
deze postactieven niet langer verplicht verzekerd zouden moeten zijn op
grond van de volksverzekeringen.
Wel werd in een later
stadium besloten dat postactieven die in het buitenland wonen en die
uit hoofde van hun verzekering op grond van artikel 8 van KB 164
recht hebben op kinderbijslag op grond van de
AKW, dit recht in de toekomst
ook dienen te behouden, in beginsel tot aan het moment waarop het jongste
kind van de belanghebbende 18 jaar wordt. Zonder nadere regeling
zou dit recht voor EU-onderdanen die in een ander EU-land wonen ook
in de toekomst blijven doorlopen mits de niet-verzekerde postactieven een
WAO-, AOW- of Anw-uitkering ontvangt.
Het beëindigen van de verzekeringsplicht voor de AKW zal echter wel degelijk consequenties
hebben voor Turkse en Marokkaanse emigranten met een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering. Deze ongelijkheid acht het
kabinet
onwenselijk. Daarom is besloten de verzekeringsplicht - uitsluitend op grond van
de AKW - voor postactieven die in het buitenland wonen te laten
voortduren totdat het jongste kind 18 jaar wordt. De voorwaarden
voor de verplichte verzekering zijn identiek aan die welke waren opgenomen
in artikel 8 van KB 164. Indien men niet langer aan die
verzekeringsvoorwaarden voldoet, eindigt de verplichte verzekering. Een eenmaal
geëindigde AKW-verzekering kan nadien niet alsnog herleven.
Overigens doet het overgangsrecht op grond van deze bepaling de consequenties
die toepassing van de Wet beperking export uitkeringen kan
hebben, niet teniet. Eén en ander betekent voor een postactieve met
bijvoorbeeld een
AOW-uitkering die niet woont in een EU-land of een land waarmee Nederland
een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten, het volgende:
ondanks het feit dat hij via het overgansrecht ingevolge artikel 28
aanspraak zou kunnen doen gelden op kinderbijslag, kan hij het recht daarop
niet verzilveren.
Artikel
28. Voortzetting
beschikkingen
Dit artikel
bewerkstelligt dat een op grond van de artikelen 18, 23, 24 en 25 van het KB
164 gegeven
beschikking wordt voortgezet op grond van de artikelen 18,
21, 22 en
24 van dit besluit. Aan de hand van de regels van dit besluit wordt de
verzekeringspositie van betrokkene vervolgens verder bepaald. Wat de
beschikkingen betreft gegeven op basis van de artikelen 29, 30, 33, 34 en 35 van
het KB 164, geldt geen voortzetting. De verzekeringspositie van deze betrokkenen dient per 1 januari 1999 volgens
de regels van dit besluit
te worden beoordeeld. De SVB en de Ziekenfondsraad dienen in voorkomende
gevallen nieuwe besluiten of verklaringen af te geven.
Artikel
29. Ministeriële
regelingen
Op basis van dit artikel
worden de ministeriële regelingen betreffende de aanwijzing van volkenrechtelijke organisaties die onder KB 164 zijn
getroffen, gehandhaafd.
Artikel
30. Intrekking
De intrekking van het KB
164 betekent tevens dat het reeds ingetrokken KB 557 definitief zijn
werking verliest.
Artikel
31.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking op 1 januari 1999.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|
|