|
De Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep
en het College van Beroep voor het bedrijfsleven hebben de als bijlage
aan dit besluit gehechte Procesregeling van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep
en het College van Beroep voor het bedrijfsleven 2006 (Procesregeling bestuursrechterlijke
colleges 2006) vastgesteld. De Procesregeling Afdeling
bestuursrechtspraak 2002, de Procesregeling Centrale Raad van Beroep en
de Procesregeling CBb worden met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges
2006 ingetrokken.
Den Haag/Utrecht, 19
december 2005.
Voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,
E.M.H. Hirsch Ballin, voorzitter.
Voor de Centrale Raad van Beroep,
J.G. Treffers, president.
Voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
R.R. Winter, president.
Procesregeling
van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale
Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven 2006
(Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006)
Art. 1.
Begripsbepalingen
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. college: de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep
dan
wel het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
b. appellant: de indiener
van het beroepschrift.
-2. Tenzij uit deze regeling
anders voortvloeit, wordt daarin
onder beroep mede verstaan: hoger
beroep, en onder beroepschrift mede: hogerberoepschrift.
Art. 2.
Toepassingsbereik
Deze regeling is van
toepassing op hoofdzaken in eerste en
enige aanleg en in hoger beroep, met uitzondering van:
a. zaken waarop hoofdstuk 7
van de Vreemdelingenwet
2000 van
toepassing is; en
b. tuchtzaken die worden
behandeld door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Art. 3.
Afwijking in
bijzondere omstandigheden
In geval van bijzondere
omstandigheden kan het college van deze
regeling afwijken.
Art. 4.
Verlenging
termijnen
-1. Een verzoek om verlenging
van een door het college gestelde
termijn moet worden gemotiveerd en moet binnen die termijn schriftelijk
worden ingediend.
-2. Het verzoek wordt in
ieder geval afgewezen, indien:
a. het niet is gemotiveerd;
b. het na het verstrijken
van de termijn is ontvangen; of
c. de wet of deze regeling
verlenging niet toestaat.
-3. Een volgend verzoek om
verlenging met betrekking tot dezelfde
aangelegenheid wordt in beginsel niet toegewezen.
-4. Op het verzoek om
verlenging wordt binnen één week na
de ontvangst beslist. De beslissing wordt
aan de verzoeker en bij
toewijzing zo nodig ook aan de andere
partijen schriftelijk medegedeeld.
-5. Indien het verzoek wordt
afgewezen, kan de verzoeker een laatste
termijn van één week worden gegeven om alsnog aan het gevraagde
te voldoen. Geen laatste termijn wordt
gegeven, indien:
a. het een afwijzing betreft
als bedoeld in het tweede lid; of
b. bij het stellen van de
termijn is medegedeeld dat verlenging
niet zal worden toegestaan.
Art. 5.
Bevestiging en
kennisgeving ontvangst beroepschrift (artikelen
6:14 en 8:107 Algemene wet bestuursrecht)
-1. Binnen twee weken na de
ontvangst van het beroepschrift wordt:
a. een bevestiging van de
ontvangst gezonden aan de appellant;
b. een kennisgeving van de
ontvangst gezonden aan het
bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen.
-2. Binnen vier weken na het
einde van de beroepstermijn wordt een
kennisgeving van de ontvangst van het beroepschrift gezonden aan
de andere partijen en aan de op dat
moment bij het college bekende derden-belanghebbenden.
-3. Indien het een zaak in
hoger beroep betreft, wordt binnen twee
weken na de ontvangst van het hogerberoepschrift mededeling gedaan van het ingestelde hoger beroep
aan de griffier van de rechtbank die de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
Art.
5a. Elektronisch indienen van beroepschriften, verzoeken om
voorlopige voorziening en nadere stukken (artikel
8:40a Algemene wet bestuursrecht)
Het college neemt een elektronisch ingediend beroep- of verzoekschrift
of een door een appellant of verzoeker nader ingediend elektronisch stuk
uitsluitend in behandeling indien het is ingediend via een door dat
college aangewezen webapplicatie.
Art. 6.
Griffierecht (artikelen 8:41; 8:108,
eerste lid, jo. 8:41 Algemene wet
bestuursrecht)
-1. Binnen twee weken na de
ontvangst van het beroepschrift wordt
de appellant schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier
weken te voldoen.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien het beroepschrift is
ingediend door een gemachtigde die bij het college een rekening-courant
aanhoudt en het griffierecht langs deze
weg is verrekend.
-3. Indien het beroepschrift
wordt doorgezonden aan het
bevoegde bestuursorgaan of de
bevoegde bestuursrechter, wordt geen
griffierecht geheven. Is het griffierecht
reeds betaald, dan wordt dit terugbetaald, tenzij de doorzending van
het beroepschrift plaatsvindt
nadat het college zich onbevoegd heeft
verklaard of het beroep
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Art.
7. Herstel verzuimen (artikelen 6:5 en
6:6 Algemene wet
bestuursrecht)
-1. Indien sprake is van een
verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van
de Algemene wet bestuursrecht,
geeft het college daarvan schriftelijk
kennis aan de appellant en nodigt het
deze daarbij uit het verzuim binnen vier weken te herstellen.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien de mogelijkheid om het verzuim te herstellen bij bijzondere wet
is uitgesloten.¹
1. Dit geldt in het
bijzonder voor zaken bij de Afdeling
bestuursrechtspraak waarop artikel 1.6a Crisis-
en herstelwet van toepassing is.
Art. 8.
Aantonen
vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 8:24
Algemene wet bestuursrecht)
Indien het college een
machtiging of bewijs van
vertegenwoordigingsbevoegdheid verlangt, nodigt het de gemachtigde of
vertegenwoordiger schriftelijk uit de
machtiging of het bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid binnen vier weken in te
zenden.
Art. 9.
Niet-ontvankelijkverklaring beroep (artikelen 6:6 en
8:41, vierde, vijfde en zesde lid, en 8:108,
eerste lid, jo. 8:41, vierde, vijfde en
zesde lid, Algemene wet bestuursrecht)
Niet-ontvankelijkverklaring
van het beroep wegens een verzuim
als bedoeld in de artikelen 5a, 6,
7
en 8 vindt slechts plaats, indien:
a. de uitnodiging het
verzuim te herstellen bij aangetekende brief is verzonden;
b. in de uitnodiging is
medegedeeld dat het beroep
niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde
termijn is hersteld; en
c. binnen de termijn geen
herstel heeft plaatsgevonden.
Art. 10.
Partijen (artikelen 6:4, derde lid, 6:14, tweede
lid, en 8:26, eerste lid, Algemene wet
bestuursrecht)
-1. Als partij worden in
ieder geval aangemerkt:
a. de appellant;
b. het bestuursorgaan dat
het bestreden besluit heeft genomen;
c. het bestuursorgaan dat
het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen;
d. het bestuursorgaan dat het
besluit heeft genomen waarover in administratief beroep is beslist.
-2. Indien het een zaak in
hoger beroep betreft, wordt tevens in
ieder geval de indiener van het
beroepschrift in eerste aanleg als partij
aangemerkt.
-3. Het college stelt
ambtshalve de daarvoor in aanmerking
komende bij hem bekende derden-belanghebbenden een termijn van twee weken
om kenbaar te maken of zij als partij
aan het geding willen deelnemen.
-4. Op een verzoek van een
derde om als partij aan het geding
deel te nemen, beslist het college
binnen vier weken na de ontvangst.
-5. Van een beslissing als bedoeld in het derde of vierde lid om
een derde als partij aan het geding te
laten deelnemen, kan het college op elk
moment in de procedure terugkomen.
Art. 11.
Toezending
stukken (artikelen 8:39, 8:42,
eerste lid, 8:43 en 8:58
Algemene wet bestuursrecht)
-1. Zo spoedig mogelijk nadat
is vastgesteld dat het beroepschrift
voldoet aan de bij de wet gestelde vereisten, wordt een afschrift daarvan
aan de andere partijen gezonden.
Toezending blijft achterwege, indien
aanstonds blijkt:
a. dat het beroepschrift
moet worden doorgezonden aan het
bevoegde bestuursorgaan of de
bevoegde bestuursrechter; of
b. dat de zaak in aanmerking
komt voor vereenvoudigde
behandeling wegens kennelijke
onbevoegdheid van het college of kennelijke
niet-ontvankelijkheid, kennelijke ongegrondheid of kennelijke gegrondheid
van het beroep.
-2. Bij zaken in eerste en
enige aanleg wordt binnen twee weken na
de ontvangst van de op de zaak betrekking hebbende stukken of het
verweerschrift een afschrift aan de andere
partijen gezonden, tenzij het zeer omvangrijke of moeilijk te
vermenigvuldigen stukken betreft. Indien de partijen daardoor niet in
hun belangen worden geschaad, kan de
toezending van stukken waarvan de
partijen eerder hebben kunnen kennisnemen
achterwege blijven.
-3. Bij zaken in hoger beroep
wordt aan de partijen binnen twee
weken:
a. na de ontvangst van een
verweerschrift dan wel een stuk waarin een partij een schriftelijke
uiteenzetting over de zaak geeft, een
afschrift daarvan gezonden;
b. na de ontvangst van de
stukken van de rechtbank een afschrift
van het proces-verbaal van de
zitting gezonden.
-4. Andere partijen dan de
indiener van het beroepschrift en degene
aan wie een verweerschrift is
gevraagd, worden in de gelegenheid gesteld
binnen vier weken na de uitnodiging
daartoe een schriftelijke uiteenzetting
over de zaak te geven.
-5. Indien een partij nadere
stukken indient, zendt het college
binnen twee weken na de ontvangst afschriften daarvan aan de andere
partijen.
-6. Stukken die tien dagen of minder vóór de zitting bij het
college zijn ingediend, worden
teruggezonden of ter zitting teruggegeven,
tenzij het college beslist dat deze stukken bij
de behandeling van de zaak worden betrokken.
Art. 12.
Beperking
kennisneming (artikelen 8:29, eerste,
vierde en vijfde lid, en 8:31 Algemene wet
bestuursrecht)
-1. Een mededeling van een
partij dat uitsluitend het college
kennis zal mogen nemen van stukken moet afzonderlijk en schriftelijk
worden gedaan en moet worden
gemotiveerd.
-2. Een mededeling als
bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend
betrekking hebben op stukken die de betrokken partij op grond van de wet
verplicht is aan het college over te
leggen. Een mededeling die betrekking
heeft op een onverplicht overgelegd stuk wordt niet in behandeling genomen.
Het stuk waarop dat verzoek
betrekking heeft, wordt aan de betrokken
partij teruggezonden.
-3. Indien het beroep
betrekking heeft op een besluit tot weigering
van openbaarmaking op grond van de Wet
openbaarheid van bestuur,
wordt steeds gehandeld alsof een
mededeling als bedoeld in het eerste
lid is gedaan en het college heeft beslist
dat de beperking van de
kennisneming gerechtvaardigd is.
-4. Het college beslist
binnen zes weken. De termijn vangt aan
zodra aan de in het eerste lid
gestelde eisen is voldaan en de stukken
waarop de mededeling betrekking heeft,
zijn ontvangen.
-5. De partijen worden van de
beslissing, bedoeld in het vierde lid,
schriftelijk in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de namen van de
partijen en hun vertegenwoordigers of
gemachtigden, de gronden van de
beslissing, de beslissing en de
samenstelling van de kamer van het college die de beslissing heeft genomen. Vindt de
behandeling van de zaak ter zitting
plaats binnen zes weken, dan kan de
kennisgeving ook mondeling ter zitting
worden gedaan.
-6. Indien het college heeft
beslist dat de beperking van de
kennisneming niet gerechtvaardigd is,
zendt het de stukken waarop de mededeling
betrekking heeft binnen twee weken
terug aan de betrokken partij. Het college verzoekt daarna om inzending
van de desbetreffende stukken.
Worden de stukken niet ingezonden, dan
kan het college daaruit de
gevolgtrekkingen maken die hem geraden
voorkomen.
-7. Van een eenmaal gegeven
toestemming tot kennisneming door het
college van stukken ten aanzien waarvan is beslist dat de beperking van
de kennisneming gerechtvaardigd is, kan niet worden teruggekomen.
-8. Binnen twee weken na de
verzending van de uitspraak worden de
stukken ten aanzien waarvan het college heeft beslist dat de
beperking van de kennisgeving gerechtvaardigd
is, teruggezonden aan de betrokken partij.
Art. 13.
Deskundigenonderzoek (artikelen 8:32 en 8:47
Algemene wet bestuursrecht)
-1. Indien het college de
partijen in de gelegenheid stelt om hun
wensen omtrent een deskundigenonderzoek kenbaar te maken, stelt het
daarvoor een termijn van twee weken.
-2. Het college stelt de
deskundige een termijn van ten minste vier
en ten hoogste dertien weken voor
het uitbrengen van een schriftelijk verslag van het onderzoek.
-3. Het college zendt,
behoudens toepassing van artikel 8:32 van de
Algemene wet bestuursrecht,
binnen twee weken na de ontvangst
van het verslag een afschrift
daarvan aan de partijen.
-4. Naar aanleiding van een
gemotiveerd verzoek van een partij kan
het college de termijn van vier
weken voor het naar voren brengen van
zienswijzen met betrekking tot het
verslag eenmaal met twee weken verlengen.
-5. Het college kan de
ontvangen zienswijzen binnen twee weken voor
commentaar voorleggen aan de deskundige. Aan de deskundige wordt
daarbij een termijn van ten minste
twee en ten hoogste vier weken gegeven
om zijn commentaar in te dienen.
Art. 14.
Versnelde
behandeling (artikel 8:52 Algemene wet
bestuursrecht)
-1. Een verzoek om versnelde
behandeling moet worden gemotiveerd en moet schriftelijk worden
ingediend.
-2. Binnen twee weken na de
ontvangst van het verzoek deelt het
college aan de verzoeker schriftelijk
mede of het verzoek wordt toegewezen.
-3. Bij toewijzing van het
verzoek wordt aan de partijen zo
nodig tevens bericht op welke wijze de
zaak verder wordt behandeld.
Art. 14a.
Beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit met toepassing van afdeling 8.2.4a
Algemene wet bestuursrecht (de
artikelen 8:55b tot en met 8:55e van de Algemene wet
bestuursrecht)
-1. Indien beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, behandelt het college het beroep versneld met toepassing van
artikel 8:52 van de
Algemene wet bestuursrecht. Hiervan wordt partijen mededeling gedaan in de ontvangstbevestiging onderscheidenlijk de kennisgeving, bedoeld in
artikel 6:14, eerste en tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
-2. Indien het beroepschrift niet voldoet aan de vereisten van
artikel 6:5 van de
Algemene wet bestuursrecht, stelt het college de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid het verzuim binnen twee weken te herstellen. Daarbij vermeldt het college dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.
-3. In afwijking van artikel
8:42, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
verzoekt het college het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden binnen twee weken na de verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan en een verweerschrift in te dienen. Daarbij deelt het college het bestuursorgaan mede dat indien het bestuursorgaan hieraan niet of niet geheel voldoet, op het beroep kan worden beslist op grondslag van de beschikbare stukken.
-4. Indien het college het beroep ter zitting behandelt, wordt, in afwijking van
artikel 16, eerste lid, de uitnodiging of oproeping om op een zitting te verschijnen ten minste twee weken
vóór de datum van de zitting aan partijen verzonden. Het college doet binnen twee weken na de zitting uitspraak.
-5. Binnen één week nadat een verzet gegrond is verklaard als bedoeld in
artikel 8:55e, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
geeft het college toepassing aan het vierde lid.
-6. Indien het bestuursorgaan alsnog een besluit neemt en dat aan het college heeft gezonden voordat het college uitspraak heeft gedaan, behandelt het college het beroep verder op de gewone wijze. Het college doet hiervan mededeling aan partijen.
-7. Het eerste tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien in hoger beroep moet worden beslist op een beroep tegen het uitblijven van een nieuw besluit op
bezwaar.
Art. 15.
Verzet (artikel 8:55 Algemene wet
bestuursrecht)
-1. Indien verzet is gedaan,
behandelt het college het verzet
binnen dertien weken na de ontvangst van
het verzetschrift ter zitting of doet het
binnen deze termijn zonder zitting
uitspraak. Indien de termijn niet kan worden gehaald, wordt daarvan
binnen de termijn mededeling gedaan.
-2. De uitnodiging om op de
zitting te verschijnen, wordt ten
minste drie weken tevoren bij
aangetekende brief verzonden.
Art. 16.
Onderzoek ter
zitting en heropening onderzoek (artikelen
8:56, 8:59 en
8:68 Algemene wet bestuursrecht)
-1. De uitnodiging om op de
zitting te verschijnen en de oproeping
om in persoon dan wel in persoon
of bij gemachtigde ter zitting te
verschijnen, worden zo mogelijk zes weken
tevoren bij aangetekende brief verzonden.
-2. Een verzoek om uitstel van de
behandeling ter zitting moet zo mogelijk schriftelijk, onder aanvoering
van gewichtige redenen en tijdig, worden ingediend. Onder tijdig wordt
verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo
spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel nopende omstandigheid is
gebleken.
-3. Een verzoek dat voldoet aan de in het
tweede lid omschreven voorwaarden wordt ingewilligd, tenzij het college
oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken
belangen hieraan in de weg staan. Als zwaarder wegende belangen kunnen
worden aangemerkt een voor de rechter geldende beslistermijn en het
belang bij afwijzing van het verzoek om uitstel van andere bij de
behandeling van de zaak betrokken belanghebbenden.
-4. Het college deelt partijen de
beslissing op het verzoek zo spoedig
mogelijk mede.
-5. Indien het college
besluit tot heropening van het onderzoek, wordt daarvan binnen twee weken
schriftelijk mededeling gedaan.
Art. 17.
Sluiting
onderzoek indien een (nadere) zitting
achterwege blijft (artikelen 8:57 en 8:64
Algemene wet bestuursrecht)
Indien het college, nadat de partijen daarvoor toestemming hebben
gegeven als bedoeld in artikel 8:57,
eerste lid, onderscheidenlijk artikel 8:64,
vijfde lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht,
bepaalt dat een (nadere) zitting achterwege blijft, deelt het binnen
vier weken mede dat het onderzoek wordt gesloten. Indien het college
toepassing geeft aan artikel 8:57, tweede
lid, onderscheidenlijk artikel 8:64,
vijfde lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht,
deelt het college de beslissing omtrent de sluiting van het onderzoek
aan partijen mede binnen vier weken na een omstandigheid als bedoeld in artikel
8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Art. 18.
Indiening stukken
na sluiting onderzoek
Na de sluiting van het
onderzoek ongevraagd ingediende
stukken worden geweigerd en aan de
betrokken partij teruggezonden.
Art. 19.
Uitspraaktermijn (artikel 8:66 Algemene wet
bestuursrecht)
Indien het college niet
binnen de aan de partijen medegedeelde
termijn uitspraak doet, worden de partijen hiervan in kennis gesteld. Daarbij
wordt tevens medegedeeld wanneer
uitspraak zal worden gedaan.
Art. 20.
Verstrekking
dossierstukken (artikelen 8:39 en 8:61,
derde lid, Algemene wet bestuursrecht)
-1. Een verzoek van een
partij tot het opmaken van een
proces-verbaal van de zitting moet, met
vermelding van het belang, worden
gemotiveerd.
-2. Een verzoek van een
partij om verstrekking van een dossierstuk niet
zijnde het proces-verbaal van de zitting, gedaan na de uitspraak,
wordt slechts in uitzonderlijke gevallen
toegewezen.
Art.
21. Slotbepaling
-1. Op de termijnen in deze
regeling is de Algemene
termijnenwet van
overeenkomstige toepassing.
-2. Deze regeling zal in de Staatscourant worden
geplaatst.
-3. Deze aangepaste regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2013.
-4. Deze regeling wordt
aangehaald als: Procesregeling
bestuursrechterlijke colleges 2006.
|
|