|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Beleidsregel
boete werknemer 2010
- Beleidsregels schorsing,
opschorting, intrekking en herziening
uitkeringen 2006
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften Wet arbeid en zorg 2006
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Ziekengeldreglement 2004
Vervallen
nadere regelgeving:
- Beleidsregel boete werknemer
(vervallen)
- Besluit waarschuwing
(vervallen)
- Controlevoorschriften Wet arbeid en zorg 2001
(vervallen)
- Maatregelenbesluit Tica (vervallen)
- Maatregelenbesluit
UWV
(vervallen)
- Regeling betaling, terugvordering en
tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Beleidsregel
kostenvergoeding UWV
- Beleidsregels UWV gebruik
polisgegevens
- Besluit schadebeleid
- Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945
- Invoeringswet
arbeid en zorg
- Ontslagbesluit
-
Regeling inzage- en correctierecht UWV
- Reglement
behandeling bezwaarschriften UWV 2009
Inhoudsopgave
Wazo
| Hoofdstuk
1 |
Algemene bepalingen |
artt.
1:1 - 1:5 |
| Hoofdstuk
2 |
Aanpassing arbeidsduur
(gereserveerd) |
artt. |
| Hoofdstuk
3 |
Zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg |
artt.
3:1 - 3:30 |
| Afdeling
1x |
Het recht op verlof in verband met zwangerschap,
bevalling, adoptie en pleegzorg |
artt.
3:1 - 3:5 |
| §
1x |
Verlofvorm |
artt.
3:1 - 3:2 |
| §
2x |
Melding |
art.
3:3 |
| §
3x |
Nadere voorschriften |
art.
3:4 |
| §
4x |
Mate van gebondenheid |
att.
3:5 |
| Afdeling
2x |
Uitkering in verband met zwangerschap, bevalling,
adoptie en pleegzorg |
artt.
3:6 - 3:30 |
| §
1x |
De werknemer en de gelijkgestelde |
artt.
3:6 - 3:16 |
| §
2x |
De beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst |
artt.
3:17 - 3:27 |
| §
3x |
Slotbepalingen |
artt.
3:28 - 3:30 |
|
Hoofdstuk 4
|
Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof |
artt.
4:1 - 4:7 |
| §
1x |
Verlofvormen |
artt.
4:1 - 4:2 |
| §
2x |
Melding en informatie |
artt.
4:3 - 4:4 |
| §
3x |
Loonvoorschriften |
art.
4:5 |
| §
4x |
Nadere voorschriften |
art.
4:6 |
| §
5x |
Mate van gebondenheid |
art.
4:7 |
|
Hoofdstuk 5
|
Kort- en langdurend zorgverlof
|
artt.
5:1 - 5:16 |
| Afdeling
1x |
Kortdurend
zorgverlof |
artt.
5:1 - 5:8 |
| §
1x |
Verlofvorm |
artt.
5:1 - 5:2 |
| §
2x |
Melding en informatie |
artt.
5:3 - 5:5 |
| §
3x |
Loonvoorschriften |
artt.
5:6 - 5:7 |
| §
4x |
Nadere voorschriften |
art.
5:8 |
| Afdeling
2x |
Langdurend
zorgverlof |
artt.
5:9 - 5:14 |
| §
1x |
Verlofvorm |
artt.
5:9 - 5:10 |
| §
2x |
Verlening, ingang en einde van verlof, informatie |
artt.
5:11 - 5:13 |
| §
3x |
Samenloop |
art.
5:14 |
| Afdeling
3x |
Nadere voorschriften |
artt.
5:15 - 5:16 |
|
Hoofdstuk 6
|
Ouderschapsverlof |
artt.
6:1 - 6:9 |
| §
1x |
Verlofvorm |
artt.
6:1 - 6:4 |
| §
2x |
Melding |
artt.
6:5 - 6:6 |
| §
3x |
Nadere voorschriften |
art.
6:7 |
| §
4x |
Mate van gebondenheid |
artt.
6:8 - 6:9 |
|
Hoofdstuk 7
|
Levensloopregeling
|
artt.
7:1 - 7:3 |
|
Hoofdstuk 8
|
Slotbepalingen |
artt.
8:1 - 8:3 |
| xxxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1999-2000, 2000-2001, 27 207.
Handelingen II 2000-2001, blz. 4034-4069, 4107-4132, 4135-4157,
4166-4177, 4523-4535, 4609-4614, 4682-4683.
Kamerstukken I 2000-2001, 27 207 (272, 272a); 2001-2002, 27 207
(8, 8a, 8b).
Handelingen I 2001-2002, zie vergadering d.d. 13 november 2001.
Geschiedenis:
Staatsblad
2001, 567; Staatsblad 2001,
625; Staatscourant 2001, 234;
Staatsblad 2001, 664; Staatsblad 2001,
692; Staatsblad 2003, 376;
Staatsblad 2004, 306; Staatsblad
2004, 311; Staatsblad 2004, 324;
Staatsblad 2005, 37;
Staatsblad 2004, 717; Staatsblad
2005, 115; Staatsblad 2005, 274;
Staatsblad 2005, 525; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 683; Staatsblad 2005, 708;
Staatsblad 2007, 551; Staatsblad
2008, 192; Staatsblad 2008, 510;
Staatsblad 2008, 565; Staatsblad
2008, 600; Staatsblad 2009, 265;
Staatsblad 2009, 318; Staatsblad
2010, 838; Staatsblad 2010,
867; Staatsblad 2011, 288;
Staatsblad 2011, 618; Staatsblad
2011, 670; Staatsblad 2012,
152; Staatsblad 2012, 361;
Staatsblad 2012, 462; Staatsblad
2013, 72; Staatsblad
2012, 675.
WET van 16 november 2001,
Stb. 2001, 567, tot vaststelling van regels voor het
tot stand brengen van een nieuw evenwicht tussen arbeid
en zorg in de ruimste zin (Wet arbeid en zorg). Inwerkingtreding:
1 december 2001 (Stb. 2001, 569).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen, waarin
een nieuw evenwicht tot stand wordt gebracht tussen arbeid en zorg in
de ruimste zin;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan
bij deze:
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Art.
1:1. Algemene begrippen [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb. 2008, 192]
Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van deze wet verstaan
onder:
a. werkgever: degene die een ander krachtens arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat
verrichten;
b. werknemer: de ander, bedoeld in onderdeel a;
c. winst uit onderneming: de
belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet;
d. dienstbetrekking: een
dienstbetrekking in de zin van de Ziektewet;
e. aanmerkelijk belang: aanmerkelijk
belang als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
f. inkomsten uit tegenwoordige
arbeid: het gezamenlijke bedrag van:
1º. het belastbaar loon uit tegenwoordige
arbeid, bedoeld in afdeling 3.3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
2º. het belastbaar loon ter zake van het
in Nederland verrichten van arbeid, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
3º. het belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid
betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a
en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001; en
4º. het belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden in Nederland, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid
betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a
en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Art.
1:2. Het begrip loon [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van
deze wet verstaan onder loon: de naar tijdruimte vastgestelde vergoeding
die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is voor de bedongen
arbeid.
-2. Voor de toepassing van deze wet wordt, indien het loon op
andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, als loon beschouwd het
gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij geen gebruik had gemaakt
van een door deze wet gegeven recht op verlof, gedurende die tijd had
kunnen verdienen.
Art.
1:3. Overige begrippen [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 324;
Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 274; Stb. 2008, 600]
-1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
a. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het fonds, bedoeld in artikel 112 van de
Wet financiering sociale verzekeringen;
b. Algemeen Werkloosheidsfonds: het fonds,
bedoeld in artikel 93 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
d. militaire ambtenaar: de militaire ambtenaar, bedoeld in artikel
1, eerste en tweede lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931;
e. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
-2. Voor de toepassing van deze wet is sprake van ongehuwd
samenwonen als twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding
voeren. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de eerste volzin
is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde
woning en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op
andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
-3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder
levensbedreigend ziek: de gezondheidssituatie die zo ernstig is dat
volgens objectieve medische maatstaven het leven van de persoon op korte
termijn ernstig gevaar loopt.
Art.
1:4. Gelijkstelling met een collectieve
arbeidsovereenkomst [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt met een collectieve arbeidsovereenkomst gelijkgesteld een regeling
door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
Art. 1:5. Werkingsduur, regeling
bestuursorgaan of regeling met
ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging [Geschiedenis:
Stb.
2005, 274]
Voor de toepassing van de artikelen 4:7 en 5:16
geldt een afwijkende regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan of een afwijkende regeling waaromtrent de werkgever
schriftelijk overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of,
bij het ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging, voor
vijf jaren vanaf het tijdstip waarop die regeling ingaat, indien geen
termijn van ten hoogste vijf jaren is
bepaald. Indien geen termijn is bepaald, gaat bij wijziging van de
regeling waarvan de in de eerste zin bedoelde afwijking deel uitmaakt
binnen het in die zin bedoelde tijdvak, ten aanzien van de afwijking een
nieuw tijdvak in op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging.
HOOFDSTUK 2
Aanpassing arbeidsduur
Gereserveerd.
HOOFDSTUK 3
Zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg
AFDELING 1
Het recht op verlof in verband met zwangerschap,
bevalling, adoptie en pleegzorg
§
1. Verlofvorm
Art.
3:1. Zwangerschaps- en bevallingsverlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692]
-1. De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar
bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
-2. Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken
vóór
de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, zoals aangegeven in een
aan de werkgever overgelegde schriftelijke verklaring van een arts of
verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Het
zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken vóór de dag na de
vermoedelijke datum van bevalling.
-3. Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en
bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat
het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling,
dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van
bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen.
-4. Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de
vrouwelijke werknemer op grond van artikel 29a, tweede lid, van de Ziektewet ziekengeld heeft genoten in de
periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog
niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof
heeft genoten.
Art.
3:2. Adoptieverlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. De werknemer heeft in verband met de adoptie van een kind
recht op verlof zonder behoud van loon.
-2. Het recht op verlof in verband met adoptie bestaat gedurende
een tijdvak van achttien weken en bedraagt ten hoogste vier
aaneengesloten weken. Het recht bestaat vanaf twee weken vóór de
eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft
genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de
werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een
kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
-3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee
of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het
recht op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.
-4. Het eerste, tweede en derde lid en de artikelen
3:3, tweede
lid, 3:4 en 3:5 zijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer die
een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d.
§
2. Melding
Art.
3:3. Meldingsverplichting [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. De vrouwelijke werknemer meldt aan de werkgever:
a. de dag met ingang waarvan zij het zwangerschapsverlof opneemt
uiterlijk drie weken vóór die dag;
b. haar bevalling uiterlijk op de tweede dag volgend op die van de
bevalling.
-2. De werknemer meldt aan de werkgever het opnemen van het verlof
in verband met adoptie zo mogelijk uiterlijk drie weken vóór de dag van
ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de
melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter
adoptie is of zal worden opgenomen.
§
3. Nadere voorschriften
Art.
3:4. Compensatie met vakantieaanspraken [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet
verricht wegens het verlof, bedoeld in de artikelen 3:1en
3:2, kunnen
niet worden aangemerkt als vakantie.
§
4. Mate van gebondenheid
Art.
3:5. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. Behoudens het tweede lid kan van deze afdeling niet ten nadele
van de werknemer worden afgeweken.
-2. In geval van buitengewone omstandigheden als bedoeld in de
Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kan Onze Minister van Defensie voor de
militaire ambtenaar afwijken of doen afwijken van de artikelen 3:1 en
3:2.
AFDELING 2
Uitkering in verband met zwangerschap, bevalling,
adoptie en pleegzorg
§
1. De werknemer en de gelijkgestelde
Art.
3:6. Begrippen werknemer, gelijkgestelde en
werkgever [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb. 2005,
573]
-1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a. werknemer: de werknemer, bedoeld in artikel
1:1, onderdeel
b, met
uitzondering van degene die op grond van de eerste afdeling, paragraaf 2, van de
Ziektewet geen werknemer in de
zin van die wet
is;
b. gelijkgestelde: degene
die geen werknemer is als bedoeld in artikel
1:1, onderdeel b, doch:
1º. op grond van de eerste afdeling, paragraaf
2, van de Ziektewet, met uitzondering van artikel
8a, wel werknemer in de zin van die wet
is; of
2º. op grond van
hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen recht
heeft op de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsgeschikten;
c. werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel
1:1, onderdeel
a, of de
artikelen 10, 11
of 12
van de Ziektewet.
-2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt mede verstaan
onder:
a. werknemer: de werknemer, bedoeld in artikel
1:1, onderdeel
b, die
vrijwillig verzekerd is als bedoeld in de tweede afdeling, hoofdstuk IV, van de
Ziektewet;
b. gelijkgestelde: degene die geen werknemer is als bedoeld in onderdeel
a doch wel vrijwillig verzekerd is als bedoeld in de tweede afdeling, hoofdstuk IV, van de
Ziektewet.
Art.
3:7. Recht op uitkering voor de werknemer [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb.
2010, 867]
-1. De vrouwelijke werknemer heeft gedurende de periode dat
het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, recht op uitkering.
-2. De werknemer heeft gedurende de periode dat het verlof in
verband met adoptie of de opname van een pleegkind wordt genoten
overeenkomstig artikel 3:2, tweede lid of vierde lid, recht op
uitkering.
Art.
3:8. Recht op uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling voor de vrouwelijke gelijkgestelde [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb.
2010, 867]
-1. De vrouwelijke gelijkgestelde heeft in verband met haar
zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste
zestien weken, overeenkomstig het tweede en derde lid.
-2. Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan
zes weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, zoals
aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of
verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke
gelijkgestelde dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met
zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken vóór
de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
-3. Het recht op uitkering in verband met bevalling vangt aan op
de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd
met het aantal dagen dat de uitkering in verband met zwangerschap tot en
met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder
gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes
weken heeft bedragen.
-4. Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de
vrouwelijke gelijkgestelde ziekengeld heeft genoten in de periode dat
zij recht heeft op uitkering in verband met zwangerschap maar die
uitkering nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij
uitkering in verband met zwangerschap heeft genoten.
Art.
3:9. Recht op uitkering in verband met adoptie
of pleegzorg voor de gelijkgestelde [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. De gelijkgestelde heeft in verband met de adoptie van een
kind recht op uitkering.
-2. Het recht op uitkering in verband met adoptie bedraagt ten
hoogste vier aaneengesloten weken gedurende een tijdvak van achttien
weken. Het tijdvak van achttien weken gaat in twee weken vóór de
eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft
genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de
werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een
kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
-3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee
of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het
recht op uitkering slechts ten aanzien van één van die kinderen.
-4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de werknemer die een pleegkind opneemt als bedoeld in
artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d.
Art.
3:10. Recht op uitkering bij nawerking [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692]
-1. Een recht op uitkering als bedoeld in de
artikelen 3:7,
eerste lid, en 3:8, eerste lid, komt mede toe aan de vrouw wier
bevalling waarschijnlijk is onderscheidenlijk plaatsvindt, binnen een
periode van tien weken na het tijdstip dat zij niet langer werknemer of
gelijkgestelde is als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid.
-2. Een recht op uitkering als bedoeld in de
artikelen 3:7, tweede
lid, en 3:9, eerste lid, komt mede toe aan de persoon die, op de eerste
dag dat een kind feitelijk ter adoptie is opgenomen, korter dan tien
weken geen werknemer of gelijkgestelde meer is als bedoeld in artikel
3:6, eerste lid.
-3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon
die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel
d.
Art.
3:11. De aanvraag van uitkering via de werkgever [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2011, 618]
-1. De vrouwelijke werknemer of
gelijkgestelde die in
aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband
met zwangerschap en bevalling, doet de aanvraag daartoe door tussenkomst
van de werkgever bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken vóór de datum van ingang van het
zwangerschapsverlof onderscheidenlijk de datum waarop zij het recht op
uitkering wil laten ingaan. Bij die aanvraag wordt gemeld:
a. de vermoedelijke datum van bevalling;
b. de datum waarop het zwangerschapsverlof ingaat dan wel de datum
waarop de gelijkgestelde het recht op uitkering wil laten ingaan.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de werkgever, uiterlijk binnen één jaar na
het tijdstip waarop de uitkering geëindigd is, een verklaring vragen
van een arts of verloskundige over de vermoedelijke datum van bevalling,
welke is opgemaakt uiterlijk twee weken vóór de datum van ingang van
het zwangerschapsverlof onderscheidenlijk twee weken vóór de datum
waarop de vrouwelijke werknemer het recht op uitkering wil laten ingaan.
-3. De werknemer of gelijkgestelde die in aanmerking wenst te
komen voor toekenning van een uitkering in verband met adoptie of
pleegzorg, doet de aanvraag daartoe door tussenkomst van de werkgever
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee
weken vóór de datum van ingang van het verlof in verband met adoptie of
pleegzorg onderscheidenlijk de datum waarop hij het recht op uitkering
wil laten ingaan. Bij de aanvraag worden documenten gevoegd waaruit
blijkt dat een kind ter adoptie of pleegzorg is of zal worden opgenomen
en wanneer die opneming ter adoptie of pleegzorg heeft plaatsgevonden of
zal plaatsvinden. Bij die aanvraag wordt de datum waarop het verlof in
verband met adoptie of pleegzorg ingaat gemeld dan wel de datum waarop
hij het recht op uitkering wil laten ingaan.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in
bijzondere gevallen ten gunste van de werknemer of gelijkgestelde
afwijken van het eerste en tweede lid.
Art.
3:12. De rechtstreekse aanvraag van uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2011, 618]
-1. Indien de vrouwelijke
gelijkgestelde die in aanmerking
wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling geen werkgever heeft, doet zij de aanvraag
daartoe bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk
twee weken vóór de datum waarop zij het recht op uitkering wil laten
ingaan. Artikel 3:11, eerste lid, tweede volzin, en
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien de gelijkgestelde die in aanmerking wenst te komen
voor toekenning van uitkering in verband met adoptie of pleegzorg geen
werkgever heeft, doet hij de aanvraag daartoe bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken vóór
ingang van de datum waarop hij het recht op uitkering wil laten ingaan. Artikel
3:11, derde lid, tweede en derde volzin.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in
bijzondere gevallen ten gunste van de gelijkgestelde afwijken van het
eerste en tweede lid.
-4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gelijkgestelde
mede verstaan degene die recht op uitkering heeft op grond van artikel
3:10.
Art.
3:13. De hoogte van de uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb. 2004, 311;
Stb. 2011, 618; Stb.
2012, 675]
-1. De uitkering, bedoeld in deze paragraaf, bedraagt per dag
het dagloon.
-2. Het dagloon wordt voor de werknemer en de gelijkgestelde,
bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, en de betrokkene, bedoeld in
artikel 3:10, eerste en tweede lid, vastgesteld en
herzien overeenkomstig de vaststelling en herziening op grond van de artikelen
15 en 16 van de
Ziektewet en de daarop berustende bepalingen, waarbij de periode van één jaar, bedoeld in
artikel 15 van die wet, voor de toepassing van deze wet eindigt op de
laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het
aangiftetijdvak waarin de uitkering op grond deze wet ingaat.
-3. Voor de gelijkgestelde, bedoeld in
artikel 3:6 eerste lid, onderdeel b, onder 1º, die op grond van
artikel 8,
onderdeel a, van de Ziektewet voorafgaand aan een uitkering op grond van
deze wet ziekengeld ontving, is het dagloon gelijk aan het reeds ten
behoeve daarvan vastgestelde en herziene dagloon, dan wel, indien voor
de gelijkgestelde, bedoeld in de vorige zin, artikel 31 van de
Ziektewet werd toegepast vanwege inkomen uit een andere
dienstbetrekking dan op
grond waarvan het recht op ziekengeld is ontstaan, wordt het dagloon
voor de toepassing van deze wet, in afwijking van het tweede lid,
vastgesteld op 100/A van het ziekengeld voorafgaande aan de uitkering op
grond van deze wet, waarbij A staat voor het uitkeringspercentage van
uitkering op grond van de Ziektewet.
-4. Voor de gelijkgestelde, bedoeld in
artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, onder 2º, is het dagloon, in
afwijking van het tweede lid, gelijk aan het op grond van artikel 13 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de daarop berustende
bepalingen reeds vastgestelde en herziene dagloon. Indien voor de
gelijkgestelde, bedoeld in de vorige zin, bij het vaststellen van de
hoogte van de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van artikel 61 van de
Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen rekening werd gehouden met inkomen, dan
wordt het dagloon voor de toepassing van deze wet, in afwijking van het
tweede lid, vastgesteld op 100/70 van het bedrag van die uitkering per
dag voorafgaande aan de uitkering op grond van deze wet.
-5. Het dagloon wordt voor de werknemer en de gelijkgestelde,
bedoeld in artikel 3:6, tweede lid, vastgesteld overeenkomstig
artikel
68 van de Ziektewet en de regels op grond van
artikel 71, onderdeel c, van die wet.
Art.
3:14. De uitbetaling van de uitkering [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2009,
265; Stb. 2011, 618]
-1.
De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand.
-2. De uitkering wordt betaald over iedere dag, doch niet over de
zaterdagen en de zondagen.
-3. De artikelen 40,
41, 47a,
48
en 85
van de Ziektewet zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
3:15. Financiering [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb.
2005, 37]
De op grond van deze paragraaf te betalen uitkeringen en de
uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen komen ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds met uitzondering van hetgeen op grond
van artikel 108, eerste lid,
onderdeel c en d, van de
Wet financiering sociale verzekeringen ten laste komt van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid,
bedoeld in artikel 106
van die wet.
Art.
3:16. Van overeenkomstige toepassing zijnde
artikelen [Bbw10] [Bbwn] [Bsoihu06]
[Rbttbot]
[Zr04] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb. 2004, 324;
Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 274; Stb. 2008, 510;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 318; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 618;
Stb.
2012, 462]
-1. Met betrekking tot een uitkering op grond van deze
paragraaf zijn de volgende artikelen van de Ziektewet
en de op die artikelen berustende bepalingen van overeenkomstige
toepassing:
a. ter zake van het recht op uitkering: de artikelen
19a, 19b, 19c
en 87;
b. ter zake van herziening of intrekking: artikel 30a;
c. ter zake van overlijden: de artikelen
1, tweede tot en met zevende lid, en 35;
d. ter zake van oproeping en ondervraging: artikel
37;
e. ter zake van ontheffing in verband met gemoedsbezwaren: artikel
43;
f. ter zake van maatregelen: artikel
45, eerste lid, onderdeel e, h, i en j, en tweede tot en met zesde lid;
g. ter zake van de inlichtingenverplichting: artikel
49;
h. ter zake van de uitvoering: de artikelen
51, 53
tot en met 55 en 59;
i. ter zake van de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moet zijn
beslist: artikel 74;
j. ter zake van het beroep in cassatie: artikel 75c;
k. vervallen;
l. ter zake van de toepasselijkheid van de Algemene
termijnenwet: artikel 89;
m. ter zake van terugvordering: de artikelen
33 tot en met 34a;
n. ter zake van vervreemding, verpanding en volmacht tot
ontvangst: artikel 50;
o. ter zake van bestuurlijke boetes: de artikelen 45a,
45g en
45h;
p. ter
zake van het afzien van het horen van de belanghebbende: artikel
72d.
-2. De strafbepaling van artikel 84, eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is van
overeenkomstige toepassing.
-3. In afwijking van het eerste lid is op de werknemer en de
gelijkgestelde, bedoeld in artikel
3:6, tweede lid, artikel
43 van de Ziektewet niet van overeenkomstige toepassing en zijn van
artikel
55 van de Ziektewet alleen de eerste volzin van het eerste lid en
het zevende lid van overeenkomstige toepassing.
-4. Artikel 35, derde lid, van de Ziektewet is van overeenkomstige toepassing
ongeacht of het recht op uitkering met ingang van de dag na het
overlijden binnen één maand zou zijn geëindigd.
§
2. De zelfstandige en de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
Art.
3:17. Het begrip
zelfstandige en beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2004, 324; Stb. 2008, 192;
Stb. 2012, 361]
-1. Voor de toepassing van
deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst: de werknemer, bedoeld in artikel
1:1, onderdeel b,
die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel
c, van de Ziektewet geen
werknemer in de zin van die wet is;
b. zelfstandige: de persoon die de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, die:
1º. in Nederland woont en
die winst uit onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor
eigen rekening feitelijk drijft;
2º. niet in Nederland woont
en die belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld in
afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming
niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
3º. anders dan uit
dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet;
4º. anders dan in
dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een
aanmerkelijk belang heeft;
5º.
directeur-grootaandeelhouder is en het werk tot stand brengt uitsluitend voor rekening en
risico van de onderneming van de rechtspersoon waarvan hij
directeur-grootaandeelhouder is;
6º. anders dan in
dienstbetrekking of als zelfstandige als bedoeld in de subonderdelen 1º tot en met
5º meewerkt in de onderneming van een echtgenoot of geregistreerde
partner.
-2. Door Onze Minister
worden, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, regels
gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in het eerste
lid, onder 5º, wordt verstaan. [Rad]
Art.
3:18. Recht op uitkering voor de zelfstandige en de
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb.
2004, 324; Stb. 2008, 192
+ bis]
-1. De vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
heeft gedurende de periode dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof
wordt genoten overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, recht op
uitkering.
-2. De vrouwelijke zelfstandige heeft in
verband met haar zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende
ten minste zestien weken.
-3. Het recht op uitkering in verband met
zwangerschap vangt aan zes weken vóór de dag na de vermoedelijke datum
van bevalling, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een
arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de
vrouwelijke zelfstandige dat wenst, vangt het recht op uitkering in
verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier
weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
-4. Het recht op uitkering in verband met
bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien
aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat de uitkering
in verband met zwangerschap tot en met de vermoedelijke datum van
bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke
datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen.
-5. Voor de toepassing van het vierde lid
worden dagen waarover de vrouwelijke zelfstandige ziekengeld heeft
genoten in de periode dat zij recht heeft op uitkering in verband met
zwangerschap maar die uitkering nog niet is ingegaan, aangemerkt als
dagen waarover zij uitkering in verband met zwangerschap heeft genoten.
-6. Geen recht op uitkering heeft de
vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin
van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van
de Vreemdelingenwet
2000.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden afgeweken van het zesde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in
Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000 rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel
8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
-8. Zo nodig in afwijking van het zesde en
het zevende lid en de daarop berustende bepalingen, bestaat recht op een
uitkering voor de persoon voor wie dit recht voortvloeit uit de
toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie en bestaat geen recht op een uitkering
voor de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van
toepassing is.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan, in afwijking van het zesde lid en van artikel
3:17, eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan
de kring van verzekerden.
Art.
3:19. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb. 2004, 324]
Art.
3:20. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2004, 324]
Art.
3:21. Uitkering ter zake van vervanging [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2004, 324; Stb. 2008, 192]
-1.
De vrouwelijke zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst kan een recht op uitkering op grond van artikel 3:18, tezamen met het recht op vakantie-uitkering daarover,
genieten in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging.
-2. Toekenning van een uitkering ter zake van vervanging, bedoeld
in het eerste lid, is uitsluitend mogelijk:
a. indien ter vervanging van de vrouwelijke zelfstandige of
vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst een persoon werkzaam is gedurende de periode dat het
recht op uitkering bestaat; en
b. de persoon die als vervanger werkzaam is, ter beschikking wordt
gesteld door een rechtspersoonlijkheid bezittende instelling die zich
krachtens haar statuten ten doel stelt arbeidskrachten ter beschikking
te stellen.
Art.
3:22. Aanvraag van uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2004, 324; Stb. 2008, 192]
-1.
De vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst die in
aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband
met zwangerschap en bevalling doet de aanvraag daartoe bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
uiterlijk twee weken vóór
de datum van ingang van het zwangerschapsverlof. Bij die aanvraag wordt
gemeld:
a. de vermoedelijke datum van bevalling, onder overlegging van de
verklaring van een arts of van een verloskundige waarin die datum is
aangegeven;
b. de datum waarop het zwangerschapsverlof,
respectievelijk het recht op uitkering, bedoeld in artikel
3:18, tweede lid, ingaat;
c. of zij de uitkering wil genieten in de vorm van een uitkering
ter zake van vervanging.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in
bijzondere gevallen ten gunste van de vrouwelijke zelfstandige of de
vrouwelijke beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst afwijken van het eerste lid.
Art.
3:23. De hoogte van de uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2004, 324; Stb. 2008, 192;
Stb.
2009, 318]
-1. De uitkering in verband met zwangerschap en bevalling wordt
overeenkomstig artikel 8 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen berekend naar de grondslag met dien verstande dat bij de
overeenkomstige toepassing van het derde lid van dat artikel voor "intreden
van zijn arbeidsongeschiktheid als beroepsbeoefenaar" wordt
gelezen: de ingangsdatum van het recht op uitkering.
-2. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per dag 100%
van de grondslag.
-3. Zo nodig in afwijking van het tweede
lid en van artikel 3:29, derde lid, onderdeel b,
bedraagt de uitkering in verband met zwangerschap en bevalling 100%
van het minimumloon, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, indien de vrouwelijke
zelfstandige in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin het
recht op uitkering ontstaat als zelfstandige, aan werkzaamheden voor
één of meer ondernemingen ten minste het aantal uren heeft besteed dat
is vermeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Art.
3:24. De hoogte van de uitkering ter zake van
vervanging [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 324;
Stb. 2005, 525; Stb.
2011, 288]
De uitkering ter zake van vervanging bedraagt de grondslag, bedoeld
in artikel 3:23, eerste lid, vermeerderd met het bedrag aan premies en aan inkomensafhankelijke
bijdrage als bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet
dat
het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij uitbetaling als
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling daarover
verschuldigd zou zijn.
Art.
3:25. De uitbetaling van de uitkering [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2009,
265]
-1.
De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand.
-2. De uitkering wordt betaald over iedere dag, doch niet over de
zaterdagen en de zondagen.
-3. De uitkering ter zake van vervanging wordt uitbetaald aan de
instelling, bedoeld in artikel 3:21, tweede lid, onderdeel b.
-4. De artikelen
55, tweede tot en met
vijfde lid, 55a, 57,
62
en 66
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art.
3:26. Financiering [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2004, 324]
De op grond van deze paragraaf te betalen uitkeringen en de
uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen komen ten laste van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Art.
3:27. Van overeenkomstige toepassing zijnde
artikelen [Bbw10] [Bbwn] [Bsoihu06]
[Rbttbot] [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 274; Stb. 2009,
265; Stb.
2009, 318; Stb. 2010,
838; Stb.
2012, 462]
-1. Met betrekking tot een uitkering op grond van deze
paragraaf zijn de volgende artikelen van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de op die
artikelen berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing:
a. ter zake van het recht op uitkering: de artikelen
7a, 7b, 7c,
19, vierde en vijfde lid, 19a,
21a, 21b,
21c en 101g;
b. ter zake van herziening of intrekking: artikel
18;
c. ter zake van de vakantie-uitkering: de artikelen
25 tot en met 27, 40
en 60;
d. ter zake van oproeping en ondervraging: de artikelen
41, eerste lid, en 42;
e. ter zake van maatregelen: de artikelen
45, 46,
onderdeel d, en 47;
f. ter zake van de inlichtingenverplichting: artikel
70;
g. ter zake van de uitvoering: artikel
81;
h. ter zake van de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moet zijn
beslist: artikel 96, eerste lid;
i. ter zake van het beroep in cassatie: artikel
98;
j. vervallen;
k. ter zake van terugvordering: artikel
63, met dien verstande dat bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat, in afwijking van het eerste lid van dat artikel,
onder bij dat besluit te bepalen omstandigheden, een uitkering ter zake
van vervanging niet wordt teruggevorderd;
l. ter zake van vervreemding, verpanding en volmacht tot
ontvangst: artikel 66;
m. ter zake van bestuurlijke boetes: de artikelen
48, 54 en 54a;
n. ter
zake van het afzien van het horen van de belanghebbende: artikel
95b.
-2. De strafbepaling van artikel 84, eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is van overeenkomstige
toepassing.
-3. Artikel
56 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is van
overeenkomstige toepassing op een uitkering op grond van deze paragraaf
met uitzondering van de uitkering ter zake van vervanging.
-4. Ter zake van overlijden zijn de artikelen
1, tweede tot en met zevende lid, 61
en 67,
onderdeel b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het derde
lid van artikel 61 wordt toegepast ongeacht of het recht op
uitkering met ingang van de dag na het overlijden binnen één maand zou
zijn geëindigd;
b. indien een uitkering is toegekend in de vorm van een uitkering ter
zake van vervanging, de overlijdensuitkering wordt betaald
overeenkomstig het eerste
lid van artikel 61, als was de uitkering toegekend als uitkering in
verband met zwangerschap en bevalling of adoptie. Het zevende
lid van artikel 61 blijft daarbij buiten toepassing.
-5. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
handelt
overeenkomstig artikel
45 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen indien
de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of de
vrouwelijke zelfstandige zich niet
houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel 3:22, eerste
lid.
-6. Op de instelling, bedoeld in artikel
3:21, tweede lid,
onderdeel b, is artikel 70, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen van overeenkomstige toepassing.
§
3. Slotbepalingen
Art.
3:28. Controlevoorschriften [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan
controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder
gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze
afdeling. [CW01] [CW06]
Art.
3:29. Samenloop [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb. 2005,
573; Stb. 2008, 192]
-1. Indien een persoon over dezelfde periode op grond van
dezelfde paragraaf zowel recht heeft op een uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling als op een uitkering in verband met adoptie of
pleegzorg, wordt haar de uitkering in verband met adoptie of pleegzorg
of ter zake van vervanging in verband met adoptie of pleegzorg niet
uitbetaald.
Indien een persoon over dezelfde periode op grond van dezelfde paragraaf
zowel recht heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een
uitkering in verband met pleegzorg, wordt hem de uitkering in verband met
pleegzorg of ter zake van vervanging in verband met pleegzorg niet
uitbetaald.
-2. Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op
een uitkering op grond van paragraaf 1 als op een uitkering op
grond van paragraaf 2 van deze afdeling, wordt hem de uitkering op
grond van paragraaf 2 uitbetaald voor zover deze de uitkering op
grond van paragraaf 1 van deze afdeling overtreft. Indien de
uitkering op grond van paragraaf 1 geheel of gedeeltelijk wordt
geweigerd op grond van enig handelen of nalaten dat de betrokkene kan
worden verweten, wordt voor de toepassing van dit lid die uitkering in
aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden.
-3. Indien een vrouwelijke zelfstandige of
een vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst over eenzelfde
periode zowel recht heeft op een uitkering op grond van paragraaf
1 als op een uitkering op grond van paragraaf 2
van deze afdeling, worden haar, in afwijking van het tweede lid,
zowel de uitkering op grond van zowel paragraaf 1
als de uitkering op grond van paragraaf 2
uitbetaald, mits de vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst niet vrijwillig verzekerd is
als bedoeld in de tweede afdeling, hoofdstuk IV,
van de Ziektewet en voor zover:
a. werkzaamheden als vrouwelijke
zelfstandige of vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
worden verricht; en
b. de uitkering op grond van paragraaf
1 en de uitkering op grond van paragraaf 2
samen niet meer bedragen dan 100% van de som van de inkomsten uit of in
verband met arbeid die de vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst ontving op de dag direct
voorafgaande aan de dag waarop recht op uitkering op grond van afdeling
2, paragraaf 1, en de uitkering op grond van afdeling
2, paragraaf 2, ontstaat.
-4. Indien een
gelijkgestelde als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, onder
2º,
over dezelfde periode tevens uit anderen hoofde recht heeft op één of
meerdere uitkeringen op grond van paragraaf
1, wordt de uitkering van
die gelijkgestelde uitbetaald voor zover deze uitkering samen met de
andere uitkeringen niet meer bedraagt dan 100% van het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de loongerelateerde uitkering van de
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
-5. Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op
een uitkering op grond van paragraaf 1 van deze
afdeling als op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt eerstgenoemde
uitkering uitbetaald voor zover deze samen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan het hoogste van
de daglonen die aan die uitkeringen ten grondslag liggen.
-6. Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op
een uitkering op grond van paragraaf 2 van deze
afdeling als op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt:
a. indien de grondslag van de eerstgenoemde uitkering lager is dan de
grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of daaraan gelijk is,
de eerstgenoemde uitkering uitbetaald voor zover deze samen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan de grondslag van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. indien de grondslag van de eerstgenoemde uitkering hoger is dan de
grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de eerstgenoemde
uitkering uitbetaald voor zover deze samen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan de grondslag van
de eerstgenoemde uitkering;
c. indien het recht op eerstgenoemde uitkering ontstaat in het tijdvak
van 52 weken, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, in afwijking van de onderdelen a en b, de
eerstgenoemde uitkering uitbetaald voor zover deze de
arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft.
-7. Voor de toepassing van het derde tot en
met vijfde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, uitkering op grond
van paragraaf 1 van deze afdeling en uitkering op grond van
paragraaf 2 van deze afdeling tevens verstaan de vakantie-uitkering
waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en die
uitkeringen recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over
dezelfde periode is berekend.
-8. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd op grond van enig handelen of nalaten dat
de betrokkene kan worden verweten, wordt voor de toepassing van het
vierde en vijfde lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking
genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden.
Art.
3:30. Overgangsrecht zelfstandigen en beroepsbeoefenaren op
arbeidsovereenkomst [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 324
+ bis]
-1. Op de zelfstandige, bedoeld in artikel
3:17, onderdeel a, zoals dat
luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
II,
onderdeel D, van de Wet einde toegang verzekering
WAZ, van wie de
vermoedelijke of feitelijke bevallingsdatum valt binnen 40 weken na de
inwerkingtreding van dat artikel dan wel die binnen 40 weken na de
inwerkingtreding van dat artikel feitelijk een kind ter adoptie of
pleegzorg heeft opgenomen, blijft hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
2,
zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
artikel II, onderdeel D, van de Wet einde toegang verzekering WAZ van
toepassing met betrekking tot die bevalling dan wel die opneming.
-2. Op de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel
3:17, onderdeel b, zoals dat onderdeel luidde op de dag voorafgaand aan
de inwerkingtreding van artikel
II,
onderdeel D, van de
Wet einde toegang verzekering WAZ, die binnen 40 weken na de inwerkingtreding van
dat artikel feitelijk een kind ter adoptie of pleegzorg heeft opgenomen,
blijft hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, zoals dat luidde
voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
II, onderdeel
D, van de
Wet einde toegang verzekering WAZ van toepassing met betrekking tot die
opneming.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid komen de onder toepassing
van dit artikel te betalen uitkeringen en de uitvoeringskosten met
betrekking tot die uitkeringen ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
HOOFDSTUK 4
Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
§
1. Verlofvormen
Art.
4:1. Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. De werknemer heeft recht op verlof met behoud van loon
voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd wanneer hij zijn
arbeid niet kan verrichten wegens:
a. zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden;
b. een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde
verplichting, waarvan de vervulling niet in zijn vrije tijd kon
plaatsvinden;
c. de uitoefening van het actief kiesrecht.
-2. Onder zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden worden in
ieder geval begrepen:
a. de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner of de
persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
b. het overlijden en de lijkbezorging van één van zijn huisgenoten of
één van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede
graad van de zijlijn.
Art.
4:2. Kraamverlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692]
Na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de
persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind
erkent, heeft de werknemer gedurende een tijdvak van vier weken recht op
verlof met behoud van loon voor twee dagen waarop hij arbeid pleegt te
verrichten. Het recht bestaat vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk
op hetzelfde adres als de moeder woont.
§
2. Melding en informatie
Art.
4:3. Meldingsverplichting [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. De werknemer meldt vooraf aan de werkgever dat hij het
verlof, bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, opneemt onder opgave van de
reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de werknemer het opnemen van
het verlof zo spoedig mogelijk aan de werkgever onder opgave van de
reden.
-2. Het verlof van de militaire ambtenaar vangt niet aan of
eindigt in ieder geval zodra de werkgever aan hem kenbaar maakt dat hij
tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting
daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang heeft dat het belang van
de militaire ambtenaar daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid moet wijken.
Art.
4:4. Informatieverplichting [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij
aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft kunnen verrichten
wegens één van de redenen, genoemd in de artikelen 4:1 en
4:2.
§
3. Loonvoorschriften
Art.
4:5. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. Indien de werknemer op grond van enige wettelijk
voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig
fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling, een geldelijke
uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die
uitkering.
-2. Het loon wordt verminderd met het bedrag van de door de
werkgever vergoede onkosten die de werknemer door het niet verrichten
van zijn arbeid heeft bespaard.
§
4. Nadere voorschriften
Art.
4:6. Compensatie met vakantieaanspraken [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn
arbeid niet verricht wegens het verlof, bedoeld in artikel 4:1, kunnen
slechts indien in een voorkomend geval de werknemer ermee instemt, worden
aangemerkt als vakantie, met dien verstande dat de werknemer ten minste
recht houdt op het wettelijk minimum aan vakantieaanspraken.
-2. Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid
niet verricht wegens het verlof, bedoeld in artikel 4:2, kunnen niet
worden aangemerkt als vakantie.
§
5. Mate van gebondenheid
Art.
4:7.
Recht met afwijkingsmogelijkheden [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb. 2005, 274
+ bis]
Van artikel 4:1, voor wat betreft de loonbetaling, en de
artikelen 4:2
tot en met 4:6 kan uitsluitend ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan dan wel, indien geen collectieve arbeidsovereenkomst of
regeling van toepassing is of ter zake geen bepaling bevat, indien de
werkgever ter zake schriftelijke overeenstemming heeft bereikt met de
ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de
personeelsvertegenwoordiging, met dien verstande dat de werknemer bij
afwijking van artikel 4:6 ten minste recht houdt op het wettelijk
minimum aan vakantieaanspraken.
HOOFDSTUK 5
Kort-
en langdurend zorgverlof
AFDELING
1
Kortdurend
zorgverlof
§
1. Verlofvorm
Art.
5:1. Kortdurend zorgverlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2004, 306; Stb. 2013, 72]
-1. De werknemer heeft recht op verlof voor de noodzakelijke
verzorging in verband met ziekte van een persoon als bedoeld in het
tweede lid.
-2. Onder een persoon als bedoeld in het eerste
lid wordt
verstaan:
a. de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie de
werknemer ongehuwd samenwoont;
b. een inwonend kind tot wie de werknemer als ouder in een
familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van de echtgenoot, de geregistreerde partner of de
persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem
in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een
pleegcontract als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet
op de jeugdzorg;
e. een bloedverwant in de eerste graad, niet zijnde een kind.
Art.
5:2. Duur verlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb. 2005, 274]
Het verlof bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden
ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week. De periode van twaalf maanden gaat in op de eerste dag waarop het
verlof wordt genoten.
§
2. Melding en informatie
Art.
5:3. Meldingsverplichting [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
De werknemer meldt vooraf aan de werkgever dat hij het verlof,
bedoeld in
artikel 5:1, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit
niet mogelijk is, meldt de werknemer het opnemen van het verlof zo
spoedig mogelijk aan de werkgever onder opgave van de reden. Bij die
melding geeft de werknemer ook de omvang, de wijze van opneming en de
vermoedelijke duur van het verlof aan.
Art.
5:4. Ingang verlof / zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. Het verlof gaat in op het tijdstip waarop de werknemer het
opnemen ervan meldt aan de werkgever.
-2. Het verlof vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de
werkgever aan de werknemer kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen van
het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft dat het belang van de
werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet
wijken.
-3. Een werkgever die nadat een melding door de werknemer, niet
zijnde een militaire ambtenaar, hem bereikt heeft en naar aanleiding
daarvan geen beroep doet op een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang,
kan dit nadien evenmin.
Art.
5:5. Informatieverplichting [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij
aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met
de noodzakelijke verzorging van een persoon als bedoeld in
artikel 5:1.
§
3. Loonvoorschriften
Art.
5:6. Loondoorbetaling [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb.
2004, 311; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 708]
-1. Voor
zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van
één dag, behoudt
de werknemer die anders dan op grond van een publiekrechtelijke
aanstelling arbeid verricht, gedurende het verlof, bedoeld in
artikel 5:1, recht op 70% van het loon, maar ten minste op het voor hem geldende
wettelijk minimumloon.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
werknemer die arbeid verricht op grond van een publiekrechtelijke
aanstelling.
Art.
5:7. Nadere loonvoorschriften [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. Indien de werknemer op grond van enige wettelijk
voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig
fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling, een geldelijke
uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die
uitkering.
-2. Het loon wordt verminderd met het bedrag van de door de
werkgever vergoede onkosten die de werknemer door het niet verrichten
van zijn arbeid heeft bespaard.
§
4. Nadere voorschriften
Art.
5:8. Samenloop [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
Indien zowel de in artikel 4:1 als de in
artikel 5:1 gestelde
voorwaarden worden vervuld, eindigt het in artikel 4:1
bedoelde verlof
na één dag.
AFDELING
2
Langdurend
zorgverlof
§
1. Verlofvorm
Art.
5:9. Langdurend
zorgverlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb. 2005, 274 + bis]
De werknemer heeft recht op verlof zonder behoud van loon voor de
verzorging van een persoon die levensbedreigend ziek is, indien het
betreft:
a. de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie
de werknemer ongehuwd samenwoont;
b. een kind tot wie de werknemer of de persoon, bedoeld in
onderdeel a, als ouder in een familierechtelijke betrekking staat,
dan wel een pleegkind van de werknemer als bedoeld in artikel
5:1, eerste lid, onderdeel d;
c. een bloedverwant in de eerste graad van de
werknemer.
Art.
5:10.
Omvang,
duur en invulling verlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb. 2005, 274
+ bis]
-1. Het verlof bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende
maanden ten hoogste zesmaal de arbeidsduur per week. De periode van
twaalf
maanden gaat in op de eerste dag waarop het verlof wordt genoten.
-2. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende een aaneengesloten
periode van ten hoogste twaalf weken.
-3. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft van de
arbeidsduur per week.
-4. In afwijking van het tweede en derde lid kan de werknemer de
werkgever verzoeken om:
a. verlof voor een langere periode dan twaalf weken tot ten
hoogste achttien weken; of
b. meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per
week.
§
2. Verlening, ingang en einde van verlof, informatie
Art. 5:11. Verzoek,
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang [Geschiedenis:
Stb. 2005, 274]
-1. De werknemer dient het verzoek om verlof ten minste twee weken
vóór
het beoogde tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk in bij de
werkgever onder opgave van de reden, de persoon die verzorging behoeft,
het tijdstip van ingang, de omvang, de voorgenomen duur van het verlof
en de spreiding van de uren over de week of het anderszins
overeengekomen tijdvak.
-2. De werknemer verstrekt desgevraagd aan de werkgever schriftelijk
aanvullende informatie waarover hij redelijkerwijs en op korte termijn
kan beschikken teneinde aannemelijk te maken dat is voldaan aan de op
grond van artikel 5:9 geldende voorwaarden.
De werkgever doet een schriftelijk verzoek tot het verstrekken van
aanvullende informatie binnen één week nadat het verzoek om verlof bij
hem is ingediend.
-3. De werkgever willigt het verzoek om verlof van de werknemer in,
tenzij hij tegen het opnemen van het verlof een zodanig zwaarwegend
bedrijfs- of dienstbelang heeft dat het belang van de werknemer
daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
-4. Een werkgever die geen beroep doet op een zwaarwegend
bedrijfs- of dienstbelang kan dit nadien evenmin, tenzij het een militaire ambtenaar
betreft.
-5. Indien de werkgever overweegt het verzoek om verlof niet of niet
geheel in te willigen, pleegt hij overleg met de werknemer over diens
verzoek. De beslissing op het verzoek om verlof wordt door de werkgever
schriftelijk aan de werknemer medegedeeld. Indien de werkgever het
verzoek niet of niet geheel inwilligt, wordt dit onder opgave van
redenen aan de werknemer medegedeeld.
-6. Indien de werkgever niet één week vóór het beoogde tijdstip van
ingang van het verlof de beslissing op het verzoek schriftelijk heeft
medegedeeld aan de werknemer, gaat het verlof in overeenkomstig het
verzoek van de werknemer. Zolang de werknemer niet heeft voldaan aan een
verzoek van de werkgever om informatie als bedoeld in het tweede lid,
wordt de in de eerste volzin bedoelde periode verlengd met het aantal
dagen dat de werknemer niet heeft voldaan aan het verzoek van de
werkgever.
Art. 5:12. Ingang
van het verlof [Geschiedenis:
Stb. 2005, 274]
-1. Het verlof, bedoeld in artikel 5:9, gaat
niet in voordat ten minste twee weken zijn verstreken nadat de werknemer
het verzoek om verlof, bedoeld in artikel 5:11,
heeft ingediend.
-2. In afwijking van het eerste lid kan het verlof op verzoek van de
werknemer ingaan op een eerder tijdstip indien de werkgever daarmee
instemt.
Art. 5:13. Einde
van het verlof [Geschiedenis:
Stb. 2005, 274]
-1. Het verlof eindigt met het verstrijken van de duur waarvoor het
verlof is verleend.
-2. Indien vóór het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde
verlofduur de persoon ten behoeve van wiens verzorging het verlof is
verleend, overlijdt, dan wel niet langer levensbedreigend ziek is,
eindigt het verlof met ingang van de dag na die waarop deze
omstandigheid zich heeft voorgedaan.
§
3. Samenloop
Art. 5:14.
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 274]
Indien het verzoek om langdurend zorgverlof wordt ingewilligd, kan het
daaraan voorafgaand kortdurend zorgverlof, bedoeld in artikel
5:1, op verzoek van de werknemer en met inachtneming van artikel
5:12, tweede lid, geheel of gedeeltelijk worden aangemerkt als
langdurend zorgverlof.
AFDELING
3
Nadere voorschriften
Art. 5:15. Compensatie
met vakantieaanspraken [Geschiedenis:
Stb. 2005, 274]
Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet
verricht wegens het verlof, bedoeld in artikel
5:1 of artikel 5:9, kunnen niet worden
aangemerkt als vakantie.
Art. 5:16. Recht
met afwijkingsmogelijkheden [Geschiedenis:
Stb. 2005, 274]
Van dit hoofdstuk kan uitsluitend ten nadele van de werknemer worden
afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan dan wel, indien geen
collectieve arbeidsovereenkomst of regeling van toepassing is of ter
zake
geen bepaling bevat, indien de werkgever ter zake schriftelijke
overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of, bij het
ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging, met dien
verstande dat de werknemer bij afwijking van artikel
5:15 ten minste recht houdt op het wettelijke minimum aan
vakantieaanspraken.
HOOFDSTUK 6
Ouderschapsverlof
§
1. Verlofvorm
Art.
6:1. Ouderschapsverlof [Geschiedenis:
versie 16 november 2001]
-1. De werknemer die als ouder in familierechtelijke
betrekking staat tot een kind heeft recht op verlof zonder behoud van
loon. Indien de werknemer met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan
één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er
ten aanzien van ieder van die kinderen recht op verlof.
-2. De werknemer die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam
de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft
genomen, heeft recht op verlof zonder behoud van loon. Indien de
werknemer met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de
verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen,
bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op verlof. In
alle andere gevallen waarin de in de eerste volzin gestelde voorwaarden
voor meer dan één kind met ingang van hetzelfde tijdstip worden
vervuld, bestaat er slechts recht op één keer verlof.
-3. Indien de arbeid buiten Nederland wordt verricht, heeft de
werknemer recht op het verlof, bedoeld in dit artikel, tenzij een
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
Art.
6:1a. Bescherming tegen benadeling
[Geschiedenis:
Stb. 2012, 152]
De werkgever mag de werknemer niet
benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte
het recht op verlof, bedoeld in artikel 6:1, geldend maakt of ter zake
bijstand heeft verleend.
Art.
6:2. Omvang, duur en invulling verlof [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb. 2008, 565 + bis]
-1. Het aantal uren verlof waarop de werknemer ten hoogste
recht heeft, bedraagt zesentwintigmaal de arbeidsduur per week.
-2. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende een
aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf maanden.
-3. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft
van de arbeidsduur per week.
-4. In afwijking van het tweede en derde lid kan de werknemer de
werkgever verzoeken om:
a. verlof voor een langere periode dan twaalf maanden; of
b. het verlof op te delen in ten hoogste zes perioden, waarbij iedere
periode ten minste één maand bedraagt; of
c. meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week.
-5. De werkgever kan het verzoek van de werknemer, bedoeld in het
vierde lid, afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang
zich hiertegen verzet.
-6. Indien het verlof op grond van het vierde lid, onderdeel
b, is
opgedeeld en de arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat het verlof
volledig is genoten, heeft de werknemer, indien hij een nieuwe
arbeidsovereenkomst aangaat, tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op
het resterende deel van het verlof met inachtneming van het bepaalde in
dit hoofdstuk.
Art.
6:3. Diensttijd [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
-1. Het recht op verlof, bedoeld in
artikel 6:1, bestaat
indien de arbeidsverhouding ten minste één jaar heeft geduurd.
-2. Voor de berekening van de termijn van
één jaar worden perioden
waarin arbeid wordt verricht die elkaar opvolgen met een onderbreking
van niet meer dan drie maanden samengeteld. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing op perioden waarin voor verschillende
werkgevers arbeid wordt verricht die ten aanzien van de verrichte arbeid
redelijkerwijs geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.
Art.
6:4. Leeftijd kind [Geschiedenis:
versie 16 november 2001]
Geen recht op verlof als bedoeld in artikel 6:1 bestaat na de datum
waarop het kind de leeftijd van 8 jaar heeft bereikt.
§
2. Melding
Art.
6:5. Meldingsverplichting [Geschiedenis:
versie 16 november 2001]
-1. De werknemer meldt het voornemen om verlof op te nemen ten
minste twee maanden vóór het tijdstip van ingang van het verlof
schriftelijk aan de werkgever onder opgave van de periode, het aantal
uren verlof per week, of als de arbeidsduur over een ander tijdvak is
overeengekomen, over dat tijdvak en de spreiding daarvan over de week of
het anderszins overeengekomen tijdvak.
-2. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen
afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde
van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
-3. De werkgever kan, na overleg met de werknemer, de spreiding
van de uren over de week op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang wijzigen, tot vier weken vóór het tijdstip van ingang van
het verlof.
-4. Indien op grond van artikel
6:2, vierde lid, onderdeel
b, het
verlof is opgedeeld, zijn het eerste tot en met derde lid op iedere
periode van toepassing.
Art.
6:6. Intrekking of wijziging melding [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2007, 551]
-1.
De werkgever stemt in met een verzoek van de werknemer om het verlof
niet op te nemen of niet voort te zetten als gevolg van het opnemen van
zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof als bedoeld in de artikelen
3:1, eerste lid, onderscheidenlijk 3:2, eerste
lid. Een verzoek om het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten
op grond van onvoorziene omstandigheden kan de werkgever afwijzen indien
een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
-2. De werkgever hoeft aan het verzoek niet met ingang van een
vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. In het
geval dat het verlof met toepassing van het eerste lid, eerste volzin,
na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, wordt het
recht op het overige deel van het verlof opgeschort. In het geval dat
het verlof met toepassing van het eerste lid, tweede volzin, na het
tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op
het overige deel van het verlof.
-3. Indien op grond van artikel
6:2, vierde lid, onderdeel
b, het
verlof is opgedeeld, zijn het eerste en tweede lid op iedere periode van
toepassing.
§
3. Nadere voorschriften
Art.
6:7. Compensatie met vakantieaanspraken [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet
verricht wegens het verlof, bedoeld in artikel 6:1, kunnen niet worden
aangemerkt als vakantie.
§
4. Mate van gebondenheid
Art.
6:8. Recht
met afwijkingsmogelijkheden [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 274 + bis; Stb.
2007, 551]
Van de artikelen 6:1, derde lid, 6:2, vierde lid, onderdeel b,
6:3,
eerste lid, 6:4, 6:5, eerste lid, ten aanzien van het tijdstip van
melding, en tweede lid, en 6:6, eerste lid, tweede
volzin, en tweede lid, derde volzin, kan uitsluitend ten nadele van de
werknemer worden afgeweken bij
collectieve arbeidsovereenkomst.
Art.
6:9. Dwingend recht [Geschiedenis:
versie 16 november 2001]
Behoudens artikel 6:8 kan van dit hoofdstuk niet ten nadele van de
werknemer worden afgeweken.
HOOFDSTUK 7
Levensloopregeling
Art.
7:1. Begrippen [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 115; Stb. 2005, 274
+ bis; Stb.
2005, 683; Stb. 2011, 670]
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g
van de Wet
op de loonbelasting 1964;
b. uitvoerder: een bank, een verzekeraar of een
beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g, derde
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art.
7:2. Recht
op deelname [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 115; Stb. 2005, 274
+ bis; Stb.
2005, 683]
-1. De werknemer heeft onder bij en krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 gestelde voorwaarden elk kalenderjaar recht deel te nemen aan een
levensloopregeling.
-2. De werkgever draagt het op verzoek van de werknemer ter zake van een
levensloopregeling ingehouden loon af aan de door de werknemer
aangewezen uitvoerder.
-3. Bij het in het tweede lid bedoelde verzoek geeft de werknemer kennis
aan de werkgever van de hoogte van het per kalenderjaar in te houden en af te dragen
loon.
-4. De werkgever willigt het verzoek in uiterlijk met ingang van de
aanvang van de derde kalendermaand na de indiening ervan.
-5. De werknemer kan het in het tweede lid bedoelde verzoek slechts één
keer per jaar doen, met dien verstande dat de werknemer te allen tijde
kan verzoeken om de inhoudingen en afdrachten
te beëindigen.
Art.
7:3. Mate
van gebondenheid [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2003,
376; Stb. 2005, 115;
Stb. 2005, 274 + bis]
Van dit hoofdstuk kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
[HOOFDSTUK 7
Loopbaanonderbreking
Vervallen
AFDELING 1
Algemene bepalingen
Vervallen
Art.
7:1. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 115; Stb. 2005, 274
+ bis]
Art.
7:2. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 115; Stb. 2005, 274
+ bis]
Art.
7:3. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2003,
376; Stb. 2005, 115;
Stb. 2005, 274 + bis]
Art.
7:4. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 274 + bis]
AFDELING 2
Financiële tegemoetkoming
Vervallen
§ 1. Aanvraag
Vervallen
Art.
7:5. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2005, 274 + bis]
§ 2. Financiële tegemoetkoming
Vervallen
Art.
7:6. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stcrt. 2001, 234;
Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 274 + bis]
Art.
7:7. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb. 2005, 274 + bis]
Art.
7:8. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 274 + bis]
Art.
7:9. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 274 + bis]
Art.
7:10. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2005, 274 + bis]
Art.
7:11. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 274
+ bis]
Art.
7:12. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 274
+ bis]
Art.
7:13. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2005, 274 + bis]
Art.
7:14. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 274
+ bis]
§
3. Informatieverplichting
Vervallen
Art.
7:15. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 274
+ bis]
§
4. Boete
Vervallen
Art.
7:16. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2001, 664; Stb. 2001, 692;
Stb. 2005, 274 + bis]
Art.
7:17. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 274
+ bis]
Art.
7:18. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2005, 274 + bis]
Art.
7:19. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 274
+ bis]
Art.
7:20. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 274
+ bis]
Art.
7:21. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001;
Stb. 2005, 274 + bis]
Art.
7:22. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 717;
Stb. 2005, 274 + bis;
Stb. 2005,
573],
red.]
HOOFDSTUK
8
Slotbepalingen
Art.
8:1. Evaluatiebepaling [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
Onze
Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van
deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Art.
8:2. Inwerkingtreding [Geschiedenis:
MvT; versie 16 november 2001]
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 20 november 2001, Stb. 2001, 569, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 december 2001, red.
Art.
8:3. Citeertitel [Geschiedenis:
versie 16 november 2001]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet arbeid en zorg.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
16 november 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.E. Verstand-Bogaert
De Minister van
Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
De Staatssecretaris
van Defensie,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de negenentwintigste
november 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|