|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere regelgeving:
- Beroepsreglement
- Bestuursreglement Centrale Raad van
Beroep
- Klachtenregeling Centrale Raad van Beroep 2005
- Procesregeling
bestuursrechtelijke colleges 2006
-
Wrakingsregeling Centrale Raad van Beroep
Vervallen
nadere regelgeving:
- Bestuursreglement CRvB
(vervallen)
- Klachtenregeling Centrale Raad van Beroep 2002
(vervallen)
- Procesregeling
Centrale Raad van Beroep
(vervallen)
Relevante overige
regelgeving:
- Algemene wet bestuursrecht
- Besluit proceskosten bestuursrecht
- Wet
voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie
Inhoudsopgave
Bw
| Titel
I |
De
Centrale Raad van Beroep |
artt.
1 - 16 |
| Titel
II |
Beroep
en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep |
artt.
17 - 28 |
| Hoofdstuk
Ix |
Beroep |
art.
17 |
| Hoofdstuk
IIx |
Hoger
beroep |
artt.
18 - 28 |
| Titel
III |
Slotbepalingen |
artt.
28a - 29 |
| BIJLAGE|bij de Beroepswet |
| xxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxx|||x |
Parlementaire
behandeling:
Bijlage Handelingen II 1953-1954, 1954-1955, 3349.
Handelingen II 1954-1955, blz. 2005-2029.
Bijlage Handelingen I 1954-1955, 3349.
Handelingen I 1954-1955, blz. 2089-2093.
Geschiedenis:
Staatsblad 1995, 116; Staatsblad 1995,
250; Staatsblad 1995, 639;
Staatsblad 1995,
690; Staatsblad 1995,
691; Staatsblad 1996,
302; Staatsblad 1996, 590;
Staatsblad 1997, 85; Staatsblad 1997,
96; Staatsblad 1997, 112;
Staatsblad 1997, 139; Staatsblad 1997, 162;
Staatsblad 1997, 465; Staatsblad 1997, 760;
Staatsblad 1997,
768; Staatsblad
1997, 789; Staatsblad 1997,
794; Staatsblad 1998, 59;
Staatsblad 1998, 120; Staatsblad 1998, 228;
Staatsblad 1998, 290; Staatsblad 1998,
411; Staatsblad 1998, 744;
Staatsblad 1999, 194; Staatsblad
1999, 592; Staatsblad 2000,
284; Staatsblad 2000, 383;
Staatsblad 2000, 593; Staatsblad 2001, 481;
Staatsblad 2001, 538; Staatsblad 2001, 568;
Staatsblad 2001,
625; Staatsblad 2001, 582;
Staatsblad 2001,
583; Staatsblad 2001, 584;
Staatsblad 2001, 664; Staatsblad 2002, 53;
Staatsblad
2002, 288; Staatsblad 2002,
541; Staatsblad 2003, 20;
Staatsblad 2003, 376; Staatsblad 2003, 500;
Staatsblad 2004, 37; Staatsblad 2004, 50;
Staatsblad 2004, 215; Staatsblad 2004, 220;
Staatsblad 2004, 325; Staatsblad
2005, 37; Staatsblad
2004, 717; Staatsblad 2004, 728;
Staatsblad 2005, 16; Staatsblad
2005, 274; Staatsblad 2005, 275;
Staatsblad 2005, 525; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 708; Staatsblad 2006, 26;
Staatsblad
2006, 351; Staatsblad 2006, 593;
Staatsblad 2006, 625; Staatsblad
2006, 644; Staatsblad 2007, 28;
Staatsblad 2007, 490; Staatsblad
2008, 20; Staatsblad 2008, 408;
Staatsblad 2009, 8;
Staatsblad 2008, 600; Staatsblad
2008, 606; Staatsblad 2009, 25;
Staatsblad 2009, 356; Staatsblad
2009, 383; Staatsblad 2009, 580;
Staatsblad 2010, 857; Staatsblad 2009, 570;
Staatsblad 2010, 24; Staatsblad
2010, 175; Staatsblad
2010, 216; Staatsblad
2010, 228; Staatsblad 2010,
768; Staatsblad 2010, 840;
Staatsblad 2011, 111; Staatsblad
2011, 255; Staatsblad 2011,
528.
WET van 2 februari 1955, Stb.
1955, 47, houdende nieuwe regeling van de organisatie en
procedure van de Centrale Raad van Beroep en de
raden van beroep (Beroepswet). Laatste tekstplaatsing: Stb.
1994, 3. Inwerkingtreding: 1 januari 1957 (Stb. 1956, 591).
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is de organisatie en procedure van de Centrale Raad van Beroep
en de raden van beroep opnieuw te regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
TITEL
I
De
Centrale Raad van Beroep
Art. 1.
[Instelling CRvB] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; Stb. 2001, 582]
Er is een Centrale Raad van Beroep, gevestigd te Utrecht.
Art.
2. [Personeel CRvB] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2001, 582; Stb.
2004, 215; Stb. 2010, 857]
-1. Bij de Centrale Raad van Beroep
zijn
werkzaam:
a. leden met rechtspraak belast; en
b. gerechtsambtenaren.
-2. De leden met rechtspraak belast,
werkzaam bij de Centrale Raad van Beroep zijn:
a. senior raadsheren;
b. raadsheren;
c. raadsheren-plaatsvervangers.
Art.
3. [Schakelbepaling Wet RO, bijzondere
bepalingen omtrent bestuur CRvB] [BC]
[BC07] [KC02] [KC05]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 116; Stb.
1995, 250; Stb. 1996, 590;
Stb. 2001, 582; Stb.
2001, 583; Stb. 2001, 584;
Stb. 2004, 215; Stb.
2009, 8; Stb. 2010, 857; Stb. 2010, 175;
Stb. 2011, 255]
Het bij en krachtens de afdelingen 1,
1a, 2 en 6 van hoofdstuk 2 van de Wet
op de rechterlijke organisatie bepaalde is, met uitzondering van de
artikelen 2, 3, 9, 11, 20 en 21, van overeenkomstige toepassing op de Centrale Raad van Beroep, met dien
verstande dat:
a. het bestuur bestaat uit een
voorzitter, een niet-rechterlijk lid en ten hoogste vier andere leden
met rechtspraak belast van de Centrale Raad van Beroep als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b;
b. de voorzitter onderscheidenlijk
de andere leden met rechtspraak belast, bedoeld in onderdeel a,
in verband met het verrichten van de werkzaamheden als voorzitter
onderscheidenlijk lid van het
bestuur een toelage ontvangen op het salaris dat zij overeenkomstig de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren genieten, waarvan het bedrag
gelijk is aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene
maatregel van bestuur voor de functie van voorzitter onderscheidenlijk lid van het bestuur vast te
stellen salarishoogte;
c. de
voorzitter onderscheidenlijk een ander lid met rechtspraak belast,
bedoeld in onderdeel a, na het verstrijken van een benoemingsduur
van ten minste zes aaneengesloten jaren, met ingang van de datum waarop
hij zijn werkzaamheden als zodanig beëindigt, gedurende drie jaren een
toelage ontvangt op het salaris dat hij overeenkomstig de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren geniet, waarvan het bedrag gelijk
is aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene maatregel van
bestuur voor de functie van voorzitter onderscheidenlijk lid van het
bestuur vast te stellen salarishoogte;
d. bij algemene maatregel van
bestuur nadere regels worden gesteld over de onkostenvergoeding van de
voorzitter en de andere leden met rechtspraak belast, bedoeld in
onderdeel a, en de bezoldiging van het niet-rechterlijk lid;
e.
een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of niet-rechterlijk lid,
wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid van het bestuur
indien hij als lid met rechtspraak belast wordt ontslagen
onderscheidenlijk geschorst;
f.
een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of niet-rechterlijk lid,
op eigen verzoek wordt ontslagen;
g.
de voorzitter en de andere leden, niet zijnde niet-rechterlijk lid,
tevens staatsraad of staatsraad in buitengewone dienst kunnen zijn;
h. ten
aanzien van een lid van het bestuur, niet zijnde voorzitter of
niet-rechterlijk lid, de bij en krachtens de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het bestuur toegekende
bevoegdheden worden uitgeoefend door het bestuur uitgezonderd dat lid;
i.
het bestuur bevoegd is organisatorische eenheden in te stellen die
belast worden met het behandelen en beslissen van de soorten zaken die
door het bestuur aan die eenheden worden opgedragen.
Art.
4. [Schakelbepalingen Wrra, bijzondere
bepalingen omtrent leden met rechtspraak belast en gerechtsauditeurs]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1996, 590; Stb.
1998, 120 + bis; Stb.
2001, 582; Stb. 2001, 584;
Stb. 2004, 215 + bis;
Stb. 2009, 8 + bis;
Stb. 2010, 857]
-1. Op de leden met rechtspraak belast is
de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend
op rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, met uitzondering van
de artikelen 5a, 5b, 5c, vierde tot en met zesde
lid, en 5g, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het bestuur wordt aangemerkt als
hun functionele autoriteit;
b. zij met betrekking tot hun
benoeming en salaris worden gelijkgesteld met degenen die hetzelfde ambt
vervullen bij een gerechtshof;
c. het bestuur de lijst van
aanbeveling opmaakt bij het openvallen van een plaats van senior
raadsheer, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger
en de Raad voor de rechtspraak deze lijst telkens, onder medezending van
een advies hierover, aan Onze Minister van
Justitie doorzendt met het oog op een voordracht voor benoeming
overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
d. zij voor de overeenkomstige
toepassing van de artikelen 6, 45 en 46 worden gelijkgesteld met bij een
gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijke
ambtenaren;
e. zij voor de overeenkomstige
toepassing van artikel 13 worden gelijkgesteld met rechterlijke
ambtenaren van wie de eerste benoeming een ambt bij een gerechtshof of
rechtbank betreft;
f. het
bestuur de werkzaamheden van de leden met rechtspraak belast verdeelt;
en
g. het lid met rechtspraak belast,
dat tevens president is van de Centrale Raad van
Beroep, ten aanzien van hen bevoegd is tot het opleggen van de
disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing en het doen van
een verzoek aan de procureur-generaal bij de Hoge
Raad, bedoeld in artikel 46o, tweede lid.
-2. Op de senior gerechtsauditeurs en
gerechtsauditeurs is de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voor zover betrekking hebbend op
senior gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, met uitzondering van artikel 5b, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het bestuur wordt aangemerkt als
hun functionele autoriteit;
b. zij voor de overeenkomstige
toepassing van de artikelen 6, 45 en 46 worden gelijkgesteld met
rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof of
rechtbank;
c. het bestuur de werkzaamheden van
de senior gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs verdeelt; en
d. zij voor de overeenkomstige
toepassing van artikel 13 worden gelijkgesteld met rechterlijke
ambtenaren van wie de eerste benoeming een ambt bij een gerechtshof of
rechtbank betreft.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de overeenkomstige
toepassing van het krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren bepaalde ten aanzien van de in het eerste en tweede lid
genoemde leden met rechtspraak belast, senior gerechtsauditeurs en
gerechtsauditeurs.
Art.
5. [Nadere regelgeving werkwijze CRvB]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1996, 590; Stb.
2001, 582]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de
werkwijze van de Centrale Raad van Beroep. [Br]
Art.
6. [Inlichtingenverplichting rechtbanken]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1996, 590; Stb.
2001, 582]
De rechtbanken en de presidenten geven
inlichtingen wanneer die door de president van de Centrale Raad van Beroep
voor de
behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht.
Art. 7.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2001, 582]
Art.
8.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1996, 590]
Art.
9.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2001, 582]
Art.
10.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2001, 582]
Art.
11.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2001, 582]
Art.
12.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2001, 582]
Art.
13.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1996, 590]
Art.
14.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2001, 582]
Art.
15.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1996, 590; Stb.
1998, 120; Stb. 1999, 194;
Stb. 2001, 582]
Art.
16.
Vervallen. [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1996, 590; Stb.
1998, 120 + bis; Stb.
1999, 194; Stb. 2001, 582]
TITEL
II
Beroep
en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep
HOOFDSTUK
I
Beroep
Art.
17. [Schakelbepaling inzake beroep |
Enkelvoudige en meervoudige kamer] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2009, 570]
-1. Indien bij de
Centrale Raad van Beroep beroep kan worden ingesteld, is hoofdstuk 8 van de
Algemene wet
bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen
8:1, eerste en tweede lid, 8:4, 8:5,
8:6, eerste lid, 8:7,
8:8, 8:9, 8:10,
8:13 en 8:51a,
eerste lid, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat artikel
8:86, eerste lid, slechts kan
worden toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. Ook hierop
worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel
8:83, eerste lid,
gewezen.
-2. De zaken die bij de Centrale Raad
van Beroep aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een
meervoudige kamer.
-3. Indien een zaak naar het oordeel
van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één
rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
-4. Indien een zaak naar het oordeel
van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één
rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.
-5. Verwijzing kan geschieden in elke
stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand
waarin zij zich bevindt.
-6. De Centrale Raad van Beroep kan het
bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te
herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen
toepassing indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding
deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
HOOFDSTUK
II
Hoger
beroep
Art.
18. [Instelling hoger beroep; uitsluiting
hogerberoepsrecht] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; Stb.
1997, 139; Stb. 2001, 584;
Stb. 2004, 220; Stb.
2009, 570]
-1. Een belanghebbende en het
bestuursorgaan kunnen bij de Centrale Raad van Beroep
hoger beroep instellen
tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in
afdeling
8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als
bedoeld
in artikel 8:86 van die wet, inzake:
a. een besluit of een andere handeling
van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1
van de Ambtenarenwet als zodanig of een dienstplichtige als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet
dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun
rechtverkrijgenden belanghebbende zijn; en
b. een besluit, genomen op grond van
een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze
wet behoort.
-2. Geen hoger beroep kan worden
ingesteld tegen:
a. een uitspraak van de rechtbank na
toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht;
b. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel
8:54a van
die wet;
c. een uitspraak van de rechtbank als
bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van die wet;
d. een uitspraak van de voorzieningenrechter als
bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van die wet; en
e. een uitspraak van de voorzieningenrechter als
bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, in verband met
artikel 8:84,
vierde lid, van die wet.
-3. Tegelijkertijd met het hoger beroep
tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden
ingesteld tegen:
a. een
tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a
van de Algemene wet bestuursrecht; of
b. een
andere beslissing van de rechtbank.
Art.
19. [Schorsende werking hoger beroep]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2009, 383]
-1. De werking van een uitspraak met
betrekking tot een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift
dat is opgenomen in onderdeel C, onder 1 tot en met
24, van de bijlage die bij
deze wet behoort, wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van
hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het
hoger beroep is beslist.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de
uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
betreft.
Art.
20. [Mededeling hoger beroep aan griffier
rechtbank] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis]
-1. De griffier doet van het ingestelde
hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die
de uitspraak heeft gedaan.
-2. De griffier van de rechtbank,
bedoeld in het eerste lid, zendt de gedingstukken met vier afschriften van het
proces-verbaal van de zitting, voor zover dit op de zaak betrekking heeft,
en vier afschriften van de uitspraak binnen één week na ontvangst van de in
het eerste lid bedoelde mededeling aan de griffier van de Centrale Raad van Beroep.
Art.
21. [Schakelbepaling inzake beroep |
Enkelvoudige en meervoudige kamer] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; Stb.
2001, 584; Stb. 2009, 570]
•
[Jurisprudentie: LJN AE1901]
-1. Op het hoger beroep is
hoofdstuk 8
van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en
de artikelen 8:10, 8:13,
8:41, 8:51a,
eerste lid, 8:74 en
8:82, van overeenkomstige toepassing, voor zover in dit hoofdstuk niet
anders is bepaald. Artikel 8:86,
eerste lid, kan slechts worden toegepast indien een enkelvoudige kamer van de rechtbank uitspraak op het beroep heeft gedaan.
-2. De zaken die bij de Centrale Raad van Beroep
aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een
meervoudige kamer.
-3. Indien een zaak die door een
enkelvoudige kamer van de rechtbank is
behandeld naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één
rechter, kan zij deze verwijzen naar
een enkelvoudige kamer.
-4. Indien een zaak naar het oordeel
van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één
rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.
-5. Verwijzing kan geschieden in elke
stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand
waarin zij zich bevindt.
-6. De Centrale Raad van Beroep kan het
bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te
herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen
toepassing indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding
deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
Art.
21a. [Proceskostenveroordeling bij
intrekking hoger beroep bestuursorgaan] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 250; Stb.
2002, 53]
-1.
In geval van intrekking van het
hoger beroep door het bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van
een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden
veroordeeld. Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken,
wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling gedaan
tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit vereiste
niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Indien
het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken, wordt het verzoek schriftelijk gedaan.
De artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11,
6:14, 6:15, 6:17 en
6:21 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. Artikel 8:73a, tweede en derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Art.
22. [Griffierecht] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; Stb.
1997, 112; Stb. 1997, 139;
Stb. 1998, 744; Stb.
2001, 481; Stb. 2001, 538;
Stb. 2001, 664; Stb.
2003, 20; Stb. 2003, 500;
Stb. 2004, 37; Stb.
2004, 325; Stb. 2005, 16;
Stb. 2005, 26; Stb.
2006, 593; Stb. 2007, 28;
Stb. 2008, 20; Stb.
2008, 600; Stb. 2009, 25;
Stb. 2010, 24; Stb.
2010, 768; Stb. 2011, 528]
-1. Van de indiener van het
beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. Indien de uitspraak van de
rechtbank, voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld, betrekking
heeft op meer dan één besluit of indien het een gezamenlijk
beroepschrift van twee of meer indieners ter zake van dezelfde uitspraak betreft,
is eenmaal griffierecht verschuldigd. In die gevallen bedraagt het
griffierecht het hoogste op grond van het tweede lid ter zake van één van de
besluiten onderscheidenlijk door één van de indieners verschuldigde
griffierecht.
-2. Het griffierecht bedraagt:
a. €|115,00 indien door een natuurlijk
persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake:
1º. een besluit, genomen op grond van
een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de onderdelen B en
C, onder
1 tot en met 25, 29 en 33, dit laatste voor zover het een besluit betreft gebaseerd
op artikel 30d van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, van de bijlage
die bij deze
wet behoort;
2º. een besluit inzake een uitkering
bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een ambtenaar
als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet
als zodanig of
een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet
dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of
hun rechtverkrijgenden; of
3º. een besluit inzake een uitkering
op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift
waarbij de natuurlijke persoon ter
zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen
is verzekerd, of een besluit, genomen op grond van
artikel P 9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet;
b. €|232,00 indien door een natuurlijk
persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander
besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel a, tenzij bij wet
anders is bepaald; en
c. €|466,00 indien anders dan door een natuurlijk persoon hoger beroep is ingesteld.
-3. Indien het bestuursorgaan hoger
beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank wordt in stand
gelaten, wordt van de desbetreffende rechtspersoon een griffierecht geheven
van €|466,00.
-4. De griffier wijst de indiener van
het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee
dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending
van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep
dan wel ter griffie dient te zijn gestort.
Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het
hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan
worden
geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
-5. Indien het hoger beroep wordt
ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener
van het beroepschrift is tegemoet gekomen, wordt het door de indiener betaalde
griffierecht aan hem vergoed door de desbetreffende rechtspersoon.
In de overige gevallen kan de desbetreffende rechtspersoon,
indien het hoger beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of
gedeeltelijk vergoeden.
-6. De in het tweede en derde lid
genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd
voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding
geeft.
-7. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op een verzoek om herziening.
Art.
23. [Griffierecht
voorlopigevoorzieningsverzoek] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250]
-1. Van de verzoeker om een voorlopige
voorziening wordt door de griffier een griffierecht geheven. Artikel
22,
eerste lid, tweede en derde volzin, tweede en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Artikel 22, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de
bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee
weken bedraagt. De president kan een kortere termijn stellen.
-3. Indien het verzoek wordt
ingetrokken omdat het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie
het
bestreden besluit is gericht, aan de president schriftelijk heeft
medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met
betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde
voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het betaalde griffierecht
door de griffier terugbetaald. In de overige gevallen kan de desbetreffende
rechtspersoon, indien het verzoek wordt ingetrokken, het betaalde
griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
-4. De uitspraak kan inhouden dat het
betaalde griffierecht door de door de president aangewezen rechtspersoon
geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
-5. Indien het verzoek is gedaan door
het bestuursorgaan en het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt
toegewezen, kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de
griffier aan de desbetreffende rechtspersoon wordt terugbetaald.
-6. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening dat wordt gedaan nadat
een
verzoek om herziening is gedaan.
Art.
24. [Strekking uitspraak] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis]
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt
de uitspraak van de rechtbank, hetzij met
overneming, hetzij met verbetering
van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de
uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.
Art.
25. [Vergoeding griffierecht] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis]
-1. Indien de
Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de
uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem
betaalde griffierecht door de door de Centrale Raad van Beroep
aangewezen rechtspersoon wordt vergoed.
-2. In de overige gevallen kan de
uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de Centrale Raad van
Beroep aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
Art.
26. [Terugwijzing zaak naar rechtbank] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis] •
[Jurisprudentie: LJN
AD3849; AE7599]
-1. De Centrale Raad van Beroep
wijst
de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld,
indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of
de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de Centrale Raad van Beroep
deze
uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank
onderscheidenlijk
ontvankelijkverklaring van het beroep;
of
b. de Centrale Raad van Beroep om
andere redenen dan bedoeld in onderdeel a van oordeel is dat de zaak
opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.
-2. De griffier zendt de gedingstukken,
onder medezending van een afschrift van de uitspraak, zo spoedig mogelijk
aan de griffier van de rechtbank.
Art.
27. [Afdoening zonder terugwijzing] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis]
In de gevallen, bedoeld in
artikel 26,
eerste lid, onderdeel a, kan de Centrale Raad van Beroep
de zaak zonder
terugwijzing afdoen indien zij naar zijn oordeel geen nadere behandeling
door de
rechtbank behoeft.
Art.
28. [Gedektverklaring onbevoegdheid
rechtbank] [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis]
Indien de Centrale Raad van Beroep van
oordeel is dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, kan hij de
onbevoegdheid
voor gedekt verklaren en de uitspraak
als bevoegdelijk gedaan aanmerken.
TITEL
III
Slotbepalingen
Art.
28a. [Overgangsrecht wijziging bijlage] [Geschiedenis:
Stb. 2002, 53; Stb.
2004, 50]
Bij een wijziging van de bijlage die
bij deze wet behoort, blijft de bijlage zoals deze luidde vóór het tijdstip
van inwerkingtreding van de wijziging van toepassing ten aanzien van:
a. de mogelijkheid om hoger beroep in te
stellen tegen een uitspraak die vóór dat tijdstip is gedaan;
b. de in artikel 19 bedoelde gevolgen van
dat hoger beroep;
c. de hoogte van het griffierecht bij hoger
beroep tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel
22, tweede
lid, onderdeel a, onder 1º, dat vóór dat tijdstip is bekendgemaakt;
d. de hoogte van het griffierecht bij beroep tegen een besluit
als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, onderdeel
a, onder 1º, van de
Algemene wet bestuursrecht, dat vóór dat tijdstip is bekendgemaakt.
Art.
29. [Citeertitel] [Geschiedenis:
VvW;
MvT]
Deze wet wordt aangehaald als:
Beroepswet.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 2
Februari 1955
JULIANA
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken,
A.A. van Rhijn
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Beel
De Minister van Oorlog en van
Marine,
C. Staf
De Minister van Maatschappelijk
Werk,
F.J. van Thiel
Uitgegeven de achttiende
Februari 1955
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
BIJLAGE
bij de Beroepswet
A
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; Stb.
1995, 639; Stb. 1997, 162;
Stb. 1998, 228; Stb.
2002, 53; Stb. 2002, 288]
1. Noodwet
Geneeskundigen.
2. Wet op de noodwachten.
3. Noodwet
Arbeidsvoorziening.
4. Wet
rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders.
5. Wet van 25 mei 1962 (Stb. 1962, 196),
houdende instelling van een Bijstandskorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat
bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea.
6. De algemene maatregelen van
bestuur, bedoeld in:
- artikel 38a van de Wet
op het voortgezet onderwijs,
- de artikelen 2.45 en 2.46 van de Wet
op het cursorisch beroepsonderwijs,
- de artikelen 4.1.2, 4.1.4 en 4.3.2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs,
- de artikelen 4.5 en 16.23 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
- de artikelen 14, eerste lid, en 35
van de Wet
op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek,
- de artikelen 33, tweede lid, en 52
van de Wet op
het primair onderwijs,
- de artikelen 33, tweede lid, en 55
van de Wet op de
expertisecentra,
- artikel 23, tweede en derde lid, van
de Wet op het leerlingwezen,
- de artikelen 55, tweede lid, en 76
van de Wet op het hoger beroepsonderwijs,
- artikel 9 van de Kaderwet
volwasseneneducatie,
- artikel 58, tweede en derde lid, van
de Wet op de onderwijsverzorging, en
- de artikelen 108, 109, 126, derde
lid, 127, tweede lid, 146, derde lid, 159, tweede en vijfde lid, en 163,
tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, telkens voor zover
het besluiten van
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen betreft.
6a. Artikel B2 van de Wet van 15 mei 1997
tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet
op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet
op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding (regeling
schoolbegeleiding) (Stb. 1997, 252) en artikel 13 van de Wet
subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten in
samenhang met de in onderdeel 6 bedoelde algemene maatregelen van
bestuur, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen dan wel Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreft.
7. Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP.
8. Wet
privatisering ABP.
B
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 2002, 53; Stb.
2002, 541 + bis]
1. Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië.
2. Wet van 21 december 1951 (Stb.
1951, 592), houdende een
onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië.
3. Garantiewet
Militairen KNIL.
4. Wet van 23 april 1952 (Stb. 1952,
219), houdende een
minimumwachtgeldregeling ingevolge artikel 3 van de Garantiewet.
5. Wet
pensioenvoorzieningen KNIL.
6. Toeslagwet-1954 Indonesische uitkeringen.
7. Toeslagwet
Indonesische pensioenen 1956.
8. Beperkingswet Nederlandse toeslagen op Indonesische
pensioenen.
9. Samenloopregeling
Indonesische pensioenen 1960.
10. Wet van 18 januari 1956 (Stb.
1956, 40), houdende goedkeuring
van de
op 11 augustus 1954 te 's-Gravenhage gesloten overeenkomst tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake overdracht
door Indonesië aan Nederland van vorderingen op Nederlanders.
11. Uitvoering van artikel 16 van het Vredesverdrag met Japan
(Trb. 1951, 134), voor wat betreft de uitkeringen aan ex-krijgsgevangenen.
12. Uitvoering van het Protocol tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en Japan inzake de regeling van het vraagstuk betreffende zekere
soorten particuliere vorderingen van Nederlandse onderdanen, met
notawisseling.
13. De verdeling tussen belanghebbenden van het Nederlandse
aandeel in de opbrengst van de Birma-spoorweg.
14. Ordonnantie houdende voorzieningen met betrekking tot
een
voorlopige uitkering ter rehabilitatie van bepaalde groepen oorlogsslachtoffers.
15. Ordonnantie tot vaststelling van de regelingen met
betrekking
tot definitieve uitkeringen ter rehabilitatie van bepaalde groepen van
oorlogsslachtoffers, en artikel 17 van Regeling C behorende bij die ordonnantie.
16. Uitvoering van de regels neergelegd in de regeringsnota
inzake
het Rapport van de Commissie achterstallige Betalingen (Tweede Kamer, zitting
1952-1953, 3107, nr. 1) en de daarop gevolgde stukken en
handelingen, alsmede uitvoering van de regels neergelegd in de door de
Ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën, op advies van de Commissie
van Bijstand voor de rehabilitatie van Indische oorlogsslachtoffers,
vastgestelde of alsnog vast te stellen richtlijnen.
17. Wet van 2 juli 1980 (Stb. 1980, 385), houdende regelen omtrent
een
eenmalige uitkering aan bepaalde Molukse gewezen KNIL-militairen en hun
weduwen ter zake van over de periode 1 mei 1956 tot 1 januari 1964 gederfd
pensioen.
18. Uitkeringswet
Indische geïnterneerden.
19. Uitkeringswet
KNIL-beroepsmilitairen.
20.
De reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting
Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de
Stichting Het Gebaar.
C
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 690; Stb.
1995, 691; Stb. 1996, 302;
Stb. 1997, 85; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 465;
Stb. 1997, 760; Stb.
1997, 768; Stb. 1997, 789;
Stb. 1997, 794; Stb.
1998, 59; Stb. 1998, 290;
Stb. 1998, 411; Stb.
1999, 592; Stb. 2000, 284;
Stb. 2000, 383; Stb.
2000, 593; Stb. 2001, 568;
Stb. 2001, 625; Stb.
2002, 53; Stb. 2002, 541,
Stb. 2003, 376; Stb.
2005, 37 + bis;
Stb.
2004, 717; Stb.
2004, 728 + bis
+ bis; Stb.
2005, 274; Stb. 2005, 275;
Stb. 2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708; Stb.
2006, 351; Stb. 2006, 625;
Stb. 2006, 644; Stb.
2007, 490; Stb. 2008, 408;
Stb. 2008, 606; Stb.
2009, 356; Stb.
2009, 580; Stb. 2010, 216;
Stb. 2010, 228; Stb. 2010, 840
+ bis; Stb.
2011, 111]
1. Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
1a. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Ziektewet.
2a. Hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg.
2b. Vervallen.
3. Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
3a. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
3b. Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3c. Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.
4. Werkloosheidswet.
4a. Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen.
5. Algemene
Kinderbijslagwet.
5a. Een ministeriële regeling op grond van
artikel 3, eerste lid, juncto artikel 9 van de Kaderwet
SZW-subsidies betreffende een tegemoetkoming ten behoeve van
thuiswonende gehandicapte kinderen ¹ en betreffende het verlenen van een eenmalige
uitkering ter tegemoetkoming in immateriële schade aan werknemers die
tengevolge van blootstelling aan asbest ernstig ziek zijn geworden.²
6. Algemene
Ouderdomswet.
7. Algemene Weduwen- en Wezenwet.
7a. Wet voorzieningen
gehandicapten.
7b. Algemene nabestaandenwet.
8. Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989.
8a. Besluit werkloosheid onderwijs- en
onderzoekspersoneel, voor zover het besluiten van Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dan wel Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreft.
8b. Tijdelijk besluit ziekte en
arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, voor zover het
besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dan
wel Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreft.
8c. Artikel B2 van de Wet van 15 mei 1997
tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet
op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet
op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding (regeling
schoolbegeleiding) (Stb. 1997, 252) en artikel 13 van de Wet
subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten in
samenhang met de onder 8a en 8b bedoelde algemene maatregelen van
bestuur, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen dan wel Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij betreft.
9. Toeslagenwet.
10. Wet sociale
werkvoorziening.
11. Wet arbeid gehandicapte werknemers.
11a. Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten.
11b. Vervallen.
12. Wet
Werkloosheidsvoorziening.
13. Ongevallenwet.
14. Liquidatiewet
ongevallenwetten.
15. Vervallen.
16. Vervallen.
17. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen.
18.
Wet financiering sociale verzekeringen,
voor zover het betreft besluiten van de Sociale
verzekeringsbank of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
19. Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid.
20. Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
20a. Wet
gevolgen brutering uitkeringsregelingen.
20b. Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen.
21. Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten.
22. Ziekenfondswet.
22a. De artikelen 9b, 9c,
18f, 18g,
69,
70 en 118a van de
Zorgverzekeringswet, behalve voor zover op grond van
de artikelen 18f, eerste lid, juncto
18d of artikel
18e van die wet een
besluit is genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke
premie of de hoogte daarvan.
23. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
24. Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
24a. Wet werk en
inkomen kunstenaars.
24b. Wet financiering
Abw, Ioaw en Ioaz.
24c. Wet
studiefinanciering 2000.
24d. Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage
en schoolkosten.
24e. Wet maatschappelijke ondersteuning.
24f. Wet inburgering.
25. Algemene Bijstandswet, Algemene bijstandswet, Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet, Invoeringswet Wet werk en bijstand en Wet werk en bijstand.
25a. Wet investeren in
jongeren.
26. Wet op de Pensioenkamer.
27. Wet inschakeling
werkzoekenden.
28. Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling
opslagpremies.
29. Artikel 19a van de Wet
overige OCW-subsidies.
30. Vervallen.
31. Vervallen.
32. Vervallen.
33. Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
33a. De Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, met uitzondering
van de besluiten die gebaseerd zijn op regelingen op grond van
artikel 81 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 zoals dat artikel luidde tot
1 januari 2002.
34. Artikel 9 van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
35. Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs.
36. Artikelen 2 en 10 van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.
37. Tijdelijke wet
pilot loondispensatie.
1. Zie Regeling
tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000,
red.
2. Zie Regeling
tegemoetkoming asbestslachtoffers,
red.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|