|
Het voorstel van een
geclausuleerd recht op langdurend zorgverlof zal nog nader worden
uitgewerkt. Zo vormen de kring van zorgvragers (zoals kinderen, partner en
ouders) alsmede de precieze duur van dit zorgverlof onderwerp van een
verkenning. Ook de mogelijkheid van betaling van het langdurig zorgverlof en
het niveau van een eventuele betaling zal in deze verkenning worden
meegenomen. Deze verkenning geschiedt in overleg met het ministerie van
VWS en wordt uitgevoerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau
(SCP) en het Centraal Planbureau (CPB). Het ligt in de bedoeling deze
verkenning eind 2000 af te ronden.
In deze verkenning zal
ook aandacht worden besteed aan betaald ouderschapsverlof. Het kabinet maakte eind
mei bekend te zullen komen met een (fiscale)
stimuleringsregeling ten behoeve van betaald ouderschapsverlof. Het uitgewerkte voorstel
voor een dergelijke stimuleringsregeling zal in september 2000 aan
de Tweede Kamer worden voorgelegd. Ondertussen zal door het CPB op basis
van de gegevens uit de evaluatie van de wettelijke regeling
ouderschapsverlof een kosten-batenanalyse van rblz.|8|
(varianten van) betaald
ouderschapsverlof worden verricht. De resultaten daarvan zullen op een
zodanig moment beschikbaar komen dat ze een rol spelen in de uitwerking
van de voorgenomen stimuleringsregeling.
De regering onderzoekt
tevens de vraag of, en zo ja, welke maatregelen voor zelfstandigen
gewenst en mogelijk zijn naast de zwangerschaps-, bevallings- en adoptie-uitkering. Daarom gaat de regering na welke
belemmeringen
zelfstandigen ondervinden bij het combineren van arbeid en zorg en aan welke
oplossingen gedacht kan worden. Ook wilde het kabinet een
beeld krijgen van succesvolle strategieën die ondernemers in het
midden- en kleinbedrijf inzetten bij tijdelijke vervanging van personeel in verband
met langerdurend verlof. Daartoe is een kleinschalig casestudie-onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zullen in het najaar
bekend worden gemaakt.
Overige voorstellen uit
de discussienota arbeid en zorg
Het kabinetsstandpunt
over de discussienota arbeid en zorg bevat tevens voorstellen die in andere
trajecten zullen worden uitgewerkt en in andere wetsvoorstellen zullen
worden opgenomen. Het betreft allereerst het onderdeel verlofsparen,
waarvoor de fiscale wetgeving wordt aangepast. Hiertoe is op 2 december
1999 een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II
1999-2000, 26 941, nrs. 1-3). Het ligt in de bedoeling de regeling nog dit jaar van kracht te
laten worden.
Daarnaast wordt in het
kabinetsstandpunt voorgesteld om voor alleenstaande ouders in de bijstand met
een kind jonger dan vijf jaar een partiële
activeringsplicht in te voeren. Tijdens het overleg met de Tweede Kamer op 25 oktober 1999
is gebleken dat over dit punt bij de Kamer reserves bestaan. Het
standpunt van de Tweede Kamer is neergelegd in de motie-Bussemaker/Schimmel
(Kamerstukken II 1999-2000, 26 447, nr. 27). Na het zomerreces zal een reactie op deze motie naar de Tweede
Kamer worden gezonden.
Het budget voor de
regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang voor alleenstaande ouders
in de bijstand [zie Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2001, red.] is inmiddels voor het jaar 2000 uitgebreid van
ƒ92 naar ƒ123 miljoen. Deze uitbreiding is onder meer bedoeld om te voorzien in
de extra behoefte aan kinderopvang die zou ontstaan bij de invoering
van de hiervoor genoemde partiële activeringsplicht.
Een verbetering van de
kinderopvang voor werkzoekenden met een uitkering van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] zal wettelijk worden geregeld. De
regeling kan naar verwachting per 1 januari 2001 ingaan en zal te zijner
tijd in de Wet basisvoorziening kinderopvang [zie Wet
kinderopvang, red.] worden opgenomen.
Tot slot zou de
Pensioen- en
spaarfondsenwet worden aangepast wanneer uit onderzoek zou
blijken dat het risico van overlijden en arbeidsongeschiktheid tijdens (onbetaald)
verlof in de diverse pensioenregelingen niet goed is geregeld.
Ook werd er een onderzoek aangekondigd naar de vrijwillige
voortzetting tijdens de verlofperiode van de premiebetaling voor het
ouderdomspensioen. Binnenkort zal het rapport "Verlof en pensioenen"
met de resultaten van het gehele onderzoek naar de dekking van het risico
van overlijden en arbeidsongeschiktheid tijdens onbetaald verlof aan de
Tweede Kamer worden aangeboden. Deze resultaten laten een positief beeld
van de pensioenregelingen zien. Daarom is de regering tot het oordeel
gekomen dat zij het recht op risicodekking in geval van arbeidsongeschiktheid en overlijden tijdens onbetaald verlof, respectievelijk het
recht
op voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen tijdens onbetaald
verlof
niet wettelijk behoeft te regelen.
rblz.|9|
2. Wet
arbeid en zorg
2.1. Inleiding
In het regeerakkoord is
afgesproken dat de bestaande wettelijke verlofregelingen in één samenhangend
wettelijk kader zullen worden opgenomen: de Wet arbeid en
zorg.
Doel van deze wet is te bevorderen dat blijvende
arbeidsparticipatie aantrekkelijker wordt dan uittreden. Daarnaast dient de wet ertoe bij te
dragen dat naast het werk ook tijd overblijft voor taken buiten de
betaalde arbeid. Dit leidt tot een wet die enerzijds in de plaats komt van een
aantal bestaande wettelijke verlofregelingen (die op elkaar afgestemd
worden) en anderzijds bestaat uit nieuwe onderwerpen. De Wet arbeid en zorg
wordt van toepassing op alle werkenden (werknemers, ambtenaren
en, daar waar aan de orde, zelfstandigen) en op alle werkgevers in alle
sectoren.
2.2. Noodzaak van nieuwe
verlofregelingen
Van de
Wet arbeid en zorg
zullen een aantal nieuwe onderwerpen deel uitmaken. Het betreft het
betaald kortdurend zorgverlof, het verlof en de uitkering bij adoptie, het kraamverlof en de flexibilisering van het ouderschapsverlof.
Daarnaast wordt aan de
reeds bestaande uitkering bij zwangerschap en bevalling een
expliciet verlofrecht toegevoegd.
In deze paragraaf wordt
gewezen op knelpunten bij de combinatie van arbeid en zorg en worden
daarvoor oplossingen geboden.
Bestaande knelpunten
Zoals in de discussienota
arbeid en zorg is aangegeven en hiervoor in hoofdstuk 1 is samengevat
doen zich bij werkenden bij de combinatie van arbeid en zorg knelpunten
voor. Met name de mogelijkheden voor het combineren van
incidentele zorgtaken als gevolg van bijzondere omstandigheden (zoals bij ziekte van een
kind) met arbeid is, ook in vergelijking tot andere Europese
landen, voor verbetering vatbaar. De problemen van het combineren van arbeid
en zorg ziet de regering niet uitsluitend als een
privéverantwoordelijkheid
van de werknemer. Ook de overheid en de werkgever dragen daarbij
een zekere verantwoordelijkheid.
De
Waa levert een
belangrijke bijdrage aan een structurele afstemming van de voor arbeid
én
zorg beschikbare tijd. Daarmee kan echter niet worden voorzien in de meer incidentele
"pieken" in de zorgtaken als
gevolg van bijzondere omstandigheden. De bestaande aanspraken op calamiteitenverlof,
vakantie- en ADV-dagen [ADV: arbeidsduurverkorting, red.] schieten tekort. Vakantiedagen hebben primair een
recuperatiefunctie. Deze aanspraken zijn in eerste aanleg niet bedoeld voor
het verrichten van die zorgtaken. Indien voor het verrichten van zorgtaken
deze dagen aangesproken moeten worden gaat dit, zeker bij cumulatie
van zulke bijzondere omstandigheden, te zeer ten koste van de aanspraak op
vakantieverlof en doet dit afbreuk aan de recuperatiefunctie van
vakantie met alle ongewenste gevolgen van dien. De meeste werkenden
hebben naast de wettelijke vakantiedagen echter ook de beschikking over
een (wisselend) aantal bovenwettelijke vakantiedagen en veelal ook
roostervrije en ADV-dagen. Met een wetsvoorstel ter wijziging van de huidige
vakantiewetgeving (Kamerstukken II 1998-1999, 26 079) wordt in de loop van 2000 meer flexibiliteit
ingebouwd waardoor werkgever en werknemer gemakkelijker afspraken op maat kunnen
maken, al naar gelang de omstandigheden, wensen en behoeften. Zo
wordt onder meer de verjaringstermijn van aanspraken op
vakantierechten verlengd, waardoor werknemers langer voor verlof kunnen
sparen.
Toch voorzien ook de
bovenwettelijke vakantiedagen en de roostervrije en ADV-dagen niet in
voldoende mate in de behoeften aan verlof voor rblz.|10|
zorgverantwoordelijkheden.
Het aantal van deze dagen is doorgaans beperkt en niet iedere werkende
heeft daarover de beschikking. Daarnaast wordt de opname ervan veelal
tevoren ingepland en betrokken bij de vaststelling van het structurele arbeidspatroon, zodat dit geen uitkomst biedt in
bijzondere
omstandigheden. De regering is dan ook van mening dat er een zelfstandige
aanspraak op verlof dient te bestaan in geval van sommige "incidenten".
Kring van gerechtigden
De
Wet arbeid en zorg zal
van toepassing zijn op werknemers in de zin van de wet, dat wil zeggen op
degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of
publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht voor een ander (op werknemers
en ambtenaren).
Ook bij zelfstandigen
kunnen zorgtaken in de weg staan aan de uitoefening van arbeid en in die
situaties (net als bij werknemers) kan een (financiële) voorziening opportuun
zijn. Zo bestaat de kring van gerechtigden bij zwangerschap, bevalling
en adoptie niet alleen uit werknemers, maar ook uit zelfstandigen,
beroepsbeoefenaren op arbeidsovereenkomst en zogenaamde gelijkgestelden.
Zelfstandigen hebben echter meer dan werknemers de mogelijkheid en de
ruimte om zelf prioriteiten te stellen en beslissingen te nemen als zich
plotseling fricties voordoen tussen arbeid en zorg, dan wel daarvoor
tevoren een voorziening te treffen. Er bestaat bij hen geen gezagsverhouding
noch een verplichting om arbeid te verrichten. Zij hoeven
daarom geen verlof aan een derde te vragen. Dat betekent dat het creëren
van verlofrechten zoals het geclausuleerde kortdurend betaalde
zorgverlof bij
hen niet relevant is.
Beoogde oplossingen
Afhankelijk van hun
levensfase variëren de afwegingen die worden gemaakt met betrekking
tot zorgtaken en de mogelijkheid en wenselijkheid om daarnaast betaalde arbeid te verrichten. Zo is de zorg voor
kinderen voor werkenden
een belangrijk element bij beslissingen die zij nemen over de deelname
aan betaalde arbeid en (in het overleg met de werkgever) over de
inrichting van de werktijd. Het kabinet wil de factoren die hierop betrekking
hebben beïnvloeden.
Ook is er aandacht voor
het bieden van meer mogelijkheden om zelf zorgen en uitbesteding
van zorg (kinderopvang) te combineren. Het kabinet en sociale partners investeren dan ook fors in een structurele
uitbreiding van het
aantal kinderopvangplaatsen. Dat blijft buiten het kader van dit
wetsvoorstel.
Het kabinet ziet binnen
dit kader twee hoofdlijnen om de bedoelde afwegingsruimte vergroten
en de genoemde knelpunten op te lossen:
1. bevordering van de
arbeidsparticipatie door een zodanige flexibilisering van arbeidsvoorwaarden
(door het creëren van aanvullende verlofaanspraken) dat in situaties waarin zich een incidentele of
onvoorziene noodzaak tot
verlening van zorg voordoet, die zorg door de werkende verleend kan
worden zonder dat het (blijven) verrichten van betaalde arbeid in de
waagschaal wordt gesteld;
2. het treffen van
voorzieningen die eraan bijdragen dat de zorgvraag die ontstaat door de
toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen (deels) kan worden opgevangen
door mannen meer te laten zorgen (naast het vergroten van de mogelijkheden tot het uitbesteden van zorg middels
opvangvoorzieningen).
In
dit wetsvoorstel kiest
de regering voor de invoering van de volgende regelingen.
rblz.|11|
1. Recht op kortdurend
zorgverlof
Uit een recent onderzoek
van de Arbeidsinspectie ¹ naar het voorkomen van arbeid- en
zorgbepalingen in CAO’s blijkt dat voor 79% van de werknemers geen afspraken zijn
vastgelegd over zorgverlof voor zieke kinderen en partner. Slechts in de
helft van de CAO’s met een dergelijke bepaling over zorgverlof gaat het om
betaald verlof.
Gezien de in de vorige
paragraaf aangegeven hoofdlijnen acht de regering een kortdurende
zorgverlofregeling wel noodzakelijk.
De regering introduceert
daarom voor werknemers een recht op een kortdurend betaald zorgverlof van
ten hoogste tien dagen per jaar om bij ziekte van thuiswonende
kinderen, pleegkinderen en partner de noodzakelijke zorg te kunnen verlenen.
Dit verlofrecht voor werknemers draagt ertoe bij dat
zorgbehoeften waarvan voorzienbaar is dát die zich op enig moment tijdelijk en voor
korte duur kunnen voordoen, maar waarvan niemand tevoren weet
wannéér, buiten beschouwing kunnen blijven bij de eventuele combinatie
van arbeid en zorg en de daarop afgestemde inrichting van de arbeidsverhouding. De omstandigheid dat in algemene
zin voorzienbaar is dat
op onverwachte momenten extra zorg verleend moet worden, dient niet
te leiden tot een "keuze" om van arbeidsparticipatie af te zien. Een
verlofrecht zonder inkomen biedt de werknemer onvoldoende zekerheid
voor daadwerkelijk gebruik. Een vorm van inkomen is belangrijk om
de drempel voor gebruik zo laag mogelijk te maken en dus de
mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren te vergroten. Voorts draagt
de garantie van een inkomen eraan bij dat ook mannen van het verlof
gebruik zullen maken.
1. Arbeidsinspectie:
Arbeid en zorg in CAO’s in 1998, januari 2000. Het
betreft een onderzoek onder een
standaardsteekproef van 132 CAO’s in de marktsector, de
zorgsector en de overheidssector. Deze steekproef omvat
alle bedrijfstak-CAO’s van
toepassing op 5000 of meer werknemers en alle ondernemings-CAO’s met 2000 of meer
werknemers. Tezamen zijn deze CAO’s
van toepassing op 4,7 mln werknemers (90%
van het totale aantal werknemers onder
een CAO). Het betreft CAO’s waarvan
de expiratiedatum op of na 31 december 1998
valt.
2. Tweedaags kraamverlof
Het voorgestelde recht op
een tweedaags kraamverlof voor werknemers richt zich op partners
(vooral mannen). Uit het eerder aangehaalde onderzoek van de Arbeidsinspectie
naar arbeid- en zorgbepalingen in CAO’s blijkt dat in 1998 91% van de
onderzochte CAO’s een regeling bevat over kraamverlof en dat dit betrekking
heeft op 70% van de werknemers in de steekproef. In deze CAO’s is sprake
van een betaald kraamverlof, waarvan de duur varieert van één
tot vijf dagen. Uit het onderzoek blijkt dat er in 1998 een lichte daling te zien
is in het percentage CAO’s met bepalingen over kraamverlof (in 1990 was het
percentage 95).
De Stichting van de
Arbeid ¹ heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere wettelijke
regeling omdat één en ander reeds in CAO’s is geregeld. Bovendien kan
in CAO’s worden geregeld dat de werknemer zonder meer het recht heeft om in aanvulling op het bestaande kraamverlof
een aantal dagen vakantie
op te nemen voor verlof in de kraamperiode. Daarbij wordt door de
Stichting gewezen op een toename van het aantal CAO’s waarin
meer dan twee dagen kraamverlof is afgesproken (volgens het onderzoek
van de Arbeidsinspectie van 5% in 1990 tot 14% in 1998). Hetgeen overigens
nog steeds een gering percentage is. Naar het oordeel van de regering
is de geboorte van een kind een zo belangrijke gebeurtenis dat een recht
op twee dagen kraamverlof aan iedere werknemer dient toe te komen. Dit
behoort niet afhankelijk te zijn van contractuele afspraken.
1. Stichting van de
Arbeid. Advies over voorstellen voor een
Algemene Wet Arbeid en Zorg van 2 juni 1999.
3. Splitsing
ouderschapsverlof
Het geclausuleerde recht
op splitsing van het ouderschapsverlof in maximaal drie delen draagt ertoe
bij dat het verlof kan worden opgenomen op de momenten waarop de
behoefte eraan in verband met zorgtaken het grootste is (bijvoorbeeld
in lange schoolvakanties) en zonder dat dit leidt rblz.|12|
tot spanning in de
arbeidsverhouding. Dit vergemakkelijkt de arbeidsparticipatie van werknemers.
4. Verlof en uitkering
bij adoptie
Omdat voor het welslagen
van de adoptie de eerste periode van binding van belang is, stellen
adoptiefouders veel belang in de zorg ten tijde van de opname van het kind in
het gezin. Met het voorgestelde recht op verlof en uitkering bij adoptie
wordt voorkomen dat adoptiefouders vakantiedagen moeten opnemen voor
adoptie. De uitkering komt eveneens toe aan niet-werknemers,
zoals zelfstandigen.
Blijkens het eerder
genoemde onderzoek van de Arbeidsinspectie zijn voor 58% van de werknemers op wie een CAO van toepassing
is geen
afspraken over
adoptieverlof in de CAO opgenomen en gaat het in de meerderheid van de
afspraken over één of twee dagen betaald verlof. Ook de Stichting van de
Arbeid heeft een wettelijke uitkering bepleit, zoals in dit wetsvoorstel is
vormgegeven.
2.3. Keuze voor wetgeving
Zoals uit de voorstellen
blijkt, kiest de regering voor wetgeving. Er is een groot maatschappelijk
belang gemoeid met het bevorderen van een betere balans tussen arbeid en zorg. Zonder wettelijke ondersteuning
wordt er naar de mening
van de regering te weinig vooruitgang geboekt. Zo blijkt uit een eerder
aangehaald onderzoek van de Arbeidsinspectie onder 132 CAO’s dat na
een aanvankelijke groei in het begin van de jaren negentig er in de laatste
jaren sprake is van een stabilisatie in het percentage CAO’s met een
verlofbepaling.
Schema 2: Ontwikkeling in
percentage CAO’s met bepaling 1990-1998:
| Aardvbepalingxxxxxxxxxxx |
x1990x |
x1996x |
x1997x |
x1998x |
Bovenwettelijke
afspraken zwangerschaps- en bevallingsverlof: |
8%xx |
7%xx |
6%xx |
5%xx |
| Kraamverlof: |
95%xx |
94%xx |
91%xx |
91%xx |
| Adoptieverlof: |
21%xx |
42%xx |
42%xx |
40%xx |
| Ouderschapsverlof: |
27%xx |
53%xx |
52%xx |
40%xx |
| Calamiteitenverlof: |
|
|
37%xx |
23%xx |
| Zorgverlof: |
|
|
14%xx |
20%xx |
Verlofsparen:
x |
|
|
17%xx |
28%xx |
Het percentage CAO’s
met een regeling voor verlofsparen neemt nog toe, maar zoals blijkt uit
schema 3 hebben de bepalingen maar zelden betrekking op zorg- of ouderschapsverlof.
Schema 3: Percentage CAO’s
met bepaling in 1998 en desbetreffende percentage werknemers:
| Aard bepaling |
Percentage
CAO's |
Percentage
werknemers |
| zwangerschaps- en
bevallingsverlof: |
39%xxx |
40%xxx |
| met bovenwettelijke
regeling: |
5%xxx |
|
| kraamverlof: |
91%xxx |
79%xxx |
| verlof van meer dan 2
dagen: |
14%xxx |
|
| adoptieverlof: |
40%xxx |
42%xxx |
| verlof van meer dan 2
dagen: |
14%xxx |
|
| ouderschapsverlof: |
50%xxx |
41%xxx |
| betaald verlof: |
5%xxx |
|
| verlof van 8 maanden of
meer: |
11%xxx |
|
| calamiteitenverlof: |
24%xxx |
29%xxx |
| betaald verlof: |
18%xxx |
|
| verlof
van meer dan 3 dagen: |
12%xxx |
|
| zorgverlof: |
19%xxx |
21%xxx |
| betaald verlof: |
10%xxx |
|
| verlof van meer dan 1
maand: |
5%xxx |
|
| concrete afspraken
loopbaanonderbreking: |
18%xxx |
25%xxx |
| betaald verlof: |
2%xxx |
|
| onderdeel
verlofspaarregeling: |
6%xxx |
|
| verlofsparen: |
28%xxx |
42%xxx |
| met gespecificeerd doel: |
19%xxx |
|
| met doel
zorg-/ouderschapsverlof: |
6%xxx |
|
| Totaal: |
132 CAO’s |
4,7
mln werknemers |
rblz.|13|
CAO’s waarin een recht
op betaald verlof is vastgelegd, zijn schaars. Verlofregelingen gelden
(met uitzondering van het kraamverlof) voor (veel) minder dan de
helft van de CAO’s en CAO’s met bepalingen voor langdurend verlof komen
maar weinig voor.
Naar de mening van de
regering is derhalve een nadere wettelijke regeling van betaald zorgverlof
geboden. Een wettelijke regeling bevordert ook de gelijkheid tussen
werknemers, de rechtszekerheid en de duidelijkheid. Verder worden de verantwoordelijkheden en kosten op evenwichtige
wijze verdeeld over
individuele werknemers en werkgevers en levert ook de overheid een bijdrage
door middel van een gedeeltelijke financiering van het kortdurend
zorgverlof. Daar waar mogelijk wordt er ruimte gelaten om door
CAO-afspraken of anderszins tot andere of aanvullende afspraken te komen,
bijvoorbeeld ten aanzien van splitsing van ouderschapsverlof.
De regering heeft de
regelgeving daarnaast zo ingericht dat die richtinggevend is voor het overleg
tussen werkgever en werknemer en het samen zoeken naar oplossingen
ondersteunt.
Een grens tussen
overheidsregulering en zelfregulering is in algemene zin niet exact te trekken. In
de afstemming tussen overheid en sociale partners wordt gezocht naar
complementariteit van beleid: op welke wijze kan regelgeving door de
overheid zelfregulering stimuleren en hier grenzen aan stellen. Zeker op het
terrein van de arbeidsverhoudingen gaat het om een goede balans tussen
overheidsregulering en zelfregulering, rekening houdend met onderscheiden
verantwoordelijkheden. Waar het de arbeidsvoorwaardenvorming betreft, zijn sociale
partners primair verantwoordelijk. Dit laat echter onverlet
de politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid van de overheid.
Het verbeteren van de
combineerbaarheid van arbeid en zorg dient niet alleen de belangen van
werkgevers en werknemers, maar er is ook een maatschappelijk belang
mee gediend, dat het privébelang van de individuele werknemer of werkgever
overstijgt. Daarom hebben niet alleen werkgevers en werknemers daarvoor een verantwoordelijkheid, maar ook
de overheid.
Voorts vervult de
overheid voor wat betreft arbeid en zorg een grotere en meer normerende rol
naarmate de werknemer daarbij meer gebaat is uit oogpunt van bescherming.
Bij die normering stelt de overheid zich terughoudend op en hebben de
voorgestelde regels een minimumkarakter. Tegen die achtergrond is
van belang dat een uniforme regeling tot stand komt die een ieder zo
nodig kan ondersteunen bij het combineren van arbeid en zorg. Steeds
meer mensen ondervinden daarbij belemmeringen; het stellen van
duidelijke regels geeft ordening en draagt ertoe bij dat onnodige conflicten
worden voorkomen.
Zowel bij sociale
partners als op de werkvloer is het draagvlak voor de door de regering beoogde
voorzieningen die arbeid en zorg beter combineerbaar maken, nog niet groot
genoeg om een belangrijke stap voorwaarts rblz.|14|
middels
zelfregulering te kunnen zetten. Op de overheid rust dan een eigen
verantwoordelijkheid om een impuls te geven en een norm te stellen.
Voor sociale partners
blijft ook op dit onderdeel een belangrijke rol weggelegd. Zo beveelt de
Stichting van de Arbeid in haar advies over de discussienota arbeid en zorg CAO-partijen aan om na te gaan in hoeverre
in ondernemingen arbeidsvoorwaardenregelingen kunnen worden
geïntroduceerd
die tegemoet komen aan de
verschillende wensen bij werknemers met onderling sterk
verschillende privéomstandigheden. Daarmee kan maatwerk tot stand
worden gebracht voor zowel de werkgever als de werknemer. De regering
ondersteunt deze aanbeveling ten volle.
Financieringsvorm
Wat betreft de
financiering van verlof zijn in de Wet arbeid en zorg drie vormen te onderscheiden:
1. financiering van het
verlof bij zwangerschap, bevalling en adoptie uit het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf) en het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen (Afz);
2. de financiële
tegemoetkoming in het kader van financiering loopbaanonderbreking vanuit het
AWf (aangevuld
met een rijksbijdrage ter grootte van de besparing
op de bijstandsuitkeringen);
3. en (gedeeltelijke)
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij het kortdurend zorgverlof
en het kraamverlof.
Ongeschiktheid tot werken
in verband met zwangerschap en bevalling moet weliswaar worden
onderscheiden van ziekte, maar heeft daarmee gemeen dat de ongeschiktheid tot werken een fysieke achtergrond heeft.
In verband hiermede en gelet op de verplichtingen neergelegd in internationale
verdragen, is in
voorliggend wetsvoorstel aangesloten bij de uitkeringssystematiek en
de financiering zoals die thans in de Ziektewet (ZW) en de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is vormgegeven. Gelet op dit
bestaande financieringskader is ervoor gekozen om de kosten van
uitkering bij adoptie op dezelfde wijze vorm te geven, ook al zijn de
achtergronden van het zwangerschaps- en bevallingsverlof enerzijds en het
adoptieverlof anderzijds niet dezelfde.
De financiële
tegemoetkomingen in het kader van de financiering loopbaanonderbreking zijn
overwegend gebonden aan de besparing van uitkeringsgelden uit
fondsen. Bovendien gaat het hier om langdurende uitkeringen zodat de
administratieve en uitvoeringslasten naar verhouding minder zwaar wegen.
De
aan de verlofganger toekomende uitkering wordt daarom via die
structuur betaald.
Bij het kortdurend
zorgverlof heeft de regering gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor
dit verlof gekozen om de kosten over de overheid, werkgevers en werknemers
te verdelen. Gelet op de administratieve en uitvoeringslasten is hier
gekozen voor een loondoorbetalingsverplichting voor werkgevers. Voor
nadere overwegingen zoals ten aanzien van de
uitvoerings- en administratieve lasten wordt verwezen naar hoofdstuk 6 van de
memorie van toelichting.
Bij kraamverlof kiest de
regering voor een volledige loondoorbetaling door de werkgever.
Argumenten hiervoor zijn de geringe frequentie waarmee dit verlof wordt
opgenomen, de beperkte omvang en duur ervan en de daaraan verbonden
navenant lage kosten.
In de
Wet arbeid en zorg
zijn verschillende verlofvormen opgenomen, waarbij de financiering
aansluit bij één van de hiervoor genoemde vormen dan wel sprake is van onbetaald verlof. Bij de nieuwe verlofvormen
(kraam-, adoptie- en
kortdurend zorgverlof) is vooralsnog voor de rblz.|15|
financiering nauw
aangesloten bij bestaande structuren en praktijken. In het licht van de
verkenning naar andere vormen van (betaald) verlof zal worden bezien welke
financiering daarbij het beste past, waarbij zowel naar oude als naar nieuwe
vormen zal worden gekeken.
2.4. Eén overkoepelende
wet
Naast nieuwe regels
worden in de Wet arbeid en zorg bestaande regelingen gebundeld en
gestroomlijnd. De wet regelt verlof en uitkering bij zwangerschap, bevalling
en adoptie, calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, kortdurend zorgverlof,
ouderschapsverlof, politiek verlof [is tijdens de parlementaire
behandeling van het onderhavige wetsvoorstel geschrapt, red.] en financiering loopbaanonderbreking.
Daarnaast is in een later stadium voorzien in een regeling van
langdurend zorgverlof en zal ook in een later stadium de Waa
in de wet worden
opgenomen.
De wet is in beginsel van
toepassing op degene die een arbeidsovereenkomst heeft naar burgerlijk
recht en op ambtenaren. Daarnaast kan op onderdelen de
werkingssfeer worden uitgebreid, zoals bijvoorbeeld gebeurt bij de regeling
van adoptie. Dit levert winst op in vergelijking met de huidige situatie
waarbij verschillende verlofregelingen voor diverse doelgroepen hun plaats
hebben gevonden in verschillende wetten.
In de
Wet arbeid en zorg
is sprake van een samenhangend systeem van verlofrechten en financiering. Dit betreft in de eerste plaats het verlof
vanwege de komst van en
hechting aan een kind. Dit omvat het zwangerschaps- en
bevallingsverlof en daarnaast het adoptie- en kraamverlof. Deze verlofvormen rond de
geboorte en komst van een kind zijn voor werknemers zo
essentieel dat er geen belemmering voor opname mag bestaan. Daarom wordt
voor deze verlofvormen een ongeclausuleerd wettelijk recht op een betaald verlof voorgesteld. Ook voor verlof voor
ouders met kinderen tot 8
jaar bestaat een ongeclausuleerd recht. Dit is een verlof van lange
duur en is vooralsnog onbetaald. De verkenning naar de mogelijkheid en
wenselijkheid van een collectieve financiering heeft ook op dit verlof
betrekking.
In de tweede plaats komt
er een recht op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof voor dezelfde situaties waarin nu op grond van het
BW
sprake is van een loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Dat wil
zeggen voor die
calamiteiten waarin de werknemer niet kan werken vanwege zeer bijzondere
persoonlijke omstandigheden of vanwege een door de wet of overheid
opgelegde verplichting. Aan dit ongeclausuleerde recht op
calamiteitenverlof en ander kort verzuimverlof blijft het behoud van loon gekoppeld.
In aanvulling hierop is
er in de derde plaats een verlof nodig wegens (noodzakelijke) kortdurende zorg voor zieke kinderen en partner om arbeid
en zorg goed te kunnen combineren. Omdat op het kortdurend zorgverlof een beroep wordt gedaan
in plotseling opkomende noodsituaties, is een afweging van de belangen
van werkgever en werknemer aan de orde. Een clausulering is derhalve
op zijn plaats. Bij de financiering van het kortdurende zorgverlof wordt een zo
evenwichtig mogelijke verdeling over werknemer, werkgever en
de overheid geregeld. Ook is een clausulering op zijn plaats bij het
recht op het in het regeerakkoord aangekondigde langdurend
(mantel)zorgverlof. Dit verlof is vooralsnog onbetaald. Er wordt een verkenning
uitgevoerd naar de mogelijkheid en wenselijkheid van een collectieve
financiering van dit verlof. Wel worden de bestaande financieringsmogelijkheden
vanuit de Wet financiering loopbaanonderbreking aangevuld met de
mogelijkheid van verlofsparen.
Verlof voor educatie is
in eerste instantie van belang voor de werknemer zelf. In het verlengde
daarvan is het ook van belang voor diens werkgever. De regering ziet hier
vooral een taak voor de sociale partners en ziet daarom geen aanleiding
hiervoor een wettelijk recht te creëren. Ook hier rblz.|16|
worden de bestaande
financieringsmogelijkheden vanuit de Wet financiering loopbaanonderbreking
aangevuld met de mogelijkheid van verlofsparen.
Door een bundeling van de
regelingen kunnen de uniformiteit, de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid
ervan worden vergroot. Zo kan in één wet de stroomlijning van regelingen voor werknemers en ambtenaren gestalte
krijgen. Voorts sluit
deze wet aan bij de ontwikkelingen die zich in de afgelopen jaren al hebben
gemanifesteerd ten aanzien van werknemers en ambtenaren waarbij
overheidspersoneel steeds vaker gelijk wordt gesteld aan werknemers,
ook in wet- en regelgeving. Daarnaast wordt de, in het wetsvoorstel aan
de verlofrechten verbonden, betaling geheel geregeld in de Wet arbeid en
zorg,
in plaats van in verschillende wetten. Zo zijn er naar de mening
van de regering betere condities aanwezig voor het bewaken van de samenhang
tussen de verschillende regelingen. De regeling van het kortdurend
zorgverlof brengt bijvoorbeeld met zich dat zowel voor werknemers als voor
ambtenaren een afbakening tot stand wordt gebracht met het
calamiteitenverlof, zoals dat thans in het Burgerlijk
Wetboek (BW) is geregeld.
De samenhang tussen beide verlofvormen kan het beste binnen die
zelfstandige wet worden gerealiseerd, waarin ook andere verlofvormen die
de combineerbaarheid van arbeid met andere verantwoordelijkheden
betreffen, hun plaats hebben gevonden.
De samenvoeging in een
zelfstandige wet van regelingen die beogen bij te dragen aan de combineerbaarheid van arbeid en zorg, geeft een goed
inzicht in de mate van
afstemming tussen die onderdelen en ook in de verbetering die daarin op
termijn nog kan worden gerealiseerd. Die signalering draagt ertoe bij dat er
een minder versnipperd beeld ontstaat en dat betere mogelijkheden
komen tot stroomlijning en integratie. Deze keuze past binnen het kader van
de hiervoor aangehaalde toezegging van het kabinet voornemens te
zijn om aan het eind van het wetgevingstraject arbeid en zorg de aspecten van integratie in bestaande wetten op zijn
merites te bezien.
2.5. Verschillende
onderdelen van de Wet arbeid en zorg
In de
Wet arbeid en zorg
worden in tranches de bestaande en nieuwe wettelijke verlofregelingen en de
Waa in één samenhangend wettelijk
kader opgenomen.
De eerste tranche omvat
de op 8 februari 2000 door de Eerste Kamer aanvaarde Waa.
De tweede tranche betreft
de regeling voor zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof.
De derde tranche omvat in
aanvulling op het calamiteitenverlof een geclausuleerd recht op
een kortdurend zorgverlof van ten hoogste tien dagen en een recht op
twee dagen kraamverlof. Daarnaast worden in deze tranche een aantal
bestaande verlofregelingen, zoals de wettelijke regeling van het
ouderschapsverlof, de Wet financiering loopbaanonderbreking en politiek verlof
[is tijdens de parlementaire behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel geschrapt, red.] overgeheveld. Tevens wordt splitsing van het ouderschapsverlof
mogelijk.
De regering heeft
besloten eerst de ervaringen met de Waa af te wachten alvorens deze wet naar de
Wet arbeid en zorg over te hevelen. Wel worden de tweede en derde
tranche van de Wet arbeid en zorg samengevoegd (Kamerstukken II 1999-2000, 26 477, nr.
34). Tegelijk met dit
wetsvoorstel Arbeid en zorg wordt een invoeringswetsvoorstel ingediend. Deze
invoeringswet bevat naast technische aanpassingen van andere
wetten, overgangs- en invoeringsbepalingen die vanwege de inwerkingtreding van de Wet arbeid en zorg noodzakelijk
zijn.
rblz.|17|
Dit onderhavige
wetsvoorstel omvat derhalve de tweede en derde tranche van de Wet arbeid en
zorg. Voor zover in dit wetsvoorstel bestaande wetten worden opgenomen zonder inhoudelijke wijziging zoals de
Wet
financiering
loopbaanonderbreking is afgezien van het opnieuw toelichten van deze regelingen.
Hiertoe zij verwezen naar de oorspronkelijke toelichting bij deze wetten.
3.
Zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof
3.1. Inleiding
3.1.1. Het recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof
Voor werknemers bestaat
thans geen rechtop zwangerschaps- en bevallingsverlof. In de praktijk is het
echter zo dat werknemers gedurende zestien weken zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt verleend. Met
het onderhavige
wetsvoorstel wordt deze
praktijk vastgelegd in een wettelijk recht op zwangerschaps- en
bevallingsverlof. De lengte en de flexibiliteit van de periode van het verlof
blijven ongewijzigd.
Voor overheids- en
onderwijspersoneel bestaat wel een recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In de Wet arbeid en zorg wordt nu
voor zowel werknemers als
het overheids- en onderwijspersoneel een recht op zwangerschaps-
en bevallingsverlof samenhangend geregeld. Voor zelfstandigen, vrije
beroepsbeoefenaren, meewerkende echtgenoten en met werknemers
gelijkgestelden wordt geen recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof
geïntroduceerd omdat deze categorieën geen werkzaamheden op grond van een
arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling verrichten.
Op internationaal niveau
bestaan verschillende verdragen met bepalingen over zwangerschap en
bevalling. Zo zijn volgens het VN Vrouwenverdrag ¹ de deelnemende staten
verplicht "passende maatregelen te nemen" om verlof wegens bevalling
in te voeren. Volgens het ILO-verdrag nr. 103 ² [ILO: International
Labour Organization, red.] moet sprake zijn van een
recht op verlof van ten minste twaalf weken waarvan minimaal zes weken na de
bevalling moet worden opgenomen. Het Europees Sociaal Handvest (ESH)
richt zich, net als het VN-verdrag, op de verdragsluitende staten
die ervoor moeten zorgen dat de vrouw ten minste twaalf weken verlof kan
nemen (artikel 8, eerste lid, ESH). De EG-zwangerschapsrichtlijn gaat verder dan het ILO-verdrag en
het ESH. Zo verplicht deze richtlijn de lidstaten tot het nemen van maatregelen
waardoor werkneemsters vóór en ná de bevalling recht hebben op
een zwangerschapsverlof van ten minste veertien aaneengesloten weken. Dit
verlof is verplicht voor een periode van minimaal twee weken vóór en/of
ná
de bevalling.³
Met het vastleggen van de
Nederlandse praktijk in wetgeving wordt meer recht gedaan aan de
voornoemde internationale instrumenten. Gesteund door de positieve adviezen
op dit punt heeft de regering gekozen voor het wettelijk vastleggen van
een verlofrecht bij zwangerschap en bevalling.
1. Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie
van vrouwen (Trb. 181, nr. 61), artikel 11,
tweede lid, onderdeel b.
2. ILO-verdrag bescherming
van het moederschap nr. 103, artikel 3,
tweede en derde lid.
3. Richtlijn 92/85/EEG
inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter
bevordering van de verbetering van
veiligheid en de gezondheid op het werk van
werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de
bevalling en tijdens de lactatie (artikel 8).
3.1.2. Het recht op
adoptieverlof
Het recht op
adoptieverlof kan voorzien in een duidelijke behoefte bij werkenden die een
kind
adopteren. Met de introductie van het recht op adoptieverlof wil de
regering het belang onderstrepen van een goede gewenning van het kind in
het gezin. Het adoptieverlof kan hieraan een bijdrage leveren voor
adoptiefouders die arbeid en zorg combineren. De introductie van dit
recht is in lijn met de motie die de leden Adelmund en De Vries indienden
tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de nota "Om de kwaliteit
van arbeid en zorg: Investeren in verlof" (Kamerstukken II 1995-1996, 24 332, nr.
10). In deze rblz.|18|
motie wordt de regering
verzocht na te gaan op welke wijze aan de meest verzorgende ouder van een
buitenlands adoptiefkind een "hechtingsverlof" in de vorm van een wettelijk verlof, bij voorkeur met doorbetaling
van loon, toegekend kan
worden. Ook de Stichting van de Arbeid onderkent in haar advies dat het
adoptieverlof in een duidelijke behoefte kan voorzien bij werknemers
die het voornemen hebben een kind te adopteren. Omdat het een zeer
beperkt aantal werknemers betreft, acht de Stichting het niet doelmatig om dit bij CAO te regelen.
Nu de sociale partners
hebben aangegeven het doelmatig te vinden om het recht op adoptieverlof bij CAO te regelen, kiest de regering ervoor om
het recht op
adoptieverlof wettelijk vast te leggen. In de discussienota arbeid en zorg heeft het
kabinet aangekondigd een wettelijk recht op vier weken betaald
adoptieverlof voor één van de adoptiefouders (naar keuze van de ouders) in te
voeren. Gelet op de uitgebrachte adviezen en de motie van de leden
Bussemaker en Schimmel (Kamerstukken II 1998-1999, 26 447, nr. 6) wordt in
het onderhavige wetsvoorstel gekozen voor
een recht op verlof bij adoptie van drie weken voor elk van de adoptiefouders.
Het recht op
adoptieverlof gaat in op het moment dat het kind ter adoptie wordt opgenomen. Het
verlof moet worden opgenomen binnen een periode van zestien weken, te rekenen vanaf het moment dat het kind ter
adoptie is opgenomen. Met
deze periode van zestien weken wordt de mogelijkheid geboden het adoptieverlof
enigszins flexibel, afgestemd op de individuele
omstandigheden, op te nemen. Bepalend is het moment waarop het kind aan de
zorg van de adoptiefouders is overgedragen, of dit nu in Nederland is geschied of in het land van herkomst.
Als het voornemen van
adoptie ontstaat op het moment dat het kind al langer dan zestien weken in
het gezin is opgenomen, dan kan geen aanspraak op een adoptie-uitkering
meer gemaakt worden. De eerste periode van binding, waaraan het
recht op verlof is gekoppeld, is dan immers verstreken. Bij
stiefouderadoptie zal dit bijvoorbeeld het geval kunnen zijn. De adoptiefouders kunnen
dan wel gebruik maken van het ouderschapsverlof (mits uiteraard het kind
jonger is dan 8 jaar).
In
dit wetsvoorstel is
geen onderscheid gemaakt tussen de voorgenomen adoptie van een in
Nederland wonend kind, de opneming van een buitenlands kind met het oog op
adoptie in Nederland en de opneming in het gezin van een in het
buitenland geadopteerd kind. Immers in elk van die situaties is sprake van
een periode van binding gedurende welke het opnemen van verlof, met
het daaraan gekoppelde recht op een uitkering ter zake, gewenst is.
Adoptie kan onderscheiden
worden van de pleegoudersituatie. Bij adoptie ontstaat een familierechtelijke betrekking waarbij de juridische banden
tussen de geadopteerde en
zijn bloed- en aanverwanten ophouden te bestaan. Bij
pleegouderschap is sprake van een (tijdelijke) opname van het pleegkind in het
gezin, waarbij het oogmerk van adoptie ontbreekt. Wel kunnen pleegouders in
een aantal situaties in dezelfde positie verkeren als adoptiefouders. Het
terrein van de pleegzorg wordt momenteel
door het ministerie van VWS in kaart gebracht
(het "Project Trillium"). Daarna zal worden bezien of de voorzieningen voor pleegouders om arbeid en zorg te combineren moeten worden uitgebreid.
3.2. De uitkering in
verband met zwangerschap, bevalling en adoptie
Met
het voorliggende
wetsvoorstel wordt de grondslag voor de toekenning van een uitkering tijdens
het zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof ondergebracht in de Wet
arbeid en zorg.
rblz.|19|
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) en het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv)
[zie Inspectie Werk en Inkomen, red.] zijn om advies gevraagd over deze
overheveling van de bevallingsuitkering en de invoering van adoptie
uitkering
in de Wet arbeid en zorg.
Zowel het Lisv als het Ctsv hebben in hun adviezen van
respectievelijk van 15 en van 1 februari 2000 aangegeven dat er voor wat betreft
de socialezekerheidsrechten in hoofdzaak sprake lijkt te zijn van
een ongewijzigd overhevelen van rechten van de ene wet naar de andere.
Het Lisv geeft voorts aan dat er bij de implementatie rekening mee gehouden
moet worden dat de bestaande procedures, de automatisering en
voorlichtingsfolders aangepast dienen te worden. Het Ctsv geeft daarnaast
nog aan dat er uit oogpunt van toezicht niet veel aanleiding is tot het
maken van opmerkingen. De door het Lisv en het Ctsv voorgestelde technische
wijzigingen zijn allen overgenomen in het onderhavige voorstel.
3.2.1. De grondslag voor
toekenning van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering
Bij de bestaande
bevallingsuitkering voor werknemers vormen de fysieke gevolgen van zwangerschap
en bevalling en de bescherming van de gezondheid van de vrouw
van oudsher de grondslag voor onderbrenging van deze regeling in de ZW. De notie dat zwangerschap en bevalling niet gelijkgesteld kan worden
met ziekte heeft ertoe geleid dat de bevalling vanaf 1994 binnen de ZW
een aparte grondslag vormt voor toekenning van ziekengeld en dat
zwangerschap en bevalling vanaf 1996 niet meer gelijkgesteld wordt met
ziekte. Tot deze wijziging werd mede besloten naar aanleiding van een
daartoe strekkend advies van de Raad van State. Het onderbrengen van de
zwangerschaps- en bevallingsuitkering in een aparte wet, de Wet arbeid
en zorg, ligt in het verlengde van deze ontwikkeling.
Voor overheids- en
onderwijspersoneel geldt een ander regime. Voor hen geldt ingevolge de Wet
van 6 juni 1991, houdende de regels betreffende de aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en
onderwijspersoneel (Stb. 1991, 347) dat
het zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de toepassing van de
geldende rechtspositieregeling gelijkgesteld wordt met een verhindering wegens
ziekte. Uit dien hoofde bestaat een loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Nu het
recht op verlof en de loondoorbetaling
gedurende het verlof wordt geregeld in de Wet arbeid en
zorg, kan
bovengenoemde wet worden ingetrokken. Dit zal gebeuren in de Invoeringswet.
Hierdoor komt tevens de voor ambtenaren nog bestaande gelijkstelling van zwangerschaps- en bevallingsverlof met
ziekte te vervallen.
In het kader van
het voorstel van Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen heeft de
Raad van State opgemerkt dat zij op grond van systematische redenen van
mening was dat opneming van de bevallingsuitkering in de WAZ niet wenselijk
was omdat bij de bevallingsuitkering geen sprake is van
dekking tegen langdurende arbeidsongeschiktheid en daarmee het risico van
geheel andere aard is.
De regering is van
oordeel dat met de Wet arbeid en zorg de gelegenheid zich aandient om alsnog
aan deze bezwaren van de Raad van State tegemoet te komen. Het opnemen van
de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen,
meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren in de Wet arbeid en zorg
ligt voor de hand omdat ook het recht op verlof in deze
wet geregeld wordt voor een deel van de personen die behoren tot de kring
van verzekerden van de WAZ (de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst,
zie paragraaf 3.4). Met deze overheveling rblz.|20|
wordt overigens - nog steeds -
recht gedaan aan het uitgangspunt dat de financiering van
de bevallingsregeling bij de doelgroep zelf moet liggen.
3.2.2. De grondslag voor
toekenning van de uitkering bij het adoptieverlof
Zoals bij een adoptie
sprake is van een gewenningsperiode kennen ook het zwangerschaps- en
bevallingsverlof impliciet een periode om te wennen aan de nieuwe situatie. Gezien de samenhang tussen beide
verloven werd in een op 1
juli 1998 bij de Raad van State ingediend wetsvoorstel over betaald
adoptieverlof voorgesteld om de uitkering in verband met adoptie voor
werknemers onder te brengen in de ZW en voor zelfstandigen,
meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren in de WAZ. De Raad van State
gaf in zijn advies bij dat wetsvoorstel aan bezwaren te hebben tegen
de uitwerking van deze nieuwe regeling in de beide genoemde wetten.
In het nader rapport bij
dat wetsvoorstel heeft de regering aangegeven dat dit wetsvoorstel niet
zou worden ingediend en dat aan de door de Raad van State geuite
bezwaren tegemoet kan worden gekomen door de
uitkering in verband met
adoptieverlof onder te brengen in de Wet arbeid en
zorg. Met dit
wetsvoorstel wordt dit gerealiseerd.
3.2.3. Het recht op
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling
De vrouwelijke werknemer
heeft gedurende de periode dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten recht op een uitkering.
Ten opzichte van het
huidige regime van de bevallingsuitkering, waarbij er geen formeel recht op
verlof bestaat, is hier sprake van een verandering. Immers op grond van de
artikelen 19 en 29a van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde in verband met
haar bevalling recht op ziekengeld. Het daadwerkelijk opnemen van
verlof wordt onder de vigerende regelgeving niet als expliciete
voorwaarde gesteld.
Bij zelfstandigen, vrije
beroepsbeoefenaren, meewerkende echtgenoten en met werknemers
gelijkgestelden kan geen koppeling worden aangebracht tussen het recht op
uitkering en het opnemen van verlof. Het is bij zelfstandigen, in
tegenstelling tot werknemers die in een gezagsrelatie staan tot hun werkgever,
niet controleerbaar of betrokkene in de situatie van zwangerschap of
bevalling daadwerkelijk de werkzaamheden vermindert. Daarom kan bij de
vaststelling van het recht op uitkering in verband met zwangerschap en
bevalling niet, zoals in de relatie tussen werkgever en werknemer, worden
aangesloten op een overeengekomen periode van verlof. Gelet op de controleerbaarheid en de uitvoerbaarheid worden dan
ook geen nadere
voorwaarden gesteld of betrokkene in de situatie van zwangerschap en bevalling
daadwerkelijk de werkzaamheden vermindert. Deze situatie verschilt
niet wezenlijk van de situatie waarin op grond van de WAZ een
bevallingsuitkering wordt verstrekt.
3.2.4. Het recht op
uitkering in verband met adoptie
Bij de aanvraag voor een
adoptie-uitkering zullen bewijsstukken overgelegd dienen te worden waaruit
blijkt op welk moment het kind ter adoptie is of wordt opgenomen.
Hierbij kan gedacht worden aan een verklaring van de buitenlandse
autoriteiten, een verklaring van een vergunninghoudende bemiddelingsinstantie,
een melding bij de vreemdelingenpolitie of een bewijs van
inschrijving van het kind bij de gemeentelijke basisadministratie.
Evenals bij de uitkering
in verband met zwangerschap en bevalling is er bij de uitkering in verband met adoptie voor gekozen het recht op
uitkering rblz.|21|
voor werknemers te
koppelen aan het daadwerkelijk opnemen van adoptieverlof. De duur
van de uitkering is evenals het verlof beperkt tot drie weken. Bij zelfstandigen
en anderen die niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn, is, net
als bij het zwangerschaps- en bevallingsverlof, van een dergelijke
koppeling afgezien.
3.3. De kring van
rechthebbenden
In
het onderhavige voorstel van wet zijn het recht op zwangerschaps- en bevallingsuitkering en
het recht op uitkering inzake adoptieverlof voor werknemers gekoppeld aan
het opnemen van verlof. Van een recht op verlof kan alleen sprake
zijn binnen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of bij
een publiekrechtelijke aanstelling.
Van belang is voorts dat
het begrip werknemer in het sociale verzekeringsrecht een andere inhoud heeft
dan in het burgerlijk recht. Werknemers in de zin van de ZW zijn
veelal op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam, maar ook kan sprake zijn
van gelijkgestelden die niet op basis van een arbeidsovereenkomst
werkzaam zijn. Verzekerden op grond van de WAZ zullen veelal niet op
basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn. Maar ook hier zijn
uitzonderingen.
Omdat de regering met
het
wetsvoorstel enerzijds het verlof regelt en anderzijds voorstelt de
overheveling van het regime van de bevallingsuitkering te laten plaats vinden,
zonder daarbij een wijziging aan te brengen in de hoogte van
de uitkering en de kring van rechthebbenden, kunnen wat betreft dit
onderdeel van het wetsvoorstel de volgende categorieën rechthebbenden
onderscheiden worden:
1º. Werknemer:
Werknemers met een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht die ook werknemer zijn in de zin
van de ZW, hebben recht op verlof en een aan het verlof gekoppeld
recht op uitkering ter hoogte van het dagloon.
2º. Beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst:
Werknemers met een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht die geen werknemer zijn in de zin
van de ZW maar beroepsbeoefenaar zijn in de zin van de
WAZ, hebben recht op verlof en een aan het verlof gekoppeld
recht op uitkering
maximaal ter hoogte van het minimumloon. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om
alfahulpen, huishoudelijke hulpen en directeuren-grootaandeelhouders (dga's). Deze hebben
weliswaar een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht,
maar geen dienstbetrekking in de zin van de WAO en vallen
- gelet op artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de WAZ
- onder het begrip
beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 5 van die
wet. In een verslag van 1
april 1999 (Kamerstukken II 1998-1999, 25 893, nr. 6), in het kader van het rapport
"Vrouwenverdrag, moederschap, ouderschap
en arbeid" en het regeringsstandpunt daarover, heeft de
regering de socialeverzekeringspositie van alfahulpen beschreven. Met het
onderhavige wetsvoorstel wordt in deze socialeverzekeringspositie geen
wijziging aangebracht.
3º. Gelijkgestelde:
Personen die geen
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht hebben maar wel werknemer zijn
in de zin van de ZW, hebben recht op een uitkering ter hoogte van het dagloon, maar geen verlofrecht. Hierbij kan
gedacht worden aan
thuiswerkers.
rblz.|22|
4º. Zelfstandige:
Personen die geen
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht hebben en tevens verzekerd zijn op
grond van de WAZ, hebben recht op een uitkering maximaal ter hoogte van
het minimumloon, maar geen verlofrecht. Voorbeelden daarvan zijn:
zelfstandigen, vrije beroepsbeoefenaren zonder arbeidsovereenkomst en
meewerkende echtgenoten (zie artikel 3:16, eerste lid, onderdeel a,
van deze wet, waarin voor het begrip zelfstandige wordt verwezen naar
artikel 3, eerste lid, en tweede lid, onderdeel a, van de WAZ).
De volgende matrix brengt
bovengenoemde categorieën in beeld:
|
Behorend tot de kring
van verzekerden voor de ZW |
Behorend tot de kring
van verzekerden voor de WAZ |
| Personen met een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht: |
werknemer:
• recht op verlof
• uitkering ter hoogte van het dagloon (de "gewone"
werknemer in de marktsector) |
beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst:
• recht op verlof
• uitkering maximaal het minimumloon (alfahulpen, huishoudelijke
hulpen en dga's) |
| Personen zonder
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of
publiekrechtelijke aanstelling: |
gelijkgestelde:
• geen recht op verlof
• uitkering ter hoogte van het dagloon (thuiswerkers) |
zelfstandige:
• geen recht op verlof
• uitkering maximaal het minimumloon (zelfstandigen, vrije beroepsbeoefenaren
en meewerkende echtgenoten) |
5º. Overheids- en
onderwijspersoneel
Naast deze vier
categorieën rechthebbenden bestaat nog een vijfde categorie werkenden, het
overheids-
en onderwijspersoneel met een publiekrechtelijke aanstelling die (nog)
niet behoren tot de kring van verzekerden voor de ZW.
In het kader van de
OOW-operatie (Overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, Kamerstukken
II 1997-1998, 25 282) is het kabinet voornemens
om met ingang van 2001 ook
overheidspersoneel voor wat betreft de aanspraken onder de Werkloosheidswet en de ZW
te laten vallen. Met de formulering van het eerste lid van artikel
3:5 van het voorliggende wetsvoorstel wordt bereikt dat ook
overheids- en
onderwijspersoneel aanspraak kan maken op een bevallingsuitkering op
grond van de Wet arbeid en zorg op het moment dat zij werknemer worden
in de zin van de ZW.
3.4. De hoogte van de
zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de uitkering inzake het adoptieverlof
De regering stelt voor
het regime van de bevallingsuitkering uit de ZW en de
WAZ over te hevelen
naar de Wet arbeid en zorg zonder daarbij een wijziging aan te brengen
in de hoogte van de bevallingsuitkering, zodat voor de berekening van de
uitkeringshoogte kan worden aangesloten bij de systematiek in beide
wetten. De regering stelt daarbij voor om de hoogte van de uitkering
inzake het adoptieverlof aan te laten sluiten bij de hoogte van de
bevallingsuitkering.
De werknemer (en de
daarmee gelijkgestelde) ontvangt voor de duur van rblz.|23|
het zwangerschaps- en
bevallingsverlof of het adoptieverlof een uitkering ter hoogte van het
dagloon zoals dit op grond van de ZW is vastgesteld. De zelfstandige,
waaronder ook begrepen de meewerkende echtgenoot en de (vrije)
beroepsbeoefenaar, ontvangt in verband met haar zwangerschap en bevalling of in
verband met adoptie een uitkering ter hoogte van de grondslag welke wordt
berekend overeenkomstig artikel 8 van de WAZ. Deze bedraagt ten
hoogste het minimumloon. Deze verschillende regimes kunnen gerechtvaardigd worden gelet op de recente totstandkoming
van de WAZ.
Daarbij is bewust gekozen
om voor zelfstandigen een eigen voorziening op minimumniveau te
treffen en niet aan te sluiten bij het uitkeringsniveau in de ZW. Het verschil in
uitkeringshoogte kan ook gerechtvaardigd worden doordat
zelfstandigen het eigen inkomen (door bijvoorbeeld winstreserveringen) zelf
kunnen beïnvloeden en doordat ook niet in alle gevallen sprake behoeft
te zijn van een volledig inkomensverlies gedurende de zestien weken rondom de
bevalling.
3.5. De financiering van
de uitkeringen
De uitkeringen bij
zwangerschap en bevalling worden op dezelfde manier gefinancierd als voorheen: voor werknemers en gelijkgestelden uit het
AWf, voor zelfstandigen
en beroepsbeoefenaren uit het Afz. Bij de adoptie-uitkering heeft de regering voor
eenzelfde wijze van financiering gekozen. De keuze om deze
gescheiden financieringsstructuur in het voorliggende wetsvoorstel te handhaven
komt voort uit de verschillende regimes voor de verschillende
doelgroepen. Als gevolg hiervan zullen het gebruik en de kosten van de regelingen
per doelgroep verschillen. Dit rechtvaardigt een systematiek waarbij de kosten voor de regeling bij de doelgroepen zelf
gelegd worden. De
uitkeringslasten worden op deze wijze binnen elke categorie afzonderlijk
gedragen.
4.
Calamiteitenverlof en ander kort verzuimverlof
Thans bestaat er voor
werknemers een recht op loondoorbetaling voor een korte naar billijkheid te berekenen
tijd als de werknemer niet kan
werken vanwege hetzij de vervulling van een door de wet of overheid zonder geldelijke
vergoeding opgelegde verplichting die niet in de vrije tijd kan worden vervuld
(zoals aangifte van geboorte en overlijden), hetzij zeer bijzondere
persoonlijke omstandigheden (artikel 629b, Boek
7, BW). De wet geeft geen
limitatieve opsomming van deze bijzondere persoonlijke omstandigheden. Zo valt
de eerste opvang van een plotseling ziek kind hieronder, maar ook
bijvoorbeeld het regelen van de reparatie van een kapotte waterleiding.
Deze wettelijke regeling biedt de werknemer de mogelijkheid om de
noodzakelijke maatregelen te treffen. Hoewel van een formeel verlofrecht geen
sprake is, onderscheidt het zich daar in praktisch opzicht niet van.
Ook voor een deel van de
ambtenaren geldt dat er in de huidige regelingen geen sprake is van een
verlofrecht. Voor een ander deel (bijvoorbeeld rijksambtenaren) geldt daarentegen wel een recht op verlof voor
calamiteiten (8 uur per
calamiteit en beperkt tot drie calamiteiten per jaar met volledige
bezoldiging; artikel 33fa ARAR).
In
dit wetsvoorstel wordt
er een verlofrecht ter zake geïntroduceerd, hetgeen aansluit bij de
praktijk. Aansluiting bij de praktijk omdat in veel CAO’s bij de nadere
invulling van artikel 629b, Boek
7, BW vaak gesproken wordt van bijzonder
verlof en buitengewoon verlof. Ook in het ambtenarenrecht wordt bij
calamiteiten en ander kort verzuim van verlof rblz.|24|
gesproken. Voor het
overige wordt met dit voorstel geen inhoudelijke wijziging van de bestaande regeling beoogd.
Het recht op
calamiteiten- en ander kort verzuimverlof zal gelden voor dezelfde situaties
waarin
nu op grond van het BW
sprake is van een loondoorbetalingsverplichting. Dat wil
zeggen in die
situaties waarin de werknemer niet kan werken vanwege
zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden of vanwege een door de
wet of overheid opgelegde verplichting. Aan dit ongeclausuleerde
recht op calamiteitenverlof en ander kort verzuimverlof blijft het
behoud van loon gekoppeld.
5.
Kraamverlof
De werknemer kan thans
met een beroep op artikel 629b, tweede lid, Boek
7, BW aanspraak maken op
loondoorbetaling indien hij vanwege de bevalling van zijn partner
verhinderd is te werken. Hij kan ook met een beroep op dit artikel tijd
vrijmaken om aan de wettelijke verplichting van aangifte van de geboorte bij de
burgerlijke stand te voldoen. Deze loondoorbetaling geldt voor een korte,
naar billijkheid te berekenen tijd. In ambtenarenregelingen
wordt doorgaans gesproken van een periode van ten hoogste twee dagen.
Bovendien geldt voor ambtenaren dat het verlof alleen geëffectueerd kan
worden als het dienstbelang dat toelaat.
Uit het onderzoek van de
Arbeidsinspectie naar arbeid- en zorgbepalingen in CAO’s blijkt, zoals
in hoofdstuk 2 is aangegeven, dat in 1998 91% van de onderzochte CAO’s een
regeling bevat over kraamverlof en dat dit betrekking heeft op 70% van de
werknemers in de steekproef. In deze CAO’s is sprake van een betaald
kraamverlof, waarvan de duur varieert van één tot vijf dagen. In vergelijking
tot 1990 is er sprake van een lichte daling.
Het kabinet heeft nota
genomen van het advies van de Stichting dat een wettelijke regeling van
een betaald kraamverlof, gelet op de bestaande situatie, geen bijdrage
zou leveren aan het vergroten van de combineerbaarheid van arbeid en zorg. Met
de meeste adviesorganen is de regering echter van mening dat
partners onder alle omstandigheden het recht moeten hebben om na de
geboorte van een kind ten minste twee dagen vrij te hebben. Dit geldt
ook voor de werknemers die niet onder een CAO vallen.¹ Niet alle werknemers hebben het inmiddels gebruikelijke
minimum van twee dagen
kraamverlof.
1. Voor militair personeel
geldt een geclausuleerd recht op calamiteiten- en
kraamverlof.
De
BW-regeling en de
ambtenarenregeling worden vervangen door een ongeclausuleerd recht
voor partners, meestal mannen, van twee aaneengesloten dagen betaald verlof na
de dag van de bevalling. Dit verlofrecht is ongeclausuleerd omdat
verlof vanwege de geboorte van een kind zo essentieel is voor de
werknemer dat er naar de mening van de regering geen belemmering voor
opname mag bestaan. Voor het kraamverlof is gekozen voor een
loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever. Dit verlof is van korte duur
en doet zich daarnaast vrij incidenteel voor. Een collectief gefinancierde
regeling ligt daarom ook vanwege de relatief hoge uitvoeringskosten niet
voor de hand.
6. Het
kortdurend zorgverlof
6.1. Inleiding
Uit het eerder
aangehaalde onderzoek van de Arbeidsinspectie naar het voorkomen van arbeid- en
zorgbepalingen in CAO’s blijkt dat voor 79% werknemers geen afspraken
zijn vastgelegd over zorgverlof. Slechts in de rblz.|25|
helft van de CAO’s met
een bepaling over zorgverlof gaat het om betaald verlof. Een dergelijke
zorgverlofregeling is wel noodzakelijk, omdat de regering een combinatiescenario
voorstaat waarin mensen naast betaald
werk de zorg voor
kinderen (en anderen zoals partners) deels zelf doen en deels uitbesteden.
De opvattingen van de
sociale partners in de Stichting van de Arbeid zijn echter sterk verdeeld,
niet alleen over het wettelijke regelen van het zorgverlof, maar ook over de
betaling
daarvan. De regering gaat er dan ook niet vanuit dat op
vrijwillige basis, dus buiten wetgeving om, een adequate regeling tot
stand zal komen. De regering acht het essentieel dat werknemers in gevallen
waarin de partner of inwonende kinderen ziek zijn en extra zorg van die
werknemer behoeven, door de introductie van een kortdurend zorgverlof die
zorgtaken kunnen vervullen zonder dat dit tot spanning in de arbeidsverhouding behoeft te leiden. Omdat iedere werknemer
in de omstandigheden waarvoor het kortdurend zorgverlof is bedoeld, de mogelijkheid
moet hebben om zorgtaken met arbeid te kunnen combineren, wordt
een inkomensvoorziening aan dit verlofrecht gekoppeld. In het
voorliggende wetsvoorstel wordt voorzien in een beperkt recht op
loondoorbetaling tijdens de periode van zorgverlof.
Op basis van de adviezen
en het overleg in de Tweede Kamer wordt in de Wet arbeid en zorg een
geclausuleerd recht op een kortdurend betaald zorgverlof van maximaal
tien dagen per twaalf maanden geïntroduceerd. Voor deeltijders wordt dit
maximum van tien dagen per twaalf maanden naar verhouding van hun
arbeidsduur berekend.
6.2. Een geclausuleerd
recht
Het kortdurende
zorgverlof van maximaal tien dagen stelt werknemers in staat zelf gedurende
korte tijd zorg te verlenen aan thuiswonende zieke gezinsleden. Voor dit
recht op verlof geldt dat er sprake moet zijn van een noodzakelijke verzorging
van een thuiswonend kind, pleegkind of partner. Deze noodzaak betreft
niet alleen de behoefte aan zorg van het betreffende gezinslid, maar daarnaast
ook de omstandigheid dat de zorg door de betreffende werknemer
moet worden verleend en niet op andere wijze kan worden verstrekt. Op
verzoek van de werkgever dient de werknemer de noodzaak van verlof
aannemelijk te maken. Dat aannemelijk maken kan met zich meebrengen dat
de werknemer op verzoek van de werkgever eventueel beschikbare
stukken (zoals een afspraakbevestiging van een medisch onderzoek en de
rekening voor een consult) overlegt.
In de meeste gevallen zal
de werkgever er slechts behoefte aan hebben dat uitleg wordt gegeven
van de gebeurtenissen die een gezinslid zorgafhankelijk hebben gemaakt en van de
(on)mogelijkheid voor de werknemer om op andere wijze voor
een oplossing te zorgen. Het is aan werkgever en werknemer om in
onderling overleg afspraken te maken. Dit gebeurt thans ook bij het
calamiteitenverlof.
Het verlofrecht is
geclausuleerd: de werkgever heeft de mogelijkheid om het verlof te weigeren
indien er sprake is van een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang
dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid moet wijken. Dat betekent dat, hoewel de verzorging door
de betreffende werknemer noodzakelijk is, er desondanks geen aanspraak
op verlof heeft als het bedrijfs- of dienstbelang van de werkgever zwaarder
weegt.
Het verlof gaat in op het
tijdstip van melding door de werknemer. Goed werknemerschap brengt met
zich mee dat de werknemer indien mogelijk de melding doet zodra de noodzaak van de zorgtaak zich aandient. Dit kan
met zich meebrengen dat
de melding al tevoren wordt gedaan, bijvoorbeeld als tijdens het
calamiteitenverlof dat de werknemer heeft opgenomen om voor de plotseling
opkomende noodsituatie een oplossing te vinden, blijkt dat deze
niet voorhanden is. De werknemer heeft bij een zo rblz.|26|
spoedig mogelijke melding
ook een eigen belang, omdat het de werkgever in staat stelt zo nodig vervanging te regelen in verband met de afwezigheid
van de werknemer. Indien
de werkgever direct bij de melding kenbaar maakt dat een
prevalerend bedrijfs- of dienstbelang aanwezig is, eindigt het verlof
onmiddellijk. Het gaat in praktische zin dus niet in. Overigens zal de
werkgever zich doorgaans niet zonder nader onderzoek naar eventuele andere
oplossingen erop kunnen beroepen dat de aanwezigheid van de werknemer strikt
noodzakelijk is.
Indien de werkgever enige
tijd na de melding kenbaar zou maken dat een zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang zich tegen het verlof verzet, eindigt het verlof op dat moment.
De werkgever dient zijn bedrijfs- of dienstbelang af te wegen tegen het
belang van de werknemer bij het verlof. Gelet op de huidige
praktijk van het calamiteitenverlof mag worden aangenomen dat werkgever
en werknemer op zorgvuldige wijze met elkaars belangen rekening
zullen houden. In laatste instantie kan het oordeel van de rechter worden ingeroepen indien werkgever en werknemer
van mening blijven
verschillen.
6.3. Samenloop met
calamiteitenverlof
Het is mogelijk dat het
calamiteitenverlof in verband met ziekte wordt gevolgd door het kortdurend zorgverlof. Veelal zal de werknemer, geconfronteerd
met een onvoorziene noodsituatie eerst een beroep doen op het calamiteitenverlof om de
noodzakelijke eerste (organisatorische) voorzieningen te treffen (zoals
bijvoorbeeld het afhalen van het zieke kind uit de crèche). Het
calamiteitenverlof is dan ook van korte duur (een korte naar billijkheid te berekenen
tijd). Lukt het niet een adequate oplossing te vinden voor de verdere
zorg voor het zieke kind, dan zal de werknemer de zorg voor ten hoogste
tien dagen per twaalf maanden voor zijn rekening kunnen nemen. In het
wetsvoorstel Arbeid en zorg wordt de samenloop tussen deze twee
verlofregelingen geregeld. Bij samenloop eindigt het calamiteitenverlof na
één dag en gaat het over in het kortdurende zorgverlof.
6.4. De kring van
zorgbehoevenden
Wat betreft de kring van
zorgbehoevenden voor wie aanspraak kan worden gemaakt op zorgverlof, is gekozen voor de thuiswonende
kinderen en partner omdat
in het gezinsverband de zorgafhankelijkheid en verantwoordelijkheid
duidelijk aanwezig zijn. Co-ouders nemen elk gedurende een deel van de week de
zorg voor de kinderen voor hun rekening. Gedurende dat deel van de
week geldt het geclausuleerde recht op het kortdurende zorgverlof
als de co-ouder plotseling geconfronteerd wordt met ziekte van één van de
kinderen en in verband daarmee niet kan werken.
Onder het bereik van dit
verlofrecht valt ook de situatie van pleegouders als zij in dezelfde
positie verkeren als andere ouders. Dat is het geval als een pleegkind op
hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem in diens gezin duurzaam
wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract.
Aan de keuze voor deze
kring van verzorgenden ligt de eerder genoemde overweging ten grondslag
dat de introductie van een recht om zo nodig zelf voor zieke
thuiswonende kinderen en partner te zorgen de arbeidsparticipatie ondersteunt en
stimuleert. Juist de zorg voor thuiswonende kinderen en partner,
waarvan in het algemeen voorzienbaar is dat die zich op enig tijdstip
tijdelijk moeilijk zal laten combineren met arbeid, kan ertoe leiden dat wordt afgezien
van betaalde arbeid.
rblz.|27|
Als kinderen uitwonend
zijn, is de zorg voor hen, naar mag worden aangenomen, niet in de eerste plaats
een factor om af te zien van arbeid. Sociale partners kunnen als daar behoefte aan bestaat tot een uitbreiding van de
kring van zorgbehoevenden
besluiten.
6.5.
Loondoorbetalingsverplichting
Het ontbreken van een
inkomensvoorziening zou een belemmering kunnen vormen voor het
gebruik van het zorgverlof. De regering heeft daarom gekozen voor een loondoorbetalingsplicht van 70% van het loon
en een garantie gelegd op
het niveau van het brutominimumuurloon. Er wordt aangesloten bij de
systematiek van de loondoorbetaling bij ziekte (artikel 629, Boek
7, BW). Bij
deze keuze voor een loondoorbetalingsverplichting hebben factoren als
administratieve belasting en uitvoeringskosten zwaar gewogen.
Om recht te doen aan een
evenwichtige spreiding van verantwoordelijkheden en lasten is besloten de
loondoorbetalingsverplichting te combineren met een tegemoetkoming in
de kosten van werkgevers. Bij een wettelijke
loondoorbetalingsplicht zal de regeling werkgevers circa ƒ200 tot ƒ370 miljoen
kosten. Het kabinet heeft besloten om werkgevers voor de helft van het
maximumbedrag (dus ƒ185 miljoen) te compenseren. Aldus
ontstaat een (geclausuleerd) recht op kortdurend zorgverlof waarvan de
lasten (op macroniveau) voor circa een derde door de werkgever, voor circa
een derde door de werknemer en voor circa een derde door de overheid
worden gedragen. Voor de vormgeving van deze tegemoetkoming heeft het
kabinet gekozen voor een generieke lastenverlichting voor alle werkgevers door
de overhevelingstoeslag te verlagen. Dat heeft als
voordeel dat de werkgevers van alle potentiële gebruikers worden bereikt
en dat de uitvoeringskosten relatief laag zijn. De lastenverlichting voor
werkgevers via een lagere overhevelingstoeslag leidt tot een
spiegelbeeldige inkomensdaling bij werknemers. Deze inkomensdaling zal worden
gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van de
belastingtarieven.
Bij brief van 27
september 1999 en van 10 november 1999 aan de Tweede Kamer heeft het kabinet
aangegeven dat voor de vormgeving van de tegemoetkoming van de
overheid van de kosten van het kortdurende zorgverlof van ten
hoogste tien dagen twee mogelijkheden openstaan:
I. Een specifieke
regeling waarbij op basis van declaratie van de kosten van het werkelijk
gebruik
een tegemoetkoming wordt verstrekt aan die werkgevers die werkelijk
met kortdurend zorgverlof te maken krijgen.
II. Een generieke
lastenverlichting waarbij op basis van het voorziene gebruik aan alle werkgevers een tegemoetkoming wordt
verstrekt die
zo goed mogelijk aansluit
bij de te maken kosten voor het kortdurend zorgverlof.
Naar het oordeel van het
kabinet zijn vooral de effecten van een generieke of een specifieke vorm
van compensatie bepalend voor de keuze tussen beide. Een voordeel van een specifieke regeling is dat deze recht kan doen
aan het verschillend
gebruik van zorgverlof in sectoren en bedrijven. In bedrijven en sectoren
waar meer vrouwen werken kunnen het gebruik en de kosten voor het
kortdurend zorgverlof naar verwachting hoger zijn. Dit zou werkgevers bij
werving en selectie aanleiding kunnen geven tot risicomijdend gedrag.
De kans hierop is echter
minder groot omdat ook steeds meer mannen kortdurend zorgverlof
opnemen, er sprake is van een krapte op de arbeidsmarkt en er met
het kortdurend zorgverlof slechts een gering loonbeslag gemoeid is. Voorts geeft
een specifieke regeling vooral aan het kleinbedrijf een betere
waarborg dat de compensatie steeds gelijke tred rblz.|28|
zal houden met het
daadwerkelijk gebruik. De positie voor het hele MKB [midden- en
kleinbedrijf, red.] is weliswaar bij een
generieke compensatie goed vergelijkbaar met die van grote organisaties. Bij
kleinere bedrijven speelt het toeval bij de mate van gebruik van het verlof
een grotere rol, zij het dat dit wordt begrensd door het maximum van
tien dagen
per twaalf maanden.
Het grote nadeel van een
specifieke regeling is echter dat daaraan aanzienlijke administratieve lasten en uitvoeringskosten zijn verbonden,
niet in het minst voor werkgevers in het kleinbedrijf. De uitvoeringskosten
bij een sociaalverzekeringsfonds zijn ingeschat op ƒ200,- per aanvraag.¹ In totaal
zullen de publieke uitvoeringskosten bij deze financieringssystematiek ƒ165 miljoen
bedragen. De administratieve lasten van werkgevers
zijn hierbij nog niet inbegrepen. Dit bedrag is naar het oordeel van het
kabinet onevenredig groot als het wordt gerelateerd aan de korte duur van het
verlof en de hoogte van het compensatiebedrag.
Dit zou ook in
tegenspraak zijn met de in het regeerakkoord door het kabinet vastgelegde
verplichting om te komen tot een terugdringing van de uitvoeringskosten van
de sociale zekerheid en de in het kader van de Commissie Administratieve
Lasten (onder leiding van dhr. Slechte) nagestreefde vermindering van
administratieve lasten. Een oplossing die zowel
de voordelen van een generieke en een specifieke variant in zich verenigt
is niet voorhanden, zodat een keus moet worden gemaakt wat het zwaarst
moet wegen. Het kabinet heeft daarbij gekozen voor een generieke
regeling in de vorm van verlaging van de overhevelingstoeslag, daarbij gesteund door
onder meer de werkgeversorganisatie VNO/NCW.
1.
Gebaseerd op ervaringen in de praktijk (uitvoering van het
vangnet in de ZW).
Op verzoek van de Tweede
Kamer is bij brief van 3 december 1999 nader inzicht verschaft in de
omvang van de administratieve lasten en uitvoeringshandelingen en -kosten die verbonden zouden zijn aan een
specifieke regeling ten
laste van het AWf. Hier zijn de volgende handelingen aan de orde:
- Melding van het
zorgverlof door de werknemer bij de werkgever. De werkgever verwerkt deze
melding in zijn verlofadministratie.
- De werkgever voert de
wijzigingen in de loonadministratie door en brengt de dagen waarop
zorgverlof is genoten geheel of gedeeltelijk in mindering op het loon.
- De werkgever en
werknemer vullen een aanvraagformulier in voor de uitvoeringsinstelling
(uvi) met de gegevens van de werkgever, het aansluitnummer van de werkgever, de naam en adresgegevens van de
werknemer, het sofinummer, de tariefgroepindeling, het al dan niet verplicht verzekerd zijn
voor het ziekenfonds, het bankrekeningnummer van de werknemer, de
verlofperiode, het arbeidspatroon van de werknemer, het recente
loon en historische gegevens over het loon en over de omvang van het
dienstverband, het aantal dagen dat reeds eerder dat jaar
zorgverlofuitkering is verstrekt, naam en adresgegevens van degene voor wie het
zorgverlof is opgenomen, de relatie tussen de werknemer en
degene waarvoor het zorgverlof wordt aangevraagd. Het formulier moet door
de werkgever en werknemer ondertekend worden en tezamen met bewijsstukken aan de uvi gezonden
worden.
- De uvi beoordeelt de
aanvraag en neemt een beslissing (waartegen bezwaar en beroep kan
worden ingesteld).
- De uvi betaalt de
uitkering uit aan de werkgever of de werknemer. Indien de uitkering aan
de werkgever betaald wordt, dient de werkgever deze betalingen te
verwerken in zijn financiële en salarisadministratie. Daarnaast dienen allerlei
bescheiden die verband houden met de declaratie
(aanvraag, bewijsstukken) geruime tijd te worden bewaard.
rblz.|29|
- De uvi behoort
regelmatig te controleren op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitkeringsverstrekking.
Uvi’s zijn thans niet
geëquipeerd voor de toetsing van de rechtmatigheid van het zorgverlof.
Ongeacht de voorziene toetsing blijft het risico van fraude groot, aangezien
een sluitende controle niet goed mogelijk is.
Mede naar aanleiding van
het algemeen overleg van de Vaste Commissie voor SZW op 8 december
1999 is bezien of wellicht toch een andere specifieke compensatievariant
beschikbaar is die niet de aan compensatie via het AWf verbonden
bezwaren heeft.
De door de Tweede Kamer
genoemde, mogelijk in aanmerking komende varianten waarin specifiek gecompenseerd wordt, zijn een sociale zorgverzekering
of verloffonds, een fiscale regeling of een CAO-fonds. Ook een keus voor een dergelijke
specifieke compensatievariant levert echter geen winst op, zoals hierna
blijkt.
Verloffonds
De instelling van een
verloffonds als declaratiestelsel vergt op het punt van de uitvoering vergelijkbare voorzieningen als beschreven bij het
AWf.
Door een dergelijk fonds
te plaatsen in de Wet arbeid en zorg kunnen de financiering,
uitvoerings- en uitkeringsorganisatie op een eigenstandige manier worden geregeld,
zij het dat daaruit nieuwe administratieve lasten zouden voortvloeien. Het
voordeel daarvan ten opzichte van regeling via het AWf zou kunnen zijn
dat de keuzes met betrekking tot het verloffonds op het doel van het
zorgverlof kunnen worden afgestemd en niet automatisch voortvloeien uit werking
en doel van het AWf.
De uitvoeringslasten van
een declaratiestelsel worden echter niet in hoofdzaak bepaald door
bijzondere aspecten die aan het AWf kleven, maar zijn vooral verbonden aan
de declaratiesystematiek als zodanig. Dat betekent dat de omvang van de
administratieve lasten, uitvoeringskosten en bewijsvoering zich bij de
keuze voor een verloffonds op hetzelfde niveau zullen bevinden als bij
declaratie bij het AWf, zodat naar het oordeel van het kabinet de instelling
van een verloffonds op die punten dan ook geen voordelen biedt in
vergelijking met een regeling via het AWf.
Fiscale specifieke
regeling
De administratieve
verplichtingen zoals deze hierboven zijn weergegeven gelden op hoofdlijnen
eveneens voor een regeling via de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA). Ze zijn inherent aan een
individuele gevalsbehandeling. Op verzoek van de Tweede Kamer ¹ worden in
voorliggende memorie van toelichting ook de uitvoeringskosten bij de
WVA-financieringssytematiek concreet in beeld gebracht. Deze zijn
ingeschat op ƒ165,- per aanvraag. In totaal zullen de
uitvoeringskosten bij
deze financieringssystematiek ƒ135 miljoen bedragen. Dit bedrag is
exclusief de administratieve lasten voor werkgevers.
Zowel bij de
uitkeringsregeling via het AWf als bij de fiscale variant via de WVA zijn de
volgende
handelingen aan de orde:
- Melding van het
zorgverlof door de werknemer bij de werkgever. De werkgever stelt naar
aanleiding van een verzoek van de werknemer vast dat sprake is van
zorgverlof. Daarnaast voert hij noodzakelijke wijzigingen in de
loonadministratie door en brengt hij de dagen waarop zorgverlof is
genoten geheel of gedeeltelijk in mindering op het loon.
Vervolgens geldt voor de
WVA-variant dat:
- Werkgever en werknemer de eerste dag van het zorgverlof aan de belastingdienst melden.
Deze melding omvat onder meer de rblz.|30|
werkgevers- en
werknemersgegevens, zoals het sofinummer, de reden van het zorgverlof,
de (vermoedelijke) duur, naam en adresgegevens van degene voor wie het zorgverlof is opgenomen, de relatie
tussen de werknemer en
degene waarvoor het zorgverlof wordt aangevraagd. Het formulier moet door
de werkgever en werknemer ondertekend worden en tezamen met
bewijsstukken naar de belastingdienst gezonden worden.
- De werkgever berekent
op basis van het loon van de werknemer en het opgenomen zorgverlof het
bedrag van het WVA-zorgverlof en brengt dit in mindering op de af
te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de aangifte
loonbelasting.
- De controle op de
administratieve verwerking en vastleggingen van de WVA vindt plaats bij
controle van de loonadministratie.
- De controle of
terecht zorgverlof is opgenomen vindt plaats op basis van de gezamenlijke
melding van werkgever en werknemer. De meldingen worden hiertoe
bij de belastingdienst geregistreerd. Allerlei bescheiden die verband
houden met de declaratie (aanvraag, bewijsstukken) zullen geruime tijd
moeten worden bewaard.
- De te controleren
posten worden (steekproefsgewijs) geselecteerd. Na selectie vindt feitelijke
controle plaats, bij de werkgever en/of de werknemer zelf. De resultaten van
het onderzoek worden vastgelegd in een controlerapport. In
voorkomende gevallen wordt het ten onrechte in aanmerking genomen
WVA-zorgverlof gecorrigeerd.
- De werkgever kan
tegen een correctie bezwaar aantekenen.
Ook de belastingdienst is
thans niet geëquipeerd voor de toetsing van de rechtmatigheid van het
zorgverlof. Daarbij past controle bij een particuliere belastingplichtige niet
binnen het huidige controlebeleid van de belastingdienst. Ongeacht
de voorziene toetsing blijft het risico van fraude groot, aangezien een
sluitende controle niet goed mogelijk.
1. Tijdens een algemeen overleg met de Vaste Commissie van de Tweede
Kamer voor SZW op 25 mei 2000.
CAO-fonds
Voor CAO-fondsen gelden
naast de hiervoor genoemde aspecten over de uitvoering tevens de
volgende specifieke overwegingen. CAO-fondsen worden ingesteld op basis van vrijwillige afspraken tussen sociale partners.
Wettelijk verplichte
heffingen zijn daarbij niet mogelijk. Doordat niet alle CAO’s voorzien in
een fonds en omdat niet alle werkgevers en werknemers onder een CAO vallen, zou
de regeling niet dekkend zijn. Voorts zou voor toedeling en
differentiatie van een overheidsbijdrage aan sectoren/CAO-fondsen
vaststelling van een verdeelsleutel noodzakelijk zijn, met alle daaraan
verbonden werkzaamheden.
Dit laat onverlet dat
werkgevers en werknemers een regeling kunnen treffen om de
financiering van het zorgverlof via een CAO-fonds te laten verlopen. Daarbij kunnen
zij zowel eigen middelen als de middelen die via de compensatie door de
overheid zijn verkregen, inbrengen.
7.
Ouderschapsverlof
7.1. Inleiding
De wettelijke regeling
van het ouderschapsverlof zal worden opgenomen in de Wet arbeid en
zorg
vanwege de bundeling en stroomlijning van verlofrechten. Om meer
maatwerk te bereiken wordt bij het ouderschapsverlof de mogelijkheid
gecreëerd het verlof in drie gedeelten op te nemen. Op 1 januari 1991 is,
voor werknemers en ambtenaren, de Wet op het ouderschapsverlof van
kracht geworden (Stb. 1990, 562,
laatstelijk gewijzigd Stb. 1997, 266). De werknemer kon voor een aaneengesloten periode
van maximaal zes maanden verlof opnemen, waarbij men minstens 20
uur moest blijven werken.
Vanaf 1 juli 1997 is de
regeling van het ouderschapsverlof op enkele rblz.|31|
punten gewijzigd, waardoor
een flexibeler invulling en gebruik mogelijk werden. Deze wijzigingen
houden in dat ook werknemers die minder dan 20 uur per week werken
recht krijgen op ouderschapsverlof. Verder werd de leeftijd van het kind
verruimd van 4 naar 8 jaar. De maximale verlofomvang is vastgelegd op de
arbeidsduur per week, gerekend over een periode van dertien weken. Het
verlof kan gedurende een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden opgenomen worden, voor ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week. De werknemer kan de werkgever
verzoeken minder of meer
uren verlof per week te nemen, waardoor het verlof over een langere
c.q. kortere periode uitgesmeerd wordt.
7.2. Inhoud van de
flexibilisering
De mogelijkheid om het
ouderschapsverlof te verdelen in verschillende perioden komt tegemoet
aan de behoeften van ouders die nu het verlof niet opnemen of niet
volledig gebruiken. Ouders kunnen dan het verlof opnemen op momenten die
het beste schikken. Ook bleek uit veel adviezen steun voor deze
flexibilisering van het ouderschapsverlof. Omdat splitsing niet moet
leiden tot een te grote versnippering van het verlof, wordt voorgesteld
dat het verlof mag worden opgedeeld in ten hoogste drie perioden van ten
minste één maand. Het melden van het
voornemen tot verlof aan
de werkgever dient voor de verschillende perioden tegelijkertijd
te gebeuren en ten minste twee maanden vóór het tijdstip van ingang van
de eerste verlofperiode. Dit geeft de werkgever de mogelijkheid bij de
inroostering van het werk rekening te houden met de afwezigheid van de
werknemer. De werkgever kan zich tegen het splitsen van het verlof verzetten
op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.
8. Politiek
verlof ¹
1. Hoofdstuk 7 Wazo
inzake politiek verlof is tijdens de parlementaire behandeling
van het onderhavige wetsvoorstel geschrapt, red.
Het politieke verlof kent
twee onderdelen: zo geldt voor ambtenaren dat bij een voltijdse functie
in een publiekrechtelijk college het recht bestaat om na afloop hiervan
terug te keren in de oude functie. Dit onderdeel van politiek verlof wordt
niet in de Wet arbeid en zorg opgenomen, omdat het kabinet dit
terugkeerrecht in principe wil afschaffen, tenzij een eerder toegezegd onderzoek van
het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK)
daartegen zwaarwegende argumenten oplevert. Een tweede onderdeel van
het politieke verlof betreft verlof waarbij het mogelijk wordt om in
werktijd vergaderingen van vertegenwoordigende organen bij te kunnen
wonen. Dit onderdeel wordt vanwege de bundeling en stroomlijning van
verlofrechten in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen. Inhoudelijke wijzigingen
worden niet aangebracht.
9.
Budgettaire gevolgen en administratieve lasten
9.1. Inleiding
In dit hoofdstuk wordt
aangegeven wat de budgettaire gevolgen zijn van de voorstellen voor de
onderhavige verlofregelingen. Hierbij wordt kwantitatief inzicht geboden in de
gevolgen voor degenen die zorgverlof opnemen (zowel in tijd
als in geld), de gevolgen voor het bedrijfsleven (de bedrijfseffecten, dus met
inbegrip van administratieve lasten en aspecten zoals vervanging) en de
gevolgen voor derden (zoals uitvoeringsorganen en rechterlijke macht).
rblz.|32|
9.2. De
zwangerschaps- en
bevallingsuitkering
In 1998 is volgens de
kerncijfers werknemersverzekeringen van het Lisv ruim
ƒ1,3 miljard uit het AWf uitgekeerd aan zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen
voor werknemers. Hiervan heeft globaal 80% betrekking op de bedoelde
regeling van zestien weken en 20% op uitkeringen wegens ziekte in verband
met zwangerschap.
De lasten van de zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen op grond van de WAZ bedroegen volgens
het Lisv in 1998 circa ƒ15 miljoen. Deze kosten komen ten laste van het Afz.
Met de overheveling van
de zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen vanuit de ZW en de WAZ
naar de Wet arbeid en zorg zijn geen additionele kosten gemoeid, omdat
geen wijziging wordt aangebracht in de kring van rechthebbenden en de
hoogte van de uitkering. Ook de financieringsbronnen, het AWf
respectievelijk
het Afz, blijven in de voorstellen van de regering gelijk.
9.3. De uitkering bij
adoptieverlof
De uitkering is bedoeld
voor beide partners, die elk drie weken adoptieverlof kunnen opnemen. Jaarlijks
worden circa 1000 kinderen geadopteerd in Nederland, waarvan 70% uit het buitenland. De verwachting is dat circa
1600 adoptiefouders
(werknemers en zelfstandigen) gebruik zullen maken van de regeling. Daarbij
is uitgegaan van de volgende gegevens. Bij adoptie vanuit het
buitenland gaan meestal beide ouders het te adopteren kind ophalen. In een
aantal gevallen worden echter niet één maar twee kinderen tegelijk
opgehaald. Bovendien heeft bij de alleenverdienersgezinnen slechts één
van beide
partners recht op verlof.
Voor de mannen is
aangenomen dat zij een gemiddeld loon hebben dat gelijk is aan dat van
mannen in meerpersoonshuishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar, ofwel
een daguitkering van ƒ208,-.
Voor de vrouwen is
aangenomen dat het loon gelijk is aan het gemiddelde loon van werkende vrouwen
in de leeftijd van 25 tot en met 44 jaar, ofwel een daguitkering van ƒ114,-, hetgeen iets hoger is dan de gemiddelde zwangerschapsuitkering.
De kosten van het
adoptieverlof voor werknemers komen ten laste van de vangnetlasten ZW, die
door het AWf gefinancierd worden. De kosten worden geraamd op ƒ3,8
miljoen, waarvan 10% uitvoeringskosten. De kosten van de
uitkering in verband met adoptie voor zelfstandigen komen voor rekening van
het Afz en zijn ingeschat op ƒ0,4 miljoen. Voor een deel van de
werknemers zal de voorgestelde regeling bestaande CAO-regelingen vervangen.
De verwachting is dan ook dat de nettolasten van de regeling minder
dan ƒ4 miljoen zullen bedragen.¹
1. De sociale lasten AWf/Azf (aan andere
fondsen af te dragen socialewerkgeverspremies) worden door het Lisv
ingeschat op ƒ0,8 miljoen. Dit
zijn onderlinge betalingen binnen het
circuit van de sociale fondsen en leiden dus per
saldo niet tot extra kosten.
9.4. De uitkering bij
kortdurend zorgverlof
9.4.1. Algemeen
De regeling voor het
kortdurend zorgverlof voor zieke huisgenoten (partner en kinderen) geldt voor alle werknemers met een arbeidsovereenkomst.
De verwachting is dat het merendeel van de zorgbehoefte zich zal voordoen bij werknemers
met (jonge) kinderen dan wel bij (veelal oudere) werknemers met een zieke
partner. Bij de raming van de effecten is uitgegaan van gegevens over de in
gezinsverband levende werknemers van 20 jaar of ouder met een
arbeidsovereenkomst. In 1999 omvatte deze doelgroep circa 4,0 miljoen
personen.
rblz.|33|
De meeste werknemers
krijgen bij opname van zorgverlof 70% van het loon doorbetaald. Werknemers met een laag loon krijgen 100% van het
wettelijk minimum(uur)loon doorbetaald, voor werknemers met een hoog uurloon geldt het maximum
dagloon van ƒ319,-. Aldus worden zowel mannen als vrouwen
gestimuleerd om zorgverlof op te nemen en is deze voorziening zowel
toegankelijk voor hoger als voor lager betaalden.
De werkgever maakt naast
de kosten van de loondoorbetaling ook andere met de omvang van het
zorgverlof samenhangende kosten. Het afgelopen jaar is een economische verkenning gemaakt naar de gevolgen van een
betaald kortdurend
zorgverlof: de economentoets.¹ Voor de aan de kwantitatieve effecten ten grondslag
liggende veronderstellingen zij verwezen naar deel 2 van de
economentoets. Navolgend is volstaan met de voor de ramingen relevante kosten
voor de werkgevers die voortvloeien uit de volgende
veronderstellingen:
- Doorlopende kosten
voor verlofgangers zijn 20% van het brutoloon.
- 100% vervanging tegen
hetzelfde loonniveau als de verlofganger, kosten herbezetting/vervanging zijn 120% van het brutoloon.
- 7% van de kosten zijn
administratiekosten.
1. Het eerste deel van de
economentoets is juni 1999 aangeboden aan
de Tweede Kamer en het tweede deel in
september 1999. Voor de gehanteerde
veronderstellingen zij naar deel 2 verwezen (bijlage
bij Kamerstukken II 1998-1999, 26 447, nr. 14).
De werkgevers besparen
daarentegen ook kosten. De besparingen bestaan uit de 30% gederfde loonkosten van de verlofgangers en de
overheidsbijdrage van de
helft van de kosten van loondoorbetaling. De werkgever betaalt dus
slechts 35% van het bruto loon. Daarnaast zullen zich in een aantal
sectoren in meer of mindere mate inverdieneffecten voordoen (lager grijs
ziekteverzuim; CAO-regelingen met (gedeeltelijk) betaald zorgverlof).
In de economentoets is
een analytisch onderscheid gemaakt tussen werknemers met zorg voor kinderen
van maximaal 12 jaar en werknemers met zorg voor overige huisgenoten (oudere kinderen en partners). Dit onderscheid
is gemaakt vanwege verschillen in doelgroepen die verlof nodig hebben, verschillen in
behoefte om verlof op te nemen en verschillen in informatie over
ervaringen in het buitenland. Navolgend worden voor elk van beide categorieën
werknemers de financiële effecten van de invoering van het kortdurend
zorgverlof van tien dagen in beeld gebracht. De mate van gebruik van het
kortdurend zorgverlof valt wegens gebrek aan adequate informatie vooral voor de laatste doelgroep slechts binnen
ruime marges in te
schatten.
9.4.2. Zorgverlof voor
zieke kinderen tot en met 12 jaar
De doelgroep die gebruik
maakt van de regeling bestaat uit 50 000 alleenstaande ouders, 400 000
tweeverdieners met één kind, 350 000 tweeverdieners met twee kinderen en 75
000 tweeverdieners met drie of meer kinderen. De doelgroep
bestaat derhalve uit 875 000 werknemers.¹ In gezinnen waar slechts
één van beide partners werkt heeft de werknemer weliswaar ook recht op
zorgverlof, maar dit is in de berekeningen buiten beschouwing gebleven. Hij
heeft immers een niet-werkende partner die veelal de
verzorging van een ziek kind op zich kan nemen.² Bij de berekeningen is
gebruik gemaakt van informatie over zorgverlof in Zweden en Duitsland. In
de economentoets wordt hierop uitgebreid ingegaan. Qua zorgcultuur en
arbeidsparticipatie van vrouwen valt Nederland te vergelijken met
Duitsland. Duitsland heeft evenwel de verplichting dat voor de uitkering
een
doktersverklaring vereist is, waar in Nederland de werknemer aannemelijk
moet maken dat het zorgverlof nodig is.³ Daarom is verondersteld dat het
gebruik van verlof in Nederland het gemiddelde zal zijn van het gebruik
in Zweden en Duitsland, ofwel 2,3 dagen zorgverlof per werknemer met
kinderen tot en met 12 jaar.
1. In deze aantallen zijn
ook huishoudens met partners van gelijk
geslacht begrepen en circa 2500 pleeggezinnen.
2. Uitzonderingen
betreffen een invalide partner of een
thuiswonende partner die wegens ziekte niet in
staat is voor een ziek kind te zorgen.
3. In een aantal gevallen
zal dit ook kunnen leiden tot het overleggen
van stukken zoals een afspraakbevestiging
van een medisch onderzoek en de rekening
voor een consult.
rblz.|34|
Uit de ervaringen in het
buitenland blijkt dat het merendeel van het verlof door vrouwen wordt
opgenomen. In de ramingen is aangenomen dat 80% van de verlofgangers
vrouw is en 20% man. De verwachting is dat op langere termijn het
percentage mannen dat verlof opneemt zal toenemen, maar het tempo waarin dit
zal geschieden valt niet op voorhand in te schatten.
In de economentoets is
uitgelegd dat het bruto jaarloon van de mannen die met verlof gaan ƒ85
000,- bedraagt, bij een gemiddelde werkweek van 37,9 uur. Het bruto
jaarloon van de vrouwen bedraagt ƒ35 000,-, bij een gemiddelde
werkweek van 22,5 uur. Herleid naar dagloon gaat het om ƒ327,- voor mannen
en om ƒ135,- voor vrouwen bij 260 verzekerde loondagen per
jaar. De bruto loonsom van de verlofgangers bedraagt ƒ350 miljoen per jaar.
9.4.3. Zorgverlof voor
andere huisgenoten (partner, oudere kinderen)
De doelgroep van personen
die zorgverlof kunnen opnemen voor thuiswonende oudere kinderen en/of
partner bestaat uit alle werknemers in vaste dienst, exclusief
de alleenstaanden. Het gaat hier om circa 4,0 miljoen personen.
Verondersteld is dat 10% van deze personen gemiddeld één dag zorgverlof per
jaar zal opnemen. Het gaat hierbij dus om 400 000 dagen verlof per
jaar.
Omdat het hier om een
globale indicatie gaat en er geen internationale maatstaf voorhanden is,
is het gebruik van de zorg door deze doelgroep in de ramingen constant gehouden. Hierbij is uitgegaan van een gemiddeld
brutoloon van ƒ250,- per dag voor de populatie die zorgverlof opneemt en is geen
verbijzondering gemaakt naar geslacht. De bruto loonsom die gepaard gaat
met de opname van het zorgverlof voor zieke partners bedraagt
derhalve bijna ƒ100,- per jaar.
9.4.4. Totale kosten van
de invoering van het kortdurend zorgverlof
In navolgende tabel zijn
de kosten van het kortdurend zorgverlof voor de werkgevers voor beide
groepen verlofgangers in beeld gebracht.
Tabel 9.1. Kosten
werkgevers kortdurend zorgverlof (in miljoenen guldens):
| Kosten en baten |
Zorgverlof ten behoeve van zieke huisgenoten |
| |
kind t/m 12 jaar |
partner/kind
ouder dan 12 jaar |
totaal |
x
Kosten werkgevers: |
|
|
|
| doorlopende kosten
zorgverlof: |
70xx |
20xx |
90xx |
| loonkosten 100%
vervanging/herbezetting: |
420xx |
115xx |
535xx |
| administratiekosten: |
40xx |
10xx |
50xx |
| Totaal kosten
(incl.
administratiekosten): |
530xx |
145xx |
675xx |
x
Inverdieneffecten
werkgevers: |
|
|
|
| effecten CAO/individueel: |
60xx |
15xx |
75xx |
| lager grijs verzuim: |
65xx |
15xx |
80xx |
| administratiekosten: |
10xx |
5xx |
15xx |
| niet-uitbetaald loon*: |
105xx |
30xx |
135xx |
Totaal inverdieneffecten:
x |
240xx
x |
65xx
x |
305xx
x |
|
Nettokosten werkgevers (vóór
OT-compensatie):
x
|
290xx
x |
80xx
x |
370xx
xxx |
x
* Dit is tevens het
bedrag aan loonderving van werknemers. |
- Resultante van de
berekeningen is het bedrag aan de voor rekening van de werkgevers komende
kosten. Bij gebruik conform het gemiddelde rblz.|35|
van het aantal
dagen zorgverlof in Zweden en Duitsland worden deze kosten op ƒ370
miljoen geschat.
- Het kabinet is
voornemens om de werkgevers de helft van de kosten te compenseren. Deze
compensatie geschiedt in de vorm van een verlaging van de door de werkgevers
te betalen overhevelingstoeslag (OT) aan werknemers met 0,06 procentpunt.¹
1. De afrondingstechniek
heeft tot gevolg dat de verlaging van het
OT-percentage is afgerond op 0,1 procentpunt.
Dit heeft als effect dat de gemiddelde werkgever
voor meer dan de beoogde 50% wordt
gecompenseerd.
9.4.5. Effecten van de
regeling voor verschillende inkomenscategorieën
In deze paragraaf komen
de inkomenseffecten van de zorgverlofgangers aan de orde. Omdat in de
regeling een minimumloongarantie is opgenomen, treedt voor personen met
een daginkomen van ƒ111,- (minimumloon voltijdwerker) geen
inkomensverlies op. Met name voor van een laag inkomen
afhankelijke werknemers wordt zo een belangrijke belemmering weggenomen om
zorgverlof op te nemen.
Vanaf dit niveau tot 143%
van het minimumloon loopt het inkomensverlies op van 0% naar 30%.
Laatstgenoemd percentage wordt bereikt bij een dagloon van circa ƒ160,-, bij welk niveau het inkomensverlies per verlofdag
ƒ48,- bedraagt. Voor werknemers met een modaal inkomen (ƒ208,- per dag)
bedraagt de derving ruim ƒ62,-, op het niveau van tweemaal modaal loopt
dit op naar ƒ125,-. Voor werknemers met een inkomen boven het maximumdagloon blijft de nominale vergoeding gelijk en loopt het inkomensverlies snel op.
Naast de inkomensderving
van de verlofganger is de inkomensderving van de huishouding een
belangrijke factor om al dan niet gebruik te maken van de
verlofregeling.
- Voor een werknemer
met een laag inkomen die een partner heeft met een hoog inkomen, wordt
de inkomensderving bij opname van zorgverlof door de minst verdienende
slechts in beperkte mate gevoeld. Meestal zal dan ook
degene met de laagste inkomensderving per dag zorgverlof (veelal de
vrouw) dit verlof willen opnemen.
- Ingeval een
huishouden bestaat uit twee partners met beiden een laag inkomen, is de prikkel om
zorgverlof op te nemen minder groot. Om niet-gebruik te voorkomen
is de minimumloongarantie in de regeling opgenomen. De kans is
groter op een meer evenwichtige verdeling van de opname van het
zorgverlof tussen beide partners.
- Voor huishoudens met één partner die in deeltijd werkt en één partner die (vrijwel) een
fulltimebaan heeft, zal de in deeltijd werkende partner
(met meestal het laagste
inkomen) sneller geneigd zijn verlof op te nemen, waarmee de
inkomensderving van het huishouden beperkt kan blijven.
9.5. De uitkering bij
kraamverlof
Er komt een wettelijk
ongeclausuleerd recht van twee dagen betaald kraamverlof voor de partner. In 1998 bedroeg het aantal bevallingen in
Nederland circa 190 000, met in 140 000 gevallen een mannelijke partner die werknemer
was.¹ Bij een dagloon van ƒ325,- kost twee dagen kraamverlof voor
werknemers derhalve ongeveer ƒ90 miljoen aan bruto loon per
jaar.
In veel CAO’s (1998:
ruim 91% van de onder een CAO vallende werknemers) is een recht op
kraamverlof vastgelegd, meestal betreft het een betaald verlof van
minimaal twee dagen. Bovendien zullen ook als werknemers zich niet kunnen beroepen
op CAO-afspraken ², veel werkgevers hen toch betaald verlof
geven. De verwachting is dan ook dat de extra kosten voor de werkgevers
beperkt zullen blijven tot maximaal ƒ10 miljoen.
1. Bij de overige 50 000
bevallingen is ofwel sprake van een partner
die zelfstandige of uitkeringsgerechtigde is,
dan wel betreft het bevallingen van
alleenstaande moeders.
2. Naar schatting geldt
voor een derde deel van de werknemers geen
verlofregeling, hierin zijn jongeren beneden 25 jaar
die in mindere mate tot de doelgroep behoren,
oververtegenwoordigd.
rblz.|36|
9.6. Overige regelingen
Bij het ouderschapsverlof
worden geen extra kosten van de verlofregeling voorzien, omdat de
verlofduur ongewijzigd blijft. De verwachting hierbij is dat de mogelijkheid tot
splitsing van het verlof niet van invloed zal zijn op de omvang van het verlof.
Bij de overige regelingen
(calamiteitenverlof, Wet financiering loopbaanonderbreking en politiek
verlof [is tijdens de parlementaire behandeling van het
onderhavige wetsvoorstel geschrapt, red.]) is
alleen sprake van een budgettair neutrale overheveling van
bestaande regelingen.
9.7. De gevolgen voor het
bedrijfsleven
De meeste voorgestelde
maatregelen hebben voor alle 300 000 bedrijven met werknemers en voor de
overheid effecten, alsmede incidenteel ook voor zelfstandigen
(adoptieverlof).
De bedrijfseffecten van
de maatregelen zijn om twee redenen niet evenredig verdeeld over de
sectoren. In de eerste plaats treden sommige maatregelen in de plaats
van bestaande CAO-afspraken (bijvoorbeeld kortdurend zorgverlof). Ten tweede
zijn enkele voorstellen (voornamelijk) geslachtsgebonden
(bevallingsverlof,
kraamverlof) dan wel is de verwachting dat het effect in sectoren
met relatief veel vrouwen groter zal zijn dan in sectoren met relatief
veel mannen. Navolgend worden de gevolgen voor de werkgevers van elk van
de maatregelen afzonderlijk beschreven.
- De zwangerschaps- en
bevallingsuitkeringen krijgen alleen een wettelijke basis en er zijn dus geen
additionele kosten voor de werkgevers. Ook het ouderschapsverlof
en de loopbaanonderbrekingsregeling zijn bestaande regelingen die
geen extra kosten met zich meebrengen. Wel zou de mogelijkheid
om het ouderschapsverlof te splitsen voor sommige werknemers een
stimulans kunnen zijn om het verlof op te nemen, omdat een aantal
werknemers hun ouderschapsverlofrechten nu niet geheel benutten.
De mate waarin dit zal geschieden valt niet op voorhand aan te geven.
- Het aantal
uitkeringen wegens adoptieverlof is ingeschat op 1450 aan werknemers bij
bedrijven
en overheid en 150 aan zelfstandigen. De kans dat een werknemer
van een bedrijf in een bepaald jaar bij zijn werkgever een verzoek om
verlof zal indienen is erg klein. Ingeval de voorgestane regeling in
de plaats treedt van een bestaande CAO-regeling, zullen de
extra lasten nihil zijn. De verwachting is dan ook dat de effecten voor
de bedrijven marginaal zullen zijn, te meer omdat de uitvoering wordt
overgelaten aan de uitvoeringsinstellingen. De ten laste van het
AWf
komende kosten van maximaal ƒ3,8 miljoen leiden slechts tot
een zeer geringe premiestijging (0,004 procentpunt). Bij een evenredige
premieverdeling over werknemers en werkgevers komt de helft van deze premiestijging voor rekening van de
werkgevers.
- De invoering van een
kortdurend zorgverlof heeft diverse effecten voor de werkgevers. Ten eerste
zal moeten worden gereageerd op de aanvraag voor verlof,
waarbij in voorkomende gevallen van werknemers wordt verlangd dat zij
(eventueel via gedocumenteerde bewijsvoering) aannemelijk maken dat het
verlof nodig is. Zeker bij een goede verstandhouding
tussen werkgever en werknemer zal het aannemelijk maken weinig
problemen opleveren. Bij meer twijfel van de werkgever en/of
naarmate het verlof van de werknemer langer duurt, neemt de kans op
hogere kosten van het aannemelijk maken toe. Het aannemelijk
maken zal voor werknemers eenvoudig zijn indien zij bij het voortduren van de ziekte een arts hebben moeten
raadplegen. Ten tweede
moet de werkgever het zorgverlof registreren, hetgeen overigens kan via
inpassing in de reeds bestaande verlofregistratie rblz.|37|
(vakantie,
ADV, ziekteverzuim, etc.). De hiermee gemoeide tijd valt te vergelijken
met die van het ziekteverzuim. Ten derde zullen de
bedrijven een deel van de in paragraaf 9.4 beschreven loonkosten
(minus inverdieneffecten) moeten betalen. Hierbij worden met de
door het kabinet voorgestelde vergoeding aan werkgevers van de helft
van deze kosten via een verlaagde overhevelingstoeslag de extra kosten beperkt.
Laatstgenoemde constructie heeft als voordeel dat
deze geen administratieve lasten voor de werkgevers met zich mee brengt,
omdat deze verlaging meeloopt in de reguliere jaarlijkse
aanpassing van de tarieven door de belastingdienst.
- Het gebruik van het
kraamverlof is beperkt tot twee dagen. Omdat het overgrote deel van de
werknemers reeds recht heeft op twee dagen betaald verlof, zijn er
nauwelijks extra kosten voor het werkgevers. Ook voor deze verlofvorm
geldt dat deze zich eenvoudig laat inpassen in de bestaande
verlofregistratie.
9.8. Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid
Een aantal onderdelen van
de Wet arbeid en zorg betreft een overheveling en bundeling van reeds
van kracht zijnde regelingen, zoals de uitkering bij zwangerschap en
bevalling, calamiteiten- en kort verzuimverlof, het ouderschapsverlof, het politiek verlof
[is tijdens de parlementaire behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel geschrapt, red.] en de
financiering loopbaanonderbreking. Van de nieuwe
onderwerpen, te weten de regeling van verlof en uitkering bij adoptie, het
kraamverlof, het kortdurend zorgverlof en de flexibilisering van het ouderschapsverlof
worden de aspecten van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid in kaart
gebracht.
De regeling van verlof en
uitkering bij adoptie sluit nauw aan bij de regeling van verlof en uitkering
bij bevalling en zwangerschap. Zowel bij de vaststelling van de kring
van gerechtigden (werknemers, met werknemers gelijkgestelden,
beroepsbeoefenaren op arbeidsovereenkomst, ambtenaren en zelfstandigen), het
werkgeversbegrip, de vormgeving van het verlof- en
uitkeringsrecht als de wijze van uitvoering en controle door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen is aangesloten bij de al bestaande structuur waarmee al
ruimschoots ervaring is opgedaan.
Voorts is op aspecten van
uitvoerbaarheid en toezicht advies gevraagd van het Landelijk instituut sociale verzekeringen en het
College van toezicht
sociale verzekeringen.
Het commentaar van deze organisaties is verwerkt, ook wat betreft de
invoeringswetgeving.
De regeling van het
calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, het kortdurend zorgverlof,
kraamverlof en de flexibilisering van het ouderschapsverlof is van toepassing op alle werkgevers en werknemers. De in
de wet
gestelde regels hebben
betrekking op rechten en verplichtingen en geven een kader voor de wijze
waarop werkgevers en werknemers met elkaars belangen rekening dienen
te houden, met name in gevallen dat bijzondere privéomstandigheden van
de werknemer ertoe leiden dat met de werkgever gemaakte afspraken
tijdelijk en voor een korte periode niet (geheel) kunnen worden nagekomen.
Hierbij wordt aangesloten bij de in arbeidsverhoudingen gangbare praktijk dat
werkgevers en werknemers in overleg nadere afspraken maken. Voor zover in het wetsvoorstel nadere procedurele regels zijn gesteld over
bijvoorbeeld wijze en tijdstip van melding van kortdurend zorgverlof of
de aanvraag van een gesplitst ouderschapsverlof, wordt nauw bij deze
praktijk aangesloten.
Mede op grond van de
ervaringen van werkgevers en werknemers met het bestaande
calamiteitenverlof zijn er goede gronden voor de verwachting
dat het opnemen van het kortdurend zorgverlof in de praktijk in goed overleg tussen werkgever
en werknemers zal worden gerealiseerd.
rblz.|38|
De uitvoeringslasten van
de voorstellen zijn beperkt.
Daar waar tijdens een
verlofperiode een loonaanspraak van de werknemers wordt geïntroduceerd, is
dit voor een beperkte periode (kraamverlof, calamiteiten- en ander
kort verzuimverlof, kortdurend zorgverlof) en blijven ook de
administratieve lasten beperkt. Dit laatste is mede het gevolg van de keuze voor
een generieke wijze van (gedeeltelijke) compensatie van de werkgevers door
de
overheid voor de kosten van het kortdurend zorgverlof.
De voorgestelde
regelgeving bevat belangrijke prikkels voor gebruik en naleving overeenkomstig
de doelstellingen.
Zowel werkgever als
werknemer hebben er in het kader van een goede arbeidsverhouding belang
bij met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening te houden. Wanneer bedacht wordt dat het om naar de aard
kortdurende en van
bijzondere omstandigheden afhankelijke verlofrechten gaat, is het niet
waarschijnlijk dat werkgevers en werknemers een duurzame goede arbeidsrelatie op
het spel zullen zetten door op misbruik en op de korte termijn
gericht gedrag. Voorts rust op de werknemer de verplichting om
desgevraagd achteraf de noodzaak van het verlof aannemelijk te maken en heeft de
werkgever de mogelijkheid om aanvullende informatie te vragen. Ten
slotte kan een onterechte opname van verlof en daarmee samenhangende
ongeoorloofde afwezigheid consequenties hebben voor de
loonbetaling, en onder omstandigheden zelfs leiden tot ontslag van de werknemer.
9.9. De gevolgen voor de
belasting van de rechterlijke macht
Voor wat betreft de
gevolgen voor de belasting van de rechterlijke macht is de inschatting dat
deze niet ingrijpend zullen zijn, omdat het hier gedeeltelijk gaat om een
overheveling
van bestaande rechten en deels om een codificatie van de
bestaande praktijk die ook nu nauwelijks aanleiding geeft tot een belasting
van de rechterlijke macht. De verlof- en uitkeringsrechten zijn voorts scherp
afgebakend en objectief beoordeelbaar. Naar verwachting zullen niet
snel meningsverschillen ontstaan die vervolgens worden voorgelegd aan de
rechter. En bij het adoptieverlof gaat het daarnaast nog eens om zeer kleine
aantallen.
Het ligt niet in de rede
dat de voorstellen met betrekking tot het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot
meer geschillen zullen leiden. Er is momenteel sprake van een recht op
uitkering zonder dat er een formeel verlofrecht aan ten grondslag ligt.
Het formaliseren van het verlofrecht heeft materieel geen consequenties en zal niet leiden tot extra belasting van de rechterlijke macht.
Wat betreft het
calamiteiten- en ander kort verzuimverlof is gelet op de zeer beperkte
jurisprudentie de al genoemde ervaringen van werkgevers
en de omstandigheid dat
de bestaande regeling materieel niet of nauwelijks is gewijzigd, niet te
verwachten dat vaker dan thans een beroep op de rechter zal worden
gedaan.
De regeling van het
kortdurend zorgverlof kan eventueel tot meer geschillen leiden, maar naar verwachting zal slechts voor een gering deel
de rechter moeten worden ingeschakeld. Nu al zijn in een aantal CAO’s dergelijke verlofrechten
opgenomen en blijkt ook daarbij niet dat dit heeft geleid tot een grotere
belasting van de rechter. In situaties waarin de rechter daadwerkelijk
wordt ingeschakeld, is aannemelijk dat er vaak al iets anders in de relatie
werkgever-werknemer "aan de hand is" dat vroeger of later uitmondt in een
arbeidsgeschil. Tenslotte zal het kortdurend zorgverlof pas nodig zijn als
het
(in veel gevallen daaraan voorafgegane) calamiteitenverlof
onvoldoende soelaas heeft geboden.
rblz.|39|
Wat betreft het politiek
verlof [is tijdens de parlementaire behandeling van het
onderhavige wetsvoorstel geschrapt, red.] wordt opgemerkt dat de in het
BW
opgenomen (en thans overgehevelde)
regeling over lange tijd nauwelijks aanleiding heeft gegeven
tot een beroep op de rechterlijke macht. Ook de mogelijkheid tot
splitsing van het ouderschapsverlof (waarvan overigens bij CAO kan worden
afgeweken) zal naar verwachting niet leiden tot een zwaardere belasting van
de rechterlijke macht.
10.
Invoering
10.1. Implementatie
Aan de implementatie van
de Wet arbeid en zorg wordt door de regering ruime aandacht besteed.
Zo is er bij de keuze van de wijze van betaling van het kortdurende
zorgverlof al rekening gehouden met de uitvoering en de uitvoerbaarheid. Er
is aangesloten bij de systematiek van de loondoorbetaling bij ziekte en van het
calamiteitenverlof. Daarnaast is er voor de vormgeving van de
tegemoetkoming gekozen voor een generieke lastenverlichting voor
alle werkgevers door de OT te verlagen (zie hoofdstuk 6). Dat heeft het
voordeel van een eenvoudige invoering. Een specifieke regeling waarbij op basis
van declaratie van de kosten van het werkelijk gebruik een
tegemoetkoming wordt verstrekt aan die werkgevers die met kortdurend
zorgverlof te maken krijgen, zou de implementatie van deze wet aanmerkelijk
verzwaren. Een dergelijke specifieke regeling impliceert voor elk geval
waarin behoefte is aan kortdurend zorgverlof een aanvraagprocedure. Bovendien zouden dan allerlei garanties en controlemechanismen
moeten worden ingebouwd
om de mogelijkheden voor afwenteling op het
collectief te beperken. Dit zou ook in tegenspraak zijn met de in het
regeerakkoord vastgelegde verplichting om te komen tot een terugdringing van de
uitvoeringskosten sociale zekerheid en de in het kader van de Commissie
Administratieve Lasten (onder leiding van dhr. Slechte) nagestreefde
vermindering van administratieve lasten.
De implementatie van de
Wet arbeid en zorg betreft in de eerste plaats de overheveling van de
bevallingsuitkering naar en de invoering van adoptie-uitkering in de Wet arbeid en
zorg.
Aan het Lisv is gevraagd een beoordeling te geven van de
uitvoerbaarheid van dit onderdeel van het concept-wetsvoorstel Arbeid en zorg. Het Lisv
schat in dat de huidige voorstellen voor de uitvoering
slechts geringe effecten met zich zullen meebrengen. Wel zal de uitkering in
verband met adoptie van buitenlandse kinderen (700 aanvragen per jaar)
voor de uvi’s gelet op met name handhaving en controle een verzwaring
van de uitvoeringstaken betekenen. Voorts geeft het Lisv aan dat er bij
de implementatie rekening mee gehouden moet worden dat de bestaande
procedures, de automatisering en voorlichtingsfolders aangepast dienen te
worden.
Voor de andere
maatregelen uit het wetsvoorstel Arbeid en zorg (zoals calamiteiten- en ander
kort verzuimverlof, kortdurend zorgverlof, ouderschapsverlof, politiek
verlof [is tijdens de parlementaire behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel geschrapt, red.] en
financiering loopbaanonderbreking) geldt dat is aangesloten bij de
bestaande systematiek (zoals loondoorbetaling), zodat dit eenvoudig in de
bestaande praktijk kan worden ingepast.
Ter bevordering van de
implementatie van de wet zal gerichte voorlichting worden gegeven aan
doelgroepen zoals werknemers, werkgevers en zelfstandigen. Daartoe
zal aansluiting worden gezocht bij intermediaire organisaties zoals
werkgevers- en werknemersorganisaties, emancipatieorganisaties,
gemeenten, arbeidsbureaus
en uitzendbureaus. Daarnaast zal door middel van een
meerjarige massamediale voorlichtingscampagne Arbeid en zorg breed
bekendheid worden gegeven aan bestaande en nieuwe
regelingen voor verlof en aanpassing arbeidsduur, waarbij de verschillende
regelingen zoveel mogelijk in onderlinge samenhang rblz.|40|
voor het voetlicht
zullen worden gebracht. De campagne die in het voorjaar van 2000 is
gestart zal gefaseerd worden ingezet. Via Postbus 51 worden een radio- en
tv-spot uitgezonden. Daarbij aansluitende brochures wordt verspreid via
postkantoren en bibliotheken. Tevens wordt gedacht aan advertenties in dag-,
week- en vakbladen.
10.2. Evaluatie en
informatievoorziening
De
Wet arbeid en zorg zal
worden geëvalueerd. In de wet is bepaald dat de Minister van
SZW, in
overeenstemming met de Minister van Justitie en de
Minister van BZK, de Staten-Generaal zal rapporteren over de doeltreffendheid
en de effecten van de
wet. De evaluatie beziet in hoeverre de wet in de praktijk een beter
evenwicht tussen betaalde arbeid en zorgtaken bevordert. Na invoering
van de wet zal een evaluatieplan worden opgesteld. Doel van dit plan is te
komen tot een geïntegreerde evaluatie, waarbij nieuwe en
bestaande gebundelde verlofregelingen gefaseerd worden beoordeeld. Ook
zal in dit plan worden aangegeven of, en zo ja, op welke wijze een nulmeting
kan worden uitgevoerd. Voorts zal de Arbeidsinspectie ieder jaar de stand van
zaken in de CAO’s op het terrein van verlof inventariseren.
Daarnaast zal het Lisv
periodiek over de uitvoering van deze wet rapporteren.
Voor wat betreft de reguliere informatievoorziening registreert het Lisv
reeds het gebruik van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Hieraan
zullen in overleg met het Lisv overeenkomstige gegevens over het
adoptieverlof worden toegevoegd. In de tweede plaats gaat het om
informatie over het door werknemers opgenomen calamiteitenverlof,
kraamverlof en kortdurend zorgverlof. Omdat dit verlof primair tot stand komt in
overleg tussen werkgever en werknemer, ligt een afzonderlijke informatieplicht in de richting van de overheid niet in de
rede. Het CBS [Centraal Bureau voor de
Statistiek, red.] zal worden gevraagd na te gaan in hoeverre deze informatie
in bestaande statistieken
kan worden meegenomen.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Algemene
bepalingen
Artikel 1:1.
[Begrippen werkgever en werknemer, red.]
In dit voorgestelde
artikel 1:1 wordt de personele werkingssfeer van de wet aangegeven. De wet is
van toepassing op (overheids)werkgevers en -werknemers die, hetzij
op grond van een arbeidsovereenkomst, hetzij op grond van een
publiekrechtelijke aanstelling bij die werkgevers in dienst zijn. Wel wordt de
mogelijkheid opgelaten om, voor zover noodzakelijk, voor bepaalde onderwerpen
aangepaste omschrijvingen voor de begrippen werkgever en
werknemer te gebruiken. Dit is bijvoorbeeld gebeurd in afdeling 2 van hoofdstuk 3 waarin de uitkering in verband met
zwangerschap, bevalling
en adoptie aan de orde is.
Artikel
1:2.
[Het begrip loon, red.]
In het eerste lid van het
voorgestelde artikel 1:2 is een definitie opgenomen van het begrip loon dat
in de wet wordt gehanteerd. Zo wordt vermeden dat bij iedere
bepaling in de wet waar het begrip loon aan de orde komt telkens moet
worden verwezen naar bezoldiging, een term die voor ambtenaren
gebruikelijk is. Loon is de vergoeding die de werkgever aan de werknemer is
verschuldigd voor de bedongen arbeid (zie
HR 18 december
1953, NJ 1954 242). Het gaat om het naar tijdruimte
vastgestelde loon, dus het periodiek uitgekeerde salaris. Uitgangspunt is
het brutoloon, tenzij er andere afspraken zijn gemaakt.
rblz.|41|
Voor het geval dat het
loon in geld op een andere manier dan naar tijdruimte wordt vastgesteld,
bijvoorbeeld stukloon en provisie, geeft het tweede lid van het
voorgestelde artikel 1:2 aan dat de loondoorbetaling betrekking heeft op wat
de betrokken werknemer gemiddeld tijdens het verlof zou hebben kunnen
verdienen. Deze regeling komt overeen met wat thans in artikel 629b,
derde lid, jº 628, derde lid, Boek
7, BW is geregeld.
Artikel
1:3.
[Overige begrippen, red.]
In dit voorgestelde
artikel 1:3 wordt de betekenis van een aantal in de wet terugkerende begrippen
aangeduid.
In onderdeel d wordt het
begrip militaire ambtenaar gedefinieerd. Op grond van het eerste lid
van artikel 1 Militaire
Ambtenarenwet 1931 gaat het daarbij om militaire
ambtenaren die zijn aangesteld in militaire openbare dienst om bij de
zee-, de
land- of de luchtmacht werkzaam te zijn. Het tweede lid van artikel 1 Militaire
Ambtenarenwet 1931 geeft aan dat onder militaire ambtenaren mede
wordt verstaan het reservepersoneel bij de genoemde krijgsmachtonderdelen voor zover zij al niet onder het eerste
lid van dit artikel
vallen.
Artikel
1:4.
[Gelijkstelling met een collectieve
arbeidsovereenkomst, red.]
In dit voorgestelde
artikel is een gelijkstelling opgenomen met betrekking tot de collectieve
arbeidsovereenkomst. Met een collectieve arbeidsovereenkomst wordt een regeling door
of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan
gelijkgesteld.
Hoofdstuk 3. Zwangerschap,
bevalling en adoptie
In bijlage B is een
transponeringstabel opgenomen van die bepalingen uit de Ziektewet en de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen die naar de Wet arbeid en
zorg zijn overgeheveld.
Artikel
3:1. [Zwangerschaps- en bevallingsverlof,
red.]
In dit voorgestelde
artikel wordt voor de vrouwelijke werknemer een recht op verlof in verband met
haar zwangerschap en bevalling vastgelegd. Een dergelijk recht bestaat thans nog niet. Het feit dat
ter zake wel een recht op
uitkering bestaat in de
vorm van een ziekengeld in verband met zwangerschap en bevalling op grond van
de Ziektewet, betekent de facto dat een vrouw gedurende de tijd
dat zij recht heeft op het ziekengeld niet hoeft te werken, maar dat zij zich
formeel niet kan beroepen op een verlofrecht. Aan deze situatie moet de
voorgestelde bepaling een einde maken. Een vrouw heeft gedurende zestien
weken recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. Dit kan meer dan
zestien weken
zijn indien het zwangerschapsverlof langer dan zes weken
heeft geduurd. Dat kan aan de orde zijn indien de bevalling later heeft
plaatsgevonden dan de uitgerekende datum.
Het tweede lid van het
voorgestelde artikel 3:1 geeft nadere invulling aan het begrip zwangerschapsverlof en geeft aan wanneer het recht bestaat,
hoeveel het minimaal bedraagt (minimaal vier weken) en gedurende welke periode het recht
bestaat, namelijk vanaf zes weken vóór dag na de uitgerekende datum.
Het voorgestelde derde
lid regelt in aansluiting daarop de duur van het bevallingsverlof (tien
weken). Als het zwangerschapsverlof minder dan zes weken heeft geduurd, bedraagt het bevallingsverlof zoveel dagen
meer dan tien weken als
dat zwangerschapsverlof minder dan zes weken heeft bedragen.
rblz.|42|
Het voorgestelde
artikel 3:1, vierde lid, regelt de situatie dat een vrouw ziek is in de periode dat
zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar van dat recht nog geen
gebruik maakt. Het gaat om de situatie dat een vrouw heeft aangegeven tot vier
weken vóór de uitgerekende datum van de bevalling te willen
doorwerken, maar vóór die tijd ziek wordt. In de periode van zes weken
vóór de uitgerekende bevallingsdatum tot vier weken vóór die datum
heeft zij, op grond van artikel 29a, tweede lid, Ziektewet
- zoals dat artikel zal
gaan luiden op grond van de bij dit wetsvoorstel behorende invoeringswet
- recht op ziekengeld (ook als zij recht heeft op loondoorbetaling; zie
artikel 29, eerste lid, Ziektewet).
Het maakt daarbij niet
uit of de ziekte wel of geen verband houdt met haar zwangerschap. Op grond
van dit vierde lid van artikel 3:1, dat gebaseerd is op het huidige
artikel
29a, zesde lid, Ziektewet en dat is opgenomen met het oog op de
uitvoeringspraktijk, worden deze dagen van ziekte aangemerkt als dagen van
zwangerschapsverlof. Het maakt daarbij niet uit of de vrouw al eerder dan zes
weken vóór de uitgerekende bevallingsdatum ziek is geworden en in verband
daarmee recht had op ziekengeld op grond van artikel 29a, eerste lid,
Ziektewet (zoals dat artikel gaat luiden op grond van voornoemde invoeringswet). Op grond van deze regeling wordt het
aanvangstijdstip van het zwangerschapsverlof derhalve ten hoogste twee weken naar voren
verschoven.
Artikel
3:2. [Adoptieverlof,
red.]
Met dit voorgestelde
artikel 3:2 wordt, zoals aangegeven in paragraaf 3.1.2 van deze toelichting, een
recht op verlof geïntroduceerd voor werknemers die één of meer kinderen
adopteren.
Het recht op verlof
bestaat ingevolge het voorgestelde tweede lid gedurende een periode van
zestien weken
en bedraagt ten hoogste drie aaneengesloten weken. Het verlof kan
ingaan vanaf het moment dat één of meer kinderen feitelijk ter
adoptie zijn of worden opgenomen. Dit tijdstip is gekozen omdat het doel
van het verlof is om ouders en kind(eren) de gelegenheid te bieden aan
elkaar en hun nieuwe situatie te wennen. Gelet op de verschillende
vormen van adoptie vormt dit tijdstip ook het enige ijkpunt dat bruikbaar is
voor de beoordeling of er een recht op verlof bestaat. Voor zover
personen die een kind adopteren dat kind in het buitenland moeten halen,
wordt voor de toepassing van deze wet als aanknopingspunt genomen
het moment dat de ouders het kind feitelijk onder hun hoede krijgen
(mogelijk al tijdens hun verblijf in het buitenland). Voor deze ouders betekent
dit dat zij recht hebben op verlof nog voordat het kind in Nederland is aangekomen. Zij zullen dan ook door
middel van andere
documenten aannemelijk moeten maken dat een kind ter adoptie zal worden
opgenomen door adoptiefouders die een kind in Nederland ter adoptie
opnemen.
Als documenten waaruit
blijkt dat een kind in Nederland ter adoptie is opgenomen gelden een
verklaring van opneming in de gemeentelijke basisadministratie of een
melding bij de vreemdelingenpolitie. De documenten waaruit kan blijken dat
de werknemer in het land van herkomst de zorg voor het door hem of
haar te adopteren kind op zich neemt, zijn in eerste instantie de
machtiging voor voorlopig verblijf, verstrekt door de Nederlandse ambassade in
het land waar de opneming zal plaatsvinden, of indien een dergelijke verklaring niet hoeft te worden verstrekt, andere
bescheiden waaruit blijkt
dat de adoptie doorgang zal vinden, zoals een verklaring van de
vergunninghouder (adoptie-instelling). De werknemer kan echter niet volstaan
met een beginseltoestemming van de Minister van Justitie of een
verklaring van de Raad voor de Kinderbescherming waaruit blijkt dat de aanstaande adoptiefouders geschikt zijn om te adopteren.
Dergelijke verklaringen
hebben betrekking op een fase waarin nog rblz.|43|
niet aantoonbaar is dat
ook daadwerkelijk een kind ter adoptie zal worden opgenomen.
Als
ter zake van een
adoptieverzoek tegelijkertijd meer dan één kind ter adoptie wordt opgenomen,
heeft de werknemer op grond van het derde lid van het voorgestelde
artikel 3:2 eenmaal recht op verlof. Het gaat dan ook om dezelfde periode
van gewenning.
Artikel
3:3. [Meldingsverplichting,
red.]
Dit voorgestelde artikel
regelt de melding aan de werkgever door degene die zwangerschaps- of
adoptieverlof zal genieten. Aangegeven wordt wanneer en op welke wijze
melding moet plaatsvinden. De melding moet tijdig plaatsvinden, in
dit geval uiterlijk drie weken vóór de datum van ingang van het verlof
(ingeval de bevalling te vroeg heeft plaatsgevonden, twee dagen na de
bevalling). Hierdoor is de werkgever in staat maatregelen te treffen voor zijn
organisatie. Tevens is van belang dat de aanvraag van de uitkering
door tussenkomst van de werkgever gebeurt. Met het oog daarop moet
deze dan ook over de vereiste documenten beschikken.
Artikel
3:4. [Compensatie met vakantieaanspraken,
red.]
In het voorgestelde
artikel 3:4 wordt expliciet aangegeven dat het verlof voor zwangerschap,
bevalling of adoptie niet kan worden gecompenseerd met
vakantieaanspraken.
Artikel
3:5. [Geen
afwijking ten nadele van werknemer, red.]
In het kader van het
arbeidsovereenkomstenrecht kunnen verschillende vormen van mate van
gebondenheid voorkomen:
a. bepalingen van
aanvullend of regelend recht. Dat betekent dat de wettelijke regeling alleen geldt indien partijen zelf geen afspraken
hebben gemaakt;
b. bepalingen van semi-dwingend recht. Van deze bepalingen kan alleen bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken;
c. bepalingen van
driekwartdwingend recht. Van deze bepalingen kan uitsluitend bij CAO of
een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan
worden afgeweken;
d. bepalingen van
dwingend recht. Van deze bepalingen kan niet worden afgeweken (Kamerstukken
II 1996-1997, 25 426, nr. 1 (Ontwikkelingen in het
arbeidsovereenkomstenrecht), blz. 3 t/m 6).
Het eerste lid van het
voorgestelde artikel 3:5 geeft aan dat de regeling van het zwangerschaps-,
bevallings- en adoptieverlof van dwingend recht is, zodat afwijking ten nadele van de werknemer niet is toegestaan. In het
voordeel van de werknemer
mag altijd afgeweken worden.
Het tweede lid van het
voorgestelde artikel 3:5 is gelijkluidend aan artikel 4 van de Wet van 6 juni
1991 houdende regels betreffende de aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel
(Stb. 1991, 347). De
doelstelling van dit voorschrift is dan ook dezelfde, namelijk om de
Minister van Defensie ten aanzien van de vrouwelijke militaire ambtenaren wat
betreft het in deze wet geregelde zwangerschaps- en bevallingsverlof
dezelfde bevoegdheid tot afwijking te bieden die hij op grond van artikel 2 Algemene militair ambtenarenreglement
reeds heeft ten aanzien
van de in dat reglement opgenomen arbeidsvoorwaarden.
De genoemde
Wet van 6
juni 1991, Stb. 1991, 347, zal in de Invoeringswet arbeid en zorg worden
ingetrokken.
rblz.|44|
Artikel
3:6. [Begrippen werknemer, gelijkgestelde en
werkgever, red.]
Zoals al aangegeven in
paragraaf 3.3 van deze toelichting wordt een aantal categorieën rechthebbenden op uitkering in verband met zwangerschap,
bevalling en adoptie onderscheiden. Binnen de kring van verzekerden voor de
Ziektewet, waarop
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van deze wet betrekking
heeft, wordt onderscheid gemaakt tussen werknemers (artikel
3:6,
eerste lid, onderdeel a) en gelijkgestelden (artikel
3:6, eerste lid,
onderdeel b). Voor beide groepen bestaat recht op uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling respectievelijk adoptie (zie de artikelen 3:7 tot en met
3:9). Voor werknemers is dat gekoppeld aan het genieten van
zwangerschaps- en bevallingsverlof dan wel verlof in verband met adoptie (zie
artikel 3:7). Voor gelijkgestelden is die koppeling evenwel niet te maken.
Binnen de werknemers en
gelijkgestelden wordt weer verschil gemaakt tussen degenen die
verplicht verzekerd zijn op grond van de Ziektewet (artikel
3:6, eerste lid)
en degenen die vrijwillig verzekerd zijn op grond van die wet (artikel
3:6,
tweede lid). Dit onderscheid tussen verplicht en vrijwillig verzekerden
voor de Ziektewet is van belang omdat de nawerkingsbepaling (artikel
3:10) alleen van toepassing is op de werknemers en gelijkgestelden die
verplicht verzekerd zijn geweest op grond van de Ziektewet (de werknemers en gelijkgestelden, bedoeld in
artikel 3:6,
eerste lid). Voorts
verschilt ook het dagloon voor de verplicht en de vrijwillig verzekerden op grond van
de Ziektewet (zie artikel 3:13) en zijn niet dezelfde bepalingen van
de Ziektewet van overeenkomstige toepassing (zie artikel
3:16, eerste
en tweede lid).
In het eerste lid,
onderdeel c, van het voorgestelde artikel 3:6 wordt voorts een definitie
gegeven van
werkgever. Deze definitie is van belang omdat de gelijkgestelden geen werkgever hebben als bedoeld in
artikel 1:1,
onderdeel a, maar in het
kader van de Ziektewet in de meeste gevallen wel een werkgever is
geduid. Door diens tussenkomst dient op grond van artikel 38a
Ziektewet,
indien de gelijkgestelde recht heeft op ziekengeld, de ziekmelding te
geschieden. Ook in het huidige artikel 29a, vierde lid, Ziektewet geschiedt de
aanvraag van ziekengeld in verband met bevalling door tussenkomst van bedoelde werkgever. In
de onderhavige regeling
wordt dit gehandhaafd
(zie artikel 3:11).
Artikelen 3:7 tot en met
3:9. [Recht op uitkering
voor de werknemer; recht op uitkering in verband met zwangerschap en
bevalling voor de vrouwelijke gelijkgestelde; recht
op uitkering in verband met adoptie of pleegzorg voor de gelijkgestelde,
red.]
Zoals al aangegeven in
paragraaf 3.2.3 van deze toelichting is het recht op uitkering voor de
werknemer gekoppeld aan het genieten van zwangerschaps- en bevallingsverlof
respectievelijk verlof in verband met adoptie. Voor de gelijkgestelde
kan die koppeling niet worden gemaakt. Door de leden twee tot en met
vier van de artikelen 3:8 en 3:9 wordt bereikt dat het recht op uitkering voor
de gelijkgestelde bestaat binnen dezelfde periode als waarin de
gelijkgestelde recht op verlof zou hebben gehad als hij werknemer zou zijn geweest en dat
de (maximum)duur van de uitkering overeenkomt met die van de werknemer.
Artikel
3:10. [Recht op uitkering bij nawerking,
red.]
Op grond van het huidige
artikel 46, vijfde lid, Ziektewet heeft de vrouw die verplicht verzekerd
is geweest op grond van die wet - onder bepaalde voorwaarden
- recht op
ziekengeld in verband met bevalling indien haar bevalling waarschijnlijk
is, onderscheidenlijk haar bevalling plaatsvindt, binnen tien weken na het
einde van haar verzekering. Die regeling is overgenomen in het eerste lid van het
voorgestelde artikel 3:10.
rblz.|45|
In het tweede lid is een
overeenkomstige bepaling opgenomen met betrekking tot het recht
op uitkering in verband met adoptie. Het derde lid komt
overeen met artikel 46, tweede lid, van de Ziektewet. Met de laatste zin van
dat lid wordt bereikt dat personen die hun arbeid in nachtdiensten verrichten
niet makkelijker aan de eisen van het eerste of tweede lid voldoen dan
degenen die hun werkzaamheden overdag verrichten.
Artikel
3:11. [De aanvraag van uitkering via de werkgever,
red.]
Op grond van
artikel
38a Ziektewet geschiedt, indien de Ziektewetverzekerde recht heeft op ziekengeld,
de ziekmelding door tussenkomst van de werkgever. Dit
geldt eveneens voor de aanvraag van het ziekengeld in verband met bevalling
(het huidige artikel 29a, vierde lid, Ziektewet). In het eerste lid van het
voorgestelde artikel 3:11 wordt dit gehandhaafd. De aanvraag dient twee
weken vóór de ingangsdatum van het recht op uitkering in verband
met zwangerschap en bevalling te geschieden. Hiermee wordt afgeweken
van artikel 29a, vierde lid, Ziektewet, waarin is opgenomen dat de
vrouwelijke verzekerde die ingangsdatum zo spoedig mogelijk meldt aan de
werkgever, doch in elk geval niet later dan op de dag na die datum. De
werkgever dient dit vervolgens zo spoedig mogelijk te melden bij het Lisv,
doch niet later dan op de tweede dag na die datum. Waar evenwel de
vrouwelijke werknemer - in de zin van artikel
1:1, onderdeel b -
haar werkgever met
inachtneming van een termijn van drie weken dient te informeren
in verband met het opnemen van het zwangerschapsverlof (zie artikel
3:3, eerste
lid), de zelfstandige thans de aanvraag uiterlijk twee weken vóór
de ingangsdatum dient te doen (artikel 39, tweede lid, Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen) en de termijn van twee weken
veel duidelijker voor de betrokkene is dan "zo spoedig mogelijk", is
ervoor gekozen in artikel 3:10 die termijn van twee weken op te nemen. Het
Lisv kan echter, op grond van het derde lid, in bijzondere gevallen ten
gunste van de werknemer of gelijkgestelde afwijken van die termijn.
Daarbij kan gedacht worden aan de situatie dat de bevalling eerder
plaatsvindt dan de uitgerekende datum en dat om die reden de aanvraag niet
vóór de op grond van het eerste lid bepaalde datum geschiedt.
In het tweede lid is een
met de in het eerste lid neergelegde regeling met betrekking tot de
aanvraag van uitkering in verband met Ziektewet zwangerschap en bevalling
vergelijkbare regeling opgenomen met betrekking tot de aanvraag van
uitkering in verband met adoptie. In bijzondere gevallen kan het Lisv, op
grond van het derde lid, ook afwijken van dit tweede lid.
Artikel
3:12. [De rechtstreekse aanvraag van uitkering, red.]
In de situatie van een
gelijkgestelde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel
3:6, eerste
lid, onderdeel c, dient de uitkering in verband met zwangerschap en bevalling
respectievelijk in verband met adoptie rechtstreeks te worden aangevraagd bij
het Lisv. Voor het overige dient te worden voldaan aan de
eisen die ook gelden bij een aanvraag door tussenkomst van de
werkgever. Dit geldt eveneens in de situatie dat recht op uitkering bestaat op
grond van nawerking. Degene die in die situatie recht op uitkering heeft,
heeft immers geen werkgever als hiervoor bedoeld. Omdat hij geen werknemer
of gelijkgestelde (meer) is als bedoeld in artikel
3:6, wordt in het
vierde lid van het voorgestelde artikel 3:12 expliciet geregeld dat hij met
betrekking tot de aanvraag als gelijkgestelde wordt beschouwd.
rblz.|46|
Artikel
3:13. [De hoogte van de uitkering, red.]
Zowel de hoogte van de
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling als die van de uitkering
in verband met adoptie bedraagt per dag 100% van het dagloon. Dat
dagloon wordt voor de verplicht verzekerden op grond van de Ziektewet, conform de vaststelling van het dagloon voor het ziekengeld,
vastgesteld overeenkomstig artikel 15 Ziektewet en de daarop berustende
bepalingen. De maximering van artikel 9, eerste lid, tweede zin, Coördinatiewet Sociale Verzekering dient daarbij te worden
toegepast. Voor de
vrijwillig Ziektewetverzekerden wordt het dagloon vastgesteld
overeenkomstig de vaststelling van het dagloon voor het ziekengeld van vrijwillig
verzekerden.
Degene die recht op
uitkering heeft op grond van de nawerkingsbepaling is geen werknemer of
gelijkgestelde (meer) als bedoeld in artikel
3:6, eerste lid. Om deze reden
wordt in het vierde lid van het voorgestelde artikel 3:13 expliciet
geregeld dat hij voor de toepassing van het tweede lid geacht wordt
werknemer dan wel gelijkgestelde te zijn gebleven.
Artikel
3:14. [De uitbetaling van de uitkering, red.]
Dit voorgestelde artikel
komt, wat het eerste lid betreft, overeen met artikel 47 Ziektewet.
Het voorgestelde tweede
lid is gebaseerd op het huidige artikel 29a, tweede lid, Ziektewet. De
betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand. Indien de
betrokkene een ander loonbetalingstijdvak heeft, kan daarbij evenwel worden
aangesloten.
Artikel
3:15. [Financiering, red.]
Evenals thans het
ziekengeld in verband met bevalling ten laste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds, zullen de uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling
en de uitkering in verband met adoptie van Ziektewetverzekerden ten
laste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Artikel
3:16. [Van overeenkomstige toepassing zijnde
artikelen, red.]
In het eerste tot en met
derde lid van het voorgestelde artikel 3:16 zijn de artikelen opgenomen die
thans van toepassing zijn met betrekking tot het ziekengeld in verband met
bevalling en waarvan het van belang is dat ze worden toegepast met
betrekking tot de uitkering in verband met zwangerschap en bevalling
respectievelijk adoptie op grond van afdeling 2, paragraaf
1, van dit
wetsvoorstel. Het gaat daarbij - onder meer - om bepalingen inzake
herziening, terugvordering, de overlijdensuitkering, boeten en maatregelen en
de uitvoering.
In het voorgestelde
vierde lid is geregeld dat artikel(onderdel)en die uit hun aard niet van
toepassing zijn bij de vrijwillige verzekering voor de Ziektewet (de
artikelen
43 en 56 Ziektewet), respectievelijk waarvoor een andere regeling is
getroffen (artikel 55 Ziektewet met uitzondering van de eerste zin van het eerste
lid en het zevende lid; in de plaats daarvan geldt artikel 67 van die
wet) niet van overeenkomstige toepassing zijn [zijnde (?),red.]
op de vrijwillig verzekerde
voor de Ziektewet, ook niet van toepassing zijn met betrekking tot een
uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en
zorg aan de vrijwillig verzekerde voor de Ziektewet.
Met het vijfde lid van
het voorgestelde artikel 3:16 wordt bereikt dat de overlijdensuitkering
gelijk is aan het bedrag van de uitkering in verband rblz.|47|
met zwangerschap en
bevalling respectievelijk adoptie over één maand, ook als die uitkering
in
verband met zwangerschap en bevalling dan wel adoptie binnen één maand
na de dag van het overlijden zou zijn geëindigd in verband met het
verstrijken van de uitkeringsduur.
Artikel
3:17. [Begrippen zelfstandige en
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, red.]
Zoals al aangegeven in
paragraaf 3.3 van deze toelichting kan een aantal categorieën rechthebbenden op uitkering in verband met zwangerschap,
bevalling en adoptie
worden onderscheiden. Hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 2, van deze wet
heeft betrekking op degenen die verplicht verzekerd zijn op grond
van de artikelen 3, derde tot en met vijfde lid, en
3a Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Binnen die groep wordt onderscheid
gemaakt tussen zelfstandigen en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst.
De beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst zijn
werknemer in de zin van artikel 1:1, onderdeel b, en hebben derhalve
recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof respectievelijk
adoptieverlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en
3:2. Zij zijn echter geen werknemer als
bedoeld in artikel 3:6 en hebben derhalve geen recht op uitkering op
grond van paragraaf 1 van de tweede afdeling van hoofdstuk
3. Hierbij kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan alfahulpen die weliswaar werknemer zijn
in de zin van artikel 1:1, onderdeel b, maar geen werknemer in de zin van
de Ziektewet.
Artikelen 3:18 tot en met
3:20. [Recht op uitkering voor de
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst; recht op uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling voor de zelfstandige; recht op uitkering in verband met adoptie
of pleegzorg voor de zelfstandige, red.]
Zoals al aangegeven in de
paragrafen 3.2.3 en 3.2.4 van deze toelichting is het recht op uitkering
voor de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst gekoppeld aan het genieten van
zwangerschaps- en bevallingsverlof
respectievelijk verlof in
verband met adoptie. Voor de zelfstandige kan die koppeling niet
worden gemaakt. Door het tweede en derde lid van voorgestelde artikel 3:19
respectievelijk het tweede tot en met vierde lid van voorgestelde artikel
3:20 wordt bereikt dat het recht op uitkering voor de zelfstandige bestaat
binnen dezelfde periode als waarin de zelfstandige recht op verlof zou
hebben gehad als hij beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst zou zijn geweest
en dat
de (maximum)duur van de uitkering overeenkomt met die van
de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst.
Artikel
3:21. [Uitkering ter zake van vervanging,
red.]
Indien de zelfstandige of
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst recht heeft op een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling of
adoptie, kan deze
uitkering genoten worden in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging.
De uitkering ter zake van vervanging verschilt in hoogte met de uitkering
in verband met zwangerschap, bevalling of adoptie (zie de
toelichting op artikel 3:22). Voorwaarde voor een "vervangingsuitkering"
is dat gedurende de periode van het verlof een persoon werkzaam is als
vervanger. Deze vervanger dient dan ter beschikking te worden gesteld door
een organisatie die zich professioneel bezighoudt met het voorzien in personeelsbehoefte. De
"vervangingsuitkering"
wordt door het Lisv niet
aan de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of zelfstandige betaald,
doch rechtstreeks aan de betrokken instelling (zie artikel
3:25, derde
lid). Eén en ander is overeenkomstig de regeling omtrent de
vervangingsuitkering zoals deze thans is neergelegd in artikel 23 Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
rblz.|48|
Artikel
3:22. [Aanvraag van uitkering,
red.]
De termijn voor de
aanvraag komt overeen met die van de aanvraag, bedoeld in de artikelen
3:11 en 3:12. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de
toelichting op die artikelen.
Artikelen 3:23 en
3:24.
[De hoogte van de
uitkering;
de hoogte van de uitkering ter zake van
vervanging, red.]
De hoogte van de
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling respectievelijk adoptie
is 100% van de grondslag als bedoeld in artikel 8 Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen. Daarbij wordt
gekeken naar de winst of
de inkomsten in het boek- of kalenderjaar of de vijf boek- of
kalenderjaren vóór de ingangsdatum van het recht op uitkering.
Wat het verschil in
hoogte tussen de uitkering in verband met zwangerschap en bevalling respectievelijk adoptie en de vervangingsuitkering
betreft kan het volgende
worden opgemerkt. In het eerste geval is dat een bruto-uitkering die voor
de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of zelfstandige in een
nettobedrag resulteert. In het tweede geval wordt een bedrag ter hoogte van
de bruto-uitkering verstrekt, vermeerderd met de premies die het Lisv
over een bevallingsuitkering verschuldigd is. Op deze bruto-uitkering
worden geen loonbelasting, premies volksverzekeringen of vereveningsbijdrage
ingehouden.
Artikelen 3:25 en
3:26.
[De uitbetaling van de
uitkering;
financiering, red.]
Evenals de huidige
uitkering in verband met bevalling en de uitkering ter zake van vervanging op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen zullen de
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling en de
uitkering in verband met adoptie van verzekerden in het kader van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ten laste komen van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.
Artikel
3:27. [Van overeenkomstige toepassing zijnde
artikelen, red.]
In dit voorgestelde
artikel 3:27 zijn de artikelen opgenomen die thans van toepassing zijn met
betrekking tot de uitkering in verband met bevalling en vervangingsuitkering
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en waarvan
het van belang is dat ze kunnen worden toegepast met
betrekking tot de uitkering in verband met zwangerschap en bevalling
respectievelijk adoptie en de vervangingsuitkering op grond van afdeling 2,
paragraaf 2. Het gaat daarbij - onder meer - om bepalingen inzake herziening, de vakantie-uitkering, boeten en maatregelen,
de overlijdensuitkering, terugvordering en de uitvoering.
Evenals thans in artikel
63, zesde lid, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt in
het tweede lid, onderdeel a, van het onderhavige artikel voorzien in de
mogelijkheid om te regelen dat in bepaalde gevallen geen
terugvordering plaatsvindt van vervangingsuitkering.
Artikel
3:28. [Controlevoorschriften,
red.]
De controlevoorschriften
die op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen zijn
getroffen, zijn thans al van toepassing in het kader van de
uitkering in verband met bevalling op grond van die wet. Hoewel de
controlevoorschriften in het kader van de Ziektewet niet van toepassing zijn op
degenen die op grond van artikel 29a
Ziektewet bevallingsuitkering
ontvangen, ligt het in de rede dat het Lisv
op grond van
de onderhavige wet
voor zowel degenen die onder paragraaf 1 van hoofdstuk 3, afdeling
2, als onder paragraaf
2 van die afdeling vallen,
controlevoorschriften kan
vaststellen. Daarbij wordt met name gedacht rblz.|49|
aan voorschriften die - zoals thans al in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen het geval
is - zien op de door de betrokkene te leveren
gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag door de
uitvoeringsinstelling en die controle van die gegevens door de uitvoeringsinstelling mogelijk maken. Door middel van
het van overeenkomstige toepassing verklaren van de artikelen 45, eerste
lid, onderdeel e,
Ziektewet en 46, onderdeel d, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (zie de
voorgestelde artikelen 3:16, eerste lid, onderdeel f, en
3:27, eerste lid, onderdeel e) zijn de bepalingen inzake het treffen van een
maatregel bij overtreding van de controlevoorschriften uit de ZW indien het een
uitkering betreft op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van
de
onderhavige wet respectievelijk de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen indien
het een uitkering betreft op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de onderhavige wet, van overeenkomstige
toepassing bij het overtreden van de controlevoorschriften die
zijn vastgesteld op grond van artikel 3:28.
Artikel
3:29. [Samenloop,
red.]
In het eerste lid van dit
voorgestelde artikel 3:29 is de samenloop van een uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling met een uitkering in verband met adoptie op grond van dezelfde paragraaf geregeld. Aangezien
de uitkering in verband
met zwangerschap en bevalling een langere duur kent dan de
uitkering in verband met adoptie en bovendien beide uitkeringen 100% van de
grondslag bedragen, wordt in dit lid bepaald dat de uitkering in verband
met adoptie niet tot uitbetaling komt. Zonder deze bepaling zou immers in de
periode van samenloop sprake zijn van twee uitkeringen in verband
met verlies van hetzelfde inkomen.
In de zeer uitzonderlijke
situatie dat - bij een dergelijke samenloop - de ingangsdatum van het
recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling in een ander
kalenderjaar aanvangt dan het recht op uitkering in verband met adoptie, zou
de grondslag voor de ene uitkering kunnen afwijken van de grondslag
voor de andere uitkering. Gelet op het feit dat een dergelijke situatie
naar verwachting zelden zal voorkomen en bovendien partners de
keuzemogelijkheid hebben om het recht op uitkering in verband met adoptie te
laten gelden voor de partner die niet bevalt, is er in verband met de eenvoud
voor de uitvoering niet voor gekozen om in die situatie de uitkering
in verband met adoptie te laten uitbetalen voor zover deze de uitkering in
verband met zwangerschap en bevalling overtreft.
Ingeval een zelfstandige
of beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst in een dergelijke situatie van samenloop de keuze heeft gemaakt om de
uitkering in verband met
adoptie te genieten in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging,
komt die uitkering ter zake van vervanging niet tot betaling.
Het tweede lid van dit
voorgestelde artikel regelt de samenloop van uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling of adoptie op grond van paragraaf 1 met uitkering
in verband met zwangerschap en bevalling of adoptie op grond van
afdeling 2, paragraaf 2. In dit lid is de huidige regeling van artikel
59, vierde
lid, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen inzake de
samenloop van uitkering in verband met bevalling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
met ziekengeld in verband
met bevalling op grond van artikel 29a
Ziektewet overgenomen en tevens van
toepassing op de uitkering in verband met adoptie. Evenals artikel
59, vierde lid,
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen niet van toepassing is op de vrouw die ziekengeld in verband met haar
bevalling ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering op grond van de
Ziektewet, is de samenloopregeling van dit lid niet
rblz.|50|
van toepassing op de
vrijwillig Ziektewetverzekerde die uitkering ontvangt op grond van paragraaf 1.
Het voorgestelde derde
lid regelt de samenloop van uitkering op grond van paragraaf 1
met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze regeling komt
overeen met hetgeen thans
in artikel 2 van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 30
september 1976, nr. 54 655, houdende een regeling inzake
samenloop van ziekengeld met AAW- en WAO-uitkering (Stcrt. 1976, 191) is geregeld
inzake de samenloop van ziekengeld in verband met bevalling met
een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
en is tevens van toepassing op de uitkering in verband met
adoptie.
Het voorgestelde vierde
lid ziet vervolgens op de samenloop van een uitkering op grond van
paragraaf 2 met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
en komt overeen met
hetgeen in artikel 59, derde lid, van die wet is geregeld met
betrekking tot de samenloop van uitkering in verband met bevalling en
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van die wet.
In het vijfde lid van het
voorgestelde artikel 3:29 wordt geregeld dat vakantie-uitkeringen worden meegerekend bij de berekening op grond
van het tweede tot en met
vierde lid.
Met het voorgestelde
zesde lid wordt geregeld dat, in de situatie dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd, voor de toepassing van de samenloopbepalingen in het derde en vierde lid die uitkering
geacht wordt volledig te
zijn betaald. Aldus wordt voorkomen dat een in het kader van die wetten
opgelegde maatregel tijdelijk wordt gecompenseerd door een uitkering in
verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof of adoptieverlof op grond
van de Wet arbeid en zorg.
Met betrekking tot de
samenloop met de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever merken
wij op dat, middels de bij dit wetsvoorstel horende invoeringswet, in
artikel 629, vierde lid, Boek
7, BW zal worden opgenomen dat het loon wordt
verminderd met uitkering op grond van de artikelen 3:7 en
3:18 Wet
arbeid en zorg.
In de Ziektewet zal
worden geregeld dat geen recht op uitkering op grond van die wet bestaat over
perioden waarover de betrokkene uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
Wet arbeid en zorg geniet.
Artikel
3:30.
Indien een persoon met
ingang van dezelfde dag zowel recht heeft op uitkering op grond van
paragraaf 1 als op uitkering op grond van paragraaf 2 van deze
afdeling,
worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41 Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997, ten aanzien van deze verzekerde verricht door de
uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht met betrekking
tot de uitkering op grond van paragraaf 1.
Artikel
3:31. [Vervallen,
red.]
Ambtenaren hebben op
grond van de Wet van 6 juni 1991, houdende regels betreffende de
aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel
(Stb. 1991, 347) gedurende zestien weken
recht op zwangerschaps-
en bevallingsverlof. Gedurende het verlof bestaat tevens recht op
loondoorbetaling gelijk aan de betaling tijdens ziekte. Deze
loondoorbetaling komt volledig ten laste van de werkgever. rblz.|51|
Ook bestaat voor
ambtenaren op grond van hun huidige rechtspositieregelingen veelal een recht op
betaald adoptieverlof.
Een aantal sectoren,
waaronder onderwijs en wetenschappen, de gemeenten, het
Rijk, defensie, de politie, de provincies, de waterschappen
en de rechterlijke macht,
kent rechtspositieregelingen waarin het recht op adoptieverlof en de
loondoorbetaling tijdens dit verlof geregeld is. Bij binnenlandse adoptie
bedraagt het verlof in de regel vijf dagen en bij buitenlandse adoptie
één maand.
Met de formulering van
het voorgestelde artikel 3:31 [vervallen, red.] wordt bereikt dat gedurende een overgangsperiode ook voor het
overheids- en onderwijspersoneel
het zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof en de loondoorbetaling tijdens dit verlof
samenhangend geregeld worden in de Wet arbeid en
zorg.
Na afronding van de OOW-operatie zal deze loondoorbetaling worden omgezet in een recht op
uitkering ter zake. Op termijn zal dus niet alleen voor werknemers en
daarmee gelijkgestelde personen, maar ook voor ambtenaren hetzelfde
uitkeringsregime gelden.
Artikel
3:32.
[Vervallen, red.]
Omdat overheidswerknemers
vanaf het moment dat zij onder de werking van de Ziektewet worden
gebracht onder het bereik van de tweede afdeling van hoofdstuk 3 vallen,
kan de derde afdeling van dat hoofdstuk met ingang van die datum
vervallen.
Hoofdstuk 4. Calamiteiten-
en ander kort verzuimverlof
Artikel 4:1.
[Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, red.]
Het eerste lid van het
voorgestelde artikel 4:1 is ontleend aan artikel 629b, eerste
lid, Boek
7, BW. In bijlage A is een transponeringstabel opgenomen met betrekking tot de overheveling van
BW-artikelen naar de
Wet arbeid en zorg. Dit artikel geeft
geen recht op verlof maar voorziet in een loondoorbetalingsverplichting.
In de praktijk van alle
dag wordt echter wel steeds gesproken van verlof,
zoals de vaak gebruikte termen calamiteitenverlof en ander kort verzuimverlof. In veel collectieve arbeidsovereenkomsten wordt bij de nadere
invulling van artikel 629b, Boek
7, BW vaak gesproken van "bijzonder
verlof"
en "buitengewoon verlof". In het voorgestelde artikel 4:1 wordt de
loondoorbetalingsverplichting omgezet in een recht op verlof voor een korte
naar billijkheid te berekenen tijd.
De kern van de
voorgestelde regeling is dat de werknemer recht heeft op verlof voor een
korte
naar billijkheid te berekenen tijd wanneer hij zijn arbeid niet kan
verrichten op grond van zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden, als
gevolg van een door de wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding,
opgelegde verplichting waarvan de vervulling niet in zijn vrije tijd kan
plaatsvinden of de uitoefening van het actief kiesrecht. Aan dit recht op verlof
is het behoud van loon gekoppeld.
Als voorbeelden van een
door wet of overheid opgelegde verplichting worden gegeven het doen
van aangifte van geboorte of overlijden. Uitgangspunt is dat er
geen geldelijke vergoeding tegenover staat en dat de verplichting niet in
de vrije tijd kan worden vervuld.
Artikel 629b, eerste lid, Boek
7, BW geeft aan dat onder de vervulling van een door wet of overheid
opgelegde verplichting wordt begrepen de uitoefening van het actieve
kiesrecht. Het uitoefenen van het actieve kiesrecht is echter niet (meer) bij
wet verplicht voorgeschreven. Vandaar dat deze omstandigheid
afzonderlijk in het eerste lid van artikel 4:1 wordt genoemd.
Het tweede lid van het
voorgestelde artikel 4:1 geeft een aantal voorbeelden van zeer bijzondere
persoonlijke omstandigheden. Deze voorbeelden rblz.|52|
zijn ontleend aan
artikel 629b, tweede lid, eerste volzin, Boek
7, BW. Het gaat hier om een
niet-limitatieve opsomming van situaties die het noodzakelijk maken dat de werknemer
niet werkt of zijn werk onderbreekt.
De voorgestelde regeling
laat de thans op grond van artikel 629b, Boek
7, BW en het Algemeen
Rijksambtenarenreglement (ARAR) ontstane praktijk in CAO’s ongemoeid.
Veel CAO’s en het ARAR noemen ook andere omstandigheden waarin
aanspraak bestaat op kort betaald verzuim. Eén situatie verdient
bijzondere aandacht, te weten: ziekte.
Onder zeer bijzondere
persoonlijke omstandigheden valt ook plotselinge ziekte van kinderen of
van anderen die aangewezen zijn op de verzorging door de werknemer. De verlofmogelijkheid van het eerste lid van
artikel
4:1 is in dergelijke
gevallen bedoeld voor een eerste opvang van de noodsituatie en voor het treffen van
verdere voorzieningen, zoals oplossingen voor de langere termijn.
Het gaat om een naar billijkheid vast te stellen korte periode. Indien
binnen die betrekkelijk korte periode geen oplossing is gevonden voor de
verzorging van bijvoorbeeld een ziek kind, kan een beroep gedaan worden op
het kortdurend zorgverlof dat in hoofdstuk 5 wordt voorgesteld. De
consequentie daarvan is dan dat de mogelijkheid om artikel 4:1 toe te
passen eindigt na maximaal één dag.
Overigens blijven ook
andere noodsituaties zoals een gesprongen waterleiding, verstopte riolering en
dergelijke, die vergen dat de werknemer onverwijld een
voorziening treft, onder de reikwijdte van het voorgestelde artikel 4:1
vallen (Kamerstukken II 1995-1996, 24 869, nr. 3
(memorie van toelichting)
blz. 2).
Artikel
4:2. [Kraamverlof,
red.]
In het voorgestelde
artikel 4:2 is het recht op kraamverlof voor werknemers geregeld. Er bestaat een
recht op kraamverlof voor twee aaneengesloten dagen volgend op de dag van de bevalling. De bevalling als
zodanig valt onder het
voorgestelde artikel 4:1, eerste lid, onderdeel a. Uitgangspunt van
artikel
4:2 is dat de werknemer aansluitend op de dag van de bevalling twee
dagen verlof heeft. Dat betekent in concreto het volgende. De werknemer
werkt op woensdag niet. Zijn echtgenote is op maandag ervoor bevallen.
Dat betekent voor de betrokken werknemer dat hij die maandag op grond
van artikel 4:1 verlof heeft en dat hij de daaropvolgende dinsdag recht
heeft op kraamverlof op grond van artikel 4:2. De woensdag was voor de
betrokken werknemer geen werkdag. Van verlof op die dag is geen sprake
omdat er geen arbeidsverplichting voor de werknemer is. Het
criterium "twee aaneengesloten dagen" leidt ertoe dat de werknemer geen
verlofrecht heeft op de donderdag waarop hij wel werkt. Hij kan op die dag
geen aanspraak maken op kraamverlof als gevolg van het criterium
twee aaneensluitende dagen.
Artikel
4:3. [Meldingsverplichting, red.]
In het voorgestelde
eerste lid van artikel 4:3 is een meldingsverplichting voor de werknemer
voorgesteld. Als de werknemer verhinderd is om zijn arbeid te verrichten op
grond van de in de artikelen 4:1 en 4:2 aangegeven omstandigheden, dan moet
hij zijn werkgever daarvan op de hoogte stellen. In beginsel moet
dit vooraf gebeuren en als dat niet mogelijk is in ieder geval zo spoedig
mogelijk. Een huwelijk bijvoorbeeld kan vooraf aan de werkgever worden
medegedeeld, maar bij een gesprongen waterleiding ligt dat anders. Bij de
melding moet hij aangegeven welke omstandigheid zich voordoet op grond waarvan hij het verlof opneemt. De
melding is niet aan enige
vorm gebonden. Een melding kan dus bijvoorbeeld mondeling, per fax of
e-mail plaatsvinden.
rblz.|53|
Voor militairen in
werkelijke dienst geldt dat zij te allen tijde beschikbaar en inzetbaar moeten zijn.
Een optimale taakuitoefening van de krijgsmacht brengt met zich dat er zwaarwegend dienstbelangen kunnen zijn waarvoor
het belang van de
militair moet wijken. Hierin voorziet het voorgestelde tweede lid van artikel
4:3. Van een zwaarwegend dienstbelang is in ieder geval sprake bij het
varen, het vliegen en oefeningen en de direct daarmee samenhangende
werkzaamheden en de daadwerkelijke inzet van de krijgsmacht en de
voorbereiding daarop.
Artikel
4:4. [Informatieverplichting,
red.]
Dit voorgestelde
artikel
4:4 hangt nauw samen met artikel 4:3. Op grond van
artikel 4:4 kan de
werkgever de werknemer achteraf vragen om aannemelijk te maken dat
de arbeid niet is verricht wegens één van de redenen, genoemd in de
artikelen 4:1 en 4:2. Op deze manier kan een eventueel misbruik van de
regeling worden tegengegaan. Slaagt de werknemer er namelijk niet in om
aannemelijk te maken dat het niet verrichten van zijn arbeid
samenhangt met één van de redenen die in de betreffende artikelen worden
aangegeven, dan kan de werkgever als sanctie het loon inhouden over de uren die
niet zijn gewerkt.
Artikel
4:5. [Verrekening
verzekeringsuitkering en onkostenvergoeding met loon, red.]
Zowel
artikel 4:1, eerste
lid, als artikel 4:2, tweede lid, geven aan dat bij het kort verzuimverlof en
het kraamverlof sprake is van verlof met behoud van loon. Voor de omschrijving van wat onder loon moet worden
verstaan, wordt verwezen
naar het voorgestelde artikel 1:2 en de daarbij gegeven
toelichting. Het
voorgestelde artikel 4:5 is ontleend aan artikel 628, tweede en vierde
lid, Boek 7, BW.
Het eerste lid van het
voorgestelde artikel 4:5 geeft aan dat het loon van de werknemer wordt
verminderd met een geldelijke uitkering op basis van een (wettelijke)
verzekering of van een fonds. Dit voorgestelde artikellid komt overeen met de thans
geldende regeling in artikel 629b, derde lid, jº artikel 628,
tweede lid, Boek
7, BW.
Het tweede lid van het
voorgestelde artikel 4:5 geeft aan dat de onkosten die worden bespaard door
het opnemen van het verlof op het loon in mindering mogen worden gebracht. Dit artikellid is ontleend aan artikel
629b, derde lid, jº artikel
628, vierde lid, Boek
7, BW. In de huidige regeling wordt niet aangegeven hoever deze
compensatiemogelijkheid reikt. In het voorgestelde tweede lid is expliciet
aangeven dat de compensatiemogelijkheid beperkt is tot de
onkosten waarvoor de werkgever de werknemer een vergoeding betaalt.
Artikel
4:6. [Compensatie met vakantieaanspraken,
red.]
In het eerste lid van het
voorgestelde artikel 4:6 wordt geregeld dat dagen of gedeelten van dagen
waarop de werknemer niet werkt, met vakantieaanspraken kunnen worden gecompenseerd. Door de woorden
"slechts
indien in een voorkomend
geval de werknemer ermee instemt" in het eerste lid wordt tot
uitdrukking gebracht dat deze voorziening slechts incidenteel kan worden
aangewend en een afspraak daaromtrent dan ook afzonderlijk moet worden
gemaakt telkens wanneer de omstandigheid die aanleiding geeft tot
het verzuim zich feitelijk voordoet of heeft voorgedaan.
Bovendien is de
compensatiemogelijkheid beperkt tot wat genoemd wordt bovenwettelijke
vakantieaanspraken. In het tweede lid van het voorgestelde artikel 4:6 wordt expliciet aangegeven dat het kraamverlof
niet kan worden
gecompenseerd met vakantieaanspraken.
rblz.|54|
Artikel
4:7. [Driekwartdwingend recht,
red.]
Het voorgestelde
artikel
4:7 geeft in het verlengde van artikel 629b, vierde lid, Boek
7, BW aan dat de in
artikel 4:1 neergelegde regeling van het calamiteiten- en ander kort
verzuimverlof van semi-dwingend recht is voor wat betreft de
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Er mag alleen bij schriftelijke
overeenkomst ten nadele van de werknemer worden afgeweken. Dat kan een
individuele arbeidsovereenkomst zijn, maar ook, evenals onder het huidige
recht, een CAO of publiekrechtelijke regeling. Voor het overige is de regeling van dwingend recht.
Artikel
4:8. [Vervallen,
red.]
De regeling van het
kraamverlof is op grond van het voorgestelde artikel 4:8 [vervallen, red.]
dwingend recht.
Afwijking is dus niet toegestaan.
Hoofdstuk 5. Kortdurend
zorgverlof
Artikel 5:1.
[Kortdurend zorgverlof, red.]
In het voorgestelde
artikel 5:1, eerste lid, is het recht op kortdurend zorgverlof geregeld.
Het moet gaan
om de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van
een in het tweede lid aangegeven persoon.
Er moet sprake zijn van
noodzakelijke verzorging in verband met ziekte. De toevoeging van het
element noodzaak heeft niet alleen betrekking op de verzorging als zodanig,
maar ook op het gegeven dat die werknemer de verzorging moet verlenen.
Dat betekent dat aan de eis van de noodzakelijke verzorging niet wordt
voldaan als een ander dan de betrokken werknemer die taak op zich kan
nemen. Het verlofrecht geldt alleen zolang de situatie van de "noodzakelijke
verzorging" zich voordoet. Naast deze drempel dat er sprake
moet zijn van een noodzakelijke verzorging in verband met ziekte, geeft
het voorgestelde artikel 5:6 een tweede drempel aan, namelijk een korting
op het loon van 30% tijdens het verlof.
In het tweede lid van het
voorgestelde artikel 5:1 is de kring van zorgbehoeftige personen aangegeven. Het
zijn: de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met
wie de werknemer ongehuwd samenleeft en inwonende kinderen.
Het gaat dan om eigen kinderen van de werknemer of de kinderen
van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of de persoon met wie hij
ongehuwd samenwoont en pleegkinderen.
Voor de formulering van
de groep "pleegkinderen" in onderdeel d is aangesloten bij de regeling van het ouderschapsverlof en de regeling
in artikel 39 Wet op
de jeugdhulpverlening. Dat betekent allereerst dat het pleegkind op hetzelfde adres als de verzorger moet wonen, hetgeen moet blijken uit
verklaringen van de gemeentelijke basisadministratie. Bovendien geldt als
element dat de verzorging en opvoeding duurzaam moeten zijn. Als laatste
element is opgenomen dat één en ander moet plaatsvinden op grond van
een pleegcontract op grond van artikel 39 Wet op de jeugdhulpverlening.
Het derde lid van het
voorgestelde artikel 5:1 geeft aan wat onder de begrippen "ongehuwd
samenleven" en "gezamenlijke huishouding" moet worden verstaan.
Voor de omschrijving is aangesloten bij hetgeen in artikel 674, vierde
lid, Boek 7, BW
is bepaald. In de omschrijving van "ongehuwd samenleven" is een
beperking aangebracht. Hiervan zijn uitgesloten bloedverwanten in de
eerste graad, dat wil zeggen de ouders.
rblz.|55|
Artikel
5:2. [Duur verlof,
red.]
In het voorgestelde
artikel 5:2 wordt de omvang van het kortdurend zorgverlof aangegeven. Het gaat om
verlof voor ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week. Deze regeling sluit aan bij de regeling voor het
ouderschapsverlof in
hoofdstuk 6.
In artikel 5:2 is
aangegeven dat het gaat om een verlofduur per periode van twaalf aaneengesloten
maanden. In de meeste situaties zal dat om praktische redenen een kalenderjaar
zijn, maar in bijvoorbeeld de onderwijssector is heel goed denkbaar dat
deze periode van twaalf maanden een schooljaar zal omvatten.
Aangezien het verlofrecht alleen kan worden ingeroepen als de in
artikel 5:1 omschreven omstandigheden zich voordoen, is er geen sprake van het
sparen van de nog niet "opgenomen" verlofdagen. Aan het einde van de betreffende periode vervalt de
aanspraak op dit verlof.
In de nieuwe periode ontstaat vervolgens opnieuw aanspraak op tien dagen zorgverlof, waarvan alleen maar gebruik kan worden gemaakt als
één van de in artikel 5:1 genoemde omstandigheden zich voordoen.
Artikel
5:3. [Meldingsverplichting,
red.]
In het voorgestelde
artikel 5:3 is aangeven dat de werknemer het opnemen van het kortdurend
zorgverlof vooraf moet melden aan de werkgever. Als dat niet mogelijk is,
moet hij het opnemen van het zorgverlof zo spoedig mogelijk melden
aan de werkgever. Daarbij moet hij de reden voor het verlof aangeven.
In dit opzicht komt de meldingsverplichting van de werknemer overeen met
die in artikel 4:3 ten aanzien van het calamiteiten- en ander
kort verzuimverlof. Ook bij het zorgverlof is de melding niet aan enige
vorm gebonden. Een melding kan dus bijvoorbeeld mondeling, per fax of
e-mail plaatsvinden.
Bij de melding van het
kortdurend zorgverlof moet de werknemer ook aangeven wat de omvang
van het verlof zal zijn, de wijze waarop hij het wil opnemen en de
vermoedelijke duur ervan. Deze aspecten kunnen van belang zijn bij de
afweging van een eventueel zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang van de
werkgever tegen het belang van de werknemer.
Artikel
5:4. [Ingang verlof / zwaarwegend
bedrijfs- of
dienstbelang, red.]
De werknemer heeft in
artikel 5:3 een meldingsverplichting opgelegd gekregen. Bij het kortdurend zorgverlof gaat het om een situatie waarin er
voor de werknemer snel duidelijkheid moet zijn over de vraag of het verlof
al dan niet kan ingaan.
In verband daarmee bepaalt het eerste lid van het voorgestelde artikel 5:4
dat het verlof ingaat op het moment van melding. Het tweede lid
van het voorgestelde artikel 5:4 geeft allereerst aan dat het verlof niet
aanvangt als de werkgever direct kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen
van het verlof een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft dat het belang van de werknemer daarvoor
naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid moet wijken. Daarnaast geeft het tweede lid van
dit artikel aan dat het verlof dat al is ingegaan in ieder geval eindigt
indien de werkgever op een later tijdstip kenbaar maakt dat er sprake is
van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. In beide gevallen is er dus
sprake van een geclausuleerd verlofrecht. Tot slot eindigt het verlof als de
omstandigheid waarvoor het is opgenomen zich niet meer voordoet.
Het hiervoor genoemde
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is ook een element in de regeling
van het recht op aanpassing van de arbeidsduur. Er is wel een belangrijk
verschil. In het kader van de aanpassing van de arbeidsduur spelen de
motieven die de werknemer heeft voor aanpassing van de arbeidsduur geen
rol. Bij de regeling in artikel 5:4 spelen de rblz.|56|
omstandigheden die de
werknemer aanvoert voor het opnemen van het verlof wel een rol in die
zin dat de werkgever een afweging moet maken tussen een eventueel
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang en het belang van de werknemer.
Het kan dus voorkomen dat de werknemer die wordt geconfronteerd met
een noodzakelijke zorgtaak, het verlof toch niet kan opnemen, omdat de
werkgever zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen heeft. De werkgever zal
bij de afweging grote zorgvuldigheid in acht moeten nemen. Kiest
de werknemer er desondanks toch voor om thuis te blijven, dan kan de werkgever bijvoorbeeld als sanctie op het niet
werken loon inhouden. Het
oordeel of dit terecht gebeurt kan uiteindelijk door de rechter geveld
worden.
Artikel
5:5. [Informatieverplichting,
red.]
Het voorgestelde
artikel
5:5 hangt nauw samen met artikel 5:3. Op grond van
artikel 5:5 kan de
werkgever de werknemer achteraf vragen om aannemelijk te maken dat
hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke
verzorging van een zieke. Evenals bij het calamiteiten- en ander kort
verzuimverlof
kan op deze manier een eventueel misbruik van de regeling worden
tegengegaan. Slaagt de werknemer er achteraf niet in om aannemelijk te maken
dat het niet verrichten van zijn arbeid samenhangt met de noodzakelijke
verzorging van een zieke als bedoeld in artikel
5:1, dan kan de werkgever
bijvoorbeeld als sanctie het loon inhouden over de uren die niet gewerkt
zijn.
Artikel
5:6. [Loondoorbetaling,
red.]
In het al genoemde nader
kabinetsstandpunt is aangegeven dat het kabinet wat betreft de hoogte van de inkomensvoorziening de voorkeur
geeft aan een
inkomensvoorziening van 70% van het loon. Bij een lagere inkomensvoorziening (70
of 100% van het wettelijk minimumloon (WML)) zal de
inkomensachteruitgang een grote belemmering zijn voor het opnemen van het
zorgverlof. Het risico van oneigenlijk ziekteverzuim blijft dan aanwezig, aangezien
bij ziekte minstens 70% van het loon wordt doorbetaald. Naarmate een
inkomensvoorziening lager ligt zullen bovendien vooral vrouwen zorgverlof
opnemen en blijft een grotere betrokkenheid van mannen bij zorgtaken
achterwege. Dit geldt ook voor de inkomensvoorziening ter
hoogte van 100% WML.
In het voorgestelde
artikel 5:6 is de loondoorbetalingsverplichting geregeld, conform hetgeen in het
nader kabinetsstandpunt is uiteengezet. Het eerste lid van artikel
5:6 sluit aan bij de regeling van de loondoorbetaling bij ziekte in artikel 629,
eerste lid, Boek
7, BW. In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het
wettelijke minimumloon. Daar de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: WMM) niet van toepassing is op ambtenaren, is in het
tweede lid van het voorgestelde artikel 5:6 de in het eerste lid neergelegde
regeling van overeenkomstige toepassing verklaard voor
ambtenaren.
Artikel
5:7. [Nadere loonvoorschriften,
red.]
Het voorgestelde
artikel
5:7 heeft betrekking op het korten op het loon van door de werkgever
vergoede onkosten die de werknemer door het niet verrichten van zijn
arbeid heeft bespaard en komt overeen met het voorgestelde artikel
4:5.
Artikel
5:8. [Samenloop,
red.]
Het kan voorkomen dat de
omstandigheden die leiden tot het opnemen van calamiteitenverlof in
verband met ziekte ook voldoen aan de voorwaarden rblz.|57|
voor het kortdurend zorgverlof. Vaak zal zich de situatie voordoen
dat eerst een beroep
wordt gedaan op het calamiteitenverlof en dit verlof overgaat in
kortdurend zorgverlof als er geen adequate oplossing kan worden gevonden. In
het voorgestelde artikel 5:8 wordt de samenloop tussen deze twee
verlofregelingen geregeld. In dit artikel is bepaald dat als er sprake is van
samenloop, het calamiteitenverlof eindigt na één dag.
Artikel
5:9. [Compensatie met vakantieaanspraken,
red.]
In
artikel 5:9 wordt
expliciet aangegeven dat het kortdurend zorgverlof niet kan worden gecompenseerd met
vakantieaanspraken.
Artikel
5:10. [Dwingend recht,
red.]
Het voorgestelde
artikel
5:10 geeft aan dat de regeling van het kortdurend zorgverlof van dwingend
recht is, zodat afwijking ten nadele van de werknemer niet is toegestaan. In
het voordeel van de werknemer mag altijd afgeweken worden.
Hoofdstuk 6.
Ouderschapsverlof
Het ouderschapsverlof is
geregeld in hoofdstuk 6. Dit hoofdstuk is voor het grootste deel ontleend aan de huidige regeling van het ouderschapsverlof
waarbij de voorstellen
die in het wetsvoorstel tot wijziging van titel 7.10
(arbeidsovereenkomst) van het Burgerlijk
Wetboek met betrekking tot vakantie en
ouderschapsverlof (Kamerstukken 26 079) zijn verwerkt, daar deze voorstellen blijkens de parlementaire
behandeling brede steun genieten. In bijlage A is een transponeringstabel
opgenomen met betrekking tot de overheveling van BW-artikelen naar de
Wet arbeid en zorg. De regeling is aangepast aan de in dit wetsvoorstel gevolgde structuur. Volstaan wordt met een
toelichting op de
onderdelen die worden gewijzigd.
De
flexibiliseringsmogelijkheid die in de discussienota "arbeid en
zorg"
is verwoord ¹, is uitgewerkt
in het voorgestelde artikel 6:2. In de discussienota is het splitsen van het
verlof als een geclausuleerd recht geduid: de werkgever krijgt de
mogelijkheid zich hiertegen te verzetten op grond van een zwaarwegende
bedrijfs- of dienstbelang.
1. Op weg naar een nieuw
evenwicht tussenarbeid en zorg, deel 1,
blz. 16.
Artikel
6:2, vierde en
vijfde lid. [Duur en invulling verlof,
red.]
In de huidige regeling
van het ouderschapsverlof is aangegeven dat het verlof per week wordt
opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden.
De werknemer kan echter de werkgever onder andere verzoeken om
verlof voor een langere periode dan zes maanden. In het voorgestelde
artikel 6:2, vierde lid, wordt bepaald dat de werknemer de werkgever kan
verzoeken om de periode van het ouderschapsverlof op te splitsen in ten
hoogste drie perioden. Daarbij geldt dan wel dat iedere periode minimaal
één
maand moet beslaan. Dit om te voorkomen dat het ouderschapsverlof al te
veel wordt versnipperd.
De clausulering van de
splitsingsmogelijkheid is neergelegd in het vijfde lid van het voorgestelde
artikel 6:2. Afwijzing is mogelijk indien de werkgever een zwaarwegend
bedrijfs-
of dienstbelang heeft. Deze clausulering sluit aan bij de in de Wet
arbeid en zorg gebruikte terminologie.
Artikel
6:3. [Diensttijd,
red.]
In artikel 644,
Boek 7, BW wordt voor de berekening voor de periode van één jaar verwezen naar de
artikelen 668a en 672, Boek
7, BW. In navolging van de regeling inzake aanpassing van de arbeidsduur, is in het
voorgestelde rblz.|58|
artikel 6:3 de
verwijzing achterwege gelaten en gekozen voor het expliciteren van deze
berekeningsregel.
Artikel
6:7. [Compensatie met vakantieaanspraken,
red.]
In
artikel 6:7 wordt
expliciet aangegeven dat het ouderschapsverlof niet kan worden gecompenseerd
met vakantieaanspraken.
Hoofdstuk 7. Politiek
verlof ¹
1. Tijdens de
parlementaire behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel is hoofdstuk 7 geschrapt, onder vernummering van de hoofdstukken 8 en 9 tot
hoofdstukken 7 en 8, red.
Het politiek verlof is
thans geregeld in artikel 643, Boek
7, BW. Deze regeling is in aangepaste vorm
overgeheveld naar hoofdstuk 7 [vervallen, red.]. Ook hier is in verband met de in dit wetsvoorstel gehanteerde systematiek gekozen voor
een splitsing in een
aantal elementen.
In bijlage A is een
transponeringstabel opgenomen met betrekking tot de overheveling van BW-artikelen naar de Wet arbeid en zorg.
Artikel
7:1. [Vervallen,
red.]
In het ambtenarenrecht
bestaan diverse zogenoemde incompatibiliteitsregelingen. Genoemd kunnen worden
bijvoorbeeld de Wet
Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de Gemeente- en de
Provinciewet. Artikel 13 Gemeentewet
geeft aan dat een gemeenteambtenaar geen lid kan zijn van de
raad van de gemeente waarin hij werkzaam is. Zo wordt voorkomen
dat er een belangenconflict kan ontstaan. In dit geval, waar het bezit van
beide hoedanigheden tegelijkertijd is verboden, zal ontslag uit de
ambtelijke functie moeten worden verleend. Verlof is dan uiteraard niet aan de
orde. In andere gevallen (zie bijvoorbeeld artikel 1, tweede lid, Wet
Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement) is het slechts verboden beide
functies tegelijkertijd uit te oefenen. In deze situatie kan de ambtenaar
ook "tijdelijk worden ontheven van de waarneming van zijn ambt" of
"op
non-actief worden gesteld". Uit de aard der zaak kan dit alleen
fulltime zijn. Een parttimeverlof zoals waarin de Wet arbeid en zorg zal
voorzien, verdraagt zich niet met de noodzaak om belangenconflicten te
voorkomen. Om deze reden bepaalt het voorgestelde artikel 7:1
[vervallen, red.] dat hoofdstuk
7 [vervallen, red.] in zo’n geval niet van toepassing is.
Artikel
7:2. [Vervallen,
red.]
In artikel 643,
eerste lid, Boek
7, BW is aangegeven dat de werknemer het zogenoemde politiek verlof van zijn
werkgever kan verlangen. Deze verzoekmogelijkheid is nu geformuleerd als
een verlofrecht. Dit is in overeenstemming met de uitgangspunten van
het onderhavige wetsvoorstel en bovendien meer in lijn
met de strekking van artikel 643, eerste lid, Boek
7, BW.
Het verlofrecht geldt
overeenkomstig het huidige artikel 643, eerste lid, Boek
7, BW voor het bijwonen als
lid van vergaderingen van de Eerste Kamer, van vertegenwoordigende organen van publiekrechtelijke lichamen die bij
rechtstreekse verkiezing
worden samengesteld, bijvoorbeeld gemeenteraden en provinciale staten, en
van commissies uit de hiervoor genoemde organen.
Artikel
7:3. [Vervallen,
red.]
Dat de werkgever en de
werknemer moeten overleggen over het verzoek om politiek verlof zit
impliciet in de huidige regeling van het politiek verlof (zie artikel 7:643,
tweede lid, BW). In het eerste lid van het voorgestelde artikel 7:3
[vervallen, red.] is nu
expliciet opgenomen dat de werkgever overleg pleegt met de werknemer over diens
verzoek.
Het tweede lid van het huidige
artikel 643, Boek
7, BW geeft een bijzondere regeling rblz.|59|
ingeval partijen geen
overeenstemming kunnen bereiken. In het voorgestelde artikel
7:3, tweede lid, [vervallen, red.] is deze bijzondere regeling niet meer opgenomen. In het voorgestelde
tweede lid van artikel 7:3 [vervallen, red.] wordt bepaald dat de werkgever instemt met
het verzoek van de werknemer, tenzij dit op grond van redelijkheid en
billijkheid niet van hem gevergd kan worden.
Artikel
7:4. [Vervallen,
red.]
Dit voorgestelde artikel
komt overeen met het huidige artikel 643, derde lid, Boek
7, BW met de toevoeging van
"gedeputeerden" die per abuis bij
eerdere wetswijziging is
komen te vervallen.
Artikel
7:5. [Vervallen,
red.]
In artikel 7:5
[vervallen, red.] wordt
expliciet aangegeven dat het zogenoemde politiek verlof niet kan worden
gecompenseerd met vakantieaanspraken.
Artikel
7:6. [Vervallen,
red.]
Dit voorgestelde artikel
komt overeen met de regeling die is neergelegd in het huidige artikel 645,
Boek 7, BW.
Hoofdstuk 8. Financiering
loopbaanonderbreking ¹
1. Vanwege het schrappen
van hoofdstuk 7 tijdens de parlementaire behandeling van het
onderhavige wetsvoorstel is hoofdstuk 8 vernummerd tot hoofdstuk 7
en is het opschrift komen te luiden: Loopbaanonderbreking, red.
In dit voorgestelde
hoofdstuk is de Wet financiering loopbaanonderbreking opgenomen. Wel is bij de
indeling zoveel mogelijk aangesloten bij de opzet van het overige
deel van het wetsvoorstel.
In bijlage C is een
transponeringstabel opgenomen.
Artikel 8:6.
[Toekenning en hoogte financiële
tegemoetkoming, red.] [zie art. 7:6 Wazo,
red.]
Aan het voorgestelde
artikel is in vergelijking met artikel 4
Wet financiering loopbaanonderbreking een
vijfde lid toegevoegd. Met dit artikellid wordt voorkomen dat een
werknemer die een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2,
ontvangt ook een financiële tegemoetkoming ontvangt in het kader van
de regeling van de financiering loopbaanonderbreking.
Artikel 8:7.
[Voorwaarden voor
toekenning, red.] [zie art. 7:7 Wazo,
red.]
In
artikel 2, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet financiering loopbaanonderbreking wordt voor de berekening
van de periode van één jaar verwezen naar een aantal
artikelen in het BW. In navolging van de regeling inzake aanpassing van de
arbeidsduur die in hoofdstuk 2
[gereserveerd, red.] is opgenomen en artikel
6:3, tweede
lid, is in het voorgestelde artikel 8:7 [7:7] de verwijzing achterwege
gelaten en gekozen voor het expliciteren van deze berekeningsregel.
Artikel 8:12.
[Terugvordering, red.] [zie art. 7:13 Wazo,
red.]
Het voorgestelde artikel
8:12 [7:13] bevat naast de regeling die is overgeheveld uit de
Wet financiering
loopbaanonderbreking een aanpassing van die regeling aan de terugvorderingsbepalingen in de werknemersverzekeringen.
Deze aanpassing betreft
de situatie van terugvordering bij schuldsanering.
Artikelen 8:15 tot en met
8:21. [Boetebepalingen,
red.] [zie
artt. 7:16-7:22 Wazo,
red.]
De in
artikel 10 Wet
financiering loopbaanonderbreking van overeenkomstige toepassing verklaarde
artikelen 27a tot en met 17g Werkloosheidswet zijn
rblz.|60|
uitgeschreven in de voorgestelde artikelen 8:15 tot en met
8:21 [7:16-7:22]. Het gaat
dan om de mogelijkheid
een boete op te leggen wanneer de verlofganger en de werkgever de in
artikel 8:14 [7:15] voorziene inlichtingenverplichting jegens het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen niet nakomen.
Hoofdstuk 9.
Slotbepalingen ¹
1. Vanwege het schrappen
van hoofdstuk 7 tijdens de parlementaire behandeling van het
onderhavige wetsvoorstel is hoofdstuk 9 vernummerd tot hoofdstuk
8, red.
Artikel 9:1.
[Evaluatiebepaling, red.]
[zie art. 8:1 Wazo,
red.]
Dit artikel voorziet in
een evaluatieverplichting binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze
wet.
Artikel 9:2.
[Inwerkingtreding, red.]
[zie art. 8:2 Wazo,
red.]
De
Wet Arbeid en zorg
houdt deels bestaande wettelijke voorzieningen en deels nieuwe in. Het
voorgestelde artikel 9:2 [8:2] geeft ruimte om de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan op verschillende tijdstippen in werking te laten treden.
Mede namens de Minister
van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en de Staatssecretaris van
Defensie,
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.E. Verstand-Bogaert
rblz.|61|
BIJLAGE
A *
Transponeringstabel Burgerlijk Wetboek - Wet arbeid en zorg
| Burgerlijk Wetboek |
Wet
arbeid en zorg |
| artikel 628,
tweede lid |
artikel
4:6, eerste lid |
| artikel 628,
derde lid |
artikel
1:2, tweede lid |
| artikel 628,
vierde lid |
artikel
4:6, tweede lid |
| artikel
629b, eerste lid |
artikel 4:1, eerste lid, onderdeel a en b, en 4:2
|
| artikel
629b, eerste lid, "het
naar tijdruimte vastgestelde loon" |
artikel
1:2, eerste lid |
| artikel
629b, tweede lid,
eerste volzin |
artikel
4:1, tweede lid |
| artikel
629b, tweede lid,
tweede volzin |
artikel
4:1, eerste lid, onderdeel
c |
| artikel
629b, derde lid |
artikelen 1:2, tweede lid, en 4:6 |
| artikel
629b, vierde lid |
artikelen 4:7 en 4:8 |
| artikel 636 |
artikel 4:6 |
| artikel 643,
eerste lid, eerste
volzin |
artikel
7:2, eerste lid |
| artikel 643,
eerste lid, tweede
volzin |
artikel
7:2, tweede lid |
| artikel 643,
tweede lid |
--- |
| artikel 643,
derde lid, eerste
volzin |
artikel
7:4, eerste lid |
| artikel 643,
derde lid, tweede
volzin |
artikel
7:4, tweede lid |
| artikel 643,
vierde lid |
--- |
| artikel 644,
eerste lid |
artikel
6:1, eerste lid |
| artikel 644,
tweede lid |
artikel
6:1, tweede lid |
| artikel 644,
derde lid |
artikel
6:4 |
| artikel
644, vierde
lid, eerste
volzin |
artikel
6:3, eerste lid |
| artikel 644,
vierde lid, tweede
volzin |
artikel
6:1, derde lid |
| artikel 644,
vijfde lid |
artikel
6:2, eerste lid |
| artikel
644, zesde lid, eerste
volzin |
artikel
6:2, tweede lid |
| artikel 644,
zesde lid, tweede
volzin |
artikel
6:2, derde lid |
| artikel 644,
zesde lid, derde
volzin |
artikel
6:2, vierde lid |
| artikel 644,
zesde lid, vierde
volzin |
artikel
6:2, vijfde lid |
| artikel 644,
zevende lid, eerste
volzin |
artikel
6:5, eerste lid |
| artikel 644,
zevende lid, tweede
volzin |
artikel
6:5, tweede lid |
| artikel 644,
achtste lid |
artikel
6:5, derde lid |
| artikel 644,
negende lid, eerste
volzin |
artikel
6:6, eerste lid |
| artikel 644,
negende lid, tweede
volzin |
artikel
6:6, tweede lid, eerste volzin |
| artikel 644,
negende lid, derde
volzin |
artikel
6:6, tweede lid, tweede volzin |
| artikel 644,
tiende lid |
artikel 6:3, tweede lid |
| artikel 644,
elfde lid |
artikelen 6:7 en 6:8 |
| artikel 645 |
artikelen
6:7, 6:8 en 7:5 |
*
Tijdens de parlementaire behandeling van het
onderhavige wetsvoorstel is hoofdstuk 7 geschrapt, onder
vernummering van de hoofdstukken 8 en 9 tot hoofdstukken 7 en
8, red.
rblz.|62|
BIJLAGE
B
Transponeringstabel Ziektewet en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
- Wet
arbeid en zorg
| Ziektewet |
Wet
arbeid en
zorg |
| artikel
29a, eerste lid |
artikel 3:7, eerste lid, jº artikel 3:13, eerste lid;
artikel 3:8,
eerste lid, jº artikel 3:13, eerste lid |
| artikel
29a, tweede lid |
artikel 3:7, eerste lid, jº artikel 3:1, tweede lid, en
3:14,
tweede lid; artikel 3:8, tweede lid, jº artikel
3:14, tweede lid |
| artikel
29a, vierde lid |
artikel 3:11, eerste lid; artikel 3:12, eerste lid
|
| artikel
29a, vijfde lid |
artikel 3:7, eerste lid, jº artikel 3:1, derde lid;
artikel 3:8,
derde lid |
| artikel
69, tweede lid |
artikel 3:6, tweede lid, jº 3:7, eerste lid, en
3:8, eerste lid |
| Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen |
Wet
arbeid en zorg |
| artikelen 22 tot en met 24 |
artikel 3:18, eerste lid, jº artikel 3:1, eerste tot en met derde
lid, artikel 3:19, artikel
3:21,
artikel 3:23 en artikel 3:24 |
| artikel 39 |
artikel 3:22 |
| artikel
55, zesde lid |
artikel 3:25, derde lid |
| artikel
59, derde en
vierde lid |
artikel
3:29, tweede en vierde lid |
| artikel
61, achtste lid |
artikel 3:27, vijfde lid, onderdeel b |
| artikel
63, zesde lid |
artikel 3:27, tweede lid, onderdeel a |
| artikel
70, derde lid |
artikel 3:27, zevende lid |
| artikel
83, derde lid |
artikel 3:30 |
rblz.|63|
BIJLAGE
C *
Transponeringstabel Wet financiering loopbaanonderbreking - Wet arbeid en zorg
| Wet financiering
loopbaanonderbreking |
Wet
arbeid en zorg |
| artikel
1, eerste lid,
onderdeel a en b |
artikel 8:1
[7:1] |
| artikel
1, eerste lid,
onderdeel c |
artikel
8:3 [7:3], eerste lid |
| artikel
1, eerste lid,
onderdeel d |
artikel
1:3, onderdeel
d |
| artikel
1, eerste lid,
onderdeel e |
artikel
1:3, onderdeel
c |
| artikel
1, eerste lid,
onderdeel f |
artikel
1:3, onderdeel
b |
| artikel
1, tweede lid |
artikel 8:3 [7:3], tweede lid |
| artikel
2, eerste lid,
eerste volzin |
artikel
8:6 [7:6], eerste lid |
| artikel
2, eerste lid,
tweede volzin |
artikel
8:5 [7:5], eerste lid, tweede volzin |
| artikel
2, tweede lid |
artikel 8:7 [7:7] |
| artikel
2, derde lid |
artikel 8:2 [7:2] |
| artikel
2, vierde lid |
artikel 8:4 [7:4], eerste lid |
| artikel
2, vijfde lid |
artikel 8:4 [7:4], tweede lid |
| artikel
2, zesde lid |
--- |
| artikel
2, zevende lid |
artikel 8:9 [7:9], tweede lid |
| artikel
2, achtste lid |
artikel 8:9 [7:9], derde lid |
| artikel
2, negende lid |
artikel 8:8 [7:8], eerste lid |
| artikel
2, tiende lid |
artikel 8:8 [7:8], tweede lid |
| artikel
2, eerste lid,
eerste volzin |
artikel
8:5 [7:5], eerste lid, eerste volzin |
| artikel
3, eerste lid,
tweede volzin |
artikel
8:5 [7:5], tweede lid |
| artikel
3, tweede lid |
artikel 8:5 [7:5], derde lid |
| artikel
4, eerste lid,
eerste volzin |
artikel
8:9 [7:9], eerste lid |
|
artikel
4, eerste lid,
tweede en derde volzin
|
artikel
8:6 [7:6], derde lid |
| artikel
4, tweede tot en
met vijfde lid |
artikel
8:6 [7:6], vierde tot
en met zevende lid |
| artikel 5 |
artikel 8:10
[7:10] |
| artikel 6 |
artikel 8:11
[7:11] |
| artikel 7 |
artikel
8:12 [7:12],
eerste en vierde tot en met negende lid |
| artikel 8 |
artikel 8:13
[7:13] |
| artikel 9 |
artikel 8:14
[7:14] |
| artikel 10 |
artikelen 8:15
tot en met 8:21 [7:15-7:21] |
| artikel 11 |
artikel
8:6 [7:6],
tweede lid |
*
Tijdens de parlementaire behandeling van het
onderhavige wetsvoorstel is hoofdstuk 7 geschrapt, onder
vernummering van de hoofdstukken 8 en 9 tot hoofdstukken 7 en
8, red.
|