|
BESLUIT van 26 september 1996, houdende regeling
van de bijdragen in de kosten van zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en in de kosten van verzorging door een verzorgingshuis als
bedoeld in de Overgangswet
verzorgingshuizen (Bijdragebesluit zorg)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport van 12 juli 1996, VPZ/VU-961475, gedaan mede namens Onze Minister van
Justitie en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, artikel 6a van de Wet persoonsregistraties en artikel 15 van de
Overgangswet
verzorgingshuizen;
De
Raad van State gehoord (advies van 16 augustus 1996, nr. W13.96.0305);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport van 25 september 1996, VPZ/VU-962243, uitgebracht mede namens
Onze Minister van Justitie en in overeenstemming met de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1. In dit
besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. besluit: Besluit zorgaanspraken AWBZ;
c. instelling: een
instelling als bedoeld in de artikelen 9,
13 en 14 van Besluit zorgaanspraken AWBZ;
d. dag: een kalenderdag;
e. peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt;
f. inkomen:
1º. indien over het peiljaar een aanslag
of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld
in artikel 21, onderdeel e, onder 1º, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
2º. in de overige gevallen: het
inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2º,
van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
g. belasting:
1º. indien over het peiljaar een aanslag
of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar
verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde
premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel
9 van de Wet financiering sociale
verzekeringen;
2º. in de overige gevallen: de in dat jaar
ingehouden loonbelasting, bedoeld in artikel 20 van de Wet
op de loonbelasting 1964, vermeerderd met de in dat jaar ingehouden premie
voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9
van de Wet financiering sociale verzekeringen;
h. centraal administratiekantoor:
het centraal administratiekantoor, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering;
i.
ziektekostenverzekering: een overeenkomst met betrekking tot de
verzekering van geneeskundige zorg of de kosten daarvan;
j. zorgverzekering: een verzekering
als bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
van de Zorgverzekeringswet;
k. zorgtoeslag: een tegemoetkoming
als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel e, van de Wet op de
zorgtoeslag;
l. standaardpremie: het bedrag,
bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag.
HOOFDSTUK
II
Bijdrage
bij verblijf in een instelling
§ 1.
Bijdrageplicht
Art. 2.
-1. De verzekerde van 18 jaar of ouder
draagt bij in de kosten van de zorg verleend door een instelling.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt afwezigheid uit de instelling, anders dan in verband met
beëindiging van de zorgverlening, buiten beschouwing gelaten.
-3. Een wijziging in de burgerlijke staat
van de verzekerde en het bereiken van een voor de toepassing van dit
besluit van belang zijnde leeftijd door de verzekerde of zijn echtgenoot
wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage
wordt vastgesteld, met dien verstande dat bij de jaarlijkse herziening,
bedoeld in artikel 5 of 15, derde
lid, een verzekerde als 65 jaar wordt beschouwd indien hij uiterlijk op
31 januari van het kalenderjaar waarop de herziening betrekking heeft de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Art. 3.
-1. De verzekerde is de bijdrage, bedoeld
in artikel 2, verschuldigd aan het centraal
administratiekantoor.
-2. Indien aan een verzekerde zorg wordt
verleend met toepassing van artikel 6, vijfde lid, van de wet, is hij de bijdrage,
in afwijking van het eerste lid, verschuldigd aan Onze
Minister van Justitie.
§ 2.
Inkomensafhankelijke bijdrage
Art. 4.
-1. De bijdrage bedraagt per maand voor de ongehuwde verzekerde
die gedurende het etmaal in een instelling verblijft en voor de gehuwde
verzekerden die beiden gedurende het etmaal in een instelling verblijven
tezamen, een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, met
dien verstande dat de uitkomst daarvan vervolgens wordt verhoogd met 2%.
-2. De bijdrage, bedoeld in het eerste
lid, bedraagt niet meer dan €|2136,40 per
maand.
-3. Over een gedeelte van een maand is de
bijdrage gelijk aan het vastgestelde bedrag per maand, vermenigvuldigd
met twaalfmaal het aantal dagen waarover de bijdrage binnen die maand
verschuldigd is en gedeeld door 365.
-4. Van de voor gehuwde verzekerden
gezamenlijk berekende bijdrage is ieder van de echtgenoten een gedeelte
verschuldigd naar rato van ieders aandeel in het bijdrageplichtig
inkomen.
-5. De met toepassing van het eerste tot en
met het vierde lid vastgestelde bijdrage wordt verlaagd met:
a. 16% voor een ongehuwde verzekerde
jonger dan 65 jaar, voor gehuwde verzekerden die beiden jonger zijn dan
65 jaar en voor gehuwde verzekerden indien één van beiden jonger is
dan 65 jaar;
b. 8% voor de overige verzekerden.
Art. 5.
De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de
periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag
van de daaropvolgende maand december.
Art. 6.
-1. Het bijdrageplichtig inkomen wordt als
volgt berekend:
a. het inkomen over het peiljaar van
de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen
wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die
verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;
b. op het met toepassing van
onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:
1º. 15% van de redelijkerwijs te
verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte
arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een
uitkering ingevolge de Ziektewet;
2º. zak- en kleedgeld, premies voor een
zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een jonggehandicaptenkorting, een
ouderenkorting of extra vrijlatingen, één en ander volgens bij
ministeriële regeling te bepalen regels;
3º. op
aanvraag van de verzekerde, de uitkering op grond van artikel 14 van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 of de uitkering op
grond van artikel 20 van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
-2. Inkomen dat in het buitenland wordt
belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van
internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan
de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de
verzekerde wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in
mindering gebracht.
-3. De verzekerde meldt aan het centraal
administratiekantoor wijzigingen als bedoeld in artikel 2,
derde lid.
Art. 7.
De jaarlijkse herziening, bedoeld in
artikel 5, geschiedt met toepassing van artikel 6.
Art. 8.
-1. Voor de berekening van het
bijdrageplichtig inkomen over het jaar waarin een verzekerde of zijn
echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt niet van het bedrag,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, uitgegaan, maar
wordt uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot
over het desbetreffende kalenderjaar naar verwachting zal genieten,
verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde
of ingehouden belasting.
-2. Voor de berekening van het
bijdrageplichtig inkomen over het jaar volgende op het jaar waarin een
verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt niet
van het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a,
uitgegaan, maar wordt uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of
zijn echtgenoot over het lopende kalenderjaar naar verwachting zal
genieten, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar
verschuldigde of ingehouden belasting.
-3. Voor de berekening van het
bijdrageplichtig inkomen over het tweede jaar volgend op het jaar waarin
een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt
niet van het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a,
uitgegaan, maar wordt uitgegaan van de in het tweede lid bedoelde
bedragen.
Art. 9.
-1. Indien artikel 8, eerste of tweede lid,
of artikel 10, eerste lid, van toepassing is, worden, in afwijking van
artikel 6, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, twaalfmaal
het bedrag vermeld in
artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand en de bedragen in verband met de in het lopende
kalenderjaar te betalen premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd
voor de zorgtoeslag en,
indien van toepassing, de in het lopende jaar geldende
jonggehandicaptenkorting onderscheidenlijk ouderenkorting alsmede extra
vrijlatingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b,
subonderdeel 2, in mindering gebracht.
-2. Indien artikel 8, eerste lid, van
toepassing is en de werkzaamheden in de loop van het kalenderjaar
aanvangen, worden de bedragen, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onderdeel b, naar rato van het deel van het kalenderjaar waarover
de inkomsten worden verworven, in mindering gebracht.
Art.
10.
-1. In afwijking van artikel
6, eerste lid,
onderdeel a, vindt op aanvraag van de verzekerde een voorlopige
vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op basis van het
redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen
en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing
van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, ertoe zou leiden dat na
afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het van
toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23,
eerste lid, van de Wet werk en
bijstand, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een
bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag.
Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand
verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.
-2. Indien het eerste lid is toegepast,
vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling plaats. Indien
daaruit blijkt dat niet voldaan is aan het eerste lid, vindt definitieve
vaststelling plaats met toepassing van artikel 6.
Art.
11. Vervallen.
Art.
12.
Op een aanvraag als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en
15, derde lid, wordt beslist door het centraal
administratiekantoor.
Art.
13. Vervallen.
§ 3.
Inkomensafhankelijke bijdrage in bijzondere gevallen
Art.
14.
-1. In afwijking van artikel 4 bedraagt de
bijdrage 12,5% van het bijdrageplichtig inkomen met een minimum van €|148,20
en een maximum van €|778,60 per maand
voor:
a. de gehuwde verzekerde wiens
echtgenoot niet verblijft in een instelling;
b. de ongehuwde verzekerde gedurende
de eerste zes maanden van verblijf in een instelling;
c. de gehuwde verzekerden die beiden
in een instelling verblijven, zolang niet ten aanzien van elk van hen
een periode van zes maanden of de periode, bedoeld in artikel
17, eerste
lid, is verstreken, tezamen;
d. de ongehuwde verzekerde die moet
of gehuwde verzekerden tezamen die moeten voorzien in de kosten van
onderhoud van eigen, aangehuwde of pleegkinderen, mits voor die kinderen
op grond van
de Algemene Kinderbijslagwet recht op een
uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27
jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering
is toegekend krachtens de Wet
studiefinanciering 2000;
e. de ongehuwde verzekerde of de
gehuwde verzekerden tezamen indien de zorgverzekeraar het
waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling voor de ongehuwde
verzekerde, voor beide of voor één van de beide gehuwde verzekerden
kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is en
zal worden bewerkstelligd;
f. de ongehuwde verzekerde en de
gehuwde verzekerde ten aanzien van wie artikel
14 van het besluit toepassing vindt;
g. de gehuwde verzekerden tezamen
indien artikel 14 van het
besluit ten aanzien van beiden toepassing vindt dan wel indien artikel
14 van het besluit toepassing vindt
ten aanzien van één van hen en de ander in een instelling verblijft.
-2. De onderdelen b en c van
het eerste lid zijn niet van toepassing indien het verblijf aanvangt
binnen zes maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling
waarvoor de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen een
bijdrage als bedoeld in artikel 4 verschuldigd was of waren.
-3. Voor de berekening van de periode van
zes maanden worden perioden van verblijf in instellingen samengeteld,
tenzij tussen twee zodanige perioden meer dan 60 dagen zijn
verlopen. De eerste volzin is niet van toepassing op verzekerden die
maximaal twee weken per twee maanden in een instelling verblijven.
Art.
15.
-1. Voor de toepassing van artikel 14 is
het bijdrageplichtig inkomen gelijk aan het inkomen over het peiljaar
van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden
tezamen.
-2. De artikelen 4, derde en
vierde lid,
5
en 12 zijn van toepassing en de artikelen
4, vijfde lid, en 8 zijn van overeenkomstige
toepassing.
-3. In afwijking van het eerste lid vindt
op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van het
bijdrageplichtig inkomen plaats op basis van het redelijkerwijs
gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen indien het
inkomen in dat jaar ten minste €|1816,00
lager is dan het inkomen over het peiljaar dan wel algemene bijstand
ingevolge de Wet werk en bijstand betreft.
-4. Indien het vierde lid is toegepast,
vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling plaats. Indien
daaruit blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan €|1816,00
lager is geweest dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt
definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
§ 4. Inkomensonafhankelijke bijdrage in bijzondere gevallen
Vervallen
Art. 15a.
Vervallen.
HOOFDSTUK
III
Bijdrage
in andere gevallen
§ 1. Bijdrageplicht
Art. 16.
Vervallen.
Art. 16a. -1. De verzekerde van 18 jaar
of ouder draagt bij in de kosten van de zorg, bedoeld in de artikelen
4, 5 en 6 van
het besluit, voor zover
voor die zorg niet reeds op
grond van de artikelen 4 of 14 een bijdrage is verschuldigd.
-2. De bijdrageplicht,
bedoeld in het eerste lid, geldt ook gedurende perioden van onderbreking
van zorg anders dan in verband met beëindiging van de zorgverlening.
-3. De eigen bijdrage, bedoeld in het
eerste lid, wordt niet opgelegd voor zover:
a. binnen twee jaar na aanvang van
de zorg voor de te betalen eigen bijdrage geen beschikking dan wel
voorlopige beschikking tot vaststelling van deze bijdrage is verzonden;
b. binnen één jaar nadat de
zorgaanbieder de naam, het adres en de woonplaats alsmede het aantal
zorguren heeft aangeleverd bij het centraal administratiekantoor, het centraal administratiekantoor de
naam, het adres en de woonplaats niet heeft teruggevonden in de
gemeentelijke basisadministratie.
Art.
16b. De verzekerde is de bijdrage, bedoeld in
artikel 16a, verschuldigd aan het centraal administratiekantoor.
§ 2.
Bijdragen voor
persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding indien er geen sprake is van
verblijf
Art.
16c. Vervallen.
Art. 16d.
-1. De bijdrage voor de zorg, bedoeld in
de
artikelen 4, 5
en 6 van het
besluit, bedraagt €|13,40 per uur of per
dagdeel van maximaal vier uur, indien de zorg, bedoeld in artikel
6, wordt verleend in groepsverband. Indien er sprake is van
zorgverlening, niet zijnde zorg in groepsverband, gedurende een deel van
een uur, wordt de bijdrage naar evenredigheid berekend.
-2. De bijdrage, bedoeld in
het eerste lid, bedraagt niet meer dan:
a. voor de ongehuwde verzekerde
jonger dan 65 jaar €|18,00
per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt
dan €|22 905,00, het bedrag van €|18,00
wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen
zijn inkomen en €|22 905,00;
b. voor de ongehuwde verzekerde van
65 jaar of ouder €|18,00 per vier weken,
met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan €|16
007,00, het bedrag van €|18,00 wordt
verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn
inkomen en €|16 007,00;
c. voor de gehuwde verzekerden
indien één van beiden jonger is dan 65 jaar of beiden jonger zijn dan
65 jaar, €|25,80 per vier weken, met dien
verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan €|28
306,00, het bedrag van €|25,80 wordt
verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun
gezamenlijke inkomen en €|28 306,00;
d. voor de gehuwde verzekerden die
beiden 65 jaar of ouder zijn €|25,80 per
vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer
bedraagt dan €|22 319,00, het bedrag van €|25,80
wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen
hun gezamenlijke inkomen en €|22 319,00.
-3. Bij de toepassing van het tweede lid
wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en
een periode die, afhankelijk van resterende dagen, vier of vijf weken
bedraagt.
-4. Op het op grond van het eerste en
tweede lid vastgestelde bedrag worden
de eigen bijdrage die voor maatschappelijke ondersteuning
verschuldigd is ingevolge de Wet
maatschappelijke ondersteuning
en het
aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de
toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge die wet
voor
eigen rekening komt, in mindering gebracht.
-5. Op de met toepassing van het eerste,
tweede en vierde lid vastgestelde bijdrage wordt een korting van 33%
toegepast.
-6. De bijdrage is niet verschuldigd:
a. indien de verzekerde of zijn echtgenoot een bijdrage ingevolge de artikelen 4
of
14 verschuldigd is;
b. in die gevallen dat de zorgverzekeraar, op advies van
een
instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de raad voor de
kinderbescherming, van oordeel is dat het verschuldigd zijn van de
bijdrage ertoe leidt dat de zorg niet wordt verstrekt en dit
mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of
ontwikkeling van een minderjarige verzekerde tot gevolg heeft;
c. voor advies, instructie en voorlichting door een aan een instelling
verbonden gespecialiseerde verpleegkundige;
d. door de verzekerde die in de
periode, bedoeld in het derde lid, meer dan één nacht verblijft in een
maatschappelijke opvang of vrouwenopvang als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel c of d, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning.
Art. 16e.
-1. Voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen,
bedoeld in artikel 16d, tweede lid, wordt uitgegaan
van het inkomen over het peiljaar van de
ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden
tezamen.
-2. Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is
vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht,
wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse
belastingwetgeving onderworpen.
-3. In afwijking van het eerste lid vindt op aanvraag van
de verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen
plaats indien redelijkerwijs te verwachten is dat het inkomen in het lopende
jaar ten minste €|1816,00 lager zal zijn dan het inkomen, bedoeld in het eerste
lid.
-4. Indien het derde lid is toegepast, vindt na afloop van
het jaar definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar
plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan €|1816,00 lager is geweest dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt
definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
§ 3. Andere bijdragen
Vervallen
Art. 16f.
Vervallen.
Art. 16g. Vervallen.
HOOFDSTUK
IV
Slot- en
overgangsbepalingen
Art. 17.
Vervallen.
Art.
18. Vervallen.
Art. 19.
-1. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd
in de artikelen 4, eerste lid, 14 en 16d, voor zover het betreft de bedragen van €|17,20 en €|24,60,
jaarlijks gewijzigd aan de
hand van de prijsindex van de gezinsconsumptie.
-2. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op
een veelvoud van €|0,20.
-3. Bij de jaarlijkse toepassing van het eerste lid wordt
de afronding, bedoeld in het tweede lid, buiten beschouwing
gelaten.
-4. In afwijking van het
eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in artikel 16d, jaarlijks
bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de ontwikkelingen van het
minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het tweede en het derde lid
zijn niet van toepassing.
Art. 20. Voor de
berekening van enige in dit besluit genoemde periode worden zodanige perioden
voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit mede in aanmerking genomen.
Art. 21. Het centraal
administratiekantoor verlaagt ambtshalve de voor de verzekerde
vastgestelde bijdrage indien in verband met structurele wijzigingen in het
niveau van uitkeringen in het kader van regelingen inzake de sociale zekerheid
zonder zodanige wijziging na afdracht van de bijdrage maandelijks voor
persoonlijke uitgaven gemiddeld minder zou overblijven dan het van toepassing
zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en
bijstand, zoals dat geldt in het
lopende kalenderjaar.
Art. 22.
In geval van artikel 3, eerste lid, is het centraal
administratiekantoor bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de
wet van of op de verzekerde met vorderingen van of op de verzekerde
krachtens deze wet of de Wet maatschappelijke
ondersteuning.
Art.
23. Vervallen.
Art.
23a. Vervallen.
Art.
24. Vervallen.
Art.
25. Vervallen.
Art.
26. Vervallen.
Art. 27. Dit
besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Art. 28. Dit
besluit wordt aangehaald als: Bijdragebesluit zorg.
Lasten en bevelen dat
dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 26 september 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.G. Terpstra
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven achtste oktober 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[26 september 1996]
1. Algemeen
1.1. Inleiding
Dit besluit strekt ertoe
uitvoering te geven aan de voornemens van de regering om te komen tot
een harmonisatie van de eigen bijdragen die verzekerden verschuldigd
zijn in geval van opneming en verblijf in een ingevolge de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) toegelaten instelling. Voorts wordt
met dit besluit de bijdrage verschuldigd voor zorg door een verzorgingshuis
geregeld overeenkomstig de voor de AWBZ geldende systematiek.
Verder strekt dit besluit ook tot regeling van de overige op grond van
artikel 6, derde lid, van de AWBZ vast te stellen eigen bijdragen.
1.2. Achtergrond van de
maatregel
In de brief van 20 maart
1995 inzake Zorg in het regeerakkoord (Kamerstukken II 1994-1995,
24 124, nrs. 1-2) is aangegeven dat de regering een harmonisatie van de
bijdrageregelingen ingevolge de AWBZ
zal bezien. Hoofdlijn daarbij
is het streven om te komen tot twee typen van bijdragen; één voor
langdurig verblijf in AWBZ-instellingen, die overeenkomt met de
huidige eigenbijdrageregeling in het kader van de AWBZ en één voor
kortdurend verblijf in AWBZ-instellingen alsmede voor de geïntegreerde
aanspraak op thuiszorg waarvoor de huidige eigenbijdrageregeling voor de gezinsverzorging
de basis zal vormen. Bevorderd zal worden dat de
totstandkoming van een geïntegreerde aanspraak voor de thuiszorg per 1
januari 1997 kan worden gerealiseerd. Hieraan zal met een afzonderlijke
algemene maatregel van bestuur (AMvB) tot wijziging van onder meer het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering
uitvoering worden
gegeven. Met ingang van die datum zal er sprake zijn van een inkomensafhankelijke bijdrage, zowel voor de
kortdurende intramurale
zorg als voor de thuiszorg. Voor de geïntegreerde aanspraak op thuiszorg
blijft daarnaast een vaste bijdrage bestaan, die overeenkomt met de
huidige contributie voor de hulp vanwege een kruisorganisatie.
In de brief van 1
september 1995 inzake modernisering ouderenzorg (Kamerstukken II 1994-1995,
24 333, nr. 1) zijn de afspraken in het regeerakkoord met betrekking tot de
ouderenzorg uitgewerkt. Onderdeel van deze afspraken vormt het
financieren van verzorgingshuizen uit het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten. Tevens is in die brief door de regering aangegeven op welke wijze
aan de in dat kader te hanteren systematiek vorm zal worden gegeven.
De conclusie dat het verpleeghuis, het verzorgingshuis en de
thuiszorg nauw samenhangen, is de voornaamste reden geweest om te komen
tot een geharmoniseerd systeem van eigen bijdragen. Vanaf de
thuiszorg, via het verzorgingshuis tot en met het verpleeghuis zou op die
wijze een continuüm van zorgverlening ontstaan, waarbij steeds
intensievere vormen van zorg onderdeel zouden vormen van één financieringssysteem.
Voor de gewijzigde
financiering van de verzorgingshuizen is gekozen voor een
overgangsmaatregel; tot 2001 vindt financiering plaats op basis van een door de
Ziekenfondsraad [zie College voor zorgverzekeringen,
red.] uit te voeren subsidieregeling. Bij koninklijke boodschap van
10 februari 1996 is bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal daartoe
het voorstel van Overgangswet
verzorgingshuizen ingediend (Kamerstukken
II 1995-1996, 24 606, nrs. 1-2 e.v.). Het voorstel van wet is op 25
juni 1996 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanvaard. Het is
de bedoeling dat deze wet op 1 januari 1997 in werking treedt.
Het voorstel van wet
regelt in artikel 15, eerste lid, dat degene aan wie zorg wordt verleend, aan
de Ziekenfondsraad een bijdrage verschuldigd is. In het tweede lid van
artikel 15 is geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regels worden gesteld ten aanzien van de hoogte van de
bijdrage; bepaald is voorts dat de bijdrage kan verschillen al naar
gelang de groep waartoe betrokkene behoort, de zorg en voorzieningen die
verstrekt worden en dat deze mede afhankelijk gesteld kan worden van
het inkomen van degene aan wie zorg wordt geboden en dat van zijn echtgenoot.
1.3. De eigen bijdragen
In de brieven van 1
september 1995, 21 december 1995 (Kamerstukken II 1994-1995, 24 333, nr. 6),
12 februari 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 124, nr. 27), 12 maart 1996
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 124, nr. 32), 10 mei 1996, (Kamerstukken II
1995-1996, 24 333, nr. 12) en 31 mei 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 333, nr.
14) is de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitvoerig geïnformeerd
over de concretisering van de harmonisatie van de eigen bijdragen in het
kader van de AWBZ, respectievelijk de Overgangswet
verzorgingshuizen. In die brieven is het doel van de harmonisatie uiteengezet.
Het gaat om het volgende.
De huidige
bijdrageregelingen lopen sterk uiteen. Voor vergelijkbare voorzieningen gelden
verschillende regelingen, zonder dat daarvoor vanuit de aard van de
voorziening een goede verklaring kan worden geboden. De bestaande
verschillen tussen de eigen bijdragen bij verblijf in een verzorgingshuis en
een verpleeghuis zijn vanuit de historie te verklaren, doch stemmen
niet meer overeen met de huidige inzichten. In een verzorgingshuis
betaalt de bewoner tot 1 januari 1997 in beginsel zelf de kosten van zijn
verblijf. Daarbij is sprake van een vermogens- en inkomensafhankelijk
systeem. In de AWBZ geldt daarentegen een, in beginsel,
inkomensafhankelijke eigenbijdragesystematiek. Zoals in het voorgaande reeds is
aangeduid, maakt de overheveling van de verzorgingshuizen naar de
AWBZ een harmonisatie van de verschuldigde eigen bijdragen
noodzakelijk. Daarbij is van belang dat het karakter van de AWBZ als volksverzekering
zich slecht verdraagt met een vermogensafhankelijk bijdragesysteem. Ten
behoeve van de harmonisatie is daarom aangesloten op het in het
kader van de AWBZ geldende systeem. Dit betekent enerzijds een
afschaffing van de vermogenstoets. Anderzijds houdt dit in dat het
eigenbijdrageregime zoals dat is geregeld in de Bijdrageregeling
intramurale zorg AWBZ van toepassing is.
Teneinde de afschaffing
van de vermogenstoets budgettair neutraal te kunnen laten verlopen, is
besloten de huidige bijdrage van ƒ210,- vanaf 1 januari 1997 te
wijzigen in een inkomensafhankelijk systeem, afgestemd op de huidige
bijdrageregeling voor de gezinsverzorging. Bovendien is het maximale
inkomensafhankelijke bedrag per maand voor verblijf in AWBZ-instellingen van
ƒ1350,-, respectievelijk ƒ2200,-, verhoogd tot ƒ3150,-. Voor de
verzorgingshuizen is dit bedrag eveneens uitgangspunt, zij het dat voor bewoners
van deze instellingen daarboven een toeslag van ƒ300,- zal gelden,
zodat de bijdrage bij verblijf in een verzorgingshuis is vastgesteld op
ƒ3450,-.
Volledigheidshalve zij
aan het voorgaande toegevoegd dat de keuze van de regering om aan te
sluiten bij de AWBZ-systematiek niet alleen als voordeel heeft dat de
vermogenstoets wordt afgeschaft. Ook heeft daarbij het volgende meegewogen.
De Ziekenfondsraad heeft
de eerste ondergetekende desgevraagd bij brief van 3 mei 1996, kenmerk BU/20297/96, over de technische uitwerking van de
verschillen van de bijdrageregelingen in het kader van de Wet op de
bejaardenoorden (Wbo) en AWBZ meegedeeld dat de systematiek van de
Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ zodanig uitwerkt dat de
AWBZ-bijdrage in alle gevallen lager zal zijn dan de Wbo-bijdrage. Dit
betekent dus voor de bewoners van verzorgingshuizen in het algemeen een
verbetering ten opzichte van de situatie zoals die met toepassing van het
Bijdragebesluit bewoners van bejaardenoorden gold.
Ten behoeve van het
bieden van inzicht in de werking van het eigenbijdragesysteem wordt hierna aangegeven
hoe dit systeem in de onderscheiden situaties
zal werken. Daarbij kunnen drie categorieën worden onderscheiden, te
weten alleenstaanden, echtparen waarvan één partner is opgenomen en
echtparen waarvan beide partners zijn opgenomen. Voorts is de
uitwerking beperkt tot verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Met de
lage eigen bijdrage wordt bedoeld de bijdrage van ƒ1085,-, de hoge
bijdrage betreft het bedrag van ƒ3150,- of ƒ3450,-. Afhankelijk van het
inkomen zal deze bijdrage lager zijn.
Ten aanzien van
alleenstaanden geldt de volgende situatie:
a. in verpleeghuis met
wachttijd: lage bijdrage
b. in verpleeghuis na
wachttijd: hoge bijdrage
c. in verzorgingshuis
duurzaam: hoge bijdrage
d. in verzorgingshuis
kort: lage bijdrage
Ten aanzien van een
echtpaar van wie slechts één partner is opgenomen, ziet de
situatie er als volgt uit:
a. in verpleeghuis met
wachttijd: lage bijdrage
b. in verpleeghuis na
wachttijd: lage bijdrage
c. in verzorgingshuis
duurzaam: lage bijdrage
d. in verzorgingshuis
kort: lage bijdrage
Ten aanzien van echtparen
waarbij beide partners (A en B) zijn opgenomen, geldt de volgende situatie:
a. beiden in verpleeghuis
met wachttijd: lage bijdrage
b. beiden in verpleeghuis
na wachttijd: hoge bijdrage
c. beiden duurzaam in een
verzorgingshuis: hoge bijdrage
d. beiden in een
verzorgingshuis kort: lage bijdrage
e. A in verpleeghuis
gedurende wachttijd, B in verpleeghuis na
wachttijd: lage bijdrage
f. A in verpleeghuis na
wachttijd, B duurzaam in
verzorgingshuis: hoge bijdrage
g. A in verpleeghuis met
wachttijd, B in verzorgingshuis
kort: lage bijdrage
h. A in verpleeghuis na
wachttijd, B in verzorgingshuis
kort: lage bijdrage
i. A duurzaam in
verzorgingshuis, B in verpleeghuis na
wachttijd: hoge bijdrage
j. A duurzaam in
verzorgingshuis, B in verzorgingshuis
kort: lage bijdrage
k. A in verzorgingshuis
kort, B duurzaam in
verzorgingshuis: lage bijdrage
l. A in verzorgingshuis
kort, B in verzorgingshuis
kort: lage bijdrage
Hierbij zij nog het
volgende aangetekend. Onder kortdurend verblijf in een verzorgingshuis wordt
ook begrepen de situatie waarin sprake is van verblijf gedurende de dag
of de nacht, minimaal vijf keren per week. Voorts geldt dat zolang één van beide partners nog in de wachttijd verkeert, de lage
bijdrageregeling geldt. De wachttijd betreft in beginsel een periode van zes
maanden.
1.4. Gebruik
sociaal-fiscaal nummer
Tijdens de behandeling
van de regeringsplannen met betrekking tot de modernisering van de
ouderenzorg in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is reeds
bevestigd dat het sociaal-fiscaal nummer gebruikt zal worden bij de uitvoering
van de eigenbijdrageregeling, bedoeld in de AWBZ
en de Overgangswet
verzorgingshuizen. Het gebruik van het nummer wordt noodzakelijk
geacht voor de controle van het inkomen en de uitvoering van de
regeling.
Met de inwerkingtreding
van artikel 6a van de Wet persoonsregistraties (Wpr) [zie Wet
bescherming persoonsgegevens, red.] is het mogelijk geworden dat aan organisaties en
personen die ingevolge enige
wettelijke regeling met de uitvoering van een (publieke) taak zijn belast, kan
worden toegestaan het sociaal-fiscaal nummer te gebruiken indien dit
noodzakelijk is met het oog op de bestrijding en het tegengaan van fraude met
overheidsgelden en gelden verzameld ten behoeve van de socialezekerheidswetgeving. Het gebruik kan voorts worden toegestaan met het
oog op de structurele gegevensuitwisseling van persoonsgegevens met
andere (particuliere) instanties en personen die gerechtigd zijn het
nummer te gebruiken voor zover de uitwisseling van gegevens met die
instanties bij of krachtens wet is voorzien.
Het thans voorgestelde
gebruik voldoet aan beide criteria, waarvan het eerste, kortweg het
belang van fraudebestrijding, het zwaarste weegt.
Met behulp van de
sociaal-fiscale nummers worden, indien dat noodzakelijk is voor de
uitvoering van de eigenbijdrageregeling in verband met de AWBZ
en de Overgangswet
verzorgingshuizen, onder andere bij de belastingdienst, de
Sociale Verzekeringsbank en pensioenfondsen relevante
gegevens
verkregen van personen die zorg verkrijgen als bedoeld in de AWBZ en
de Overgangswet verzorgingshuizen.
De sociaal-fiscale
nummers zijn uitermate belangrijk voor de koppeling van de juiste eigen
bijdrage aan de juiste persoon. Berekening, herberekeningen, betaling
en terugvordering van de eigen bijdragen, alsmede de controle op de
rechtmatigheid op de geïnde en te innen eigen bijdragen zijn - mede
door de opbouw van het uitvoeringssysteem na de overgang van het
eigenbijdragesysteem van de Wet op de bejaardenoorden naar het
eigenbijdragesysteem zoals dat wordt gehanteerd in de AWBZ - in hoge mate afhankelijk
van het gebruik van sociaal-fiscale nummers. Het gebruik van het
sociaal-fiscaal nummer draagt zo bij tot een doelmatige inrichting van het
administratieve proces en beperkt daardoor mede de administratieve last van
alle betrokkenen tot het hoogst noodzakelijke.
De opsomming van
instanties is beperkt tot alleen die instanties die in het kader van de AWBZ
en
de Overgangswet
verzorgingshuizen bij de uitvoering van de
onderhavige eigenbijdrageregeling betrokken zijn. Het is niet nodig het gebruik
van het sociaal-fiscaal nummer ten behoeve van de uitvoering van de
onderhavige eigenbijdrageregeling te faciliteren voor instanties en
personen die reeds bij of krachtens wet over het nummer mogen beschikken
in de door hen bijgehouden persoonsregistraties die worden geraadpleegd
ten behoeve van onderhavige uitvoering.
Het tweede lid van
artikel 22 beoogt te waarborgen dat het sociaal-fiscaal nummer niet buiten de
kring van personen en instanties komt die gemachtigd zijn tot het
gebruik van dat nummer. Artikel 6a Wpr verbiedt het sociaal-fiscaal
nummer te gebruiken in het verkeer met anderen buiten het doel waarvoor
het mag worden gebruikt, tenzij dat uitdrukkelijk is toegestaan.
Het regeringsstandpunt
over het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer is neergelegd in de nota
naar aanleiding van het verslag bij het voorstel van Wet
sociaal-fiscaal nummer Ziekenfondswet (Kamerstukken II 1995-1996, 24 142, nr. 5,
blz. 3-5). Dat standpunt houdt onder meer in dat het gebruik van het
sociaal-fiscaal nummer bij voorkeur in een formele wet die de desbetreffende
materie regelt moet worden genormeerd. Op deze wijze kan in het juiste
kader de benodigde afweging worden gemaakt over de noodzaak van het
gebruik van het sociaal-fiscaal nummer en de voorwaarden waaronder
zulks geschiedt. Niettemin is er thans omwille van navolgende redenen
voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 6a van de Wet persoonsregistraties biedt om bij algemene maatregel van
bestuur het gebruik van het nummer toe te staan.
De regelgeving waarop de
uitvoering van de onderhavige eigenbijdrageregeling is gebaseerd, heeft nog
niet haar eindvorm gekregen. De Eerste Kamer der
Staten-Generaal moet het voorstel Overgangswet
verzorgingshuizen nog
behandelen. Eerst nadat de Overgangswet verzorgingshuizen tot wet
is verheven en in werking is getreden, kan aan de eigenbijdrageregeling
in het kader van die wet een wettelijke basis worden gegeven. Een regeling bij wet van het gebruik van het
sociaal-fiscaal
nummer in een dergelijke
onzekere situatie is niet gewenst. Zo’n situatie biedt niet de mogelijkheid om
- indien nodig - in te spelen op
onverwachte
ontwikkelingen. Een regeling bij algemene maatregel van bestuur biedt dat wel.
Een wettelijke regeling
zou uit oogpunt van wetgevingskwaliteit bovendien moeten leiden
tot de oplossing van een groter aantal gesignaleerde knelpunten in de
bepalingen met betrekking tot informatievoorziening in de sociale
ziektekostenverzekering. Die omstandigheid leidt tot gerede twijfel of bij
het volgen van die weg het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer
voor de uitvoering van de onderhavige eigenbijdrageregeling met ingang van 1 januari
1997, tevens de beoogde datum van
inwerkingtreding van de Overgangswet verzorgingshuizen, wel zou zijn gegarandeerd.
Eén en ander wil niet
zeggen dat de ondergetekenden nu afwijken van het eerder aangehaalde
regeringsstandpunt. Integendeel, zodra het wetsvoorstel Overgangswet
verzorgingshuizen tot wet is verheven en in werking is getreden en
ook de onderhavige algemene maatregel van bestuur in werking
treedt, zal worden begonnen met de voorbereiding van een voorstel van wet
waarbij het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer bij de uitvoering van
eigenbijdrageregelingen bij wet wordt geregeld. Dat voorstel zal dan tevens
een aantal andere gesignaleerde knelpunten in de bepalingen met betrekking
tot informatievoorziening in de sociale ziektekostenverzekering
tot onderwerp hebben. Met name vanwege de betrokkenheid van de
Registratiekamer [zie College bescherming
persoonsgegevens, red.] bij die laatste knelpunten zal het voorstel van wet aan die
Kamer worden voorgelegd. Vanwege de hierboven aangetoonde
noodzaak en de expliciete opvatting van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal dat het sociaal-fiscaal nummer bij de uitvoering van de
onderhavige eigenbijdrageregeling moet worden gebruikt en het feit dat
de Registratiekamer zal worden gehoord over het komende voorstel van wet,
is het niet noodzakelijk thans aan de Registratiekamer de onderhavige algemene
maatregel van bestuur voor te leggen. De ondergetekenden achten
in het onderhavige geval voldoende bijzondere omstandigheden
aanwezig om daar thans van af te zien.
2.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Eerste lid, onderdeel g.
Dit onderdeel bevat de begripsomschrijving "bijdrageplichtig
inkomen". Daarvoor is gekozen om
te voorkomen dat in de regeling veelvuldig de omvangrijke beschrijving
"het inkomen van de ongehuwde verzekerde of
het inkomen van de
gehuwde verzekerde en zijn echtgenoot tezamen" moet worden opgenomen.
De begrippen "ongehuwd"
en "gehuwd" zijn gedefinieerd in artikel 1 van de AWBZ
en artikel 1
van de Overgangswet
verzorgingshuizen.
Het gaat om het inkomen
van de ongehuwde verzekerde of het inkomen van de gehuwde verzekerde
en zijn echtgenoot tezamen. Dat voor de vaststelling van de
verschuldigde bijdrage uitgegaan kan worden van het inkomen van de gehuwde
verzekerde en zijn echtgenoot tezamen, is in de Overgangswet
verzorgingshuizen nadrukkelijk bepaald, niet alleen voor de verzorgingshuizen, maar
door wijziging van artikel 6, derde lid, van de
AWBZ is dit uitgangspunt
ook in de AWBZ geëxpliciteerd.
Tweede lid.
In het tweede lid is
geregeld dat onder verzekerde in de zin van dit besluit ook de bewoner
van een verzorgingshuis wordt begrepen om te voorkomen dat in diverse
bepalingen steeds zowel verzekerde als bewoner moet worden
vermeld.
Derde lid.
In het onderhavige
artikellid is geregeld dat voor de vaststelling en inning van de bijdrage
ingevolge dit besluit de Ziekenfondsraad gelijk wordt gesteld met een
uitvoeringsorgaan om te voorkomen dat in de diverse bepalingen steeds
zowel uitvoeringsorgaan als Ziekenfondsraad moet worden vermeld.
Artikel 2
Eerste lid.
In het eerste lid is
geregeld dat de verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten
van de zorg verleend door een instelling of verzorgingshuis. Welke
bijdrage dat is, is geregeld in artikel 4 en 14.
Tweede lid.
Ingevolge het tweede lid
is de verzekerde bij tijdelijke afwezigheid de bijdrage verschuldigd
zolang de zorgverlening niet is beëindigd. Het gaat hier om afwezigheid in
verband met weekend- of vakantieverlof, proefverlof of onderbrekingen van het
verblijf wegens ongeoorloofde afwezigheid, zoals bij
ontsnapping uit tbs-instellingen of bij vertrek uit een psychiatrisch ziekenhuis
zonder toestemming van de behandelend arts door een patiënt die
daar verblijft op grond van een rechterlijke machtiging en dergelijke.
In al deze situaties wordt de plaats van de verzekerde opengehouden
en worden er dus kosten gemaakt ten laste van het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten. Indien de bewoner van een verzorgingshuis tijdelijk
verblijft in bijvoorbeeld een ziekenhuis of een revalidatie-instelling, is
hij eveneens de bijdrage verschuldigd. Ook in die gevallen wordt immers
zijn plaats in het verzorgingshuis opengehouden.
De bijdrageplicht eindigt
indien de zorgverlening rechtens is beëindigd, te weten indien de
toestemming voor het verblijf door het uitvoeringsorgaan wordt ingetrokken, dan
wel de Minister van Justitie in geval van artikel
6, vierde
lid,
tot beëindiging beslist. Ook is denkbaar dat betrokkenen zelf de zorgverlening
niet langer wenst en zijn verblijf beëindigt.
Artikel 3
De verzekerde is de
bijdrage verschuldigd aan het uitvoeringsorgaan, onderscheidenlijk de
Minister van Justitie. Onder uitvoeringsorgaan wordt ingevolge artikel
1,
derde lid, ook verstaan de Ziekenfondsraad. Overigens is in artikel 15 van de
Overgangswet
verzorgingshuizen reeds geregeld dat degene aan wie zorg door
een verzorgingshuis wordt verleend, aan de Ziekenfondsraad een
bijdrage is verschuldigd.
Artikel 4
Eerste lid.
In artikel 4, eerste lid,
is de bijdrage per maand geregeld voor verblijf in instellingen gedurende
het etmaal: ƒ3150,- en voor duurzaam verblijf in verzorgingshuizen: ƒ3450,-. De situaties wanneer de bijdrage van
ƒ3150,- dan wel van ƒ3450,-
verschuldigd is, zijn opgesomd in de onderdelen a tot en met e. Het gaat
hier om maximale eigen bijdragen. Het tweede en het derde lid regelen
wanneer lagere bijdragen verschuldigd zijn.
Hoofdregel in dit besluit
is dat de bijdrage verschuldigd is met ingang van de eerste dag van het
verblijf in de instelling. Op grond van artikel 14 wordt bij ministeriële
regeling bepaald wanneer en gedurende welke periode (de zogenoemde
wachttijd) deze bijdrage niet van toepassing is, maar de bijdrage van
artikel 14 is verschuldigd. Voorts zij gewezen op artikel 17 waarin is
bepaald dat voor verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis dan wel op een
psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis gedurende in
beginsel de eerste 365 dagen in het geheel geen eigen bijdrage verschuldigd is. Een uitzondering hierop vormt het verblijf
in een herstellingsoord
behorende tot een psychiatrisch ziekenhuis.
Er is voor gekozen om
indien gehuwde partners beiden duurzaam in een verzorgingshuis
verblijven, terwijl maar één van beide geïndiceerd is voor dat verblijf en de
ander vanwege die indicatie eveneens duurzaam in het verzorgingshuis
verblijft, te regelen dat toch beiden gezamenlijk de bijdrage van ƒ3450,-
per maand verschuldigd zijn. In aansluiting op de Wet op de bejaardenoorden
had geregeld kunnen worden dat de geïndiceerde verzekerde de bijdrage, bedoeld in
artikel 14, verschuldigd is
en de niet-geïndiceerde verzekerde de bijdrage van ƒ3450,-, alsmede dat vervolgens
als maximale
gezamenlijk bijdrage het bedrag van ƒ3450,- geldt. Dit is zo’n
ingewikkelde systematiek, terwijl het er dan toch op neerkomt dat de gehuwden
gezamenlijk het bedrag van ƒ3450,- verschuldigd zijn, dat
daarvan afgezien is.
Tweede lid.
Het tweede lid strekt ertoe dat niet meer wordt betaald dan 90% van de gemiddelde maandelijkse
kosten per plaats van het verzorgingshuis respectievelijk het
maandtarief van de instelling.
Derde lid.
Het derde lid regelt dat
de bijdrage lager kan worden vastgesteld dan de in het eerste lid
genoemde bedragen al naargelang het bijdrageplichtige inkomen van de
verzekerde. Ingevolge artikel 1, onderdeel g, wordt onder het bijdrageplichtige inkomen
van de gehuwde verzekerde ook het inkomen van zijn echtgenoot
verstaan.
Vierde lid.
Het bijdragejaar loopt
van 1 juli tot 1 juli (vierde lid). Dit was ook zo geregeld in de
Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ, die met ingang van 1 januari 1997 door
het vervallen van artikel 31 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering van rechtswege is vervallen.
Indien de jaarlijkse
berekening zou leiden tot een wijziging van de eigen bijdrage van minder dan
ƒ5,- per maand, wordt deze buiten beschouwing gelaten en blijft de
lopende bijdrage ongewijzigd. Dit is zo geregeld omdat de kosten van de
vaststelling bij een dergelijke beperkte wijziging aanzienlijk hoger zijn
dan de opbrengst. Onder een wijziging wordt zowel een verhoging als een
verlaging begrepen.
Vijfde lid.
Het besluit gaat uit van
een bijdrage per maand. Echter, ook over een gedeelte van een maand is
een bijdrage verschuldigd indien de bijdrageplicht in de loop van de maand
begint of eindigt. Het vijfde lid bevat voor de berekening daarvan de
volgende formule: (aantal bijdrageplichtige dagen x maandbedrag van
de bijdrage x 12) : 365.
Artikel 5
Artikel 5 regelt de
grondslag van de bijdragevaststelling.
Eerste lid.
Het eerste lid bevat de
hoofdregel. Uitgegaan wordt van de genoten inkomsten in het
voorafgaande kalenderjaar. Het tweede en het derde lid geven op die hoofdregel
uitzonderingen. De zinsnede "redelijkerwijs geacht kan worden te zijn
genoten" richt zich in hoofdzaak op de situatie dat de verzekerde met
terugwerkende kracht uitkeringen ontvangt ingevolge de sociale-uitkeringswetten. Ook dan gaat het dus om inkomsten die betrekking
hebben op het voorafgaande kalenderjaar, doch niet in dat jaar zijn
ontvangen.
Tweede lid.
De uitzondering in het
tweede lid betreft de situatie dat de verzekerde minder overhoudt ter
vrije besteding dan de zogenaamde zakgeldbedragen (piepgrens), vermeld in
artikel 31 van de Algemene bijstandswet. Dan wordt
voor de bepaling van de eigen bijdrage uitgegaan van de
verwachte inkomsten en uitgaven in het lopende kalenderjaar. De
verzekerde dient een dergelijke herberekening zelf aan te vragen. Een dergelijke
bijstelling gebeurt niet automatisch.
De tweede uitzondering is
te vinden in het derde lid: indien in het lopende jaar voor het
eerst inkomen is genoten, dan is het verwachte inkomen over dat jaar
bepalend voor de bepaling van de hoogte van de bijdrage. Te denken valt
bijvoorbeeld aan personen die 18 jaar worden en een AAW-uitkering
ontvangen [zie Wajong, red.]. Deze uitzondering geldt echter alleen voor zover het inkomsten
betreft die genoemd zijn in artikel 6, eerste lid, onderdeel a of
b: de inkomsten uit
arbeid, uit uitkering en uit pensioen. Bij andere inkomsten (bijvoorbeeld
uit studiefinanciering) geldt de hoofdregel uit het eerste lid.
Artikel 6
In artikel 6 is geregeld
welke inkomsten wel (het eerste lid) en welke inkomsten niet (het
vierde lid) bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen dienen te worden
betrokken. Het gaat daarbij in beginsel om de in het refertejaar
feitelijk genoten inkomsten; zie artikel 5 en de toelichting daarop voor de
uitzonderingen.
Eerste lid, onderdeel
a. In dit onderdeel is voor
het begrip inkomsten uit arbeid aangesloten bij het inkomensbegrip uit de
Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hieronder wordt ook verstaan loon
uit dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening [zie Wet
sociale werkvoorziening, red.].
Eerste lid, onderdeel
c. Tot het bijdrageplichtige
inkomen worden ook gerekend de in het berekeningsjaar feitelijk
ontvangen vakantie-uitkeringen over de in het eerste lid, onderdeel a en
b,
genoemde inkomsten. Van belang zijn alleen de feitelijk ontvangen
uitkeringen, niet de aanspraak op die uitkering die in het berekeningsjaar wordt
opgebouwd.
Eerste lid, onderdeel d.
Bij opbrengsten uit
onderneming en vermogen valt te denken aan: rente, huur, dividend,
pacht en ontvangen lijfrentetermijnen. Hiervoor zij ook verwezen naar artikel
7, eerste lid, onderdeel d, voor negatieve opbrengsten uit vermogen
en onderneming.
Tweede lid.
Het tweede lid geeft aan
hoe gehandeld moet worden indien het inkomen uit arbeid dan
wel uitkeringen, genoemd in het eerste lid, onderdeel a en b, pas in de loop
van het berekeningsjaar is ontstaan: in dat geval moeten deze inkomsten
geëxtrapoleerd worden tot een jaarinkomen. De extrapolatieregel geldt
niet indien het gaat om andere inkomsten in het berekeningsjaar,
bijvoorbeeld bij het toekennen van een toelage krachtens de
Wet op de
studiefinanciering. In dat geval geldt de hoofdregel uit artikel
5, eerste lid:
bepalend zijn de inkomsten, genoten in het vorige jaar.
Derde lid.
Ingevolge artikel 251 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de ouder het vruchtgenot van
het vermogen van zijn minderjarige kinderen. Dit lid regelt dat deze
inkomsten uit het vermogen van een minderjarige voor de toepassing van
dit besluit niet als inkomsten van de ouder, doch als inkomsten van het
kind worden gerekend.
Vierde lid, onderdeel b
en c. Het vierde lid, onderdeel b
en c, sluit de uitkeringen ingevolge artikel 14 van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en artikel 20 van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 bij de vaststelling van het
bijdrageplichtige inkomen uit. De reden ligt in de systematiek van die
wetten.
Krachtens artikel 14 Wuv
wordt de uitkering van een Wuv-uitkeringsgerechtigde die ten laste van
één der socialeverzekeringswetten ter verpleging of verzorging
in een daartoe bestemde instelling is opgenomen, gereduceerd tot een
bedrag dat de belanghebbende, afhankelijk van zijn financiële
positie, ter vrije besteding houdt voor persoonlijke uitgaven. Ter
vaststelling van het bedrag voor persoonlijke uitgaven is bepaald dat bepaalde
noodzakelijk te maken kosten vergoed worden indien en voor zover deze
niet uit eigen middelen van de belanghebbende betaald kunnen worden. De
optrekking van de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ
heeft in een
aantal gevallen geleid tot een hogere uitkering ingevolge artikel 14 Wuv.
De aldus aangepaste Wuv-uitkering leidde vervolgens weer tot een
hogere AWBZ-bijdrage, hetgeen wederom, gelet op de Wuv-systematiek, weer
leidde tot een evenredige verhoging van de Wuv-uitkering. Teneinde
een dergelijke onbedoelde werking te voorkomen, worden deze
uitkeringen niet als inkomen aangemerkt.
Vierde lid, onderdeel d.
Deze bepaling is
getroffen om te voorkomen dat het besluit moet worden aangepast indien
in enig jaar een wettelijke maatregel wordt getroffen met het oog op
een uitkering in verband met koopkrachtontwikkelingen. Te denken valt aan een
uitkering als in 1986 aan de zogenaamde meerjarige echte minima op grond van de Wet van 3 juli
1986 tot verlening van
een uitkering met het oog op de koopkrachtontwikkeling in 1986 aan personen
die
in 1984, 1985, 1986 alleen dan wel tezamen met één of meer
anderen over niet meer dan een minimuminkomen beschikken (Stb.
1986, 376).
Vierde lid, onderdeel g.
Het gaat hier om onderhoudsuitkeringen welke door de bijdrageplichtige worden ontvangen. Zie
hiervoor de artikelen 8 en 9.
Vierde lid, onderdeel j.
Deze bepaling strekt
ertoe om te voorkomen dat verzekerden met een vrijwilligeouderdomsverzekeringspensioen van
ƒ30,- of minder per maand buiten hun wil om
worden geconfronteerd met het in aanmerking nemen van extra inkomsten
als gevolg van een verplichte afkoop van deze pensioenen. Deze
afkoopsommen hoeven niet bij het bijdrageplichtige inkomen te worden
opgeteld. In overige gevallen, waarin vrijwillig een afkoopsom wordt
ontvangen, vindt wel bijtelling plaats.
Vierde lid, onderdeel k.
Ook deze verplichte
afkoopsommen worden buiten beschouwing gelaten in verband met
een toezegging van de regering bij de wijziging van de Liquidatiewet in
januari 1990 (Wet van 21 maart 1990, houdende nadere wijziging van de
Liquidatiewet invaliditeitswetten, houdende een vierde tevens afsluitende
liquidatiefase (Stb. 1990, 145)).
Vierde lid, onderdeel l.
De rente op een
spaartegoed ingevolge een spaarloonregeling wordt niet als bijdrageplichtig
inkomen aangemerkt.
Artikel 7
Artikel 7 bevat de
bedragen die bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen op de inkomsten
van artikel 6 in mindering mogen worden gebracht. De
opsomming in deze bepaling is limitatief. Met niet-genoemde kosten, zoals
bijvoorbeeld aflossing van een studieschuld of kosten voor een
inrichting van een kamer bij verblijf in een instelling of een verzorgingshuis, kan
dan ook geen rekening gehouden worden. Verwezen zij ook naar
artikel 10 (aftrekbare revalidatiekosten) en artikel 11 (aftrekkosten in verband
met de opheffing van een huishouden).
Eerste lid, onderdeel a.
Aftrekbaar zijn de in het
berekeningsjaar betaalde belastingen.
Eerste lid, onderdeel b
en c. Aftrekbaar zijn de
feitelijk betaalde premies in het berekeningsjaar. Niet aftrekbaar is de premie
voor een aanvullende verzekering bij een ziekenfonds en premies
voor een vrijwillige pensioenverzekering.
Eerste lid, onderdeel d.
Voor de in aanmerking te
nemen kosten van vermogensbeheer is het Burgerlijk
Wetboek relevant. Op grond van jurisprudentie geldt dat de werkelijke kosten van
vermogensbeheer die in mindering kunnen worden gebracht ten hoogste 5%
van de netto-opbrengst van het beheerde vermogen kunnen bedragen.
Eerste lid, onderdeel e.
Slechts aftrekbaar zijn
de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de aanwijzing van de curator
of bewindvoerder. Deze kosten moeten duidelijk aantoonbaar zijn.
Beheerskosten in verband met curatele of bewindvoering zijn op grond van dit
onderdeel niet aftrekbaar. Onder die niet-aftrekbare kosten
zijn de door de kantonrechter vastgestelde beloning voor het zijn van curator
begrepen. Beheerskosten in het kader van bewindvoering en curatele
zullen echter wel aftrekbaar zijn op grond van het eerste lid, onderdeel
d,
indien er sprake is van inkomsten uit onderneming of vermogen. Deze aftrek
kan dus nooit meer zijn dan de opbrengst uit onderneming en vermogen.
Eerste lid, onderdeel f.
Van de in het
berekeningsjaar feitelijk genoten netto-opbrengst van reële arbeid kan 15%
in mindering worden gebracht. De aftrek is bedoeld om bij verzekerden die
nog tot arbeid in staat zijn, niet elke prikkel tot het verrichten van arbeid weg
te nemen. Inkomsten uit pensioen behoren niet tot de reële arbeid.
De aftrek geldt daar dus niet voor. Wel worden de uitkeringen krachtens de
Ziektewet tot de inkomsten uit arbeid gerekend. Dit om ongelijke
behandeling bij deze uitkeringen te voorkomen. Ingeval de uitkering wordt gedaan
door een werkgever, is er namelijk sprake van inkomsten uit arbeid,
terwijl bij uitkering gedaan door een uitkeringsorgaan er sprake is van een
uitkering.
Eerste lid, onderdeel g.
Het betreft hier zak- en
kleedgeld, inclusief een bedrag voor vakantiegeld, gerelateerd aan artikel
31 van de Algemene bijstandswet. Omdat het hier gaat om
jaarlijks per 1 juli te wijzigen bedragen, is bepaald dat deze bij
ministeriële
regeling worden vastgesteld.
Voor de periode 1 juli
1996 tot 1 juli 1997 zijn deze bedragen vastgesteld op ƒ4489,33 voor
ongehuwden dan wel ƒ7482,79 voor gehuwden. Indien er sprake is van
toepassing van artikel 5, tweede en derde lid, gaat het om een bedrag van
twaalfmaal het bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid.
Eerste lid, onderdeel h.
De kosten voor studie
betreffen bij ministeriële regeling vast te stellen normbedragen gerelateerd
aan de actuele kosten van leermiddelen, boeken en
onderwijsbijdragen in verschillende schoolsoorten. Deze aftrekpost is bedoeld
voor verzekerden die, soms juist met het oog op scholing, zijn opgenomen
in instellingen als instellingen voor zintuiglijk gehandicapten, in
psychiatrische ziekenhuizen, in gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten, en die tevens onderwijs volgen waarvoor zij
een toelage krachtens de Wet
op de studiefinanciering ontvangen. Ingevolge die
wet zijn de
toelagen van studerenden enerzijds voor de kosten van
levensonderhoud, anderzijds voor boeken, leermiddelen en onderwijsbedragen,
onderscheiden naar de aard van het gevolgde onderwijs. Op grond van
het artikel 6, eerste lid, onderdeel e, zijn deze toelagen inkomsten.
Ingevolge de onderhavige bepaling kan dus per onderwijssoort een
bepaald bedrag van de inkomsten worden afgetrokken. Teneinde de
verschillende bedragen zo nodig aan te kunnen passen, worden deze bij
ministeriële regeling vastgesteld.
Eerste lid, onderdeel i.
Hetgeen in het eerste
lid, onderdeel i, (in combinatie met de aanhef van het eerste lid) is geregeld,
betreft hetgeen voorheen werd geregeld in artikel 13, derde tot en met
zesde lid, van de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ. In artikel 13,
derde tot en met het zesde lid, werd geregeld dat degenen die na toepassing
van de voorafgaande bepalingen in die regeling meer inkomen
overhielden dan het sociaal minimum, van dat meerdere eerst nog eens
ƒ840,- mochten aftrekken en, zo dat inkomen dat nog toeliet, van alles
wat daarboven uitkwam nog eens 12,5%. Bij kleinere overschrijding mocht
slechts dat bedrag worden afgetrokken.
Onderdeel i strekt ertoe
deze regeling te handhaven. Omdat deze bepalingen
drempelbedragen bevatten die gerelateerd zijn aan het sociaal minimum en
derhalve jaarlijks per 1 juli worden aangepast, geschiedt regeling op dit
punt nader bij ministeriële regeling.
Achtergrond van deze
regeling is dat het redelijk wordt geacht dat het ter vrije besteding
beschikbare bedrag toeneemt naarmate het inkomen stijgt. In beginsel wordt
uitgegaan van 12,5% van het inkomen boven het sociaalminimumniveau. Teneinde te voorkomen dat in de uitvoeringspraktijk de uitvoeringsorganen
worden geconfronteerd met de noodzaak om zeer kleine
neveninkomens te betrekken bij de vaststelling van de eigen bijdrage, is
besloten om een bedrag van ten minste ƒ840,- per jaar boven het
sociaalminimumniveau buiten beschouwing te laten. In zijn algemeenheid betekent
dit dat de bijdrageplichtige die een jaarinkomen geniet dat meer bedraagt
dan het sociaal minimum, de eerste ƒ840,- neveninkomen geheel mag
overhouden en van hetgeen daarboven uitgaat nog eens 12,5%.
De aldus in dit besluit
geregelde vrijlatingen betekenen voor bewoners van verzorgingshuizen een
gunstiger regime dan gold onder het Bijdragebesluit bewoners van
bejaardenoorden.
Tweede lid.
Dit lid geeft een
regeling voor de aftrekposten indien de inkomsten pas in de loop van het
kalenderjaar ontstaan; in dat geval moeten de in het eerste lid, onderdeel
a en b,
genoemde aftrekposten geëxtrapoleerd worden tot een jaarbedrag.
Artikel 8 en
9
Artikel 8 en
9 regelen
een tweede categorie van bedragen die van het bijdrageplichtige inkomen
kunnen worden afgetrokken, namelijk de onderhoudsuitkeringen die
door een kostwinner worden gedaan aan de in die bepalingen opgesomde
personen.
Artikel 8 betreft de
kosten van onderhoud voor eigen, aangehuwde en pleegkinderen, mits voor
die kinderen recht op een uitkering ingevolge de artikelen 7 en
26 van de
Algemene Kinderbijslagwet bestaat.
Artikel 9 betreft de
kosten van onderhoud, zoals alimentatie voor de gewezen of duurzaam
gescheiden echtgenoot of een ander persoon waarmee ten minste één
jaar vóór de opname een gemeenschappelijk huishouden is gevoerd.
Artikel 10
Ingevolge
artikel 10
kunnen onder bepaalde voorwaarden uitgaven in verband met revalidatie
in mindering worden gebracht. De bedoeling van deze revalidatiekostenaftrek is enerzijds om de verzekerde tegemoet te
komen in kosten die
onvermijdelijk zijn verbonden aan een revalidatieproces en anderzijds om dit
revalidatieproces niet te verhinderen of zelfs te stimuleren teneinde
onnodig verder verblijf, mede gelet op de daarmee gepaard gaande
hoge kosten, te voorkomen.
Eerste lid.
Om in aanmerking te komen
voor de aftrek moet ingevolge de aanhef van het eerste lid
voldaan zijn aan de voorwaarde dat ontslag uit de instelling of het
verzorgingshuis en terugkeer naar de maatschappij waarschijnlijk worden
geacht. Er moet dus sprake zijn van een reële kans op ontslag op het moment
van beoordeling. Het gaat daarbij om een oordeel op grond van
objectieve medische maatstaven en niet om zaken als de te verwachten sociale of therapeutische effecten van het feitelijk
aanhouden van de woning.
Onvoldoende is dat
ontslag te gelegener tijd niet wordt uitgesloten. Daarentegen is het niet
zo dat ontslag binnen een bepaalde termijn moet zijn te verwachten.
Onvoldoende is ook dat de
verzekerde bijvoorbeeld in een psychiatrisch ziekenhuis deelneemt aan
een resocialisatieprogramma of zo nu en dan in de (feitelijk)
aangehouden woning verblijft; er moet daarnaast ook een reëel perspectief op
ontslag zijn.
De aftrekbare kosten zijn
in artikel 10 limitatief opgesomd. In het eerste lid, onderdeel a, zijn de
kosten in verband met de woonruimte opgesomd. In het eerste lid, onderdeel
b,
gaat het om kosten in verband met verlof in de eigen woonruimte. Het
eerste lid, onderdeel c, betreft kosten voor de opslag van meubilair.
De aftrek kan ook
toegepast worden in de situatie dat de gezonde partner na het overlijden
van de geïndiceerde partner het verzorgingshuis wenst te verlaten. Indien
een revalidatieaftrek in die situatie niet mogelijk zou zijn, zou de gezonde
partner hiertoe niet in staat zijn. Immers de maximaal verschuldigde
bijdrage ontneemt hem daartoe in het algemeen de ruimte. Uiteraard komt
de revalidatieaftrek pas aan de orde op het moment dat de geïndiceerde partner is overleden en de gezonde partner te kennen heeft gegeven
het verzorgingshuis te willen verlaten.
Tweede lid.
In het tweede lid zijn
aftrekbare kosten geregeld indien de verzekerde in het kader van een voor
hem noodzakelijke behandeling vervoerskosten maakt voor verlof in een
andere dan zijn eigen woonruimte.
Derde lid.
Het derde lid sluit van
de aftrekregeling uit verzekerden die verblijven in een
zwakzinnigeninrichting en een gezinsvervangend tehuis of een andere instelling, primair op
grond van een geestelijke handicap, al dan niet gepaard gaande met een
lichamelijke of zintuiglijke handicap.
Artikel 11
Verzekerden die direct
bij opneming de bijdrage, bedoeld in artikel 4, verschuldigd zijn en
daaraan voorafgaande een zelfstandige huishouding hebben gevoerd, zullen
zo snel mogelijk hun huishouden beëindigen. Echter, zij zullen in het
algemeen toch nog enige tijd kosten hebben voortvloeiende uit dat
voormalige huishouden. Huurtermijnen, hypotheekaflossingen zullen nog
enkele maanden door kunnen lopen. Daarom mogen deze niet te vermijden
uitgaven die samenhangen met het opheffen van het huishouden in
mindering op de inkomsten worden gebracht. Om te voorkomen dat de
verzekerde niet snel maatregelen neemt om zijn huishouden op te heffen,
is bepaald dat deze kosten maximaal de eerste drie maanden na de maand
van opneming kunnen worden afgetrokken. De kosten die voor aftrek in
aanmerking komen, zijn in artikel 11 limitatief geregeld.
In afwijking van het
vorenstaande geldt de aftrek voor de opheffing van een huishouden ook
voor verzekerden die in een psychiatrisch ziekenhuis of psychiatrische
afdeling zijn opgenomen, ondanks het feit dat zij pas na een verblijf
van 365 dagen een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn.
Artikel 12
Een beschikking tot
verlaging van de eigen bijdrage op grond van artikel 4, derde lid, of
5,
tweede lid, genomen door het uitvoeringsorgaan onderscheidenlijk de
Minister van Justitie, geschiedt op aanvraag van de verzekerde. Deze
beschikking wordt herzien indien niet meer aan de voorwaarde voor
verlaging wordt voldaan.
Artikel 13
Bij verblijf in de in
artikel 13 opgesomde instellingen wordt de bijdrage verlaagd met een
bedrag van ƒ62,50 voor ongehuwden en gehuwden tezamen. Reden hiervoor
is dat verzekerden die verblijven in deze instellingen in het algemeen
meer aan het maatschappelijk verkeer deelnemen dan verzekerden
verblijvende in andere AWBZ-instellingen.
Artikel 14
Eerste lid.
In het eerste lid zijn de
situaties (onderdeel a tot en met f) geregeld waarbij er geen sprake is
van de bijdrage, bedoeld in artikel 4, maar een bijdrage geldt ter
hoogte van ƒ1085,- per maand. Bij verblijf in een verzorgingshuis is
de bijdrage verschuldigd ingeval er sprake is van de zorg, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Overgangswet
verzorgingshuizen,
voor zover het betreft duurzame opneming, kortdurende zorg dan wel
verzorging, minimaal vijf keren per week, gedurende de dag of de nacht.
Betreft het verzorging gedurende de dag of de nacht minder dan vijf
keren per week, is artikel 16 van toepassing.
Tweede lid.
In het tweede lid is
geregeld dat deze bijdrage op aanvraag wordt verlaagd.
De periode, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a en d, betreft de zogenaamde wachttijd. Zoals ook
bij artikel 4 is aangegeven, is hoofdregel in dit besluit dat de
verzekerde de in die bepaling geregelde bijdrage verschuldigd is met
ingang van de eerste dag dat het verblijf ten laste van de AWBZ-verzekering komt. In afwijking daarvan gold op grond van de
Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ een wachttijd van een halfjaar
voor verblijf in een verpleeginrichting, tenzij er sprake was van een
psychogeriatrisch ziektebeeld, voor verblijf in een tehuis als bedoeld
in het Besluit regeling vergoeding Bijzondere
Ziektekostenverzekering,
tenzij er sprake was van een psychogeriatrisch ziektebeeld of een
geestelijke handicap, bij verblijf in het Dorp, bij verblijf in een
instelling voor blinden en slechtzienden, bij verblijf in een instelling
voor doven en slechthorenden en bij verblijf in een gezinsvervangend
tehuis, tenzij er sprake was van een geestelijke handicap.
Met betrekking tot de wachttijden ten aanzien waarvan dus als voorheen nadere regeling bij
ministeriële regeling zal plaatsvinden, worden per 1 januari 1997
slechts beperkte wijzigingen aangebracht. In die gevallen waarin moet
worden aangenomen dat de opname een langdurig karakter heeft, zullen
verzekerden vanaf het moment van opname de hoge eigen bijdrage
verschuldigd zijn. Dit zal moeten worden vastgesteld bij de
indicatiestelling. Voor de overige gevallen blijft een wachttijd van zes
maanden gehandhaafd.
Bij de ministeriële
regeling zal voorts als voorheen worden geregeld dat de wachttijd niet
geldt voor de verzekerde die al de bijdrage op grond van artikel 4
verschuldigd was, ontslagen wordt en binnen zes maanden weer wordt
opgenomen.
Indien de verzekerde een bijdrageplichtig inkomen heeft dat lager is dan
ƒ54 001,-, wordt de
bijdrage ingevolge het tweede lid op zijn aanvraag verlaagd tot één van
de vier in die bepaling vermelde bedragen. In de bepaling zijn vier
categorieën van inkomen vermeld waarbij een lagere eigen bijdrage
geldt. Uitgangspunt is geweest dat voor de groep verzekerden met een
bijdrageplichtig inkomen tot een bedrag van ƒ27 601,- het oude bedrag
van ƒ210,- per maand gehandhaafd blijft.
De bijdrage wordt alleen
op aanvraag van de verzekerde verlaagd. Net als bij de al bestaande
inkomensafhankelijke eigen bijdrage geldt dat de hoogste bijdrage wordt
opgelegd indien de verzekerde geen inkomensgegevens verstrekt.
Artikel 15
Eerste lid.
In het eerste lid is
geregeld dat een aantal bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn
op artikel 14.
Tweede lid.
Het tweede lid geeft een
afwijkende regeling voor de vaststelling van het bijdrageplichtige
inkomen indien het inkomen van de verzekerde in het lopende
kalenderjaar dusdanig lager is dan in het berekeningsjaar dat de
verzekerde op grond van dat lager inkomen slechts het laagste bedrag
verschuldigd zou zijn.
Artikel 16
In deze bepaling zijn de
bijdragen indien er sprake is van verzorging met verblijf gedurende de
dag of nacht minder dan vijf keren per week in een verzorgingshuis dan wel
voor zorg, anders dan bij verblijf in een instelling of een
verzorgingshuis, geregeld.
Het gaat om zorg die
verleend wordt door verzorgingshuizen aan mensen die niet in het
verzorgingshuis verblijven.
Voorts gaat het om de
eigen bijdrage voor de hulp vanwege een kruisorganisatie alsmede om de
eigen bijdrage voor psychotherapie, zoals deze waren geregeld in de
Regeling nadere regels zorgaanspraken AWBZ. Overigens is het de
bedoeling de eigen bijdrage voor het kruiswerk te wijzigen, zoals in het
algemene deel van deze nota van toelichting is aangegeven. Bevorderd zal
worden dat artikel 16 te zijner tijd zal worden gewijzigd.
Artikel 17
Indien een verzekerde in
een psychiatrisch ziekenhuis dan wel een psychiatrische afdeling van een
algemeen ziekenhuis (PAAZ) wordt opgenomen, is hij, tenzij het gaat om
opname in een herstellingsoord, de eerste 365 dagen in het geheel geen
bijdrage in de kosten verschuldigd. Daarentegen is hij, indien hij
binnen zes maanden na ontslag uit een ziekenhuis, revalidatie-instelling,
psychiatrisch ziekenhuis of een PAAZ wordt opgenomen in een
psychiatrisch ziekenhuis of PAAZ en voor het eerdere verblijf een
bijdrage verschuldigd was, met ingang van de eerste dag van de heropname
de bijdrage, bedoeld in artikel 4, verschuldigd.
Artikel 18
Voor
kloosterbejaardenoorden geldt gedurende de periode dat de
verzorgingshuizen gesubsidieerd worden door de Ziekenfondsraad
een
afwijkende vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen voor de
berekening van de verschuldigde bijdrage. Deze wordt ten minste
vastgesteld op de som van het bedrag van het volledige AOW-pensioen voor
een alleenstaande en een twaalfde gedeelte van een bij ministeriële
regeling vast te stellen bedrag. Deze vaststelling betekent een
continuering van hetgeen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden
was geregeld. Voordat duurzaam verblijf en verzorging in een
verzorgingshuis onderdeel uitmaakt van het AWBZ-aansprakenpakket zal
over het al dan niet handhaven van deze bepaling expliciet beslist
worden.
Artikel 19
In dit artikel is
geregeld dat de bedragen, genoemd in de artikelen 4, eerste lid, en
14,
jaarlijks worden gewijzigd aan de hand van de prijsindex van de
gezinsconsumptie. Het aldus berekende bedrag wordt naar beneden afgerond
op een veelvoud van vijf gulden. Bij de berekening het jaar daarop
wordt uitgegaan van het onafgeronde bedrag.
Artikel 24
Met de
Overgangswet
verzorgingshuizen is artikel 6, derde lid, van de AWBZ
gewijzigd. Eén
van de wijzigingen betreft de loskoppeling van de eigenbijdrage-AMvB
van de aanspraken-AMvB. Gelet daarop zijn alle AWBZ-bijdragen thans in
het onderhavige besluit geregeld en is bepaald dat paragraaf
10 en artikel 31
van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering
vervallen. Door het vervallen van artikel 31 is voorts de
Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ van rechtswege komen te
vervallen.
Artikel 25
Bij de behandeling van
het voorstel van Overgangswet
verzorgingshuizen in de Tweede Kamer is de
motie van het lid Van Boxtel c.s, waarin de regering wordt uitgenodigd
de zittende verpleeghuisbewoners van de beoogde verhoging van de
inkomensafhankelijke eigen bijdragen te vrijwaren, aanvaard (Kamerstukken II
1995-1996, 24 606, nr. 17). Deze motie werd ontraden
omdat er op dat moment voor de uitvoering daarvan geen financiële
middelen beschikbaar leken te zijn. Nadien is in het Jaaroverzicht zorg
1997 aangegeven dat er middelen beschikbaar zijn om de mensen die op 31
december 1996 in een AWBZ-instelling verbleven, te ontzien. Besloten is
te komen tot een ingroeimodel waarbij voor deze groep bijdrageplichtigen
de geldende maxima per 1 juli 1997 in vier stappen naar de in de artikel
4, eerste lid, en artikel 14, eerste en tweede lid, [genoemde bijdragen,
red.] toegroeien.
Het desbetreffende toegroeimodel is met ingang van 1 januari 1997 bij
ministeriële regeling geregeld. Voor de desbetreffende personen is de
bijdrage met ingang van 1 januari 1997 niet verhoogd.
Artikel 26
Tot 1 januari 1996 gold
in het kader van de AWBZ dat de verzekerde een nominale premie, vast te
stellen door het uitvoeringsorgaan, verschuldigd was. In verband met het
terugbrengen van de AWBZ-verzekering naar een voorziening voor
onverzekerbare risico’s is het verschuldigd zijn van deze premie
komen te vervallen. Deze nominale premie gold als post die op het
bijdrageplichtige inkomen in mindering mocht worden gebracht. Vanwege
het feit dat uitgegaan wordt van het bijdrageplichtige inkomen dat in
het voorafgaande jaar is genoten, dient de AWBZ-nominale premie nog als
aftrekpost te gelden tot 1 juli 1997.
Artikel 27
Zodra de
Overgangswet
verzorgingshuizen is aanvaard door de Eerste Kamer, zal worden bevorderd
dat het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt vastgesteld
op 1 januari 1997, het tijdstip waarop de inwerkingtreding van
voornoemde wet is voorzien. Geregeld is dat voor artikel 24 bij
koninklijk besluit een ander tijdstip van inwerkingtreding kan worden
vastgesteld. De reden is dat artikel 31 van het Besluit zorgaanspraken
bijzondere ziektekostenverzekering is vastgesteld op grond van het oude
artikel 6, derde lid, van de AWBZ. Voor deze oude bepaling gold de
voorhangprocedure Eerste en Tweede Kamer op grond van artikel
6, achtste
lid, van de AWBZ; deze geldt niet meer voor het gewijzigde
artikel 6,
derde lid.-
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|