|
BESLUIT van 2 oktober 1997, houdende regels met
betrekking tot het werkterrein, de samenstelling en werkwijze van
indicatieorganen (Zorgindicatiebesluit)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport van 11 juli 1997, kenmerk DBO/PBO/971311;
Gelet op de artikelen 9a, eerste en tweede lid,
9b, tweede
lid, en 11 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en
60, tweede en derde lid, van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen;
De Raad van State gehoord (advies van
24 september 1997, nr. W.13.97.0470);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 september 1997,
kenmerk DBO 97975;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Art. 1. In dit
besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de AWBZ: de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. indicatieorgaan: een indicatieorgaan als bedoeld in artikel
9a van de AWBZ;
c. zorgvrager: degene ten behoeve van wie een aanvraag om een
indicatiebesluit is ingediend;
d. indicatiebesluit: het besluit van een indicatieorgaan waarbij
beoordeeld wordt of en in welke omvang een zorgvrager in aanmerking komt voor
één of meer vormen van zorg als bedoeld in artikel 2;
e. het besluit: het Besluit zorgaanspraken AWBZ;
f. cliëntprofiel:
een profiel van zorgvragers met een vergelijkbare zorgbehoefte en
beperkingen op dezelfde terreinen, bij wie de verzorgings-, verplegings-,
begeleidings- of behandelingsdoelen naar aard en inhoud overeenkomen en
die op verblijf als bedoeld in artikel 9,
eerste en tweede lid, of artikel 13,
tweede lid, van het besluit
zijn aangewezen;
g. zorgzwaartepakket: naar aard,
inhoud en omvang bij een cliëntprofiel passende, samenhangende zorg als
omschreven op grond van het besluit.
Art. 2.
Als vormen van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ
worden aangewezen de vormen van zorg, bedoeld in de artikelen
4 tot en met 6, 8, 9,
eerste en tweede lid, 9a, 10,
13,
tweede lid, en 34 van het besluit, met
uitzondering van:
a. de zorg, bedoeld in
artikel
5 van het besluit,
voor zover het betreft advies, instructie en voorlichting door een aan
de instelling verbonden gespecialiseerde verpleegkundige ten behoeve van
een niet in de instelling verblijvende verzekerde;
b. de zorg, bedoeld in artikel
8 van het besluit:
1º. voor zover het betreft consultatie van
een aan de instelling verbonden verpleeghuisarts of arts voor
verstandelijk gehandicapten ten behoeve van een niet in de instelling
verblijvende verzekerde; of
2º. die in verband met een zintuiglijke
handicap wordt verleend;
c. de zorg, bedoeld in artikel
9 of 13, tweede lid, van het besluit,
voor zover het meer zorg betreft dan is begrepen in het voor de
zorgdrager geïndiceerde zwaartepakket.
d. forensische zorg als bedoeld in
artikel 2 van het Interimbesluit forensische zorg.
Art. 3. Het
indicatieorgaan wordt, voor zover het betreft opneming en verder verblijf in een
verpleeg- of zwakzinnigeninrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
h, van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, aangewezen als commissie als bedoeld in artikel 60, derde lid, van
die
wet.
§ 2. Samenstelling indicatieorgaan
Vervallen
Art. 4.
Vervallen.
§ 3. De aanvraag om een indicatiebesluit
Art. 5.
-1. Een indicatiebesluit kan
zowel schriftelijk als mondeling worden aangevraagd.
-2. Bij of onmiddellijk na
het indienen van de aanvraag gaat het indicatieorgaan na of de zorgvrager toestemming geeft tot het
zo nodig
raadplegen van behandelende beroepsbeoefenaren en het gebruik maken van bij hen aanwezige
medische gegevens, en het maakt hier schriftelijk melding van.
-3. Indien de aanvraag door
een vertegenwoordiger van de zorgvrager wordt gedaan, wordt nagegaan
wat de reden daarvan is en wordt die reden schriftelijk vermeld.
-4. Het indicatieorgaan
tekent onverwijld de datum van ontvangst van de aanvraag aan.
-5. Het indicatieorgaan zendt
de aanvrager een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
§ 4. Het onderzoek
Art. 6. Voor zover
dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is, wordt onderzoek
verricht naar:
a. de algemene gezondheidstoestand van de zorgvrager;
b. de beperkingen die de
zorgvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van een somatische,
psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke
handicap;
c. de woning en de woonomgeving van de zorgvrager;
d. het psychisch en sociaal functioneren van de zorgvrager;
e. de sociale omstandigheden van de zorgvrager;
f. de aard en de omvang van de aan de zorgvrager geboden professionele
en niet-professionele hulp en zorg en de mogelijkheden tot continuering en
uitbreiding daarvan;
g. welk cliëntprofiel het beste bij
de zorgvrager past.
Art. 7.
-1. Bij het onderzoek wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt
van gegevens die bij de aanvraag zijn gevoegd of tijdens het onderzoek ter
beschikking zijn gesteld.
-2. Indien daartoe aanleiding bestaat, worden de
behandelende beroepsbeoefenaren van de zorgvrager tijdens het onderzoek geraadpleegd.
-3. Het gebruik maken van gegevens als bedoeld in het
eerste lid en het raadplegen van behandelende beroepsbeoefenaren als bedoeld in het tweede
lid geschiedt slechts met toestemming van de zorgvrager.
Art. 8. Het
onderzoek wordt verricht door personen dan wel organisaties die over voldoende
deskundigheid beschikken om de aanvraag om een indicatiebesluit te kunnen
beoordelen.
Art. 9.
-1. Indien uit de aanvraag blijkt dat de
zorgvrager die jonger is dan 80 langdurig
verblijf of langdurige intensieve zorg
thuis wenst, dan wel na het indienen van de aanvraag blijkt dat redelijkerwijs
te verwachten is dat een indicatiebesluit zal worden genomen waaruit blijkt dat
een zorgvrager die jonger is dan 80 voor
zodanig verblijf of zodanige zorg in aanmerking komt, wordt de
aanvraag onderzocht door een team van deskundigen.
-2. In een team als bedoeld in het eerste lid is, voor
zover dat voor de beoordeling van de aanvraag van belang kan zijn, deskundigheid
aanwezig op de terreinen van de zorg, bedoeld in artikel 2, alsmede op de
terreinen van woningaanpassing en voorzieningen die op grond van de Wet
maatschappelijke ondersteuning verstrekt kunnen worden.
Art.
9a. Vervallen.
Art. 10.
Vervallen.
§ 5.
Protocollen
Art. 11.
Onze Minister kan
beleidsregels stellen over de wijze waarop het indicatieorgaan zijn activiteiten uitvoert.
§ 6. Het indicatiebesluit
Art. 12.
-1. Het indicatieorgaan stelt binnen zes weken nadat de
aanvraag is ingediend een indicatiebesluit vast.
-2. In afwijking van het eerste lid stelt het
indicatieorgaan in situaties waarin spoedige verlening van zorg redelijkerwijs
noodzakelijk is, binnen twee weken nadat de aanvraag is ingediend, een
indicatiebesluit vast.
Art. 13.
-1. Indien een zorgvrager is aangewezen op een vorm van zorg of
vormen van zorg als bedoeld in artikel 2, worden in
het indicatiebesluit aangegeven:
a. de vorm van zorg of vormen van zorg waarop de zorgvrager
is aangewezen;
b. de aandoening, beperking of
handicap als gevolg waarvan de zorgvrager op de vorm van zorg of vormen
van zorg is aangewezen; en
c. de hoeveelheid zorg in tijd per
zorgvorm.
-2. In afwijking van het eerste lid worden
indien een zorgvrager is aangewezen op verblijf als bedoeld in artikel
9, eerste lid, of voortgezet verblijf als bedoeld in artikel
13, tweede lid, van het besluit
in het indicatiebesluit aangegeven:
a. het verblijf of voortgezet
verblijf met de daarbij behorende samenhangende zorg waarop de
zorgvrager is aangewezen;
b. de aandoening, beperking of
handicap als gevolg waarvan de zorgvrager op het verblijf of voortgezet
verblijf met de daarbij behorende samenhangende zorg is aangewezen;
c. het bij de zorgvrager best
passende cliëntprofiel; en
d. het daarbij behorende
zorgzwaartepakket.
-3. In het indicatiebesluit
wordt aangegeven met ingang van welke datum de zorgvrager op de
geïndiceerde vorm van zorg of vormen van zorg is aangewezen.
-4. Indien een
indicatieorgaan van mening is dat andere professionele zorg dan de zorg,
bedoeld in
artikel 2, noodzakelijk dan wel mede noodzakelijk is, geeft het indicatieorgaan daarover zo mogelijk advies.
Art. 14.
Vervallen.
Art. 15.
-1. In het indicatiebesluit
wordt de geldigheidsduur ervan vermeld.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels over de geldigheidsduur van indicatiebesluiten worden
gesteld.
Art. 16. Een
zorgverzekeraar kan in situaties waarin onmiddellijke verlening van zorg als
bedoeld in artikel 2 redelijkerwijs noodzakelijk is, besluiten dat een
verzekerde zijn aanspraak op zorg gedurende ten hoogste twee weken tot gelding
kan brengen, zonder dat hij beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt
dat hij op zodanige zorg is aangewezen.
Art. 16a. Het
indicatieorgaan draagt er zorg voor dat gedurende de geldigheid van het
indicatiebesluit de gegevens die aan het indicatiebesluit ten grondslag hebben
gelegen, worden bewaard en houdt de gegevens die voor een mogelijk nieuw
indicatiebesluit van belang zijn, zoals naam, adres, woonplaats of
verblijfplaats, burgerlijke staat en wettelijke vertegenwoordiging, zoveel
mogelijk actueel.
§ 7. Bijzondere bepalingen in verband met de
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische
ziekenhuizen
Art. 17.
-1. Voordat het indicatieorgaan een indicatiebesluit
neemt
waaruit blijkt dat opneming en verder verblijf in een instelling als bedoeld in
artikel 3 noodzakelijk wordt geoordeeld, wordt de zorgvrager, tenzij gebleken is
dat hij de nodige bereidheid bezit tot zodanige opneming en verder verblijf,
schriftelijk en mondeling medegedeeld dat hij bedenkingen kan inbrengen tegen
zodanige opneming en verder verblijf.
-2. Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt
genomen, wordt, tenzij gebleken is dat de zorgvrager de nodige bereidheid bezit
tot zodanige opneming en verder verblijf, in dat besluit melding gemaakt van:
a. de aard van de stoornis van de geestvermogens;
b. de omstandigheden die meebrengen dat hij zich tengevolge van die
stoornis niet buiten een inrichting als bedoeld in artikel 3 kan
handhaven;
c. de wijze waarop aan hem is meegedeeld dat hij bedenkingen kan
inbrengen tegen zodanige opneming en verder verblijf en diens reactie
daarop.
§ 8.
Registratie
Art. 18.
-1. Het indicatieorgaan
registreert de resultaten van zijn onderzoeken en de inhoud van de door hem
gegeven indicatiebesluiten volgens bij ministeriële regeling te
bepalen regels.
-2. De ministeriële regeling
bevat ten minste een beschrijving van:
a. de technische standaarden
voor de wijze waarop gegevens worden vastgelegd;
b. de afzonderlijke
gegevenselementen die vastgelegd worden en de ordening van deze elementen;
c. de functionele
beveiligingseisen voor het bewerken en vastleggen van gegevens.
§ 9.
Overgangs- en slotbepalingen
Art. 19.
Vervallen.
Art. 20.
-1. Dit besluit is niet van toepassing ten aanzien van
diegenen die:
a. onmiddellijk vóór 1 januari 1997 zorg als bedoeld in de artikelen 10 en
14 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering, zoals dat besluit tot dat tijdstip luidde, verleend werd en aan wie die
zorg onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit nog
steeds verleend werd;
b. in het bezit zijn van een advies op grond van het Besluit
indicatieadvisering bejaardenoorden en verpleeginrichtingen, zoals dat
besluit luidde tot de intrekking van de Wet op de bejaardenoorden, waaruit blijkt dat zij voor zorg
als bedoeld in de artikelen 10 en 14 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering zoals dat besluit tot dat tijdstip luidde in aanmerking komen, en mits
aan hen binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit die zorg ook
verleend wordt;
c. onmiddellijk vóór 1 januari 1997 zorg als bedoeld in artikel
15, eerste lid, onderdeel
a en b, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering, zoals dat
besluit luidde tot dat tijdstip, verleend werd, bestaande uit verpleging of
verzorging door of vanwege een kruisorganisatie en mits aan hen die zorg op
het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit nog verleend wordt.
-2. Onze Minister
kan bij ministeriële regeling een
tijdstip bepalen met ingang waarvan dit besluit van toepassing is op personen
dan wel categorieën van personen, bedoeld in het eerste lid.
Art. 21. Een
indicatiebeoordeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit
indicatiebeoordeling verpleging en verzorging, zoals dat besluit luidde tot
de intrekking daarvan, wordt gelijkgesteld met een indicatiebesluit als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, met dien verstande dat, indien de
geldigheidsduur van de indicatiebeoordeling door het indicatieorgaan op
onbepaald gesteld is, Onze Minister voor categorieën van indicatiebeoordelingen
bij ministeriële regeling alsnog kan bepalen dat die indicatiebeoordelingen een
bij die regeling te bepalen geldigheidsduur hebben.
Art. 22. Vervallen.
Art.
23. Vervallen.
Art.
24. Vervallen.
Art. 25.
-1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
-2. Artikel 9, derde lid, en
artikel 9a vervallen drie jaar
nadat zij in werking zijn getreden.
Art. 26. Dit
besluit wordt aangehaald als: Zorgindicatiebesluit.
Lasten en bevelen dat
dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 2 oktober 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
Uitgegeven de veertiende oktober 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[2 oktober 1997]
Algemeen
1. Inleiding
In het onderhavige
besluit is het, na de totstandkoming van het Besluit indicatiebeoordeling
verpleging en verzorging, bijgestelde beleid ten aanzien van de indicatiestelling vastgelegd. Als gevolg daarvan wordt het
laatste besluit in dit
besluit ingetrokken.
In de beleidsbrief
Indicatiestelling in de care-sectoren van 12 februari 1996 (Kamerstukken II
1995-1996, 24 608, nr. 1) heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS) destijds het door haar beoogde beleid inzake de
indicatiestelling uiteengezet. De inhoud van die brief is in de Tweede Kamer in een
aantal overleggen met de Vaste Commissie voor VWS aan de orde geweest.
Die overleggen en overleg met de bij de indicatiestelling
betrokken partijen in de zomer van 1996 hebben uiteindelijk geresulteerd
in een traject waarbij fasegewijs zou worden gekomen tot de nieuwe
gewenste situatie met betrekking tot de indicatiestelling. Als gevolg daarvan werd
aanvankelijk in het op 1 januari 1997 in werking getreden Besluit
indicatiebeoordeling verpleging en verzorging op soortgelijke wijze als
dat in de vóór 1 januari 1997 op grond van de Wet op de bejaardenoorden
(Wbo) en artikel 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
(AWBZ) geldende regelgeving het geval was, de indicatiestelling
geregeld. Door in het Besluit indicatiebeoordeling verpleging en verzorging
zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vóór 1 januari 1997 geldende regelgeving inzake de indicatiestelling werd een
naadloze overgang
bewerkstelligd van de Wbo, die per 1 januari 1997 ingetrokken werd, naar de
artikelen 9a en 9b van AWBZ. In een later stadium is onder de
reikwijdte van het Besluit indicatiebeoordeling verpleging en verzorging
ook een belangrijk deel van de thuiszorg (artikel
15, eerste lid, onderdeel
a
en b, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering)
gebracht.
In de brief van 12 juli
1996 aan de Vaste Commissie voor VWS (kenmerk DOB-U-965507) is de
Tweede Kamer door de Staatssecretaris van VWS geïnformeerd over de
fasegewijze invoering van het nieuwe beleid inzake indicatiestelling. Tevens
werd in die brief het voornemen aangekondigd - na overleg met de bij de
indicatiestelling betrokken partijen - op 1 januari 1998 een nieuwe dan wel
gewijzigde algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 9a
en 9b van de AWBZ
in werking te laten treden waarin gerichter
uitvoering werd gegeven aan de beoogde opzet van de indicatiestelling.
Na de totstandkoming van
deze algemene maatregelen van bestuur heeft veelvuldig overleg
plaatsgevonden met de bij de indicatiestelling betrokken partijen. Dit
heeft geresulteerd in een bijstelling van het in de eerdergenoemde beleidsbrief opgenomen indicatiebeleid. Bij brief van
12 mei 1997 (Kamerstukken
II 1996-1997, 24 608, nr. 3), verder te noemen: de voortgangsnotitie
indicatiestelling, is de Tweede Kamer ter zake geïnformeerd. De uitgangspunten van het
indicatiebeleid zijn daarbij onverlet gelaten. Uitgangspunten
van het indicatiebeleid blijven: de indicatiestelling moet objectief,
onafhankelijk en integraal plaats vinden, de gemeenten moeten voorzien
in (inter)gemeentelijke indicatieorganen, het indicatieorgaan moet
beoordelen of iemand voor zorg in aanmerking komt, de verzekeraars
zijn er verantwoordelijk voor dat de verzekerde zijn wettelijke aanspraken op
zorg tot gelding kan brengen (zorgtoewijzing) en zorgverleners zijn
verantwoordelijk voor de zorgverlening. Op een aantal andere punten, zoals
protocollering en de mogelijkheden van mandaat, is het aanvankelijk beoogde
indicatiebeleid evenwel bijgesteld.
Voorts is aangegeven dat,
gegeven de inhoud en complexiteit van de indicatiestelling, in de
komende periode een evaluatieopzet zal worden opgesteld om inzicht te
krijgen in de vertaling van de beoogde integraliteit in de te leveren zorg,
i.c. de gewenste extramuralisering, de protocolontwikkeling, de bestuurlijke en
organisatorische vormgeving en de te verwachten opschaling in
regionaal verband. Deze evaluatie moet na twee jaar inzicht bieden in
het functioneren van de indicatieorganen. Daarnaast wordt begin 1999 het
aantal indicaties over 1998 geëvalueerd in relatie tot het op jaarbasis aan het
gemeentefonds toegevoegde bedrag voor het primaire proces van de
indicatiestelling. Ook wordt beoogd per 1 januari 1999 de indicatieorganen
indicatiebesluiten te laten nemen inzake de gehandicaptenzorg en mogelijk ook in de sfeer van de geestelijke
gezondheidszorg. Dit
laatste wordt evenwel nog niet in dit besluit vastgelegd. Met
betrekking tot de gehandicaptenzorg zal na overleg met de Tweede Kamer en de
betrokken partijen vóór 1 januari 1998 een invoeringsstrategie
gepresenteerd worden inzake de aanpak van een aantal knelpunten in 1998. Met betrekking tot de geestelijke gezondheidszorg
geldt dat begin 1998 dat
voornemen zal worden bezien in het licht van de
ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg (zorgvernieuwing) en de
beleidsvisie geestelijke gezondheidszorg, die de Minister van VWS op 24
juni van dit jaar aan de Tweede Kamer heeft toegezonden (kenmerk GVM/GGZ/973100).
In het algemeen overleg
met de Vaste Commissie van VWS op 18 juni 1997 is gebleken dat
vanuit de Tweede Kamer ingestemd werd met de brief van 12 mei 1997.
2. Protocollering
In onderhavig besluit (artikel
11) wordt indicatieorganen opgedragen protocollen op te
stellen.
Oogmerk van het opstellen
van protocollen is in de eerste plaats om inzichtelijk te maken hoe
het indicatieorgaan tot zijn indicatiebesluiten komt. In dat kader is van
belang dat het indicatieorgaan gestandaardiseerde aanvraagformulieren
opstelt, welke bevorderen dat in vergelijkbare situaties eenzelfde
zorgbehoefte wordt vastgesteld en tot gelijkluidende
indicatiebesluiten gekomen wordt. Daarnaast is van belang welke zorginhoudelijke
dan wel andere criteria het indicatieorgaan hanteert om iemands
zorgbehoefte vast te stellen en vervolgens de zorg waarvoor hij in
aanmerking komt. Voorts is de deskundigheid die bij de beoordeling van een
aanvraag betrokken wordt van belang. Door het opschrijven van deze
zaken wordt bereikt dat - niet in de laatste plaats ten behoeve van de zorgvrager
- inzichtelijk wordt hoe tot een besluit wordt gekomen. Zeker zo
belangrijk is echter dat aan het opschrijven van dergelijke zaken een
proces voorafgaat waarbij de tot dan toe door verschillende indicateurs
gestelde vragen, gehanteerde criteria en de bij verschillende soorten
aanvragen betrokken deskundigheden met elkaar vergeleken worden. Alsdan
zal blijken dat - hetgeen vrijwel onvermijdbaar is - ook min of meer
subjectieve overwegingen en opvattingen een rol spelen bij de indicatie.
Voordat in een protocol de bij de indicatiestelling benodigde deskundigheid
en de criteria die daarbij gehanteerd dienen te worden, worden
opgeschreven, zullen ook die overwegingen en opvattingen met elkaar vergeleken
worden en zal daarbinnen een keuze worden gemaakt. Protocollering
zal derhalve leiden tot meer eenduidigheid in de wijze waarop besluiten
worden genomen en daardoor tot meer objectiviteit in de besluitvorming.
Niet alleen de
zorginhoudelijke criteria die het indicatieorgaan hanteert en de voor de beoordeling
van een aanvraag benodigde deskundigheid zullen in het protocol
omschreven moeten worden. Ook zal in protocollen een onderscheid moeten
worden gemaakt tussen de te volgen procedures bij verschillende soorten
aanvragen, dusdanig dat - passend bij de aard van de aanvraag - zowel
een zorgvuldige en integrale indicatiestelling is gegarandeerd als wordt
voorkomen dat de behandeling van eenvoudige aanvragen op dezelfde
wijze plaatsvindt als de behandeling van meer complexe aanvragen, zodat
een te omslachtige en daarmee een voor de zorgvrager
klantonvriendelijke en inefficiënte procedure wordt voorkomen. In de
protocollen zullen tevens gedifferentieerde termijnen moeten worden aangegeven
voor de onderscheiden soorten aanvragen.
In het onderhavige
besluit wordt uitgegaan van door het indicatieorgaan vastgestelde protocollen.
In het Besluit indicatiebeoordeling verpleging en verzorging
was sprake van protocollen die door de Minister van VWS moesten worden
goedgekeurd of werden vastgesteld. Daarbij was het de bedoeling dat
de vastgestelde protocollen binnen een daarvoor te hanteren
landelijk protocol pasten, dan wel dat een landelijk protocol werd vastgesteld
met daarnaast op een aantal punten de mogelijkheid van
regionale invulling. Om meerdere redenen is thans niet gekozen voor deze
constructie.
In overleg met de bij de
indicatiestelling betrokken partijen wordt al enige jaren gewerkt aan
het ontwikkelen van een landelijk kader. Het Breed Indicatie Overleg (BIO), samengesteld uit de verschillende partijen in de sector verpleging
en verzorging, patiënten/consumentenorganisaties, de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars
Nederland, heeft onlangs nog met het modelprotocol voor de sector verpleging
en verzorging die ontwikkeling een flinke stap vooruit geholpen. Er zijn
echter nog een aantal belemmeringen die op dit moment het hanteren door
de Minister van VWS van een landelijk modelprotocol in de weg
staan.
Op grond van de AWBZ en
dit besluit vastgestelde regels met betrekking tot
protocollen kunnen alleen betrekking hebben op bepaalde vormen van zorg die ten
laste van de AWBZ en de Overgangswet
verzorgingshuizen verleend worden. Niet zelden komt het echter voor dat iemand die aangewezen is
op de zorg die op grond van de AWBZ of de Overgangswet
verzorgingshuizen verleend wordt, eveneens aangewezen is op zorg en hulp die
op grond van andere wet- en regelgeving verstrekt wordt en waarvoor
gemeenten primair verantwoordelijk zijn. Te denken valt aan voorzieningen op
de terreinen van de Wet voorzieningen gehandicapten
(Wvg),
wonen en de Welzijnswet 1994. Om die reden werd en wordt het wenselijk
geacht dat indicatieorganen niet alleen indicatiebesluiten nemen met betrekking
tot
bepaalde vormen van zorg, verleend op grond van de AWBZ of
de Overgangswet verzorgingshuizen, maar ook met betrekking tot zorg
en voorzieningen waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn. Op
grond van de AWBZ voorschrijven dat gemeenten dit ook
daadwerkelijk doen, kan uiteraard niet. Mochten gemeenten evenwel de indicatiestelling voor voorzieningen op de
terreinen van de Wvg,
wonen en de Welzijnswet 1994 opgedragen hebben aan indicatieorganen, dan
beogen zij waarschijnlijk dat de door het indicatieorgaan
opgestelde protocollen ook betrekking hebben op die terreinen. Een dergelijke
gang van zaken wordt - vanuit de gedachte dat de problematiek waarmee
iemand bij het indicatieorgaan aanklopt, integraal onderzocht moet
worden en niet vanuit een bepaald deelterrein - dan ook ten volle
ondersteund.
Op dit moment kan nog
niet worden overzien in hoeverre het door het BIO opgestelde
modelprotocol intervenieert met protocollering die gemeenten voorstaan op de
terreinen waarvoor zij primair verantwoordelijk zijn. Te allen tijde moet
evenwel voorkomen worden dat een landelijk te hanteren
protocol voor de zorg niet in overeenstemming is met de gewenste
protocollering in het kader van de Wvg, de Welzijnswet 1994, etc. en daarmee een
integrale benadering van de problematiek van de zorgvrager in de weg
zou staan.
Daarnaast is de
ontwikkeling van landelijke modelprotocollen nog in een beginstadium. De
zorginhoudelijke criteria zullen nog verder moeten worden ontwikkeld om
landelijk toegepast te kunnen worden. In de praktijk is er daarnaast behoefte aan een gestandaardiseerde vraagstelling.
Kortom: de ontwikkeling
van een landelijk protocol is nog niet zover dat deze in de
praktijk ook landelijk uniform toegepast kan worden. Daarom wordt thans
volstaan met het in artikel 11 opnemen van een aantal normen waaraan de
door indicatieorganen vast te stellen protocollen moeten voldoen. Daarnaast
heeft de Minister van VWS nog de mogelijkheid om bij
ministeriële regeling nadere regels te stellen inzake de protocollering.
Overigens, indien sprake
is van een landelijk modelprotocol dat gehanteerd moet worden,
zal er ruimte moeten blijven voor regionale invulling op maat. In de
komende periode zal de in het kader van het BIO in gang gezette
ontwikkeling verder worden gestimuleerd en zal deze ontwikkeling moeten
resulteren in een landelijk protocol waaraan indicatieorganen zullen
moeten voldoen bij het opstellen van hun protocollen. Dit laatste
zal te zijner tijd mogelijk aanpassing van onderhavig besluit vergen.
Protocollen worden
ingevolge artikel 11 vastgesteld door indicatieorganen. In de voortgangsnotitie
indicatiestelling is opgemerkt dat voor een succesvolle
indicatiestelling het zeer gewenst is dat ter zake van de indicatiestelling
afstemming plaatsvindt met andere betrokken partijen. Die andere partijen zijn:
de zorgverzekeraars (verantwoordelijk voor de zorgtoewijzing),
zorgverleners, patiënten/consumentenorganisaties en gemeenten. Met betrekking
tot de protocollering is betrokkenheid van die andere partijen - ook
afgezien van de betrokkenheid van deze partijen in het indicatieorgaan -
aangewezen. Om die reden is in artikel 11, eerste lid, vastgelegd dat het
indicatieorgaan zijn protocollen eerst vaststelt na overleg met die partijen.
Die betrokkenheid is alleen al noodzakelijk om reden van duidelijkheid
inzake het in protocollen te hanteren begrippenkader. Het zal niet zo mogen
zijn dat - zonder dat dat zorgverleners en zorgverzekeraars
duidelijk kan zijn - in de protocollen van indicatieorganen begrippen worden
gehanteerd die voor zorgverleners of zorgverzekeraars een
andere inhoud hebben. Alsdan zal, hetgeen uiteraard onwenselijk is,
er na een indicatiebesluit onduidelijkheid over de te verlenen zorg kunnen
ontstaan.
Om vanuit het Ministerie
van VWS de ontwikkelingen met betrekking tot de protocollering
nauwlettend te kunnen volgen, ontvangt - ingevolge artikel
18, tweede lid
- de Minister van VWS de door indicatieorganen vastgestelde protocollen.
Naar aanleiding van de ontvangen protocollen zal het ministerie van
VWS ook volgen of de indicatiestelling voldoende objectief en integraal
is.
3. Mandatering aan
zorgverleners
In het algemeen overleg
van 20 maart 1996 met de Vaste Commissie van VWS inzake de
beleidsbrief Indicatiestelling in de care-sectoren werden vanuit de Tweede Kamer
bezwaren geuit met betrekking tot de mogelijkheid dat het indicatieorgaan het nemen van indicatiebesluiten zou
mandateren aan
zorgverlenende instellingen. Naar de mening van de betrokken kamerleden zou
een dergelijk mandaat een onafhankelijke, objectieve en integrale
indicatiestelling in gevaar brengen. Aanvankelijk deelde de
Staatssecretaris van VWS de bezwaren van die kamerleden. Hoewel dat niet
expliciet
in de tekst van het Besluit indicatiebeoordeling verpleging en verzorging
was verwoord, werd, gelet op de beoogde onafhankelijkheid en
objectiviteit van de indicatiestelling, het mandateren van de indicatiestelling
aan zorgverleners in zijn algemeenheid niet mogelijk geacht. Om
praktische redenen werd slechts voor het jaar 1997 met betrekking tot de
thuiszorg een - expliciet in de tekst van het besluit tot uitdrukking gebrachte
- uitzondering gemaakt (artikel XIII van het Besluit van 15 november
1996 tot wijziging van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering, het Bijdragebesluit
zorg, het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering, het Vergoedingenbesluit particulier verzekerden
en enige andere besluiten in verband met regeling van de aanspraak
op thuiszorg (Stb. 1996, 595)).
De Staatssecretaris van
VWS heeft in de voortgangsnotitie indicatiestelling van 12 mei 1997 doen
blijken dat zij over de mogelijkheden van mandaatverlening aan
zorginstellingen haar standpunt heeft genuanceerd. Hetzelfde geldt blijkens
het algemeen overleg in de Tweede Kamer van 18 juni 1997 voor de Vaste Commissie van VWS. Op zichzelf behoeft mandatering van
indicatiebesluiten aan zorginstellingen niet een onafhankelijke en
objectieve indicatiestelling in de weg te staan. Met name in geval van
zorgverlening thuis is er sprake van een groot aantal zogenaamde eenvoudige
aanvragen. Hoewel er niet snel sprake zal zijn van identieke situaties,
zal het bij dergelijke eenvoudige aanvragen mogelijk moeten zijn aan
de hand van een door het indicatieorgaan vastgesteld
gestandaardiseerd aanvraagformulier het bestaan van een soortgelijke zorgbehoefte
in vergelijkbare situaties vast te stellen en daarmee tot een
gelijkluidend indicatiebesluit te komen. Daarnaast zou het indicatieorgaan door
een toetsing achteraf - bijvoorbeeld steekproefsgewijs - de "vinger aan de
pols kunnen houden". Ook overigens zullen de door indicatieorganen op
te stellen protocollen bijdragen aan een objectievere en daardoor
onafhankelijker indicatiestelling. Bij een dergelijke werkwijze
lijkt dan ook geen bezwaar te bestaan tegen het mandateren van
indicatiebesluiten op eenvoudige aanvragen aan instellingen die de
desbetreffende zorg verlenen.
Niet in alle gevallen
wordt mandaatverlening aan zorgverleners overigens aangewezen
geacht. In artikel 14 is vastgelegd dat het nemen van indicatiebesluiten
waaruit blijkt dat sprake is van langdurige opname gedurende de dag en de
nacht of langdurige intensieve zorg thuis, niet gemandateerd mag worden
aan instellingen die zodanige zorg leveren. Het gaat hierbij om
zogenaamde complexe zorgaanvragen waarbij een onderzoek door een
multidisciplinair team van deskundigen is voorgeschreven (artikel
9). De voor de
beoordeling van de aanvraag noodzakelijke deskundigheid zal zich
alsdan niet binnen één instelling bevinden. Het verlenen van mandaat
tot het nemen van een besluit op een dergelijke aanvraag aan één enkele
instelling wordt dan ook niet gewenst geacht.
In dit besluit is slechts
met betrekking tot indicatiebesluiten waaruit blijkt dat de zorgvrager
in aanmerking komt voor langdurige opname gedurende de dag en de
nacht of langdurige intensieve zorg thuis, bepaald dat het verlenen van mandaat aan instellingen die zodanige zorg leveren
niet is toegestaan. Dat
alleen met betrekking tot dergelijke indicatiebesluiten is bepaald dat
mandatering niet is toegestaan, wil overigens niet zeggen dat elk ander
besluit zich zonder meer voor mandatering zou lenen. Er zullen meer
complexe zorgvragen zijn waarvan ook in de protocollen is bepaald
dat het onderzoek, voorafgaand aan een indicatiebesluit, moet plaatsvinden door
een team van deskundigen. Voorstelbaar is dat ook de
indicatiebesluiten die voortvloeien uit de hierop betrekking hebbende aanvragen niet
gemandateerd worden aan instellingen die zorg verlenen.
Organisatorisch kan het
indicatieorgaan op verschillende wijzen aan teams van deskundigen vorm
geven. Een in de voortgangsnotitie indicatiestelling
genoemde mogelijkheid is de constructie van aan het indicatieorgaan
gekoppelde kamers, bestaande uit deskundigen. In een dergelijke
kamerconstructie is het overigens mogelijk, zowel als individuele
deskundige, voor wat
betreft de eenvoudige hulpvraag, als in teamverband, wat betreft
de complexe hulpvraag, het indicatiewerk uit te voeren. De kamerstructuur
biedt potentieel ook de mogelijkheid om, met het oog op de voorgestane
verbreding van de indicatiestelling met de sectoren
gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg, de sectorspecifieke praktijk in de
verschillende sectoren bij de inrichting te betrekken. Voorgeschreven
wordt een dergelijke constructie in dit besluit overigens niet.
Met name met betrekking
tot eenvoudige zorgvragen waarbij de zorgvragers gewend zijn
zich rechtstreeks te wenden tot de instellingen die dergelijke zorg
leveren, kan het verlenen van mandaat aan zorginstellingen zelfs
wenselijk zijn. Immers, de zorgvrager behoeft zich alsdan alleen maar tot de
instelling te wenden. In die zin kan het verlenen van mandaat aan
instellingen die zorg verlenen tijdbesparing voor de zorgvrager opleveren en
bevorderen dat een snellere en effectievere behandeling van de
aanvraag plaatsvindt.
Bij mandatering blijft
het indicatieorgaan overigens volledig verantwoordelijk voor de
indicatiestelling. Het indicatieorgaan stelt protocollen vast op basis waarvan de
gemandateerde instelling indiceert en bepaalt ook anderszins de
condities verbonden aan mandatering. Houdt de gemandateerde instelling
zich niet aan de bij mandaatverlening verbonden condities, dan
zal het indicatieorgaan maatregelen moeten nemen. Eventueel kan zo’n maatregel zijn dat het mandaat beëindigd
wordt.
Overigens kan het
indicatieorgaan ook gebruik maken van de bestaande infrastructuur in de
zorgsector door allerlei feitelijke werkzaamheden, bijvoorbeeld het
onderzoek naar de zorgbehoefte, uit te besteden aan derden, waaronder zorginstellingen. Van mandaatverlening is dan
overigens geen sprake.
Immers, de indicatiebesluiten worden dan niet door die derden genomen.
4. Verantwoordelijkheid
van gemeenten om te voorzien in indicatieorganen
In artikel 9a, eerste
lid, van de AWBZ wordt de gemeenten opgedragen te voorzien in
indicatieorganen. In dat verband zijn zij onder meer bevoegd aan
indicatieorganen voorschriften op te leggen ter zake van hun werkwijze, personele en
financiële organisatie en zullen zij indicatieorganen zodanig van personele en
financiële middelen moeten voorzien dat die organen de hen
opgelegde taken ook naar behoren kunnen uitvoeren. Op dit laatste
zullen zij ook toezicht moeten houden. Op zijn beurt zal de Minister van
VWS gemeenten erop aanspreken indien eventueel zou blijken dat indicatieorganen hun taken niet adequaat
uitvoeren. Uiteraard
zullen de voorschriften van gemeenten niet in strijd met de AWBZ, in het
bijzonder dit besluit, en andere regelgeving mogen zijn. Zo zullen gemeenten
indicatieorganen niet een verplichting tot mandatering op mogen
leggen of mandaatverlening in zijn algemeenheid mogen verbieden. Indien zou blijken dat
één of meerdere gemandateerden
hun taken niet naar
behoren uitvoeren en het indicatieorgaan ter zake geen maatregelen
neemt, is overigens wel denkbaar dat gemeenten vanuit hun
toezichthoudende rol de mandaatverlening aan de betrokken organisaties
of personen verbiedt.
5. Financiering
De gemeente draagt zorg
voor een adequate financiering van het indicatieorgaan. In de
voortgangsnotitie indicatiestelling van 12 mei 1997 is aangegeven dat er in
april 1997 afspraken met de VNG zijn gemaakt over aan het gemeentefonds toe te voegen structurele middelen voor de
kosten van het primaire
proces van indicatiestelling (ƒ50 mln op jaarbasis) en voor de
inrichting en instandhouding van de indicatieorganen (ƒ10 mln op jaarbasis).
De aan het gemeentefonds toe te voegen middelen ten behoeve van
het primaire proces van indicatiestelling zijn daarna als gevolg van het
vervallen van de zogenaamde knip in de thuiszorg per 1 januari
1998 gewijzigd van ƒ50 mln in ƒ62,5 mln. Op basis van die "knip" wordt
tot 1 januari 1998 de kortdurende ziekenhuisgerelateerde thuiszorg niet ten laste
van de AWBZ gebracht. In het voorjaar van 1999 vindt
een evaluatie plaats op basis van de aantallen indicaties, die kan
leiden tot een bijstelling van het aan het gemeentefonds op jaarbasis toe te
voegen bedrag, ingaande het jaar 2000. Voor de opstart- en frictiekosten
wordt in de jaren 1997-1999 ƒ6,5, respectievelijk ƒ5 mln toegevoegd
aan de uitkering uit het gemeentefonds.
Artikelsgewijs
Artikel 1
In het eerste lid zijn
een aantal begripsomschrijvingen opgenomen. In het eerste lid, onderdeel
d,
is het indicatiebesluit gedefinieerd als het besluit van een indicatieorgaan
waarbij beoordeeld wordt of en in welke omvang een zorgvrager in
aanmerking komt voor één of meer vormen van zorg als bedoeld in artikel
2.
Bewust is gekozen voor de
formulering "één of meer". Het gaat niet aan dat het indicatieorgaan
slechts beziet of één vorm van zorg in iemands zorgbehoefte kan
voorzien. Zonder nu een uitputtende opsomming te geven, zijn er meerdere
situaties denkbaar waarbij meerdere vormen van zorg in aanmerking komen.
Zo kan het voorkomen dat in iemands zorgbehoefte kan worden
voorzien door zowel opname in een instelling als zorg thuis. Denkbaar
is ook dat opname voor een aantal uren per dag in een instelling én een
aantal uren per dag zorg thuis aangewezen is. Een derde mogelijkheid is dat
in eerste instantie - al dan niet als zogenaamde "overbruggingszorg"
- opname geboden is, maar dat na verloop van tijd zorg thuis geboden kan
worden.
De vormen van zorg die in
artikel 2 aangeduid zijn, zijn in het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering, respectievelijk de Overgangswet
verzorgingshuizen steeds in hun volle omvang omschreven. Zo is in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Overgangswet
verzorgingshuizen zorg
omschreven die bestaat uit duurzaam of kortdurend verblijf en
verzorging gedurende de dag of nacht. In de specifiek aan het indicatieorgaan voorgelegde situatie zal het moeten
bepalen welke van de
onderdelen van die zorg in aanmerking komen. Zo zal het bijvoorbeeld
moeten bepalen of duurzaam dan wel kortdurend verblijf en verzorging,
verblijf en verzorging gedurende de dag en de nacht, verblijf gedurende
de dag, dan wel verblijf en verzorging gedurende de nacht in
aanmerking komt en, indien verblijf en verzorging gedurende de dag of de
nacht in aanmerking komt, hoeveel uren en, voor zover in de specifieke
situatie van belang, welke uren op die dag dan wel nacht. Verder zal het in
een specifieke situatie moeten bepalen hoelang men voor dergelijke zorg
in aanmerking komt. Is dit een week, twee maanden of in principe
voor onbepaalde tijd? Kortom: in de specifiek aan het indicatieorgaan
voorgelegde situatie zal de omvang waarin en de duur waarvoor een persoon in
aanmerking komt voor één of meerdere vormen van zorg, door het
indicatieorgaan aangegeven moeten worden.
Hoewel in artikel 9a,
eerste en tweede lid, van de AWBZ
de term "advies" gehanteerd
wordt, is in dit besluit desalniettemin gekozen voor het begrip "indicatiebesluit". Immers, uit
artikel
9a, eerste lid, van de AWBZ
blijkt dat
een
verzekerde slechts zorg ten laste van de AWBZ
kan ontvangen indien uit een
beoordeling van het indicatieorgaan blijkt dat hij op die zorg is
aangewezen. Blijkt uit die beoordeling niet dat hij op bepaalde zorg is
aangewezen, dan zal hij die zorg derhalve niet ten laste van de AWBZ kunnen
ontvangen. Door dit rechtsgevolg wordt thans de term besluit beter op
zijn plaats geacht dan de term advies.
In artikel 1, eerste lid,
onderdeel d, van de AWBZ
wordt het begrip instellingen gedefinieerd als zijnde
instellingen toegelaten overeenkomstig artikel 8 van de
AWBZ.
Verzorgingshuizen en daarmee in de Overgangswet verzorgingshuizen gelijkgestelde instellingen zijn geen
toegelaten instellingen
als bedoeld in artikel 8 van de AWBZ. Voor de toepassing van dit
besluit worden zij ingevolge het tweede lid van dit artikel evenwel als
instellingen aangemerkt.
Artikel 2
In artikel
9a, eerste
lid, van de AWBZ is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de
vormen van zorg worden aangewezen waarvoor het
indicatieorgaan indiceert. In dit artikel zijn die vormen van zorg opgenomen.
Inmiddels is voorgenomen
met ingang van 1 januari 1998 de aanspraken op intensieve
thuiszorg te wijzigen en met ingang van die datum de intensieve
thuiszorg weer te regelen op de wijze zoals dat vóór 1 januari 1997 het geval
was. Dit brengt met zich dat het Besluit
zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering
gewijzigd zal moeten zijn per 1 januari 1998. Deze wijziging van het Besluit
zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering zal ook consequenties hebben voor
het in dit besluit geregelde werkterrein van indicatieorganen.
Indicatieorganen zullen alsdan niet meer op grond van het Zorgindicatiebesluit
beoordelen of iemand in aanmerking komt voor eerdergenoemde intensieve
thuiszorg.
Artikel 3
Artikel 60, derde lid,
van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz)
bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur niet aan een
zwakzinnigeninrichting of verpleeginrichting gebonden commissies worden ingesteld of aangewezen die met
betrekking tot een
aanvraag voor opneming en verblijf in een zwakzinnigeninrichting of
verpleeginrichting oordelen over de noodzaak van opneming in zodanige
inrichting. Voor zover het betreft opneming en verder verblijf in een
psychogeriatrische verpleeginrichting, wordt ingevolge artikel 3 het
indicatieorgaan aangewezen als commissie als bedoeld in artikel 60,
derde lid, van de Bopz. Behalve of personen aangewezen zijn op vormen
van zorg als bedoeld in artikel 2, oordeelt het indicatieorgaan derhalve
ook over de noodzaak tot opneming en verblijf in een psychogeriatrische
verpleeginrichting.
Artikel 4
In dit artikel is de
samenstelling van het indicatieorgaan geregeld. Onder de
patiënten/consumentenorganisaties worden ook de ouderenbonden gerekend, alsmede andere
organisaties, zoals gehandicaptenorganisaties, die de belangen
vertegenwoordigen van bepaalde groepen van personen die in
belangrijke mate gebruik maken van zorg als bedoeld in artikel
2.
Het initiatief tot het
uitnodigen van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde organisaties ligt in
eerste instantie bij de gemeenten die in het indicatieorgaan voorzien. Mogelijkerwijs
hebben die gemeenten, nadat ze in het indicatieorgaan hebben
voorzien, het initiatief tot het betrekken van deze organisaties in het
indicatieorgaan aan het indicatieorgaan opgedragen.
De tekst van het Besluit
indicatiebeoordeling verpleging en verzorging stond er op zichzelf niet
aan in de weg dat (vertegenwoordigers van) instellingen deel
uitmaakten van het indicatieorgaan. Aangezien, zoals hierboven uiteengezet,
het mandateren van de indicatiestelling aan zorginstellingen strijdig
met dat besluit werd geacht, bestond soms de indruk dat het opnemen
van een persoon die verbonden was aan een zorginstelling de
gewenste onafhankelijkheid van het indicatieorgaan in gevaar zou brengen.
Inmiddels wordt het mandateren van indicatiebesluiten aan instellingen die zorg
verlenen in principe mogelijk geacht. Daarnaast is in
meergenoemde voortgangsnotitie benadrukt dat de indicatiestelling door de
indicatieorganen en de zorgtoewijzing door de verzekeraars
noodzakelijke stappen zijn op weg naar de zorgverlening. Afstemming tussen deze
drie fasen en de partijen die voor de uitvoering van de verschillende
fasen verantwoordelijk zijn, is daarom van het begin af aan van belang.
Vanwege die noodzakelijke afstemming wordt het zelfs gewenst geacht dat
behalve verzekeraars ook zorginstellingen in het indicatieorgaan
vertegenwoordigd zijn. Vandaar dat in het besluit bepaald is dat ook instellingen
die zorg verlenen als bedoeld in artikel 2, een persoon kunnen aanwijzen
die als lid aan het indicatieorgaan deelneemt.
Vanwege de betrokkenheid
van huisartsen bij velerlei zorgverlening (de zogenaamde
poortwachtersfunctie van de huisarts) wordt het wenselijk geacht dat - naast
instellingen die zorg verlenen als bedoeld in artikel 2 - huisartsenorganisaties
afzonderlijk een persoon aanwijzen als lid van het indicatieorgaan.
In het algemene deel van
deze nota van toelichting is - vanuit de gedachte dat de
problematiek waarmee iemand aanklopt bij het indicatieorgaan, integraal onderzocht moet
worden en niet alleen vanuit een bepaald deelterrein - ingegaan op de wenselijkheid dat indicatieorganen
niet alleen
indicatiebesluiten nemen met betrekking tot bepaalde vormen van zorg die op grond van
de AWBZ
of de Overgangswet
verzorgingshuizen verleend kunnen worden,
maar ook indicatiebesluiten nemen met betrekking tot
verstrekkingen die op grond van de Welzijnswet
1994 en de Wvg verleend worden.
Niet in de laatste plaats vanwege de betrokkenheid van gemeenten bij de
Welzijnswet 1994 en de Wvg wordt het wenselijk geacht dat een
vertegenwoordiger van gemeenten deel uitmaakt van het
indicatieorgaan.
Door samenwerking van
gemeenten is het werkgebied van het indicatieorgaan doorgaans
niet aan gemeentelijke grenzen gebonden. Vandaar dat in artikel 4
sprake is van in het werkgebied van een indicatieorgaan werkzame organisaties,
respectievelijk in het werkgebied van een indicatieorgaan gelegen
gemeenten.
Dit artikel regelt de
samenstelling van het indicatieorgaan. Het is niet de bedoeling dat de in dit
artikel bedoelde leden van het indicatieorgaan onderzoeken of en in
hoeverre iemand voor zorg als bedoeld in artikel 2 in aanmerking komt. Dit
laatste zal ingevolge de artikelen 8 en 9 gedaan worden door deskundigen
op het terrein van de zorg. Dat laat overigens onverlet de
verantwoordelijkheid van het indicatieorgaan voor indicatiebesluiten.
Artikel 5
Bij of kort na het
indienen van de aanvraag om een indicatiebesluit zal het indicatieorgaan na
moeten gaan of de zorgvrager - ten behoeve van het onderzoek dat volgt
op de aanvraag - toestemming geeft tot het raadplegen van behandelend artsen en het
gebruik maken van bij deze
aanwezige gegevens.
Uiteraard zullen behandelend artsen en bij deze aanwezige gegevens alleen
geraadpleegd mogen worden voor zover dat voor de beoordeling van
de zorgvraag relevant kan zijn. In dat verband zal een machtiging aan het
indicatieorgaan om behandelend artsen en bij deze aanwezige gegevens
te raadplegen, niet zo ruim mogen zijn dat willekeurig welke arts
waarmee de zorgvrager ooit te maken heeft gehad door het indicatieorgaan
geraadpleegd zou mogen worden. Geeft de zorgvrager zodanige toestemming niet, dan zal raadpleging van deze
artsen en medische
gegevens niet mogen plaatsvinden.
Een aanvraag kan worden
ingediend door de persoon op wie die aanvraag betrekking heeft
of door een derde die daartoe door de zorgvrager gemachtigd is
dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger is. Dat laatste zal voorkomen indien de aanvrager niet in staat is zelf de aanvraag in te dienen.
Ondertekent de derde de aanvraag, dan zullen op grond van het tweede lid
de redenen waarom de aanvrager niet zelf tekent, moeten worden
vermeld. Wil voorkomen worden dat personen voor een onderzoek tegen
hun wil benaderd worden door of namens het indicatieorgaan, dan zal
nagegaan zal moeten worden of de derde inderdaad bevoegd is de
aanvraag te ondertekenen.
Artikel 6
Voordat een
indicatiebesluit kan worden genomen, zal een onderzoek naar de relevante feiten
en omstandigheden noodzakelijk zijn. Van belang zijnde feiten en
omstandigheden zijn opgenomen in de onderdelen a tot en met f. In het kader
van de algemene gezondheidstoestand van de zorgvrager (onderdeel a)
zal onder meer aan de orde komen of de zorgvrager ziekten of
lichamelijke gebreken of klachten heeft en of deze hersteld kunnen worden.
Bij het onderzoek naar de beperkingen in het lichamelijke functioneren
(onderdeel b) gaat het in de eerste plaats om de beperkingen die ervaren
worden in de algemene dagelijkse levensverrichtingen. Te denken valt aan
constateringen als: de zorgvrager is niet in staat om trappen op te
lopen, de zorgvrager kan, omdat hij het bed moet houden, zijn gezin niet
verzorgen, de zorgvrager kan geen krant lezen, etc. Bij het onderzoek naar de
woning en de woonomgeving (onderdeel c) zal niet alleen naar de
kenmerken van de woning zelf (of het huis een trap of lift, aangepaste
drempels, etc. bevat) gekeken worden; ook de woonomgeving is relevant (ligt het
huis al dan niet afgelegen, geïsoleerd). Bij het psychisch functioneren
zal bijvoorbeeld aan de orde komen of er sprake is van psychische
stoornissen. Bij het sociaal functioneren kan de vraag aan de orde zijn of de
zorgvrager vanwege mobiliteitsproblemen geen familie, vrienden en kennissen
meer opzoekt. De sociale omstandigheden (alleenstaand, samenwonend met
één of meer andere gezinsleden, hij
verzorgt het huishouden
in een gezin, hij heeft arbeidsverplichtingen, etc.) zijn voorts ook niet van
relevantie ontbloot. Ten slotte is de aard en de omvang van zowel de
professionele als de niet-professionele zorg en hulp van belang, alsmede de
mogelijkheden van continuering of uitbreiding daarvan. Wil geanalyseerd kunnen worden welke zorg de zorgvrager nodig heeft,
dan zal immers eerst duidelijkheid moeten bestaan over de zorg en
hulp die hij reeds ontvangt, zowel in de professionele sfeer (bijvoorbeeld
thuiszorg) als in de niet-professionele sfeer (zorg en hulp door
familie, vrienden, buren, etc.). Deze laatste hulp en zorg wordt ook wel als
mantelzorg aangeduid.
Niet altijd zal het
noodzakelijk zijn naar alle onder a tot en met f bedoelde omstandigheden
onderzoek te doen. Met name bij aanvragen die betrekking hebben op
zorg thuis, is het zeer goed denkbaar dat de geestelijke toestand van geen belang is voor het onderzoek naar de
zorgbehoefte. In
dergelijke situaties zal - gelet op de in het eerste lid opgenomen woorden
"voor zover" - de geestelijke toestand van de aanvrager niet onderzocht
mogen worden.
Artikel 7
Dit artikel is een
uitwerking van het uitgangspunt dat het onderzoek door het indicatieorgaan
de zorgvrager zo min mogelijk moet belasten. Dit betekent dat, indien
mogelijk, moet worden uitgegaan van reeds aanwezige gegevens uit eerdere onderzoeken (door artsen, een regionale
instelling voor ambulante
geestelijke gezondheidszorg (RIAGG), thuiszorg, etc.). Het kan zijn dat
zodanige gegevens bij de aanvraag om een indicatiebesluit worden
meegezonden. Het kan ook zijn dat tijdens het onderzoek toestemming van
de aanvrager wordt gegeven en zodoende toegang tot die gegevens
ontstaat. Eerst indien de op deze wijze beschikbaar gestelde
gegevens onvoldoende inzicht geven in de zorgbehoefte van de
aanvrager en de omstandigheden waarin hij zich bevindt, dan wel indien
behandelend artsen niet binnen de gestelde termijnen beschikbaar
zijn om door het indicatieorgaan geraadpleegd te worden, zal het indicatieorgaan zelf de ontbrekende informatie verzamelen.
Artikel 8
De deskundigheid die
vereist is voor het goed kunnen onderzoeken van de aanvraag om een
indicatiebesluit, zal voor verschillende groepen van aanvragen anders zijn.
Een aanvraag om een indicatiebesluit waarbij de zorgvrager hulp vraagt in
zijn huishouding omdat hij tijdelijk niet in staat is deze huishouding zelf
te verzorgen, zal eenvoudiger te beoordelen zijn dan een aanvraag van
iemand die langdurige zorg en hulp nodig heeft, terwijl er verschillende
manieren zijn waarop die zorg- en hulpverlening kan plaatsvinden. In het
laatste geval zou de beoordeling van de zorgvraag dermate complex
kunnen zijn dat de daarvoor benodigde deskundigheid niet in
één persoon of organisatie verenigd is, maar in meerdere personen of
organisaties. In een dergelijke situatie is een onderzoek door een
multidisciplinair samengesteld team van deskundige
personen of organisaties
aangewezen. Onder personen en organisaties die over voldoende
deskundigheid beschikken, kunnen personen verbonden aan
zorginstellingen en zorginstellingen zelf gerekend worden. Het kan echter ook gaan
om personen en organisaties die geen zorg verlenen. Naast een
voldoende opleidingsniveau van indicateurs is kennis van en ervaring
met de zorgverlening van essentieel belang voor de inhoudelijke
afstemming tussen indicatiestelling en zorgverlening.
Artikel 9
Bij de toelichting bij
artikel 8 is reeds aan de orde geweest dat bij aanvragen om een
indicatiebesluit die complexer van aard zijn, de benodigde deskundigheid
om die aanvraag te kunnen beoordelen niet in een enkele persoon of organisatie verenigd zal
zijn en derhalve een
onderzoek door meerdere
deskundigen is aangewezen. In de situatie dat sprake is van langdurige
opname gedurende de dag en de nacht of langdurige intensieve
zorg thuis, wordt een onderzoek door een team van deskundigen in ieder
geval aangewezen geacht. In de situatie dat sprake is van een langdurige
intramurale opname, is zo’n onderzoek overigens niet alleen gewenst om reden
van de vereiste deskundigheid, maar ook omdat een langdurige
intramurale opname in zijn algemeenheid zeer ingrijpend voor de zorgvrager zal
zijn. Indien de mogelijkheid bestaat van een zo ingrijpende verandering
in het leven van de zorgvrager, is het onwenselijk dat het onderzoek naar de
zorgbehoefte door één persoon wordt verricht. In het eerste lid is dan
ook vastgelegd dat in een dergelijke situatie het onderzoek door een team
van deskundigen moet worden verricht. In zijn algemeenheid is van een
langdurige opname, respectievelijk langdurige zorg thuis sprake indien
deze zorg langer dan dertien weken plaatsvindt.
Dat het onderzoek door
een team van deskundigen wordt verricht, betekent uiteraard niet
dat elke in het team opgenomen deskundige afzonderlijk met de
zorgvrager contact zou moeten opnemen om zijn vragen beantwoord te krijgen. Zoals eerder opgemerkt is, zal het
onderzoek de zorgvrager
zo weinig mogelijk moeten belasten. Coördinatie ter zake van de contacten
met de zorgvrager is noodzakelijk. In de regel zou slechts één persoon
uit het team de contacten met de zorgvrager moeten onderhouden.
Het tweede lid bevat
bepalingen over de noodzakelijke deskundigheid van een team. In ieder
geval zal binnen het team multidisciplinaire deskundigheid op het
terrein van de zorg aanwezig moeten zijn. Soms zal het hierbij blijven.
Veelal zal, om het onderzoek naar de zorgbehoefte van de aanvrager goed te
kunnen verrichten, echter ook de deskundigheid van andere disciplines
noodzakelijk zijn. In dat verband zal regelmatig deskundigheid op het
terrein van woningaanpassing en deskundigheid met betrekking tot
voorzieningen die op grond van de Welzijnswet
1994 en de Wvg verstrekt
kunnen worden, noodzakelijk zijn. Deze deskundigheden zijn dan ook expliciet
opgenomen in het tweede lid. Overigens betreft het hier geen
limitatieve opsomming. Indien het ten behoeve van het onderzoek naar de zorgbehoefte wenselijk wordt gevonden andere
deskundigen te betrekken
in het multidisciplinaire team, is dat mogelijk en zelfs wenselijk. Een team
van deskundigen kan een vaste samenstelling hebben, maar dat hoeft
niet. Zelfs een ad-hocsamenstelling van een team is mogelijk. Het
belangrijkste is dat bij het onderzoek voldoende deskundigheid wordt betrokken.
Artikel 10
Enig onderzoek zal altijd
noodzakelijk zijn om een indicatiebesluit te kunnen nemen. In
spoedeisende situaties zal het echter veelal te omslachtig en te
tijdrovend zijn om een onderzoek naar de (exacte) zorgbehoefte van de
aanvrager te verrichten. Een snelle besluitvorming weegt dan zwaarder. Bij
spoedeisende situaties gaat het niet alleen om situaties waarbij
onmiddellijke zorgverlening geboden is. Het gaat ook om situaties waarbij op zeer
korte termijn zorg geboden is.
Overigens is in artikel 15, tweede lid, voor dergelijke situaties bepaald dat het indicatiebesluit
slechts een geldigheidsduur heeft van ten hoogste vier weken. Is na die
tijd nog zorg geboden, dan zal een nieuwe aanvraag om een indicatiebesluit
ingediend moeten worden en zal het onderzoek conform paragraaf 4
moeten plaats vinden.
Artikel 11
In het algemene deel van
deze nota van toelichting is reeds ingegaan op het belang van
protocollen. In deze protocollen bepaalt het indicatieorgaan nader hoe het met de hem
toegekende bevoegdheden om zal gaan. Daarmee kunnen
protocollen gekarakteriseerd worden als beleidsregels. In principe zullen bij
het nemen van een indicatiebesluit deze regels derhalve in acht
genomen moeten worden. Voor de bekendmaking van dergelijke beleidsregels is
afdeling 3.6 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) van
toepassing.
In het derde lid is in de
eerste plaats bepaald dat ten behoeve van de aanvraag één of meerdere
formulieren worden vastgesteld. Het vaststellen van
dergelijke formulieren kan bijdragen aan een meer eenduidige, objectieve
behandeling van aanvragen om een indicatiebesluit. In de tweede plaats is
bepaald dat de protocollen waarborgen dat tijdens het onderzoek een
analyse van de zorgbehoefte van de zorgvrager wordt opgesteld. Dit zal
moeten worden gedaan op grond van de bevindingen die in het
onderzoek zijn opgedaan. Uitdrukkelijk wordt erop gewezen dat een analyse
van de zorgbehoefte iets anders is dan een analyse van de vraag
welke zorg(aanspraak) in aanmerking komt. Indien in het onderzoek
geconstateerd wordt dat de zorgvrager vanwege ziekte tijdelijk niet in staat
is om boodschappen te doen, gaat het er bij een analyse van de
zorgbehoefte om dat de boodschappen voor de zorgvrager tijdelijk
moeten worden gedaan en het gaat dan niet om de conclusie dat de
zorgvrager in aanmerking komt voor thuiszorg. Die laatste vertaling naar
zorg(aanspraken) dient eerst plaats te vinden nadat de zorgbehoefte
geanalyseerd is. Voorts ligt het voor de hand dat in het kader van een analyse van
de zorgbehoefte ook gevraagd wordt naar eventuele wensen van de
zorgvrager met betrekking tot de aan hem te verlenen zorg.
In de voortgangsnotitie
indicatiestelling wordt, indien de mogelijkheid bestaat om in de
zorgbehoefte van de zorgvrager te voorzien door zowel het verlenen van zorg
thuis of dicht bij huis als het verlenen van intramurale zorg en tenzij er een
wanverhouding bestaat tussen enerzijds de aan extramurale zorg
verbonden kosten en anderzijds de aan intramurale zorg verbonden kosten,
een voorkeur uitgesproken voor eerstbedoelde zorg. Met het oog daarop
is in het derde lid bepaald dat tijdens het onderzoek in ieder geval
onderzocht moet worden of aan de zorgbehoefte doelmatig, hetgeen iets
anders is dan het meest doelmatig, voldaan kan worden door het verlenen
van extramurale zorg.
Artikel 12
In het eerste en tweede
lid van dit artikel gaat het om maximale termijnen waarbinnen het
indicatieorgaan een indicatiebesluit moet nemen. Met name in
situaties waarbij spoedige verlening van zorg redelijkerwijs
noodzakelijk is en voor welke situaties ingevolge artikel 10 onderzoek als bedoeld in
paragraaf 4 achterwege kan blijven, verdient het indien mogelijk uiteraard
de voorkeur dat eerder een indicatiebesluit wordt vastgesteld dan
twee weken na het indienen van de aanvraag.
Artikel 13
In artikel
1, eerste lid,
onderdeel d, is het indicatiebesluit omschreven als: het besluit van een
indicatieorgaan waarbij beoordeeld wordt of en in welke omvang een persoon
in aanmerking komt voor één of meer vormen van zorg als bedoeld in
artikel 2. Het nemen van een indicatiebesluit vergt in de specifieke situatie
een oordeel van het indicatieorgaan inzake de aard en omvang, waaronder
de duur, van de te verlenen zorg, alsmede een oordeel ter zake van
de zorg waarvoor de zorgvrager in aanmerking komt in afwachting van
een meer structurele oplossing van zijn zorgproblemen. In de
toelichting bij artikel 1, eerste lid, onderdeel d, is hierop uitgebreid ingegaan.
Een indicatieorgaan zou
ervoor kunnen kiezen om in zijn indicatiebesluit heel exact te omschrijven
wat naar zijn oordeel de omvang van bepaalde zorg zou moeten zijn. Uit
de praktijk blijkt dat de benodigde zorg bij voorbaat veelal niet zo
exact is vast te stellen. Regelmatig gebeurt het dat tijdens de zorgverlening
- als gevolg van verkregen inzicht en kennis van de zich werkelijk
voordoende zorgbehoefte - de eerder geïndiceerde omvang van de zorg moet
worden bijgesteld. Bij een indicatiebesluit waarin in exacte termen
de omvang van de in aanmerking komende zorg is geformuleerd, kan een
dergelijke bijstelling tijdens de zorgverlening met zich meebrengen dat
opnieuw een aanvraag om een indicatiebesluit ingediend moet worden.
Dat wordt niet wenselijk gevonden. Om deze reden is in het eerste
lid, onderdeel a, bepaald dat het indicatieorgaan in zijn besluit de omvang waarin
een zorgvrager in aanmerking komt zoveel mogelijk in termen van
bandbreedtes aangeeft, zodat binnen dat besluit aanpassing van de
zorgverlening mogelijk is.
Voor een zorgvrager zal
het niet alleen van belang zijn te weten voor welke zorg hij in
aanmerking komt, maar ook hoe snel hij daarvoor in aanmerking komt. Van het
indicatieorgaan wordt ter zake een oordeel verwacht. Daarbij gaat het er uiteraard niet om dat een indicatieorgaan
aangeeft of zorgverlening
al dan niet urgent is. Het zal door te werken met verschillende gradaties
van urgentie in ieder geval bij benadering aan moeten geven op welke
termijn die zorg verleend zou moeten worden. Ook met betrekking tot de
vorm van zorg welke het meest in aanmerking komt, wordt een oordeel
van het indicatieorgaan verwacht. In dat verband zou gelet op de eerder
aangegeven voorkeur voor extramurale zorg ten opzichte van intramurale
zorg, het indicatieorgaan tot het oordeel kunnen komen dat, hoewel niet
het meest doelmatig, extramurale zorg toch het meest aangewezen is om in
de zorgbehoefte van de zorgvrager te kunnen voorzien.
In het kader van de zorgtoewijzing beslist de verzekeraar welke zorg de verzekerde ten laste van
de AWBZ
krijgt toegewezen en hoe snel. Hij zal daarbij geen zorg mogen
toewijzen waarvoor het indicatieorgaan de zorgvrager niet in
aanmerking vindt komen. Overigens, indien de zorgvrager een
persoonsgebonden budget wenst in plaats van zorg in natura, is een
indicatiebesluit voor hem eveneens van belang. Immers, in de thans op het
persoonsgebonden budget betrekking hebbende subsidieregeling van de
Ziekenfondsraad [zie College voor zorgverzekeringen,
red.] wordt voor het verkrijgen van een persoonsgebonden
budget voor bepaalde zorg de voorwaarde gesteld dat men in het
bezit is van een indicatiebesluit waaruit blijkt dat men op zodanige zorg is
aangewezen.
Tijdens het onderzoek kan
tot de conclusie gekomen worden dat in de zorgbehoefte van de
zorgvrager mede, evenzeer of wellicht zelfs beter voorzien kan worden met
andere zorg- of hulpverlening. Te denken valt bijvoorbeeld aan
voorzieningen in de sfeer van de Welzijnswet
1994. Op grond van het tweede lid
van dit artikel wordt het indicatieorgaan opgedragen een dergelijke
conclusie te melden bij zijn besluit. Behoudens indien gemeenten aan indicatieorganen hebben opgedragen te indiceren
met betrekking tot
voorzieningen in de sfeer van de Welzijnswet 1994 of de Wvg, kan de zorgvrager
evenwel geen rechten ontlenen aan een dergelijk oordeel van het
indicatieorgaan.
Artikel 14
Dit artikel brengt met
zich dat het indicatieorgaan indicatiebesluiten waaruit blijkt dat de
zorgvrager in aanmerking komt voor langdurige opname gedurende de dag
en de nacht en langdurige intensieve zorg thuis, niet namens hem door instellingen die die zorg verlenen, kan laten
nemen. Voor opneming en
verder verblijf in een psychogeriatrische inrichting vloeit dit
overigens al voort uit artikel 60, derde lid, van de Bopz. In dat artikellid
is expliciet bepaald dat over de noodzaak tot opneming door een niet
aan de verpleeginrichting gebonden commissie wordt geoordeeld.
Artikel 15
In veel situaties is niet
geheel voorspelbaar of iemand die op het moment van indienen van
de aanvraag om een indicatiebesluit bepaalde zorg behoeft, die zorg
ook nog na verloop van tijd behoeft. Het kan zijn dat na verloop van tijd met
minder zorg volstaan kan worden, maar het kan ook voorkomen dat na
verloop van tijd iemands zorgbehoefte groter wordt en derhalve
intensievere zorg of andere zorg nodig is. Zou het indicatieorgaan geen
geldigheidsduur aan zijn indicatiebesluit verbinden, dan bestaat bijvoorbeeld
de mogelijkheid dat iemand die na een indicatiebesluit zorg verleend krijgt als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel b, van de Overgangswet
verzorgingshuizen, maar na verloop van tijd intensievere zorg
nodig heeft, blijvend de zorg verleend krijgt als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel b, van de Overgangswet
verzorgingshuizen, terwijl aan zijn
zorgbehoefte slechts adequaat kan worden voldaan door opname in een
verzorgingshuis of verpleeghuis. Ter voorkoming van dergelijke situaties is
in dit artikel bepaald dat het indicatieorgaan aan zijn besluit een
geldigheidsduur verbindt. Is die geldigheidsduur verlopen, dan moet de zorgvrager
een nieuw indicatiebesluit (ook wel herindicatie genoemd) van het
indicatieorgaan vragen.
Artikel 16
Artikel
9b, tweede lid,
van de AWBZ bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden
gesteld voor gevallen waarin het advies, oftewel het
indicatiebesluit van het indicatieorgaan, niet afgewacht kan worden. Het
onderhavige
artikel brengt met zich mee dat een verzekeraar in situaties waarin
onmiddellijke verlening van zorg redelijkerwijs noodzakelijk is, een
indicatiebesluit niet af behoeft te wachten. Ter voorkoming van onnodige
indicatiebesluiten lijkt het aangewezen dat verzekeraars met
indicatieorganen afspraken maken over de toepassing van dit artikel.
Artikel 17
In dit artikel wordt een
aantal eisen die artikel 60 van de Bopz stelt aan opnemingen als bedoeld in
dat artikel, nader uitgewerkt. Zo is het eerste lid een uitwerking van de
in artikel 60, vijfde lid, van de Bopz opgenomen eis dat betrokkene
voorafgaand aan de behandeling van de aanvraag mondeling en schriftelijk
op de hoogte wordt gebracht van de mogelijkheid dat hij zich
kan verzetten tegen opneming en verblijf in een (psychogeriatrische) verpleeginrichting. Het indicatieorgaan moet de
zorgvrager schriftelijk
op deze mogelijkheid wijzen, tenzij uit de aanvraag blijkt dat de zorgvrager
bereid is om opgenomen te worden in zo’n verpleeghuis.
Artikel 60, vierde lid,
van de Bopz bepaalt dat noodzaak tot opneming en verblijf in een
zwakzinnigeninrichting of verpleeginrichting aanwezig is, indien betrokkene zich
tengevolge van de stoornis van de geestvermogens niet buiten die
inrichting kan handhaven. In dat verband brengt het tweede lid, onderdeel
b,
met zich dat het onderzoek, tenzij de aanvrager blijk heeft gegeven van
bereidheid tot opneming, gericht moet zijn op de vraag of de aanvrager
tengevolge van de stoornis van de geestvermogens zich niet buiten een
psychogeriatrische inrichting kan handhaven. Heeft de aanvrager overigens bedenkingen tegen de
opneming, dan is voor die
opneming een rechterlijke machtiging vereist.
Overigens is het tweede
lid een uitwerking van artikel 60, vierde lid, van de Bopz.
Artikel 18
Om zich een beeld te
kunnen vormen van de ontwikkelingen in de zorgvraag en van de
manier waarop die zorgvraag door de indicatieorganen wordt beantwoord, krijgt
de Minister van VWS eens per jaar gegevens met betrekking
tot de indicatiepraktijk van de indicatieorganen en ontvangt hij de in
protocollen door het indicatieorgaan vastgestelde beleidsregels. Voor
indicatieorganen kan registratie van gegevens daarnaast een
ondersteuning zijn bij het uitvoeren van de hen opgelegde indicatiestelling.
Vooralsnog is in dit besluit gekozen voor een informatieplicht van indicatieorganen met
betrekking tot een beperkt aantal gegevens. Zoals in de
voortgangsnotitie indicatiestelling is vermeld, is voorgenomen in de
toekomst - en in samenhang met de verdere ontwikkelingen in de
protocollering - een verfijning aan te brengen in de van indicatieorganen te
vragen beleidsrelevante informatie. Dat zal dan overigens wel een
wijziging van dit besluit met zich meebrengen.
Artikel 20
Artikel 20 bevat het
overgangsrecht dat opgenomen was in artikel 17 van het Besluit
indicatiebeoordeling verpleging en verzorging en artikel XIV van het Besluit van
15 november 1996 tot wijziging van het Besluit zorgaanspraken bijzondere
ziektekostenverzekering, het Bijdragebesluit
zorg, het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering, het Vergoedingenbesluit particulier verzekerden
en enige andere besluiten in verband met regeling van de aanspraak
op thuiszorg (Stb. 1996, 595). Met ingang van 1 januari 1997 werd
indicatieorganen, anders dan voorheen het geval was, ook opgedragen te
indiceren voor personen die jonger dan 65 jaar waren en opgenomen in een
verpleeginrichting. Het lag echter niet in de bedoeling om diegenen die
toen al opgenomen waren in een verpleeginrichting opnieuw te laten
indiceren. Hetzelfde geldt met betrekking tot diegenen die vóór 1
januari 1997 al zorg van een kruisorganisatie of een instelling voor
gezinsverzorging genoten. Inmiddels zijn er geen personen meer die in het kader van
het overgangsrecht van het hierboven bedoelde artikel XIV nog zorg
ontvangen die op grond van de tot 1 januari 1997 geldende
subsidieregelingen van de Ziekenfondsraad (Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring
gezinsverzorging 1996 en de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring intensieve
thuiszorg 1996) verleend kon worden. Deze overgangsmaatregel
is dan ook niet meer opgenomen in artikel 20.
Voorts lag het niet in de
bedoeling om degenen die op 1 januari 1997 al in het bezit waren van
een indicatieadvies van een indicatiecommissie, ingesteld op grond van
het vóór 1 januari 1997 geldende artikel 6j van de Wbo, maar nog niet waren
opgenomen, opnieuw een procedure voor indicatiestelling te
laten doorlopen.
Artikel 22
Niet in alle gevallen zal
per 1 januari 1998 al aan de in dit besluit gestelde eisen voldaan
kunnen worden. Met het oog daarop is deze overgangsbepaling
opgenomen.
Artikel 23
In artikel
1, tweede lid,
van dit besluit wordt verwezen naar instellingen als bedoeld in artikel 1,
vijfde lid, van de Overgangswet
verzorgingshuizen. Dat artikel 1, vijfde
lid, bestaat op dit moment nog niet, maar maakt onderdeel uit van
een wetsvoorstel dat binnenkort aan de Tweede Kamer zal worden
aangeboden. Zolang bedoeld wetsvoorstel nog niet tot wet is verheven en in
werking is getreden, is een verwijzing in artikel 1, tweede lid, van dit
besluit naar artikel 1, vijfde lid, van de Overgangswet
verzorgingshuizen zinloos. Om die reden is in artikel 23 bepaald dat tot een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip artikel 1, tweede lid, van dit besluit anders luidt en
wel in die zin dat onder instellingen mede wordt verstaan:
verzorgingshuizen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, en instellingen als
bedoeld
in artikel 4, tweede lid, van de Overgangswet
verzorgingshuizen. Zodra
bekend is wanneer eerder bedoeld wetsvoorstel in werking zal treden,
zal een koninklijk besluit als bedoeld in dit artikel getroffen worden.
Artikel 24
In het
Besluit regeling
vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering werd nog verwezen naar
een bejaardenoord in de zin van de Wet op de bejaardenoorden. Van de
gelegenheid is gebruik gemaakt om deze omissie te herstellen.
Artikel 25
Een koninklijk besluit
zal worden getroffen om dit besluit met ingang van 1 januari 1998 in
werking te laten treden.
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
|
|