|
Bij de opstelling van de
raming van de financiële effecten is verondersteld dat vóór de beperking
van de export de omvang van de export van uitkeringen in de zin van aantallen uitkeringen en uitgekeerde bedragen
zich in komende jaren zou
ontwikkelen volgens de ramingen voor de afzonderlijke regelingen
als geheel. Dit komt erop neer dat per regeling het aandeel van de
geëxporteerde uitkeringen na 1996 gelijk wordt verondersteld aan het
aandeel van de geëxporteerde uitkeringen in het totaal in 1996.
Het overgangsrecht werkt
per regeling verschillend uit.
Bij de Anw, de AKW
en de AAW/WAO is rekening gehouden met het overgangsrecht dat
bepaalt dat personen in niet-verdragslanden die eind 1997 reeds een uitkering
hadden, deze gedurende drie jaren zullen behouden, waarna het
nieuwe recht zal gelden. Voor de nieuwe gevallen zal direct het nieuwe
recht gelden.
Bij de AOW vervalt voor
gehuwden in niet-verdragslanden na de overgangstermijn de eventuele partnertoeslag, voor de gehuwdenuitkering
zelf treden geen gevolgen
op. Bij de alleenstaanden zal de 70%-uitkering worden
vervangen door een 50%-uitkering, waarbij voor de bestaande gevallen de
uitkering nog drie jaar door zal lopen waarna het nieuwe recht zal
gelden
en voor de nieuwe gevallen direct het nieuwe recht zal gelden. Eenouder- of 90%-uitkeringen blijken in 1996 niet naar de
niet-verdragslanden te
zijn geëxporteerd.
In de Toeslagenwet
zal de
mogelijkheid van export naar het buitenland in zijn geheel vervallen,
ook naar de verdragslanden. Volgens het overgangsrecht zullen de uitkeringen die
reeds eind 1997 lopen vanaf 1999 in drie gelijke stappen worden verlaagd.
Bij de berekening van de
effecten van het overgangsrecht is rekening gehouden met het feit dat
in de overgangsperiode van drie jaren jaarlijks een bepaald deel van het
bestand uitstroomt.
Ten slotte zij nog vermeld
dat geen gedragseffecten zijn ingecalculeerd. Voorstelbaar is dat een
deel van de uitkeringsgerechtigden die nu in niet-verdragslanden wonen
naar Nederland of een verdragsland zullen verhuizen of dat in de
toekomst minder uitkeringsgerechtigden naar niet-verdragslanden
zullen emigreren. Er zijn geen indicaties voorhanden op basis waarvan deze
effecten gekwantificeerd zouden kunnen worden.
rblz.|10|
Tabel 2. Financiële
effecten van de beperking van de export van
socialeverzekeringsuitkeringen naar niet-verdragslanden, 1998-2002 (-/- =
besparing; bedragen x miljoen gulden):
|
1996 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
|
Aantal
uit-
keringen |
Jaar-
bedrag |
|
|
|
|
|
|
xxxxxxxx| |
|
Mutatie
uitkeringslasten |
| AOW
tataal ¹ |
7 925x |
86,9x |
- 3,9x |
- 6,0x |
- 8,3x |
- 38,5x |
- 38,5x |
| -
gehuwden |
3 757x |
20,4x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
| -
eenouder |
0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
| -
alleenstaand |
4 168x |
53,3x |
- 3,0x |
- 4,4x |
- 6,0x |
- 22,7x |
- 22,7x |
| -
partnertoeslagen |
1
009x |
13,2x |
- 0,9x |
- 1,6x |
- 2,3x |
- 15,9x |
- 15,9x |
| AWW/Anw |
651x |
15,1x |
- 0,8x |
- 1,8x |
- 2,9x |
- 10,5x |
- 10,5x |
| AKW |
10 730x |
22,5x |
- 1,4x |
- 9,1x |
- 16,0x |
- 22,4x |
- 22,4x |
| Volksverzekeringen |
19 306x |
124,5x |
- 6,1x |
- 17,0x |
- 27,2x |
- 71,4x |
- 71,4x |
| x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
| ZW |
0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
0,0x |
| AAW/WAO |
1 056x |
26,7x |
-
4,0x |
- 6,8x |
- 9,0x |
- 29,6x |
- 29,6x |
| TW
² |
7 130x |
42,6x |
- 1,8x |
-
16,8x |
- 29,2x |
- 40,0x |
- 40,0x |
| Werknemersverzekeringen |
8
186x |
69,3x |
- 5,8x |
- 23,5x |
- 38,2x |
- 69,5x |
- 69,6x |
| x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
| Totaal |
27 492x |
193,8x |
-
11,9x |
- 40,5x |
- 65,4x |
- 141,0x |
- 141,0x |
| |
Mutatie
uitvoeringskosten |
| Volksverzekeringen |
-
0,1x |
- 0,2x |
- 0,3x |
- 1,7x |
- 1,7x |
| Werknemersverzekeringen |
- 0,6x |
- 1,1x |
- 1,5x |
- 5,7x |
- 5,8x |
| Totaal |
- 0,7x |
- 1,3x |
- 1,8x |
- 7,4x |
- 7,5x |
| |
Mutatie totale
lasten |
| Volksverzekeringen |
-
6,2x |
- 17,2 |
- 27,5x |
- 73,2x |
- 73,2x |
| Werknemersverzekeringen |
- 6,4x |
- 24,6 |
- 39,7x |
- 75,3x |
- 75,4x |
| Totaal |
- 12,6x |
- 41,8 |
- 67,2x |
- 148,4x |
- 148,5x |
1. Het totaal aantal AOW-uitkeringen is exclusief het aantal partnertoeslagen. Deze toeslagen
komen bovenop de uitkeringen voor gehuwden. De bedragen voor de AOW zijn
wel inclusief de uitgaven voor de partnertoeslagen.
2. De bij de Toeslagenwet vermelde cijfers betreffen alle landen buiten Nederland.
Tabel 2 geeft in de
eerste twee kolommen de aantallen en bedragen die in 1996 naar niet-verdragslanden werden geëxporteerd (de laatste twee
kolommen van tabel 1);
voor de Toeslagenwet betreft het de export naar alle landen (regel TW,
kolom "buitenland totaal" uit tabel 1). In totaal was in 1996 daarmee een
bedrag van bijna ƒ194 mln aan uitkeringen gemoeid. De beperking van de
export per 1 januari 1998 leidt, bij de eerder geschetste vormgeving en
veronderstellingen, tot een besparing op de uitkeringslasten van naar
schatting bijna ƒ12 mln in 1998, oplopend naar ruim ƒ140 mln in de
structurele situatie.
Omdat minder uitkeringen
(naar het buitenland) betaald zullen worden, zullen ook de uitvoeringskosten dalen. De daling van de uitvoeringskosten
wordt geraamd op ƒ7,5 mln in de structurele situatie. Daarbij zijn de uitvoeringskosten over de
afgelopen jaren als basis genomen en is ingecalculeerd dat de
uitkeringsverstrekking naar niet-verdragslanden naar de aard duurder is
dan de gemiddelde uitkeringsverstrekking.
Eerder is al op basis van
een tentatieve berekening een besparing van ƒ10 mln op de uitkeringslasten
in de AAW/WAO geraamd en in het meerjarenbeeld
van de uitgaven in de
sociale zekerheid verwerkt.¹ Dat betekent dat de extra besparing als
gevolg van de beperking van de export van uitkeringen ten opzichte
van het meerjarenbeeld per saldo uitkomt op zo’n ƒ2,5 mln in 1998,
oplopend tot bijna ƒ140 mln in de structurele situatie.
1. Zie ook de memorie van
toelichting bij de begroting SZW 1998, Kamerstukken II
1997-1998, 25 600, hoofdstuk XV, nr.
2, blz. 32.
rblz.|11|
De opmerkingen van de
Raad van State geven aanleiding de samenhang met het reeds aan de
Tweede Kamer gezonden wetsvoorstel Remigratiewet
nog nader
te bezien [zie ook normbedragen Remigratiewet,
red.].
In tabel 2 zijn geen
bedragen met betrekking tot de remigratie-uitkeringen opgenomen, voor
zover het
betreft uitkeringen die zijn samengesteld uit een uitkering krachtens
de socialeverzekeringswetten (AOW,
AAW/WAO,
Anw) en een
remigratie-uitkering. De financiële effecten hiervan zullen nader worden onderzocht,
maar lijken vooralsnog verwaarloosbaar. Het aantal remigranten met
een dergelijke samengestelde (AAW/WAO-, Anw-, remigratie-)uitkering
buiten verdragslanden is zeer gering. Daarboven bestaat de mogelijkheid
dat met de landen waar deze personen zich bevinden nog een overeenkomst
ter zake handhaving kan worden
gesloten.
Wat dat betreft, zij erop
gewezen dat dit voorstel met de beleidsvoornemens van de regering
ter zake
het remigratiebeleid in lijn is. Het beoogt de handhaving van
de uitkeringsverstrekking in het buitenland te verenigen met het
uitgangspunt dat de wens tot remigratie niet zal worden ontmoedigd. Waar
de regering in het kader van het remigratiebeleid een faciliteit wenst te
bieden aan personen die op basis van een vrijwillige persoonlijke
en verantwoorde keuze wensen terug te keren naar hun landen van herkomst
in de vorm van bestaanszekerheid doet dit voorstel hetzelfde.
Daarbij moet recht worden gedaan aan het uitgangspunt dat
uitkeringsgerechtigden krachtens de socialeverzekeringswetgeving en
remigranten onder dezelfde voorwaarden hun recht op uitkering zullen
behouden indien zij zich buiten Nederland vestigen. Wie terugkeert
naar een herkomstland waarmee een verdrag bestaat waarin de
controle inzake de vaststelling van de rechtmatigheid voor het verlenen van
uitkeringen is vastgelegd, krijgt zijn uitkering in dat land betaald. Met die
landen waarmee een dergelijke overeenkomst nog niet bestaat, zal
gedurende de voorgestelde overgangsperiode worden onderhandeld om tot
adequate afspraken te komen.
Mijn voornemen is met
prioriteit - binnen de overgangstermijn - verdragen te wijzigen respectievelijk tot stand te brengen met landen die van
belang zijn voor het
remigratiebeleid.
In het bovenstaande is
geen premiederving in de volksverzekeringen en de uitgavenbeperking in
de AWBZ verdisconteerd. De reden daarvan is dat deze effecten reeds
zijn verwerkt in de herbezinning van het Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (hierna te noemen: KB 164 ¹ )
[zie Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1999, red.], welke aanpassing tegelijkertijd met het
onderhavige voorstel van
kracht zal worden. Dit kan als volgt worden toegelicht.
Op grond van KB 164
blijven thans bepaalde categorieën uitkeringsgerechtigden die naar het buitenland
vertrekken verzekerd voor de volksverzekeringen (waaronder de AWBZ). Over
de geëxporteerde socialeverzekeringsuitkeringen betaalt men nu premies;
op grond van de verzekering ontvangt men
met AWBZ-vergelijkbare medische zorg in het buitenland ten laste van
de AWBZ. Wanneer de socialeverzekeringsuitkeringen als gevolg van de
beperking van de export zullen vervallen, zouden over deze
uitkeringen ook geen premies volksverzekeringen meer kunnen worden geheven.
Dit zou tot premiederving in de volksverzekeringen leiden.
Als gevolg van de
herbezinning op KB 164 zal evenwel op hetzelfde moment dat de beperking
van de export van socialeverzekeringsuitkeringen ingaat, ook de
verzekering voor de volksverzekeringen worden beperkt. Deze beperking
van de verzekering leidt tot premiederving in de volksverzekeringen en tot
een uitgavenbeperking in de AWBZ. Dit zal gelden voor alle
verzekerden in het buitenland, ook voor personen met een socialeverzekeringsuitkering in niet-verdragslanden. Dit betekent dat
de beperking van de
export van uitkeringen niet tot extra premiederving rblz.|12|
in de volksverzekeringen
en uitgavenbeperking in de AWBZ zal leiden. De partiële effecten van de
beperking van de export van uitkeringen zijn reeds verdisconteerd in
de financiële effecten van de herbezinning op KB 164.
De partiële effecten als
gevolg van de beperking van de export van uitkeringen zijn overigens beperkt van omvang. De partiële premiederving
in de volksverzekeringen wordt geraamd op bijna ƒ5 mln in de structurele
situatie. Dit is relatief
laag in verhouding tot de besparing op de bruto-uitkeringen, omdat de
geëxporteerde uitkeringen gemiddeld vrij laag zijn en omdat een minderheid
van de uitkeringsgerechtigden in het buitenland verzekerd is voor de
Nederlandse sociale verzekeringen. De partiële uitgavenbeperking in de
AWBZ kan worden geraamd op ruim ƒ1,5 mln in de structurele situatie.
1. Kamerstukken II 1996-1997, 24 754, nr. 1.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Ziektewet
Artikel 19a ZW
In
artikel I wordt een
nieuw artikel 19a in de Ziektewet (ZW) geïntroduceerd. In het eerste lid is een
uitsluitingsgrond opgenomen voor het recht op ziekengeld indien de verzekerde buiten Nederland woont dan wel
langer dan drie maanden
buiten Nederland verblijft.
Voor de ZW geldt dat deze
sinds 1 maart 1996 materieel sterk aan betekenis heeft ingeboet.
Met de invoering van de Wulbz per genoemde datum komt uitsluitend
aan een beperkt aantal in de wet genoemde categorieën werknemers
ziekengeld op grond van de ZW toe (men zie artikel
29, tweede lid, ZW). Een belangrijke hoofdregel is voorts de volgende. Indien en
zolang een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met een werkgever
bestaat, kan een werknemer bij ziekte geen aanspraak maken op ziekengeld
jegens het Lisv [Landelijk
instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.]. Dit geldt ongeacht of een werknemer in het
buitenland woont of niet. Dit laatste is dan zelfs niet van belang. Voor het Lisv
telt vooreerst de vraag of betrokkene een lopende arbeidsovereenkomst
heeft; is dit het geval, dan heeft betrokkene om die reden al geen recht op
ziekengeld en komt men aan de vraag of en sinds wanneer betrokkene ziek
is of in het buitenland woont niet meer toe. Dit betekent dat, behoudens
de hierna te bespreken uitzonderingen van artikel 29a
en 29b ZW, de uitsluitingsbepaling van
artikel
19a ZW in feite
alleen werking kan hebben
voor werknemers die bij ziekte daadwerkelijk aanspraak (kunnen) hebben
op ziekengeld, te weten werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is
geëindigd.
Voor een goed begrip van
de gevolgen van de introductie van deze uitsluitingsgrond volgt
hieronder een aantal voorbeelden.
ZW-vangnetter verhuist
naar het buitenland:
rblz.|13|
Indien de verzekerde die
ziekengeld ontvangt in het buitenland gaat wonen, verliest hij het
recht op ziekengeld met ingang van de eerste dag dat hij daadwerkelijk in
het buitenland woonachtig is. Het recht op ziekengeld eindigt.
Indien betrokkene binnen het resterende tijdvak van 52 weken besluit om weer in
Nederland te gaan wonen, heeft hij aanspraak op heropening van het
recht op ziekengeld voor de resterende periode van maximaal 52 weken, te
rekenen vanaf de eerste ziektedag op grond van artikel 19a, tweede
lid (zie hieronder). Over de periode waarover betrokkene geen
ziekengeld heeft ontvangen, wordt nadien niet nog eens uitgekeerd. Artikel
29,
vijfde lid, ZW verhindert dat.
ZW-vangnetter verblijft
in het buitenland:
Indien de verzekerde die
ziekengeld ontvangt in het buitenland verblijft, behoudt hij dit recht op
ziekengeld tot de eerste dag nadat het verblijf aldaar drie maanden heeft
geduurd. Bij terugkeer naar Nederland binnen drie maanden wijzigt op
grond van dit artikel niets ten aanzien van het recht op ziekengeld.
Verzekerde wordt ziek
tijdens het verblijf in het buitenland:
Indien de verzekerde in
de eerste drie maanden van zijn verblijf in het buitenland ziek wordt,
ontstaat bij ziekmelding recht op ziekengeld in het buitenland. Dit recht
houdt betrokkene tot de eerste dag nadat drie maanden zijn verstreken
vanaf de eerste dag van zijn verblijf in het buitenland. Op dat moment
wordt betrokkene geacht in het buitenland te wonen op grond van
artikel 19a, eerste lid, tweede volzin. Het recht op ziekengeld eindigt op dat
moment. Indien betrokkene nadien terugkeert naar Nederland en het
tijdvak van 52 weken na de eerste ziektedag is nog niet verstreken, heeft
betrokkene aanspraak op heropening van het recht voor zover hij voldoet aan
de overige voorwaarden inzake het recht op ziekengeld.
Verzekerde wordt ziek
nadat het verblijf in het buitenland langer dan drie maanden heeft geduurd:
Verzekerden die langer
dan drie maanden in het buitenland verblijven worden geacht daar te
wonen. Er ontstaat indien zij na die periode ziek worden in dat geval geen
recht op ziekengeld. Wel kan er bij ziekmelding (bij het Landelijk
instituut sociale verzekeringen in Nederland) een eerste ziektedag ontstaan.
Indien betrokkene terugkeert naar Nederland, kan hij dus voor de resterende
tijd van 52 weken, te rekenen vanaf de eerste ziektedag, voor zover hij
voldoet aan de voorwaarden voor een recht op ziekengeld, dit recht nog
claimen op grond van artikel 19a, tweede lid.
Indien de verzekerde
vaker dan eenmaal per jaar in het buitenland verblijft worden deze perioden van verblijf, indien zij elkaar opvolgen met
een onderbreking van
minder dan vier weken, exclusief deze onderbrekingen, beschouwd als één
periode. Blijkt hieruit dat betrokkene langer dan drie maanden buiten
Nederland verblijft, dan eindigt zijn recht dan wel kan geen recht op
ziekengeld meer ontstaan met ingang van de eerste dag dat betrokkene langer
dan drie maanden buiten Nederland verblijft. Hij wordt dan namelijk geacht buiten Nederland te wonen.
Indien de buiten
Nederland woonachtige verzekerde terugkeert naar Nederland, dient altijd
opnieuw bezien te worden in hoeverre er sprake is van de situatie waarin
zijn recht op ziekengeld zoals dat eventueel gold voordat hij naar het
buitenland vertrok dan wel toen hij aldaar woonachtig was, heropend dan wel
toegekend kan worden. Op grond van artikel 19, eerste lid, ZW
bestaat
dan recht op ziekengeld overeenkomstig hetgeen in de ZW
is bepaald.
Indien betrokkene binnen
een termijn van 52 weken nadat de omstandigheid van ongeschiktheid van
werken zich heeft voorgedaan (de eerste ziektedag) weer gaat wonen in Nederland, bestaat aanspraak op
heropening dan wel
aanspraak op toekenning van het ziekengeld totdat deze periode is
verstreken. Aangezien de ZW niet van toepassing is op personen die in
dienstbetrekking werkzaam zijn bij het Rijk dient men voor de toepassing van het
vijfde lid, onderdeel a, met name te denken aan de gezinsleden van
vorenbedoelde personen.
Het uitsluiten van het
recht op ziekengeld zal zich met betrekking tot ZW-verzekerden die in het
buitenland wonen hoogstwaarschijnlijk niet tot nauwelijks voordoen. Om redenen van rechtsgelijkheid is desondanks een
gelijke regeling in de ZW
getroffen.
rblz.|14|
Eerste lid
In het eerste lid van
artikel 19a ZW is de uitsluitingsgrond gerealiseerd voor het recht op ziekengeld bij wonen in het buitenland. Tevens wordt
het verblijf in het
buitenland dat langer dan drie maanden duurt, gelijkgesteld met het wonen in het
buitenland. Zij die feitelijk langer dan drie maanden buiten Nederland
verblijven, onderscheiden zich niet wezenlijk van de aldaar
woonachtige.
Tweede lid
Bij terugkomst naar
Nederland wordt betrokkene weer als verzekerde aangemerkt. Vervolgens
wordt bezien of hij aanspraak heeft op toekenning of heropening
van het recht op uitkering. Daartoe geldt in elk geval de eis dat hij aan
artikel 19 ZW voldoet. Vervolgens wordt het recht beoordeeld aan de hand
van de bepalingen van de ZW. Betrokkene kan nog aanspraak hebben op
heropening dan wel toekenning van het recht op ziekengeld voor het
restant van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in artikel
29, vijfde lid,
ZW. Daarnaast bestaat voor de vrouwelijke verzekerde mogelijk nog aanspraak op
heropening dan wel toekenning bij terugkomst naar Nederland voor het
restant van de periode van ten minste zestien weken, bedoeld in artikel
29a, eerste lid, ZW, dan wel voor het restant van de periode van ten
hoogste 52 aaneengesloten weken, bedoeld in artikel 29a, zevende lid,
ZW.
In alle gevallen geldt
dat de verzekerde dient te voldoen aan de voorwaarden, genoemd in
artikel 19 ZW.
Derde lid
Dit lid is opgenomen ter
voorkoming van de situatie dat verzekerden die in het buitenland wonen,
maar langere tijd in Nederland verblijven, op grond van het eerste lid geen recht op uitkering kunnen krijgen. Indien
betrokkenen verzekerd
zijn, op grond van het zijn van werknemer in de zin van de ZW, kunnen zij
tevens in aanmerking komen voor het ontvangen van ziekengeld, ook al
wonen zij niet in Nederland.
Vierde lid
Indien het verblijf van
drie maanden wordt onderbroken door een tijdelijk verblijf in Nederland van
minder dan vier weken, wordt de voor- en naliggende periode samengeteld bij de bepaling van de periode van drie
maanden als bedoeld in
het eerste lid.
Vijfde lid, onderdeel a
De mogelijkheid wordt
geopend bij algemene maatregel van bestuur een beperkte groep van
personen aan te wijzen voor wie de uitsluitingsgrond niet zal gelden. Het gaat
hierbij om personen die in dienstbetrekking staan tot een Nederlands
publiekrechtelijk rechtspersoon.
Vijfde lid, onderdeel c
Met dit onderdeel wordt
voor het Rijk buiten Europa het exporteren van uitkeringen (in dit geval
het ziekengeld) mogelijk gemaakt voor die verzekerden die op de
Nederlandse Antillen of op Aruba verblijven. Afhankelijk van in
hoeverre de te maken handhavingsafspraken met betrokken rijksdelen van
zodanige omvang en kwaliteit zijn dat de verzekerden ook aldaar
hun uitkering kunnen (blijven) ontvangen, worden bij algemene maatregel
van bestuur regels gesteld.
rblz.|15|
Zesde lid
Dit onderdeel geeft de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de opdracht aan te geven in
welke gevallen het recht op ziekengeld in het buitenland dient te
blijven bestaan dan wel dient te ontstaan. Deze bekendmaking is echter
niet constitutief; er kunnen geen rechten worden toegekend of ontnomen die
betrokkene op grond van supranationaal dan wel internationaal recht
reeds heeft. Desalniettemin is ervoor gekozen om op grond van de
kenbaarheid van de wet het publiceren van deze landen expliciet in de wet op te
nemen. Op deze lijst van exportlanden worden, gelet op de communautaire
verplichting van het exporteren van uitkeringen, in ieder geval de overige
EU-lidstaten en de EER-staten geplaatst. Feitelijk betekent dit
een afwijking van het in het eerste lid geformuleerde exportverbod, voor
zover
het gaat om export naar landen waarmee naar het oordeel van de
minister adequate handhavingsafspraken zijn gemaakt.
Artikel
II. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A (artikel 19,
zesde lid, WAO)
Met de wijziging van
artikel 19, zesde lid, wordt voorkomen dat een persoon die enige tijd
recht op ziekengeld heeft gehad voorafgaand aan het wonen buiten
Nederland niet meer aan de vereisten voor toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
zou kunnen voldoen na
terugkeer naar Nederland.
Onderdeel B (artikel 20 WAO)
In het nieuwe
artikel 20
van de WAO wordt bepaald dat geen recht op toekenning van de
WAO-uitkering bestaat vanaf het moment dat
betrokkene buiten
Nederland woont.
Indien betrokkene
terugkeert naar Nederland, bestaat recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingeval er sprake is van
arbeidsongeschiktheid. Is er in dat geval geen
sprake van arbeidsongeschiktheid, doch die
arbeidsongeschiktheid treedt binnen vier weken op, dan bestaat alsnog recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Wat het recht op
toekenning betreft, geldt dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid
indien betrokken minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Voorts moet er sprake
zijn van het voldoen aan de vereisten voor toekenning van het recht.
Het recht kan niet eerder ingaan dan één jaar vóór de dag van de
aanvraag, hetgeen vooral van belang is voor de persoon die na ommekomst
van zijn verblijf (wonen) buiten Nederland niet onmiddellijk een
uitkeringsaanvraag doet. Verder kan geen toekenning plaatsvinden
als deze zou ingaan na de eerste dag van de maand dat betrokkene 65
jaar wordt.
Onderdeel C (artikel 43b
WAO)
Door het invoegen van het
nieuwe artikel 43b worden regels gesteld met betrekking tot de
intrekking van de WAO-uitkering. Deze intrekking vindt plaats ten aanzien van de
WAO-gerechtigde zodra hij buiten Nederland woont dan wel langer dan
drie maanden buiten Nederland verblijft. Perioden van verblijf
buiten Nederland die elkaar opvolgen met een onderbreking van minder
dan vier weken worden beschouwd als één doorlopende periode.
Onderdeel D (artikel 47a
WAO)
Indien betrokkene naar
Nederland terugkeert door hier daadwerkelijk weer te gaan wonen, bestaat
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering rblz.|16|
indien hij arbeidsongeschikt is. Hierbij is bepaald dat
als op dat moment geen
sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar daar wel sprake van is binnen
vier weken, eveneens aanspraak bestaat op heropening.
Artikel
III. Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Onderdeel A (artikel 3,
tweede lid, onderdeel c en f, WAZ)
Teneinde te voorkomen dat
iemand als gevolg van het wonen buiten Nederland zijn uitkeringsrecht verliest niet langer verzekerd is op grond
van de WAZ, waardoor hij
in een later stadium na terugkeer in Nederland geen recht op
WAZ-uitkering zou kunnen hebben, is artikel 3, tweede lid, gewijzigd. Betrokkene
wordt daarmee tijdens zijn wonen buiten Nederland als verzekerde
aangemerkt.
Onderdeel B (artikel 7a WAZ)
In het nieuwe
artikel 7a WAZ is een zelfde regeling opgenomen als in
artikel 20 van de
WAO.
Voor een toelichting kan worden verwezen naar de toelichting bij
laatstgenoemd artikel.
Onderdeel C (artikel 19a
WAZ)
Het nieuwe
artikel 19a WAZ
komt inhoudelijk overeen met artikel 43b
WAO (artikel II, onderdeel
C). Bij de toelichting op dat artikel kan worden
aangesloten, met dien verstande dat in de WAZ sprake is van eindiging en niet van intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Onderdeel D (artikel 21a
WAZ)
In
artikel 21a is een
regeling opgenomen voor heropening van de uitkering na terugkeer in
Nederland indien het eerder bestaande recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
ingetrokken is geweest in verband met het wonen buiten
Nederland.
Deze regeling komt
overeen met het nieuwe artikel 47a van de WAO. Voor een toelichting kan
worden verwezen naar de toelichting bij dat artikel onder artikel II, onderdeel
D.
Onderdeel E (artikel 22a
WAZ)
Door de overeenkomstige
toepassing van de artikelen 7a, 19a, en
21a, van de
WAZ geldt ten aanzien
van de bevallingsuitkering hetzelfde regime als voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze bepalingen zullen zich met
betrekking tot de bevallingsuitkering hoogstwaarschijnlijk niet tot nauwelijks voordoen. Om
redenen van rechtsgelijkheid is desondanks een gelijke regeling
getroffen.
Artikel
IV. Toeslagenwet
Artikel 4 TW
Hoewel door de koppeling
van het recht op toeslag aan het recht op een loondervingsuitkering
geen recht op toeslag kan ontstaan wanneer buiten Nederland geen recht op
loondervingsuitkering bestaat, wordt nu in artikel IV van deze wet in het
nieuwe artikel 4 van de Toeslagenwet expliciet een regeling opgenomen die
het exporteren van de toeslag naar het buitenland verhindert, ook
voor die situaties waarin wel recht op een loondervingsuitkering
buiten Nederland bestaat. Drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet zal de
export van de toeslag niet meer plaats rblz.|17|
kunnen vinden (zie echter
het overgangsrecht in artikel XI). Binnen de EG zal de export van toeslagen echter voorlopig worden voortgezet totdat de
verordening (EG) nr.
1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971
betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de
Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), is aangepast. Gelet op de problemen
ter zake van de handhaafbaarheid met betrekking tot de inkomenscontrole,
de financiering uit de algemene middelen en het karakter van de TW
(aanvullen tot het relevant sociaal minimum in
Nederland) zal een
uitkering op grond van de TW alleen maar in Nederland worden betaald
en dus in de toekomst altijd onder de exportbeperking dienen te
vallen.
Nadat het overgangsrecht
voor het exporteren naar landen buiten de EG is uitgewerkt en na
aanpassing van de genoemde verordening voor het exporteren naar landen binnen de EG, zal export niet meer kunnen
plaatsvinden.
Artikel
V. Algemene
Ouderdomswet
Onderdeel A (artikel 8a AOW)
en onderdeel B (artikel 9a AOW)
In
artikel V van
deze wet
worden in de artikelen 8a en 9a
van de Algemene Ouderdomswet
(AOW) een exportbeperking van het ouderdomspensioen gerealiseerd met
betrekking tot dat deel van het ouderdomspensioen dat niet dan wel slechts
met veel inspanningen buiten Nederland te controleren
valt. Onder de exportbeperking valt de toeslag van maximaal 50% van het nettominimumloon voor de jongere partner, het ongehuwdenpensioen en
het eenouderpensioen voor dat deel dat het de 50% van het
nettominimumloon overstijgt. Op deze wijze vervalt de
noodzaak voor de Sociale Verzekeringsbank om vast te stellen of de pensioengerechtigde niet
langer gehuwd is of, hetgeen in de meeste gevallen tot
handhavingsproblemen leidt, het feitelijk samenwonen, dan wel of de eventueel
aanwezige jongere partner inkomsten heeft en of er kinderen zijn waarvoor
recht op kinderbijslag bestaat. Feitelijk wordt het ouderdomspensioen van de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a
en c, van de AOW, buiten Nederland gelijkgesteld met het pensioen van de
gehuwde pensioengerechtigde, bedoeld in artikel
9, eerste lid,
onderdeel b, in samenhang met het vijfde lid, onderdeel b, van de
AOW.
Artikel
VI. Algemene
Kinderbijslagwet
Artikel 7b AKW
In
artikel VI van
deze
wet wordt in artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet de uitsluitingsgrond opgenomen voor het recht op
kinderbijslag indien de
verzekerde (de ouder/verzorger van het kind) of het kind ten gunste
waarvan het recht op kinderbijslag bestaat dan wel beiden buiten Nederland
woont respectievelijk wonen. Op deze wijze wordt nadrukkelijk
voorkomen dat de vaststelling van het recht op kinderbijslag afhankelijk
is van feiten en omstandigheden die zich buiten de landsgrenzen voordoen.
Artikel
VII. Algemene
nabestaandenwet
Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9, artikel
32a Anw
De
Anw kent drie uitkeringsvormen: de nabestaandenuitkering, de halfwezenuitkering en de
wezenuitkering. Het recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en
wezenuitkering ontstaat niet indien de rblz.|18|
nabestaande, de
nabestaande of de halfwees onderscheidenlijk het kind buiten Nederland woont.
Indien betrokkene weer in Nederland gaat wonen en hij nog volledig
aan de voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet, ontstaat recht
op uitkering. De zinsnede in het tweede lid "onverminderd artikel
15, 23, of 27" impliceert dat iemand die op één van de gronden in dat artikel
genoemd geen recht op uitkering heeft, dat recht ook niet zal hebben
na terugkeer naar Nederland. De artikelen 15,
23 onderscheidenlijk 27
staan daaraan in de weg.
Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9, artikel
32b Anw
Dit artikel heeft
betrekking op de situatie waarin het recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering reeds is
ontstaan. Dit recht zal
als gevolg van het wonen in het buitenland eindigen. Het tweede lid
doet deze uitkering herleven indien betrokkene weer in Nederland gaat
wonen.
Artikelen VIII tot en met
XIV. Overgangsbepalingen
De toepassing van
deze
wet zal pas na een periode van maximaal drie jaar leiden tot het daadwerkelijk uitsluiten van het recht op uitkering. Dit geldt
voor personen die buiten Nederland thans een uitkering ontvangen en leidt daarmee tot de
definitieve stopzetting van de uitbetaling van de uitkering indien er met
het betrokken land waarnaar de export van de uitkering tot dan toe
heeft plaatsgevonden geen verdrag is gesloten als bedoeld in bijvoorbeeld
het geïntroduceerde artikel 20, zevende lid, van de WAO
(artikel II, onderdeel B). Uitgezonderd hiervan wordt de Toeslagenwet. Het recht
op toeslag op grond van deze wet wordt over een periode van drie jaar in
drie gelijke stappen lineair afgebouwd. Het al dan niet aanwezig zijn van
een verdrag doet hieraan niets af, behoudens de verplichtingen die
voortvloeien uit de verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese
Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen,
alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG
L 149)
totdat in deze verordening de exportbeperking zal zijn bevestigd.
Uiteraard zal de stopzetting van de uitbetaling op een eerder tijdstip
plaatsvinden indien bijvoorbeeld de duur van de uitkering minder is dan drie jaar
(zie bijvoorbeeld de ZW). Het recht eindigt dan niet op grond van deze wet,
maar omdat aan andere voorwaarden voor het recht niet langer wordt
voldaan.
Artikel
XV. Invoeringswet
Pemba
Met dit artikel wordt het
overgangsrecht in de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
[aanvankelijk Invoeringswet Pemba geheten, red.] ten aanzien van de
omzetting van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet in een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in
overeenstemming gebracht met het overgangsrecht in het kader van de Wet
beperking export uitkeringen. Drie jaar na inwerkingtreding van deze
wet zal de jonggehandicapte die in een niet-verdragsland woont
zijn Wajong-uitkering verliezen.
rblz.|19|
Artikel
XVII.
[Citeertitel, red.] [zie
art. XVIII Wet
BEU, red.]
Hoewel
deze
wet voornamelijk wijzigingen aanbrengt in bestaande wetgeving, is gezien het
verwachte veelvuldig citeren van deze wet ervoor gekozen de wet een
citeertitel mee te geven.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|
|