|
Het
bestuur van de Centrale Raad van Beroep stelt, gelet op
artikel 3 van de
Beroepswet in verbinding met artikel 26 van de Wet
op de rechterlijke organisatie, de volgende regeling vast.
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. Raad: Centrale Raad van
Beroep;
b. bestuur: bestuur van de
Raad;
c. lid van de Raad: de
president, de (coördinerend)
vice-president, de raadsheer en de raadsheer-plaatsvervanger.
Art. 2.
Klachtrecht
-1. Een ieder heeft het recht
om over de wijze waarop de Raad zich
in een bepaalde aangelegenheid
jegens hem heeft gedragen bij het
bestuur een schriftelijke klacht in te dienen.
-2. Niet geklaagd kan worden
over de inhoud, de motivering, het
uitblijven van een rechterlijke
beslissing, de wijze van totstandkomen van
een rechterlijke beslissing of
de in dat kader genomen beslissingen
van procedurele aard.
-3. Als gedraging van de Raad
wordt mede aangemerkt een
gedraging van een lid van de Raad of een
gedraging van een persoon werkzaam bij
de Raad, voor zover deze gedraging van het lid van de Raad of de
bij de Raad werkzame persoon aan de Raad kan worden toegerekend.
-4. Onder een bij de Raad
werkzame persoon wordt verstaan:
a. een bij de Raad werkzame gerechtsauditeur of
rechterlijk ambtenaar in opleiding;
b. een bij de Raad werkzame niet-rechterlijk
ambtenaar;
c. overige
niet hierboven genoemde bij de Raad werkzame personen.
-5. Een lid van de Raad of
een persoon werkzaam bij de Raad kan alleen een klacht indienen voor
zover hij partij of belanghebbende
is in een bij de Raad aanhangig
geding, een partij of belanghebbende in
een dergelijk geding vertegenwoordigt of
bijstaat dan wel daarin getuige of
deskundige is.
Art. 3.
Klaagschrift
-1. Het klaagschrift moet
worden ondertekend en ten minste
bevatten:
a. de naam en het adres van
de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de
gedraging waartegen de klacht is gericht, met inbegrip van het tijdstip
van de gedraging.
-2. Indien het klaagschrift
in een vreemde taal is gesteld en
een vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk
is, dient de indiener zorg te dragen
voor een vertaling.
-3. Indien de klager
minderjarig is of onder curatele gesteld, moet
het klaagschrift worden ondertekend door de met het gezag
beklede ouder of voogd onderscheidenlijk
de curator.
Art. 4.
Afdoening in der minne
-1. In iedere fase van de
behandeling van de klacht kan het
bestuur onderzoeken of de klager door informele afhandeling tevreden gesteld
kan worden.
-2. Zodra het bestuur naar
tevredenheid van de klager aan diens
klacht tegemoet is gekomen, vervalt
de verplichting tot het verder toepassen van deze regeling.
-3. Klager ontvangt in ieder geval een
schriftelijke kennisgeving van de afsluiting van de procedure.
Art. 5.
Bijstand en
vertegenwoordiging
-1. De klager en de persoon
op wie de klacht betrekking heeft,
kunnen zich laten bijstaan of door een
gemachtigde laten vertegenwoordigen.
-2. Het bestuur kan van een
gemachtigde een schriftelijke machtiging
verlangen.
-3. Het bestuur kan bijstand
of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren
bestaan, weigeren.
-4. Het derde lid is niet van
toepassing ten aanzien van advocaten en
procureurs.
Art. 6.
Ontvangstbevestiging; doorzending, terugzending, registratie
-1. Het bestuur bevestigt de
ontvangst van het klaagschrift
schriftelijk en onder toezending van een
afschrift van deze regeling.
-2. Het bestuur zendt
afschrift van het klaagschrift en de daarbij
meegezonden stukken aan degene op wiens gedraging de klacht
betrekking heeft.
-3. Het bestuur zendt een
klaagschrift tot behandeling waarvan
kennelijk een andere instantie bevoegd is onverwijld naar die
instantie door onder gelijktijdige
mededeling daarvan aan de indiener.
-4. Het bestuur zendt een
klaagschrift dat niet voor hem bestemd is
en dat ook niet wordt doorgezonden,
zo spoedig mogelijk terug aan
de indiener.
-5. Het bestuur kan besluiten
het klaagschrift dat niet aan
artikel 3 voldoet niet te behandelen, mits de indiener de gelegenheid
heeft gehad het klaagschrift binnen een door het bestuur te stellen termijn
aan te vullen.
-6. Het bestuur registreert
en administreert het klaagschrift en zorgt
voor een goede voortgang van de
behandeling.
Art. 7.
Geen verplichting tot
klachtbehandeling
-1. Het bestuur is niet
verplicht de klacht te behandelen indien
zij betrekking heeft op een gedraging:
a. waarover reeds eerder een
klacht is ingediend die met
inachtneming van deze regeling is afgedaan;
b. die langer dan één jaar vóór indiening van de klacht
heeft plaatsgevonden;
c. waartegen de klager
bezwaar als bedoeld in artikel 1:5,
eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan of had kunnen maken;
d. waartegen de klager
beroep als bedoeld in artikel 1:5,
derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan of had kunnen instellen;
e. die anderszins door het
instellen van een procedure aan het
oordeel van een rechterlijke
instantie kan of had kunnen worden onderworpen; of
f. zolang ter zake daarvan
een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een
vervolging gaande is, dan wel indien de
gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een
strafbaar feit en ter zake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier
van justitie of een
vervolging gaande is.
-2. Het bestuur is niet
verplicht de klacht te behandelen indien
het belang van de klager dan wel
het gewicht van de gedraging
kennelijk onvoldoende is.
-3. Van het niet in
behandeling nemen van de klacht stelt het
bestuur de klager zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen vier weken na
ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis.
Art. 8.
Gelegenheid tot horen
-1. Het bestuur stelt de
klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft in de
gelegenheid te worden gehoord.
-2. Van het horen van klager
kan worden afgezien indien de klacht
kennelijk ongegrond is dan wel indien
de klager heeft verklaard geen
gebruik te willen maken van het recht
te worden gehoord.
-3. Van het horen wordt een
verslag gemaakt.
Art. 9.
Behandeling
-1. Het bestuur handelt de
klacht af binnen zes weken of - indien aan het bepaalde in artikel
11,
eerste lid, toepassing wordt gegeven -
binnen
tien weken na ontvangst van het
klaagschrift.
-2. Het bestuur kan de
afhandeling voor ten hoogste vier weken
verdagen. Van de verdaging wordt
schriftelijk mededeling gedaan aan de
klager en degene op wiens gedraging
de klacht betrekking heeft.
-3. Wanneer de klacht een lid
van de Raad betreft, nemen alleen
de rechtsprekende leden van het bestuur aan de behandeling van de klacht
deel.
-4. Wanneer de klacht een lid
van het bestuur betreft, neemt dit
lid niet aan de behandeling van de klacht
deel.
Art. 10.
-1. Het bestuur stelt de
klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft schriftelijk en gemotiveerd in kennis van
de bevindingen van het
onderzoek naar de klacht alsmede van de
eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
-2. Indien vervolgens nog een
klacht kan worden ingediend bij een
persoon of college aangewezen om
klachten over gedragingen van de Raad te behandelen, wordt daarvan bij de kennisgeving melding
gemaakt.
Art. 11.
Klachtadviescommissie
-1. Het bestuur kan een
klachtadviescommissie met de advisering over een klacht belasten. In dat
geval zijn de artikelen 12 en 13 van
toepassing.
-2. Het bestuur benoemt
alsdan de voorzitter, de leden en de
secretaris van de klachtadviescommissie, alsmede hun plaatsvervangers.
-3. Degene op wiens gedraging
de klacht betrekking heeft,
maakt geen deel uit van de klachtadviescommissie.
-4. Indien de klacht een lid
van de Raad betreft, maken alleen
met rechtspraak belaste personen deel uit
van de klachtadviescommissie.
-5. Het bestuur kan de
klachtadviescommissie alleen algemene aanwijzingen geven.
Art. 12.
-1. Indien en zodra het
bestuur besloten heeft een
klachtadviescommissie met de advisering over de
klacht te belasten, stelt het de
klager en degene op wiens gedraging de klacht
betrekking heeft hiervan in kennis.
-2. Het horen geschiedt door
de klachtadviescommissie.
-3. De klachtadviescommissie
kan het horen aan de voorzitter of
een lid opdragen.
-4. De klachtadviescommissie
beslist over de toepassing van
artikel 8, tweede lid.
-5. De klachtadviescommissie
zendt een rapport van bevindingen,
vergezeld van het advies en eventuele
aanbevelingen, aan het bestuur.
-6. Het rapport bevat het
verslag van het horen.
Art. 13.
Indien de conclusies van het
bestuur afwijken van het advies van
de klachtadviescommissie, wordt
in die conclusies de reden voor die
afwijking vermeld en wordt het advies
meegezonden met de kennisgeving, bedoeld in artikel 10, eerste lid.
Art. 14.
Overgangsbepalingen
-1. Een klacht die na de
datum van inwerkingtreding van deze
regeling is ingediend, wordt, ook als de
gedraging waarop zij betrekking heeft
vóór 1 januari 2002 heeft plaatsgevonden, met inachtneming van deze
regeling behandeld.
-2. Een klacht die vóór de
datum van inwerkingtreding van deze
regeling is ingediend en vóór dat
tijdstip nog niet is afgehandeld, wordt
zoveel mogelijk afgehandeld op de
wijze waarop dit vóór 1 januari 2002 zou zijn geschied.
Art. 15.
Citeertitel, bekendmaking en
inwerkingtreding
-1. Deze regeling kan worden
aangehaald als: Klachtenregeling
Centrale Raad van Beroep 2005.
-2. De Klachtenregeling
Centrale Raad van Beroep 2002 wordt ingetrokken.
-3. Deze regeling wordt in de Staatscourant bekendgemaakt,
treedt in werking met ingang van de
dag na bekendmaking in de
Staatscourant en werkt terug tot en met 1
januari 2005.
TOELICHTING
[? december 2004]
Deze regeling is vastgesteld
ter uitvoering van de per 1 januari 2002 in werking getreden artikelen 3
van de Beroepswet en 26 van de Wet
op de rechterlijke organisatie. De inhoud is vrijwel gelijk aan de thans
ingetrokken Klachtenregeling Centrale
Raad van Beroep 2002. In
vergelijking met die regeling is de
huidige regeling nog meer in overeenstemming gebracht met hoofdstuk 9 van de Algemene
wet bestuursrecht. Voorts zijn enkele redactionele verbeteringen
aangebracht.
De onderhavige regeling bepaalt wie, in welke
gevallen en op welke wijze een klacht kan indienen indien hij meent van
de zijde van de Centrale Raad van Beroep
niet correct behandeld te zijn. Voorbeelden van een niet-correcte, aan
de Raad toe te rekenen, behandeling zouden in voorkomend geval kunnen
zijn slechte telefonische bereikbaarheid van de griffie, te laat
reageren op brieven, slechte toegankelijkheid van de zittingzaal,
beledigende of onheuse behandeling ter zitting. Niet geklaagd kan worden
over de inhoud, de motivering, het uitblijven van een rechterlijke
beslissing, de wijze van tot stand komen van een rechterlijke beslissing
of de in dat kader genomen beslissingen van procedurele aard (artikel
2, tweede lid). Voorts is het bestuur niet verplicht om de klacht te
behandelen als er andere mogelijkheden bestaan of hebben bestaan om
redres te vragen (zie meer gedetailleerd artikel 7,
eerste lid) of als het belang van de klager of het gewicht van de
gedraging kennelijk onvoldoende is (artikel 7, tweede
lid). Het bestuur is voor de voortgang van de klachtafhandeling
verantwoordelijk. Het zorgt ook voor de afdoening. De regeling beoogt
een laagdrempelige, niet te zware procedure in het leven te roepen.
Daarom wordt alleen een klachtadviescommissie ingeschakeld in gevallen
waarin het bestuur van oordeel is dat dit gelet op de aard van de klacht
wenselijk is (artikelen 11 tot en met 13). Bovendien
bepaalt artikel 4 dat het bestuur in iedere fase van de
behandeling van de klacht kan onderzoeken of de klager door informele
afhandeling tevreden gesteld kan worden en vervalt de verplichting tot
het verder toepassen van deze regeling zodra het bestuur naar
tevredenheid van de klager aan diens klacht is tegemoet gekomen. Nadat
het onderzoek dat ter zake van de klacht is ingesteld, is afgerond,
deelt het bestuur zijn bevindingen en de eventuele conclusies die het
aan die bevindingen verbindt, schriftelijk en gemotiveerd aan de klager
mee (artikel 10). Deze verplichting bestaat uiteraard
niet als het gaat om een klacht die ingevolge de regeling niet behandeld
behoeft te worden of als het bestuur naar tevredenheid van de klager aan
diens klacht is tegemoet gekomen.
|