|
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 3:28 van de Wet arbeid en
zorg;
Besluit de navolgende controlevoorschriften vast te stellen:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. uitvoeringsinstelling: de
uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel
41, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
b. Landelijk instituut
sociale verzekeringen: het Landelijk instituut
sociale verzekeringen, bedoeld in
hoofdstuk 4 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997;
c. Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen;
d. uitkeringsgerechtigde: de
werknemer en gelijkgestelde
overeenkomstig artikel 3:6 van de Wet arbeid en zorg, de zelfstandige en
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
overeenkomstig artikel 3:17 van die wet,
alsmede degene die, hoewel niet
langer werknemer of gelijkgestelde, op grond
van artikel 3:10 van die wet een
uitkering is toegekend;
e. uitkering: de uitkering
in de zin van hoofdstuk 3, afdeling 2,
van de Wet arbeid en zorg;
f. verzekeringsarts: een
door de uitvoeringsinstelling aangewezen arts;
g. rapporteur: een door de
uitvoeringsinstelling aangewezen medewerker;
h. aanvrager: degene die de
aanvraag doet als bedoeld in de
artikelen 3:11, 3:12 en 3:22 van de Wet arbeid en
zorg.
Art. 2.
De aanvraag van
uitkering
De aanvrager maakt met
betrekking tot zijn aanvraag voor
toekenning van de uitkering gebruik van
een daartoe door de
uitvoeringsinstelling beschikbaar gesteld
formulier, waarop de gegevens zijn vermeld die
voor de beoordeling van de aanvraag
door de uitvoeringsinstelling
noodzakelijk zijn en dat door de aanvrager is
ondertekend.
Art. 3.
Bij de aanvraag te
overleggen stukken
-1. Bij de aanvraag van de
uitkering in verband met adoptie of
pleegzorg worden documenten gevoegd
waaruit blijkt dat een kind ter
adoptie of pleegzorg is of zal worden
opgenomen en wanneer die opneming ter adoptie of pleegzorg heeft plaatsgevonden
of zal plaatsvinden. Bij die aanvraag wordt de datum
waarop het verlof in verband met
adoptie of pleegzorg ingaat gemeld dan
wel de datum waarop het recht op
uitkering moet ingaan.
-2. Degene als bedoeld in de
artikelen 3:18, 3:19 en 3:20 van de Wet arbeid en
zorg die in het jaar dat
betrokkene aanspraak maakt op uitkering winst of inkomsten als zelfstandige of
beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst heeft genoten, voegt bij de aanvraag de aangifte en de
aanslag voor de Wet
inkomstenbelasting 2001, alsmede de jaarstukken over de door de
uitvoeringsinstelling opgegeven kalenderjaren of
boekjaren.
-3. Bij de aanvraag van
vervangingsuitkering ex artikelen 3:22 en 3:23 Wet
arbeid en zorg worden
begin- en einddatum van de periode van
de vervanging vermeld.
Art. 4.
De aanvrager stelt
de uitvoeringsinstelling in staat controle uit te oefenen
De aanvrager zorgt ervoor - voor zover dat in zijn/haar
vermogen ligt - dat de uitvoeringsinstelling
in staat is om een onderzoek uit te
voeren naar de juistheid en volledigheid
van de gegevens die bij de aanvraag
zijn verstrekt.
Art. 5.
De verplichting om
op het spreekuur te verschijnen
-1. De aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde geeft gevolg aan een oproep om te verschijnen op het
spreekuur van de rapporteur.
-2. Indien de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde verhinderd is te voldoen aan een oproep als bedoeld
in het eerste lid, deelt
betrokkene dat binnen 24 uur van tevoren mee aan
de uitvoeringsinstelling
onder opgave van de reden van verhindering.
Art. 6.
Controle in
verband met de toekenning of continuering
van uitkering
-1. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde voldoen aan een verzoek van de uitvoeringsinstelling
of een daartoe schriftelijk door of
vanwege de uitvoeringsinstelling gemachtigd persoon om ten behoeve van
de uitvoering van de Wet arbeid en zorg:
a. mondeling of schriftelijk
binnen twee weken inlichtingen te geven,
tenzij de uitvoeringsinstelling een
andere redelijke termijn bepaalt. In het
geval dat schriftelijk wordt
gereageerd, moet dit binnen twee weken na datum
dagtekening van het schriftelijke verzoek van de uitvoeringsinstelling of
binnen de andere redelijke termijn
gedaan worden;
b. inzage te verlenen in en
desgevraagd afschrift te verstrekken van boeken, bescheiden, stukken
en andere gegevensdragers, voor zover
deze betekenis hebben of kunnen
hebben voor het vaststellen van het
recht op, de hoogte en/of de duur van
de uitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald;
c. controle door personen
die daarmee door of namens de
uitvoeringsinstelling zijn belast en die zich met
een daartoe strekkende
machtiging kunnen legitimeren, mogelijk te
maken; daartoe dient betrokkene op
zijn/haar woon- of verblijfsadres
bereikbaar te zijn of er zorg voor te dragen dat de met controle belaste
personen kunnen vernemen waar betrokkene
bereikbaar is;
d. op door of namens de
uitvoeringsinstelling aan te wijzen dagen c.q. uren thuis te zijn en de
door of namens de
uitvoeringsinstelling aangewezen personen gelegenheid te geven tot controle.
-2. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde die in Nederland wonen, zijn verplicht een vragenformulier van
de uitvoeringsinstelling
volledig ingevuld en ondertekend binnen een
door de uitvoeringsinstelling
vastgestelde termijn, met een maximum van één maand, na datum dagtekening
van het schriftelijke verzoek
daartoe terug te sturen, tenzij de
uitvoeringsinstelling een andere redelijke termijn bepaalt.
-3. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde die buiten Nederland wonen, zijn verplicht een
vragenformulier van de uitvoeringsinstelling volledig ingevuld en
ondertekend terug te sturen binnen een
door de uitvoeringsinstelling
vastgestelde termijn, met een maximum van twee maanden, tenzij de
uitvoeringsinstelling een andere redelijke termijn bepaalt.
Art. 7.
Wijziging van
woon- of verblijfplaats
De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde zijn verplicht onverwijld
mededeling te doen van een wijziging
van hun woon- of verblijfplaats.
Art. 8.
Inwerkingtreding
Bij inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997) ingetrokken en gaan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen
(uvi’s) over naar het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Dit heeft tot gevolg dat in dit besluit
het UWV in de plaats van het Lisv of de uitvoeringsinstelling(en) treedt.
Art. 9.
Overgangsbepaling
Deze controlevoorschriften
treden in werking met ingang van 1
december 2001, dan wel per (latere)
datum inwerkingtreding van de Wet
arbeid en zorg.
Art. 10.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Controlevoorschriften Wet
arbeid en zorg 2001.
Amsterdam, 21 november 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[21 november 2001]
Algemeen
In gevolge
artikel
3:28 Wet
arbeid en zorg kunnen er
controlevoorschriften worden vastgesteld door het Lisv. Deze voorschriften mogen
niet verder gaan dan strikt noodzakelijk
is voor een juiste uitvoering van de wet.
De volgende uitgangspunten
zijn bij het opstellen gehanteerd:
1. Lisv (per 1 januari 2002 het UWV) is formeel uitvoerder.
In de materiële wetten en
lagere regelgeving wordt vrijwel steeds het
Lisv genoemd als formele partij.
Ook in dit besluit is het Lisv
degene die de controlevoorschriften vaststelt.
2. Concretisering van de
wettelijke bepalingen. Wat in de wet voldoende
duidelijk is geregeld, wordt in principe
niet in de controlevoorschriften
herhaald. De controlevoorschriften geven
als het ware een concretisering van
hetgeen wettelijk geregeld is. Een
voorbeeld betreft de aanvraagprocedure
voor een uitkering.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Dit artikel bevat enkele
definitiebepalingen. Het begrip "uitvoeringsinstelling" is ingevoerd om aan te geven
dat de formele taak van het
Lisv materieel wordt uitgevoerd door de uitvoeringsinstelling. Bij
de invoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gaan de
publiekrechtelijke rechten
en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
uitvoeringsinstellingen over op het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, voor zover niet anders is bepaald in de
wet.
Artikel 2
Ingevolge de
artikelen 3:11, 3:12 en
3:22 van de Wet arbeid en zorg dient de
aanvrager die in
aanmerking wenst te komen voor
toekenning van de uitkering zijn aanvraag
te doen uiterlijk twee respectievelijk drie weken (al naargelang de
tekst van het toepasselijke artikel) vóór
de dag van ingang van het verlof. Voor
het doen van de aanvraag dient
gebruik te worden gemaakt van een bij
de uitvoeringsinstelling (het UWV) op te vragen uitvoerig vragenformulier teneinde
de behandelende
uitvoeringsinstelling (het UWV) in de gelegenheid te stellen het recht op
uitkering te kunnen bepalen.
Artikel 3
Eerste lid
Documenten waaruit de
feitelijke opneming ter adoptie kunnen
blijken, zijn bijvoorbeeld een
verklaring van buitenlandse autoriteiten,
voorzien van een Nederlandse tekst
die is vertaald door een beëdigd
tolk-vertaler, een verklaring van een
vergunninghoudende bemiddelingsinstantie, een melding bij de
vreemdelingenpolitie of een bewijs van inschrijving van het kind bij de Gemeentelijke
Basisadministratie, een
machtiging tot voorlopig verblijf verstrekt
door de Nederlandse ambassade in het
land waar de opneming zal
plaatsvinden, of indien een dergelijke
verklaring niet hoeft te worden verstrekt, andere bescheiden waaruit blijkt
dat de adoptie doorgang zal vinden.
Niet kan worden volstaan met
slechts beginseltoestemming van de
Minister van Justitie of een
verklaring van de Raad voor de Kinderbescherming waaruit blijkt dat de aanstaande adoptiefouders geschikt zijn
om te adopteren. Bij opneming ter
pleegzorg worden een pleegcontract
waaruit blijkt dat duidelijk is dat
het kind vanaf de plaatsing duurzaam
in het gezin zal worden verzorgd en
opgevoed, zomede een bewijs van inschrijving van het kind bij de Gemeentelijke
Basisadministratie, overgelegd.
Tweede lid
In dit artikel wordt
aangegeven welke gegevens de zelfstandige en
de persoon die niet in dienstbetrekking werkzaam is, bij de aanvraag
moet verstrekken. Met aanvraag wordt hier bedoeld de aanvraag die
wordt gedaan met behulp van het aanvraagformulier.
Bij een bevallingsuitkering
in het kader van WAZ hoeft het
maatmaninkomen niet te worden vastgesteld, omdat de hoogte van de
bevallingsuitkering niet afhankelijk is van de mate van
arbeidsongeschiktheid. De hoogte van de grondslag
is wel afhankelijk van de winst of
de inkomsten van het kalender-
of boekjaar voorafgaand aan de ingangsdatum van de bevallingsuitkering.
De grondslag is maximaal het minimumloon per dag. Aangezien er
een zeer korte termijn kan liggen
tussen de aanvraag en de ingangsdatum
van de bevallingsuitkering is het
van belang dat de inkomensgegevens met
de aanvraag worden meegezonden. De
uitvoeringsinstelling heeft dan de mogelijkheid de hoogte van de uitkering
of het voorschot zo spoedig
mogelijk vast te stellen. In eerste
instantie kan worden volstaan met de
inkomsten of winst van het laatste
kalender- of boekjaar. Als de inkomsten
van het laatste kalender- of
boekjaar onder het minimumloon liggen, zijn
de gegevens over de laatste
vijf kalender- of boekjaren nodig. Zijn de
gegevens van het laatste kalender- of
boekjaar nog niet bekend, dan kan met
behulp van de gegevens van de
overige vier jaren van de vijf kalender-
of boekjaren de hoogte van het voorschot
worden vastgesteld. Vanzelfsprekend geldt dat de gevraagde
gegevens alleen kunnen worden
verstrekt als in de desbetreffende jaren ook
als zelfstandige of beroepsbeoefenaar arbeid is verricht.
Artikel 4
In dit artikel wordt de
medewerking gevorderd van de aanvrager
van uitkering met betrekking tot de
verificatie van de door hem/haar
verstrekte gegevens door de uitvoeringsinstelling.
Bij de toekenning van de
uitkering ligt de nadruk in de
controle op de vraag of de uitkering
rechtmatig wordt verstrekt. Om deze
vraag te kunnen beantwoorden, beschikt de uitvoeringsinstelling
enerzijds over informatie uit eigen bronnen
dan wel van andere uitvoeringsorganen en anderzijds over informatie
van de uitkeringsgerechtigde zelf.
Daarnaast dient de
uitvoeringsinstelling te beschikken over de juiste inhoudingsgegevens en het
juiste woon- of verblijfsadres. De
plicht om op een aangegeven plaats en
tijd te verschijnen, is niet in de
controlevoorschriften opgenomen, omdat dit thans in de wetten is geregeld.
Artikel 37 ZW en
artikelen 41, eerste lid, en 42 WAZ ter zake van
oproeping en ondervraging zijn
ingevolge artikel 3:16 en 3:27 Wazo
van overeenkomstige toepassing verklaard.
Artikel 5
Om het recht en de hoogte
van de uitkering vast te stellen,
kan de uitvoeringsinstelling de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde
oproepen om te verschijnen op het spreekuur
van de rapporteur. Bij verhindering
aan de oproep te voldoen deelt de betrokkene dit binnen 24 uur mee aan de
uitvoeringsinstelling, onder opgave van de reden van de
verhindering.
Artikel 6
Eerste lid
Voor de
uitkeringsgerechtigde die (nog) werkzaam is als
zelfstandige, beroepsbeoefenaar of
meewerkende echtgenoot dient de uitvoeringsinstelling
tijdig te beschikken over de
jaarstukken (balans, de winst- en
verliesrekening) of de aangifte voor de inkomstenbelasting over het
voorafgaande (boek)jaar. In de praktijk blijkt men in vele gevallen
niet aan deze verplichting te voldoen,
hetgeen tot extra administratieve handelingen en te hoge of te lang
doorlopende betalingen kan leiden.
Eerste lid, onderdeel b
Om het recht en de hoogte
van de uitkering vast te stellen,
zal de uitvoeringsinstelling onderzoeken moeten instellen door onder meer
een verzekeringsarts, een arbeidsdeskundige en een beoordelaar. Deze
onderzoeken zullen veelal op het kantoor van de uitvoeringsinstelling
plaatsvinden, waarbij gebruik gemaakt
wordt van informatie van de aanvrager
en de uitkeringsgerechtigde.
Daarbij is het gewenst dat
de uitvoeringsinstelling inzage kan krijgen en beschikken over een
uitgebreid scala aan noodzakelijk geachte
(merendeels schriftelijke) stukken, zoals bijvoorbeeld loonstroken, balans en
winst- en verliesrekening, kasboeken, ziekenfondsinschrijvingspapieren, loonbelastingverklaring,
aangifte voor de inkomstenbelasting, etc.
Eerste lid, onderdeel c
Daarnaast is het gewenst
controle op het huisadres mogelijk te
maken. Controle thuis heeft een
meerwaarde in vergelijking met een
controle ten kantore van de uitvoeringsinstelling. Anders dan bij een bezoek
aan het kantoor van de uitvoeringsinstelling heeft de betrokkene thuis
alle gegevens meestal bij de hand. Dat levert in de afhandeling een
aanzienlijk tijdsvoordeel op.
Met name bij de toekenning
van een uitkering aan een
zelfstandige is het mogelijk dat de aanvrager
bezocht wordt door een
buitendienstfunctionaris van de uitvoeringsinstelling. Deze verzamelt alle
benodigde aanvullende gegevens (in verband met bijvoorbeeld de
ziekenfondsverzekering en inhouding op de
uitkering) en verifieert samen met de
betrokkene de bij diens werkgever
verzamelde loongegevens die nodig zijn voor de
vaststelling van het dagloon. Ook andere situaties kunnen evenwel aanleiding
geven de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde te vragen op bepaalde dagen c.q. uren thuis te
zijn. Om de dagelijkse thuisbezoeken
efficiënt te kunnen plannen, is het
noodzakelijk dat de
buitendienstmedewerkers ervan op aan kunnen dat zij
hem thuis aantreffen.
Eerste lid, onderdeel d
Om deze reden is de
verplichting opgenomen dat een betrokkene - vanzelfsprekend na afspraak
- op een afgesproken dag c.q. uren
thuis dient te zijn.
Tweede lid
In dit lid is de
verplichting neergelegd om een door de uitvoeringsinstelling
toegezonden vragen- of
inlichtingenformulier volledig in te vullen en
binnen een door de
uitvoeringsinstelling vastgestelde termijn, met
een maximum van één maand, terug te
zenden. Vanwege het belang die deze vorm van controle voor de
uitvoeringspraktijk heeft, is deze verplichting afzonderlijk geformuleerd.
Om problemen tijdens bijvoorbeeld de vakantieperioden te
voorkomen, wordt de termijn in die
situatie verlengd of gesteld op een andere
redelijke termijn.
Derde lid
De termijn waarbinnen de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde
die in het buitenland woont, verplicht
is een formulier terug te zenden, kan langer zijn dan de termijn die geldt voor
degene die in Nederland
woont. De uitvoeringsinstelling kan in
deze situatie een langere termijn
vaststellen, afhankelijk van het woonland
en andere externe factoren,
echter, met een maximum van twee
maanden. Ook in deze situatie wordt
de periode verlengd of gesteld op een
andere redelijke termijn.
Artikel 7
Om controle mogelijk te
maken, dient de woon- of verblijfplaats
van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde bekend te zijn. Derhalve is
het noodzakelijk dat hij wijzigingen in zijn woon- of verblijfplaats
meedeelt aan de uitvoeringsinstelling (het UWV). In dit voorschrift wordt
geen onderscheid gemaakt tussen vertrek naar het buitenland bij wijze van
vakantie en vertrek om andere
redenen, bijvoorbeeld (r)emigratie.
Amsterdam, 21 november 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|