|
BESLUIT van 25 oktober 2002,
houdende hernieuwde vaststelling van de aard, inhoud en omvang van de
zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten en wijziging van andere besluiten in
verband daarmee (Besluit zorgaanspraken AWBZ)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 juni 2002, Z/VU-2296118,
gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op de artikelen
5, derde en vierde lid, 6, eerste, derde en zesde lid,
7, tweede, derde en vierde lid, 9a,
eerste en tweede lid, 11, 16, eerste lid,
40a, derde lid, en 77
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,
artikel 1, eerste en tweede lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen,
artikel 50, eerste lid, van de Politiewet
1993, de artikelen 1, tweede
lid, en 17a van de Wet
tarieven gezondheidszorg en artikel
8,
tweede lid, van de Ziekenfondswet;
De Raad van State
gehoord (advies van 27 september 2002, nr. W13.02.0280/III);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 oktober
2002, Z/VU-2326865, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
I
Definitiebepaling
Art. 1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. gebruikelijke zorg: de normale, dagelijkse zorg die
partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden
elkaar onderling te bieden;
c. mantelzorg: langdurige zorg die
niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij de
zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
gebruikelijke zorg overstijgt.
HOOFDSTUK
II
De
aanspraken
Art. 2.
-1. De verzekerde heeft,
behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond
van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in
de Zorgverzekeringswet, aanspraak op:
a. persoonlijke verzorging
als omschreven in artikel 4;
b. verpleging als omschreven
in artikel 5;
c.
begeleiding als omschreven in artikel 6;
d. behandeling als
omschreven in artikel 8;
e. verblijf als omschreven
in artikel 9;
f. kortdurend verblijf als
omschreven in artikel 9a;
g. vervoer als omschreven in
artikel 10;
h. doventolkzorg als
omschreven in artikel 12;
i.
voortgezet verblijf als
omschreven in artikel 13;
j. zorg als omschreven in
artikel 15;
k.
een neonatale hielprik;
l. vaccinaties als
omschreven in artikel 18.
-2. De verzekerde heeft geen aanspraak op
de zorg, bedoeld in het eerste lid, indien hij ter zake van die zorg een
aanspraak heeft op forensische zorg als bedoeld in artikel 2 juncto
artikel 5, eerste lid, van het Interimbesluit forensische zorg.
-3. De aanspraak op zorg
bestaat slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een
oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.
-4. Bij ministeriële
regeling kan de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid, nader worden
geregeld en afhankelijk worden gesteld van daarbij te stellen
voorwaarden.
Art. 3.
De inhoud en de omvang van de zorg, bedoeld in artikel 2,
wordt mede bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij
het ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken
vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten.
Art. 4.
Persoonlijke verzorging
omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het
gebied van de persoonlijke verzorging in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of
beperking, of een
verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap,
gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid.
Art. 5.
Verpleging omvat verpleging
in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening
of beperking of een lichamelijke handicap, gericht op herstel of voorkoming van verergering van de
aandoening, beperking of handicap.
Art. 6.
-1. Begeleiding omvat activiteiten aan verzekerden met een somatische,
psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een
verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of
zware beperkingen hebben op het terrein van:
a. de sociale redzaamheid;
b. het bewegen en verplaatsen;
c. het psychisch functioneren;
d. het geheugen en de oriëntatie;
of
e. die matig of zwaar probleemgedrag
vertonen.
-2. De activiteiten, bedoeld in het eerste
lid, zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de
zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling
of verwaarlozing van de verzekerde.
-3. De activiteiten, bedoeld in het eerste
lid, bestaan uit:
a. het ondersteunen bij of het
oefenen met vaardigheden of handelingen;
b. het ondersteunen bij of het
oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie; of
c. het overnemen van toezicht op de
verzekerde.
Art. 7.
Vervallen.
Art. 8.
Behandeling omvat door een instelling te verlenen behandeling van
specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek
paramedische aard gericht op herstel of voorkoming van verergering van
een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of van een
verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, waaronder
voorkoming van verergering van gedragsproblemen in verband met een
zodanige aandoening, beperking of handicap.
Art. 9.
-1. Verblijf omvat verblijf in een
instelling met samenhangende zorg bestaande uit persoonlijke verzorging,
verpleging, begeleiding of behandeling, voor een verzekerde met een
somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking
of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, indien die
verzekerde aangewezen is op een beschermende woonomgeving, een
therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht.
-2. Op verblijf bestaat slechts aanspraak
indien de verzekerde meer dan drie etmalen per week daarop is
aangewezen.
-3. De echtgenoot van een persoon met een
somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking die op grond
van een indicatiebesluit als bedoeld in het Zorgindicatiebesluit
in een instelling verblijft, heeft aanspraak op verblijf in dezelfde
instelling. Hij behoudt aanspraak op verblijf in die instelling na het
overlijden van zijn echtgenoot dan wel na het vertrek van zijn
echtgenoot naar een andere instelling.¹
1. Ingevolge artikel III van
het Besluit van 26 januari 2004, Stb. 2004, 46, tot wijziging van
het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met de aanspraak op verblijf
voor een niet-geïndiceerde echtgenoot in een AWBZ-instelling
is artikel 9, tweede lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing
op personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit (16
april 2004) reeds in een instelling verbleven en bij het begin van dat
verblijf echtgenoot waren van een persoon met een somatische of
psychogeriatrische aandoening of beperking die op grond van een
indicatiebesluit als bedoeld in het Zorgindicatiebesluit
in die instelling verbleef, red.
Art.
9a.
-1. Kortdurend verblijf omvat logeren in
een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, gepaard gaande
met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding voor een
verzekerde met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische
aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of
zintuiglijke handicap, indien de verzekerde aangewezen is op permanent
toezicht.
-2. Op de zorg, bedoeld in het eerste lid,
bestaat slechts aanspraak indien ontlasting van de persoon die
gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de verzekerde levert noodzakelijk
is.
Art. 10.
Indien de verzekerde zorg
als bedoeld in artikel 6 of 8 gedurende een dagdeel in een
instelling ontvangt, omvat de zorg tevens vervoer naar en van de instelling indien
daarvoor een medische noodzaak bestaat.
Art. 11.
Vervallen.
Art. 12.
Doventolkzorg omvat zorg door een doventolk bij het voeren van
een gesprek in de leefsituatie.
Art. 13.
-1. Voortgezet
verblijf omvat verblijf in een instelling gepaard gaande met medisch
noodzakelijke geneeskundige zorg in aansluiting op verblijf als bedoeld
in het Besluit zorgverzekering voor zover
dit verblijf een ononderbroken periode van 365 dagen te boven gaat, al
dan niet gepaard gaande met verpleging, verzorging of paramedische zorg.
-2. In afwijking van het eerste lid
bestaat het voortgezet verblijf, indien er sprake is van behandeling van
een psychiatrische aandoening, uit zorg als omschreven in artikel
9, eerste en tweede lid.
-3. Voor de berekening van de 365 dagen
geldt een onderbreking niet langer dan dertig dagen niet als
onderbreking, doch deze dagen tellen voor de berekening van de 365 dagen
evenmin mee. Indien de periode van 365 dagen is verstreken en binnen 30
dagen opnieuw verblijf nodig is, is er evenmin sprake van een
onderbreking.
Art. 14.
Op verzoek van de verzekerde die in het bezit is van een
indicatiebesluit voor verblijf als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, kan de instelling in afwijking van die bepalingen het
verblijf en overige zorg ten huize van de verzekerde leveren.
Art. 15.
-1. Voor zover gepaard gaande
met verblijf in dezelfde instelling, omvat de zorg, bedoeld in de
artikelen 8 en 13, tevens:
a. geneeskundige zorg van
algemeen medische aard, niet zijnde paramedische zorg;
b. behandeling van een
psychiatrische aandoening indien de behandeling integraal onderdeel
uitmaakt van de behandeling van één van de in artikel 8
genoemde aandoeningen of handicaps;
c. farmaceutische zorg;
d. hulpmiddelen,
noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven zorg;
e. tandheelkundige zorg;
f. kleding, verband houdende
met het karakter en de doelstelling van de instelling;
g. het individueel gebruik
van een rolstoel.
-2. De zorg, bedoeld in het
eerste lid, aanhef, omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en
zakgeld.
Art.
16. Vervallen.
Art. 17.
-1. Een neonatale hielprik omvat onderzoek
bij pasgeborenen naar bij ministeriële regeling aan te wijzen ernstige
zeldzame ziekten.
-2. Onze Minister
draagt zorg voor de uitvoering van het onderzoek.
Art. 18.
-1. Vaccinaties omvatten de vaccinaties, opgenomen in een bij ministeriële regeling vast te stellen
vaccinatieprogramma, waarin wordt aangegeven welke groepen van verzekerden voor vaccinatie in aanmerking
komen alsmede hoe de
uitvoering van dat programma plaatsvindt.
-2. Onze
Minister draagt zorg voor de
vaccinaties.
HOOFDSTUK
III
Bijzondere
bepalingen
Art. 19.
-1. Ten aanzien van de
verzekerde die als gezinslid van een militair met toestemming van Onze
Minister van Defensie in het buitenland verblijft bij de aldaar geplaatste
militair en voor wie de militair ingevolge de Regeling ziektekostenverzekering
militairen aanspraak heeft op vergoeding van geneeskundige
verstrekkingen, treedt die aanspraak, voor zover de geneeskundige verstrekkingen
zijn verleend door de militair geneeskundige dienst van de Nederlandse
krijgsmacht ter plaatse, in de plaats van de aanspraken op zorg
ingevolge dit besluit.
-2. Onze Minister en Onze
Minister van Defensie stellen regelen vast inzake een jaarlijkse uitkering door het College zorgverzekeringen
aan
Onze Minister van Defensie
ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten in verband met
het vervallen van aanspraken op grond van artikel
7, eerste en tweede
lid, van de wet.
-3. Onze Minister en Onze
Minister van Defensie kunnen nadere regelen vaststellen met betrekking
tot de uitvoering van dit artikel.
Art. 20.
-1. Aan
een verzekerde wordt een vergoeding verstrekt voor kosten van zorg als
omschreven in dit besluit indien die zorg hier te lande is verleend en
anders dan op de in artikel 10,
eerste lid, van de wet
omschreven wijze is verkregen als gevolg van de navolgende
omstandigheden:
a. in spoedeisende gevallen waarin
uitstel redelijkerwijs niet kon worden verlangd;
b. tijdelijk verblijf hier te lande
buiten het werkgebied van de zorgverzekeraar.
-2. Aan een verzekerde wordt een vergoeding
verstrekt voor kosten van zorg als omschreven in dit besluit indien die
zorg buiten het Europese deel van Nederland wordt verleend en anders dan
op de in artikel 10,
eerste of tweede lid, van de wet
omschreven wijze is verkregen als gevolg van de navolgende
omstandigheden:
a. voortzetting van reeds binnen het
Europese deel van Nederland aangevangen zorg: een verzekerde aan wie
zorg wordt verleend waarop deze aanspraak heeft op grond van hoofdstuk
II van dit besluit,¹ behoudt deze aanspraak gedurende ten hoogste
dertien weken per kalenderjaar buiten het Europese deel van Nederland.
In dat geval worden de in rekening gebrachte kosten vergoed tot ten
hoogste de kosten die in de Nederlandse marktomstandigheden in
redelijkheid passend zijn te achten;
b. voortzetten palliatief terminale
zorg: in afwijking van het bepaalde in onderdeel a geldt een
periode van ten hoogste één jaar wanneer het palliatief terminale zorg
betreft;
c. onvoldoende binnenlands
zorgaanbod: een verzekerde kan met voorafgaande toestemming van de
zorgverzekeraar gedurende een periode van ten hoogste één jaar zorg
buiten het Europese deel van Nederland inroepen indien, gezien de
gezondheidstoestand van betrokkene en het te verwachten verloop daarvan,
de noodzakelijke zorg binnen het Europese deel van Nederland niet of
niet tijdig genoeg kan worden verkregen. In dat geval worden de in
rekening gebrachte kosten vergoed. Voor zover deze kosten die welke in
de Nederlandse marktomstandigheden passend zijn te achten,
overschrijden, wordt het meerdere vergoed voor zover deze naar het
oordeel van de zorgverzekeraar in redelijkheid in rekening zijn
gebracht;
d. verblijf buiten het Europese deel
van Nederland wegens uitoefening van bedrijf of beroep of uitsluitend
wegens studieredenen: een verzekerde die in verband met de uitoefening
van bedrijf of beroep al dan niet in dienstbetrekking of uitsluitend
wegens studieredenen buiten het Europese deel van Nederland verblijft,
kan zolang deze omstandigheid voortduurt en de betrokkene ingevolge de wet
verzekerd blijft, buiten het Europese deel van Nederland zorg inroepen.
In dat geval worden de in rekening gebrachte kosten vergoed, tot ten
hoogste de kosten die in de Nederlandse marktomstandigheden in
redelijkheid passend zijn te achten;
e. gezinsleden: onderdeel d
is van overeenkomstige toepassing op een verzekerde die met de
verzekerde, bedoeld in dat onderdeel, deel uitmaakt van een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten; ²
f. spoedeisende zorg bij tijdelijk
verblijf: een verzekerde die gedurende een tijdelijk verblijf buiten het
Europese deel van Nederland onvoorzien en onmiddellijk noodzakelijke
zorg moet inroepen die gelet op de gezondheidstoestand van betrokkene en
het te verwachten verloop daarvan niet kan worden uitgesteld tot de
verzekerde is teruggekeerd in het Europese deel van Nederland, kan deze
gedurende ten hoogste dertien weken voortzetten. Deze termijn kan door
de zorgverzekeraar worden verlengd indien de verzekerde om medische
redenen niet gerepatrieerd kan worden.
De in rekening gebrachte kosten worden vergoed tot ten hoogste de kosten
die in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend zijn
te achten.
-3. Het in het vorige lid in de onderdelen d,
e en f bepaalde is slechts van toepassing indien door een
onafhankelijk arts is vastgesteld dat en in welke omvang de verzekerde
op de desbetreffende zorg is aangewezen.
-4. Indien de verzekerde op grond van het Bijdragebesluit
zorg voor de verleende zorg een bijdrage in de kosten is
verschuldigd, wordt deze bijdrage in mindering gebracht op de in het
eerste en tweede lid bedoelde vergoeding.
-5. Aan een verzekerde die zorg inroept op
de in artikel 10,
tweede lid, van de wet
omschreven wijze worden de in rekening gebrachte kosten vergoed tot ten
hoogste de kosten die in de Nederlandse marktomstandigheden in
redelijkheid passend zijn te achten. Het derde en het vierde lid zijn
van overeenkomstige toepassing.
1. Volgens de redactie dient
"van dit besluit" te vervallen.
2. Volgens de redactie dient "de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten" te worden vervangen door: de wet.
Art.
20a.
De verzekerde heeft gedurende het reizen of het tijdelijk verblijven
buiten het Europese deel van Nederland geen aanspraak op zorg als
bedoeld in de artikelen 4 tot en met 8, of op een
vergoeding van de kosten daarvan, indien de zorg aan de verzekerde wordt
verleend door een instelling als bedoeld in artikel
1, eerste deel,¹ onderdeel e, onder 1º, van de wet.
1. Volgens de redactie
dient "eerste deel" te worden vervangen door: eerste lid.
Art.
21.
-1.
De verplichting als bedoeld in artikel 16b,
eerste lid, van de wet geldt niet voor zover
de instelling zorg verleent als bedoeld in de artikelen 4
tot en met 18.
-2. Voor de instellingen, bedoeld in het
eerste lid, geldt niet de verplichting, bedoeld in artikel
16c, eerste lid, van de wet.
HOOFDSTUK
IV
Slot- en
overgangsbepalingen
Art.
22. Vervallen.
Art.
23. Vervallen.
Art.
24. Vervallen.
Art.
25. Vervallen.
Art.
26. Vervallen.
Art.
27. Vervallen.
Art.
28. Vervallen.
Art.
29. Vervallen.
Art.
30. Vervallen.
Art.
31. Vervallen.
Art. 32.
Vervallen.
Art. 33.
-1. De artikelen 1 tot en met
20 en de artikelen 1, 2,
6, 9 en
13 van het Zorgindicatiebesluit
zoals
deze artikelen komen te luiden na inwerkingtreding van de onderdelen
A, B, E, G
en K van artikel 31 zijn slechts van toepassing voor verzekerden voor wie op of na het tijdstip waarop die
artikelen in werking treden
een indicatiebesluit als bedoeld in het Zorgindicatiebesluit
aangevraagd wordt.
-2. Het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering en de daarop gebaseerde
regelgeving alsmede de artikelen 1, 2,
6, 9 en
13 van het Zorgindicatiebesluit
zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van de
onderdelen A, B, E, G en
K van artikel 31 blijven, gedurende de
geldigheidsduur van hun indicatiebesluit als bedoeld in het Zorgindicatiebesluit
en voor de in hun indicatiebesluit geïndiceerde zorg, van
toepassing op verzekerden die onmiddellijk voorafgaande aan het
tijdstip waarop de artikelen 1 tot en met 20 en artikel 31, onderdeel
A, B, E, G en
K, in werking treden, geïndiceerd waren voor één of meer
vormen van zorg als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering.
-3. De artikelen 20 tot en
met 20g van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering en de daarop gebaseerde regelgeving
blijven, zolang zij hun recht hierop tot gelding kunnen brengen, van toepassing op verzekerden
die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de artikelen 1 tot en
met 20 en artikel 31, onderdeel A, B,
E, G en K, in werking treden, een
recht op zorg als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 20g
van het
Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering tot gelding konden brengen.
Art.
34.
-1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. ADL: algemene dagelijkse
levensverrichtingen;
b. ADL-woning: woning die deel
uitmaakt van een aantal bij elkaar horende rolstoeldoorgankelijke
sociale huurwoningen die tot stand zijn gekomen met behulp van subsidie
uit de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten of het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten;
c. ADL-assistentie: gedurende het
gehele etmaal direct oproepbare persoonlijke assistentie bij algemene
dagelijkse levensverrichtingen in en om de ADL-woning.
-2. Een verzekerde die in een ADL-woning
woont en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.9.3, eerste
lid, onderdeel a tot en met d, van de Regeling subsidies
AWBZ, zoals dat artikel luidde vóór 1 januari 2012, heeft tot 1
januari 2014 aanspraak op ADL-assistentie.
-3. Dit artikel vervalt met ingang van 1
januari 2014.
Art. 35.
Het Besluit regeling
vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering blijft van toepassing op de
verzekerde die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop artikel
32, derde lid, in werking trad, aanspraak had op een vergoeding als bedoeld
in dat besluit.
Art. 36.
Vervallen.
Art. 37.
-1. Artikel 33 vervalt.¹
-2. Artikel 36 vervalt.
1. Artikel 37, eerste lid, treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip (Stb. 2002, 625), red.
Art. 38.
Vervallen.
Art. 39.
Dit besluit treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden
vastgesteld.
Art.
39a.
Dit besluit berust mede op artikel 47, eerste lid, van de Politiewet
2012.
Art. 40.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit zorgaanspraken AWBZ.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 oktober
2002
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
Uitgegeven de zevende
november 2002
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[25 oktober 2002]
Algemeen
1. Inleiding
Met het onderhavige besluit
zijn de aanspraken op grond van artikel 6, eerste lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) opnieuw geregeld in een nieuw
besluit: het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering is dan ook ingetrokken. Het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering, het Besluit aanwijzing
inrichtingen Wet ziekenhuisvoorzieningen, het Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994, het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, het Besluit
wachttijd bijzondere ziektekostenverzekering, het Besluit werkingssfeer maximumtarieven Wtg 1992
[Wtg: Wet
tarieven gezondheidszorg, red.],
het Besluit werkingsfeer Wtg 1992, het Bijdragebesluit
zorg en het Zorgindicatiebesluit
zijn in verband met het nieuwe besluit gewijzigd en
het Besluit regeling
vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering
is
ingetrokken. Daarmee is uitvoering gegeven aan de voornemens met
betrekking tot de modernisering van de AWBZ, zoals die onder meer in de
brieven van 17 juli 2001 (Kamerstukken II 2001-2002, 26 631 en 25 659,
nr. 14), 9 november 2001 (Kamerstukken II 2001-2002, 26 631 en 25 657,
nr. 16), 28 februari 2002 (Kamerstukken II 2001-2002, 26 631, nr. 18), 19
april 2002 (Kamerstukken II 2001-2002, 26 631 en 25 657, nr. 19), 15 juli
2002 (Kamerstukken II 2001-2002, 26 631, nr. 23), 18 september 2002 (Kamerstukken II
2002-2003, 26 631, nr. 24) aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal zijn aangekondigd.
Door het omzetten van de
aanbodgestuurde, in sectoren onderverdeelde aanspraken in zorgaanspraken,
uitgedrukt in functies, worden deze voornemens gerealiseerd.
Door het aldus definiëren van de aanspraken in een beperkt aantal functies
wordt de toegang, in casu de indicatiestelling, vereenvoudigd en de
herindicatiepraktijk beperkt. Een vereenvoudiging die ook van toepassing is op
de eigen bijdragen. De deregulering voortvloeiend uit de
modernisering leidt tot een aanzienlijke vermindering van administratieve lasten.
Het in functies definiëren van de aanspraken geeft bestaande aanbieders
de ruimte AWBZ-breed zorg te verlenen en ook nieuwe zorgaanbieders kunnen zich AWBZ-breed manifesteren. Het
creëren van deze ruimte
legt de verantwoordelijkheden terug bij de partijen in het veld.
Het is de bedoeling dat het
onderhavige koninklijk besluit met ingang van 1 april 2003 in werking
treedt. De inwerkingtreding wordt geregeld bij een apart koninklijk
besluit, omdat artikel 6, achtste lid, van de AWBZ
een voorhangprocedure
voorschrijft voor zover het betreft de aanspraken op grond van artikel
6, eerste
lid, van de AWBZ. Omdat het doorvoeren van de wijzigingen van de
overige algemene maatregelen van bestuur afhangt van het doorgaan van de
wijziging van de aanspraken, is ervoor gekozen ook de inwerkingtreding
daarvan met dat koninklijk besluit te regelen.
Ten behoeve van de
implementatie van de maatregelen heb ik op 14 februari 2002 aan het College
voor zorgverzekeringen (CVZ), het College tarieven
gezondheidszorg (CTG) en het College bouw ziekenhuisvoorzieningen (CBZ) een aantal
uitvoeringskwesties voorgelegd met daarbij een fasering in de
tijd (1 april 2002, 1 juli 2002 en 1 september 2002) voor beantwoording.
Het CVZ heeft gerapporteerd op 28 maart 2002 in zijn rapport "Modernisering
AWBZ
Deel 1" (publicatienummer 89) en in zijn brieven van 14
juni
2002, V&V/22026966 en van 14 augustus 2002, V&VTOEL/22040392.
Het CBZ heeft op 18 maart
2002 (rapport "Uitvoeringstoets Modernisering
AWBZ", rapportnummer 528) en
op 8 juli 2002 (rapport "Uitvoeringstoets (tweede fase) inzake Modernisering AWBZ", rapportnummer 535)
gerapporteerd. Voorts heeft
het CTG op 19 juni 2002, AB/yb/tb/A/02/071, gerapporteerd. Bij het
opstellen van het onderhavige besluit zijn de opmerkingen van het CVZ, CTG
en CBZ in ogenschouw genomen.
2. Modernisering AWBZ
2.1. Doelen
Al jaren staat een
herinrichting van het systeem van de AWBZ
ter discussie. Burgers stellen zich steeds mondiger op en geven uitdrukkelijk
te kennen zelf meer vorm
en inhoud te willen geven aan hun leven en willen daar ook zelf op
aanspreekbaar zijn. Om aan deze behoefte tegemoet te komen, is een aantal
jaren geleden het zogenoemde persoonsgebonden budget (PGB) ingevoerd.
Verzekerden die zelf bepaalde onderdelen van zorg willen inkopen,
kunnen daarvoor een PGB in de vorm van subsidie uit het Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ) ontvangen. Gelet op de
tot nu toe gebruikelijke indeling van de aanspraken op zorg, te weten
verpleging en verzorging, verstandelijk gehandicaptenzorg, geestelijke
gezondheidszorg en lichamelijk en zintuiglijk gehandicaptenzorg, zijn
in de loop der tijd vier verschillende PGB-regelingen ingevoerd, die elk in de
uitvoering ingewikkeld zijn.
Daarnaast zijn de
aanspraken stapsgewijs per sector "geflexibiliseerd". De aanspraken op zorg
zijn daarbij zo omschreven dat er meer zorg op maat geboden kan worden, onder meer doordat geregeld is dat niet alleen
aanspraak bestaat op de
zorg bij verblijf in een instelling, maar dat de verzekerde ook zorg in de
thuissituatie kan ontvangen. De flexibilisering houdt ook in dat
instellingen - binnen hun eigen sector - elkaars zorgonderdelen mogen
leveren, voor zover hun toelating op grond van de AWBZ dat toelaat. Zo kan
reeds als gevolg van de flexibilisering verpleging en verzorging
bij de verzekerde thuis door het verpleeghuis, het verzorgingshuis en de
instelling voor thuiszorg geleverd worden.
Met de flexibilisering is
een goede beginstap gezet op weg naar de modernisering van de AWBZ. De
beoogde doelen van de modernisering van de AWBZ zijn echter
nog niet bereikt. Deze doelen zijn: het realiseren van meer keuzevrijheid,
meer keuzemogelijkheden en meer zeggenschap door de verzekerde en,
andersoortig van karakter maar voor de verzekerde niet minder relevant, is
de deregulering, de beperking van de administratieve lasten en het versterken
van de rechten en plichten van de verzekerden, zorgaanbieders en
verzekeraars in de AWBZ. Om deze doelen te bereiken, is het
essentieel dat het aanbodgerichte systeem van de AWBZ omgezet wordt in een
vraaggericht systeem.
De tot nu toe geregelde
aanspraken zijn tot stand gekomen op basis van datgene wat een
zorgaanbieder in een door hem gekozen sector wenst te leveren. Niet de
gevraagde zorg staat voorop, maar het aanwezige zorgaanbod. De zorg die
op grond van de AWBZ wordt geleverd, kenmerkt zich dan ook door
aanbodsturing of beter gezegd: sturing via de aanbieder. Door deze
aanbodgestuurde, in sectoren onderverdeelde aanspraken kan niet
voldoende worden ingespeeld op de zorgbehoefte van de verzekerde.
De beoogde doelen, meer
keuzevrijheid, meer keuzemogelijkheid en meer zeggenschap, worden
geoperationaliseerd langs twee lijnen. Enerzijds is dat de
introductie van een AWBZ-breed PGB waardoor mensen, die daar bewust
voor kiezen, de mogelijkheid krijgen om zelf en onder eigen financiële
verantwoordelijkheid hun zorg te organiseren. Anderzijds is dat een
zodanige herinrichting van het naturasysteem dat ook mensen die niet
kunnen of willen kiezen voor een PGB, de mogelijkheid krijgen een zorgpakket
samen te stellen dat aansluit bij hun behoeften. De wijziging van de
natura-aanspraken is gerealiseerd met het onderhavige besluit. Het
AWBZ-brede PGB zal door middel van een subsidiëring uit het
AFBZ op grond van artikel 1p van de Ziekenfondswet mogelijk worden gemaakt.
Daartoe zal in de Regeling
subsidies AWBZ en Ziekenfondswet per 1 april 2003 een nieuwe paragraaf worden opgenomen.
Het onderhavige besluit
heeft dus geen betrekking op het PGB, maar bevat wel essentiële
elementen ten behoeve van de PGB-regeling, zoals functies, functiegerichte
indicatiestelling, bijdragen op basis van klassen, enzovoort. Hierop wordt
in het navolgende ingegaan.
2.2. Instrumenten
De omslag van
aanbodsturing naar vraagsturing wordt gerealiseerd door het invoeren van
aanspraken op zorg die in termen van functies omschreven zijn.
Vervolgens wordt de indicatiestelling, de toelating en de tariefsstelling/financiering
afgestemd op deze functies. De functies zijn dusdanig gedefinieerd dat
daaronder alle zorg valt die tot nu toe als aanspraak in het kader
van de relevante AWBZ-sectoren, verpleging en verzorging, geestelijke
gezondheidszorg en de zorg voor lichamelijk, zintuiglijk en verstandelijk gehandicapten, geregeld is. Daartoe zijn met
het onderhavige besluit
de huidige naar aanbod omschreven aanspraken op de zorg vervangen door
aanspraken op zorg, onderscheiden in zeven functies, namelijk
huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging,
ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding, behandeling en verblijf.
In totaal omvatten deze functies zo alle ingrediënten waarmee een passend
pakket aan zorg kan worden samengesteld. Met de introductie van
deze functiegerichte aanspraken vervalt het huidige onderscheid
tussen genoemde sectoren in de AWBZ.
Gekoppeld aan het in
functiegerichte termen omschrijven van de zorg waarop aanspraak bestaat,
wordt ook de indicatiestelling zodanig heringericht dat los van
de leverende instelling kan worden vastgesteld op welke functies iemand,
gelet op de geobjectiveerde zorgvraag, is aangewezen. Tevens wordt
in de indicatiestelling een oordeel gegeven over de omvang waarin
iemand op een bepaalde functie is aangewezen. De omvang wordt daarbij
aangegeven in termen van klassen. De klassen zijn gedefinieerd in de
vorm van een bandbreedte aan uren en bij de twee begeleidingsfuncties
zowel in uren als in dagdelen. Waar sprake is van een indicatie in uren
wordt ervan uitgegaan dat iemand de zorg op individuele basis
ontvangt. Waar sprake is van dagdelen wordt uitgegaan van zorgverlening in
groepsverband.
Een functiegerichte
omschrijving van de aanspraken heeft gevolgen voor de vergunning ingevolge de Wet ziekenhuisvoorzieningen en de
toelating op grond van de AWBZ. Instellingen krijgen in een functiegericht systeem een vergunning of
worden toegelaten op het niveau van functies. Instellingen hebben
daarbij de keuze zich te richten op alle functies. Zij kunnen zich ook toeleggen
op slechts één of enkele functies. Daarmee ontstaat een situatie
waarin een grote diversiteit aan aanbieders mogelijk is, hetgeen de keuzemogelijkheden voor verzekerden vergroot.
Door het laten vervallen
van de sectoren (ontschotting) wordt het bestaande aanbieders
mogelijk gemaakt ook in andere sectoren zorg te bieden.
Verder wordt ook de
bekostiging uiteindelijk geënt op de functies. Met een functiegerichte
bekostigingssystematiek komt een einde aan het huidige beleid in de AWBZ
dat erop is gericht op landelijk niveau producten en prijzen te
definiëren. Door de functies als uitgangspunt te nemen voor de
bekostiging, ontstaat ruimte voor een flexibel, innovatief en transparant aanbod.
Aanbieders kunnen, gelet op de preferenties van cliënten, uit de
functies zelf producten op maat samenstellen. Namens de uitvoeringsorganen
onderhandelen zorgkantoren daarbij over de prijs-kwaliteitverhouding
van de producten.
De producten kunnen,
zonder eerst de stap naar de overheid of het CTG te maken, steeds worden
aangepast aan moderne ontwikkelingen. Wat in de praktijk aan producten
wordt geleverd, wordt niet meer gestuurd vanuit de overheid. producten kunnen dus per aanbieder verschillen. Van elk
product is aan te
geven uit welke (omvang van) functies het is opgebouwd. De functies
zijn daarbij getarifeerd. Daarmee is uiteindelijk elk product transparant
in zijn inhoudelijke opbouw en prijsstelling. Ook hierdoor wordt de keuze
in zorgaanbieders vergroot.
Een flexibeler en ruimere
inzet van zorgaanbieders draagt tevens bij aan het verkorten van de
wachtlijsten.
2.3. Sturingsvisie
In de functiegerichte
benadering staat de verzekerde centraal. Het systeem wordt zo ingericht dat het uiteindelijk de verzekerde is die zelf
kan beslissen over de
manier waarop het beste in zijn door het indicatieorgaan vastgestelde zorgbehoefte
kan worden voorzien. De overheid is in dit systeem
verantwoordelijk voor de formulering van de aanspraken, het tot stand
komen van een
landelijk uniform indicatieprotocol, de definiëring van klassen bij de
indicatiestelling en het laten opzetten van een transparant bekostigingssysteem. Hiermee heeft het veld (verzekerde,
zorgaanbieders en zorgkantoren) alle ingrediënten in handen om zelf
zorgproducten te maken
die zowel inhoudelijk als prijstechnisch transparant zijn en die voldoen aan
wat verzekerden wensen. Welke producten dat zijn, is aan het
veld. Dat hoort niet meer tot het domein van de overheid.
Net als bij het PGB is
het de verzekerde die beslist of hij zich voor het verkrijgen van de zorg
waarvoor hij geïndiceerd is, tot één of tot meer zorgaanbieders wendt. De
verzekerde wordt zo zijn eigen regisseur bij de totale zorgverlening. Het
ligt in de rede dat naar mate iemand minder geneigd is of minder in
staat is om zelf de regie en zorgcoördinatie te voeren, hij zijn zorg bij
één aanbieder zal afnemen die het hele voor hem geïndiceerde zorgpakket
kan leveren. Die aanbieder kan dan de noodzakelijke regie en zorgcoördinatie
van de verzekerde overnemen.
Ik verwacht dat de
aanzienlijke vereenvoudiging in de overheidssturing die met de functiegerichte benadering wordt voorgestaan, zal leiden tot
een belangrijke vereenvoudiging van de uitvoering, een vermindering van de bureaucratie, een
afname van gedetailleerde regelgeving en minder detailbemoeienis bij de
verwezenlijking van de aanspraken van verzekerden.
2.4. Functiegerichte
omschrijvingen
De opzet van de genoemde
zeven functies is zo eenvoudig mogelijk gehouden. Steeds moet
sprake zijn van een gebrek, beperking of aandoening waardoor iemand het niet
meer zelfstandig redt, bijvoorbeeld niet meer zelfstandig zijn
huishouden kan verzorgen, niet meer in staat is zichzelf te verzorgen of
niet meer in staat is op eigen kracht te participeren in de maatschappij.
Sommige functies, zoals "huishoudelijke
verzorging", "persoonlijke
verzorging" en "ondersteunende
begeleiding", ondersteunen daarbij rechtstreeks deze
doelen. Andere functies, zoals "verpleging", "activerende begeleiding" en
"behandeling", zijn veeleer gericht op
het gebrek of de
aandoening. Per functie is daarom aangegeven op welke gronden iemand in
aanmerking komt voor die functie en wat het doel is van het inzetten van de
functie.
Hoewel de opzet van de
functies zo eenvoudig mogelijk gehouden is, betekent dat niet dat
minder duidelijk wordt waarop de verzekerde aanspraak heeft. De reden
waarom tot nu toe voorzieningsgericht omschreven zorgaanspraken
gehandhaafd zijn, is de wens om uit oogpunt van financiële
beheersing het aanbod te kunnen sturen. In de omschrijving van de aanspraken valt al
sinds de invoering van de AWBZ
niet precies te lezen wat
allemaal voor de verzekerde door de instelling gedaan wordt. De uitwerking
vindt op dit moment plaats in tariefbeschikkingen, overeenkomsten tussen
zorgverzekeraars en zorgaanbieders, circulaires en andere
informatiebronnen. Deze centrale nadere invulling die zich kenmerkt door een grote
inflexibiliteit en grote bureaucratie verdwijnt. Bij de functiegerichte
benadering wordt uitgegaan van landelijke sturing op het globale niveau van
functies en de mogelijkheid van regionale of lokale invulling op het niveau
van producten. Door het invoeren van functiegerichte aanspraken ontstaat voor
verzekerden, zorgaanbieders en zorgverzekeraars de ruime om het pakket aan zorg voor een individuele
verzekerde nader in te
vullen. Door deze ruimte te bieden, ontstaat verder ruimte voor verzekerden,
zorgaanbieders en zorgverzekeraars om de te ontvangen en te leveren
zorg soepel aan te passen aan de maatschappelijke ontwikkelingen. De
concretisering van de aanspraken vindt dus op individueel
verzekerdeniveau plaats, waardoor daadwerkelijk zorg-op-maat wordt gerealiseerd.
Voorlichting, advies en
instructie zijn voor zover rechtstreeks betrekking hebbend op een functie,
in die functie ondergebracht. Onder deze tot een individuele verzekerde herleidbare zorg valt ook voorlichting, advies en
instructie aan de
mantelzorgers en andere personen rond de verzekerde. Net als tot nu toe is dus
niet expliciet in de aanspraken de ondersteuning van de directe omgeving
van de verzekerde als onderdeel van de zorgverlening geregeld. Dit vormt
gewoon onderdeel van de zorgverlening.
Voor zover voorlichting,
instructie en advies niet herleidbaar zijn op een individuele geobjectiveerde hulpvraag, kan dit niet via de aanspraken
worden geregeld. Het CVZ stelt dat deze taken het zorgdomein overstijgen
en derhalve een
structurele financieringsbron anders dan het AFBZ in de rede ligt. Het handhaven
van de tot nu toe gekozen oplossing via de tarifering vindt het CVZ
niet de juiste weg en stelt daarom een tijdelijke subsidieregeling uit het
AFBZ voor. Deze aanbeveling neem ik niet over, omdat ik geen voordeel
zie in het vervangen van een werkende bestaande oplossing door een andere
tijdelijke oplossing. Mede gezien de aanbevelingen van 29 januari 2002 van
de Commissie terugdringing administratieve lasten zorgsector in haar
rapport "Minder regels, meer zorg" heeft een dergelijke belastende
regeling niet mijn voorkeur.
Uitgangspunt bij de
overgang van aanbodgestuurde naar functiegerichte aanspraken is dat er geen
pakketverruiming of pakketbeperking plaatsvindt. De
omschrijvingen van de functies in dit besluit voldoen aan dit uitgangspunt. Er zijn
geen aanspraken toegevoegd of geschrapt.
In aansluiting op de
reikwijdte van het met dit besluit ingetrokken Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering is bij de omschrijving van de functies steeds sprake van een
"instelling". Een
uitzondering hierop vormt
de psychiatrische behandeling, die onder het oude besluit ook op eigen
titel door psychiaters en zenuwartsen kon worden geleverd. Er is
dus, behalve de gehandhaafde uitzondering, niet voor gekozen het mogelijk
te maken dat ook gecontracteerd kan worden met individuele
beroepsbeoefenaren. De keuze van de verzekerde beperkt zich dus in hoofdzaak tot
instellingen, maar niet meer is geregeld om welke instellingen het gaat.
Het goed
hulpverlenerschap brengt met zich dat de hulpverlener zijn zorg op maat aanpast aan
de zorgvrager. Niets staat dan in de weg dat kleine diensten die
feitelijk tot het domein van een andere functie behoren tijdens de levering van
de geïndiceerde functie worden meegenomen.
Met het invoeren van
functiegerichte omschrijvingen vervalt de expliciete regeling bij
de aanspraak verpleeghuiszorg dat een verpleeghuisarts door een andere arts kan
worden geconsulteerd ten behoeve van een niet in de instelling
verblijvende verzekerde. Uiteraard blijft consultatie voor rekening van de
AWBZ
mogelijk zoals dat ook mogelijk blijft in situaties dat
bijvoorbeeld het consulteren van een instellingsarts met deskundigheid op het
gebied van verstandelijk gehandicaptenzorg wenselijk is. Die consultatie is thans ook niet expliciet in de aanspraken
geregeld, maar gebeurt
wel.
2.5. Functiegerichte
indicatiestelling
Op grond van artikel
9b van de AWBZ
kunnen verzekerden hun aanspraak op zorg slechts
tot gelding brengen indien zij een besluit van het bevoegde
indicatieorgaan kunnen overleggen waarin is aangegeven dat de verzekerde naar
aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen. Ingevolge artikel 9a,
eerste lid, van de AWBZ
heeft dit alleen betrekking op zorg die
bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. Deze algemene maatregel
van bestuur is het Zorgindicatiebesluit. Tot nu toe waren de verpleging en verzorging en de gehandicaptenzorg de
zorgonderdelen die onder
de werking van het Zorgindicatiebesluit waren gebracht. Met het
onderhavige besluit is daar de geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van
behandeling, aan toegevoegd, zodat de onafhankelijke
indicatiestelling AWBZ-breed geregeld is. Ten aanzien van het verblijf is bij de
geestelijke gezondheidszorg geregeld dat de indicatiestelling alleen
onder de werking van het Zorgindicatiebesluit valt indien er sprake is van
zorgverlening langer dan één jaar. Hiertoe heeft het kabinet besloten omdat
behandeling en kortdurend verblijf meer overeenstemmen met de in het tweede
compartiment geregelde zorg. De indicatiestelling kan dan
ook beter aansluiten op de systematiek van het tweede compartiment. Bij
verblijf gaat het bij deze uitzondering ook om de andere functies die
samen met dat verblijf geïndiceerd zijn en verstrekt worden.
De indicatiestelling
wordt daarnaast geënt op de genoemde functies. De afgelopen maanden is
gewerkt aan de ontwikkeling van één protocol en één formulierenset op
basis waarvan functiegerichte indicatiestelling kan plaatsvinden. Hierover is
uitgebreid met het veld overleg gevoerd.
Bij de indicatiestelling
zal de omvang waarin iemand op een bepaalde functie is aangewezen,
worden bepaald. De omvang wordt daarbij aangegeven in klassen.
Bij de indeling van de functies in klassen wordt uitgegaan van twee
soorten klassenindelingen. In de eerste plaats een klassenindeling die is
gebaseerd op uren. Dit geldt voor alle functies met uitzondering van
behandeling en verblijf. Uitgangspunt hierbij is een één-op-éénrelatie tussen
cliënt en zorgverlening. De twee begeleidingsfuncties kennen naast de indeling
gebaseerd op uren ook nog een indeling gebaseerd op
dagdelen. Deze geldt voor zorg in groepsverband.
De klassenindeling voor
de functies huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging en verpleging
is gebaseerd op empirische gegevens uit de indicatiepraktijk. Uit
alle indicaties die in 2001 zijn afgegeven voor zorg thuis is door PWC
(Price Waterhouse Coopers) consulting een steekproef getrokken van 36 000
indicaties (rapport van mei 2002). Deze zijn nader onderzocht op
geïndiceerde functies en omvang. Op basis hiervan is per functie een
frequentieverdeling gemaakt. Op basis van deze frequentieverdelingen is
de klassenindeling gemaakt, waarbij minimaal 98% van de geïndiceerde
zorgvraag in de klassen is onder te brengen.
Uit de
frequentieverdeling komt, zoals te verwachten viel, het beeld naar voren dat
de
zorgintensiteit (zwaarte) voor de grootste categorie geconcentreerd is op het
laagste aantal uren.
De klassenindeling is zo
gekozen dat wordt voldaan aan twee voorwaarden. Enerzijds moet de
bandbreedte van de klasse een marge bieden om lichte schommelingen
in de zorgvraag op te kunnen vangen, waarmee tevens een onnodige
herindicatie voorkomen wordt, anderzijds moet de klassenindeling dusdanig
zijn dat aan de reële zorgvraag kan worden voldaan. Hoewel de
klassenindeling is gebaseerd op bestaande gegevens, wordt onderkend dat het
van belang is dat de indeling in de praktijk verder wordt getest. Bij
invoering zal vervolgens monitoring van de klassenindeling
plaatsvinden. Hierdoor kan nauwkeurig worden gevolgd of een aanpassing van de
klassenindeling nodig is.
De zorgbehoefte, met name
als het gaat om een complexe zorgbehoefte, kan met zich brengen dat
zorgcoördinatie nodig is. Het indicatieorgaan zal bij zijn
indicatiestelling rekening moeten houden met de tijd die daarmee gemoeid. Die
behoefte zal ook in het indicatiebesluit tot uitdrukking moeten komen.
2.6. Omslagpunten
Het in steeds meer
situaties leveren van zorg bij de verzekerde thuis in plaats van in de instelling leidt tot de discussie of er vanuit de kostenbeheersing
geen omslagpunten geregeld moeten worden.
Bij het vraagstuk van de
omslagpunten gaat het in essentie om twee vragen. In de eerste
plaats de financieel-technische vraag op welk moment bij eenzelfde
zorgbehoefte de levering van zorg in een geclusterde setting (bijvoorbeeld in
een instelling) doelmatiger is dan in een één-op-éénsituatie
(bijvoorbeeld thuis). Vervolgens is het een beleidsmatige vraag in welke mate er
bereidheid bestaat enige ondoelmatigheid te accepteren teneinde
verzekerden zolang mogelijk hun zorg thuis te laten genieten.
Met een functiegerichte
indicatie is voor een persoon in kaart gebracht hoe groot zijn zorgbehoefte is. Deze zorgbehoefte op zich discrimineert
niet naar de plaats van levering. Of iemand nu zijn zorg thuis ontvangt of
in een instelling, de
zorgbehoefte blijft gelijk. Bij een hoge zorgbehoefte is ook in geval van levering
in een instelling sprake van een dure cliënt.
Iets anders is dat de
kosten die zijn gemoeid met het tegemoet-komen aan de zorgbehoefte van
een individuele cliënt kunnen verschillen naargelang de zorg thuis, met
verblijf in een instelling (intramurale zorg) of in de vorm van geclusterde
zorgverlening wordt geleverd. In een instelling of in een geclusterde
vorm van zorgverlening kan sprake zijn van schaalvoordelen. In het kader van het
doelmatig besteden van middelen dienen deze schaalvoordelen in
relatie te staan tot de kosten die gemaakt worden voor de zorg buiten de
instelling (extramurale zorg).
Bij een geringe
zorgbehoefte is het doorgaans doelmatiger de zorg aan huis te leveren, omdat
deze vorm van zorgverlening geen kosten voor verblijf in een
zorginstelling kent. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de rente en
afschrijvingslasten van een intramurale instelling. Deze vaste kosten zijn
onafhankelijk van de hoeveelheid te leveren zorg.
Omdat de variabele kosten
per uur zorg extramuraal hoger liggen dan in een instelling of
geclusterde setting, nemen de kosten van zorg bij een toenemende zorgbehoefte
extramuraal sneller toe dan intramuraal (bijvoorbeeld door de
reistijden van de zorgverleners).
Hierdoor wordt het bij
een bepaalde zorgbehoefte doelmatiger om de zorg intramuraal of in
een geclusterde setting te leveren.
Wat voor de zorg per
functie geldt, geldt a fortiori wanneer een cliënt meer zorgfuncties nodig
heeft. In het algemeen geldt dat hoe meer zorg van verschillende
functies een verzekerde nodig heeft, des te sneller is het doelmatig om deze zorg
intramuraal of in een geclusterde setting te ontvangen. Het is dus
goed mogelijk dat iemand die voor afzonderlijke functies niet voorbij een
omslagpunt zit, dat voor het totaal van deze functies wel zit.
Om deze omslagpunten te
berekenen, is informatie over de kosten van de extramurale zorg en de
intramurale of geclusterde zorg onmisbaar. Deze informatie is op dit
moment niet beschikbaar. Daarom is gekozen voor het opnemen van een doelmatigheidscriterium in
artikel 2, derde lid,
van dit besluit. Dit
criterium wordt verder toegelicht in de toelichting op dat artikel. Zo nodig
kunnen de omslagpunten te zijner tijd bij ministeriële regeling worden
vastgesteld. Artikel 2, vierde lid, geeft daartoe de bevoegdheid.
2.7. Eigen bijdrage AWBZ
2.7.1. Bijdrage in geval
van verblijf
Met het
Koninklijk besluit van 17 juni 2002 tot wijziging van het Bijdragebesluit
zorg en het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering in verband met invoering
van het verzamelinkomen als grondslag voor de vaststelling van
de eigen bijdrage bij verblijf in een instelling (Stb. 2002, 327) is het
verzamelinkomen als de basis voor de vaststelling van de hoogte van bijdrage bij
verblijf in een instelling ingevoerd. Daarmee is een grote administratieve
verlichting voor de verzekerden gerealiseerd. Met voornoemd besluit
zijn tevens de verschillen in de ingangsdatum van de zogenoemde hoge
intramurale eigen bijdrage geharmoniseerd. Met ingang van 1 januari 2003
geldt voor alle verzekerden vanaf 18 jaar dat zij pas na een halfjaar
verblijf de hoge intramurale eigen bijdrage verschuldigd zijn. De uitzondering dat
de verzekerde die is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis
in het eerste jaar van zijn verblijf geen bijdrage verschuldigd is, is
gehandhaafd.
Met het omschrijven van
de zorg in functiegerichte termen kan het met het hiervoor genoemde
besluit ingevoerde nieuwe systeem voor de intramurale eigen
bijdrage gehandhaafd blijven. Wel zijn er op twee punten wijzigingen nodig.
Dit betreft het verschil in de maximaal verschuldigde bijdrage in geval van
verblijf in een verzorgingshuis en in geval van verblijf in een andere AWBZ-instelling. Het maximum bij verblijf in een verzorgingshuis was tot
de inwerkingtreding van het onderhavige besluit hoger dan bij verblijf in
een andere AWBZ-instelling. Dit verschil is niet meer te handhaven nu met
het invoeren van functiegerichte omschrijvingen de koppeling in de omschrijving aan specifieke instellingen vervalt.
Daarom is gekozen voor
één maximum en wel het laagste maximum. Verder gold er een extra
aftrekpost van €|340,- voor verzekerden die verblijven in Het Dorp,
gezinsvervangende tehuizen, regionale instellingen voor beschermd wonen
(RIBW-en), de verpleeginrichtingen Amstelrade te Amstelveen, Nieuw-Unicum
te Zandvoort en het Zeehospitium te Katwijk aan Zee. Deze past
eveneens niet bij een functiegericht aansprakensysteem. Het CVZ
stelt in zijn
rapport dat het zak- en kleedgeld door verschillende maatregelen
per jaar voor de verzekerden in alle instellingen met gemiddeld zo’n
€|270,- per jaar is gestegen. Het ligt daarom naar de mening van het CVZ in de
rede om de extra aftrek af te schaffen.
Overigens gelden de voor-
en nadelen als gevolg van het onderhavige besluit in de eigen
bijdrage tot 1 januari 2007 niet voor de verzekerden die op 31 maart 2003 al de
inkomensafhankelijke bijdrage betalen, vanwege de overgangsregeling die
met het hiervoor genoemde besluit in artikel 24 van het Bijdragebesluit
zorg is getroffen.
2.7.2. Bijdrage zonder
verblijf
In verband met het
omschrijven van de aanspraken in functiegerichte termen is ook een AWBZ-brede systematiek voor de eigen bijdrage voor
zorg in de thuissituatie ontwikkeld. Voor de functies huishoudelijke verzorging, persoonlijke
verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding en
activerende begeleiding gaat dezelfde bijdragesystematiek gelden. Voor de
behandeling blijft alleen de nominale eigen bijdrage voor psychotherapie gelden.
Voor de functies
huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding
wordt, in plaats van de
huidige bijdrage per uur voor verpleging en verzorging in de
thuissituatie, een bijdrage in de vorm van een percentage van de som van de waarden
van de onderscheiden functieklassen ingevoerd. Daarbij is
voor de waardevaststelling uitgegaan van de waarden die bij de
vaststelling van het PGB worden gehanteerd. Op basis van gegevens over de
thuiszorgbijdrage in het jaar 2002 is berekend dat het kostenbedrag bij de
thuiszorgbijdrage gemiddeld €|25,56 is. De uurbijdrage bedraagt
€|4,40. Dit is ongeveer 17,75% van het kostenbedrag. De eigen bijdrage is
daarom vastgesteld op een vast percentage van 17,75% van het bruto
PGB-bedrag. Deze bijdrage wordt inkomensafhankelijk gemaximeerd. Daarvoor is
de tot nu toe voor de thuiszorg geldende bijdragetabel
gehandhaafd. Op deze wijze ontstaat een systeem dat leidt tot minder
administratieve lasten, tot minder partijen die met de uitvoering zijn belast en
daardoor minder kwetsbaar is. De verwachting is tevens dat dit systeem
niet zal leiden tot ongewenste inkomenseffecten, omdat de huidige maxima
gehandhaafd blijven. Net als het nieuwe bijdragesysteem bij verblijf, zal overigens ook dit nieuwe systeem goed worden gevolgd, zodat
inzicht verkregen kan worden in de effecten voor de bijdrageplichtigen en
de werking van het systeem.
Anders dan bij de tot nu
toe bestaande thuiszorgbijdrage, zal de bijdrage alleen
verschuldigd zijn voor verzekerden vanaf de leeftijd van 18 jaar. Daarmee wordt
aangesloten bij de bijdrageplicht bij verblijf in een instelling die ook vanaf
18 jaar geldt.
Het, zoals hiervoor
aangegeven, vaststellen van de eigen bijdragen heeft tot gevolg dat niet
meer zoals nu een gedetailleerde administratie van de zorgverlening door
de hulpverlener nodig is om de eigen bijdrage te kunnen vaststellen.
Dat heeft tot gevolg dat, anders dan door het CVZ
gesteld, de op de
indicatie gebaseerde zorgverlening bepalend is voor de vaststelling van de eigen
bijdrage en niet meer de zorgverlening met alle daarbij behorende
schommelingen als gevolg van zich in de dagelijkse praktijk voordoende
veranderingen in de zorgbehoefte
Het Centraal
Administratiekantoor BV is op dit moment belast met de vaststelling en inning
van de thuiszorgbijdrage namens de uitvoeringsorganen. Deze taak zal voor het
nieuwe bijdragesysteem komen te berusten bij het
zorgkantoor. Daarmee volg ik het advies van het CVZ
op dit punt. Ik deel de
mening van het CVZ dat de bepaling en oplegging van eigen bijdragen in
verband met de registratie- en verantwoordingsfunctie bij de zorgkantoren moet
komen te liggen. Bovendien voeren de zorgkantoren ook de
bijdrageregeling bij verblijf in een AWBZ-instelling uit. In het licht van de
harmonisatie en gelet op het rekening houden met cumulatie van bijdragen,
ligt uitvoering door één en dezelfde instantie voor de hand.
3. Verantwoorde
uitvoering
In de brief van 19 april
2002 heb ik aangegeven dat de modernisering maatschappelijk urgent
is. Het gaat dan om het bieden van meer keuzevrijheid voor
cliënten tussen zorg in natura en PGB en het creëren van keuzemogelijkheden
door zorgaanbieders toe te laten en de huidige aanbieders de gelegenheid
te bieden AWBZ-breed zorg te leveren. Ik heb ook aangegeven dat het
maken van de daartoe noodzakelijke omslag van een aanbod- naar een
vraaggestuurd systeem niet van de ene op de andere dag kan worden
gerealiseerd. Een dergelijke omslag is ingrijpend en zal dan ook op
verantwoorde wijze moeten worden gemaakt. Bij de te zetten stappen is van
belang dat deze passen in de doelstelling van de modernisering van de
AWBZ, zoals ik die hiervoor nog eens kort heb herhaald.
Ten behoeve van een
weloverwogen uitvoering van de modernisering heeft overleg
plaatsgevonden met het CVZ en Zorgverzekeraars Nederland. In dat overleg
is vooral gesproken over fasering en prioritering, omdat op die wijze zowel
de noodzaak van het bieden van een perspectief met
betrekking tot de modernisering als de uitvoerbaarheid voldoende de aandacht kon
worden gegeven.
De beraadslagingen hebben
geleid tot het voorstel voor de modernisering een overgangstraject te
hanteren. Dit heeft geen gevolg voor het bieden van
keuzemogelijkheden tussen PGB en zorg in natura. Vooral op het terrein van de zorg
in natura kunnen zich bij een invoering van de modernisering van de AWBZ
overgangsproblemen voordoen. Om de overgangsproblemen in
beeld te brengen, zijn de gevolgen van de modernisering van de AWBZ
voor de bekostiging van zorg in natura en voor de eigen bijdragen
nader bestudeerd.
Voor de bekostiging van
de zorg in natura heeft dit geleid tot de beslissing om per 1 april
2003 de AWBZ-aanspraken in functiegerichte termen te omschrijven.
Wel zal vervolgens de bekostiging van de aanspraken zodanig worden
ingericht dat deze nog zoveel mogelijk aansluit bij de huidige
systematiek. Dat wil zeggen handhaving van het budgetmodel en het
systeem van productieafspraken op basis van CTG-producten. Wel zal
een begin worden gemaakt met de ontschotting. Om deze ontschotting op
een werkbare manier te stimuleren, heb ik besloten dat ten aanzien
van de intramurale zorg de ontschotting in de sfeer van de bekostiging
in 2003 nog niet mogelijk zal worden gemaakt. Ik richt mij vooral op de
ontschotting van de producten die volledig betrekking hebben op een
afzonderlijke functie, dan wel een combinatie van functies, die niet
een planning- of bouwregime kennen. Ik zal die zodanig vormgeven dat
aanbieders deels producten zonder verblijf van andere aanbieders kunnen
leveren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de mogelijkheid dat een
verzorgingshuis het product dagbesteding gaat leveren aan verzekerden
met een psychiatrische aandoening. Dit product was in de situatie vóór 1
april 2003 voorbehouden aan instellingen voor geestelijke
gezondheidszorg.
Het kabinet heeft met het
oog op de bekostiging na 2003 besloten een onderzoek te laten
verrichten naar de totstandkoming van de juiste tarieven voor de te
leveren prestaties. Bij dit onderzoek, dat interdepartementaal zal worden begeleid, zal
externe expertise betrokken worden.
Op het terrein van de
eigen bijdragen heeft de noodzaak van een verantwoorde uitvoering
als consequentie dat het in mijn brief van 19 april 2002
voorgestelde systeem van eigen bijdragen dat gebaseerd zou worden op het besluit
van het regionaal indicatieorgaan in 2003 niet zal worden ingevoerd. De
daarvoor noodzakelijke voorwaarden, bijvoorbeeld een geautomatiseerde
doorgifte van het besluit van dat orgaan aan het zorgkantoor, de
geautomatiseerde melding van de aanvang van de zorg, zijn per 1 april
2003 nog niet vervuld. Dit betekent dat in 2003 de huidige bijdrageregeling
zal worden gecontinueerd. Deze zal echter niet alleen gelden voor
verzekerden die zorg ontvangen die overeenstemt met de huidige aanspraken op
het terrein van de verpleging en verzorging. Als gevolg van de
ontschotting kunnen immers ook andere aanbieders dergelijke zorg in 2003
leveren. Ook verzekerden die dergelijke zorg van een andere aanbieder dan
de aanbieders op het terrein van de verpleging en verzorging krijgen,
zijn een bijdrage verschuldigd.
Naar aanleiding van de
afgesproken prioritering en fasering heeft het CVZ
in zijn brief van 14
juni 2002 meegedeeld dat de implementatie verantwoord kan worden
uitgevoerd. Voorts heeft het CVZ op 30 augustus 2002 meegedeeld dat het
CVZ in september 2002 een ontwerp-beschikking zal maken, waarin per
categorie van toelatingen een omzetting zal plaatsvinden naar de
nieuwe situatie.
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk I.
Definitiebepaling
Artikel 1
Het oude
artikel 1
bestond uit de huidige onderdelen a en b van artikel
1. Het nieuwe onderdeel
c
is nodig omdat, anders dan onder het oude besluit, het begrip
verblijf beperkt is tot verblijf gedurende het etmaal.
Hoofdstuk II. De
aanspraken
Artikel 2
Artikel 2 regelt de
aanspraak op AWBZ-zorg.
In het eerste lid is de
aard van de zorg geregeld. De verschillende vormen waarop aanspraak
staat, zijn vermeld in de onderdelen a tot en met p, waarbij steeds is
aangegeven in welk artikel de inhoud en omvang van de zorg is
omschreven.
In het eerste lid is
tevens geregeld dat geen aanspraak bestaat op zorg die op grond van andere
wettelijke regelingen wordt dan wel kan worden bekostigd. Dit is nodig
om de afbakening te regelen van de zorg die op grond van andere
wettelijke regelingen wordt dan wel kan worden bekostigd. Voorbeelden
zijn de Welzijnswet 1994, de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, de
Wet inschakeling werkzoekenden en de Wet voorzieningen
gehandicapten.
De desbetreffende
zinsnede heeft geen betrekking op de zorg waarop op grond van de Ziekenfondswet
aanspraak bestaat, omdat ingevolge artikel 8, eerste lid,
aanhef, van de Ziekenfondswet bij gelijke aanspraken de
AWBZ
voorgaat op de
Ziekenfondswet.
Het tweede lid is gelijk
aan het oude artikel 2, tweede lid.
Het derde lid is
opgenomen om expliciet tot uitdrukking te brengen dat de verzekerde alleen
aanspraak heeft op de zorg die voor hem doelmatig is. Een dergelijke
bepaling stond ook in het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering voordat artikel
9b in de AWBZ
werd ingevoerd. Omdat artikel 9b, derde lid, van de AWBZ
alleen nog maar melding maakt van
doelmatigheid voor de zorg waar het indicatieorgaan niet over gaat, ontstond
het misverstand dat doelmatigheid niet speelt voor de zorg die onder
het Zorgindicatiebesluit
valt. Dit is uiteraard niet het geval. Het
uitvoeringsorgaan heeft immers op grond van artikel 14 van de AWBZ
de plicht
onnodige verstrekkingen te voorkomen. Met het derde lid wordt tevens bereikt
dat het indicatieorgaan bij zijn indicatiebesluit rekening moet houden met
doelmatige zorg. Op deze wijze is invulling gegeven aan de wens om de
doelstelling van het hanteren van omslagpunten in de AWBZ
zoveel
mogelijk te realiseren.
Het vierde lid geeft de
bevoegdheid bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de
inhoud en omvang van de zorg en de aanspraak op zorg afhankelijk te
stellen van daarbij te stellen voorwaarden. De bevoegdheid is ruim
geformuleerd, zodat deze bepaling zoveel mogelijk de noodzakelijke
ministeriële bevoegdheden per zorgvorm omvat en daardoor zo min mogelijk
een ministeriële bevoegdheid in de andere bepalingen hoeft te
worden opgenomen zoals onder het oude besluit het geval was. Afhankelijk
van de zorgvorm zal van de bevoegdheid meer of minder gebruik gemaakt worden. Van deze bevoegdheid kan ook gebruik gemaakt gaan
worden om beperkingen aan de aanspraak op zorg zonder verblijf te
stellen. In paragraaf 2.6 van het algemene deel van deze toelichting is op deze
problematiek ingegaan.
Artikel 3
Bij de huishoudelijke
verzorging gaat het om het ondersteunen bij of het overnemen van
activiteiten op het gebied van de huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen
(HDL).
Bij deze zorg kan gedacht
worden aan opruimen, schoonmaken, het verzorgen van planten en
huisdieren, het bed of de bedden opmaken in situaties waarbij de
verzekerde niet bedlegerig is en de maaltijd klaarmaken.
Bij huishoudelijke
verzorging gaat het om de verzorging van het huishouden van de
verzekerde en dit speelt dus niet indien de verzekerde in een instelling
verblijft. De huishoudelijke verzorging maakt dan onderdeel uit van de
functie verblijf.
Artikel 4
Bij de persoonlijke
verzorging gaat het om het ondersteunen bij of het overnemen van
activiteiten op het gebied van de algemene dagelijkse levensverrichtingen
(ADL).
Daaronder is tevens zorg
begrepen die in directe relatie staat tot de persoonlijke verzorging,
bijvoorbeeld het opmaken van het bed tijdens het wassen van een
bedlegerige cliënt. Bij deze zorg kan gedacht worden aan het wassen en het kleden
van de verzekerde al dan niet op bed, het douchen of baden van de
verzekerde, de verzekerde opmaken, scheren, tanden poetsen, het
verzorgen van de huid, inclusief decubituspreventie en het aanbrengen van
protheses, hulp bij de toiletgang, hulp bij eten en drinken en hulp bij
beweging en houding (wisselligging, oefenen van ledematen, tillen,
ondersteunen bij verplaatsen of houdingcorrectie, vervoeren in rolstoel).
Ook het stimuleren van de
zelfredzaamheid en het zo mogelijk aanleren van ADL-actviteiten
behoort tot deze functie.
Artikel 5
Bij verpleging gaat het
om het herkennen en analyseren van gezondheidsproblemen en het uitvoeren van de
daarmee samenhangende verpleegtechnische
handelingen. Bij verpleging valt te denken aan het toedienen van medicijnen,
zuurstof, het aanbrengen van een infuus of katheter, wondverzorging,
lichamelijke controles en het geven van injecties. Ook gaat het
om het oefenen met de verzekerde om zelf injecties te geven en om te gaan
met zuurstof. Verder omvat verpleging onderzoek naar de gezondheid
alsmede het geven van advies, instructie en voorlichting over hoe om te gaan met
ziekte, preventie en hulpmiddelen en dergelijke.
De term "voorkoming van
verergering" houdt ook in dat het kan gaan om palliatieve zorg.
Aangezien verpleging niet
aangewezen is in verband met een zintuiglijke of verstandelijke
handicap staan deze handicaps niet in de omschrijving genoemd.
Artikel 6
Ondersteunende
begeleiding neemt de aandoening, beperking of handicap voor gegeven aan
en bouwt daarop verder. De begeleiding gaat dus uit van de
(rest)mogelijkheden van de verzekerde. Bij ondersteunende begeleiding gaat het om
activiteiten die de verzekerde ondersteunen bij zijn dagindeling en zijn
participatie in de maatschappij bevorderen. Daarbij kan gedacht
worden aan het structureren van de dag, het geven van praktische hulp, het
in het kader van de doelstelling van de zorg vergezellen van de
verzekerde, het bieden van ondersteuning bij het voeren van de regie over
het leven en, met name als er sprake is van een verstandelijke handicap,
het bieden van een gezinsstructuur. De ondersteunende begeleiding vindt onder
andere plaats door middel van ondersteunende of
structurerende gesprekken en non-verbale communicatie, het oefenen van
dagelijkse vaardigheiden en het stimuleren van gedrag dat al bij de
verzekerde aanwezig is.
Afhankelijk van de
situatie kan de zorg zowel individueel als in groepsverband geboden
worden.
Bij deze zorg gaat het
derhalve ook om dag- of nachtopvang in een instelling.
Artikel 7
Activerende begeleiding
onderscheidt zich van ondersteunende begeleiding doordat
activerende begeleiding de aandoening, beperking of handicap niet voor
gegeven aanneemt, maar juist daarop ingrijpt. Met activerende begeleiding
wordt de verzekerde geleerd om te gaan met de (gevolgen van de)
aandoening, beperking of handicap. Bij deze zorg valt te denken aan het
interveniëren in het gedrag van de verzekerde (gedragscorrectie), het houden van
inzichtgevende gesprekken en non-verbale communicatie, het oefenen
van sociale vaardigheden, onderzoek naar de aanwezigheid van
problematiek alsmede advies, instructie of voorlichting over de aanpak van de
problematiek. Tevens valt te denken aan het casemanagement op het
terrein van de geestelijke gezondheidszorg. Hierbij gaat het onder
meer om de begeleiding die sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen geven
aan verzekerden met een psychiatrische stoornis die thuis wonen. Deze
begeleiding houdt in dat gedrags- en psychische problemen die voortkomen
uit de psychiatrische stoornis zo mogelijk worden voorkomen of
tijdig worden onderkend, zodat een daarop afgestemde interventie
kan plaatsvinden. Het gaat hier om begeleiding gericht op herstel of
voorkomen van verergering van gedrags- en psychische problematiek.
Voor de formulering van artikel 7 is het niet relevant dat het bij
casemanagement gaat om een psychiatrische stoornis. Deze
psychiatrische stoornis is dan ook niet in artikel 7 genoemd.
Afhankelijk van de
situatie kan de zorg zowel geboden worden aan het individu of in
groepsverband. Activerende begeleiding gedurende een dagdeel in een instelling
valt eveneens onder deze functie.
Artikel 8
In het eerste lid is de
behandeling waarop aanspraak bestaat, omschreven.
Gezocht is naar een
formulering van de AWBZ-behandeling die dusdanig afgebakend
omschreven is dat er geen afwenteling plaatsvindt op de AWBZ van een
ziekenfonds- of gelijke behandeling die voor rekening van een
particuliere ziektekostenverzekering dan wel publiekrechtelijke ziektekostenregeling kan
komen. Overwogen is om op te nemen dat behandeling
datgene omvat wat niet reeds uit hoofde van de ziekenfondsverzekering
als verstrekking geldt. Het CVZ heeft dat voorgesteld. Het is echter de vraag
of een dergelijke regeling zich wel verhoudt met artikel
8, eerste
lid, aanhef, van de Ziekenfondswet. Daarin is immers bepaald dat geen
aanspraak bestaat op bij of krachtens de Ziekenfondswet
omschreven zorg indien
daarop ingevolge de AWBZ aanspraak bestaat. Met andere
woorden, de AWBZ-aanspraak gaat voor op de ziekenfondsaanspraak.
Hoewel het voorstel van het CVZ zich op de inhoud van de zorg richt en in
die zin juridisch wellicht wel zou kunnen, is toch besloten dit voorstel
niet over te nemen.
Daarentegen is de
afbakening bewerkstelligd door aan te geven dat het gaat om behandeling van
medisch-specialistische, gedragswetenschappelijke of
specialistisch-paramedische aard, door de in de bepaling opgenomen aandoeningen en
handicaps en de doelstelling van de zorg.
Voor verzekerden die in
bepaalde instellingen verblijven, gold onder het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering dat, met uitzondering van
paramedische zorg, ook behandelingen van algemeen medische aard, die onder
de ziekenfondsverzekering vallen of waarvan de kosten ten laste van
particuliere ziektekostenverzekeringen dan wel publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen komen, ten laste van de AWBZ komen. Dit is met dit
besluit gehandhaafd en geregeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel a.
Behandeling onderscheidt
zich van activerende begeleiding in die zin dat bij activerende
begeleiding de diagnose is gesteld en het bijbehorende onderzoek is verricht. De
begeleiding richt zich op het leren omgaan met de (gevolgen) van de
aandoening of handicap. Voor behandeling is kenmerkend dat de
diagnose nog niet is gesteld en het onderzoek ten behoeve daarvan nog moet
worden verricht. De behandeling is vervolgens gericht op het
herstel of voorkomen van verergering van de aandoening of handicap,
niet op het leren omgaan met de (gevolgen van de) aandoening of
handicap. Dit laatste vormt onderdeel van de functie activerende begeleiding.
In de praktijk zullen behandeling en activerende begeleiding vaak hand in
hand gaan. Toch is het zaak behandeling en activerende begeleiding
goed uit elkaar te houden. Het feit dat activerende begeleiding, zeker in de
geestelijke gezondheidszorg, vaak wordt gegeven door personen die in hun
beroepsgroep bekend staan als behandelaar, maakt van de te
verrichten activiteit nog geen behandeling in de zin van de functie behandeling.
Net zo min als uit de naam sociaal-psychiatrische verpleegkundige kan
worden afgeleid dat wat deze persoon doet, het bieden van de functie
verpleging is.
Onder behandeling in dit
artikel valt ook behandeling van een verzekerde met
verslavingsproblematiek.
Zoals het
CVZ opmerkt,
vormt audiotechnische ondersteuning onderdeel van behandeling aan doven
en slechthorenden. Verder stelt het CVZ de mogelijkheid van
verpleging in gezinnen aan de orde. Deze zorg houdt in dat vanuit de
instelling gezinsverpleging wordt georganiseerd geheel onder
verantwoordelijkheid, waaronder de financiële verantwoordelijkheid, van de instelling. Het
verblijf in een pleeggezin heeft vooral sociaal-therapeutisch en
opvoedkundig betekenis en dient ter ondersteuning bij de
behandeling. De keuze voor de huidige regeling van de aanspraken brengt met
zich dat deze verpleging in gezinnen niet meer expliciet geregeld is.
Dat wil niet zeggen dat een dergelijke organisatie van zorg niet meer
mogelijk is. Desgewenst kunnen instellingen met zorgkantoren hierover
afspraken maken.
In de
AWBZ
gold tot nu
toe, en dat is gehandhaafd, dat de zorg alleen in instellingsverband mag
worden geleverd. Een uitzondering daarop heeft tot nu toe bestaan voor
de zenuwarts en de psychiater. Ook deze uitzondering is gehandhaafd. Onder het
oude besluit verleenden de regionale instellingen voor
ambulante geestelijke gezondheidszorg de psychotherapie niet altijd zelf, maar
schakelden daarvoor ook vrijgevestigde psychotherapeuten in. Om duidelijk te maken dat dit mogelijk was, stonden in de bepaling de
woorden "door of vanwege". De toevoeging van de woorden "of
vanwege"
is overbodig. Met het onderhavige besluit blijft de mogelijkheid dus
bestaan om door of "vanwege" een instelling zorg te laten verlenen door
vrijgevestigd psychotherapeuten.
Het tweede en het derde
lid strekken ertoe de bestaande beperkingen in de aanspraak op
psychotherapie te handhaven.
Artikel 9
Bij verblijf wordt de
verzekerde een therapeutische of beschermende leefomgeving geboden
waarin toezicht beschikbaar is. Het verblijf kan tijdelijk of duurzaam
zijn.
Gaat het om tijdelijk
verblijf, dan staan herstel en het draaglijk maken van de gevolgen van hun
aandoening of handicap centraal, dan wel het ontlasten van de
mantelzorg.
Bij mensen die langdurig
op verblijf in een instelling zijn aangewezen en die op grond van hun
aandoening of handicap ook behoefte hebben aan toezicht, staat het garanderen van een zo hoog mogelijke kwaliteit van
leven centraal.
De in het eerste lid
opgenomen voorwaarden "indien een therapeutische of een beschermende
leefomgeving dan wel permanent toezicht is aangewezen" brengen met zich dat de verzekerde geen indicatiebesluit
voor verblijf kan krijgen als hij ook niet voor één of meer van de andere functies geïndiceerd
wordt. Het is immers niet de bedoeling dat de verzekerde de functie
verblijf los van één of meer andere zorgonderdelen kan krijgen. De
omschrijving houdt ook in dat het altijd om een instelling moet gaan die voor meer
functies dan alleen verblijf is toegelaten. Immers, anders kan een
instelling het leveren van een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht niet
waarmaken.
Onder dit verblijf valt
niet de dagzorg of de dag- en nachtopvang. Die zorg valt onder de twee
begeleidingsfuncties die, in het kader van de indicatiestelling en
bekostiging, naast de indeling gebaseerd op uren ook nog een indeling
gebaseerd op dagdelen kent. "Logeren" in de zin dat de verzekerde gedurende de
dag en nacht een plaats in de instelling bezet, valt onder artikel
9.
Indien het gaat om "logeren" louter als nachtopvang dan valt deze onder
begeleiding.
Huishoudelijke verzorging
maakt onderdeel uit van het verblijf. De verzekerde hoeft en dient
dus geen indicatiebesluit voor huishoudelijke verzorging te krijgen
indien hij in een instelling verblijft. De instelling dient dus, als onderdeel van de
functie verblijf, bijvoorbeeld de kamer van de verzekerde gewoon schoon
te maken.
Artikel 10
Het
vervoer is momenteel zeer versnipperd vormgegeven. Soms valt het vervoer
onder de Wet
voorzieningen gehandicapten, soms onder ziekenvervoer in de zin van
de Ziekenfondswet en soms (zeer beperkt)
voorziet de
AWBZ
in vervoer. In het laatste geval gaat het om vervoer van de verzekerde
ter zake van dagbehandeling in een verpleeginrichting, zorg door een
dagverblijf voor lichamelijk of verstandelijk gehandicapten en zorg door
een instelling voor auditief of communicatief gehandicapten. Waar ik op
termijn naar streef, is een structurele, uniforme regeling buiten de
AWBZ waarin gewaarborgd is dat mensen die voor hun zorg afhankelijk zijn
van vervoer daar ook een beroep op kunnen doen. Deze situatie is met
ingang van 1 april 2003 evenwel niet bereikt. Daarom heb ik gekozen voor
een tussenoplossing die zoveel mogelijk parallel loopt aan hetgeen in
het kader van de AWBZ reeds was geregeld. De tussenoplossing houdt in
dat waar sprake is van zorg gedurende een dagdeel het daartoe medisch
noodzakelijke vervoer wordt meegefinancierd. Bij zijn indicatiebesluit
moet het indicatieorgaan oordelen of er sprake is van zo’n medische
noodzaak. Daarbij gaat het om het oordeel of de verzekerde in staat is
gebruik te maken van een eigen vervoersvoorziening dan wel in staat is
gebruik te maken van openbaar vervoer. Beperking in het lopen,
instappen, staan of desoriëntatie kan met zich brengen dat het
indicatieorgaan oordeelt dat vervoer vanuit de AWBZ medisch noodzakelijk
is.
Over het vervoer ten behoeve van behandeling
heeft het CVZ
op 26 september 2002, CZ/22044800, gerapporteerd als antwoord op vragen
die ik het CVZ op 8 januari 2002, CZ/EZ/2241541, heb gesteld over het
Besluit ziekenvervoer ziekenfondsverzekering (een ministeriële
regeling). Over de aanbevelingen zal binnen afzienbare tijd een
beslissing genomen worden.
Artikel 11
Deze bepaling regelt de
bruikleen van verpleegartikelen. Het verstrekken in bruikleen is op dit
moment een onderdeel van de zorgverlening door thuiszorginstellingen.
Artikel 12
Dit artikel komt overeen
met artikel 4, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering.
Artikelen
13, 14, 17 en
18
De artikelen 13
onderscheidenlijk 14, 17 en 18 zijn materieel gelijk aan de
artikelen 9 onderscheidenlijk 19,
27 en 28 van het
Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering. Omdat net zoals bij verblijf in een ziekenhuis
(artikel 13)
bij verblijf in een instelling voor revalidatie (artikel
14) geldt dat het
verblijf pas voor rekening van de AWBZ-verzekering komt, voor zover het
verblijf een periode van 365 dagen te boven gaat, is in artikel
14, tweede
lid, geregeld dat artikel 13, tweede en derde lid, van overeenkomstige
toepassing is. Dit houdt in dat dezelfde regeling geldt met betrekking tot de
berekening van de 365 dagen. Voorts geldt dat indien een verzekerde verblijft in een instelling, niet zijnde een instelling
voor revalidatie, en
vanuit die instelling wordt overgeplaatst naar een instelling voor
revalidatie, hij geen aanspraak heeft op verblijf in die instelling, zolang zijn
verblijf in die instelling een periode van 365 dagen niet overschrijdt.
Artikel 15
Uitgangspunt is dat de
verzekerde zoveel mogelijk "normaal" moet worden benaderd en derhalve zoveel mogelijk van de
"normale" circuits
gebruik moet (kunnen)
maken. Net als alle andere burgers, dienen ook burgers die voor AWBZ-zorg geïndiceerd
zijn in principe gebruik te maken van de algemene
voorzieningen die voor alle burgers openstaan.
Tot nu toe bestond bij
verblijf in sommige instellingen de zorg, naast de andere zes functies, ook
nog uit tandheelkundige hulp, farmaceutische hulp, hulpmiddelen,
kleding en een individuele rolstoel. Deze instellingen waren: een ziekenhuis na
365 dagen, een revalidatie-instelling na 365 dagen, een
verpleeginrichting, Het Dorp, een psychiatrisch ziekenhuis of een psychiatrische
afdeling van een algemeen of academisch ziekenhuis en een instelling voor
verstandelijk gehandicapten. In alle situaties gaat het om instellingen
waarbij behandeling een onderdeel is van het zorgpakket. Bij
instellingen waarbij behandeling geen deel uitmaakt van de aanspraak, bestaat ook
geen aanspraak op grond van de AWBZ op de hiervoor genoemde extra
zorg. In de overige instellingen waar de verzekerden verblijven,
te weten de gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten, RIBW-en
en verzorgingshuizen, was geen sprake van behandeling ten laste van
de AWBZ. In die situaties was er ook geen aanspraak op de in
artikel 3 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering geregelde zorg.
Met het nieuwe artikel 15
wordt het recht op de extra zorg indien er sprake is van verblijf
met behandeling (de zorg, bedoeld in artikel 8) in dezelfde instelling, gehandhaafd. Het
CVZ heeft in zijn rapport bevestigd
dat met het regelen op
deze wijze geen beperkingen optreden, maar er eerder sprake is van een
kleine uitbreiding omdat verzekerden die nu in een instelling voor
zintuiglijk gehandicapten verblijven geen aanspraak op deze voorzieningen
hebben.
Bij behandeling met
verblijf in dezelfde instelling gaat het bovendien niet alleen om behandeling zoals die in
artikel 8 omschreven is, maar
zo nodig ook om de geneeskundige hulp van algemeen medische aard, met uitzondering van
paramedische hulp. Het gaat daarbij om de hulp zoals de huisarts die
pleegt te bieden. Voorheen zat dit impliciet in de aanspraak op de
behandeling bij verblijf. Om dit te handhaven, is dit thans expliciet in onderdeel
a
in het eerste lid van artikel 15 opgenomen.
Bij verblijf in een
psychiatrisch ziekenhuis bestaat geen aanspraak op tandheelkundige hulp
gedurende het eerste jaar van het verblijf en in het geheel niet bij verblijf
op een psychiatrische afdeling van een algemeen of academisch ziekenhuis,
omdat dat verblijf maximaal 26 weken bedraagt (langer bestaat er geen
aanspraak). Het handhaven van deze beperking wordt bij ministeriële
regeling geregeld op grond van artikel 2, derde lid.
Artikel 16
Deze bepaling komt
overeen met artikel 26a van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering zoals die bepaling in verband
met de inwerkingtreding
van de Wet houdende wijziging van de Wet
collectieve preventie volksgezondheid per 1 januari 2003 is komen te luiden.
Hoofdstuk
III. Bijzondere
bepalingen
Artikelen 19 en
20
De artikelen 19
onderscheidenlijk 20 zijn materieel gelijk aan de artikelen 33 onderscheidenlijk
34
van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering.
Hoofdstuk IV. Wijziging
van andere besluiten
Artikel 21 (Administratiebesluit Bijzondere
Ziektekostenverzekering)
A, B en C
Deze bepalingen zijn
aangepast aan de nieuwe bepalingen van het Besluit zorgaanspraken
AWBZ. Materieel is hier niets gewijzigd.
D
Zoals aan het slot van
paragraaf 2.7.2 van het algemene deel van de toelichting is aangegeven, komt met ingang van de inwerkingtreding van
dit besluit de taak die
het CAK [Centraal Administratiekantoor BV, red.] tot nu toe had met betrekking tot de vaststelling en inning
van de thuiszorgbijdrage, voor het nieuwe bijdragesysteem bij het zorgkantoor te
berusten. Dit geldt ook voor de taak met betrekking tot de
registratie van de intramurale bijdrage.
Artikel 22
(Besluit
aanwijzing inrichtingen Wet ziekenhuisvoorzieningen)
A
Met ingang van 1 april
2003 staan de in de oude onderdelen B tot en met E van artikel 1 van
het Besluit aanwijzing inrichtingen Wet ziekenhuisvoorzieningen genoemde
instellingen
niet meer vermeld in de nieuwe op grond van artikel
6,
eerste lid, van de AWBZ
vastgestelde algemene maatregel van bestuur, te
weten het Besluit zorgaanspraken AWBZ.
Onderdeel B betrof
verpleeghuizen. De aanspraak op het verblijf met zorg in een verpleeghuis
was omschreven in artikel 14 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering.
Onderdeel C betrof
psychiatrische ziekenhuizen. De aanspraak op het verblijf in deze instellingen was omschreven in
artikel 20 van het
Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering.
Onderdeel D betrof
zwakzinnigeninrichtingen. De aanspraak op verblijf in een dergelijke inrichting (instelling voor verstandelijk gehandicapten)
was geregeld in artikel
23 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering.
Onderdeel E betrof
inrichtingen voor zintuiglijk gehandicapten en Het Dorp. De aanspraak op
verblijf met zorg in deze instellingen was geregeld in de artikelen
11, 21
onderscheidenlijk 22 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering.
Op grond van het tweede
lid, aanhef en onder b, van artikel 1 van het Besluit aanwijzing inrichtingen Wet ziekenhuisvoorzieningen waren
verzorgingshuizen als
categorie van inrichtingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van
de Wet ziekenhuisvoorzieningen, aangewezen (Regeling van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2000,
DVVO-U-2121245, houdende aanwijzing verzorgingshuizen als instelling voor
gezondheidszorg en wijziging beleidsregels ex artikel 3 Wet
ziekenhuisvoorzieningen (Stcrt. 2000, 245)).
Het nieuwe onderdeel B
strekt ertoe om instellingen die dergelijke zorg met verblijf verlenen
onder de werking van de Wet ziekenhuisvoorzieningen te houden. Bij de omschrijving is aangesloten bij de omschrijvingen
in de artikelen 4 tot en
met 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. De opsomming van de
doelgroepen is nodig om aan te sluiten bij het Besluit bouwmaatstaven Wet
ziekenhuisvoorzieningen.
Instellingen die alleen
verblijf met huishoudelijke zorg verlenen, zijn niet onder de werking van de
Wet ziekenhuisvoorzieningen gebracht om zo "hotels" buiten de werking van de Wet ziekenhuisvoorzieningen te
houden.
Het nieuwe tweede lid van
artikel 1 van het Besluit aanwijzing inrichtingen Wet ziekenhuisvoorzieningen strekt
ertoe om net als nu de
instellingen die onder de Tijdelijke verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening vallen
alsmede de kleinschalige woonvoorzieningen, waaronder ook de
regionale instellingen voor beschermd wonen, buiten de werking van de Wet
ziekenhuisvoorzieningen te houden. Het is immers niet de bedoeling van de
modernisering van de AWBZ
(het functiegericht omschrijven van zorg
waarop op grond van de AWBZ recht bestaat) de reikwijdte van de Wet ziekenhuisvoorzieningen te verbreden.
Bij ministeriële
regeling op grond van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit
aanwijzing inrichtingen Wet ziekenhuisvoorzieningen kan het begrip "kleinschalige
woonvoorziening" nader
worden omschreven.
Artikel 23 (Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994)
A
Omdat het woord
"inrichting" in het Besluit zorgaanspraken AWBZ niet meer voorkomt, is dit
vervangen door het gehanteerde begrip "instelling".
B
Deze wijziging betreft
slechts het vervangen van de verwijzing naar het met dit besluit ingetrokken
Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering door verwijzing naar
het nieuwe besluit, te weten het Besluit zorgaanspraken
AWBZ.
Artikel 24 (Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999)
Deze wijziging betreft
slechts het vervangen van verwijzingen naar oude bepalingen van het oude
Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering door verwijzingen
naar
gelijkluidende nieuwe bepalingen van het nieuwe Besluit
zorgaanspraken AWBZ.
Artikel 25 (Besluit
wachttijd bijzondere ziektekostenverzekering)
Ook hier gaat het niet om
materiële wijzigingen, maar om een technische aanpassing en om
actualisering. De wachttijd had alleen betrekking op verblijf in een
instelling zoals die geregeld was in de paragrafen 3 (zorg bestaande uit verpleging
en verzorging), 4 (revalidatiezorg), 6 (zorg voor zintuiglijk
gehandicapten) en 7 (zorg voor verstandelijk gehandicaptenzorg) en derhalve niet op
paragraaf 5 (geestelijke gezondheidszorg). Deze uitzondering op de
wachttijd bij verblijf (artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ) is gehandhaafd door
te regelen in een nieuw tweede lid dat het eerste lid niet van toepassing is op verblijf als bedoeld in
artikel 9
van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ waarop de verzekerde in verband met een psychiatrische
aandoening is aangewezen.
Het noemen van de
revalidatiezorg in deze bepaling was achterhaald. Immers sinds 1 januari
1996 is het eerste jaar van verblijf in een instelling voor revalidatie weer als
aanspraak op grond van de Ziekenfondswet geregeld en uit de
AWBZ-verzekering verwijderd. De wachttijd hiervoor is dus achterhaald. De
bepaling is hierop gecorrigeerd.
Artikel 26
(Besluit
werkingssfeer Wtg 1992)
A
Met de nieuwe formulering
van nummer 10 in onderdeel A van artikel 1 van het Besluit werkingssfeer
Wtg 1992 en het laten vervallen van de
nummers 11 tot en met 16,
23 en 28 van dat onderdeel wordt direct aangesloten op de
toelating onderscheidenlijk erkenning voor functies die individuele instellingen
krijgen. Zo ontstaat een directe koppeling tussen toelating
onderscheidenlijk erkenning en de Wtg.
Koppeling van elke
functie aan een categorie van instellingen kan het misverstand oproepen dat
er per categorie van instellingen een beleidsregel en tarief moet worden
vastgesteld. Heeft een instelling een toelating onderscheidenlijk
erkenning voor meer functies, dan zou dat kunnen leiden tot de vraag of de
instelling voor elke functie een afzonderlijke beleidsregel en
tariefbeschikking nodig heeft. Dat eventuele misverstand wordt met deze
formulering vermeden.
In het onderdeel C van
artikel 1 van het Besluit werkingssfeer Wtg 1992 werden de inrichtingen en
instellingen die AWBZ-zorg leveren en zijn aangewezen in de
Tijdelijke verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening (TVMD) en
op grond van die wet een erkenning hebben gekregen (dagverblijf of
gezinsvervangend tehuis voor gehandicapten; instelling voor zover de
werkzaamheden daarvan zijn gericht op sociaal-pedagogische zorg) genoemd. Door in de
nieuwe formulering van onderdeel A, nummer 10, de
categorieën van de TVMD mee te nemen, kan afzonderlijke vermelding van de in onderdeel C aangewezen instellingen
vervallen.
De nieuwe redactie van de
nummers 16a en 17 betreffen slechts aanpassingen aan het nieuwe Besluit zorgaanspraken AWBZ.
Artikel 27
(Besluit
werkingssfeer maximumtarieven Wtg)
Deze wijzigingen
betreffen slechts redactionele aanpassingen aan het nieuwe Besluit zorgaanspraken AWBZ.
Artikel 28
(Bijdragebesluit zorg)
B
Zoals in het
algemene
deel van de toelichting is aangegeven, betekent het niet meer per categorie aanduiden van instellingen dat het handhaven
van een apart maximum bij verblijf in een verzorgingshuis niet meer mogelijk is. Dit is dan
ook met het onderhavige besluit komen te vervallen. Het in artikel
4, eerste
lid, opgenomen bedrag betreft het bedrag zoals dat per 1 januari 2003
met toepassing van artikel 19 van het Bijdragebesluit
zorg is vastgesteld.
C
Artikel
10, eerste lid,
van het Bijdragebesluit
zorg, zoals dat met het Koninklijk besluit van 17
juni 2002 tot wijziging van het Bijdragebesluit
zorg en het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering in verband met invoering van
het verzamelinkomen als grondslag voor de vaststelling van de eigen
bijdrage bij verblijf in een instelling (Stb. 2002, 327) [is komen te
luiden,, red.] komt inhoudelijk overeen
met het oude artikel 5, tweede lid, van dat besluit. Abusievelijk
ontbrak in het nieuwe artikel 10, eerste lid, niet ["niet"
dient volgens de redactie te worden geschrapt] het woord "gemiddeld". Dit
is thans gecorrigeerd.
D
Zoals in het
algemene
deel van de toelichting is aangegeven, houdt het functiegericht systeem in
dat de extra aftrek die gold bij verblijf in gezinsvervangende
tehuizen, Het Dorp, RIBW-en, de verpleeginrichtingen Amstelrade te Amstelveen,
Nieuw-Unicum te Zandvoort en het Zeehospitium te Katwijk
aan Zee moet komen te vervallen.
E
Met
het hiervoor genoemde Koninklijk besluit van 17 juni 2002 is een
verkeerd bedrag in artikel
14, eerste lid, aanhef, opgenomen. Dit bedrag had moeten zijn €|535,46.
Dit is thans gecorrigeerd door in deze bepaling het bedrag op te nemen
zoals dat met toepassing van artikel 19
van het Bijdragebesluit
zorg per 1 januari 2003 is vastgesteld.
Aangezien bij verblijf gedurende de dag of de
nacht in de instelling het nieuwe bijdragesysteem voor de functies
zonder verblijf gaat gelden, vervalt onderdeel d van het eerste
lid en het tweede lid.
F
Deze wijziging betreft
correctie van verwijzing naar een verkeerd artikellid in artikel
15, vijfde lid.
G
Het eerste lid van
artikel 16a betreft de bijdrageplicht voor verzekerden van 18 jaar
of ouder die
huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding of activerende begeleiding
ontvangen.
Het tweede lid betreft de
bijdrageplicht in de kosten van psychotherapie. Dit geldt ook voor
verzekerden jonger dan 18 jaar.
In het derde lid van
artikel 16a is geregeld dat de bijdrageplicht, die start als de zorgverlening
aanvangt, doorloopt totdat er sprake is van een officiële beëindiging
van de zorgverlening. Dit is in de regel als de geldigheidsduur van het
indicatiebesluit is verlopen. Ook kan het zijn dat de verzekerde om andere
redenen geen zorg meer wil of de aanbieder de zorg niet meer levert. De
instelling zal dan aan het zorgkantoor melden dat de zorgverlening
beëindigd is.
I
In het nieuwe eerste lid
van artikel 16d is het nieuwe bijdragesysteem voor huishoudelijke
verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding of activerende begeleiding geregeld.
Het nieuwe
bijdragesysteem werkt als volgt. Het indicatieorgaan besluit op welke zorgfunctie of
zorgfuncties de verzekerde in welke klasse of klassen is aangewezen.
Het zorgkantoor bepaalt wat de som van de brutowaarden van de
klassen is als de verzekerde zou kiezen voor PGB. Vervolgens wordt de eigen
bijdrage vastgesteld op 17,75% van deze waarden. De verzekerde
betaalt niet meer dan de voor hem geldende maximale bijdrage. Deze
maxima staan in het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 16d.
Voor advies, instructie
en voorlichting door een gespecialiseerde verpleegkundige is geen
eigen bijdrage verschuldigd. Dit is met het gewijzigde zevende lid
(oud), onderdeel c, gehandhaafd. Het betreft hier consultatiewerk van
gespecialiseerde verpleegkundigen op het gebied van diabetes, stoma,
incontinentie, reuma, CARA en dergelijke.
J
Artikel
16f betreft de
bijdrage in de kosten van psychotherapie. De hoogte daarvan wordt bij
ministeriële regeling geregeld.
K
Artikel
16g kon komen te
vervallen, omdat hiervoor thans de bijdrage, bedoeld in artikel 16d,
eerste lid, geldt.
L
Met
het wijzigen van
artikel 17 is de uitzondering dat geen bijdrage verschuldigd is
gedurende het eerste jaar van verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis,
waaronder de afdeling herstellingsoord, of bij verblijf in een
psychiatrische afdeling van een algemeen of academisch ziekenhuis
gehandhaafd. Overeenkomstig het voorstel van het CVZ
is daarbij wel bepaald dat de behandeling of de activerende begeleiding
in dezelfde instelling wordt ontvangen.
Artikel
29 (Koninklijk besluit van 28 augustus 2001, houdende aanwijzing
van instellingen die
in hun administratie en bij gegevensverstrekking ter uitvoering van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten het sociaal-fiscaal nummer
van verzekerden gebruiken (Stb. 2001, 404))
In
artikel 1, onderdeel
a en c (oud), was geregeld dat de instellingen die AWBZ-zorg
verlenen het sociaal-fiscaal nummer mogen gebruiken. Dit is gehandhaafd
met het nieuwe onderdeel
a.
Artikel 30
(Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering)
Bij de aanpassing van
desbetreffende bepalingen in het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering is
zoveel mogelijk aangesloten bij de tot nu geldende reikwijdte.
Dat is echter niet in alle situaties mogelijk, logisch of wenselijk.
In artikel 10 is daarom
de groep van voorschrijvers van geneesmiddelen uitgebreid met alle
instellingen die voor rekening van de AWBZ
behandelen. Bij artikel 10 gaat het
om de extramurale verstrekking van geneesmiddelen.
Bij artikel 12 ging het
om gezinsvervangende tehuizen voor nagenoeg alle AWBZ-doelgroepen
waar de nieuwe zorgfuncties betrekking op hebben. Daarom is hier niet gekozen voor een nadere beperking van
doelgroepen. Dat is wel
gedaan bij artikel 14a, omdat het daar gaat om de zogenoemde
verkeerde-bedproblematiek, waarbij nog vier weken recht bestaat op verblijf in
het ziekenhuis voor rekening van de ziekenfondsverzekering indien de verzekerde
wacht op een plaats in een verpleeghuis.
Bij artikel 24a
kon wel
een één-op-éénvertaling plaatsvinden, omdat het hier een voorzieningsgerichte omschrijving van zorg (ziekenhuiszorg)
betreft.
Het vierde en vijfde lid
van artikel 14 zijn achterhaald en daarom vervallen.
Artikel 31
(Zorgindicatiebesluit)
A
Artikel 1 is aangevuld
met een definitie van het begrip "klasse". Dit is nodig omdat het indicatieorgaan met ingang van de
inwerkingtreding van
artikel 31 in zijn
indicatiebesluit voor bepaalde vormen van zorg aangeeft in welke mate (klasse) de
verzekerde op zijn zorg is aangewezen.
B
Met het nieuwe eerste lid
van artikel 2 is geregeld dat het indicatieorgaan voor de vormen van zorg,
bedoeld in de artikelen 3 tot en met 10 van het Besluit zorgaanspraken
AWBZ, indiceert. De vormen van zorg,
bedoeld in de artikelen 3
tot en met 9, zijn de zogenoemde zeven functies van zorg en de zorg,
bedoeld in artikel 10, is vervoer indien er sprake is van ondersteunende of
activerende begeleiding gedurende een dagdeel in een instelling.
Niet onder het Zorgindicatiebesluit
valt behandeling en, gedurende het eerste jaar, verblijf ingeval er sprake is van een
psychiatrische aandoening, zoals in paragraaf 2.5
van het algemene deel van de toelichting is uiteengezet. Bij de
uitzondering die geldt bij de geestelijke gezondheidszorg gaat het bij verblijf,
gedurende het eerste jaar, ook om de andere functies die samen
met dat verblijf geïndiceerd zijn en verstrekt worden.
C
In het tweede lid van
artikel 4 was geregeld dat, naast patiënten/consumentenorganisaties,
zorginstellingen, huisartsenorganisaties en uitvoeringsorganen ten
minste één persoon mogen aanwijzen als lid van het indicatieorgaan. Bij
nader inzien is het niet nodig en wenselijk om de drie laatstgenoemde
organisaties altijd in de gelegenheid te stellen tot deelname in een indicatieorgaan. Met het nieuwe tweede lid is deze
verplichting dan ook
komen te vervallen. Het is daarmee aan de indicatieorganen zelf genoemde
organisaties wel of niet uit te nodigen om een lid aan te wijzen.
D en F
Artikel 4:1 van de
Algemene wet bestuursrecht bevat de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift te bepalen dat aanvragen van beschikkingen
ook mondeling mogen geschieden. Van deze mogelijkheid is in het nieuwe eerste lid van
artikel 5 gebruik gemaakt. Dit laat uiteraard onverlet dat direct na de aanvraag
een bewijs van ontvangst als bedoeld in het nieuwe vijfde lid wordt
verzonden.
Artikel 5, tweede lid,
komt overeen met het oude artikel 5, eerste lid, zij het dat daarin niet meer
vermeld staat "behandelend artsen", omdat het in een aantal gevallen
niet om behandelende artsen gaat, maar om andere beroepsbeoefenaren in de
gezondheidszorg. Het derde lid is gelijk aan het oude tweede lid.
Het nieuwe vierde lid en
het nieuwe vijfde lid van artikel 5 strekken ertoe te bewerkstellingen
dat het indicatieorgaan onmiddellijk de datum van ontvangst op de aanvraag aantekent en die datum aan de verzekerde
meedeelt. Op dit moment
wordt dat onvoldoende gedaan.
E
De formulering van
artikel 6, onderdeel b, is in overstemming gebracht met de artikelen 3 tot en
met 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. De aandoeningen onderscheidenlijk de doelgroepen die in die bepalingen zijn
genoemd, staan nu ook in dit onderdeel.
F
Artikel
7, eerste en
tweede lid, is gewijzigd omdat het in een aantal gevallen niet om behandelende artsen gaat, maar om andere beroepsbeoefenaren
in de gezondheidszorg.
G
Deze bepaling is
aangepast in verband met de gewijzigde terminologie van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Daarnaast is deze bepaling
uitgebreid met
zorgvragers met een psychiatrische aandoening. Ook voor deze aandoening geldt dat
er bijzondere expertise nodig is om te kunnen beoordelen of, en zo ja,
welke zorg nodig is.
H
Met ingang van 1 januari
2002 is geregeld dat voor een periode van maximaal drie jaar een landelijke instelling met deskundigheid op het terrein
van de gehandicaptenzorg
kan worden aangewezen. Hiertoe werd besloten omdat met ingang
van die datum de gehandicaptenzorg onder het Zorgindicatiebesluit
werd gebracht. Met ingang van 1 april 2003 is vervolgens ook de
geestelijke gezondheidszorg voor een deel onder het Zorgindicatiebesluit
gebracht. Derhalve is thans de situatie ontstaan dat de indicatieorganen
verantwoordelijk zijn voor de indicatiestelling op nagenoeg alle terreinen
van de AWBZ-zorg.
Ik acht het nu van belang
dat er één landelijk orgaan is waaraan alle taken kunnen worden
opgedragen waarvoor bijzondere expertise nodig is of waarvoor een
landelijke gecoördineerde aanpak wenselijk is. Daarom heb ik besloten in plaats
van het tijdelijke orgaan met deskundigheid op het terrein van de
gehandicaptenzorg een permanent orgaan aan te wijzen van waaruit
specialistische expertise op alle terreinen van zorg beschikbaar kan worden gesteld aan de
indicatieorganen die daarop een beroep willen doen. Het
landelijk orgaan zal daarnaast ten opzichte van indicatieorganen en gemeenten een
adviesfunctie kunnen vervullen. Daarbij kan worden gedacht aan zaken als gegevensbeheer, onderzoek, begeleiding
van experimenten of
evaluatie van de resultaten van de indicatiestelling. Daarnaast rapporteert de
landelijke instelling desgevraagd aan Onze Minister
over de wijze
waarop de indicatieorganen indiceren. De aanwijzing van de huidige landelijke
organisatie zal worden ingetrokken.
I en M
Het
Zorgindicatiebesluit
bevatte in artikel 10, 12, tweede lid,
15, tweede lid, en 16 een aantal
regelingen ingeval er sprake is van spoedzorg. Besloten is om de
artikelen 10 en 15, tweede lid, te laten vervallen.
Artikel 16 regelt dat het
uitvoeringsorgaan in situaties waarin onmiddellijke hulp nodig is, kan beslissen
dat de verzekerde zijn aanspraak gedurende ten hoogste twee weken tot
gelding kan brengen, zonder dat hij over een indicatiebesluit
beschikt. Binnen die twee weken zal het indicatieorgaan alsnog het benodigde
onderzoek moeten doen en een indicatiebesluit moeten nemen. Dit is geregeld in
artikel 12, tweede lid. Hiermee is deze
aangelegenheid voldoende
geregeld. De artikelen 10 en 15, tweede lid, voegen daar niets aan
toe.
In het nieuwe artikel 15
is, net als voorheen, geregeld dat het indicatiebesluit de geldigheidsduur
vermeldt. De geldigheid geldt vanaf het moment dat het besluit
wordt vastgesteld. Dat wil zeggen dat als de verzekerde een besluit
krijgt met de geldigheid van bijvoorbeeld twee jaar en de zorg vangt pas aan
na een halfjaar, het indicatiebesluit na anderhalf jaar van zorgverlening
zijn geldigheid verliest. De geldigheidsduur eindigt uiteraard ook als binnen
die termijn een nieuw indicatiebesluit is genomen, voor zover althans dat nieuwe besluit het oude intrekt of
wijzigt.
Niet meer is geregeld dat
de geldigheidsduur niet onbepaald mag zijn, omdat een dergelijk vaag
voorschrift weinig regelt. In plaats daarvan is in het tweede lid bepaald
dat bij ministeriële regeling regels over de geldigheidsduur van de
indicatiebesluiten kunnen worden gesteld. Zo nodig kunnen op grond
daarvan meer specifieke regels met betrekking tot de geldigheidsduur
worden getroffen.
J
Het is de bedoeling dat
indicatieorganen gaan werken volgens een landelijk protocol, waarin aanwijzingen worden vastgelegd met betrekking
tot de werkwijze, de
organisatie van de werkzaamheden en de te hanteren procedures. Onderdeel van
het protocol zal vormen een formulierenset die de indicatieorganen
dienen te hanteren. Het is de bedoeling dat de indicatieorganen
gezamenlijk tot een landelijk protocol komen. Voor het geval dat het protocol
niet tot stand komt of omissies bevat, regelt artikel 11 dat
Onze Minister beleidsregels over de werkwijze van de indicatieorganen kan stellen.
K
In het eerste lid van het
nieuwe artikel 13 is opnieuw geregeld wat in het indicatiebesluit moet
staan. Daarin moet worden aangegeven:
a. de functies van zorg;
b. indien van toepassing,
de klasse;
c. en de gronden in
verband waarmee de verzekerde op de zorg is aangewezen, bijvoorbeeld
een lichamelijke handicap of een psychiatrische aandoening.
Het tweede lid bepaalt
dat het indicatieorgaan aangeeft met ingang van welke datum de zorgvrager
op de geïndiceerde zorg is aangewezen. Meestal zal dit de datum
van het geven van het indicatiebesluit zijn. Soms kan dit echter later
zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarin een in het ziekenhuis
opgenomen zorgvrager na ontslag uit het ziekenhuis voor huishoudelijke
verzorging in aanmerking komt.
In het derde lid wordt nu
duidelijk aangegeven dat het hier gaat om een advies en niet om een
besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht.
L
In artikel 14 was
geregeld dat in een aantal gevallen het nemen van indicatiebesluiten niet
mocht worden gemandateerd. Dit is thans komen te vervallen, zodat
mandaat in alle situaties mag.
N
Gebleken is dat het
moeten leveren van de in artikel 18 (oud) bedoelde verslagen niet zinvol is
en derhalve tot onnodige administratieve lasten leidt. Deze bepaling is
daarom komen te vervallen en vervangen door een nieuwe bepaling.
Het nieuwe artikel 18
beoogt een landelijk uniforme vastlegging van de gegevens die tijdens het
proces van indicatiestelling ontstaan. Het belang daarvan is dat er
onderling vergelijkbare gegevensverzamelingen ontstaan die gebruikt
kunnen worden voor landelijke statistiek, beleidsvorming en bedrijfsvergelijking.
In de in het artikel genoemde ministeriële regeling zullen bepaalde
onderdelen van het zogenoemde Logisch Ontwerp AWBZ-brede
Zorgregistratie - te weten die onderdelen die op de indicatieorganen betrekking hebben
- worden opgenomen. Toepassing
van de betreffende delen
van het logisch ontwerp bevordert in hoge mate de eenduidigheid van de
vastgelegde informatie. Dit ondersteunt op zijn beurt de kwaliteit van
het zorgtoewijzingsproces. De beveiligingseisen strekken ertoe de privacy
van cliënten te waarborgen.
Het is daarnaast de
bedoeling dat indicatieorganen de zorgkantoren volgens het Logisch
Ontwerp AWBZ-brede Zorgregistratie gegevens zullen verstrekken.
Artikel 56 AWBZ
brengt met zich dat de indicatieorganen de zorgkantoren
desgevraagd de benodigde informatie schriftelijk of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd, kosteloos dienen te
verstrekken. Nu de indicatieorganen op grond van artikel 18 van het Zorgindicatiebesluit
hun gegevens elektronisch en volgens (delen van) eerder genoemde Zorgregistratie zullen moeten
registreren, is
elektronische verstrekking volgens hetgeen voorts in die Zorgregistratie is
neergelegd redelijkerwijs van de indicatieorganen te verlangen.
Hoofdstuk V. Slot- en
overgangsbepalingen
Artikel 32
Naast het
Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering zijn met dit artikel tevens het Besluit
indicatieadvisering bejaardenoorden en verpleeginrichtingen en het Besluit regeling
vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering
ingetrokken. Het Besluit indicatieadvisering bejaardenoorden en
verpleeginrichtingen is ingetrokken omdat in plaats daarvan thans het Zorgindicatiebesluit
geldt.
Het Besluit
regeling vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering is ingetrokken omdat deze regeling voor de
meeste regio’s reeds buiten werking is gesteld. Nog een enkele
verzekerde maakt gebruik van deze vergoedingsregeling. In verband
daarmee is besloten dit besluit in te trekken en voor de desbetreffende
verzekerden in artikel 35 een overgangsregeling te
treffen.
Artikel 33
Het eerste lid van
artikel 33 zorgt ervoor dat de functiegericht omschreven zorgaanspraken en de
indicatie voor die aanspraken alleen gelden voor verzekerden die vanaf de inwerkingtreding van de desbetreffende
artikelen van dit besluit
(de artikelen 1 tot en met 20 en van artikel 31 de onderdelen
A, B, E, G en
K) een indicatiebesluit aanvragen respectievelijk voor wie een dergelijk
besluit wordt aangevraagd.
Het tweede lid regelt dat
personen die reeds onder het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering door een indicatieorgaan voor zorg geïndiceerd waren, hun indicatie en hun oude
aanspraken behouden. Dit
geldt echter slechts voor de vormen van zorg waarvoor zij geïndiceerd
waren. Indien de verzekerde na de datum waarop de artikelen 1 tot
en met 20, en van artikel 31 de onderdelen A, B,
E, G en K, in werking
treden voor één of meer andere vormen van zorg in aanmerking wenst te komen
dan de vorm(en) van zorg waarvoor hij voordien geïndiceerd
was, dient hij hiertoe een nieuw indicatiebesluit aan te vragen. Voor die
nieuwe aanvraag gelden de nieuwe indicatiebepalingen, alsmede de nieuwe,
functiegericht omschreven zorgaanspraken. Voorts geldt het tweede
lid slechts voor de periode waarvoor het oorspronkelijke
indicatiebesluit geldt. Heeft de verzekerde na het verlopen van de geldigheidsduur
van zijn indicatiebesluit nog steeds zorg nodig, dan dient hij een nieuw
indicatiebesluit aan te vragen. Op de behandeling daarvan zijn de nieuwe
bepalingen van het Zorgindicatiebesluit
en de nieuwe, in dit besluit
geregelde, aanspraken van toepassing.
Verzekerden die in
aanmerking kwamen voor zorg op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg werden tot de inwerkingtreding van
artikel
31, onderdeel B, niet
door de indicatieorganen geïndiceerd. Het derde lid regelt dat voor
patiënten die vóór het tijdstip waarop dat onderdeel in werking is getreden een
recht op zorg op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg tot
gelding konden brengen, de aanspraken op grond van de artikelen 20 tot
en met 20g van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering blijven bestaan. Dit geldt echter
slechts zolang als een dergelijk recht tot gelding kan worden gebracht. De
artikelen 37 en 39 van de
Regeling nadere regels zorgaanspraken AWBZ bevatten hier regels
over.
Artikel 33 leidt er
enerzijds toe dat verzekerden die reeds geïndiceerd zijn en vaak ook al
zorg
genieten, niet belast worden met een herindicatie. Anderzijds ontlast dit de
indicatieorganen. Zonder dit artikel zouden zij immers op de datum waarop
dit besluit in werking treedt alle reeds geïndiceerde zorgvragers
moeten herindiceren.
Echter, zonder nadere
maatregelen zullen de verzekerden, indicatieorganen en de zorgkantoren nog
zeer langdurig te maken hebben met de oude, in het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering geregelde aanspraken. De geldigheidsduur van indicaties voor personen van wie geen verbetering
in de gezondheidstoestand kan worden verwacht, kan namelijk
zeer lang of zelfs onbepaald zijn. Het in artikel 33 geregelde overgangsrecht
dient daarom over enige tijd te vervallen. Voor zover de personen die
onder dit artikel vielen tegen die tijd nog in leven zijn en bovendien niet
wegens het inmiddels verlopen van de geldigheidsduur van hun indicatie reeds
op grond van het nieuwe Zorgindicatiebesluit
naar de nieuwe, in functiegerichte termen omschreven zorgaanspraken
geherindiceerd zijn, zal
tegen die tijd alsnog herindicatie naar de nieuwe aanspraken dienen
te volgen. Uiteraard kan de verzekerde te allen tijde zelf om een nieuwe
indicatie vragen en kan hij zo, op het moment dat hij dat wenst, de
mogelijkheden die de functiegerichte aanspraken bieden, benutten.
De groep waarvoor
herindicatie met het vervallen van artikel 33 aan de orde is, zal echter veel
kleiner zijn dan de groep waarvoor dit zou gelden indien direct al tot herindicatie op de nieuwe aanspraken over zou worden
gegaan. Het vervallen van artikel 33 is in artikel
37, eerste lid, geregeld.
Ingevolge artikel 39 kan
de datum van inwerkingtreding van artikel 37, eerste lid, bij een apart
koninklijk besluit worden geregeld. Mogelijk aanknopingspunt voor het
bepalen van deze datum zou kunnen zijn de datum waarop de
budgettering van de instellingen die intramurale zorg verlenen komt te
vervallen. Dit zal in ieder geval niet vóór 1 januari 2004 geschieden.
Artikel 34
Om aanspraak te kunnen
maken op zorg moet de verzekerde geïndiceerd zijn voor die zorg. In
deze bepaling gaat het om de gezonde echtgenoot die een voor AWBZ-zorg
met verblijf geïndiceerde echtgenoot heeft. Per 1 januari 2001 is
geregeld dat de gezonde echtgenoot in het verzorgingshuis kan blijven op basis van
de indicatie van de echtgenoot. De gezonde echtgenoot heeft geen
zelfstandige indicatie. Aangezien het verzorgingshuis als instelling in de
aanspraak verdwijnt, is de oude regeling niet gehandhaafd. Deze
overgangsbepaling regelt dat gezonde personen die op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit in een verzorgingshuis verblijven in die
instelling voor rekening van de AWBZ in de instelling kunnen blijven zolang hun
echtgenoten voor het verblijf geïndiceerd zijn. Het recht om bij de
zorgbehoevende echtgenoot in de instelling te wonen, geldt zolang die
echtgenoot in die instelling verblijft.
Het vorenstaande betekent
niet dat gezonde partners vanaf 1 april 2003 niet bij hun geïndiceerde echtgenoten in de instelling kunnen verblijven.
De instelling kan ook die gezonde personen onderdak bieden. De kosten van het verblijf van die
gezonde partners komen dan echter geheel voor eigen rekening.
Artikel 35
Met
artikel 32 is het
Besluit regeling
vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering
ingetrokken. Er zijn
echter enkele verzekerden die op het moment van intrekking op grond van dat besluit aanspraak op een
vergoeding hadden.
Artikel 35 regelt dat zij deze vergoeding ook na intrekking van dat
besluit behouden. Doordat het hele Besluit regeling
vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering
op hen van toepassing blijft, is automatisch
geregeld dat hun recht op een vergoeding eindigt zodra zij voor de in hun
indicatiebesluit geïndiceerde zorg in een instelling kunnen worden opgenomen
(zie de artikelen 2, eerste lid, en 4, van laatstgenoemd
besluit).
Artikel 36
Om de zorgkantoren niet
te zwaar te belasten, is besloten de met dit besluit ingevoerde nieuwe
systematiek voor de eigen bijdragen voor extramurale zorg pas
later dan de in functiegerichte termen omschreven zorgaanspraken en de
functiegerichte indicatiestelling in werking te laten treden. Artikel 36
voorziet hier, in combinatie met de artikelen 37 en 39, in.
Het eerste lid regelt dat
hoofdstuk III van het Bijdragebesluit
zorg zoals dat luidde vóór de datum
waarop de onderdelen G tot en met L van voorliggend besluit in
werking treden (verder
hoofdstuk III van het oude Bijdragebesluit
zorg genoemd), blijft gelden voor personen die nog op grond van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering zijn geïndiceerd. Hier
is echter één uitzondering op: geen eigen bijdrage zal meer verschuldigd
zijn voor verzekerden jonger dan 18 jaar die extramurale zorg
genieten.
Het tweede lid regelt de
eigen bijdrage voor extramurale zorg voor verzekerden die op basis
van de functiegericht omschreven zorgaanspraken geïndiceerd worden. Op
hen is
hoofdstuk III van het Bijdragebesluit
zorg zoals dat met dit
besluit gewijzigd is op zich wel van toepassing. Dat betekent dat ook zij
slechts een bijdrage verschuldigd zijn indien zij ouder zijn dan 18 jaar
(zie artikel 28, onderdeel G). Echter, via het tweede lid van
artikel 36 is
geregeld dat de door hen verschuldigde bijdrage berekend wordt volgens de
systematiek zoals deze neergelegd is in
hoofdstuk III van het
oude Bijdragebesluit
zorg. Via de - impliciete - verwijzing naar het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering (in onderdeel
b) wordt
voorts bereikt dat slechts die personen een eigen bijdrage voor
extramurale zorg verschuldigd zijn die deze ook verschuldigd zouden zijn
geweest indien zij op grond van het oude regime zouden zijn geïndiceerd.
Aldus wordt bijvoorbeeld voorkomen dat personen die zijn geïndiceerd voor ondersteunende en activerende begeleiding
en die zouden zijn
geïndiceerd voor zorg te verlenen door een dagverblijf (artikel 13 Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering) indien zij vóór de
invoering van de functiegerichte aanspraken zouden zijn geïndiceerd, een eigen
bijdrage moeten gaan betalen. De verwijzing naar de zorg die geïndiceerd
zou zijn onder het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering wordt vergemakkelijkt omdat een
conversietabel is
opgesteld op grond waarvan geïndiceerde functies op grond van dit
besluit te
herleiden zullen zijn tot aanspraken op grond van laatstgenoemd besluit.
Verzekerden die minimaal
vijf keren per week overdag of gedurende de nacht in een verzorgingshuis verblijven, betalen nu op grond van het in
hoofdstuk II van het Bijdragebesluit
zorg opgenomen artikel 14 een eigen
bijdrage. Artikel 28,
onderdeel E, van voorliggend besluit leidt er in principe toe dat deze
personen in de toekomst een bijdrage ingevolge hoofdstuk III in plaats
van hoofdstuk II van het Bijdragebesluit
zorg zullen moeten betalen. Aangezien
echter tengevolge van het eerste en tweede lid van artikel 36 van
het onderhavige besluit hoofdstuk III van het Bijdragebesluit
zorg (of
de inhoud daarvan) zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de dag
waarop artikel 28, onderdeel G tot en met L, in werking treden voorlopig
blijft gelden, zou dat er zonder nadere maatregelen toe leiden dat het
zorgkantoor op grond van de artikelen 16a
en 16g van het Bijdragebesluit
zorg een nieuwe eigen bijdrage zouden moeten berekenen. De verwijzing,
in het eerste en tweede lid van artikel 36, naar artikel 14 van het Bijdragebesluit
zorg zorgt ervoor dat ook (de inhoud
van) artikel 14 van het Bijdragebesluit
zorg voorlopig van toepassing blijft.
Overigens hoefde wat
betreft artikel 14, anders dan wat betreft
hoofdstuk III, geen uitzondering te
worden gemaakt voor verzekerden jonger dan 18 jaar, omdat voor
hen reeds uit artikel 2, eerste lid, van het Bijdragebesluit
zorg voortvloeit dat personen jonger dan 18 jaar deze bijdrage niet
verschuldigd zijn.
Artikel 28, onderdeel B
en D, van onderhavig besluit bevatten enkele wijzigingen in de eigen
bijdragen die betaald moeten worden door personen die verblijven
in een instelling (hoofdstuk II van het Bijdragebesluit
zorg). Anders dan voor de
eigen bijdragen van artikel 14 en van hoofdstuk III van het Bijdragebesluit
zorg, is het de bedoeling dat deze wijzigingen ook gaan
gelden voor personen die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding
van deze onderdelen reeds op grond van deze artikelen
bijdrageplichtig waren. Artikel 5 van het Bijdragebesluit
zorg bepaalt echter dat
deze
eigen bijdragen eenmaal per jaar worden berekend. Naar
verwachting treden de onderdelen B en D van artikel 28 niet op 1 januari van
enig jaar, maar gedurende het jaar in werking. Met het oog hierop is in het
derde lid bepaald dat de artikelen 4 en
13 (en 1) van het Bijdragebesluit
zorg, zoals deze luidden op de dag voorafgaande aan de dag waarop zij in
werking traden, gedurende het kalenderjaar waarin de onderdelen B en
D (en A) van artikel 28 in werking treden, van toepassing blijven op
personen die vóór die datum van inwerkingtreding al een bijdrage op grond
van die artikelen verschuldigd waren. De andere optie, namelijk regelen
dat in het kalenderjaar waarin de desbetreffende artikelonderdelen in
werking treden de bijdrage in afwijking van artikel 5 van het Bijdragebesluit
zorg tweemaal moet worden vastgesteld, zou een te zware belasting van de
zorgkantoren met zich brengen.
Het vierde lid regelt dat
de eigen bijdrage voor thuiszorg, geleverd door thuiszorginstellingen,
nog tijdelijk in plaats van door de zorgkantoren, door het Centraal Administratiekantoor
BV wordt vastgesteld en geïnd.
Artikel 37
Voor de toelichting op
artikel 37 wordt verwezen naar de toelichtingen op de artikelen 33 en
36.
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
|
|