|
Regeling van de Centrale
Raad van Beroep van 22 oktober 2001, houdende richtlijnen voor de
behandeling van beroepszaken in eerste aanleg en in hoger beroep door
enkelvoudige en meervoudige kamers als bedoeld in artikel 17 en volgende
van de Beroepswet (Procesregeling Centrale Raad van
Beroep). Het
wettelijk kader voor de behandeling van (hoger)beroepszaken bij de Raad
is in hoofdzaak vervat in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en deels
in de Beroepswet (Bw).
INDEX
I. Voorfase
Artikel 1.
Ontvangstbevestiging beroepschrift, kennisgeving
beroep aan bestuursorgaan (eerste
aanleg)
Artikel 2.
Ontvangstbevestiging beroepschrift, kennisgeving
hoger beroep aan andere partij en
aan rechtbank (hoger beroep)
Artikel 3. Uitnodiging
griffierecht (eerste aanleg)
Artikel 4. Uitnodiging
griffierecht (hoger beroep)
Artikel 5. Herstel
vormverzuim (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 6. Overleggen
machtiging (eerste aanleg en hoger beroep)
II. Toezending van stukken
Artikel 7. Toezending van
stukken (eerste aanleg)
Artikel 8. Toezending van
stukken (hoger beroep)
Artikel 9. Later inzenden van
stukken (eerste aanleg en hoger
beroep)
III. Versnelde behandeling
Artikel 10. Versnelde
behandeling (eerste aanleg en hoger
beroep)
IV. Voortgang van de
procedure
Artikel 11. Bericht van
behandeling (eerste aanleg en hoger
beroep)
V. Vooronderzoek
Artikel 12. Repliek en
dupliek (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 13. Comparitie van
partijen (eerste aanleg en hoger
beroep)
Artikel 14. Schriftelijke
inlichtingen (eerste aanleg en hoger
beroep)
Artikel 15. Oproepen van
getuigen (eerste aanleg en hoger
beroep)
Artikel 16. Ambtshalve
deskundigenonderzoek (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 17.
Deskundigenonderzoek op verzoek van partijen (eerste
aanleg en hoger beroep)
Artikel 18. Onderzoek ter
plaatse (eerste aanleg en hoger
beroep)
VI. Zitting en uitspraak
Artikel 19. Verzet na
vereenvoudigde afdoening (eerste aanleg en
hoger beroep)
Artikel 20. Onderzoek ter
zitting (eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 21. Uitspraken en
heropening onderzoek (eerste aanleg en
hoger beroep)
VII. Algemene bepalingen en
slotbepalingen
Artikel 22. Uitstelbeleid
(eerste aanleg en hoger beroep)
Artikel 23.
Afwijkingsbevoegdheid (eerste aanleg en hoger
beroep)
Artikel 24. Overgangs- en
slotbepalingen (eerste aanleg en hoger
beroep)
PROCESREGELING
I. Voorfase
Art. 1.
Ontvangstbevestiging/kennisgeving (eerste aanleg)
-1. Binnen twee weken nadat
het beroepschrift bij de Raad is
ingekomen, wordt een ontvangstbevestiging gezonden aan de indiener van
het beroepschrift.
-2. Binnen twee weken nadat
het beroepschrift bij de Raad is
ingekomen, wordt een kennisgeving
daarvan gezonden aan het
bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen.
Art. 2.
Ontvangstbevestiging/kennisgeving (hoger beroep)
-1. Binnen twee weken nadat
het beroepschrift bij de Raad is
ingekomen, wordt een ontvangstbevestiging gezonden aan de indiener van
het beroepschrift.
-2. Binnen twee weken nadat
het beroepschrift bij de Raad is
ingekomen, wordt een kennisgeving
daarvan gezonden aan de andere
partij(en) bij die uitspraak.
-3. Binnen twee weken nadat
het beroepschrift bij de Raad is
ingekomen, wordt een mededeling daarvan gezonden aan de griffier van
de rechtbank die de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
Art. 3.
Uitnodiging
griffierecht (eerste aanleg)
-1. Binnen twee weken na de
ontvangst van het beroepschrift wordt
de indiener door middel van toezending
per gewone post van een
acceptgirokaart uitgenodigd het verschuldigde griffierecht per omgaande te doen
bijschrijven op de rekening van de Raad.
-2. Indien het verschuldigde
griffierecht niet binnen twee weken na de
datum van verzending van de
uitnodiging is bijgeschreven op de rekening
van de Raad dan wel ter griffie is
betaald, wordt de indiener van het beroepschrift bij
aangetekende brief uitgenodigd het
verschuldigde griffierecht binnen vier weken na
verzending te voldoen.
In die uitnodiging wordt
vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk
kan worden verklaard indien het
verschuldigde griffierecht niet binnen die
termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is
betaald.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing ten aanzien van een
beroepschrift dat is ingediend door een
gemachtigde die bij de Centrale Raad van
Beroep een rekening-courant aanhoudt
ten laste waarvan het verschuldigde
griffierecht kan worden gebracht.
-4. In afwijking van het
tweede lid wordt de in het buitenland
woonachtige belanghebbende van wie het
verschuldigde griffierecht niet binnen een termijn van vier weken na de
datum van verzending van de
uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is
betaald, bij aangetekende brief
uitgenodigd het verschuldigde griffierecht
binnen vier weken na verzending te
voldoen. In die uitnodiging wordt
vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan
worden verklaard indien het
griffierecht niet binnen die termijn is
bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.
Art. 4.
Uitnodiging
griffierecht (hoger beroep)
-1. Binnen twee weken na de
ontvangst van het beroepschrift wordt
de indiener, niet zijnde een
bestuursorgaan, door middel van toezending
per gewone post van een acceptgirokaart uitgenodigd het
verschuldigde griffierecht per omgaande te doen bijschrijven op de rekening van de
Raad.
-2. Indien het verschuldigde
griffierecht niet binnen twee weken na de
datum van verzending van de
uitnodiging is bijgeschreven op de rekening
van de Raad dan wel ter griffie is
betaald, wordt de indiener van het beroepschrift bij
aangetekende brief uitgenodigd het
verschuldigde griffierecht alsnog binnen een termijn
van vier weken na verzending te
voldoen. In die uitnodiging wordt
vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien
het verschuldigde griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op
de rekening van de Raad dan wel ter
griffie is betaald.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing ten aanzien van een
beroepschrift dat is ingediend door een
gemachtigde die bij de Centrale Raad van
Beroep een rekening-courant aanhoudt
ten laste waarvan het verschuldigde
griffierecht kan worden gebracht.
-4. In afwijking van het
tweede lid wordt de in het buitenland
woonachtige belanghebbende van wie het
verschuldigde griffierecht niet binnen een termijn van vier weken na de
datum van verzending van de
uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is
betaald, uitgenodigd het
verschuldigde griffierecht binnen vier weken na
verzending te voldoen. In die
uitnodiging wordt vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden
verklaard indien het griffierecht niet
binnen die termijn is bijgeschreven op
de rekening van de Raad dan wel ter
griffie is betaald.
-5. Indien het bestuursorgaan
dat het bestreden besluit heeft
genomen, hoger beroep heeft ingesteld
en de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt de
rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort
binnen twee weken na de datum van
verzending van de uitspraak van de Raad uitgenodigd het
verschuldigde griffierecht binnen een termijn van vier weken na de datum van
verzending van de uitnodiging te
voldoen.
Art. 5.
Herstel vormverzuim (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Indien het beroepschrift
niet voldoet aan de vereisten als bedoeld
in artikel 6:5, eerste lid,
onderdeel a, c en d, van de Awb, wordt de
indiener van het beroepschrift binnen
twee weken na de ontvangst van het
beroepschrift per gewone post uitgenodigd
het geconstateerde vormverzuim
te herstellen binnen vier weken na de dag van verzending van die
uitnodiging.
-2. Indien de indiener van
het beroepschrift niet binnen de
gestelde termijn van vier weken het
geconstateerde verzuim heeft hersteld,
wordt de indiener alsnog bij aangetekende brief een termijn van twee
weken na verzending gegeven om dit vormverzuim te herstellen. In deze
uitnodiging wordt vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard
indien het geconstateerde
verzuim niet binnen de gestelde termijn
is hersteld.
-3. In afwijking van het
tweede lid wordt aan de in het
buitenland woonachtige belanghebbenden alsnog per aangetekende brief een
termijn van vier weken na verzending
gegeven om dit verzuim te herstellen.
Art. 6.
Overleggen
machtiging (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Indien een machtiging
wordt verlangd als bedoeld in
artikel 8:24, tweede lid, van de Awb,
wordt de indiener van het
beroepschrift binnen twee weken na de ontvangst
van het beroepschrift per gewone
post uitgenodigd de verlangde machtiging
binnen vier weken na de dag van
verzending van die uitnodiging in te
zenden.
-2. Indien de indiener van
het beroepschrift niet binnen de
gestelde termijn van vier weken de
verlangde machtiging als bedoeld in
artikel 8:24, tweede lid, van de Awb heeft ingezonden, wordt hij bij aangetekende
brief uitgenodigd dit vormverzuim
binnen twee weken na verzending te
herstellen. In deze brief wordt een
waarschuwing gegeven dat niet of
niet-tijdige inzending ¹ van de verlangde
machtiging ertoe kan leiden dat het beroep op naam van de beweerdelijk
gemachtigde wordt gesteld en dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk
wordt verklaard.
-3. In afwijking van het
tweede lid wordt aan de in het
buitenland woonachtige indiener van het
beroepschrift alsnog per aangetekende
brief een termijn van vier weken na verzending gegeven om dit verzuim te
herstellen.
-4. De vorenstaande leden
zijn van overeenkomstige toepassing
op het aantonen van de bevoegdheid
van degene die als bestuurder,
dan wel in een daarmee vergelijkbare statutaire of institutionele
hoedanigheid, (hoger) beroep heeft ingesteld
namens een rechtspersoon of andere
entiteit.
1. Volgens de redactie
dient "niet of niet-tijdige inzending" te worden vervangen
door: het niet of niet tijdig inzenden.
II. Toezending van stukken
Art. 7.
Toezending van
stukken (eerste aanleg)
-1. Binnen twee weken nadat
voorlopig is geconstateerd dat het
beroepschrift voldoet aan de in de wet
gestelde vereisten, wordt een afschrift van het beroepschrift aan het bestuursorgaan
toegezonden met het verzoek
binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te
zenden alsmede binnen diezelfde termijn een verweerschrift in te dienen.
-2. Indien het bestuursorgaan
de in het eerste lid neergelegde
verplichtingen niet nakomt, wordt aan het
bestuursorgaan een laatste termijn van twee weken gegeven om alsnog zijn
verplichtingen na te komen.
-3. Komt het bestuursorgaan
de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te
zenden niet na, dan kan de Raad het bestuursorgaan oproepen om
in persoon of bij gemachtigde te
verschijnen om te worden gehoord. Indien
de oproeping van het
bestuursorgaan niet leidt tot het indienen
van de op de zaak betrekking hebbende
stukken, kan de Raad toepassing geven
aan artikel 8:31 van de Awb.
-4. Een belanghebbende als
bedoeld in artikel 8:26 van de Awb
die
als partij deelneemt aan de procedure,
wordt op grond van artikel 8:43,
tweede lid, van de Awb in de gelegenheid
gesteld binnen vier weken na de
uitnodiging daartoe een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.
-5. Van de op de zaak
betrekking hebbende stukken en/of het
verweerschrift wordt binnen twee weken na
ontvangst daarvan een afschrift aan de andere partij(en) gezonden.
Art. 8.
Toezenden van
stukken (hoger beroep)
-1. Binnen twee weken nadat
voorlopig is geconstateerd dat het
beroepschrift voldoet aan de in de wet
gestelde vereisten, wordt een afschrift van het beroepschrift aan gedaagde
toegezonden met het verzoek binnen vier weken een verweerschrift in
te dienen.
-2. Indien het bestuursorgaan
niet de verplichting nakomt om een
verweerschrift in te dienen, wordt aan het bestuursorgaan een laatste
termijn van twee weken gegeven om alsnog zijn verplichting na te
komen.
-3. Een belanghebbende als
bedoeld in artikel 8:26 van de Awb
die
als partij deelneemt aan de procedure,
wordt op grond van artikel 8:43,
tweede lid, van de Awb in de gelegenheid
gesteld binnen vier weken na de
uitnodiging daartoe een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.
-4. Binnen twee weken nadat
voorlopig is geconstateerd dat het
beroepschrift voldoet aan de in de wet
gestelde vereisten, wordt de griffier van de rechtbank
verzocht de op de zaak
betrekking hebbende stukken binnen
één week na ontvangst van de
mededeling aan de Raad te zenden.
-5. Van het verweerschrift
(en eventueel van de schriftelijke
uiteenzetting) wordt binnen twee weken na
ontvangst een afschrift daarvan aan de andere partij(en) gezonden.
Na ontvangst van de in het vierde lid
bedoelde stukken wordt binnen twee
weken een afschrift van het
proces-verbaal van de zitting bij de
rechtbank gezonden aan partijen.
Art. 9.
Later inzenden van
stukken (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Van de door een partij in
de loop van de procedure ingezonden
stukken wordt binnen twee weken na
ontvangst aan de andere partij(en) een afschrift gezonden.
-2. Stukken die niet binnen
de in artikel 8:58 van de Awb
voorgeschreven termijn van tien dagen vóór
de zitting bij de Raad zijn ingekomen,
worden buiten beschouwing gelaten indien de toelating van deze stukken
in strijd is met de goede procesorde.
-3. Stukken die worden
ingediend na de zitting, worden geweigerd
en geretourneerd.
III.
Versnelde behandeling
Art. 10.
Versnelde
behandeling (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Op een verzoek om
versnelde behandeling wordt door de Raad binnen twee weken na ontvangst
beslist.
-2. Van de beslissing van de
Raad op een verzoek om versnelde
behandeling wordt vervolgens binnen twee
weken aan partijen mededeling
gedaan. Bij de toewijzing van het
verzoek wordt aan partijen tevens bericht
op welke wijze het beroep verder
wordt behandeld.
IV. Voortgang van de
procedure
Art. 11.
Bericht van
behandeling (eerste aanleg en hoger
beroep)
Na doorzending van het
verweerschrift, dan wel indien de
gedingstukken later zijn binnengekomen
nadien, neemt de Raad binnen acht
weken een beslissing over de wijze waarop het (hoger) beroep verder
zal worden behandeld. Van deze
beslissing wordt binnen twee weken aan
partijen mededeling gedaan.
V. Vooronderzoek
Art. 12.
Repliek en
dupliek (eerste aanleg en hoger
beroep)
Indien de Raad het wenselijk
acht dat de indiener van het
beroepschrift een reactie op het
verweerschrift geeft, wordt de indiener in de
gelegenheid gesteld binnen een termijn van vier weken na de uitnodiging
daartoe van repliek te dienen. De andere
partij(en) wordt daarna in de
gelegenheid gesteld binnen vier weken na
de uitnodiging daartoe van dupliek te
dienen.
Art. 13.
Comparitie van
partijen (eerste aanleg en hoger
beroep)
De oproeping om in persoon
dan wel in persoon of bij
gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, wordt ten minste vier weken
tevoren aan de opgeroepen partij verzonden. Aan de andere partij(en)
wordt terzelfder tijd een afschrift van deze oproeping gezonden met de
mededeling dat het horen kan worden
bijgewoond en een uiteenzetting over de zaak kan worden gegeven.
Art. 14.
Schriftelijke
inlichtingen (eerste aanleg en hoger
beroep)
Indien de Raad het
noodzakelijk acht schriftelijke inlichtingen
in te winnen en/of stukken op te vragen
bij partijen en anderen, wordt een
termijn van vier weken gesteld om aan het verzoek te voldoen.
Art. 15.
Horen van
getuigen (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Indien de Raad
getuigen
oproept, deelt hij de namen en
woonplaatsen van deze getuigen, de
plaats, de dag en het tijdstip waarop zij
worden gehoord en de feiten waarop
het horen betrekking heeft ten
minste vier weken tevoren aan partijen
mee.
-2. De getuigen worden ten
minste vier weken vóór de dag waarop de
Raad hen wenst te horen,
opgeroepen.
-3. Het getuigenverhoor vindt
plaats in het openbaar, tenzij de Raad
beslist dat dit met gesloten deuren
geschiedt.
Art. 16.
Deskundigenonderzoek (ambtshalve) (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Indien de Raad
het
voornemen heeft gebruik te maken van
de bevoegdheid ingevolge artikel 8:47 van de
Awb om een deskundige
te benoemen, deelt hij dat aan
partijen mee onder toezending van de
vraagstelling. De Raad kan partijen
voorafgaande aan de benoeming van een deskundige de mogelijkheid
bieden binnen een termijn van twee weken te reageren op de
vraagstelling.
-2. Van de benoeming van een
deskundige door de Raad krijgen
partijen binnen twee weken bericht.
-3. De Raad stelt de
deskundige een termijn van maximaal drie
maanden binnen welke deze een
verslag van het onderzoek dient uit te
brengen. Indien de deskundige niet binnen
deze termijn een verslag van het
onderzoek uitbrengt, zal de Raad al
dan niet op verzoek een nadere termijn
stellen van vier weken.
In zeer uitzonderlijke
omstandigheden kan nog een nadere termijn
van vier weken worden gegeven.
-4. De Raad verzendt binnen
twee weken na ontvangst van het
verslag van de deskundige een
afschrift daarvan aan partijen, behoudens
toepassing van de bepalingen inzake
geheimhouding en beperkte kennisneming.
-5. Partijen kunnen hun
zienswijze met betrekking tot dit verslag
binnen vier weken aan de Raad kenbaar
maken. De Raad kan deze termijn
naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van één der partijen eenmaal
met twee weken verlengen. De Raad kan
de ingekomen reacties binnen
twee weken na ontvangst van die
reacties voor commentaar voorleggen
aan de deskundige. De deskundige
wordt daarbij een termijn van vier
weken gegeven om zijn commentaar
in te dienen.
-6. Partijen ontvangen binnen
vier weken nadat het onderzoek in
overeenstemming met het eerste tot en met vierde lid van dit artikel is
afgerond, nader bericht over de
verdere behandeling van het (hoger) beroep.
Art. 17.
Deskundigenonderzoek (op verzoek van partijen) (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Partijen kunnen
schriftelijk aan de Raad verzoeken om een
deskundige te benoemen. Op dit verzoek
wordt binnen twee weken na ontvangst een beslissing genomen. Deze beslissing
wordt vervolgens binnen twee
weken aan partijen medegedeeld.
-2. Indien de Raad geen
aanleiding ziet op verzoek van partij(en)
een deskundige te benoemen, krijgen
partijen bij de mededeling daarvan de
gelegenheid binnen twee weken aan de
Raad te berichten dat zij zelf een
deskundige inschakelen.
-3. Indien partijen binnen
twee weken aan de Raad berichten dat
zij zelf een deskundige inschakelen,
wordt aan hen een termijn van maximaal
drie maanden gegeven om het rapport aan de Raad toe te zenden.
Art. 18.
Onderzoek ter
plaatse (eerste aanleg en hoger
beroep)
Indien de Raad een onderzoek
ter plaatse nodig acht, wordt
van plaats en tijdstip van het
onderzoek ten minste twee weken van tevoren aan
partijen mededeling gedaan. Partijen
worden daarbij in de gelegenheid
gesteld bij dat onderzoek aanwezig
te zijn.
VI. Zitting en uitspraak
Art. 19.
Verzet na
vereenvoudigde afdoening (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Het verzet wordt
behandeld ter zitting. De uitnodiging voor de
behandeling van het verzet ter zitting
wordt in beginsel zes weken vóór de
datum van de zitting aan partijen verzonden. De behandeling van het verzet
ter zitting vindt plaats binnen drie
maanden nadat het verzet is
ingesteld, tenzij partijen wordt bericht dat
nader onderzoek vereist is.
-2. Op het verzetschrift zijn
de voorgaande bepalingen omtrent het beroepschrift voor zover
nodig van overeenkomstige toepassing.
Art. 20.
Onderzoek ter
zitting (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. In beginsel zes weken vóór de datum van de zitting wordt
de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56
van de Awb of de oproeping als
bedoeld in artikel 8:59 van de Awb
per aangetekende brief verzonden. In de
uitnodiging is de naam respectievelijk
zijn de namen van de
(behandelend) rechter(s) vermeld.
-2. Een verzoek om uitstel
van de behandeling ter zitting
dient zo spoedig mogelijk na ontvangst van de
uitnodiging te worden ingediend. Dit verzoek moet schriftelijk
worden ingediend en voorzien zijn van een
motivering. Een verzoek om uitstel dat binnen een termijn van drie
weken vóór de zitting is ontvangen,
wordt afgewezen, tenzij sprake is van een overmachtsituatie.
-3. De Raad deelt zijn
beslissing op het verzoek om uitstel aan
partijen mee binnen één week na
ontvangst van dit verzoek.
-4. Indien de Raad getuigen
oproept, deelt hij de namen en
woonplaatsen van deze getuigen, de
plaats, de dag en het tijdstip waarop zij
worden gehoord en de feiten waarop
het horen betrekking heeft,
zoveel mogelijk bij de uitnodiging of
oproeping van partijen mee.
Art. 21.
Uitspraken en
heropening onderzoek (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Indien de noodzaak
bestaat de termijn waarbinnen uitspraak wordt gedaan te verlengen, wordt
daarover binnen de termijn van zes
weken na de zitting beslist en wordt
daarvan binnen twee weken na die
beslissing mededeling gedaan aan
partijen.
-2. Indien de Raad
besluit
tot heropening van het onderzoek, wordt
door de griffier uiterlijk binnen
twee weken na het verstrijken van de
termijn als bedoeld in het eerste lid
hiervan mededeling gedaan aan
partijen.
-3. Binnen twee weken na de
datum waarop de Raad uitspraak
heeft gedaan, wordt door de
griffier een afschrift van die uitspraak
aan partijen toegezonden.
VII.
Algemene bepalingen en
slotbepalingen
Art. 22.
Uitstelbeleid (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Een verzoek om verlenging
van een door of vanwege de Raad gestelde termijn moet schriftelijk
worden ingediend en van een motivering worden voorzien.
-2. Afgewezen worden in ieder
geval niet-gemotiveerde verzoeken
en verzoeken die na het verstrijken van
de oorspronkelijke termijn zijn
ingekomen.
-3. Een tweede verzoek om
uitstel ten aanzien van dezelfde
aangelegenheid wordt in beginsel niet
gehonoreerd.
-4. Op het verzoek om uitstel
wordt binnen twee weken na
ontvangst daarvan beslist. De beslissing wordt binnen twee weken aan de
verzoeker en de andere partijen meegedeeld.
-5. Bij de mededeling, bedoeld
in het vierde lid, kan aan de
verzoeker een laatste termijn van twee
weken worden gegeven om alsnog aan het gevraagde te voldoen. Geen
laatste termijn wordt gegeven,
indien:
a. de afwijzing berust op
een grond als bedoeld in het tweede
lid;
b. de wet of deze regeling
de verzochte verlenging niet toestaat; of
c. bij het stellen van de
oorspronkelijke termijn reeds is medegedeeld
dat verlenging niet zal worden
toegestaan.
Art. 23.
Afwijkingsbevoegdheid (eerste aanleg en hoger
beroep)
Van de artikelen van deze
procesregeling kan de Raad in een bepaald
geval op grond van bijzondere
omstandigheden afwijken.
Art. 24.
Overgangs- en
slotbepalingen (eerste aanleg en hoger
beroep)
-1. Op de termijnen, genoemd
in deze procesregeling, is de Algemene
termijnenwet van toepassing.
-2. De tekst van deze
procesregeling wordt in de Staatscourant
gepubliceerd en op internet onder www.rechtspraak.nl
geplaatst. Op aanvraag
van partijen en anderen dan partijen kan de Raad
een afschrift van
deze procesregeling verstrekken.
-3. Deze procesregeling
treedt in werking met ingang van 1 januari
2002. De procesregeling is niet
van toepassing op vóór haar
inwerkingtreding bij de Raad aanhangig
gemaakte zaken.
-4. Deze regeling kan worden
aangehaald als: Procesregeling Centrale Raad van Beroep.
Deze procesregeling is
vastgesteld in de Algemene Vergadering van
de Centrale Raad van Beroep van
22 oktober 2001.
TOELICHTING
[22 oktober 2001]
Algemeen
1. De Commissie Evaluatie
Awb heeft de aanbeveling gedaan
om te komen tot een rolreglement.
Deze aanbeveling aan de
rechterlijke macht is door het kabinet onderschreven in het kabinetsstandpunt
"Evaluatie
Algemene wet bestuursrecht".
Met een brief d.d. 11 oktober 2000
van de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is een notitie
inzake termijnen voor bestuur en rechter
toegezonden (Kamerstukken II 2000, 27 461). In het kader van het project
Versterking rechterlijke organisatie
(pVRO) is een project
Bestuursrechtelijke procedure in het leven geroepen. Met
dit project wordt beoogd te
streven naar kortere procedures en naar
uniformering van uitoefening van rechterlijke bevoegdheden die de Algemene
wet bestuursrecht aan de
rechterlijke colleges toekent.
Met deze procesregeling
beoogt de Raad aan deze aanbevelingen
gehoor te geven. Bij het opstellen
van de Procesregeling Centrale Raad van Beroep is
getracht zoveel mogelijk aan te
sluiten bij de Procesregeling
bestuursrecht zoals die door de rechtbanken per
1 oktober 1999 is ingevoerd (Stcrt.
1999, 172) en nadien met ingang
van 1 oktober 2001 is gewijzigd.
Een aan die procesregeling identieke
procesregeling voor de Centrale Raad van Beroep is echter niet
mogelijk vanwege het bij de Raad voorkomende onderscheid tussen eerste aanleg en
hoger beroep, de
rechtsvormende taak van de Raad, de rolwisseling
die tussen partijen in hoger beroep kan optreden omdat het
bestuursorgaan in hoger beroep kan gaan en het
ten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht soms afwijkende procesrecht
neergelegd in de Beroepswet.
Bij de totstandkoming van
deze procesregeling is voorts
overleg gepleegd met de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College van Beroep voor
het bedrijfsleven, welke
colleges eveneens per 1 januari 2002 een
procesregeling invoeren.
2. De in de
Procesregeling Centrale Raad van Beroep neergelegde bepalingen moeten worden beschouwd als richtlijnen
voor de wijze waarop de Centrale
Raad van Beroep gebruik maakt van de
in het procesrecht neergelegde
bevoegdheden. Voor zover daarbij invulling wordt gegeven aan termijnen
waarvan de Algemene wet
bestuursrecht en de Beroepswet de invulling aan
de Raad overlaten, moeten deze
richtlijnen in beginsel als bindend worden beschouwd. De status van
richtlijn brengt echter met zich dat
daar in bijzondere gevallen door de Raad ook uitzonderingen op kunnen
worden gemaakt.
3. Deze
procesregeling
beschrijft de "gewone" procedures ter
behandeling van de hoofdzaak. Er zijn
geen richtlijnen opgesteld met betrekking tot
de behandeling van een verzoek
om een voorlopige voorziening.
Aangezien deze procedure naar haar
aard al gekenmerkt wordt door een
snelle behandeling, worden ter zake
vooralsnog geen richtlijnen opgesteld.
In procedures bij de Centrale Raad van Beroep is veelal slechts sprake van
twee partijen, te weten het
bestuursorgaan dat het bestreden besluit
heeft genomen en degene die tegen
dat besluit is opgekomen.
4. De
Procesregeling Centrale Raad van Beroep en de
daarin gehanteerde termijnen zijn
uitsluitend van toepassing op zaken
waarin na 31 december 2001 beroep of
hoger beroep is ingesteld. Hoewel
de Raad ernaar streeft
overeenkomstig de doelstelling van de Procesregeling Centrale Raad van
Beroep de behandelingsduur van de
beroepszaken terug te brengen naar één
jaar, zal zulks vooralsnog voor
het merendeel van de zaken niet mogelijk
zijn. De in het verleden ontstane
werkvoorraden beletten dat op het moment
van inwerkingtreding van de Procesregeling Centrale Raad van Beroep reeds de
gewenste maximale behandelingsduur
wordt bereikt. In een bericht van
behandeling zullen partijen worden
geïnformeerd over het moment van afdoening in de behandeling van de beroepszaak.
|