|
BESLUIT van 20 november 1991,
houdende
vaststelling van de aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat
ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aanwijzing van de vormen van
zorg waarvoor een specifiek eigen risico kan gelden, vaststelling van regels ter
zake van de door de verzekerden verschuldigde bijdrage in de kosten van zorg,
aanmerking van instellingen als erkende instellingen en opheffing van de
contracteerplicht ten aanzien van zodanige instellingen alsmede daarmee verband
houdende wijzigingen dan wel intrekking van andere regelingen (Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur van 10 september 1991, DGVGZ/VMP-419 257, gedaan in overeenstemming met
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
6, eerste en derde lid, 7, tweede, derde en vierde
lid, 8, tweede lid, 10, eerste lid,
11, 14, eerste lid,
16, eerste lid, 17, achtste lid,
45, vierde lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(Stb.
1990, 176), artikel 8 van de Ziekenfondswet (Stb. 1986, 347) en artikel 2, tweede lid, van de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen (Stb. 1986, 123);
Gezien de
adviezen van de Ziekenfondsraad (adviezen van 24 augustus 1989, nr. 449, 27
september 1990, SGZ/19 438, GGZ/18 969, 25 april 1991, SGZ/8443, 27 juni 1991,
SGZ/680, 22 augustus 1991, SGZ/14 511, SGZ/14 609, SGZ/14 610, GGZ/15 933), 23
augustus 1991, SGZ/15 403, 26 september 1991, ERK/9956, GGZ/17 290 en 24 oktober
1991, SEA/19 483 en het advies van het Kontaktorgaan Landelijke Organisaties van
Ziektekostenverzekeraars (advies van 12 juli 1991, V/330/91/WJW/EW);
De Raad
van State gehoord (advies van 30 oktober 1991, nr. W13.91 0493);
Gezien het
nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
van 20 november 1991, VMP-91404, uitgebracht in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Art. 1. In dit
besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwde verzekerden die al dan
niet tezamen met één of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam
een huishouden voeren dan wel uit een meerderjarige ongehuwde verzekerde die
met één of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een huishouden
voert.
Art. 2.
-1. De verzekerden hebben aanspraak op de zorg, omschreven
in de artikelen 3, 4, 9, 11 tot en met 16 en
19 tot en met 28, behoudens voor
zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere
wettelijke regeling.
-2. Op de zorg, omschreven bij dit besluit, bestaat geen
aanspraak, voor zover deze objectief voorzienbaar samenhangt met een onderzoek
in een ziekenhuis dat of behandeling in een ziekenhuis die niet behoort tot de
in artikel 9, eerste lid, omschreven zorg.
-3. Onze Minister kan, indien het onverwijld treffen van
zodanige maatregel noodzakelijk is met het oog op de beheersing van de
kostenontwikkeling, medisch-ethische implicaties van nieuwe ontwikkelingen of
het belang van de verzekerden, voor een periode van zes maanden, welke door hem
eenmaal met zes maanden kan worden verlengd, de inhoud en omvang van de
aanspraak op in dit besluit omschreven zorg beperken of nader omschrijven.
Art. 3.
-1. Voor zover gepaard gaande met verblijf gedurende het
etmaal omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 9, 11,
14, 19, 20 en 23, tevens:
a. tandheelkundige hulp;
b. farmaceutische hulp;
c. hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven
behandeling en verpleging;
d. kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de
instelling;
e. het individueel gebruik van een rolstoel.
-2. De zorg, omschreven in artikel 20a, voor zover gepaard
gaande met verblijf gedurende het etmaal, omvat de zorg, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b tot en met e.
-3. De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, en het
tweede lid omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.
-4. Onze Minister
kan regelen stellen met betrekking tot de
omvang van en de voorwaarden voor het verkrijgen van de zorg, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a tot en met e.
§ 2. Algemene
geneeskundige zorg
Art. 4.
-1. Dieetadvisering omvat voorlichting met een medisch doel
over voeding en eetgewoonten door een instelling.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de inhoud, omvang en voorwaarden voor het verkrijgen
van de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 5. Vervallen.
Art.
6. Vervallen.
Art.
7. Vervallen.
Art.
8. Vervallen.
Art. 9.
-1. Opneming en verder verblijf in een ziekenhuis, niet
zijnde een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 20 of een
psychiatrische afdeling van een algemeen of academisch ziekenhuis als bedoeld in
artikel 20a, omvat onderzoek en behandeling van genees-, heel- en
verloskundige aard door specialisten alsmede de daarmee verband houdende
verpleging en verblijf in een ziekenhuis.
-2. Transplantatie van weefsel en organen is slechts
begrepen in de zorg, omschreven in het eerste lid, voor zover deze door Onze Minister
is aangewezen.
-3. Aanspraak op opneming en verder verblijf bestaat
slechts voor zover deze een ononderbroken periode van 365 verpleegdagen in één
of meer ziekenhuizen te boven gaat. Een onderbreking van niet langer dan 30
dagen geldt niet als onderbreking, doch deze dagen gelden voor de berekening van
de 365 dagen evenmin als verpleegdagen. Indien genoemde periode is verstreken en
binnen 30 dagen opnieuw opname nodig is, is er evenmin sprake van een
onderbreking.
-4. Een verzekerde die voor rekening van de bijzondere
ziektekostenverzekering verblijft in een sanatorium voor tuberculosepatiënten en
vanuit dit sanatorium wordt overgeplaatst naar een ziekenhuis met een andere
bestemming, heeft, zolang zijn verblijf in laatstbedoeld ziekenhuis een periode
van 365 dagen niet overschrijdt, geen aanspraak op opneming en verder verblijf
in dat ziekenhuis.
-5. Een verzekerde die voor rekening van de bijzondere
ziektekostenverzekering verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis of een
psychiatrische afdeling van een algemeen of academisch ziekenhuis als bedoeld in
artikel 20 en vanuit zodanig ziekenhuis wordt overgeplaatst naar een ziekenhuis
met een andere bestemming onderscheidenlijk naar een andere afdeling van dat
algemeen of academisch ziekenhuis, heeft geen aanspraak op opneming en verder
verblijf in dat ziekenhuis, zolang zijn verblijf in dat ziekenhuis dan wel op
die andere afdeling een periode van 365 dagen niet overschrijdt.
-6. Onze Minister bepaalt in welke gevallen een verzekerde
op opneming en verder verblijf in een ziekenhuis is aangewezen.
§ 3. Zorg bestaande uit verzorging of verpleging
Art.
10. Vervallen.
Art. 11.
-1. Zorg te verlenen door Het Dorp van de Stichting
Exploitatie Het Dorp te Arnhem omvat verzorging, verpleging, begeleiding of
behandeling in verband met een ernstige lichamelijke handicap, al dan niet
gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 12.
-1. Zorg te verlenen door een gezinsvervangend tehuis voor
lichamelijk gehandicapten omvat begeleiding of verzorging gericht op bevordering
van de integratie van de lichamelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet
gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
-2. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat
aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het
gezinsvervangend tehuis betaalde of onbetaalde arbeid verricht, een
dagopleiding volgt of een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt;
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen geen arbeid verricht, geen
opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, maar in staat kan worden geacht
op korte termijn, doch uiterlijk binnen twee jaren, tot een zodanige
dagbesteding te geraken en daartoe bereid is;
c. de leeftijd van 40 jaar heeft bereikt en bij het bereiken daarvan in
een gezinsvervangend tehuis verbleef en door het deelnemen aan een regeling
voor vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon
gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen
opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder
verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren
zodanige dagbesteding heeft gehad.
-3. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat
geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op
verpleging.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 13.
-1. Zorg te verlenen door een dagverblijf voor lichamelijk
gehandicapten omvat onderzoek, behandeling, begeleiding of verzorging, gericht
op bevordering of behoud van de zelfstandigheid van de lichamelijk gehandicapte
in de maatschappij, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende de dag of
een deel daarvan.
-2. Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat
met verblijf gedurende de dag, omvat de zorg tevens het door het dagverblijf
georganiseerde of geadviseerde openbare vervoer naar en van het
dagverblijf.
-3. Aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid,
bestaat indien de verzekerde primair een lichamelijke handicap heeft van een
betrekkelijk statisch karakter en niet of nog niet aan onderwijs- of
arbeidsvoorzieningen kan deelnemen of deze voorzieningen voor hem niet zijn
aangewezen en wordt aangenomen dat hij een zodanige mate van sociale redzaamheid
kan bereiken of heeft bereikt dat verblijf en integratie in de samenleving in
beginsel mogelijk zijn.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 14.
-1. Zorg te verlenen door een verpleeginrichting omvat
verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling, in verband met een
lichamelijke of psychogeriatrische aandoening, al dan niet gepaard gaande met
verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan.
-2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat tevens
consultatie van een verpleeghuisarts op aanvraag van een arts ten behoeve van
een niet in de inrichting verblijvende verzekerde.
-3. Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat
met verblijf gedurende de dag, omvat de behandeling tevens het door de
verpleeginrichting georganiseerde vervoer.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 15. Zorg te
verlenen door een instelling voor thuiszorg omvat:
a. verpleging, verzorging, begeleiding of voorlichting in verband met
ziekte, herstel, invaliditeit of ouderdom;
b. hulp van huishoudelijke, persoonlijke of begeleidende aard in verband
met ziekte, herstel, invaliditeit, ouderdom, overlijden of een psychosociaal
probleem, die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van
de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de
leefeenheid waartoe de verzekerde behoort;
c. het in bruikleen verstrekken van verpleegartikelen gedurende een
termijn van ten hoogste 26 weken.
Art. 16.
-1. Zorg te verlenen door een verzorgingshuis omvat
verzorging, verpleging of begeleiding in verband met lichamelijke,
psychogeriatrische of psychosociale problemen als gevolg van ouderdom, al dan
niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel
daarvan.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 17. De
echtgenoot van een persoon die op grond van een indicatiebesluit ingevolge het
Zorgindicatiebesluit duurzaam in een verzorgingshuis verblijft, heeft eveneens
aanspraak op verblijf gedurende het etmaal in dat verzorgingshuis.
Art.
18. Vervallen.
§ 4. Revalidatiezorg
Art. 19.
-1. Revalidatie omvat onderzoek, behandeling en advisering
van specialistische, paramedische, gedragswetenschappelijke en
revalidatietechnische aard, te verlenen door een aan een instelling voor
revalidatie verbonden multidisciplinair team van deskundigen, staande onder
leiding van een specialist, gepaard gaande met verzorging en verpleging en
verblijf gedurende het etmaal in die instelling.
-2. Op revalidatie bestaat slechts aanspraak:
a. indien deze hulp voor de verzekerde als meest doeltreffend is
aangewezen ter voorkoming, vermindering of overwinning van een handicap die
het gevolg is van stoornissen of beperkingen in het bewegingsvermogen;
b. indien de verzekerde met die hulp in staat is een mate van
zelfstandigheid te bereiken of te behouden die, gegeven diens beperkingen,
redelijkerwijs mogelijk is;
c. indien daarmee spoedig betere resultaten te verwachten zijn dan
revalidatie zonder verblijf in een instelling voor revalidatie; en
d. voor zover deze een ononderbroken periode van 365 verpleegdagen in
één of meer instellingen voor revalidatie te boven gaat.
-3. De tweede en derde volzin van artikel
9, derde lid,
zijn voor de berekening van de periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Geestelijke gezondheidszorg
Art. 20.
-1. Psychiatrische zorg te verlenen door een psychiatrisch
ziekenhuis omvat:
a. onderzoek, advisering en voorlichting, behandeling, begeleiding,
verpleging of verzorging gericht op herstel of voorkomen van verergering van
een psychiatrische stoornis, al dan niet gepaard gaande met verblijf
gedurende het etmaal;
b. met een pleeggezin overeengekomen verpleging in dat gezin;
c. begeleiding en verblijf gedurende het etmaal gericht op terugkeer in
de samenleving; of
d. behandeling en verblijf gedurende het etmaal gericht op herstel van
een verstoring in het dagelijks functioneren als gevolg van psychosociale
problemen.
-2. Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
c, bestaat
aanspraak gedurende twee jaren indien te verwachten is dat de verzekerde na
afloop van die termijn zelfstandig kan wonen dan wel kan verblijven in een
regionale instelling voor beschermd wonen. Het verblijf kan tweemaal met 26 weken worden verlengd.
-3. Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
d, bestaat
aanspraak gedurende twaalf weken indien te verwachten is dat een ambulante
behandeling voor de verzekerde niet of nog niet toereikend is. Op de zorg
bestaat geen aanspraak indien na beëindiging van een eerder verblijf nog geen
26 weken zijn verstreken.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak
op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 20a.
-1. Zorg te verlenen door een psychiatrische afdeling van
een algemeen of academisch ziekenhuis omvat de zorg, bedoeld in artikel
20,
eerste lid, onderdeel a en b.
-2. Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat
met verblijf, bestaat aanspraak gedurende dertien weken indien te verwachten is
dat die termijn voor de verzekerde voldoende is. Het verblijf kan eenmaal met
dertien weken worden verlengd.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak
op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 20b.
-1. Zorg te verlenen door of vanwege een regionale
instelling voor ambulante geestelijke gezondheidszorg omvat ambulante
psychosociale advisering en voorlichting, behandeling of begeleiding gericht op
herstel of voorkomen van verergering van een verstoring in het psychosociaal
functioneren.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak
op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 20c.
-1. Zorg te verlenen door of vanwege een regionale
instelling voor beschermd wonen omvat begeleiding gericht op het opbouwen en
onderhouden van sociale relaties, het zich eigen maken van een dagritme of het
aanleren en toepassen van vaardigheden, al dan niet gepaard gaande met verblijf
gedurende het etmaal.
-2. De aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid,
bestaat indien de verzekerde tengevolge van een psychiatrische stoornis beperkt
is in zijn sociaal en zelfstandig functioneren.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak
op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 20d.
-1. Niet-klinische psychiatrische zorg te verlenen door een
psychiater of zenuwarts omvat onderzoek of behandeling, naar omvang bepaald door
hetgeen in de kring der beroepsgenoten gebruikelijk is, op verwijzing door de
huisarts van verzekerde.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak
op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 20e.
-1. Zorg te verlenen door een psychiatrische polikliniek
omvat onderzoek of, gedurende maximaal twee uren per dag, behandeling.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak
op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 20f.
-1. Psychiatrische deeltijdbehandeling te verlenen door een
instelling voor psychiatrische deeltijdbehandeling omvat onderzoek, behandeling,
begeleiding of verzorging, gedurende ten minste vier aaneengesloten uren en ten
hoogste acht uren per dag.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regelen worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden voor het tot gelding brengen van de aanspraak
op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 20g.
-1. Indien de zorg, bedoeld in artikel 20d
onderscheidenlijk artikel 20e, psychotherapeutische behandeling betreft, bestaat
aanspraak op ten hoogste 90 zittingen van ten hoogste 45 minuten per zitting bij individuele psychotherapie, van ten hoogste
90 minuten per zitting bij partner-relatiepsychotherapie en van ten hoogste
120 minuten per zitting bij gezins- en groepspsychotherapie.
-2. Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen
aanspraak indien na beëindiging van een voorafgaande psychotherapeutische
behandeling in verband met het bereiken van het aantal zittingen, bedoeld in het
eerste lid, nog geen 52 weken zijn verstreken.
§ 6. Zorg voor zintuiglijk gehandicapten
Art. 21.
-1. Zorg te verlenen door een instelling voor visueel
gehandicapten omvat onderzoek, begeleiding of behandeling gericht op bevordering
of behoud van de zelfstandigheid van de visueel gehandicapte, al dan niet
gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan.
-2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet
onderwijs en onderwijsbegeleiding, scholing of omscholing in het kader van
beroepsonderwijs, geneeskundige en paramedische hulp, vervoer of voorzieningen
waarvoor ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten het gemeentebestuur zorg dient
te dragen.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 22.
-1. Zorg te verlenen door een instelling voor auditief of
communicatief gehandicapten omvat begeleiding of behandeling, al dan niet
gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan.
-2. Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat
met verblijf gedurende de dag, omvat de zorg tevens het door de instelling
georganiseerde vervoer over een redelijke afstand naar en van de
instelling.
-3. Aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid,
bestaat slechts indien de verzekerde lijdt aan een gehoorstoornis
onderscheidenlijk een spraak- of taalstoornis als gevolg van een medische
oorzaak en de zorg gericht is op het bereiken van:
a. een geneeskundig doel;
b. het zo goed mogelijk kunnen ontvangen van onderwijs dan wel
scholing;
c. bevordering en behoud van de zelfstandigheid; of
d. bespoediging van de revalidatie.
-4. De zorg, bedoeld in het eerste lid, omvat niet
onderwijs en onderwijsbegeleiding, scholing of omscholing in het kader van
beroepsonderwijs of voorzieningen waarvoor ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten het gemeentebestuur zorg dient
te dragen.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 22a.
-1. Zorg te verlenen door een gezinsvervangend tehuis voor
visueel, auditief of communicatief gehandicapten omvat begeleiding gericht op
bevordering van de integratie van de visueel, auditief of communicatief
gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf
gedurende het etmaal.
-2. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat
aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het
gezinsvervangend tehuis betaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of
een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt;
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen, geen arbeid verricht, geen
opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, doch in staat kan worden geacht
tot een zodanige dagbesteding te geraken; of
c. de leeftijd van 40 jaar heeft bereikt en bij het bereiken daarvan in een
gezinsvervangend tehuis verbleef en door het deelnemen aan een regeling voor
vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon
gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen
opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder
verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren
zodanige dagbesteding heeft gehad.
-3. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat
geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op
verpleging.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg,
bedoeld in het eerste lid.
§ 7. Zorg voor verstandelijk gehandicapten
Art. 23.
-1. Zorg voor verstandelijk gehandicapten te verlenen door
een instelling voor verstandelijk gehandicapten omvat:
a. onderzoek, behandeling, begeleiding, verpleging of verzorging gericht
op het ontwikkelen en behouden van vaardigheden, het bevorderen van de
sociale redzaamheid en de zelfstandigheid of de bevordering van de
integratie van de verstandelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet
gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan; of
b. met een pleeggezin overeengekomen verpleging in dat gezin.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding
brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 24.
-1. Zorg te verlenen door een dagverblijf voor
verstandelijk gehandicapten omvat onderzoek, behandeling, begeleiding, of
verzorging, gericht op de bevordering van de zelfstandigheid of de integratie
van de verstandelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande
met verblijf gedurende de dag of een deel daarvan.
-2. Indien de zorg, bedoeld in het eerste lid, gepaard gaat
met verblijf gedurende de dag, omvat de zorg tevens het door het dagverblijf
georganiseerde vervoer of geadviseerd openbare vervoer naar en van het
dagverblijf.
-3. De aanspraak op zorg, bedoeld in het eerste lid,
bestaat indien de verzekerde primair een verstandelijke handicap heeft van een
betrekkelijk statisch karakter en niet of nog niet aan onderwijs- of
arbeidsvoorzieningen kan deelnemen.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding
brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 25.
-1. Zorg te verlenen door een gezinsvervangend tehuis voor
verstandelijk gehandicapten omvat begeleiding of verzorging gericht op de
bevordering van de integratie van de verstandelijk gehandicapte in de
samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
-2. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat
aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het
gezinsvervangend tehuis betaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of
een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt;
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen geen arbeid verricht, geen
opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, doch in staat kan worden geacht
tot een zodanige dagbesteding te geraken; of
c. de leeftijd van 40 jaar heeft bereikt, bij het bereiken daarvan in
een gezinsvervangend tehuis verbleef, door het deelnemen aan een regeling
tot vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon
gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen
opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder
verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren
zodanige dagbesteding heeft gehad.
-3. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat
geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op
verpleging.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding
brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 25a.
-1. Zorg te verlenen door een sociaalpedagogische dienst
omvat ambulante begeleiding van verstandelijk gehandicapten gericht op het
ontwikkelen en behouden van vaardigheden, het bevorderen van de sociale
redzaamheid en zelfstandigheid of het bevorderen van de maatschappelijke
participatie en integratie.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden
gesteld met betrekking tot de omvang van en de voorwaarden voor het tot gelding
brengen van de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
§ 8. Zorg bestaande uit georganiseerde preventie
Art.
26. Vervallen.
Art. 26a.
-1. Prenatale zorg omvat door een
instelling te leveren begeleiding, voorlichting en andere zorg die met
de zwangerschap verband houdt, met uitzondering van kraamzorg.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de inhoud, omvang en voorwaarden voor het verkrijgen
van de zorg, bedoeld in het eerste lid.
Art. 27.
-1. Onderzoek naar aangeboren stofwisselingsziekten omvat
zodanig onderzoek voor daarvoor in aanmerking komende, door Onze Minister
aan te
wijzen groepen van verzekerden. Onze Minister stelt regelen met betrekking tot
de inhoud en omvang van de in de eerste volzin bedoelde zorg.
-2. Het onderzoek geschiedt onder verantwoordelijkheid van
een door Onze Minister aangewezen entadministratie op een door Onze Minister
aan te geven wijze.
Art. 28.
-1. Vaccinaties omvatten de vaccinaties, opgenomen in een
door Onze Minister vast te stellen vaccinatieprogramma, waarin wordt aangegeven
welke groepen van verzekerden voor toediening van de benoemde vaccins in
aanmerking komen alsmede hoe de uitvoering van dat programma plaatsvindt.
-2. De uitvoering van de vaccinaties geschiedt onder
verantwoordelijkheid van een door Onze Minister aangewezen entadministratie.
Art.
29. Vervallen.
§ 9
Art.
30. Vervallen.
§ 10. Eigen bijdragen
Art.
31. Vervallen.
§ 11
Art.
32. Vervallen.
§ 12. Zorg aan gezinsleden van militairen
Art. 33.
-1. Ten aanzien van de verzekerde die als gezinslid van een
militair met toestemming van Onze Minister van Defensie in het buitenland
verblijft bij de aldaar geplaatste militair en voor wie de militair ingevolge
artikel 22, eerste lid, van de Regeling gezondheidszorg aanspraak heeft op
verlening van geneeskundige verstrekkingen door de militair geneeskundige dienst
van de Nederlandse krijgsmacht, treedt deze aanspraak, voor zover de Regeling
gezondheidszorg op hem van toepassing is, in de plaats van de aanspraken op zorg
ingevolge dit besluit.
-2. Onze Minister
en Onze Minister van Defensie stellen
regelen vast inzake een jaarlijkse uitkering door het College zorgverzekeringen
aan Onze Minister van Defensie ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten in verband met het vervallen van aanspraken op grond van het
bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, van de wet.
-3. Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen
nadere regelen vaststellen met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.
§ 13. Zorg onder bijzondere omstandigheden
Art. 34.
-1. Aan een verzekerde wordt een uitkering gedaan ter zake
van de kosten van zorg, omschreven in dit besluit, indien die zorg anders dan op
de in artikel 10 van de wet omschreven wijze is verkregen als gevolg van de
navolgende omstandigheden:
a. tijdelijk verblijf hier te lande buiten het werkgebied van het
uitvoeringsorgaan;
b. wonen in het buitenland;
c. tijdelijk verblijf in het buitenland wegens uitoefening van bedrijf
of beroep of wegens door het College zorgverzekeringen
aan te geven redenen;
d. niet ingeschreven zijn bij een uitvoeringsorgaan;
e. in spoedeisende gevallen waarin uitstel redelijkerwijs niet kon
worden gedoogd.
-2. In de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, bestaat aanspraak op een uitkering, mits de zorg is verleend door
instellingen of personen die in de verblijfplaats van de verzekerde of naaste
omgeving daarvan praktijk uitoefenen of gevestigd zijn en ter zake van die zorg
een overeenkomst met een uitvoeringsorgaan hebben gesloten.
-3. In de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b en c, bestaat aanspraak op een uitkering tot een door het College zorgverzekeringen
vast te stellen bedrag voor zorg, verleend in het land
waar de verzekerde woont of verblijft, voor zover de verlening van de zorg
redelijkerwijs niet kon worden uitgesteld tot na de terugkeer in Nederland.
-4. In de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
d en e, bestaat aanspraak op een uitkering, mits de zorg is
verleend in Nederland. Het College zorgverzekeringen kan nadere voorwaarden
stellen voor het verkrijgen van de uitkering in de omstandigheid, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d. Het College zorgverzekeringen kan bepalen dat
premies, betaald ten behoeve van een overeenkomst met betrekking tot de
verzekering van in dit besluit omschreven zorg of de kosten daarvan, in de
omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, gelden als kosten van
zodanige zorg.
-5. In de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, d en e, is de uitkering gelijk aan de kosten van de zorg indien
deze is verleend door een instelling of persoon die ter zake van die zorg een
overeenkomst met enig uitvoeringsorgaan heeft gesloten. Indien de zorg door een
ander is verleend, is de uitkering gelijk aan de kosten van de zorg, voor zover
deze de kosten van zodanige zorg, verleend door een persoon of instelling
waarmee het uitvoeringsorgaan een overeenkomst heeft gesloten, niet te boven gaan.
§ 14. Toelating van categorieën van instellingen
Art. 35.
-1. Voor de toepassing van de wet wordt een instelling die
zorg verleent als bedoeld in de artikelen 20d en 26 als toegelaten aangemerkt.
-2. Ten aanzien van instellingen die zorg verlenen als
bedoeld in artikel 20d is artikel
45, eerste lid, van de wet niet van
toepassing.
§ 15.
Overgangs- en slotbepalingen
Art.
36. Vervallen.
Art.
37. Vervallen.
Art.
38. Vervallen.
Art.
39. Vervallen.
Art.
40. Vervallen.
Art.
41. Vervallen.
Art.
42. Vervallen.
Art.
43. Vervallen.
Art.
44. Vervallen.
Art. 45.
-1. De artikelen van dit besluit treden in werking op een
bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan zijn.
-2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit
zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering.
Lasten en bevelen dat
dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad
van State.
's-Gravenhage, 20 november 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H.J. Simons
Uitgegeven de eenentwintigste november 1991
De Minister van Justitie a.i.,
C.I. Dales
|
|