|
BESLUIT
van 23 december 1999, houdende afwijkende regels inzake het recht op een
uitkering ten aanzien van personen die niet in Nederland wonen (Besluit
afwijkende regels beperking export uitkeringen)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 8 december 1999, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/GSV/99/78348;
Gelet op de artikelen 19a, vierde lid, van de Ziektewet,
20,
vijfde lid, en 43b,
tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 7a,
vijfde lid, en 19a,
tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, 8a,
vierde lid, en 9a,
derde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 7b,
vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet,
32a,
vijfde lid, en 32b,
vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 16
december 1999, nr. W12.99.0609/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
van 21 december 1999, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/GSV/99/81589;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Begripsbepaling
Art. 1.
Werkzaamheden in
het algemeen belang
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder werkzaamheden die in het
algemeen belang worden verricht, verstaan werkzaamheden verricht door
degene die:
a. in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke
rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige
rechtspersoon;
b. is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door de
Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met de Minister
voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen organisaties voor
ontwikkelingssamenwerking; [RaoB02] [Rao05]
[Rao11]
c. werkzaam is bij een door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen
volkenrechtelijke organisatie;
d. werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die
tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een
wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal
verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
HOOFDSTUK
2
Recht op
uitkering bij werken in het algemeen belang en het niet in Nederland
wonen
Art. 2.
Recht op
ziekengeld op grond van de Ziektewet
Artikel 19a, eerste lid, van de Ziektewet
is niet van toepassing op de
persoon die verzekerd is op grond van die wet uit hoofde van een
dienstbetrekking tot het verrichten van werkzaamheden in het algemeen
belang en zijn in hetzelfde land wonende gezinslid.
Art. 3.
Recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
In afwijking van de artikelen 20, eerste lid, en
43b,
eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
heeft de verzekerde die werkzaamheden in het algemeen belang verricht
of zijn in hetzelfde land wonende gezinslid recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken.
Art.
3a. Recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen
In afwijking van artikel 43, aanhef en onder
e, in samenhang met paragraaf 6.1
of 7.1 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen ontstaat of herleeft het recht
op een uitkering op grond van die wet dan wel
eindigt een dergelijke uitkering niet voor de verzekerde die
werkzaamheden in het algemeen belang verricht, of zijn in hetzelfde land
wonende gezinslid.
Art. 4.
Recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
In afwijking van de artikelen 7a, eerste lid, en
19a,
eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
heeft de verzekerde die werkzaamheden in het algemeen belang verricht
of zijn in hetzelfde land wonende gezinslid recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel eindigt het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet.
Art. 5.
Recht op toeslag
en de hoogte van het bruto-ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet
-1. In afwijking van artikel 8a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, recht op een
toeslag
indien hij werkzaamheden in het algemeen belang verricht.
-2. In afwijking van artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a en c, van de Algemene
Ouderdomswet,
recht op ouderdomspensioen alsof hij in Nederland woont indien hij
werkzaamheden in het algemeen belang verricht.
Art. 6.
Recht op
kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet
In afwijking van artikel 7b, eerste lid, van de
Algemene
Kinderbijslagwet heeft de
verzekerde, bedoeld in dat artikel, recht op kinderbijslag indien hij
werkzaamheden in het algemeen belang verricht en het eigen kind, het
aangehuwde kind of het pleegkind woont in hetzelfde land, Nederland of
een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.
Art. 7.
Recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering op grond van
de Algemene
nabestaandenwet
-1. In afwijking van artikel 32a, eerste lid, van de
Algemene
nabestaandenwet ontstaat voor:
a. de nabestaande, bedoeld in dat artikel, recht op
nabestaandenuitkering indien de nabestaande werkzaamheden in het
algemeen belang verricht;
b. de nabestaande, bedoeld in dat artikel, recht op
halfwezenuitkering
indien de nabestaande werkzaamheden in het algemeen belang verricht en
de halfwees woont in hetzelfde land, Nederland of een land waarin op
grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op halfwezenuitkering kan bestaan;
c. de nabestaande, bedoeld in dat artikel, recht op
halfwezenuitkering
indien de halfwees werkzaamheden in het algemeen belang verricht en de
nabestaande woont in hetzelfde land, Nederland of een land waarin op
grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op halfwezenuitkering kan bestaan;
d. het kind, bedoeld in dat artikel, recht op wezenuitkering indien het
kind werkzaamheden in het algemeen belang verricht.
-2. In afwijking van artikel 32b, eerste lid, van de
Algemene
nabestaandenwet eindigt:
a. het recht op nabestaandenuitkering niet indien de nabestaande
werkzaamheden in het algemeen belang verricht;
b. het recht op halfwezenuitkering niet indien de nabestaande
werkzaamheden in het algemeen belang verricht en de halfwees woont in
hetzelfde land, Nederland of een land waarin op grond van een verdrag
of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op
halfwezenuitkering kan bestaan;
c. het recht op halfwezenuitkering niet indien de halfwees
werkzaamheden in het algemeen belang verricht en de nabestaande woont in
hetzelfde land, Nederland of een land waarin op grond van een verdrag
of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op
halfwezenuitkering kan bestaan;
d. het recht op wezenuitkering niet indien het kind werkzaamheden in
het algemeen belang verricht.
HOOFDSTUK
3
Recht op
uitkering in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius of Saba
Art. 8.
Recht op
ziekengeld op grond van de Ziektewet
In afwijking van artikel 19a, eerste lid, van de
Ziektewet
heeft de verzekerde, bedoeld in
dat artikel, recht op ziekengeld indien deze verzekerde in Curaçao,
Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba
woont.
Art. 9.
Recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
In afwijking van de artikelen 20, eerste lid, en
43b,
eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
heeft de verzekerde, bedoeld in die artikelen, recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken indien deze verzekerde
in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba woont.
Art.
9a. Recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen
In afwijking van artikel 43, aanhef en onder
e, in samenhang met paragraaf 6.1
of 7.1 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen ontstaat of herleeft het recht
op een uitkering op grond van die wet dan wel
eindigt een dergelijke uitkering niet, indien de verzekerde in Curaçao,
Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont.
Art. 10.
Recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
In afwijking van de artikelen 7a, eerste lid, en
19a,
eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
heeft de verzekerde, bedoeld in die artikelen, recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel eindigt het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet indien deze verzekerde in Curaçao,
Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont.
Art. 11.
Recht op toeslag
en de hoogte van het bruto-ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet
-1. In afwijking van artikel 8a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, recht op een
toeslag
indien deze pensioengerechtigde in Curaçao, Sint Maarten of in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont.
-2. In afwijking van artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a en c, van de Algemene
Ouderdomswet,
recht op ouderdomspensioen alsof hij in Nederland woont indien hij in
Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba woont.
Art. 12.
Recht op
kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet
In afwijking van artikel 7b, eerste lid, van de
Algemene
Kinderbijslagwet heeft de
verzekerde, bedoeld in dat artikel, recht op kinderbijslag indien hij
dan wel het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind in
Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba woont dan wel in Nederland, of een land waarin op
grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.
Art. 13.
Recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering op grond van
de Algemene
nabestaandenwet
-1. In afwijking van artikel 32a, eerste lid, van de
Algemene
nabestaandenwet ontstaat voor:
a. de nabestaande, bedoeld in dat artikel, recht op
nabestaandenuitkering indien de nabestaande in Curaçao, Sint Maarten of
in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont;
b. de nabestaande, bedoeld in dat artikel, recht op
halfwezenuitkering
indien de nabestaande of de halfwees in Curaçao, Sint Maarten of in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont
dan wel in Nederland, of een land waarin op grond van een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op
halfwezenuitkering kan bestaan;
c. het kind, bedoeld in dat artikel, recht op wezenuitkering indien het
kind in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba woont.
-2. In afwijking van artikel 32b, eerste lid, van de
Algemene
nabestaandenwet eindigt het recht
op:
a. nabestaandenuitkering niet indien de nabestaande in
Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba woont;
b. halfwezenuitkering niet indien de nabestaande of de halfwees
in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba woont dan wel in Nederland, of een land waarin op
grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op halfwezenuitkering kan bestaan;
c. wezenuitkering niet indien het kind in Curaçao, Sint
Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont.
HOOFDSTUK
4
Recht op
uitkering op Aruba
Art. 14.
Recht op
ziekengeld op grond van de Ziektewet
In afwijking van de artikelen 19a, eerste lid, van de
Ziektewet
heeft de verzekerde, bedoeld in
dat artikel, recht op ziekengeld indien deze verzekerde op Aruba woont.
Art. 15.
Recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
In afwijking van artikel 20, eerste lid, en
artikel 43b, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
heeft de verzekerde, bedoeld in die artikelen, recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken indien deze verzekerde
op Aruba woont.
Art.
15a. Recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen
In afwijking van artikel 43, aanhef en onder
e, in samenhang met paragraaf 6.1
of 7.1 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen ontstaat of herleeft het recht
op een uitkering op grond van die wet dan wel
eindigt een dergelijke uitkering niet, indien de verzekerde op Aruba
woont.
Art. 16.
Recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
In afwijking van de artikelen 7a, eerste lid, en
19a,
eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
heeft de verzekerde, bedoeld in die artikelen, recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel eindigt het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet indien deze verzekerde op Aruba
woont.
Art. 17.
Recht op toeslag
en de hoogte van het bruto-ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet
-1. In afwijking van artikel 8a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, recht op een
toeslag
indien deze pensioengerechtigde op Aruba woont.
-2. In afwijking van artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft de
pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a en c, van de Algemene
Ouderdomswet,
recht op ouderdomspensioen alsof hij in Nederland woont indien hij op
Aruba woont.
Art. 18.
Recht op
kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet
In afwijking van artikel 7b, eerste lid, van de
Algemene
Kinderbijslagwet heeft de
verzekerde, bedoeld in dat artikel, recht op kinderbijslag indien hij
dan wel het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind op Aruba
woont dan wel in Nederland, of een land waarin op grond van een verdrag
of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op
kinderbijslag kan bestaan.
Art. 19.
Recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering op grond van
de Algemene
nabestaandenwet
-1. In afwijking van artikel 32a, eerste lid, van de
Algemene
nabestaandenwet ontstaat voor:
a. de nabestaande, bedoeld in dat artikel, recht op
nabestaandenuitkering indien de nabestaande op Aruba woont;
b. de nabestaande, bedoeld in dat artikel, recht op
halfwezenuitkering
indien de nabestaande of de halfwees op Aruba woont dan wel in Nederland, of een land waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op halfwezenuitkering kan
bestaan;
c. het kind, bedoeld in dat artikel, recht op wezenuitkering indien het
kind op Aruba woont.
-2. In afwijking van artikel 32b, eerste lid, van de
Algemene
nabestaandenwet eindigt het recht
op:
a. nabestaandenuitkering niet indien de nabestaande op Aruba woont;
b. halfwezenuitkering niet indien de nabestaande of de halfwees op
Aruba woont dan wel in Nederland, of een land waarin op grond van een
verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op
halfwezenuitkering kan bestaan;
c. wezenuitkering niet indien het kind op Aruba woont.
HOOFDSTUK
5
Slotbepalingen
Art. 20.
Tijdelijk recht
op uitkering in Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius of Saba
-1. Hoofdstuk 3 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, welk tijdstip in ieder geval niet eerder ligt dan drie jaar na
inwerkingtreding van dit besluit.
-2. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Art. 21.
Tijdelijk recht
op uitkering op Aruba
-1. Hoofdstuk 4 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, welk tijdstip in ieder geval niet eerder ligt dan drie jaar na
inwerkingtreding van dit besluit.
-2. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Art. 22.
Inwerkingtreding
-1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.
-2. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 31 december 1999, treedt het in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt het terug tot en met 1 januari 2000.
Art. 23.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit afwijkende regels beperking
export uitkeringen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 december
1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de dertigste
december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[23 december 1999]
Algemeen
Op
1 januari 2000 treedt de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) in
werking (Wet van 27 mei 1999, Stb. 1999, 250, en
Besluit van 11 juni 1999,
Stb. 1999, 251).
Op grond van de Wet BEU is
in de materiewetten de bepaling opgenomen dat bij algemene
maatregel van bestuur van de exportbeperking afwijkende regels kunnen worden gesteld ten gunste van de
verzekerde die
werkzaamheden verricht in het algemeen belang en woont buiten Nederland, dan wel
ten gunste van de verzekerde die op de Nederlandse Antillen of
Aruba woont.
Werkzaamheden verrichten in
het algemeen belang
In deze algemene maatregel
van bestuur wordt een nadere uitwerking gegeven aan het begrip
werkzaamheden verrichten in het algemeen belang.
Hij die deze werkzaamheden
verricht is ten eerste de verzekerde in dienst van de Nederlandse
overheid. Hierbij kan men denken aan de ambtenaar in dienst van het Rijk, de
provincie, de gemeente en het
waterschap.
Onder de categorie personen
die werkzaamheden in het algemeen belang verrichten, vallen ten
tweede verzekerden die werkzaamheden verrichten voor een
organisatie in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Deze organisaties worden
door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
Minister voor Ontwikkelingssamenwerking bij ministeriële regeling
aangewezen. Deze regeling zal gelijktijdig met de onderhavige algemene
maatregel van bestuur in werking treden. Ook missionarissen en
zendingswerkers die in het kader van ontwikkelingssamenwerking werkzaamheden verrichten
vallen onder deze afwijkende regeling.
Ten derde wordt degene die
wordt uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor een
volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is, dan wel waarvan de
werkzaamheden door Nederland worden ondersteund, geacht
werkzaamheden in het algemeen belang te verrichten. Deze
organisaties zijn opgenomen in de "Aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in het
buitenland" van 6 juni 1989, Stcrt. 1989, 121, laatstelijk gewijzigd bij de
regeling van 14 augustus 1992, Stcrt. 1992, 158. Deze ministeriële regeling
is door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister
van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Binnenlandse
Zaken getroffen op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van
het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 [zie Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999, red.].
Ten vierde vallen ook
verzekerden die niet rechtstreeks in dienst van de Nederlandse overheid zijn,
maar in dienst van een privaatrechtelijke rechtspersoon waarvan de werkzaamheden verricht worden in het
algemeen belang en
(grotendeels) worden gefinancierd door het Rijk, onder de afwijkende
regeling. Met werkzaamheden in het algemeen belang wordt dan gedoeld op
werkzaamheden die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in
opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke
taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel
een daarmee
gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie.
Zolang de dienstbetrekking
in stand blijft, leidt een tijdelijke onderbreking van het feitelijk verrichten
van de werkzaamheden in het algemeen belang er voor de toepassing van dit besluit niet toe dat
betrokkene niet langer
werkzaamheden in het algemeen belang verricht. Van een dergelijke
tijdelijke onderbreking kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van ziekte, verlof of
weersinvloeden.
Nederlandse Antillen en
Aruba
In de algemene maatregel van
bestuur is de bepaling opgenomen op grond waarvan de verzekerde
die op de Nederlandse Antillen en Aruba woont na inwerkingtreding van de
Wet BEU zijn recht op uitkering kan behouden.
Vanuit de doelstelling van
de Wet BEU zal met elk land waar uitkeringsrechten
kunnen ontstaan dan wel
blijven bestaan afspraken gemaakt moeten worden, wil dat recht
in stand blijven. De Wet BEU koppelt het exporteren van Nederlandse socialeverzekeringsuitkeringen aan het
sluiten van een verdrag met handhavingsafspraken. Ook voor de Nederlandse Antillen en
Aruba wil de regering dat handhavingsafspraken gemaakt worden, opdat op de
Nederlandse Antillen en Aruba socialeverzekeringsuitkeringen kunnen blijven worden
uitbetaald. Omdat het staatsrechtelijk niet
mogelijk is dat Nederland met de Nederlandse Antillen en Aruba een
verdrag sluit, kunnen dergelijke afspraken worden opgenomen in door Nederland
met de Nederlandse Antillen en Aruba te sluiten convenanten. Die
convenanten bevatten afspraken over de handhaving van uitkeringen
die vergelijkbaar zijn met de te maken verdragsafspraken ten
aanzien van andere landen. Hierbij kan men denken aan afspraken ten
behoeve van de administratieve controle van uitkeringsaanvragen en van
betaling van uitkeringen, zoals verificatie van verstrekte inlichtingen en
identificatie van de persoon van de uitkeringsgerechtigde c.q. de aanvrager van de
uitkering. Verder betreft het afspraken over de medische
controle van de uitkeringsgerechtigde, afspraken over de terug- en
invordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen en afspraken
over de inning van socialeverzekeringspremies.
Voor de Nederlandse Antillen
en Aruba is gekozen voor een tijdelijk recht op uitkering gedurende
een periode van ten minste drie jaar na inwerkingtreding van de Wet BEU.
Indien het in die periode niet mogelijk blijkt een convenant met
handhavingsafspraken te sluiten, vervalt dit recht op een uitkering op de
Nederlandse Antillen en Aruba na die periode. Na sluiting van het convenant
zal het recht op uitkering definitief worden.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1.
Begripsbepalingen
Artikel 1. Werkzaamheden in
het algemeen belang
In dit artikel is een
begripsomschrijving gegeven, zijnde een limitatieve opsomming, van werkzaamheden
die in het algemeen belang kunnen worden verricht. Bij de redactie van dit artikel is,
voor zover van
toepassing, aangesloten bij
de doelgroep van de vrijwillige verzekering werknemersverzekeringen
zoals dit bijvoorbeeld is opgenomen in artikel
81, tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Hoofdstuk 2. Het recht op
een socialeverzekeringsuitkering bij het verrichten van werkzaamheden
in het algemeen belang en het niet in Nederland wonen
Artikel 2. Recht op
ziekengeld op grond van de Ziektewet bij werken in het algemeen belang
De verzekerde die
werkzaamheden in het algemeen belang verricht en niet in Nederland woont,
heeft recht op ziekengeld indien hij ongeschikt wordt tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling.
Men kan hierbij denken aan
de volgende twee situaties:
a. Degene die in het
buitenland woont om werkzaamheden in het algemeen belang te verrichten en ongeschikt wordt voor het verrichten
van deze werkzaamheden,
krijgt op grond van de Ziektewet
recht op ziekengeld en behoudt dit
recht zolang zijn dienstbetrekking - uit hoofde waarvan hij de werkzaamheden
in het algemeen belang verricht - in stand blijft.
b. Degene die recht heeft op
ziekengeld op grond van de Ziektewet en in het buitenland gaat wonen
om aldaar werkzaamheden in het algemeen belang te gaan verrichten,
behoudt zijn recht op ziekengeld zolang zijn dienstbetrekking - uit
hoofde waarvan hij de werkzaamheden in het algemeen belang verricht - in stand blijft. Uiteraard is in deze situatie de
anticumulatiebepaling van
artikel 31 van de Ziektewet
van toepassing.
Indien het gezinslid recht
heeft op ziekengeld en de verzekerde gaat buiten Nederland wonen om
werkzaamheden in het algemeen belang te verrichten, behoudt dat gezinslid zijn recht op ziekengeld als hij
meeverhuist.
Het recht van het gezinslid
van de verzekerde op ziekengeld is gekoppeld aan het hebben van
een dienstbetrekking tot het verrichten van werkzaamheden in het algemeen belang van de verzekerde. Heeft deze
verzekerde een dergelijke dienstbetrekking, dan ontstaat ten gunste van het gezinslid (zijnde de
verzekerde die geen werkzaamheden in het algemeen belang verricht)
recht op ziekengeld dan wel blijft dat recht bestaan.
Overigens zij opgemerkt dat
de noodzaak tot het exporteren van ziekengeld niet vaak aanwezig zal zijn. Slechts in vangnetsituaties bestaat
recht op ziekengeld. In de meerderheid van de gevallen zal er sprake zijn
van het doorbetalen van het
loon, al dan niet op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek,. De Wet BEU ziet echter niet op deze loondoorbetalingsplicht van
de werkgever aangezien hier geen sprake is van een sociale verzekering,
maar van de arbeidsrechtelijke positie van betrokkene.
Artikel
3. Recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij werken in het algemeen
belang
De arbeidsongeschikten die
voor hun resterende verdiencapaciteit werkzaamheden in het
algemeen belang (blijven) verrichten, dienen - ook als zij niet in Nederland
wonen - recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend te krijgen dan wel
te behouden. Het ligt evenwel niet in de rede om ten gunste van degene die
naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering geen werkzaamheden in het
algemeen belang (meer) verricht afwijkende regels bij deze algemene
maatregel van bestuur te stellen, opdat zij dit recht op uitkering kunnen
behouden. Ten gunste van hen wordt in dit besluit dan ook geen
regeling getroffen. Zij verliezen het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan
wel er ontstaat geen recht, op het moment dat zij geen werkzaamheden
in het algemeen belang (meer) verrichten.
Voorts is het niet gewenst
dat zij die werkzaamheden in het algemeen belang verrichten, geraakt
worden door het niet ontstaan dan wel verlies van een arbeidsongeschiktheidsuitkering van
het in hetzelfde land wonende gezinslid. Heeft dat gezinslid recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
dan dient dit recht in stand
te blijven zolang de verzekerde valt onder de definitie van
het verrichten van werkzaamheden in het algemeen belang en voldoet
aan de overige voorwaarden die de wet stelt aan dit recht. Wordt het
gezinslid (dat tevens verzekerd is) arbeidsongeschikt en woont het in hetzelfde
land waarin de hier bedoelde verzekerde woont, dan dient een recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering te kunnen ontstaan.
Artikel
4. Recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering en het recht op een uitkering in verband met
bevalling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen bij werken in
het algemeen belang
De zelfstandige kan naast
zijn werkzaamheden als zelfstandige tevens werkzaamheden verrichten in
het algemeen belang. Is dit het geval, dan kan het recht op (een al dan
niet volledige) arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel het recht op uitkering in verband met bevalling ontstaan
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen. Tevens eindigt het bestaande
recht niet in het geval een persoon met een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van laatstgenoemde wet werkzaamheden in het
algemeen belang gaat verrichten en in verband daarmee in het buitenland
gaat wonen. Het voorgaande is ook van toepassing op het gezinslid
van de verzekerde.
Artikel
5. Recht op toeslag
en de hoogte van het bruto-ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet bij werken in het algemeen belang
De mogelijkheid dat
pensioengerechtigden op grond van het verrichten van werkzaamheden in het
algemeen belang het recht op toeslag en de hoogte van het recht op
ouderdomspensioen blijven behouden alsof zij in Nederland wonen, ligt op
dit
moment nog niet verankerd in de Wet BEU. Het wetsvoorstel
Wijzigingswet Wet BEU (Kamerstukken II 1999-2000, 26 812) zal hierin voorzien,
opdat de wettelijke grondslag voor de algemene maatregel van
bestuur op dit punt gelijk wordt getrokken met die in de andere socialeverzekeringswetten. Het voorgestelde
artikel 5 loopt op deze wetswijziging
vooruit.
Ook voor de
pensioengerechtigde bestaat immers de mogelijkheid dat hij naast het bestaande
recht op ouderdomspensioen werkzaamheden in het algemeen belang verricht. Is dit het geval, dan dient hij het recht op
een toeslag ten behoeve van
de jongere partner en de hoogte van het recht op ouderdomspensioen
niet te verliezen onderscheidenlijk verminderd te zien als
gevolg van het niet in Nederland wonen.
Artikel
6. Recht op
kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet bij werken
in het algemeen belang
Het recht op
kinderbijslag
is in de Wet BEU afhankelijk gesteld van zowel het verblijf
(lees:
woonland) van de verzekerde als het verblijf van het kind ten behoeve van wie
het recht op kinderbijslag bestaat. Verricht de verzekerde, niet in
Nederland, werkzaamheden in het algemeen belang op de eerste dag van het
kalenderkwartaal, dan bestaat recht op kinderbijslag indien het kind in hetzelfde
land woont als de verzekerde dan wel in Nederland, of een land
waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.
Artikel
7. Recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering op grond van
de Algemene nabestaandenwet bij werken in het algemeen belang
Recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering buiten Nederland kan ook
bestaan indien de nabestaande, de nabestaande of de halfwees onderscheidenlijk het kind werkzaamheden in
het algemeen belang
verricht. Deze situatie zal zich in de praktijk in het merendeel van de gevallen
kunnen voordoen bij de nabestaande. Niet uitgesloten kan echter
worden dat ook de halfwees of het ouderloos geworden kind dergelijke
werkzaamheden in het buitenland verricht. Is dit het geval, dan kan het recht
ontstaan dan wel wordt dit recht niet beëindigd. Daarbij geldt
voor de halfwezenuitkering nog als voorwaarde dat degene (nabestaande of
halfwees) die niet de werkzaamheden in het algemeen belang verricht,
woont in hetzelfde land als degene die die werkzaamheden verricht dan
wel in Nederland, of een land waarin op grond van een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op halfwezenuitkering
kan bestaan.
Hoofdstuk 3 en 4; de
artikelen 8 tot en met 19. Recht op een socialeverzekeringsuitkering op de Nederlandse Antillen
en op Aruba
Voor een toelichting op deze
artikelen kan verwezen worden naar de artikelen 2 tot en met
7,
met dien verstande dat het verrichten van werkzaamheden in het
algemeen belang geen voorwaarde is voor het recht op een uitkering op de
Nederlandse Antillen dan wel op Aruba, maar dat uitsluitend het wonen
aldaar bepalend is voor het bestaan van het recht. Dit alles uiteraard
onder de voorwaarde dat er een convenant met de Nederlandse Antillen dan
wel met Aruba is gesloten als bedoeld in het algemene deel van deze
toelichting. Is hiervan echter geen sprake, dan vervallen de bepalingen van
hoofdstuk 3 dan wel hoofdstuk 4 bij een koninklijk besluit te
bepalen tijdstip dat niet vóór 1 januari 2003 ligt.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen;
de artikelen 20 en 21. Tijdelijk recht op een socialeverzekeringsuitkering
op de Nederlandse Antillen en op Aruba
De hoofdstukken 3 en
4
hebben de vorm gekregen van tijdelijk recht. Het ligt niet in de bedoeling dit recht op een socialeverzekeringsuitkering
op de Nederlandse Antillen
of Aruba op voorhand als tijdelijk te typeren. Op dit moment is echter nog
niet te voorzien op welk tijdstip de voor export vereiste convenanten
tot stand komen. Zijn beide convenanten afgesloten, dan staat niets
meer aan het vervallen van deze twee artikelen in de weg en kan het
"tijdelijke" karakter van dit recht op een socialeverzekeringsuitkering
op de Nederlandse Antillen
of op Aruba worden omgezet in een meer
structureel karakter.
Artikel
22.
Inwerkingtredingsbepaling
Dit besluit dient op
hetzelfde tijdstip in werking te treden als de Wet BEU,
opdat vanaf 1 januari
2000 het recht op een socialeverzekeringsuitkering kan blijven bestaan dan
wel
kan ontstaan:
a. voor de verzekerde die in
het buitenland woont om werkzaamheden in het algemeen belang te
verrichten dan wel voor zijn in hetzelfde land wonende gezinslid; en
b. voor de verzekerde die op
de Nederlandse Antillen dan wel op Aruba woont.
Tevens is voorzien in de
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2000 in het geval dat dit besluit
onverhoopt pas na 31 december 1999 in het Staatsblad wordt geplaatst.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|