St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  BOETEN,  MAATREGELEN  EN  TERUG-  EN  INVORDERING  SOCIALE  ZEKERHEID

 

  
 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1994-1995, 23 909

Wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Het handhavingsbeleid
3 Administratief recht en strafrecht
4 Huidige wettelijke administratieve sanctiesystemen
5 Leemten in het administratief sanctiesysteem en de oplossing daarvan
6 Zelfstandig beboeten van informatiefraude
7 Verenigbaarheid met internationale verdragen
7.1 Boeten versus maatregelen
7.2 Verdragseisen
8 De herzieningsbeslissing
9 Terugvordering en invordering
9.1 Rechtsplicht tot terugvordering
9.2 Terugvorderingsgronden
9.3 Aspecten van terugvordering
9.4 Tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering
9.5 Verjaring
10 Nadere regelgeving
11 Adviezen
12 Financiële gevolgen
12.1 Algemeen
12.2 Verplichte terugvordering socialeverzekeringssector
12.3 Het opleggen van administratieve boeten
12.4 Uitvoeringskosten
12.5 Advies van de Sociale Verzekeringsraad en de Raad voor de gemeentefinanciën
12.6 Samenvattend overzicht en tijdpad
13 Uitvoering en implementatie
xArtikelsgewijs
xxxx Artikelen I t/m XVII
 

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


    

Het voorliggende voorstel van wet heeft betrekking op de nadere vaststelling van het stelsel van administratieve sancties voor alle socialezekerheidswetten die worden uitgevoerd door de bedrijfsverenigingen, Sociale Verzekeringsbank en de gemeenten. Het gaat daarbij om de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Toeslagenwet (TW), de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en de Algemene bijstandswet (Abw). Gezien de onzekerheid over vervanging van de Algemene Weduwen- en Wezenwet door de Algemene nabestaandenwet [Anw, red.] en de daarmee verband houdende Invoeringswet Anw [zie hoofdstukken 8 en 10 van de Anw, red.] is vooralsnog geen rekening gehouden met de wetgeving betreffende pensioenen aan nabestaanden. De verwachting is dat deze duidelijkheid wel tijdens de verdere voortgang van dit voorstel van wet zal ontstaan. Alsdan zal de betreffende wetgeving worden aangevuld met de in dit voorstel van wet aan de orde zijnde onderwerpen.
     Voorgesteld wordt om in het huidige sanctiesysteem onderscheid te gaan maken tussen maatregelen en boeten. De maatregelen blijven voorbehouden voor het niet nakomen van voorwaarden gericht op:
a. het vermijden van uitkeringsafhankelijkheid; en
b. een actieve opstelling tijdens de uitkering ten opzichte van de arbeidsmarkt in ruime zin, zoals het naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verwerven.
     De boete wordt geïntroduceerd voor de gevallen waarin de belanghebbende zijn rechtsplicht tot het verstrekken van alle inlichtingen die van belang kunnen zijn voor het recht op uitkering of de hoogte daarvan niet of niet behoorlijk is nagekomen. Deze plicht bestaat uit het naar waarheid beantwoorden van mondeling of schriftelijk gestelde vragen en het uit
rblz.|2| eigen beweging of desgevraagd verstrekken van correcte en relevante informatie.
     Verder wordt voorgesteld om de bevoegdheid van de uitvoeringsorganen tot het sanctioneren om te zetten in een verplichting. Ten slotte worden enige voorstellen gedaan met betrekking tot de herziening van de uitkering en de terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering, voor zover deze onderwerpen raakvlakken hebben met de introductie van het administratief boetesysteem. De verplichtstellingen betreffen de socialezekerheidswetten die worden uitgevoerd door de bedrijfsverenigingen en de Sociale Verzekeringsbank [SVB, red.]. De Abw en
Ioaw/z bevatten reeds verplichtingen tot het opleggen van maatregelen en tot terugvordering.
     Tot slot beoog ik met dit voorstel ook het invorderingsbeleid aan te scherpen.

     Met betrekking tot het boetesysteem dat al bestaat voor de heffing en inning van sociale premies zal op korte termijn een afzonderlijk wetsvoorstel worden ingediend. Hierbij zal nauw worden aangesloten bij het fiscale wetsvoorstel tot herziening van het stelsel van administratieve boeten en van het fiscale strafrecht (Kamerstukken II 1993-1994, 23 470).

     Overigens zij erop gewezen dat op 12 januari 1994 advies is uitgebracht door de commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten inzake handhaving door bestuurlijke boeten (commissie-Kortmann). Een kabinetsreactie hierop is op 1 juli jl. aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten Generaal (Kamerstukken II 1993-1994, 23 400 VI, nr. 48). Het onderhavige voorstel van wet is hiermee in overeenstemming. Tevens wordt gewerkt aan een algemene regeling voor de administratieve boete in de Algemene wet bestuursrecht (vierde tranche). Gelet op de urgentie van het onderhavige wetsvoorstel kan de totstandkoming daarvan niet worden afgewacht. Wanneer daartoe aanleiding bestaat, zullen de boetebepalingen in de socialezekerheidswetten in het licht daarvan opnieuw worden bezien.

     Omdat de nadere vaststelling van het sanctie- en terugvorderingsbeleid in het teken staat van de aanscherping van het handhavingsbeleid, zoals weergegeven in bijlage 22 bij de Miljoenennota 1993, wordt hierna in hoofdstuk 2 in het kort ingegaan op het handhavingsbeleid zoals dit thans is vormgegeven. Hierdoor wordt duidelijk welke plaats het onderhavige wetsvoorstel heeft in het handhavingsbeleid. Aansluitend wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de administratieve en strafrechtelijke handhavingsmogelijkheden in de sociale zekerheid. De toelichting spitst zich daarna in hoofdstuk 4 toe op het huidige wettelijke administratieve sanctiesysteem, in hoofdstuk 5 op de leemten daarin en de voorstellen die worden gedaan om deze leemten op te vullen. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op het zelfstandig beboeten van informatiefraude. Hoofdstuk 7 behandelt de verenigbaarheid met internationale verdragen. Hoofdstuk 8 gaat over de herzieningsbeslissing. De terug- en invordering komt in hoofdstuk 9 aan de orde. De nadere regelgeving wordt in hoofdstuk 10 behandeld. De adviezen van de Sociale Verzekeringsraad en de Raad voor de gemeentefinanciën worden aan de orde gesteld in hoofdstuk 11 en de financiële gevolgen in hoofdstuk12. Voorts is - onder meer gelet op het bijstandsakkoord tussen Rijk en VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.] - met de uitvoerders samen bezien welke uitvoeringsaspecten in het geding zijn bij het wetsvoorstel en de implementatie ervan. Ook met uitvoerders van de sociale verzekeringen is hierover contact geweest. De resultaten hiervan zijn weergegeven in hoofdstuk 13. Verder is incidenteel op een andere plaats, waar dat dienstig was, verwezen naar bedoeld overleg.

rblz.|3| 

2. Het handhavingsbeleid


     Het beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik heeft in de sociale zekerheid reeds lang een vaste plaats. Door de rapportages van de Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en Oneigenlijk gebruik [ISMO, red.] in 1982 en 1985 (Kamerstukken II 1984-1985, 17 050, nrs. 35 en 36) heeft het beleid een nieuwe impuls gekregen. Een verdienste van deze stuurgroep is dat zij de belangrijkste vormen van misbruik heeft geordend, waardoor de mogelijkheden om hierop systematisch beleid te ontwikkelen, werden vergroot. Tot op heden wordt het beleid mede gebaseerd op de bevindingen van de ISMO. Geleidelijk aan is uit deze intensivering het zogenoemde handhavingsbeleid ontstaan. Handhaving heeft een tweeledige betekenis: enerzijds (in ruime zin) wordt gedoeld op het bevorderen dat een regeling overeenkomstig haar doel en strekking wordt benut en toegepast, anderzijds (in engere zin) dat gericht wordt gezocht naar onregelmatigheden c.q. misbruik en dat waar nodig wordt opgetreden met maatregelen hiertegen. In deze memorie van toelichting spitst de handhaving zich toe op de handhaving in engere zin.

     Het kabinet heeft de aandacht voor de handhaving onlangs verder geïntensiveerd en tot speerpunt van beleid gemaakt. De inmiddels gebleken grote omvang van het misbruik heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. In het kader van de intensivering is een actiepuntenlijst opgesteld, bevattende maatregelen die moeten worden getroffen in aanvulling op en ter aanscherping van het reeds in gang gezette beleid (bijlage 22 bij de Miljoenennota 1993, Kamerstukken II 1992-1993, 22 800). Langs de lijnen van de handhavingsketen zijn knelpunten gesignaleerd en ter opheffing daarvan actiepunten geformuleerd. De actiepunten vormden de werklijst van het kabinet. Tijdens de UCV [uitgebreide commissievergadering, red.] van 8 februari 1993 (Handelingen UCV 1992-1993, nr. 14) bleek er van de zijde van het parlement grote eenstemmigheid over de voorstellen te bestaan. Aangedrongen werd op een voortvarende aanpak van alle voorgestelde maatregelen. Het kabinet geeft hieraan gevolg, onder meer door het onderhavige voorstel van wet in te dienen. Het kabinet rapporteert per jaar over de voortgang in het handhavingsbeleid. De laatste rapportage is op 21 juli 1994 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden.

     De belangrijkste uitgangspunten in het handhavingsbeleid en derhalve ook in dit voorstel van wet zijn dat misbruik moet worden voorkomen en dat het waar het zich desondanks voordoet niet mag lonen. Een adequaat sanctiebeleid kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Een dergelijk sanctiebeleid houdt in dat van de hoogte van de op te leggen sancties voldoende preventieve werking dient uit te gaan. Daarnaast moet voor de concrete toepassing de hoogte van de maatregel zijn afgestemd op de ernst en de verwijtbaarheid. Voor de betrokken uitkeringsgerechtigde zou hiervan voor de toekomst een preventieve werking moeten uitgaan. Het kabinet heeft in dit systeem leemten geconstateerd die dienen te worden opgevuld (zie hoofdstuk 5). Verdere aanscherping kan worden bereikt door de uitvoeringsorganen in alle gevallen te verplichten tot het opleggen van administratieve sancties overeenkomstig een "tariefsysteem" waarbij de hoogte van de sanctie voor de te onderscheiden vormen van verwijtbaar gedrag (zie hiervoor hoofdstuk 3) richtinggevend is vastgelegd. Verplichtstelling van terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering en regulering van de invordering kunnen een verdere aanscherping van het handhavingsbeleid betekenen.

rblz.|4| 

3. Administratief recht en strafrecht


     Adequate handhaving begint met een doelmatige controle en wordt gecompleteerd door een doeltreffend stelsel van handhavingsmiddelen waarmee op geconstateerd misbruik wordt gereageerd. De hierbij toegepaste middelen beogen degene die misbruik heeft gepleegd nadeel toe te voegen in reactie op zijn gedrag en ter voorkoming van herhaling van dergelijke feiten door hem of door anderen. Op het gebied van de sociale zekerheid kan op misbruik veelal zowel administratief- als strafrechtelijk worden gereageerd. Onder misbruik wordt in dit verband verstaan: het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van een sociale uitkering als gevolg van het mondeling of schriftelijk verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen dan wel het ten onrechte in het geheel niet verstrekken van inlichtingen aan een uitvoeringsorgaan sociale zekerheid.
     Voor de goede orde zij hier vermeld dat in dit wetsvoorstel geen aandacht wordt besteed aan de concentratie van strafbaarstelling van frauduleuze gedragingen. Deze wijziging volgt een afzonderlijk wetgevingstraject (Kamerstukken II 1991-1992, 21 186 en 22 300, VI, nr. 35).
     Inmiddels is een voorstel van wet ter zake ter advisering voorgelegd aan de Raad van State [zie Wet concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen, red.].

     Een analyse van de administratieve en strafrechtelijke handhavingsmogelijkheden en met name van de aanwezige tekorten is gegeven in de nota "Aspecten van rechtshandhaving op het gebied van de sociale zekerheid" (Kamerstukken II 1991-1992, 22 457, nrs 1 en 2). Deze nota gaat in op de handhaving in enge zin: het voorkomen, opsporen en waar nodig sanctioneren van onrechtmatigheden. In dat kader wordt ingegaan op de administratief- en strafrechtelijke handhavingsmogelijkheden en de afstemming tussen beide onderwerpen. De nota merkt hierover het volgende op: "De socialezekerheidsregelingen waarvoor de basis reeds lang geleden is gelegd, zijn maatschappelijk aanvaard. Deze aanvaarding kan echter alleen dan blijvend worden verzekerd indien ook aan de handhaving van de sociale zekerheid adequate aandacht wordt besteed en daarmee verzekerd is dat de met de regeling beoogde doeleinden worden bereikt. De instanties die zijn belast met de uitvoering van de socialezekerheidsregelingen hebben dan ook tot taak zorgvuldig na te gaan of aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een uitkering is voldaan en of aan de bijkomende, op de uitkeringsgerechtigden en premieplichtigen rustende verplichtingen is voldaan, dit - voor zover voor de uitvoering van belang - om te kunnen vaststellen of het juiste bedrag aan premies is betaald en of de uitkering kan worden verstrekt dan wel gecontinueerd. Bij de constatering van onregelmatigheden moet onverwijld gebruik worden gemaakt van de ter beschikking staande instrumenten. Deze instrumenten kunnen in de administratieve sfeer oplopen van een enkele mondelinge of schriftelijke waarschuwing tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering, oplegging van administratieve sancties in de premie- en uitkeringssfeer, navordering van niet-afgedragen premies. Komt de zaak in het strafrechtelijk traject, dan zijn daar in oplopende zwaarte de instrumenten voorwaardelijk sepot, transactie, vervolging en berechting, uitmondend in oplegging door de rechter van één der in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht genoemde straffen." Over de administratieve sancties wordt opgemerkt dat een tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke weigering van uitkering de passende reactie van een uitvoeringsorgaan is op geconstateerde niet-nakoming van de informatieverplichting. Sancties dienen voldoende zwaar te zijn en in hoogte in verhouding te staan tot de strafrechtelijke afdoening van dit soort delicten.

     rblz.|5| Gegeven het ruime en deels onderling overlappende arsenaal aan handhavingsmiddelen en de leemten in het administratiefrechtelijke traject (zie hierover hoofdstuk 5) is het noodzakelijk gebleken het administratiefrechtelijk en strafrechtelijk traject op elkaar af te stemmen en nadere invulling te geven aan het ultimum-remediumkarakter van het klassieke strafrecht. Hiertoe is de Richtlijn voor het doen van aangifte of het opmaken van proces-verbaal ter zake van fraude met sociale uitkeringen in het leven geroepen. Recentelijk is deze richtlijn opnieuw vastgesteld (Stcrt. 31, 15 februari 1993). Hierbij is het door het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS) uitgevoerde evaluatieonderzoek naar toepassing van de vorige richtlijnen uit 1987 betrokken ("Afhandeling van uitkeringsfraude", Nijmegen 1992). Het gaat hierbij in het bijzonder om de vraag in welke gevallen de uitvoeringsorganen sociale zekerheid bij het openbaar ministerie aangifte moeten doen van een strafbaar feit. Algemene uitgangspunten zijn dat administratiefrechtelijke en strafrechtelijke handhaving complementair zijn ten opzichte van elkaar, dat het strafrecht wordt aangemerkt als sluitstuk in de handhavingsketen en dat cumulatie van administratief recht en strafrecht moet worden voorkomen. De primaire verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige en doelmatige uitvoering van de sociale zekerheid berust bij de uitvoeringsorganen sociale zekerheid. Deze organen beschikken over mogelijkheden om op de naleving van de regelgeving toe te zien en de handhaving met corrigerende maatregelen gestalte te geven. De Richtlijn socialezekerheidsfraude is in werking getreden op 1 april 1993.

     Vanzelfsprekend moet de aandacht van de uitvoering primair zijn gericht op het voorkomen van misbruik. Daartoe zullen frequent controles moeten plaatsvinden met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkeringen. Recente ontwikkelingen met betrekking tot de verruiming van de mogelijkheden voor uitkeringsinstanties om gegevens die van belang zijn voor het uitkeringsproces met elkaar te vergelijken, zijn hierbij ten zeerste van belang. Als het misbruik op deze wijze niet kan worden voorkomen, moet het streven erop zijn gericht het misbruik in een zo vroeg mogelijk stadium te ontdekken. Toepassing van de strafbepalingen blijft als ultimum remedium gereserveerd voor de zwaarste gevallen van misbruik. Thans wordt hiervoor de in de voornoemde richtlijn vastgelegde ondergrens van ƒ12 000,- aangehouden. Over zaken waarin fraude tussen ƒ6000,- en ƒ12 000,- aan de orde is, worden afspraken gemaakt tussen uitvoering en openbaar ministerie. Hierbij wordt de prioriteit bepaald aan de hand van een aantal vastgelegde criteria waaruit de ernst van het feit kan worden afgeleid. Dit betekent dat alle zaken met een lager fraudebedrag dan ƒ12 000,- moeten kunnen worden afgedaan met een administratieve sanctie.

     Resumerend komt de richtlijn in hoofdlijnen op het volgende neer. Misbruik met een geldelijk nadeel tot ƒ6000,- wordt in principe steeds administratief afgedaan. Bedraagt het geldelijk nadeel ƒ12 000,- of meer dan is in principe steeds een strafrechtelijke reactie geïndiceerd. Tussen ƒ6000,- en ƒ12 000,- leidt misbruik tot strafrechtelijke of administratiefrechtelijke interventie naargelang de in onderling overleg tussen uitvoering en openbaar ministerie vastgestelde prioriteit. Hiertoe wordt een prioriteitenlijst gehanteerd. Voor zover misbruik is gepleegd met een zekere listigheid of indien sprake is van recidive, is strafrechtelijke vervolging op zijn plaats.
     De hiervoor beschreven taakafbakening tussen administratief- en strafrecht is geheel in lijn met het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid inzake rechtshandhaving (Den Haag, 1988). In dit rapport wordt aangegeven dat onder meer op het terrein van inkomens- en vermogensoverdracht, waartoe de sociale zekerheid kan worden gerekend, waar mogelijk en noodzakelijk, de bestuurlijke handhaving
rblz.|6| moet worden versterkt door het sanctiearsenaal uit te breiden met maatregelen die gemakkelijker te hanteren zijn dan de strafrechtelijke maatregelen.

 

4. Huidige wettelijke administratieve sanctiesystemen


     Een administratieve sanctie kan worden omschreven als een maatregel die wordt genomen bij het verlenen van een uitkering naar aanleiding van verwijtbaar handelen of nalaten van de aanvrager in de periode voorafgaande aan de aanvrage, alsmede het verwijtbaar handelen of nalaten van de ontvanger van de uitkering tijdens de uitkeringsperiode. Een administratieve sanctie heeft tot doel:
- verwijtbaar handelen/nalaten te voorkomen; de mogelijkheid tot het toepassen van sancties weerhoudt betrokkenen van een dergelijk handelen of nalaten (preventieve werking);
- verwijtbaar handelen of nalaten te straffen (corrigerende werking);
- het rechtmatig gebruik van uitkeringen te waarborgen, zodat de gemeenschap bereid is en blijft om de betreffende wetten en regelingen in stand te houden (solidariteit).
     Vrijwel alle socialezekerheidswetten kennen thans één of meer sanctiebepalingen. De mogelijkheden per wet verschillen soms aanzienlijk. Soms houdt dit verband met de voorwaarden en voorschriften die veelal per wet verschillen. Soms zijn die verschillen inhoudelijk niet te verklaren. Zo kan in een aantal volksverzekeringen de schending van de informatieverplichting niet met een administratieve sanctie worden afgedaan. Ook bestaat er nog een verschil in die zin dat in de meeste wetten wordt gesproken over het weigeren van (een deel van) de uitkering, terwijl in de WAO/AAW wordt gesproken over het buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid. Dit voorstel van wet strekt er mede toe de sanctiebepalingen en, waar nodig, de inlichtingenverplichtingen te harmoniseren.
     De sanctiebepalingen laten zich als volgt categoriaal beschrijven:


a. De werknemersverzekeringen

     De huidige sanctiebepalingen in de werknemersverzekeringen (ZW, WAO en WW) kunnen worden onderscheiden in drie groepen. De eerste groep is die betreffende overtreding van regels die erop gericht zijn de bedrijfsvereniging in staat te stellen zo voortvarend mogelijk de juiste uitkeringsrechten vast te stellen en waar nodig te herzien. Onder deze categorie valt bijvoorbeeld de informatieverplichting. Wie uitkering heeft of heeft aangevraagd, moet desgevraagd of eigener beweging alles melden dat, naar hem redelijkerwijze duidelijk moet zijn, van invloed kan zijn op het recht op uitkering of de hoogte ervan. Deze verplichting slaat bijvoorbeeld op het genieten van loon naast de uitkering. Ook valt hieronder de verplichting zich binnen een bepaalde termijn tot de bedrijfsvereniging te wenden met een uitkeringsverzoek en, voor wat betreft de ZW en de WAO, op de daartoe aangegeven plaats voor geneeskundig onderzoek te verschijnen en de in dat kader gevraagde informatie te verschaffen. De tweede groep is die betreffende overtreding van bepalingen die gericht zijn op beperking van de instroom. Zo mag het, in algemene termen geformuleerd, betrokkene niet kunnen worden verweten dat hij een beroep op de uitkering moet doen. De derde groep wordt gevormd door de sancties op overtreding van bepalingen die op uitstroom gerichte verplichtingen inhouden. Overtreding kan leiden tot het langer voortduren van de uitkering dan feitelijk noodzakelijk is. Dergelijke verplichtingen kunnen voor wat betreft de ZW en de WAO worden gevonden in het verbod de genezing te belemmeren of geneeskundige voorschriften naast zich neer te leggen. Voor wat de WW betreft, gaat het erom dat men actief naar passend werk op zoek gaat en, in meer rblz.|7| algemene zin, dat betrokkene het niet verkrijgen van zulk werk niet kan worden verweten. De TW en de AAW, die in feite tot de volksverzekeringen worden gerekend, hebben een sanctiesysteem dat vergelijkbaar is met de werknemersverzekeringen.


b. De volksverzekeringen

     In vergelijking met de ZW, de WAO en de WW is het huidige, in de volksverzekeringen (AOW en AKW) opgenomen stelsel van sanctiebepalingen duidelijk summierder van opzet. Een verklaring hiervoor kan worden gevonden in het feit dat de inkomensvervangende volksverzekeringen niet, zoals de hierboven genoemde werknemersverzekeringen, beogen het arbeidsinkomen te beschermen, doch voorzien in genormeerde uitkeringen op minimumniveau. Verder speelt de aard van de regelgeving een rol. Waar ingevolge de loondervingsverzekeringen betrokkene zich moet inspannen voor een zo snel mogelijke hervatting van arbeid, kan dit uiteraard niet gelden voor de AOW.


c. De sociale voorzieningen (Abw,¹ Ioaw en Ioaz)

     Eén van de wezenskenmerken van de heringerichte Abw (hAbw) ¹ is de afstemming van de bijstand op de feitelijke behoefte in het individuele geval. In artikel 13 hAbw is deze afstemming uitdrukkelijk geformuleerd als opdracht aan burgemeester en wethouders. Deze fijnafstemming van de bijstand heeft ook betrekking op de aan de bijstand te verbinden verplichtingen. De verplichtingen die aan de bijstand kunnen worden verbonden, zijn voornamelijk opgenomen in een apart hoofdstuk. Dit hoofdstuk VIII is onverdeeld in twee paragrafen. In de eerste paragraaf zijn een aantal bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het opleggen van verplichtingen, het afzien van het opleggen van één of meer verplichtingen en het verlenen van tijdelijke ontheffing van één of meer verplichtingen. Daarnaast bevat deze paragraaf enkele specifieke verplichtingen, zoals het instellen van een verzoek tot alimentatie en het meewerken aan het doorbetalen van bepaalde vaste lasten. In de tweede paragraaf zijn de verplichtingen opgenomen ter bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, zoals het naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en het meewerken aan een noodzakelijke scholing of opleiding. Verder zijn nog enkele verplichtingen te vinden buiten hoofdstuk VIII, zoals de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot gegevens die van belang kunnen zijn voor het beoordelen van het recht op en de hoogte van de bijstand (artikel 73 [64]) en de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen voor degene van wie de gemeente te veel of ten onrechte verleende bijstand terugvordert (artikel 92 [86]).

1. Redactie: Omdat in het verdere verloop van het origineel van deze memorie van toelichting de afkortingen ABW, Abw en hAbw willekeurig door elkaar worden gebruikt, hetgeen tot verwarring kan leiden aangezien bijna altijd de Wet van 12 april 1995, houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Algemene bijstandswet) (Stb. 1995, 199) wordt bedoeld, hanteert de redactie consistent de afkorting ABW voor de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) en hAbw voor de Algemene bijstandswet (Stb. 1995, 199).

     De gevolgen van het niet nakomen van de verplichtingen zijn terug te vinden in artikel 14 hAbw. Burgemeester en wethouders stellen de bijstand volgens artikel 14 hAbw in elk geval op een lager bedrag vast, indien:
a. de belanghebbende in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking;
b. gedragingen van de belanghebbende in strijd met de op grond van artikel 76 [65+69] en hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichtingen daartoe aanleiding geven;
c. de door de belanghebbende op grond van artikel 76 [65+69] verstrekte gegevens onjuist blijken te zijn.
     Indien het niet nakomen van de verplichtingen heeft geleid tot het betalen van geheel of gedeeltelijk te veel aan bijstand, is er aanleiding voor
rblz.|8| terugvordering van de bijstand. Gelet op de formuleringen van de sanctie- en terugvorderingsbepalingen is er sprake van dwingende bepalingen.
     In de
Ioaw en Ioaz zijn soortgelijke bepalingen opgenomen, ook met een verplichtend karakter.

 

5. Leemten in het administratief sanctiesysteem en de oplossing daarvan


     Er worden in de nota "Aspecten van rechtshandhaving op het gebied van de sociale zekerheid" twee categorieën leemten geconstateerd:
1. een aantal wetten mist de mogelijkheid om geconstateerde informatiefraude administratief af te doen; en
2. voor zover deze mogelijkheid wel bestaat, vindt deze zijn beperking in het feit dat sancties doorgaans slechts kunnen worden toegepast op lopende uitkeringen.
     Deze leemten waren al eerder geconstateerd door de Sociale Verzekeringsraad en het College Algemene Bijstandswet in 1987. Deze instanties adviseerden desgevraagd over de hernieuwde vaststelling van de richtlijnen socialezekerheidsfraude in 1987. Omdat destijds de grens voor vervolging op ƒ1200,- was gesteld, betrof de leemte een betrekkelijk gering aantal gevallen. Thans is echter deze grens aanzienlijk opgetrokken en is de noodzaak tot opvulling nadrukkelijk aanwezig.

     In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het ITS-onderzoek inzake de afhandeling van uitkeringsfraude (Kamerstukken II 1991-1992, 17 050, nr. 152) heeft de Minister van Justitie dan ook, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de uitbreiding van het administratieve sanctie-instrumentarium aangehaald als noodzakelijke intensivering van de handhavingsplanning van de uitvoerende instanties.

     Waar in de wet wel de mogelijkheid bestaat tot administratieve sanctionering kan deze doorgaans slechts worden benut in de gevallen waarin ondanks de informatiefraude de uitkering toch nog kan worden gecontinueerd. Administratieve sancties worden immers ten uitvoer gelegd op de nog lopende uitkeringen. Indien bijvoorbeeld op 1 februari wordt ontdekt dat gedurende het gehele daaraan voorafgaande jaar verdiensten hebben bestaan van ƒ300,- per maand die niet zijn opgegeven aan de uitkeringsinstantie, wordt uiteraard het gehele ten onrechte betaalde bedrag teruggevorderd en daarnaast wordt de uitkering aan de nieuwe omstandigheden aangepast met tevens toepassing van een procentuele tijdelijke korting op deze uitkering. Het verwijtbare gedrag in het verleden heeft zijn financiële gevolg in de toekomst. In dit voorbeeld is het echter ook denkbaar dat de procentuele korting over reeds verstrekte uitkering wordt toegepast en eveneens leidt tot terugvordering. De administratieve sanctionering mondt op deze wijze ook uit in een terugvordering.
     De op de beschreven wijze terugwerkende administratieve sanctionering kent echter een beperking. Indien immers de verstrekte uitkeringen volledig ten onrechte zijn betaald en worden teruggevorderd, ontbreekt de ruimte voor sanctionering met terugwerkende kracht. In de verstrekte uitkeringen zit immers geen ruimte meer om de sanctie te kunnen ten uitvoer leggen. Deze leemte wordt opgevuld door invoering van een administratieve boete. De boete kan worden opgelegd ongeacht het feit of nog uitkering wordt verleend en ongeacht de hoogte van de ten onrechte betaalde uitkering.

     Waar in het vorenstaande melding is gemaakt van het niet of niet behoorlijk nakomen van de informatieverplichting heeft in grote lijnen de financiële benadeling van het uitvoeringsorgaan dan wel de niet geslaagde pogingen hiertoe centraal gestaan, zoals het niet opgeven van verdiensten. Omdat in de praktijk is gebleken dat zich ook laakbare rblz.|9| gedragingen, bestaande uit pogingen tot benadeling, voordoen die niet tot financieel nadeel leiden, is ook de niet geslaagde poging vatbaar voor het opleggen van een boete. De voorgestelde wettekst omvat ook deze mogelijkheid. Te denken valt aan het nalaten de juiste inkomsten op te geven, hetgeen door het uitvoeringsorgaan is ontdekt vóór het betaalbaar stellen van de uitkering.

     Een ander aspect op grond waarvan aanscherping van de sanctiepraktijk noodzakelijk is, is dat soms in gevallen waarin een sanctie kan worden opgelegd, dit om onbekende redenen achterwege blijft. Dit zou kunnen worden veroorzaakt door het feit dat er sprake is van een discretionaire bevoegdheid van de uitvoering. Aanknopingspunten voor deze conclusie kunnen worden gevonden in het rapport van de Sociale Verzekeringsraad "Tussen schroom en daad", het meergenoemde onderzoek van het ITS "Afhandeling van uitkeringsfraude" en het onderzoek naar het sanctiebeleid WW, eveneens verricht door de Sociale Verzekeringsraad (1992). Deze onderzoeken zijn gericht op het sanctiebeleid van de uitvoeringsorganen, zij het dat de eerstgenoemde onderzoeken een wijdere strekking hebben. Gebleken is dat sancties niet optimaal worden benut. Een adequaat handhavingsbeleid vergt evenwel dat dit in principe wel het geval is. Derhalve wordt voorgesteld de uitvoeringsorganen bij geconstateerde verwijtbaarheid te verplichten tot oplegging van sancties (maatregelen of boete). Beoogd wordt hierdoor een sluitend sanctiesysteem te creëren.

 

6. Zelfstandig beboeten van informatiefraude


     Alle socialezekerheidswetten kennen in enigerlei vorm het gebod voor uitkeringsgerechtigden om het uitvoeringsorgaan desgevraagd of eigener beweging op de hoogte te stellen van alle feiten of omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van hun uitkering. Naast deze verplichting tot informatieverschaffing zijn in de socialezekerheidswetgeving andere verplichtingen geformuleerd die samenhangen met het verzekerde risico of de relevante omstandigheid. In het vorige hoofdstuk is hierop uitgebreid ingegaan.

     Schending van de informatieplicht is een ander soort normovertreding dan niet-naleving van de met het risico samenhangende normen. Hierop passen dan ook verschillende soorten sancties: een veelal sterk op de herinschakeling in de arbeid gerichte sanctie voor de niet-naleving van de laatstgenoemde normen, terwijl op schending van de informatieplicht meer een sanctie past met een punitief karakter. Daarom wordt hier voorgesteld om de schending van de informatieplicht voorwerp te laten zijn van een daartoe te introduceren administratieve boete. Voor de duidelijkheid zij vermeld dat de benadelingshandeling in de huidige sanctiebepalingen (artikel 25 WW) een tweeledig karakter kan hebben. Enerzijds kan het bestuur van de bedrijfsvereniging worden benadeeld doordat op een daartoe bestemd formulier onjuiste gegevens zijn verstrekt, anderzijds kan benadeling ontstaan doordat bijvoorbeeld een te korte opzegtermijn bij ontslag is gehanteerd, waarmee de uitkeringsgerechtigde heeft ingestemd. Met het oog op de duidelijkheid is de laatstbedoelde categorie die betrekking heeft op de met het verzekerd risico samenhangende normoverschrijding ondergebracht in artikel 24 WW. Ter voorkoming van samenloop is daaraan toegevoegd dat onder benadeling in de zin van dit artikel niet is begrepen de schending van de informatieverplichting. Deze valt daardoor uitsluitend onder artikel 25.

     Het voorgaande rechtvaardigt op zichzelf reeds de loskoppeling van de informatiefraude van de schending van andere in de socialezekerheidswetten rblz.|10| genoemde normen. Daarnaast zijn er andere redenen. Het gemaakte onderscheid tussen de hier te introduceren administratieve boete en de maatregelen die de uitvoeringsorganen kunnen nemen bij niet-naleving van de met het risico samenhangende normen is ook van belang voor de eisen en waarborgen die in de context van de mensenrechtenverdragen aan de oplegging van een boete of maatregel worden gesteld. In hoofdstuk 7 wordt uiteengezet waarom naar mijn oordeel de administratieve maatregelen in de sociale zekerheid in tegenstelling tot de administratieve boete niet kunnen worden aangemerkt als straf of strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.] en artikel 14 IVBPR [Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, red.].

     Vele - niet alle - schendingen van de in de socialezekerheidswetten opgenomen informatieverplichtingen zijn strafbaar gesteld. Theoretisch is het derhalve denkbaar dat het openbaar ministerie (OM) in al deze zaken tot vervolging overgaat. Zoals in de nota "Aspecten van de rechtshandhaving in de sociale zekerheid" al uiteen is gezet, is de handhaving evenwel een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bestuurlijke en justitiële overheden. Strafrechtelijke interventie dient daarom gezien te worden als het sluitstuk van een effectieve administratieve uitvoering en handhaving. Het optreden van de justitiële organen vormt een complement op dat van de bestuurlijke. De bestuurlijke organen moeten dan ook de handhaving met corrigerende maatregelen gestalte kunnen geven. Het strafrecht dient te worden gereserveerd voor de ernstige gevallen.

     Het instrumentarium dat de uitvoeringsorganen sociale zekerheid ter beschikking staat, moet vanzelfsprekend adequaat zijn. Zo moeten zij in staat zijn om aan alle kleinere gevallen van informatiefraude thans overeenkomstig de Richtlijn socialezekerheidsfraude te stellen op gevallen van fraude beneden ƒ12 000,- het hoofd te bieden. Ten aanzien van het huidige sanctiearsenaal is in het vorige hoofdstuk reeds geconstateerd dat dat niet in alle gevallen uitkomst biedt. Met name in de situatie dat achteraf moet worden vastgesteld dat de betrokken informatiefraudeur nimmer een uitkering had mogen krijgen, moet in de huidige constellatie worden volstaan met een zuiver herstel van de rechtmatige toestand, i.e. herziening van de toekenning tot nihil tot en met de ingangsdatum van die toekenning en terugvordering van de daardoor ten onrechte genoten uitkering. Naast deze zuivere reparatie is er geen ruimte voor het opleggen van een straf, een op het toevoegen van leed gerichte reactie. Mede om deze lacune op te vullen, wordt hier voorgesteld te komen tot de introductie van een zelfstandig, dus naast of los van de terugvordering, op te leggen boete.

     Het onderscheid tussen de zelfstandige boete voor informatiefraude en de administratieve maatregelen bij het niet naleven van de overige normen is ook gemaakt met het oog op toepasselijkheid van de beslagvrije voet. Bij de invordering van de administratieve boete geniet de betrokkene, evenals bij de inning van andere boeten (zoals verkeers- en fiscale boeten) en overige vorderingen, de bescherming van de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d Rv [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.]. Deze bescherming geldt niet ingeval de betrokkene de overige aan de uitkering verbonden verplichtingen niet nakomt en als gevolg daarvan een maatregel krijgt opgelegd. Als ook in die situatie betrokkene een beroep zou kunnen doen op de beslagvrije voet, zou een basisinkomen worden gecreëerd van 90% van het sociaal minimum. Betrokkene zou er dan voor kunnen kiezen om geen op de arbeidsinschakeling gerichte activiteiten meer te ontwikkelen, omdat hij toch grotendeels recht zou blijven behouden op uitkering. De mate waarin betrokkene voldoet aan de op de (her)inschakeling in de arbeid gerichte voorwaarden vormt een onderdeel van de vaststelling van rblz.|11| betrokkenes recht op uitkering. Als betrokkene die voorwaarden niet of niet voldoende nakomt, betekent dit dat zijn recht dienovereenkomstig wordt verminderd.

     Samenvattend kunnen er vier redenen genoemd worden voor het zelfstandig beboeten van informatiefraude:
1. het ligt niet voor de hand om overtreding van een algemene rechtsnorm als de (algemene) informatieplicht te verbinden met overtreding van veel specifiekere, op de uittreding uit de uitkering en over het voorkomen van intreding gerichte gedragingen;
2. het verdient uit een oogpunt van duidelijkheid, ook in de context van de mensenrechtenverdragen, aanbeveling om de sanctie op het schenden van de informatieplicht herkenbaar te maken als een sanctie met een punitief karakter en haar qua benaming en overige kenmerken als een op het klassieke strafrecht georiënteerde leedtoevoeging te presenteren met de benaming: boete;
3. de uitvoeringsorganen sociale zekerheid hebben naast de justitiële organen een eigen verantwoordelijkheid in de handhaving;
4. de bestaande leemte in de situatie waarin de overtreder niet langer uitkering geniet en de enkele terugvordering van de ten onrechte genoten uitkering als een inadequate reactie op zijn informatiefraude moet worden gezien, moet met behulp van een zelfstandig op te leggen boete worden opgevuld.

     De administratieve boete die in geval van misbruik wordt opgelegd, komt bovenop de terugbetalingsverplichting. De vraag kan worden opgeworpen of deze cumulatie effectief is. Invordering is echter minder problematisch dan het lijkt, omdat:
a. zolang de betrokkene nog uitkering ontvangt het uitvoeringsorgaan tot verrekening van het aan administratieve boete verschuldigde bedrag kan overgaan;
b. als de betrokkene geen uitkering meer ontvangt, die verrekening niet meer mogelijk is, maar daar staat tegenover dat:
- de beschikking waarin de administratieve boete is opgenomen direct een voor tenuitvoerlegging vatbare titel oplevert; het uitvoeringsorgaan hoeft dus niet nog eens apart naar de rechter toe, zoals nu nog het geval is bij terugvordering; hiermee wordt een tijdwinst bereikt van enkele maanden, die al kan worden gebruikt voor inningsactiviteiten;
- de betrokkene in veel gevallen geen uitkering meer ontvangt als gevolg van andere inkomsten, die vaak hoger zullen zijn dan de voor hem of haar geldende bijstandsnorm. De beslagmogelijkheden zijn in die gevallen dus vergroot;
- het opleggen van de administratieve boete is beperkt voor de fraudegevallen tot ƒ12 000,-; de administratieve boete zal in veel gevallen de terugbetalingsperiode niet in verregaande mate verlengen.

 

7. Verenigbaarheid met internationale verdragen


7.1. Boeten versus maatregelen


     Bij bestudering van het verschijnsel boete enerzijds en dat van de administratieve maatregelen in de sociale zekerheid anderzijds kan de vraag opkomen of niet de tweede categorie evenals de eerste moet worden beschouwd als straf of strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Deze vraag is van belang omdat deze verdragsbepalingen een aantal rechten toekennen aan degene tegen wie een strafvervolging ("criminal charge") wordt ingesteld. In geval van een boete is sprake van een strafvervolging. Voor de beantwoording van de vraag of in geval van een maatregel sprake is van een strafvervolging, is het formele aspect, namelijk of de aangelegenheid volgens het nationale rblz.|12| rechtssysteem tot het strafrecht of het bestuursrecht behoort, niet doorslaggevend. Wel bepalend zijn onder meer het karakter van het vergrijp en de aard en de zwaarte van de sanctie; vgl. uitspraak EHRM [Europees Hof voor de Rechten van de Mens, red.] d.d. 21 februari 1984 inzake Oztürk, NJ 1988, 937. Toetsend aan deze criteria kom ik tot het oordeel dat de administratieve maatregelen in de sociale zekerheid geen straffen in de zin van de genoemde verdragsartikelen zijn, een oordeel dat tot op heden niet is weersproken door de rechtspraak van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State en door de Centrale Raad van Beroep inmiddels is bevestigd. Deze heeft onlangs uitgesproken dat toepassing van de sanctiebepalingen in de Werkloosheidswet niet kan worden aangemerkt als strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM (CRvB 21 december 1993, WW 1991/203, en 1992/252, RSV 1994, nr. 132). Vele socialezekerheidswetten hebben meer of minder expliciet de (neven)doelstelling dat de betrokkene zo min en zo kort mogelijk aanspraak maakt op de door de wet geboden uitkering of verstrekking. Door aan de toekenning van de uitkering allerlei voorwaarden, voorschriften en verplichtingen te verbinden, wordt beoogd die doelstelling te verwezenlijken. Men zou dit kunnen zien als het toespitsen van het wettelijk regime op het individuele geval, opdat het met de wet beoogde doel zo goed en zo snel mogelijk wordt bereikt. Een karakteristiek voorbeeld hiervan wordt gevormd door de WW. Ingevolge artikel 24 WW moet de werknemer onder meer voorkomen dat hij:
a. verwijtbaar werkloos wordt;
b. werkloos is of blijft doordat hij:
1. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
2. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
3. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.
     Daarnaast is de werknemer ingevolge artikel 26 WW onder meer verplicht:
a. zo snel mogelijk bij de bedrijfsvereniging aangifte te doen van zijn werkloosheid;
b. zich als werkzoekende bij het arbeidsbureau te doen inschrijven;
c. deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing.

     Bij het niet naleven van deze verplichtingen wordt in beginsel met gebruikmaking van de mogelijkheden die het sanctieartikel (artikel 27 WW) biedt de uitkering geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend geweigerd. Ten aanzien van deze reactie kan naar mijn oordeel niet worden staande gehouden dat zij een reactie met een (materieel) strafkarakter vormt. Allereerst is de aard van de vergrijpen niet een strafrechtelijke. Buiten de context van een uitkeringsregeling als de WW missen de gedragingen het typisch laakbare van wat onlosmakelijk verbonden lijkt te zijn met een strafbaar feit: niet werken als zodanig is dan ook niet strafbaar. Voorts is ook de aard van de sanctie niet een strafrechtelijke. Het gaat er bij deze sancties immers niet om om leed toe te voegen, maar om een soort technische handhaving die in een directe relatie staat met doel en strekking van de WW. Die strekking is inkomensbescherming te bieden aan hen die onvrijwillig werkloos worden of die onvrijwillig werkloos blijven. Zij die niet (geheel) onvrijwillig werkloos zijn, kunnen niet (ten volle) aanspraak maken op inkomensbescherming. Hierbij moet bovendien bedacht worden dat het opleggen van een sanctie niet per definitie hoeft te leiden tot wat een onaangename ervaring genoemd kan worden. Zulks is mede afhankelijk van de wijze waarop de betrokken burger reageert op het opleggen van een sanctie. Indien hij op de verlaging of de stopzetting van de WW-uitkering reageert door alsnog de passende baan te aanvaarden, mist de (oorspronkelijke) sanctie elk negatief effect: het recht op uitkering komt sowieso te vervallen omdat hij niet langer werkloos is, terwijl het loon uit de dienstbetrekking in vergelijking met de weggevallen uitkering in de regel zodanig hoog zal rblz.|13| zijn dat er zelfs geen sprake is van een negatief inkomensgevolg. Ten slotte is in dit verband de volgende relativering op zijn plaats. De enkele omstandigheid dat de betrokken burger maatregelen als het verlagen of het stopzetten van zijn uitkering als onaangenaam ervaart, kan - hoe begrijpelijk wellicht ook - niet tot de conclusie leiden dat dat dus als een straf in de zin van de mensenrechtenverdragen moet worden opgevat. Sommige burgers ervaren ook het betalen van belasting als onaangenaam of als een straf, maar dat neemt niet weg dat het heffen van belasting door de overheid niet als het opleggen van een straf in de eerder bedoelde zin kan worden gezien.

     Deze administratieve sancties, waarbij de WW model heeft gestaan voor alle in dit wetsvoorstel aan de orde zijnde socialezekerheidswetten, zijn derhalve niet aan te merken als "criminal charge" in de zin van genoemde verdragsartikelen. Integendeel zelfs, zie hiervoor de aangehaalde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. De rechtspraak (internationaal en nationaal) heeft met betrekking tot de bestaande administratieve sancties tot op heden ook niet uitgesproken dat daarbij sprake is van een "criminal charge". In het verlengde daarvan zijn met betrekking tot deze sancties thans dan ook geen verdergaande waarborgen nodig dan uit de bestaande wet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Algemene wet bestuursrecht [Awb, red.] reeds voortvloeien.

     De kwestie van het strafkarakter ligt problematischer als de sanctie louter en alleen wordt opgelegd wegens het niet voldoen aan de bekende algemene inlichtingenplicht. Indien de uitkeringsontvanger bepaalde gegevens verzwijgt, bestaat de mogelijkheid dat bij het bekend worden van de verzwegen informatie geconcludeerd moet worden dat de uitkering voor een deel of geheel ten onrechte is toegekend. Als in zo'n situatie naast de terugvordering van hetgeen ten onrechte - onverschuldigd - is betaald een korting op de uitkering wordt opgelegd vanwege de schending van de inlichtingenplicht, kan deze korting worden aangemerkt als een sanctie met een punitief karakter. De inlichtingenplicht kan namelijk niet gekenschetst worden als voorkoming van instroom en verlichting tot en uitstroom [lees: verlichting tot uitstroom, red.] die als het ware besloten ligt in het "verzekerde risico"; zij is veeleer te beschouwen als een verplichting die uitsluitend tot doel heeft om het uitvoeringsorgaan in staat te stellen om de juistheid van de aangevraagde of toegekende uitkering te controleren. Zoals in hoofdstuk 6 is uiteengezet, is dit ook één van de redenen om de inlichtingenplicht los te koppelen van het sanctieartikel en onder te brengen bij het boeteartikel. Het punitieve karakter van schending van de informatieverplichting komt overigens het duidelijkst tot uitdrukking doordat deze schending vatbaar is voor strafrechtelijke interventie (artikelen 133 en 134 WW c.a.). Het hangt in het algemeen uitsluitend van de hoogte van de fraude af of strafrechtelijk wordt vervolgd.

     Dezerzijds wordt ervan uitgegaan dat de boete wel als een criminal charge moet worden aangemerkt en dat derhalve ten aanzien daarvan de voorgestelde regeling met de genoemde verdragsartikelen in overeenstemming moet zijn. In het onderstaande wordt eerst de aandacht op artikel 6 EVRM gericht; voor zover nodig volgen daarna nog uiteenzettingen met betrekking tot (onderdelen van) artikel 14 IVBPR.

 

7.2. Verdragseisen


     Allereerst moet worden vastgesteld dat artikel 6 EVRM zich er naar mijn oordeel niet tegen verzet dat wegens de overtredingen die hier aan de orde zijn een boete wordt opgelegd door het bestuur. Dit kan worden afgeleid uit de arresten van het EHRM inzake Oztürk en Lutz (EHRM 21 februari 84, NJ 1988, 937; EHRM 25 augustus 87, NJ 1988, 938), alsmede uit fiscale rblz.|14| arresten van de Hoge Raad (zie onder andere: HR 19 juni 85, NJ 1986,104; BNB 1986, 29; HR 3 mei 89, NJ 1991, 167; HR 11 oktober 89, NJ 1990, 812 en 813). Dit geldt zowel voor relatief hoge bestuurlijke boeten (zie onder andere de HR in zijn advies van 1987 over het fiscale boetestelsel (Kamerstukken II 1986-1987, 19 700 IX B, nr. 56), de Raad van State in zijn advies bij wetsvoorstel 21 058 en de HR in fiscale arresten) als voor boeten met een relatief lage grens (waarvan in casu sprake is, gelet op het voorgestelde maximumbedrag van ƒ5000,-). Belangrijkste voorwaarde is dat in elk geval de bestuurlijke boeteoplegging voor volledige toetsing vatbaar is, door een rechterlijke instantie die voldoet aan artikel 6, eerste lid, EVRM. Dit betekent dat sprake moet zijn van een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld. De geldende rechtsgang, die ook voor de boeteoplegging onverkort zal gelden, voldoet naar mijn oordeel zonder meer aan deze eisen (zie het uniforme bestuursprocesrecht zoals dat is opgenomen in hoofdstuk 8 Awb).

     Daarnaast zijn vooral van belang: de onschuldpresumptie (artikel 6, tweede lid, EVRM) en de rechten van de verdediging (als omschreven in artikel 6, derde lid, EVRM).
     Vooropgesteld zij dat over de precieze betekenis en reikwijdte van deze verdragseisen waar het betreft de toepassing daarvan tijdens de bestuurlijke fase geen uitspraken met betrekking tot de sociale zekerheid bekend zijn. In het advies van de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten (CTW) over handhaving door bestuurlijke boete is, in overeenstemming met de heersende opvatting dienaangaande, het standpunt ingenomen dat in de bestuurlijke fase niet onverkort aan de eisen van artikel 6 behoeft te worden voldaan, maar dat de wijze waarop in die fase is gehandeld wel van belang is voor de vraag of de procedure als geheel aan die eisen voldoet. Dit voorbehoud in aanmerking genomen, kan hierover het volgende worden opgemerkt.


De onschuldpresumptie

     De onschuldpresumptie verzet zich niet (aldus valt af te leiden uit het Salabiaku-arrest; EHRM 7 oktober 88, NJ 1991, 351; zie ook HR 11 oktober 89, NJ 1990, 812 en 813) tegen bestraffing door de administratie van eenvoudig vast te stellen feiten, waaraan geen beoordeling van opzet of schuld te pas komt, mits het aldus gecreëerde rechtsvermoeden van schuld voor tegenbewijs vatbaar is. De volgens het onderhavige wetsvoorstel met een boete te bestraffen feiten zullen in vele gevallen betrekkelijk eenvoudig en objectief kunnen worden vastgesteld, zoals aan de hand van gegevensvergelijking. Het gaat bij informatiefraude immers veelal om verzwijging of onjuiste opgave van zaken als neveninkomsten. Voorts zullen de feiten die wat gecompliceerder zijn, ingevolge de vervolgingsrichtlijnen in het algemeen al spoedig voor strafrechtelijke afdoening in aanmerking komen. Bij eenvoudig vast te stellen feiten wordt met name gedacht aan samenloop van fraudes met meer dan één uitkering, samenloop van uitkeringsfraude en fiscale fraude. Veelal worden signalen over mogelijk onterechte samenloop gemeld. De betreffende gegevens worden vergeleken met de gegevens die in de administratie van de uitvoeringsinstantie bekend zijn. Op basis van deze vergelijking kan misbruik worden vastgesteld. Uiteraard kunnen zich ook situaties voordoen waarin nader onderzoek nodig is om de feiten vast te stellen. Als zich daarbij complicaties voordoen, kunnen deze gevallen voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking komen.

     De onschuldpresumptie is tevens van belang voor de vraag of de tenuitvoerlegging (invordering) van de boete in de sociale zekerheid toelaatbaar is voordat een rechter zich erover heeft uitgesproken. Bij de huidige stand van de jurisprudentie kan ook deze vraag niet met zekerheid rblz.|15| worden beantwoord. Ik meen dat er goede gronden zijn, en dat het gelet op artikel 6, tweede lid, EVRM ook toelaatbaar is, ten aanzien van de administratieve boete in de socialezekerheidswetgeving af te zien van schorsende werking totdat de rechter in hoogste instantie zich over de boete heeft uitgesproken. Doorslaggevende overweging voor deze keuze is de effectiviteit van de straf: het gewenste "lik-op-stukbeleid" zou ernstig gefrustreerd worden indien een opgelegde boete niet zou kunnen worden ten uitvoer gelegd. Ik heb bij deze keuze overwogen dat een zorgvuldige uitvoering met zich meebrengt dat in het algemeen niet rauwelijks tot executie kan worden overgegaan. Zodra invordering aan de orde is, bepalen de uitvoeringsorganen in overleg met de betrokkene, na beoordeling van diens financiële situatie, op welke wijze invordering zal plaatsvinden. Daarnaast zal op grond van titel 8.3 van de Awb (welke wet ook het ontbreken van schorsende werking als uitgangspunt kent; zie artikel 6:16) voor een belanghebbende altijd de mogelijkheid openstaan om hangende bezwaar of beroep aan de president van de rechtbank een voorlopige voorziening (waaronder begrepen schorsing) te vragen. Los daarvan kan uiteraard ook altijd een dergelijk verzoek tot het bestuursorgaan worden gericht.
     Een zorgvuldige uitvoering zal, afhankelijk van de omstandigheden, ook met zich kunnen meebrengen dat de uitvoeringsorganen, indien de betrokkene niet (tijdig) betaalt, eerst een aanmaning sturen voordat zij tot feitelijke executie overgaan. Deze aanmaningsregeling is niet in de wet opgenomen om de mogelijkheid te laten bestaan in bepaalde gevallen, waar dat wenselijk is, wel direct tot executie te kunnen overgaan. Overigens zal ook in dat laatste geval een - zo nodig korte - betalingstermijn gegund moeten worden. Voorts kan zo worden voorkomen dat onnodig invorderingskosten worden gemaakt.
     In dit verband dient verder nog te worden bedacht dat volgens de voorstellen [lees: volgens het wetsvoorstel, red.] bij de tenuitvoerlegging van de boete de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d Rv in acht genomen moet worden, zodat directe tenuitvoerlegging niet tot gevolg zal kunnen hebben dat het inkomen van de betrokkene beneden 90% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm daalt. Ten slotte is van belang dat het bij de boete per definitie gaat om een sanctie van financiële aard, hetgeen meebrengt dat deze altijd achteraf volledig kan worden teruggedraaid.

     Op grond van het voorgaande acht ik het in het licht van artikel 6, tweede lid, EVRM goed verdedigbaar dat de administratieve boete in alle gevallen direct kan worden ten uitvoer gelegd. Ik heb daarbij wel uitdrukkelijk overwogen dat voorwaarde hiervoor is dat de aan de tenuitvoerlegging voorafgaande besluitvorming zo zorgvuldig mogelijk heeft plaatsgevonden. Ik ben dan ook van mening dat voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van boetebesluiten de betrokkene de gelegenheid moet worden geboden zijn visie kenbaar te maken. Juist omdat het bij de oplegging van een administratieve boete gaat om het toepassen van bestuursstrafrecht, is het gepast dat het daaraan ten grondslag liggende proces van besluitvorming in de gehele bestuurlijke fase op zorgvuldige wijze tot stand komt. Dit impliceert dat het primaire boetebesluit in elk geval slechts mag worden genomen indien het uitvoeringsorgaan bekend is met de opvatting van de betrokkene inzake het voorgenomen besluit. Het horen van de betrokkene kan naar mijn mening ook, naar keuze van de betrokkene, op informele wijze, zoals via een telefoongesprek, tot stand komen. Indien de betrokkene zijn bezwaren mondeling kenbaar maakt, kan hij zich zo nodig doen bijstaan door een tolk.


Het zwijgrecht

     In het oorspronkelijke wetsvoorstel was niet voorzien in een zwijgrecht van degene aan wie een boete wordt opgelegd. Hieraan lag ten grondslag de opvatting dat het EVRM en het IVBPR daartoe niet noodzaakten. Voorts rblz.|16| werd een mogelijke inperking van de inlichtingenverplichting als gevolg van het zwijgrecht zeer bezwaarlijk geacht en zouden de uitvoeringslasten te veel toenemen.
     Naar aanleiding van het advies van de Toetsingscommissie en het advies van de Raad van State heb ik op het punt van het zwijgrecht mijn zienswijze heroverwogen en bijgesteld, ook omdat bleek dat op het punt van de verhouding tot de inlichtingenverplichting en de uitvoeringslasten een adequate oplossing kon worden gevonden. De voorgestelde wettekst is afgestemd op de relevante jurisprudentie op dit gebied.

     Zoals hiervoor al gezegd, kennen de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR een aantal rechten toe aan degene tegen wie een "criminal charge" wordt ingesteld. Artikel 14 IVBPR noemt het zwijgrecht uitdrukkelijk als één der rechten. Weliswaar kent artikel 6 EVRM het zwijgrecht niet met zoveel woorden toe, maar volgens de jurisprudentie ligt een zwijgrecht besloten in het algemene recht op een eerlijk proces van artikel 6, eerste lid, EVRM (EHRM 25 februari 1993, NJ 1993, 485).
     Volgens de jurisprudentie van het EHRM is er onder meer sprake van een "criminal charge" wanneer de autoriteiten de belanghebbende te kennen geven dat een ernstig voornemen bestaat om een straf op te leggen (EHRM 27 februari 1980, NJ 1980, 561). De Hoge Raad acht in aansluiting hierop een criminal charge aanwezig vanaf het moment dat de overheid jegens de belanghebbende een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete zal worden opgelegd (zie bijvoorbeeld HR 11 mei 1993, NJ 1994/142; HR 23 juni 1993, BNB 1993/271; HR 26 oktober 1993, NJB katern 1994, blz. 16, nr. 1). Ook degene die beschuldigd wordt van een overtreding waarop een bestuurlijke boete staat, kan zich dus op grond van het EVRM en het IVBPR beroepen op een zwijgrecht vanaf het moment dat de overheid jegens hem de bedoelde handeling verricht.

     Dit roept de vraag op hoe dit zwijgrecht zich verhoudt tot de inlichtingenplicht die in de socialezekerheidswetten op de belanghebbende rust. Indien immers zou moeten worden aangenomen dat het zwijgrecht zich uitstrekt tot het verstrekken van informatie en gegevens aangaande de controle op en de vaststelling van het recht op uitkering, dan zou dit de reikwijdte van de inlichtingenverplichting vergaand inperken en de mogelijkheid om de socialezekerheidswetgeving adequaat uit te voeren en te handhaven op onaanvaardbare wijze belemmeren.
     Deze vrees is echter ongegrond. In de fase dat de controle is gericht op de vaststelling van het recht op uitkering is er geen sprake van een "criminal charge". In deze fase geldt derhalve de inlichtingenplicht onverkort en is het zwijgrecht niet aan de orde. Het enkele feit dat het naar waarheid beantwoorden van vragen die worden gesteld in het kader van de vaststelling van het recht op uitkering tevens aan het licht zou kunnen brengen dat de betrokkene zijn inlichtingenverplichting geschonden heeft, brengt nog niet mee dat hij mag weigeren te antwoorden. Anders gezegd: de wettelijke inlichtingenverplichting blijft ten behoeve van de vaststelling van de uitkering volledig gelden, ook indien de belanghebbende door aan deze verplichting te voldoen de verdenking op zich zou laden de inlichtingenplicht te hebben geschonden en deswege voor een administratieve boete in aanmerking kan komen. Er bestaat immers geen algemene regel dat men nooit verplicht kan worden bewijsmateriaal tegen zichzelf aan te dragen. Deze benadering is diverse malen verwoord door de Hoge Raad (onder meer HR 11 december 1991, BNB 1992/243, en HR 9 maart 1994, nr. 28 534, VakstudieNieuws 1994, blz. 1027 e.v.). De inlichtingenplicht moet worden gezien als een hulpmiddel van de uitvoerder bij de controle op de rechtmatigheid van de verstrekking van uitkeringen en dient er niet toe het bewijs met betrekking tot de oplegging van een boete rond te krijgen.
    
rblz.|17| Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Indien een belanghebbende wordt ondervraagd over zijn sollicitatieactiviteiten, kan dat niet alleen gegevens opleveren die aanleiding kunnen zijn tot een maatregel, maar kan ook duidelijk worden dat die belanghebbende eerder onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, hetgeen aanleiding kan zijn om een boete op te leggen. Niettemin blijft de belanghebbende ook in zo'n situatie verplicht om inlichtingen te geven, omdat in deze situatie nog geen sprake is van een "criminal charge" en dus ook nog niet van een zwijgrecht.

     Het zwijgrecht geldt derhalve niet zolang de vragen mede gericht zijn op een ander doel dan de vaststelling of een beboetbaar feit is gepleegd, ook al kunnen die vragen als neveneffect hebben dat tevens een beboetbaar feit kan worden vastgesteld. Zolang een onderzoek dus mede gericht is op de vaststelling van het recht op uitkering, welk onderzoek bijvoorbeeld kan resulteren in een besluit tot terugvordering, geldt nog geen zwijgrecht.

     Een belangrijke vraag voor de uitvoeringspraktijk is welke handelingen precies het moment markeren waarop er sprake is van een "criminal charge". Juist op dit punt is het moeilijk algemene uitspraken te doen. Wel kan uit jurisprudentie van de Hoge Raad worden afgeleid dat het moet gaan om ondubbelzinnige handelingen jegens de belanghebbende die er in redelijkheid geen twijfel over laten bestaan dat het voornemen tot oplegging van een boete aanwezig is. In HR 26 oktober 1993 (NJB katern 1994, blz. 16, nr. 1) werd bijvoorbeeld aangenomen dat een verhoor niet altijd geldt als een zodanige handeling (vergelijk HR 11 mei 1993, NJ 1994/142). Voorts kan uit HR 23 juni 1993 (BNB 1993/271) worden afgeleid dat de kennisgeving dat er gronden zijn om een boete op te leggen, in ieder geval wel als een zodanige handeling moet worden beschouwd. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat onder omstandigheden het ontstaan van de "criminal charge" wordt gemarkeerd door concrete handelingen die aan de kennisgeving voorafgaan, zal de kennisgeving in de grote meerderheid van de gevallen kunnen gelden als het ijkpunt.
     Als bijvoorbeeld vragen worden gesteld naar aanleiding van aanwijzingen dat er gefraudeerd is, betekent dat op zichzelf nog niet dat er een zwijgrecht geldt. Het bestaan van die aanwijzingen behoeft nog geen "criminal charge" op te leveren. Indien bijvoorbeeld iemand wordt ondervraagd naar aanleiding van een tip dat hij zwartwerkt, kan daaraan nog niet redelijkerwijs de verwachting worden ontleend dat het uitvoeringsorgaan het voornemen heeft hem een boete op te leggen. Het is immers in die fase nog allerminst zeker of, en zo ja, voor welk feit een boete zal worden opgelegd: het kan zijn dat betrokkene inderdaad in strijd met zijn inlichtingenplicht inkomsten niet heeft gemeld, maar het is evenzeer mogelijk dat de tip onjuist blijkt.
     Indien de inlichtingenplicht is geschonden, zal het uitvoeringsorgaan aan de belanghebbende kennis geven van het voornemen de boete op te leggen.


De cautie

     In het wetsvoorstel is tevens de cautie geregeld. Niet gezegd kan worden dat de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR de cautie verplicht stellen; de wetgever heeft hier dus meer vrijheid dan ten aanzien van het zwijgrecht zelf. Niettemin bestaat er weinig aanleiding om op dit punt in de bestuurlijke boeteprocedure af te wijken van het procedurevoorschrift in het commune strafrecht. Dit voorschrift is opgenomen in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. Er is echter evenmin aanleiding om in dit wetsvoorstel een verdergaande cautieverplichting op te nemen dan uit het Wetboek van Strafvordering voortvloeit.
     Voor alle duidelijkheid zij nog vermeld dat de cautieplicht alleen geldt in mondelinge verhoorsituaties, en niet als schriftelijk vragen worden
rblz.|18| gesteld. De Hoge Raad heeft deze beperking afgeleid uit de ratio van de cautieverplichting. Hierdoor wordt voorkomen dat, als gevolg van de directe en persoonlijke confrontatie tussen ondervrager en ondervraagde bij een mondeling verhoor, de ondervraagde zich door de met die confrontatie gepaard gaande psychische druk verplicht voelt om de hem gestelde vragen direct te beantwoorden, terwijl hij niet tot antwoorden verplicht is. Deze directe confrontatie ontbreekt bij schriftelijke vragen; daarbij behoeft dus geen cautie te worden gegeven (HR 1 oktober 1985, NJ 1986, 405 en 406).
     De duidelijkheid voor de belanghebbende is met de cautie gediend en voor de verhorende ambtenaar is het een geringe belasting. Immers, die ambtenaar moet zich toch al terdege realiseren wanneer het moment aanbreekt dat de belanghebbende niet meer tot antwoorden verplicht is. Een cautie kan dan zelfs een nuttig hulpmiddel zijn om het gesprek te structureren en voor iedereen duidelijk te markeren dat het gesprek een nieuwe fase ingaat. Indien in het verslag van het gesprek duidelijk wordt vastgelegd dat de cautie is gegeven (zoals ook in strafrechtelijke processen-verbaal gebeurt), kan dat zelfs helpen voorkomen dat achteraf, bij de rechter, onduidelijkheid ontstaat over het moment waarop het zwijgrecht ging gelden.


De functiescheiding

     De artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR stellen geen eisen aan de zogenaamde functiescheiding. Het gaat daarbij om de vraag of de positie van degene die in de organisatie het boetebesluit neemt daarin een zekere onafhankelijkheid dient te hebben. Omdat dit punt consequenties heeft voor de uitvoeringspraktijk en samenhangt met het zwijgrecht, dient het hier ter sprake te komen.
     In het wetsvoorstel tot herziening van het fiscale boetestelsel wordt de bevoegdheid tot het opleggen van de boete toegekend aan een afzonderlijke boete-inspecteur, die niet dezelfde is als de aanslagregelende inspecteur. Dat heeft het voordeel dat in veel gevallen een duidelijk formeel criterium kan worden gebruikt om te bepalen wanneer het zwijgrecht begint te gelden: namelijk op het moment dat de aanslagregelende inspecteur de zaak overdraagt aan de boete-inspecteur. Mede daarom bepleit ook de Toetsingscommissie om zo'n functiescheiding waar mogelijk door te voeren. De Toetsingscommissie bepleit voorts in algemene zin dat er een zekere feitelijke afstand bestaat tussen de boeteoplegger en de uitvoerend ambtenaar, omdat dit een objectieve beoordeling bevordert van de geconstateerde gedraging in relatie tot de op te leggen boete. De Toetsingscommissie is overigens van mening dat niet te snel moet worden overgegaan tot het speciaal voor de boeteoplegging instellen van een nieuw orgaan.
     In dit verband wordt opgemerkt dat, zoals hiervoor is uiteengezet, de kennisgeving van het voornemen om een boete op te leggen in de meeste gevallen kan gelden als het moment waarop het zwijgrecht begint te gelden. Voor het vinden van een duidelijk richtpunt dienaangaande is functiescheiding derhalve geen noodzakelijke voorwaarde.
     Ik ben er in het voetspoor van de Toetsingscommissie geen voorstander van om in het kader van dit wetsvoorstel regels te stellen met betrekking tot de instelling van een aparte organisatorische voorziening voor de boeteoplegging. Met name in kleinere gemeenten zou dit problematisch zijn, zo is ook door de VNG aangegeven. Opmerking verdient dat in de praktijk nu al doorgaans een andere functionaris dan degene die het onderzoek verricht naar het recht op uitkering (en in de nieuwe situatie met betrekking tot de boeteoplegging) en daarover ten behoeve van de besluitvorming rapporteert, uiteindelijk de beslissing zal nemen die uit dat onderzoek voortvloeit. In de praktijk is derhalve reeds in het algemeen sprake van enige vorm van functiescheiding met betrekking tot beslissingen rond het recht op uitkering. Dit kan onder omstandigheden in met
rblz.|19| name kleinere gemeenten anders zijn, maar juist de oorzaak daarvan (een gering aantal met de uitvoering belaste ambtenaren) verzet zich ertegen een vorm van functiescheiding verplicht te stellen.
     Er is geen aanleiding om ten aanzien van de boeteoplegging regels te stellen die afwijken van procedures betreffende andere uitkeringsbeslissingen, die eveneens ingrijpend kunnen zijn. Dit behoort tot de competentie van de uitvoeringspraktijk zelf. De bestuursrechter beoordeelt achteraf of de procedure rond de boeteoplegging zorgvuldig is ingericht.
     Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat aan de boeteoplegging, ook met inachtneming van het zwijgrecht en zonder uitdrukkelijke functiescheiding, op een verantwoorde wijze uitvoering kan worden gegeven. Een zorgvuldige voorbereiding van de uitvoerders op deze nieuwe taak, waaraan ik zal meewerken, is hierbij van groot belang. Deze conclusie geldt ook de sociale verzekeringen. Hoewel met de uitvoerders van de sociale verzekeringen als zodanig niet een formeel overleg is gevoerd, wijzen de signalen die uit deze tak van de uitvoeringspraktijk zijn ontvangen in dezelfde richting.
     In dit verband wordt nog opgemerkt dat er geen principieel bezwaar tegen bestaat als het terugvorderingsbesluit en het boetebesluit in één beschikking worden bekendgemaakt onder de verantwoordelijkheid van één tot beslissen bevoegde persoon. Een andere zaak is dat het ter wille van de duidelijkheid de voorkeur kan verdienen als deze besluiten en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken na elkaar plaatsvinden.
     Het alsnog opnemen van het zwijgrecht in het wetsvoorstel en de regeling van de tolkenhulp heeft ertoe geleid dat ik een nieuw advies aan de Raad voor de gemeentefinanciën heb gevraagd inzake de uitvoeringskosten. In hoofdstuk 12 wordt hierop nader ingegaan.


Tolkenhulp

     In artikel 6, derde lid, onderdeel a, van het EVRM is het recht vastgelegd van degene tegen wie een vervolging is ingesteld, om in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gesteld van de beschuldiging.
     In vastgestelde artikel 27b is hierin voorzien. Voor het overige wordt verwezen naar artikel 27b en de toelichting op dat artikel.


Overige waarborgen

     Ten aanzien van de overige onderdelen van artikel 6, derde lid, EVRM wordt niet voorgesteld om voor de bestuurlijke fase ter zake waarborgen in de wet op te nemen. Dit betreft: gelegenheid voor voorbereiding van de verdediging (derde lid, onderdeel b); rechtshulp, zo nodig kosteloos (derde lid, onderdeel c); oproeping en ondervraging getuigen (derde lid, onderdeel d). Het ontbreken van wettelijke voorschriften betekent uiteraard niet dat het uitvoeringsorgaan in voorkomend geval niet toch op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aanleiding kan zien tot behandeling overeenkomstig de hier bedoelde bepalingen. Verder verdient nog opmerking dat het hier nog steeds gaat om de bestuurlijke fase voorafgaand aan de boeteoplegging; dat laat onverlet dat tijdens de bezwaarfase, die eveneens tot de bestuurlijke fase behoort doch (uiteraard) eerst na de boeteoplegging volgt, de voorschriften van de Awb met betrekking tot de bezwaarschriftprocedure van toepassing zijn. Daaruit volgt dat in dat gedeelte van de bestuurlijke fase een aantal ook in het licht van artikel 6 EVRM belangrijke waarborgen gelden (onder andere inzage in stukken; getuigen en deskundigen). Op deze plaats zij ook nog eens herhaald dat in die bestuurlijke fase niet in alle opzichten aan de vereisten van artikel 6 EVRM hoeft te worden voldaan. Dit alles bijeengenomen betekent dat in de socialezekerheidswetten voor de bestuurlijke fase van de administratieve boete geen nadere waarborgen behoeven te worden opgenomen. Aldus wordt hiervoor hetzelfde regime voorgesteld als volgens het fiscale boetevoorstel voor de zogenoemde verzuimboeten zal gelden.

     rblz.|20| In aansluiting bij het fiscale voorstel (zie artikel 67h, derde lid, Awr [Algemene wet inzake rijksbelastingen, red.]) wordt daaraan toegevoegd dat indien zich bij de informatieverstrekking in verband met de boeteoplegging problemen met de Nederlandse taal mochten voordoen, op verzoek van de betrokkene daarvoor door het uitvoeringsorgaan een oplossing moet worden gezocht. Het initiatief is bij betrokkene neergelegd om te voorkomen dat het uitvoeringsorgaan verplicht zou worden bij hem na te gaan of hij de Nederlandse taal voldoende beheerst om te kunnen begrijpen op welke gronden een boete wordt opgelegd. Een soortgelijke werkwijze is ook gebruikelijk bij de bestuurlijke boeten voor verkeersovertredingen. Deze visie is in overeenstemming met het advies van de Toetsingscommissie. Daarbij gaat het om een inspanningsverplichting voor het uitvoeringsorgaan, die er voor zoveel mogelijk toe moet leiden dat de betrokkene zal begrijpen waarom hem een boete wordt opgelegd. De hiermee verband houdende kosten worden door het uitvoeringsorgaan gedragen.

     Zoals onder meer reeds is vermeld in de Nota rechtshandhaving sociale zekerheid heeft het kabinet besloten een regeling te treffen die cumulatie van strafrechtelijk en administratiefrechtelijk punitief ingrijpen voorkomt. Het EVRM kent geen anticumulatie- of ne-bis-in-idembepaling (het zevende protocol kent dat wel, in artikel 4, eerste lid, doch dat is voor Nederland nog niet van kracht). Artikel 14, zevende lid, IVBPR bevat wel zo'n bepaling, doch in verband met het door Nederland daarbij gemaakte voorbehoud en de daaraan volgens de Hoge Raad te geven uitleg (HR 5 februari 91, NJ 1991, 402, en AB 1992, 38; HR 21 mei 91, NJ 1991, 728, en AB 1992, 15) staat dat aan deze cumulatie niet in de weg.
     Voor de goede orde zij er hier eerst op gewezen dat voor een cumulatieverbod van een strafrechtelijke sanctie of een administratieve boete met een niet-punitieve administratieve sanctie geen aanleiding bestaat. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een werkloze onvoldoende sollicitatieactiviteiten ontplooit en tegelijkertijd daaromtrent onjuiste inlichtingen verstrekt; dat dient het uitvoeringsorgaan te leiden tot (gedeeltelijke) weigering van de uitkering én oplegging van een boete. In zo'n geval is er geen strijd met het ne-bis-in-idembeginsel, omdat wordt gereageerd op twee verschillende gedragingen. Uiteraard ontslaat dit het uitvoeringsorgaan niet van de verplichting om ook in deze gevallen de proportionaliteit en het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen niet alleen voor de sancties afzonderlijk, maar ook voor het totaal van de sancties (in het voorbeeld een boete en een maatregel). Er moet een redelijke verhouding bestaan tot het totaal van de misdragingen.
     Daarnaast kan de situatie zich voordoen van één gedraging die schending van twee verplichtingen inhoudt die zowel onder het administratiefrechtelijke c.q. strafrechtelijke boetesysteem als onder de administratieve maatregel kan worden gebracht. Te denken valt aan de situatie waarin betrokkene de controlevoorschriften overtreedt (artikel 101
WW), bestaande uit het niet tijdig inleveren van het zogenoemde werkbriefje, terwijl er sprake is van werkaanvaarding. Hoewel in beginsel in dergelijke gevallen zowel een boete als een maatregel moet worden opgelegd is het, met inachtneming van de evenredigheidseis, verdedigbaar dat slechts ofwel een boete ofwel een maatregel wordt opgelegd. Het uitvoeringsorgaan zal doorgaans kiezen voor die reactie die het best past bij de geconstateerde overtreding.

     Voor wat betreft de wijze van regeling van de anticumulatie van strafsanctie en boete is gekozen voor volledige aansluiting bij de fiscale voorstellen. Daarin is het zogenaamde una-viabeginsel uitgewerkt, hetgeen erop neerkomt dat wanneer ter zake van gedragingen die zowel strafrechtelijk als administratiefrechtelijk kunnen worden afgedaan eenmaal een keuze voor de ene of de andere weg is gemaakt en de daarbij behorende handelingen zijn verricht, deze als definitief wordt aangemerkt; anders rblz.|21| gezegd: strafvervolging sluit oplegging van een administratieve boete uit en omgekeerd (zie de artikelen 67o en 69a Awr). Voor de socialezekerheidswetgeving worden overeenkomstige bepalingen voorgesteld; zie bijvoorbeeld de artikelen 27d en 135a WW.
     Het voorgestelde artikel 27d sluit boeteoplegging uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit een strafvervolging is ingesteld en de procedure is gevorderd tot de aanvang van de terechtzitting dan wel waarin een transactie heeft plaatsgehad. De boeteoplegging wordt opgeschort indien het OM de gedraging onderzoekt. Teneinde zeker te stellen dat het uitvoeringsorgaan op de hoogte raakt van omstandigheden die hem verhinderen een boete op te leggen, is in het derde lid een informatieplicht ter zake aan het OM opgelegd. Belangrijker is overigens dat het uitvoeringsorgaan na melding van een feit aan het OM met het oog op eventuele strafrechtelijke afdoening verneemt dat die weg niet zal worden gevolgd, waardoor de administratiefrechtelijke weg weer open komt te staan; daarin is voorzien door artikel 27d, derde lid (zie verder aldaar).
     De andere kant van het una-viabeginsel is geregeld in artikel 135a. Dat artikel bepaalt dat indien een administratieve boete is opgelegd, strafvervolging ter zake van hetzelfde feitencomplex niet meer mogelijk is. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat hier geen sprake behoeft te zijn van een onherroepelijke boete; ook indien tegen een boeteoplegging nog bezwaar of beroep mogelijk is dan wel daartegen nog bezwaar of beroep aanhangig is, brengt het una-viabeginsel mee dat de eenmaal gemaakte keuze definitief is en derhalve ook niet meer beïnvloed wordt door bezwaar of beroep. Dit geldt evenzeer indien een opgelegde boete in bezwaar of beroep ongedaan wordt gemaakt; dan staat niet alsnog de strafrechtelijke weg open. De beschreven procedure leidt ertoe dat wordt voorkomen dat ofwel geen enkele actie wordt ondernomen, ofwel zowel op bestuurlijk als justitieel vlak.

 

8. De herzieningsbeslissing


     Begunstigende beschikkingen op grond van de socialezekerheidswetgeving hebben vaak - ongeacht de aard, benaming of "soort" van uitkering/inkomensvoorziening - twee elementen gemeen, namelijk 1. dat hetgeen wordt toegekend een bepaalde omschreven omvang heeft en 2. dat de toekenning voor onbepaalde duur geldt. In de eerste toekenning - die in het vervolg als de primaire toekenning of beschikking wordt aangeduid - wordt de "omvang" van het toegekende recht meestal vrij nauwkeurig omschreven of aangeduid, bijvoorbeeld een uitkering van ƒ3000,- per maand of een uitkering overeenkomstig de alleenstaandenorm ten bedrage van ƒx,-, waarop de neveninkomsten die een bedrag van ƒy,- te boven gaan in mindering worden gebracht. Daarentegen wordt omtrent de duur van de uitkering noodgedwongen veelal zeer weinig bepaald. Een aantal wetten, zoals WW, ZW, WAO en AAW, kennen een maximale uitkeringsduur. In andere wetten, zoals de ABW en de AOW, is dit niet het geval. Voor alle wetten geldt dat uitkering wordt toegekend totdat een feitelijke omstandigheid of wettelijk voorschrift noodzaakt tot beëindiging of herziening van de uitkering. Dit systeem is inherent aan de onzekerheid omtrent de duur van het evenement of de relevante omstandigheid: niemand weet met zekerheid hoe lang de ingetreden werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid of het ontbreken van voldoende bestaansmiddelen zal duren. De onbepaaldheid in de beschikking qua tijdsduur brengt mee dat elke wijziging in de wat dat betreft relevante omstandigheden zal moeten worden vastgelegd. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het bereiken van de leeftijd van 65 jaar dat leidt tot het eindigen van het recht op uitkering krachtens de werknemersverzekeringen, het bereiken van de leeftijd van 27 jaar dat leidt tot een recht op een hogere bijstandsuitkering of het voleindigen van de maximale uitkeringsduur ingevolge de rblz.|22| WW dat leidt tot het eindigen van het recht op uitkering krachtens die wet. Eenzelfde noodzaak is ook aanwezig bij primaire beslissingen waarin wel vrij nauwkeurig de "omvang" van het recht kan worden vastgelegd, maar waar een andersoortige wijziging in de omstandigheden dan die betreffende de tijdsduur noopt tot de herziening. Indien bijvoorbeeld de alleenstaande bijstandsgerechtigde uit het eerder vermelde voorbeeld in het huwelijk treedt, heeft dat consequenties voor zijn of haar recht op bijstand. Kortom: het herzien van beslissingen is aan de orde van de dag.

     De nieuwe beslissing behoort in het algemeen zijn werking te krijgen met ingang van het tijdstip waarop de wijziging in de omstandigheden plaatsvindt, ongeacht of dit tijdstip in het heden, het verleden of de toekomst ligt. Indien de wijziging in de relevante omstandigheden in de toekomst zal plaatsvinden en het uitvoeringsorgaan tijdig kennisneemt van die op handen zijnde wijziging, behoort een tijdige aanpassing van de uitkering in ieder geval theoretisch nog tot de mogelijkheden. De praktijk leert evenwel dat het uitvoeringsorgaan veelal pas achteraf kennis krijgt van de wijziging in de omstandigheden of pas op een zodanig laat tijdstip dat een tijdige verwerking daarvan in een nieuwe beslissing niet meer mogelijk is. Alsdan zal de uitkeringsgerechtigde overeenkomstig de nog ongewijzigde beslissing gedurende kortere of langere tijd nog zijn "oude" uitkering krijgen. Indien de wijziging in de omstandigheden van dien aard is dat bijstelling van de toekenning in neerwaartse richting vereist is, zal het gevolg van één en ander veelal tweeërlei zijn:
1. in de nieuwe beslissing zal bepaald moeten worden dat met ingang van het tijdstip in het verleden waarop de wijziging in de omstandigheden intrad de uitkering ingetrokken of verlaagd wordt;
2. datgene wat vanaf het onder 1 bedoelde tijdstip te veel betaald is, zal teruggevorderd moeten worden.

     Wellicht ten overvloede zij ten aanzien van de hierboven onder 1 genoemde situatie nog het volgende opgemerkt. De beslissing "achteraf" moet niet verward worden met de - niet altijd toegestane - herziening met terugwerkende kracht. In het navolgende deel van de toelichting is deze beslissing "achteraf". Hierbij is om wille van de duidelijkheid voor de uitvoering aangesloten bij de in het spraakgebruik - ten onrechte - gehanteerde term terugwerkende kracht. Deze wordt dan aangeduid met "terugwerkende kracht". Van herziening met terugwerkende kracht in eigenlijke zin is slechts sprake indien regels die ten tijde van het relevante rechtsfeit (de wijziging in de omstandigheden) nog niet golden alsnog worden toegepast op het betrokken feitencomplex als waren zij ten tijde van dat rechtsfeit reeds van kracht geweest. In de hierboven beschreven situatie echter golden de regels al wel, doch de toepassing ervan liet nog even op zich wachten.

     De redenen om tot herziening te komen, kunnen puur reparatoir zijn, maar ook ten dele punitief. In de situatie waarin bijvoorbeeld het recht op werkloosheidsuitkering tijdelijk komt te vervallen vanwege een tijdelijke baan en de betrokkene, ondanks tijdige melding van deze omstandigheid bij de bedrijfsvereniging, zijn tot dan gebruikelijke WW-uitkering heeft doorbetaald gekregen omdat zijn melding niet tijdig kon worden verwerkt in een herzieningsbeschikking, heeft de achteraf verwezenlijkte herziening van de toekenningsbeschikking een zuiver reparatoir karakter. De situatie ligt evenwel anders indien de betrokken uitkeringsgerechtigde een relevante omstandigheid - bijvoorbeeld bijverdiensten - (opzettelijk) heeft verzwegen en het uitvoeringsorgaan in die verzwijging - althans naar de huidige wet - aanleiding vindt om naast een reparatie/correctie bij wijze van sanctie een verdergaande verlaging van de uitkering op te leggen. In beide gevallen dient een nieuwe beslissing te worden genomen en terugvordering plaats te vinden. Het verschil in karakter - in het eerste rblz.|23| geval zuiver reparatoir, in het tweede geval naast reparatoir ook punitief - doet naar mijn oordeel niet ter zake voor de vraag of terugbetaling moet plaatsvinden en hoe die terugbetaling geduid zou moeten worden.

     In de praktijk worden de hierboven uiteengezette elementen in het besluitvormingsproces niet steeds even goed onderscheiden. Zo kan het voorkomen dat in situaties waarin de beslissing slechts rept van een maandelijks uitkeringsbedrag de correcties in verband met in mindering te brengen bijverdiensten puur feitelijk worden doorgevoerd. De vastlegging daarvan in een nieuwe beslissing of de correctie in verband met in het verleden gepleegd verwijtbaar gedrag wordt niet neergelegd in een over dat verleden, annex besluit tot terugvordering (dat vervolgens wordt ten uitvoer gelegd door inhouding op toekomstige uitkeringstermijnen of - bij gebreke daarvan - met behulp van andere invorderingsmogelijkheden), maar in een besluit tot verlaging van de toekomstige uitkering. Dit is onlogisch, formeel-juridisch minder juist en werkt verwarring bij de belanghebbende burger in de hand. Met name de daardoor ontstane verwarring kan aanleiding geven tot onnodige, want vermijdbare juridische procedures. Bovendien kan deze juridisch minder juiste uitvoeringspraktijk met name in het tweede voorbeeld ertoe leiden dat - indien de uitkeringsrelatie tot een einde komt en er dus geen toekomstige uitkering zal zijn - per saldo (verdere) correctie/terugvordering achterwege blijft in plaats dat er naar andere invorderingsmogelijkheden wordt gezocht.
     Ik ben van mening dat de herziening een wettelijke basis behoeft. Niet alle wetten kennen de herziening als wettelijk instrument. De WAO, de AAW en de AKW bijvoorbeeld kennen wel één of meer herzieningsartikelen, de WW niet. Hiermee zou kunnen worden bereikt dat in de wetgeving ten minste één baken wordt aangebracht in de vorm van een herzieningsartikel, waarin een verplichting tot herziening wordt neergelegd voor een aantal situaties waarin bijstelling van toekenningsbeschikkingen aan de orde moet komen. Voorts kan de herzieningsplicht een bijdrage leveren aan de bevordering van de rechtshandhaving in de sociale zekerheid. Tot slot kan worden gewezen op de bestaande, niet steeds juiste uitvoeringspraktijk. De Centrale Raad van Beroep merkt in zijn jaarverslag over 1992 op dat soms terugvorderingsbeslissingen strandden doordat een anticumulatie-, herzienings- of intrekkingsbeslissing ontbrak. Hoewel deze uitspraak betrekking heeft op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, lijkt het aannemelijk dat een ruimere strekking hiervan aan de orde is.

     Overigens neemt het bovenstaande omtrent de verschillende elementen in het besluitvormingsproces rondom herziening en terugvordering niet weg dat het aanbeveling verdient om waar mogelijk al die elementen in één enkele beschikking te vatten. Aldus is denkbaar dat een beschikking drie elementen bevat:
- de vaststelling van rechten met ingang van een in het verleden gelegen tijdstip;
- de daarmee gepaard gaande terugvordering;
- de wijze waarop de terugvordering zal worden ten uitvoer gelegd.

     Aan deze bundeling zijn zowel voor het uitvoeringsorgaan als voor de belanghebbende burger voordelen verbonden, namelijk dat:
- het uitvoeringsorgaan aan de hand van een totale bezinning in één keer de gehele rechtspositie van de belanghebbende kan bekijken en opnieuw vastleggen;
- de belanghebbende burger in één keer kan nagaan of hij tegen (één of meer aspecten van) de beschikking wenst op te komen;
- het niet opkomen tegen de beschikking dat het uitvoeringsorgaan de redelijke zekerheid biedt dat de belanghebbende zich in alle aspecten van
rblz.|24| de beschikking en dus ook in de (tenuitvoerlegging van de) terugvordering kan vinden;
- voorkomen wordt dat de afzonderlijke juridische aspecten aan één feitencomplex aanleiding geven tot een inefficiënte kluwen van beroepszaken, met alle belasting van dien voor de beroepsrechter;
- bundeling betekent beperking van kosten, zowel voor het uitvoeringsorgaan als voor de burger (indien hij beroep aantekent).

     Ik ben mij ervan bewust dat de hiervoor omschreven bundeling in één beschikking niet steeds mogelijk of wenselijk is. Men denke bijvoorbeeld aan het geval waarin fraude wordt ontdekt. De acute stopzetting van de uitkering heeft dan vanzelfsprekend de hoogste prioriteit. Een eventueel tijdrovend nader onderzoek naar de mogelijkheden tot terugvordering, althans naar de wijze waarop die terugvordering moet worden ten uitvoer gelegd, is dan een probleem van later zorg. Om deze reden is ervan afgezien om de bundeling wettelijk voor te schrijven. Wel worden de uitvoeringsorganen verplicht om in de situatie waarin de belanghebbende burger iets aan hen moet betalen of terugbetalen - de nieuwe administratieve boete respectievelijk de ten onrechte genoten uitkering - in ieder geval algemene voorlichting te geven over de wijze waarop een boetebesluit onderscheidenlijk een terugvorderingsbesluit pleegt te worden ten uitvoer gelegd. Dit betekent dat het uitvoeringsorgaan zich niet vooraf in definitieve zin behoeft vast te leggen op welke wijze het terugvorderingsbesluit wordt ten uitvoer gelegd. In de artikelsgewijze toelichting wordt hierop nader ingegaan.
     Overigens zij erop gewezen dat indien een beslissing over tenuitvoerlegging als afzonderlijk besluit is genomen, dit besluit afzonderlijk vatbaar is voor bezwaar of beroep (zie hiervoor onder meer CRvB 20 juli 1989, RSV 1989/304, en AB 1989/421 alsmede HR 10 augustus 1992, AB 1993/120).

     De terminologie in de wetgeving voor het fenomeen van de neerwaartse bijstelling van een begunstigende beschikking is niet steeds dezelfde. Zo wordt onder meer gesproken van herzien, intrekken, weigeren, verlagen, in mindering brengen, buiten aanmerking laten en herstellen. In het hier voorgestelde herzieningsartikel is getracht via een synthese van de meest gebruikte termen te komen tot een in alle socialeverzekeringswetten hanteerbare redactie. Gekozen is voor een artikel waarvan de aanhef wordt gevormd door de woorden: "Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ... en ter zake van weigering van ..., herziet", etc. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de toelichting op artikel 22a WW.

 

9. Terugvordering en invordering


9.1. Rechtsplicht tot terugvordering


     Zoals in hoofdstuk 1 al is vermeld, wordt de invoering van een rechtsplicht tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering voorgesteld in die socialezekerheidswetten waarin thans nog sprake is van een discretionaire bevoegdheid ter zake.

     In de nota "Aspecten van rechtshandhaving op het gebied van de sociale zekerheid" (Kamerstukken II 1991-1992, 22 457, nrs. 1-2) hebben de Minister van Justitie en ondergetekende reeds aangegeven de invoering van een terugvorderingsverplichting voor de uitvoeringsorganen te overwegen. Nadien heeft het kabinet, zoals in hoofdstuk 2 van deze toelichting is gesteld, in het kader van de taskforce fraudebestrijding een aantal actiepunten vastgelegd ter verbetering van de fraudebestrijding. Eén rblz.|25| daarvan betreft het voorstel om de bevoegdheid tot terugvordering van bedrijfsverenigingen en van de SVB om te zetten in een verplichting.

     Vooropgesteld dient te worden dat terugvordering niet is te beschouwen als het opleggen van een sanctie, ook al wordt dit door de betrokkene wel als zodanig ervaren. De terugvordering en in aansluiting daarop de invordering is niets meer dan het herstel van de rechtmatige situatie.

     Uit het SVr-rapport [SVr: Sociale Verzekeringsraad, red.] "Tussen schroom en daad" ¹ en uit het ITS-rapport "Afhandeling van uitkeringsfraude" ² blijkt dat de uitgangspunten van de huidige terugvorderingsregeling slechts ten dele gerealiseerd worden. Zo geven beide rapporten eenduidig aan dat slechts een gering gedeelte van de teruggevorderde uitkering daadwerkelijk ingevorderd wordt.
     Een adequaat handhavingsbeleid impliceert echter dat in beginsel alle onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd wordt en dat de teruggevorderde bedragen ook daadwerkelijk ingevorderd worden. Het is van primair belang dat een ten onrechte genoten voordeel geheel ongedaan wordt gemaakt; fraude mag immers niet lonen.

1. Rapport van maart 1991.
2. ITS-rapport "Afhandeling van uitkeringsfraude". Een onderzoek bij sociale diensten, bedrijfsverenigingen en het openbaar ministerie naar de naleving van de Richtlijnen socialezekerheidsfraude, Nijmegen, april 1992.

     Het invoeren van een terugvorderingsverplichting zal naar mijn mening de terugvorderingspraktijk op het niveau brengen dat is vereist vanuit het beginsel dat fraude niet lonen mag. Dit geldt zowel ten aanzien van het feit dat wordt teruggevorderd als ten aanzien van de mate waarin en de wijze waarop het instrument wordt gehanteerd. Tevens zal een terugvorderingsverplichting de uniformiteit in het beleid bevorderen. Voorts verwacht ik dat van de voorgestelde maatregel een preventieve werking uitgaat. Als de cliënt weet dat fraude niet loont omdat bij constatering hiervan altijd zal worden teruggevorderd door het uitvoeringsorgaan, zal hij, bij een gegeven pakkans, minder snel frauderen (drempelverhogend effect).

     Een rechtsplicht tot terugvorderen is de meest geëigende vorm om te bewerkstelligen dat onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd wordt. Het instrument van de terugvordering dient te waarborgen dat een uitkeringsgerechtigde, na te veel uitkering te hebben ontvangen, in de juiste uitkeringssituatie geplaatst wordt door hem de te veel ontvangen uitkering te ontnemen. Dit wetsvoorstel beoogt onder meer de terugvorderingsregeling met genoemd uitgangspunt in overeenstemming te brengen.

 

9.2. Terugvorderingsgronden


     In de socialeverzekeringswetten zoals deze thans luiden, is vastgelegd dat terugvordering van onverschuldigde betalingen alleen kan plaatsvinden indien de onverschuldigde betaling plaatsvond door toedoen van de betrokkene en in de gevallen waarin het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het uitvoeringsorgaan onverschuldigd betaalde. Terugvordering is gedurende vijf jaren na de dag van de betaalbaarstelling van een uitkeringstermijn mogelijk indien er onverschuldigd is betaald door een doen of nalaten (de wet spreekt meestal van "toedoen") van - doorgaans - de uitkeringsgerechtigde. Van een "toedoen" is onder meer sprake indien de uitkeringsgerechtigde een informatieverplichting niet of niet juist nakomt.
     Indien het daarentegen aan het uitvoeringsorgaan te wijten is dat er onverschuldigd werd betaald en het de uitkeringsgerechtigde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat er te veel of ten onrechte uitkering werd betaald, is terugvordering gedurende twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling van een uitkeringstermijn mogelijk. Voor de volledigheid zij vermeld dat er ook bijzondere terugvorderingsbepalingen
rblz.|26| bestaan die in meerdere of mindere mate afwijken van de beschreven algemene regel.

     In zijn advies van 19 januari 1988, kenmerk 88/171, stelt de Sociale Verzekeringsraad [SVr, red.] dat de terugvorderingsbepalingen, gelet op de daarin opgenomen terugvorderingsgronden, in bepaalde gevallen niet toereikend zijn om een onverschuldigd betaalde uitkering in mindering te brengen op een later alsnog te verstrekken andere uitkering. De SVr denkt hierbij met name aan de situatie dat er na een beroepsprocedure bij de rechter een arbeidsongeschiktheidsuitkering of ziekengeld verstrekt dient te worden over een periode waarover de bedrijfsvereniging reeds een werkloosheidsuitkering heeft toegekend en betaald. De huidige bepalingen staan in deze situatie veelal aan terugvordering in de weg.
     Eenzelfde probleem signaleert de SVr ten aanzien van de op de werkloosheidsuitkering verleende toeslag indien deze in hoogte afwijkt van de op het ziekengeld of de arbeidsongeschiktheidsuitkering te verlenen toeslag. De SVr adviseert om in de WW en de TW een bijzondere terugvorderingsbepaling op te nemen waarin een voorziening is getroffen voor de gesignaleerde knelpunten.
     Ik acht het eveneens een gemis dat de mogelijkheid om in de door de SVr geschetste situatie tot terugvordering over te gaan in de WW en de TW ontbreekt. De nieuwe bepalingen voorzien erin dat ook in deze situaties tot terugvordering kan worden overgegaan.

     In beginsel maakt het bij de nieuwe terugvorderingsbepalingen niet meer uit wat de oorzaak is voor het onverschuldigd zijn van de betaling. Het kan daarbij gaan om gevallen waarin een wijziging in de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten nopen tot herziening van de (primaire) toekenning. De oorzaak kan ook zijn dat een uitkeringsgerechtigde door een administratieve vergissing van het uitvoeringsorgaan meer krijgt dan waar hij op grond van de correcte toekenningsbeschikking recht op heeft. In al deze gevallen zal terugvordering moeten plaatsvinden.
     De voorgestelde tekst biedt tevens de mogelijkheid tot terugvordering van onverschuldigde betalingen na situaties van ongeoorloofde samenloop. Als voorbeeld moge hier worden genoemd een WAO-uitkeringsgerechtigde die een dienstverband op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) heeft en met terugwerkende kracht een verhoging van zijn WSW-loon krijgt, waardoor hij een te hoog bedrag aan aanvullende WAO-uitkering heeft ontvangen.

 

9.3. Aspecten van terugvordering


     De terugvordering omvat zowel het nemen van de terugvorderingsbeslissing als het effectueren van die beslissing (de tenuitvoerlegging). De verplichting om een terugvorderingsbeslissing te nemen, houdt in beginsel ook de verplichting in om ervoor te zorgen dat het teruggevorderde bedrag daadwerkelijk wordt betaald.

     Een uitvoeringsorgaan dat tot terugvordering wil overgaan, dient doorgaans drie beslissingen te nemen. In de eerste plaats de beslissing waardoor de uitkeringsgerechtigde juridisch in de juiste uitkeringssituatie wordt geplaatst, bijvoorbeeld door aantasting van een toekenningsbeslissing met terugwerkende kracht. Indien er louter sprake is van een betalingsfout, behoeft een dergelijke beslissing uiteraard niet genomen te worden.
     De tweede te nemen beslissing is de beslissing tot terugvordering. Deze beslissing, die onder meer het terugvorderingsbedrag en de grond waarop wordt teruggevorderd bevat, dient in alle gevallen te worden genomen.
    
rblz.|27| Op de derde beslissing ten slotte - deze is de invorderingsbeslissing, de beslissing omtrent de tenuitvoerlegging van het besluit tot terugvordering - wordt in het vervolg van deze toelichting afzonderlijk teruggekomen.

 

9.4. Tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering


     In het onderhavige wetsvoorstel is een aantal instrumenten voor de uitvoeringsorganen opgenomen die moeten bewerkstelligen dat de effectuering van de terugvorderingsbeslissingen sterk wordt vergroot. Evenals de terugvorderingsbeslissing dient de invorderingsbeslissing daarom in alle gevallen te worden genomen.

     Hoewel de terugvordering zowel het nemen van de terugvorderingsbeslissing als de tenuitvoerlegging omvat, zijn de terugvordering en de invordering (tenuitvoerlegging) in het wetsvoorstel duidelijk onderscheiden. Met name onder invloed van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (verwezen zij naar de uitspraak van 20 juli 1989, RSV 1989/304, en HR 10 augustus 1992, AB 1993/120) wordt de invorderingsbeslissing indien deze geen deel uitmaakt van de hoofdbeslissing, als een op zichzelf staande administratiefrechtelijke beslissing beschouwd. De invorderingsbepalingen zijn daarom in een afzonderlijk artikel ondergebracht. In de huidige tekst is, naast de terugvorderingsbevoegdheid, tevens de bevoegdheid tot het in mindering brengen van onverschuldigd betaalde uitkering op toekomstige termijnen van uitkering (verrekening) in één artikel opgenomen. Omdat verrekenen in feite een wijze van tenuitvoerlegging van terugvorderen is, is de verrekeningsmogelijkheid niet meer, zoals thans het geval is, opgenomen in het terugvorderingsartikel, maar in het invorderingsartikel.

     In dit wetsvoorstel wordt in gevallen waarin in verband met onverschuldigde betaling wordt teruggevorderd de mogelijkheid tot het "verrekenen" van onverschuldigd betaalde uitkeringen met andere uitkeringen verruimd in die zin dat ook kan worden verrekend met uitkeringen welke door andere organen worden betaald. Voor de goede orde zij vermeld dat het vanzelfsprekend is dat de uitvoeringsinstantie betrokkene eerst in de gelegenheid stelt vrijwillig te betalen. Pas indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt ingevorderd zoals hierna is aangegeven.

     Het invorderingsartikel geeft een zekere voorkeur aan voor de volgorde van te hanteren executiewijzen.
     Vooropstaat verrekening, tussen dezelfde partijen en met dezelfde uitkering. Daarna volgt inhouding door een ander uitvoeringsorgaan met afdracht aan het orgaan dat de terug te vorderen uitkering heeft betaald ("pseudoverrekening"). Nieuw in dit verband is dat onverschuldigde betalingen op grond van de loondervingsverzekeringen, de TW en de AAW in mindering kunnen worden gebracht op uitkeringen op grond van de AOW en de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), alsmede op grond van de hAbw
en de Ioaw of de Ioaz. Het kan voorkomen dat eerst tot terugvordering wordt overgegaan op het moment waarop de betrokkene bijvoorbeeld reeds de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. Voorts kan er in de AWW sprake zijn van samenloop van AWW-uitkering met een uitkering op grond van de loondervingsregelingen, de AAW of de TW. Het ligt daarom in de rede de "pseudoverrekeningsbepalingen" zich mede te laten uitstrekken tot AOW- en AWW-uitkeringen. In de nabestaandenregeling die - zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven - in een later stadium zal worden toegevoegd aan dit voorstel van wet zal op zijn beurt een bepaling worden opgenomen die het mogelijk rblz.|28| maakt onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkeringen in mindering te brengen op loondervingsuitkeringen en op een toeslag op grond van de TW.

     Een belangrijke verbetering in het kader van de tenuitvoerlegging van het besluit tot terugvordering is dat het besluit van het uitvoeringsorgaan tot terugvordering een executoriale titel oplevert die met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden ten uitvoer gelegd indien verrekening niet tot het gewenste resultaat leidt of niet mogelijk is. Ik verwacht dat ook deze bepaling ertoe zal leiden dat daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan waar dit mogelijk is.

     Tot op heden levert de beschikking van de bedrijfsvereniging en de gemeente geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel op. Dit leidt tot een ondoelmatige benutting van de middelen, omdat hierdoor vaak dubbele procedures moeten worden gevolgd. Deze dubbele procedures laten zich als volgt beschrijven:


a. Voor de bedrijfsvereniging en de SVB

     De bedrijfsvereniging en de SVB [lees: of de SVB, red.] neemt een nieuwe beslissing als zij constateert dat aan de belanghebbende geheel of gedeeltelijk ten onrechte een uitkering is verstrekt. Als de belanghebbende het niet met deze beslissing eens is, kan hij een bezwaarschrift indienen en vervolgens in beroep gaan bij de administratieve kamer van de rechtbank (voorheen: de Raad van Beroep) en in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Als de bedrijfsvereniging of de SVB in die procedures helemaal gelijk krijgt, staat vast dat zij onverschuldigd hebben betaald. Zij kunnen dan echter niet tot invordering overgaan, omdat zij nog niet over een executoriale titel beschikken. De bedrijfsvereniging en de SVB moeten dan vervolgens nog naar de kantonrechter of de rechtbank (afhankelijk van de hoogte van de vordering) om een executoriale titel te krijgen. De (administratieve) belasting die hieruit voortvloeit, is aanzienlijk. Dit wordt nog vergroot indien beroep wordt aangetekend. Ook de financiële lasten, onder meer de kosten van rechtsbijstand, drukken zwaar op de uitvoering. Deze executoriale titel wordt in principe zonder meer toegekend, gelet op de administratiefrechtelijke procedure die al is gevoerd bij de rechtbank en bij de Centrale Raad van Beroep over de onverschuldigde betaling. Ook als de belanghebbende geen of slechts ten dele gebruik heeft gemaakt van zijn beroepsmogelijkheden, moeten de bedrijfsvereniging en de SVB zich nog in een aparte procedure een executoriale titel verschaffen.


b. Voor de gemeenten

     Tegen een nieuwe beslissing van de gemeente kan de belanghebbende een bezwaarschrift indienen en vervolgens in beroep gaan bij de administratieve kamer van de rechtbank en in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Daarnaast moet de gemeente een aparte terugvorderingsprocedure starten bij de kantonrechter (deze is bevoegd ongeacht de hoogte van de vordering). De uitspraak van de kantonrechter levert een voor tenuitvoerlegging vatbare titel op.

     Sedert 1 augustus 1992 is de nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van kosten van bijstand in werking getreden (Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193). Hierin is al getracht om voor een deel deze dubbele procedures te voorkomen. In die regeling is opgenomen dat de ten onrechte verstrekte bijstand kan worden verrekend met de lopende bijstandsuitkering. Zodra de belanghebbende echter geen uitkering meer ontvangt, is verrekening niet meer mogelijk en moet de gemeente eerst weer een verzoekschrift tot nakoming indienen bij de kantonrechter rblz.|29| teneinde een executoriale titel te verkrijgen. Tijdens de parlementaire behandeling van de nieuwe terugvorderingsregeling is herhaaldelijk gewezen op de inefficiëntie daarvan. Vooralsnog is toen niet gekozen voor het verlenen van executoriale kracht aan de gemeentelijke beschikking.

     Als de belanghebbende zich wil verzetten tegen een directe tenuitvoerlegging, heeft hij de mogelijkheid om op grond van artikel 8:81 van de Awb bij de president van de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening, waaronder begrepen schorsing, in te dienen. Een andere mogelijkheid is dat de betrokkene zich verzet tegen executie met behulp van de middelen (artikel 438) van Rv. Een verschil met de huidige situatie is dat de belanghebbende nu rustig kan afwachten totdat de bedrijfsvereniging, SVB of de gemeente over een executoriale titel beschikt, terwijl hij dan zelf actie moet ondernemen om een executie te voorkomen. Dit is een wezenlijk verschil. In veel zaken is duidelijk dat zonder meer een executoriale titel wordt verleend en betekent een dergelijke extra procedure alleen maar een vertragingsmogelijkheid voor de belanghebbende. In de voorgestelde situatie is deze mogelijkheid verdwenen.

     Met betrekking tot de redactie van de pseudoverrekening kan nog worden opgemerkt dat nu duidelijk is dat het andere uitvoeringsorgaan dat wordt benaderd met een verzoek om inhouding en afdracht aan het orgaan dat de terug te vorderen uitkering heeft betaald, verplicht is daaraan mee te werken; de tekst zoals deze tot nu toe luidde, kon de indruk wekken dat dit een bevoegdheid is. De bepalingen betreffen uiteraard niet meer dan het terug te vorderen bedrag dat op dat moment na eventuele gedeeltelijke betaling nog openstaat. Het wordt aan de betrokken uitvoeringsorganen overgelaten om desgewenst afspraken te maken over termijnen van betaling.

     In het voorliggende wetsvoorstel is voorgesteld dat de uitvoeringsorganen in het algemeen bij de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering een bedrag in acht dienen te nemen dat gelijk is aan de beslagvrije voet van de artikelen 475c en 475d Rv. Hoewel de verplichting tot het in acht nemen van deze ondergrens in geval van verrekening al uit de artikelen 6:135, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 475c, 475d en 479i (2) Rv volgt, is een ondergrens nodig om voor de pseudoverrekening hetzelfde te laten gelden.

     Voor de goede orde zij vermeld dat de in het voorontwerp opgenomen bevoorrechting van vorderingen in dit voorstel is vervallen. Ten onrechte was voorbijgegaan aan het wetsvoorstel inzake voorrecht en bodemrecht (Kamerstukken II 1992-1993, 22 942), waarin sanering van de voorrechten wordt voorgesteld.

 

9.5. Verjaring


     Er wordt voorgesteld wijziging te brengen in de verjaringstermijnen voor terugvordering, in die zin dat wordt aangesloten bij de in het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijn voor onverschuldigde betaling.
     Met de thans geldende bepaling dat teruggevorderd kan worden gedurende een in de wet aangegeven aantal jaren na de dag van de betaalbaarstelling, is niet alleen aangegeven dat tot terugvordering kan worden besloten binnen een bepaald aantal jaren na de dag van betaalbaarstelling, maar ook over dat aantal jaren.
     Deze regeling was in tweeërlei opzicht een bijzondere regeling ten opzichte van de in het oude BW neergelegde (algemene) regeling omtrent verjaring van vorderingen uit onverschuldigde betaling. !n de eerste
rblz.|30| plaats vanwege de termijn waarbinnen tot terugvordering kon worden besloten (vijf jaar in plaats van dertig jaar), in de tweede plaats vanwege de termijn waarover tot terugvordering kon worden overgegaan (vijf jaar in plaats van maximaal 30 jaar).
     Bij de totstandkoming van deze bijzondere regeling is destijds bewust afgeweken van de op grond van het oude BW geldende verjaringstermijn. Een dergelijk lange termijn waarbinnen c.q. waarover alsdan terugvordering mogelijk zou zijn, werd in de socialeverzekeringswetten voor de uitkeringsgerechtigden niet wenselijk geacht.

     Sinds de invoering van Boek 3 van het nieuwe BW is de algemeen geldende verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling (artikel 309) aanzienlijk bekort. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat een dergelijke rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval 20 jaren nadat de vordering is ontstaan.
     Tegen deze achtergrond heb ik bezien of er aanleiding is om ten aanzien van de verjaringstermijn in de sociale verzekering voortaan aan te sluiten bij die van artikel 309 van
Boek 3 van het BW. Aansluiting bij de regeling in het nieuwe BW betekent eveneens in tweeërlei opzicht een verruiming ten opzichte van de huidige regeling.
     In gevallen waarin sprake is van onverschuldigde betaling door toedoen van de betrokkene kan onder de huidige regeling teruggevorderd worden gedurende vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling. Aansluiting bij het nieuwe BW betekent dat indien sprake is van toedoen van de betrokkene de periode waarbinnen tot terugvordering kan worden besloten niet langer wordt beperkt tot vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling. De beslissing tot terugvordering kan derhalve ook na een langere periode nog worden genomen, omdat de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling pas verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. Bovendien kan de terugvordering - anders dan in de huidige situatie - dan ook betrekking hebben op onverschuldigde betalingen over een periode gelegen vijf jaar of meer vóór de dag van de betaalbaarstelling.

     Gezien het feit dat het kan voorkomen dat de schuldeiser pas veel later van het bestaan van een vordering uit onverschuldigde betaling op de hoogte komt, bijvoorbeeld doordat de methoden om te frauderen steeds vernuftiger blijken te worden waardoor fraude soms pas na verloop van jaren wordt ontdekt, acht ik het niet wenselijk om voor deze gevallen nog langer een van het BW afwijkende regeling te hanteren. Ook een begrenzing van de periode waarover terugvordering kan plaatsvinden tot vijf jaar, acht ik ongewenst. Fraude mag immers niet lonend zijn.

     Evenmin is in het wetsvoorstel een van artikel 309 van Boek 3 van het BW afwijkende bepaling opgenomen voor de gevallen waarin het de betrokkene, zonder dat er sprake is van toedoen van de betrokkene, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het uitvoeringsorgaan onverschuldigd betaalde. Het feit dat de uitkeringsontvanger zelf geen rol heeft gespeeld in de foutieve toekenning is geen reden om hem eerder te vrijwaren van acties tot correctie en om hem eerder het ongerechtvaardigde voordeel te laten behouden. Naar mijn mening hoeft iemand die weet dat het uitvoeringsorgaan hem te veel heeft betaald niet meer wettelijke rechtszekerheid te genieten. Het verdient de voorkeur dat het uitvoeringsorgaan in alle gevallen een afweging maakt aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat niet bij voorbaat in de wet verschillende rblz.|31| gevolgen worden verbonden aan de omstandigheid dat betrokkene wel of niet door eigen toedoen te veel uitkering heeft ontvangen.

     Gelet op het vorenstaande ben ik van oordeel dat in alle terugvorderingsgevallen op grond van de socialeverzekeringswetgeving de verjaringstermijn van het BW moet gaan gelden.
     Door enkele uitvoeringsorganen is erop gewezen dat met name in de gevallen waarin te veel is betaald als gevolg van inkomsten als zelfstandige (van de betrokkene zelf of van de partner), de huidige terugvorderingstermijn van twee jaar veelal te kort is, doordat financiële jaargegevens, zoals de balans en de verlies- en winstrekening, pas verstrekt kunnen worden na afloop van het boekjaar. Door in alle gevallen aan te sluiten bij de verjaringstermijn voor onverschuldigde betaling die is neergelegd in het BW krijgen de uitvoeringsorganen meer tijd en armslag bij het nakomen van de verplichting tot terugvordering.

     In dit kader is voorts mede van belang het voorstel van wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (Kamerstukken II 1992-1993, 22 969).

     Dat wetsvoorstel - dat overigens in alle gevallen van terugvordering een rol kan spelen - beoogt een regeling in het leven te roepen waarmee kan worden tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. De regeling voorziet erin dat de rechter op verzoek van een natuurlijk persoon de in dat voorstel bedoelde schuldsaneringsregeling van toepassing kan verklaren, welke regeling een periode van ten hoogste vijf jaar kan belopen. Is een dergelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard waarin het uitvoeringsorgaan (één van de) schuldeiser(s) is, dan worden de invorderingsmogelijkheden van dat uitvoeringsorgaan mede beheerst door de daarvoor in het leven geroepen wettelijke bepalingen. Toepassing van de regeling kan ertoe leiden dat na beëindiging van die regeling niet alle vorderingen zijn voldaan. Hoewel de alsdan overblijvende schulden niet komen te vervallen, zijn deze niet langer afdwingbaar en rusten vanaf dat moment op de schuldenaar nog slechts natuurlijke verbintenissen.

     Naar mijn mening behoeft indien in het kader van de socialeverzekeringswetten sprake is van onverschuldigde betaling als gevolg van ernstige fraude, de in het bovenvermelde wetsvoorstel voorgestelde regeling het terugvorderingsbeleid niet te frustreren. In de memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel is uitgebreid ingegaan op een mogelijk misbruik van de schuldsaneringsregeling. De voorgestelde regeling biedt voldoende mogelijkheden om op dergelijke situaties in te spelen. Zo kan een verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling onder meer worden afgewezen indien het aannemelijk is dat de schuldenaar met betrekking tot het ontstaan van die schulden niet te goeder trouw is geweest.

 

10. Nadere regelgeving


     In het wetsvoorstel is voorzien in de mogelijkheid van gedelegeerde regelgeving met betrekking tot de weigering van uitkering, de oplegging van boeten en maatregelen en de terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering alsmede de tenuitvoerlegging daarvan. Naar mijn mening is dergelijke regelgeving die is gericht op de afstemming op het concrete geval noodzakelijk. Deze regels worden gepubliceerd, zodat alle (potentiële) uitkeringsgerechtigden bekend kunnen zijn met het beleid ter zake van de aanscherping van de handhaving. Hiervan zal een preventieve werking uitgaan. De wetgever kan in deze gevallen niet verder rblz.|32| gaan dan het aangeven van enige kaders waarbinnen de beslissing van het uitvoeringsorgaan dient te worden genomen. Nadere regelgeving binnen deze kaders is onontbeerlijk vanwege de diversiteit aan gevallen die zich kunnen voordoen. Hiermee wordt beoogd de rechtsgelijkheid te dienen.

     Bij het stellen van nadere regels is het van belang dat wordt aangegeven hoe de geïncasseerde gelden worden afgeboekt. Hoewel voorstelbaar is dat deze gelden fonds-fondsgewijze worden verdeeld over de vorderingen ter zake van de opgelegde boete en de terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering alsmede de eventueel hiermee gepaard gaande rente en kosten, is er veel voor te zeggen dat eerst tot incasso van de boete wordt overgegaan. Gezien het punitieve karakter van de boete en het nagestreefde lik-op-stukbeleid is het immers in het algemeen gewenst de tijd tussen het moment waarop de boete wordt opgelegd en het moment waarop de betrokkene de financiële consequenties daarvan ondervindt te beperken. In elk geval is het noodzakelijk dat herkenbaar is op welke titel ingevorderde bedragen worden geadministreerd. Hierdoor kan worden voldaan aan de eisen die in het kader van de rechtmatigheid aan de administratie van de uitvoeringsorganen worden gesteld.

     Bij voorkeur dienen nadere regels te worden gesteld op een niveau dat zo dicht mogelijk bij de praktijk ligt. Voor de sociale verzekeringen betekent dit, uitgaande van de huidige organisatiestructuur, dat de SVr is aangewezen als instantie die nadere regels moet stellen ter uitwerking van wettelijke kaders. De SVr is vanuit de toezichthoudende taak op de bedrijfsverenigingen en de SVB bekend met de uitvoeringspraktijk en is daarom in staat een nadere afstemming op de praktijk tot stand te brengen.
     Wat betreft nadere regelgeving inzake de boeten kan worden gedacht aan een tariefstelsel zoals het OM hanteert bij het opleggen van transacties. De regels van de Raad zijn afdwingbaar en beogen tussen uitvoerders onderling verschillen te voorkomen.
     Nadere regelgeving op het gebied van de terug- en invordering kunnen bepalingen bevatten met betrekking tot procedures en het vaststellen van termijnen waarbinnen bijvoorbeeld een betalingsregeling tot stand gekomen of opgelegd moet zijn. Ook zijn nadere regels nodig om de omvang van het terug te vorderen bedrag exact te kunnen vaststellen omdat zich zeer uiteenlopende situaties kunnen voordoen. Dit bedrag ware vast te stellen op het bedrag voor eventuele verrekening of beslaglegging en te verhogen met afgedragen premies en belastingen.

     De SVr zal worden verzocht op grond van zijn toezichthoudende taak regels te stellen die voorzien in een periodieke rapportage door de uitvoeringsorganen aan de Raad met betrekking tot de onderwerpen die in nadere regelgeving zijn vastgelegd. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het aantal gevallen waarin om dringende redenen geheel of gedeeltelijk van een verplichting is afgezien, het in een bepaalde periode genomen aantal beslissingen de teruggevorderde bedragen en het deel daarvan dat daadwerkelijk is ingevorderd, alsmede om de wijze waarop de invordering heeft plaatsgevonden (verrekening, inning op andere wijze). Aan de hand van deze gegevens kan de SVr controleren of de uitvoeringsorganen alert genoeg optreden. Mocht uit de rapportage blijken dat zulks niet het geval is of een te ruime toepassing geven aan het begrip "dringende redenen", dan kan de Raad nadere, meer stringente, voorschriften geven die een verdere bijdrage leveren aan het beoogde doel. Aan de SVr zal worden verzocht jaarlijks te rapporteren aan de minister over de realisatie van het beleid door de uitvoeringsorganen.

     rblz.|33| Wat hiervoor is geschetst met betrekking tot de sociale verzekeringen is deels van overeenkomstige toepassing op de hAbw, Ioaw en Ioaz. Wat betreft het opleggen van maatregelen kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. Hierbij is overwogen dat in de nota van wijziging op de herinrichting ABW [lees: nota van wijziging op het voorstel van wet houdende herinrichting van de Algemene Bijstandswet, red.] onder meer het streven is neergelegd om gemeenten meer beleidsverantwoordelijkheid te geven voor de bijstandverlening. Aan dit uitgangspunt wordt meer recht gedaan door het stellen van nadere regels afhankelijk te stellen van een specifieke afweging daaromtrent. Het zonder meer verplicht stellen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur is daarom minder gewenst.

 

11. Adviezen ¹


A. Advies van de Sociale Verzekeringsraad

     De SVr heeft op 4 november 1993 advies uitgebracht. In dit advies zijn de reacties van de Federatie van Bedrijfsverenigingen en de SVB, die daartoe door de Raad in de gelegenheid zijn gesteld, verwerkt. In zijn algemeenheid onderschrijft de Raad de voorstellen neergelegd in het wetsvoorstel om te komen tot een aanscherping van de handhaving. Op onderdelen heeft de SVr kanttekeningen. Hierop zal achtereenvolgens per onderwerp worden ingegaan.

1. Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.


De herziening

     De Raad acht een uitdrukkelijke opname van de herziening in de wet niet noodzakelijk. Indien daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld in geval van gewijzigde omstandigheden, vloeit uit het systeem van de wet reeds voort dat de uitvoeringsorganen verplicht zijn de uitkering te herzien. Bovendien wordt de uitvoering beheerst door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op grond waarvan beslissingen zorgvuldig genomen dienen te worden en gemotiveerd aan de betrokkenen kenbaar moeten worden gemaakt. Als aanscherping van de handhaving wordt aanbevolen de uitvoeringsorganen de bevoegdheid te verlenen om uitkeringen te schorsen bij ernstige vermoedens van gewijzigde omstandigheden alsmede om in afwachting van definitieve besluitvorming voorschotten te verstrekken die op eerste vordering direct terugbetaald moeten worden. Tot slot zou de verplichting aan de uitvoeringsorganen moeten worden opgelegd om elke beslissing in schriftelijke vorm aan betrokkenen mede te delen.

     Reactie: Met de herzieningsverplichting wordt beoogd de gevolgen van voor de uitkering relevante wijzigingen in de omstandigheden vast te leggen ter wijziging van de primaire beslissing. Met name wordt gedoeld op het aangeven van de gevolgen die zijn verbonden aan het achteraf kennisnemen door de uitvoeringsorganen van feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering of oplegging van een administratieve sanctie. Dat op meer gronden aanleiding zou kunnen bestaan de uitkering te herzien, was op zich onderkend. De wettekst in het voorontwerp luidt dan ook: "Onverminderd het elders in deze wet bepaalde omtrent herziening of intrekking van een besluit ... herziet in de volgende gevallen".
     Mede gelet op de onzorgvuldige uitvoeringspraktijk, zoals onder meer geconstateerd door de Centrale Raad van Beroep in zijn jaarverslag over 1992, is een opdracht aan de uitvoerders gewenst om het recht in overeenstemming met (gewijzigde) omstandigheden vast te leggen, alsmede de rechtsgevolgen daarvan, namelijk dat aan betalingen die in
rblz.|34| afwijking van de herziene beslissing zijn gedaan de rechtsgrond is komen te ontvallen, zodat terugvordering mogelijk is.
     De opmerkingen van de Raad [lees: SVr, red.] inzake schorsing en bevoorschotting staan in feite los van de herziening. Schorsing en bevoorschotting zijn reeds thans bestaande instrumenten die slechts hun effect in de toekomst kunnen hebben. Als zodanig beschouw ik deze instrumenten als aanvullend ten opzichte van de herziening. Als thans wordt geconstateerd dat de uitkering die reeds is verstrekt over het verleden moet worden herzien, kan - naar de toekomst toe - bij wijze van zekerheidsstelling worden geschorst of bevoorschot. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting op artikel 22a WW.


Administratieve sancties

     De Raad is het eens met het opvullen van de huidige leemten in het sanctiebeleid, bestaande uit het aanvullen van de wetten waarin thans geen sanctiebepalingen zijn opgenomen, inclusief de mogelijkheid tot het opleggen van sancties met terugwerkende kracht voor alle socialezekerheidswetten. De Raad is er niet van overtuigd dat het noodzakelijk is hiertoe een administratieve boete te introduceren. Niet is gebleken dat het bestaande systeem niet adequaat is.
     Wat betreft het onderscheid dat is gemaakt tussen overtreding van de informatieverplichting enerzijds en de overige verplichtingen gericht op het voorkomen van werkloosheid, het zo snel mogelijk uitstromen uit de uitkering en het nakomen van formaliteiten anderzijds, merkt de Raad op dat dit niet helder is en dat zeker een nadere toelichting noodzakelijk is. Ook meent de Raad dat in minder ernstige vormen van schending van de informatieverplichting in plaats van een boete een maatregel zou kunnen worden opgelegd.
     Er wordt getwijfeld aan de effectiviteit van de boete waar het de invordering betreft. Feitelijk betekent een opgelegde boete verlenging van de periode waarover moet worden teruggevorderd. Veelal is deze al erg lang.
     De Raad onderschrijft de stelling niet dat de boete wel en de maatregelen niet als straf zouden moeten worden aangemerkt. De Raad is van mening dat elke administratieve sanctie, boete of maatregel genoemd, moet voldoen aan de eisen die mensenrechtenverdragen daaraan stellen. Het Nederlandse rechtssysteem biedt naar het oordeel van de Raad evenwel voldoende waarborgen. Hierbij wordt met name gewezen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die in het bestuursrecht in acht moeten worden genomen alsmede de Awb. Ten aanzien van de onschuldpresumptie merkt de Raad op dat bestraffing door de administratie van eenvoudig vast te stellen feiten, waaraan geen beoordeling van opzet of schuld te pas komt en waarvoor tegenbewijs kan worden geleverd, impliceert dat de onschuldpresumptie niet in acht behoeft te worden genomen. Bij de administratieve sanctieoplegging gaat het evenwel niet steeds over eenvoudig vast te stellen feiten. Toch moet om redenen van effectiviteit aan de sanctieoplegging geen opschortende werking worden verbonden. Tot slot vraagt de Raad zich af of het aanvaardbaar is dat een boete achterwege blijft indien financiële benadeling van het uitvoeringsorgaan ontbreekt.
     De administratieve sancties in de WAO zijn op voorstel van de Raad aangepast.

     Reactie: In de toelichting is in de hoofdstukken 6 en 7 al uiteengezet dat ordening in de sanctiebepalingen gewenst is en waarom een boete noodzakelijk is om de leemten op te vullen. Het overtreden van de informatieverplichting is, zeker omdat hier een afzonderlijke strafbepaling voor bestaat, duidelijk te onderscheiden van de overige verplichtingen die specifiek zijn gericht op rblz.|35| het beperken van het "verzekerd risico". Het maken van onderscheid is noodzakelijk vanwege de consequenties die uitsluitend verbonden zijn aan oplegging van een sanctie bij schending van de informatieverplichting. Hierbij zij uitdrukkelijk melding gemaakt van het feit dat deze systematiek zich niet verdraagt met het maken van onderscheid tussen lichte en zware overtreding van de informatieverplichting met een afzonderlijk sanctieregime. Afweging van de ernst van het feit dient tot uitdrukking te komen in de hoogte van de boete. Hoewel met instemming is kennisgenomen van de opvatting van de Raad dat het bestaande rechtssysteem voldoende rechtsbescherming aan de betrokkenen biedt, ben ik toch van mening dat aan de oplegging van een boete zwaardere eisen moeten worden gesteld dan aan de oplegging van een maatregel. De reden hiervoor is dat de eerstgenoemde sanctie in tegenstelling tot de laatstgenoemde moet worden beschouwd als strafvervolging in de zin van het EVRM. In hoofdstuk 7 is hierop uitgebreid ingegaan. In de toelichting staat thans expliciet aangegeven dat ook de poging tot het onterecht verkrijgen van voordeel vatbaar kan zijn voor een boete.
     De effectiviteitsvraag is beantwoord aan het slot van hoofdstuk 9.


Samenloop

     De wettelijke verankering van het ne-bis-in-idembeginsel in de verschillende wetten heeft de instemming van de Raad.
     Geconstateerd wordt evenwel dat de wijze waarop dit beginsel zijn neerslag in het voorstel heeft gekregen niet spoort met de Richtlijn socialezekerheidsfraude. Voorts wordt gewezen op de noodzaak tot afstemming van de hoogte van de administratieve en de strafrechtelijke boete. Ook vraagt de Raad naar een motivering voor de kennisgevingsplicht met betrekking tot alle gevallen waarin een boete is opgelegd.

     Reactie: In de toelichting op artikel 27d WW is thans uiteengezet dat zolang het OM een zaak onderzoekt de boeteoplegging wordt opgeschort. Zo spoort de wettekst in tegenstelling tot het voorontwerp met de Richtlijn socialezekerheidsfraude. Kennisgeving van alle gevallen waarin een boete is opgelegd, is noodzakelijk ter vaststelling van recidive, alsmede ter verkrijging van algemene beleidsinformatie.


Verplichting tot sanctieoplegging

     De Raad kan instemmen met de verplichting tot het opleggen van administratieve sancties. De mogelijkheid om op grond van dringende redenen af te zien van verplichting biedt de uitvoering de mogelijkheid van een eigen invulling te geven aan het begrip "dringende redenen". Dit zou juist voorkomen moeten worden.
     De Raad acht het, vanuit het oogpunt van convergentie, gewenst dat hij zelf wordt aangewezen om nadere regels te stellen op grond waarvan van de verplichting kan worden afgezien. Afstemming van de boete op de ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid is te billijken, maar afstemming op persoonlijke omstandigheden zou als toetsingscriterium moeten worden geschrapt, omdat de bedrijfsverenigingen hiermee niet bekend zijn. De Raad constateert overigens een verschil tussen de boete en de maatregel op dit punt, omdat bij de maatregel laatstgenoemde toetsingsgrond niet is opgenomen.

     Reactie: Met tevredenheid wordt geconstateerd dat de SVr instemt met de verplichte oplegging van sancties. Ook onderkent de Raad dat uitzonderingen op de onvoorwaardelijke geformuleerde verplichting mogelijk moeten zijn.
    
rblz.|36| Bij het opleggen van een verplichting is ervan uitgegaan dat de uitvoeringsorganen zorgvuldig gemotiveerde besluiten nemen met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Op grond van dringende redenen kunnen zij onder omstandigheden concluderen tot het achterwege laten van een sanctie. Indien de wetgever de mogelijkheid tot het stellen van nadere regels zou vastleggen, zou de reikwijdte van de boeteverplichting niet langer door de wetgever worden bepaald. Voorts zouden uitzonderingssituaties limitatief kunnen worden opgesomd of in globale bewoordingen kunnen worden geformuleerd. Gezien de complexiteit en de diversiteit van de uitvoeringspraktijk is dat echter niet mogelijk. Het in globale bewoordingen schetsen van uitzonderingssituaties is ook onwenselijk omdat daarmee het gevaar ontstaat dat - mede door extensieve interpretatie - onbedoeld en in toenemende mate van de verplichting wordt afgezien.

     Mochten zich in de praktijk onoverkomelijke problemen voordoen, dan heeft de SVr de mogelijkheid tot het stellen van regels met het oog op een goede en gecoördineerde uitvoering van de sociale verzekeringen (artikel 48 OSV [Organisatiewet Sociale Verzekering, red.]; artikel 48 OSV is voor de SVB op overeenkomstige wijze van toepassing verklaard).
     Het afzien op grond van dringende redenen is overigens van andere orde dan de afstemming op de ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid. In het eerstgenoemde geval is een sanctie in het geheel niet aan de orde, in het laatstgenoemde geval wel, maar is de hoogte van de sanctie in het geding. Ik heb besloten ook de afstemming op de persoonlijke omstandigheden voor te schrijven bij de boeteoplegging, omdat het van mening is [lees: omdat ik van mening ben, red.] dat hier een parallel met het klassieke strafrecht bestaat. Het rekening houden met persoonlijke omstandigheden is daar gebruikelijk (zie bijvoorbeeld artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht). De vergelijking met het klassieke strafrecht gaat bij de maatregelen niet op. Daarom is wat betreft de sociale verzekeringen geen afstemming op persoonlijke omstandigheden voorgeschreven.


Reformatio in peius

     De Raad is het eens met het voorstel dat de rechter de bevoegdheid wordt gegeven in (hoger) beroep de primaire beslissing te wijzigen in het nadeel van de betrokkene, maar vraagt zich af of de wetgever dezelfde bevoegdheid in de bezwaarschriftenprocedure aan de uitvoeringsorganen toekent.
     Gewezen wordt op een niet geheel consistente redactie in het voorstel.

     Reactie: Ik ben van mening dat de reformatio in peius alleen zou moeten gelden voor de fase van beroep en hoger beroep. Hiervoor is aansluiting gezocht bij het voorstel van wet tot herziening van het stelsel van administratieve fiscale boeten (Kamerstukken II, 22 470). In de wettekst die in het voorontwerp was opgenomen, was abusievelijk een verwijzing naar artikel 7:11 Awb opgenomen. Dit is thans hersteld.


Uitbreiding van de mogelijkheid tot terugvordering

     De SVr geeft te kennen te kunnen instemmen met de in het wetsvoorstel neergelegde uitbreiding van de mogelijkheid tot terugvordering. Met deze uitbreidingsmogelijkheid is invulling gegeven aan de onder meer door de Raad gesignaleerde leemtes in de wetgeving.
     Naar de mening van de SVr wordt met de uitbreiding van de mogelijkheid tot terugvordering tevens in voldoende mate tegemoetgekomen aan de samenloopproblematiek zoals door de Federatie van
rblz.|37| Bedrijfsverenigingen (FBV) geschetst in haar brief van 13 september 1993 aan de Raad (bijlage 3 van het advies).


Scheiding reparatoire en punitieve regels

     Bij de terugvordering wordt volgens de SVr het beoogde heldere onderscheid tussen reparatoir en punitief karakter tenietgedaan. De terugvordering kan namelijk zowel een reparatoir (de uitkeringsgerechtigde juridisch in de juiste uitkeringspositie plaatsen) als een punitief karakter (sanctie met terugwerkende kracht) hebben.

     Reactie: Door het opleggen van een sanctie met "terugwerkende kracht" is (een deel van) de uitkering onverschuldigd betaald. Terugvordering is niet meer dan terughalen van hetgeen onverschuldigd is betaald. In de invordering is een onderscheid tussen reparatoir en punitief karakter niet te maken. Het beoogde heldere onderscheid tussen reparatoir en punitief karakter kan in de terugvorderingsbeslissing echter wel gemaakt worden door aan te geven welk bedrag teruggevorderd wordt wegens het juridisch in de juiste uitkeringspositie plaatsen van de uitkeringsgerechtigde en welk bedrag ten onrechte is betaald als gevolg van het opleggen van een sanctie met "terugwerkende kracht".


Terugvorderingsverplichting

     De SVr is van mening dat het omzetten van de mogelijkheid tot terugvordering in een verplichting daartoe in feite een bestendiging van de feitelijke situatie te zien geeft. Percentagegewijs gezien blijft de beslissing tot terugvordering slechts voor een klein deel achterwege (ITS-studie: 3 tot 4%; Tussen Schroom en Daad 8 tot 13% [lees: SVr-rapport "Tussen schroom en daad": 8 tot 13%, red.]), aldus de Raad. Daarom acht de Raad het omzetten van de mogelijkheid tot terugvordering in een verplichting niet de belangrijkste bijdrage aan een efficiënter terugvorderingsbeleid.

     Reactie: Hoewel de Raad dit terecht constateert, meen ik dat het toch om een niet te verwaarlozen percentage gaat waarin een beslissing tot terugvordering achterwege blijft. Bovendien houdt de terugvorderingsverplichting, zoals elders in deze toelichting is betoogd, niet alleen in het nemen van een beslissing tot terugvordering, maar ook het zorgen voor een daadwerkelijke inning van het teruggevorderde bedrag. Uit de ITS-cijfers valt af te leiden dat slechts een gering percentage van de onverschuldigd betaalde uitkering ook daadwerkelijk wordt terugbetaald. Daarom komen met name de voorstellen ter verruiming van het instrumentarium om tot een verbeterde invordering te komen - in die zin ben ik het met de SVr eens - meer tegemoet aan de doelstelling van een verbeterde fraudebestrijding.


Dringende redenen

     De SVr pleit ervoor de bepaling inzake het afzien van de verplichting tot terugvordering op grond van dringende redenen te doen vervallen en in plaats daarvan een verplichting voor de SVr op te nemen tot het stellen van regels ter zake.

     Reactie: Zoals in deze toelichting in het kader van de administratieve boete reeds is vermeld, is in het onderhavige voorstel van wet een bepaling omtrent het afzien van terugvordering/boete op grond van dringende redenen opgenomen. Verwezen moge worden naar de rblz.|38| artikelsgewijze toelichting onder artikel I, onderdeel A c.a., alsmede naar het hierboven bij de verplichting tot sanctieoplegging vermelde.


Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

     De SVr kan zich niet verenigen met de zienswijze dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur op één lijn gesteld moeten worden met bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden. De Raad wijst erop dat een aantal van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur [abbb, red.] zijn gecodificeerd in de Awb. Deze beginselen dienen naar de mening van de SVr zodanig te worden uitgelegd dat een uitvoeringsorgaan in een concreet geval niet gehouden is aan de dwingendrechtelijke bepaling tot terugvordering indien het daardoor in strijd zou komen met deze beginselen. De abbb beletten een rigide toepassing van de verplichting.

     Reactie: De in het wetsvoorstel neergelegde systematiek biedt geen mogelijkheid om vanwege het in acht nemen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur af te zien van de verplichting tot terugvordering. Slechts indien sprake is van dringende redenen kan van de verplichting worden afgezien. Bij invulling van de beleidsruimte ter zake dienen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te worden genomen.


Volgorde van te hanteren executiewijzen

     De SVr merkt op dat de tekst en toelichting van de onderscheiden invorderingsartikelen niet sporen met de al dan niet verplicht aangegeven voorkeur bij de wijze van tenuitvoerlegging.

     Reactie: De tekst van de memorie van toelichting is op dit punt verduidelijkt.


Beslagvrije voet

     De SVr ondersteunt de toepasselijkheid van de beslagvrije voet bij de tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete wordt opgelegd of van een besluit tot terugvordering. Wat betreft de beslagvrije voet moet geheel worden aangesloten bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het buiten werking stellen van de beslagvrije voet bij niet-nakoming van de informatieplicht met betrekking tot de financiële positie van de betrokkene is als stok achter de deur volgens de Raad niet nodig. Via de dwangmiddelen van het burgerlijk (proces)recht is nakoming van deze plicht af te dwingen.

     Reactie: Het voorstel van de Raad betekent dat weer een procedure moet worden gestart met de mogelijkheid van vertraging en wegwerken van financiële middelen. Bovendien brengt dit extra uitvoeringslasten met zich mee die uiteindelijk toch door de betrokkene moeten worden voldaan. Als drukmiddel is gekozen voor het laten vervallen van de beslagvrije voet bij onvoldoende inlichtingen van de betrokkene voor de tenuitvoerlegging van Wet boetebesluit [lees: Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, red.].


Verrekening met andere uitkering

     De SVr kan instemmen met de uitbreiding van de verrekeningsmogelijkheden met een andere uitkering. Naar de mening van de Raad leidt het vervallen van artikel 25 AKW echter tot niet-beoogde gevolgen.

     rblz.|39| Reactie: Met instemming neem ik kennis van de opvatting van de Raad. Artikel 25 AKW is gehandhaafd, hetgeen betekent dat de door de SVr gesignaleerde, niet-beoogde gevolgen niet zullen optreden.


Parate executie

     Op het punt van de parate executie is de SVr het niet met het voorstel eens. Het aantal situaties waarin deze executie mogelijk is, is zeer beperkt. Introductie van een nieuwe mogelijkheid vereist een grondige motivering. Deze ontbreekt in het voorstel. Een nadeel van parate executie is voorts dat burgerlijke rechten worden aangetast, hetgeen in principe strijdigheid met het EVRM oplevert.

     Reactie: Naar mijn mening is er geen strijdigheid met het EVRM. In de voorafgaande hoofdstukken, met name hoofdstuk 7, is hierop ingegaan. Overigens ontbreekt de argumentatie van de Raad.


Vereenvoudigd derdenbeslag

     Het voorstel tot vereenvoudigd derdenbeslag ondervindt instemming.


Rechtsbescherming

     Rechtsbescherming wordt niet alleen geboden door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Awb, maar ook door Rv (artikel 438). In de toelichting zou naar de mening van de Raad ook op deze laatste beroepsmogelijkheid moeten worden gewezen, alsmede op de mogelijke samenloop van deze twee beroepsmogelijkheden. Twee verschillende rechtsingangen acht de Raad overigens niet wenselijk. Hij adviseert dan ook om voor één daarvan te kiezen.

     Reactie: De toelichting is in hoofdstuk 9 op dit punt aangescherpt. Het betreft bestaande wettelijke mogelijkheden die niet identiek zijn. Van een samenloop kan daarom geen sprake zijn.


Overige opmerkingen met betrekking tot invordering

     Het uitvoeringsorgaan dient in het besluit tot oplegging van een boete respectievelijk het besluit tot terugvordering onder meer mededeling te doen van de wijze van tenuitvoerlegging. Naar de mening van de Raad volgt uit de redactie van de bepalingen dat het uitvoeringsorgaan zich in bedoeld besluit dient uit te spreken over de in dat concrete geval gemaakte keuze van de wijze van invordering. De toelichting spoort op dit punt niet met de tekst; daaruit valt op te maken dat er geen strikte verplichting in die zin wordt beoogd. De Raad adviseert de tekst meer in overeenstemming te brengen met hetgeen in de toelichting wordt vermeld, omdat de mededeling over de in dat concrete geval gemaakte keuze van de wijze van invordering de mogelijkheid beperkt om later op gewijzigde incassomogelijkheden te reageren.

     Reactie: De wettekst is aan de toelichting aangepast.


Terugbetalingsregelingen

     De SVr wijst erop dat bestaande wijzen van invordering (betaling ineens, terugbetalingsregeling) mogelijk moeten blijven. Hij adviseert om rblz.|40| deze mogelijkheden met zoveel woorden in de toelichting tot uitdrukking te brengen.

     Reactie: De Raad heeft gelijk in zijn constatering dat deze wijzen van invordering mogelijk moeten blijven bestaan. De wettekst vermeldt dan ook: ... bij gebreke van tijdige betaling.


Kosten van invordering

     De kosten van invordering van de boete of van hetgeen onverschuldigd is betaald zijn in het wetsvoorstel voor rekening van de betrokkene. De Raad acht de voorgestelde toerekening van de kosten van invordering niet wenselijk indien verwijtbaarheid bij de betrokkene ontbreekt. Hij wijst hierbij op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

     Reactie: De toerekening van kosten is eerst aan de orde indien niet tijdig wordt betaald. Dit is verwijtbaar. Het is naar mijn mening niet van belang dat hierbij de aanleiding tot de terugvorderingsactie wordt betrokken.


Bruto- of nettoterugvordering

     De SVr acht een verheldering over bruto- of nettoterugvordering noodzakelijk.

     Reactie: In de toelichting is één en ander verduidelijkt.


B. Advies van de Raad voor de gemeentefinanciën

     Op 29 september 1993 heeft de Raad voor de gemeentefinanciën (Rgf) geadviseerd inzake het deel van het wetsvoorstel dat betrekking heeft op wijziging van de hAbw, Ioaw en Ioaz. De Rgf wijst erop dat in het bijstandsakkoord Rijk-VNG wordt gestreefd naar beperking van regelgeving en vraagt zich af of het wetsvoorstel binnen dit algemene streven past. Voorts is de Rgf van oordeel dat de voorgestelde uitlichting uit het gemeentefonds van ƒ1 miljoen niet terecht is en dat in plaats daarvan een toevoeging meer in de rede ligt. Het daarvoor genoemde argument is dat oplegging van sancties onder de huidige regeling een discretionaire bevoegdheid is en dat daar minder werk aan vastzit dan aan een verplichte oplegging van sancties. Volgens de Rgf wordt de discretionaire bevoegdheid thans zodanig aangewend dat oplegging van een sanctie achterwege blijft in gevallen waarin de sanctie gezien de slechte financiële situatie van de betrokkene toch niet geëffectueerd kan worden.

     Naar mijn oordeel doet het wetsvoorstel, gelet op de hiernavolgende aspecten, geen afbreuk aan het streven naar minder regelgeving.
- Het wetsvoorstel beperkt zich tot hoofdlijnen. Weliswaar kunnen nadere regels worden gesteld, maar daarbij zal niet gestreefd worden naar uitputtende regelgeving en zullen noodzakelijke en wenselijk geachte marges voor de uitvoerder behouden blijven.
- Het administratief sanctiesysteem is gericht op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. In de praktijk zijn leemten geconstateerd in dit deel van het handhavingsbeleid.
     Zonder onderhavige wijziging wordt in die leemten onvoldoende voorzien.
- In het bijstandsakkoord Rijk-VNG is overeengekomen dat de afspraken kunnen worden bijgesteld indien nieuwe inzichten, bijvoorbeeld de bevindingen van de commissie-Van der Zwan en de
rblz.|41| commissie-Doelman-Pel, daartoe aanleiding geven. Het wetsvoorstel sluit goed aan bij de bevindingen van deze commissies, met name bij het rapport van de commissie-Van der Zwan, waarin juist meer nadruk op verificatie wordt gelegd en minder nadruk op spaarzamer regelgeving.

     Wat betreft de financiële consequenties gaf het advies van de Rgf mij aanvankelijk om de navolgende redenen geen aanleiding tot wijziging van het wetsvoorstel.
- De regeling in het wetsvoorstel is ten aanzien van het opleggen van maatregelen even verplichtend als de huidige regeling in de Rww [Rijksgroepsregeling werkeloze weknemers, red.].
- Net als in de huidige regeling wordt in het wetsvoorstel de maatregel afgestemd op de ernst van de misdraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de betrokkene. Daarnaast biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid om op grond van dringende redenen af te zien van het opleggen van een maatregel. Hierbij kunnen zowel immateriële als financiële aspecten worden betrokken. Het wetsvoorstel leidt derhalve uit dien hoofde niet tot extra uitvoeringskosten.
- De regeling ten aanzien van het opleggen van boeten is nieuw. Ook ten aanzien van de boete wordt in het wetsvoorstel echter bepaald dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de misdraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de betrokkene. Voorts kan op grond van dringende redenen worden besloten af te zien van het opleggen van een boete. Het door de Rgf gevreesde effect (meer werk dat niets oplevert) hoeft zich derhalve ook ten aanzien van de boete niet voor te doen.
- Het wetsvoorstel voorziet tevens in het vereenvoudigen van de regels met betrekking tot de inning van de boete en de terugvordering (het besluit tot oplegging van een boete of tot terugvordering levert een executoriale titel op). Dit betekent dat het genomen besluit - anders dan nu - ten uitvoer kan worden gelegd zonder tussenkomst van de rechter, hetgeen in beginsel uitvoeringskosten bespaart.
     Hoewel ik ten aanzien van deze argumenten mijn zienswijze niet heb gewijzigd, geeft een nadere beschouwing op het punt van de uitvoeringskosten, mede in verband met de wijziging van het wetsvoorstel inzake het zwijgrecht en de financiële consequenties van taalhulp in het boetetraject, mij aanleiding nader advies te vragen aan de Rgf. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 12.5.

 

12. Financiële gevolgen


12.1. Algemeen


     Het onderhavige wetsvoorstel maakt onderdeel uit van twee pakketten maatregelen gericht op intensivering van het handhavingsbeleid sociale zekerheid.
     De maatregel met betrekking tot de heffing van een administratieve boete maakt deel uit van een in de Miljoenennota 1992 voorgesteld pakket maatregelen. De geraamde opbrengst van het totale pakket bedroeg ƒ300 miljoen aan additionele premiebaten en besparingen op uitkeringen sociale zekerheid, waar een toename van de uitvoeringskosten van ƒ45 miljoen tegenover stond. De financiële opbrengst van de boete bij uitkeringsfraude sociale verzekeringen is destijds geschat op ƒ25 miljoen.
     Bij de nadere uitwerking van de maatregel is besloten deze ook van kracht te doen zijn voor de bijstandsregelingen. Ten opzichte van de raming in het kader van de Miljoenennota 1992 werd hierdoor tevens een besparing op de bijstandsuitgaven voorzien van ƒ10 miljoen.
     De maatregel met betrekking tot de verplichting tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen sociale verzekeringen is één van de actiepunten van het kabinet in het kader van de taskforce
rblz.|42| fraudebestrijding. In bijlage 22 Fraudebeleid van de Miljoenennota 1993 zijn in de financiële paragraaf de opbrengsten en de kosten van het voorgestelde fraudebeleid weergegeven. Voor het totale pakket maatregelen in de fiscale en sociale sfeer is een opbrengst geraamd van circa ƒ1,5 miljard, waar een toename van de uitvoeringskosten tegenover staat van ruim ƒ150 miljoen. Wat de uitkeringen sociale verzekeringen betreft, is in het pakket een besparing voorzien van in totaal ƒ85 miljoen. Hieraan zou de thans voorgestelde aanscherping van de terugvorderingsbepalingen met een geraamde opbrengst van ƒ55 miljoen een belangrijke bijdrage moeten leveren. Van de in de tabel vermelde uitvoeringskosten van ƒ14 miljoen is ƒ5 miljoen opgenomen als kosten die het gevolg zijn van deze aanscherping.

     Het totale financiële effect van het onderhavige wetsvoorstel is derhalve indertijd geraamd op ƒ85 miljoen (ƒ80 miljoen besparing op uitkeringen sociale verzekeringen, ƒ10 miljoen besparing op bijstandsuitkeringen, ƒ5 miljoen uitvoeringskosten). In het eerste jaar van invoering van de maatregel zou de opbrengst vanwege de aanloopeffecten minder hoog zijn en werd een netto-opbrengst geraamd van ƒ55 miljoen. Het betrof hier een eerste schatting van de effecten van de maatregelen, in deze memorie van toelichting wordt een nieuwe, meer onderbouwde raming van de effecten gepresenteerd.

     Op de raming van de financiële gevolgen is de vrij algemeen geldende regel van toepassing dat ramingen van maatregelen gericht op vermindering van misbruik en oneigenlijk gebruik in de sociale zekerheid tentatief van aard zijn. Het tentatieve karakter wordt in navolgende toelichting tot uitdrukking gebracht door expliciet aan te geven waar gebruik is gemaakt van feitelijke gegevens en waar veronderstellingen zijn gehanteerd. De opbouw van de toelichting van de financiële effecten is als volgt. Eerst wordt het effect van de verplichting tot terugvordering van onverschuldigd betaalde socialeverzekeringsuitkeringen toegelicht (paragraaf 12.2) en vervolgens het effect van de invoering van de administratieve boete (paragraaf 12.3). In paragraaf 12.4 wordt aangegeven wat de effecten zijn op de uitvoeringskosten van de uitvoeringsorganen en de rechterlijke macht. In paragraaf 12.5 wordt ingegaan op de adviezen van de SVr en de Raad voor de gemeentefinanciën.

 

12.2. Verplichte terugvordering socialeverzekeringssector


     De mate waarin terugvordering wordt ingesteld na constatering van fraude wordt in de eerste plaats bepaald door de omvang van de fraude met uitkeringen. In de tweede plaats is van belang in welke mate daadwerkelijk door de bedrijfsverenigingen en de SVB fraude met uitkeringen wordt geconstateerd. Wat dit laatste punt betreft, is de verwachting dat op korte termijn onder invloed van de acties van deze uitvoeringsorganen om de controle te intensiveren en de opsporing binnen de eigen organisatie vorm te geven, het aantal geconstateerde fraudegevallen zal oplopen en dus ook de opbrengst aan terug te vorderen bedragen zal kunnen toenemen. Zo wordt niet alleen meer dan voorheen gebruikgemaakt van het instrument van gegevensuitwisseling, ook wordt het aantal medewerkers dat belast is met opsporing en controle uitgebreid. Bovendien zullen de handhavingsbeleidsplannen van zowel bedrijfsverenigingen als SVB leiden tot een kwaliteitsverbetering en een verhoging van de fraudealertheid.

     Er zijn geen recente gegevens over de omvang van de fraude met uitkeringen sociale verzekeringen. Reeds een decennium geleden is door de ISMO-commissie een eerste inschatting gemaakt van de omvang van rblz.|43| de fraude bij de meest fraudegevoelige regelingen. Hierbij is bij de WW de fraude op 5% geraamd en bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen op 3,5%.
     Evenwel is niet bekend wat het effect is van het fraudebeleid van de afgelopen jaren op de omvang van de fraude.
     Wel is bekend wat de resultaten zijn van het fraudebeleid van de uitvoeringsorganen op de omvang van het aantal geconstateerde fraudegevallen. Volgens het CBS [Centraal bureau voor de statistiek, red.] is in 1993 door de bedrijfsverenigingen in 2450 gevallen fraude geconstateerd. Uitgedrukt in aantallen uitkeringsjaren gaat het om nog geen 0,2% geconstateerde fraude, waar dit bij de gemeenten de afgelopen jaren is toegenomen naar circa 6% in 1993.

     Er zijn minder mogelijkheden om te frauderen met uitkeringen sociale verzekeringen dan met bijstandsuitkeringen. Daarom is het percentage personen dat fraudeert met een uitkering veel lager dan bij de bijstand. Desondanks moet het naar mijn mening niet worden uitgesloten dat de bedrijfsverenigingen de komende jaren het percentage geconstateerde fraudegevallen zullen weten op te voeren van 0,2% in 1993 naar 1,0%. Bij een volume van 1,4 miljoen uitkeringsjaren krachtens WW, ZW, WAO en AAW komt dit neer op 14 000 geconstateerde fraudegevallen. Hier komen de door de SVB op te sporen fraudegevallen nog bij, al is de fraudegevoeligheid van de regelingen AOW, AKW en AWW minder dan van de werknemersverzekeringen. Indien het hier in totaal om 1000 fraudegevallen per jaar zou gaan, zou het aantal geconstateerde gevallen van uitkeringsfraude sociale verzekeringen kunnen oplopen naar 15 000 gevallen per jaar.
     Volgens de statistiek Fraudedelicten van het CBS bedroeg het gemiddelde fraudebedrag bij de bedrijfsverenigingen van de in 1993 beëindigde onderzoeken ƒ10 000,-. In de structurele situatie zal op grond van dit uitgangspunt het mogelijk moeten zijn jaarlijks ƒ150 miljoen aan fraude met uitkeringen sociale verzekeringen op te sporen. Door de wijziging van de bevoegdheid tot terugvorderen in een verplichting zal dan ook een dergelijk bedrag in de debiteurenadministratie van de uitvoeringsorganen worden opgenomen.

     Om de additionele opbrengst van de maatregel te kunnen bepalen, moet dit bedrag worden afgezet tegen hetgeen onder de vigerende omstandigheden aan teruggevorderde bedragen wordt geïnd. Uit het SVr-rapport "Tussen schroom en daad" blijkt dat in 1988 slechts voor ƒ2,4 miljoen aan uitkeringen is teruggevorderd en dat hiervan 6% daadwerkelijk is geïnd. Sindsdien is de situatie aanzienlijk verbeterd en is zowel het teruggevorderde bedrag als het daadwerkelijk geïnde bedrag aanzienlijk opgelopen. Uit het ITS-rapport "Afhandeling van uitkeringsfraude" (1992) blijkt dat in 1991 in 4% van de gevallen niet is teruggevorderd. Van de overige gevallen werd gemiddeld 80% van het fraudebedrag teruggevorderd. Hiervan werd in 76% het teruggevorderde schadebedrag terugbetaald of was men bezig met terugbetalen, terwijl in 12% van de gevallen de terugbetaling moeizaam verliep. Het succespercentage is aldus geraamd op 80% (76% + een derde deel van de moeizaam verlopende terugbetalingen). De in het wetsvoorstel vastgelegde verplichting voor de SVr tot het stellen van nadere regels inzake de invordering zal tot een verhoging van het bedrag aan invorderingen leiden.

     Op basis van deze cijfers is de volgende opbrengst berekend, uitgaande van een fraudebedrag van ƒ150 miljoen:
1. Van het fraudebedrag van ƒ150 miljoen wordt thans in 96% van de gevallen teruggevorderd, met gemiddeld 80% van het fraudebedrag. Het teruggevorderde bedrag bedraagt in de huidige situatie derhalve ƒ115 miljoen (150 * 0,96 * 0,80).
rblz.|44| 2. Het daadwerkelijk geïnde bedrag bedraagt in de huidige situatie 80% van ƒ115 miljoen, ofwel ƒ92 miljoen.
3. Afgezet tegen de beoogde opbrengst van ƒ150 miljoen bedraagt de additionele opbrengst van de maatregel tot verplichte terugvordering derhalve ƒ58 miljoen.

     Bij deze raming zijn twee kanttekeningen te maken. Enerzijds zal het bedrag aan feitelijk te innen vorderingen geringer kunnen uitvallen, omdat in een aantal gevallen de financiële mogelijkheden van de cliënt die gefraudeerd heeft beperkt zijn. Anderzijds zal dit bedrag hoger kunnen uitvallen, omdat een deel van de te verwachten opbrengst van de terugvorderingen niet betrekking heeft op geconstateerde fraude. In een aantal gevallen worden om andere redenen met terugwerkende kracht achteraf onjuist gebleken toekenningsbeslissingen gecorrigeerd, bijvoorbeeld ingeval er sprake is geweest van een betalingsfout. Ook voor deze gevallen zou de maatregel een extra opbrengst kunnen genereren.
     Omdat geen informatie voorhanden is over beide effecten en deze tegengesteld zijn, is besloten hiermee geen rekening te houden en de tentatieve opbrengst te ramen op de reeds voornoemde ƒ58 miljoen. Hierop dienen de in paragraaf 12.4 beschreven uitvoeringskosten in mindering te worden gebracht.

     Bij een van kracht worden van de maatregel per 1 januari 1995 is de opbrengst in dat jaar vanwege de aanloopeffecten minder hoog, omdat de terugvorderingstermijn zich in een aantal gevallen over meerdere jaren uitstrekt. Uit voornoemd ITS-rapport blijkt dat het hier om een gemiddelde terugvorderingstermijn gaat van 2,6 jaar. Voorts zal, in de gevallen waarin het uitvoeringsorgaan eerst de boete int, het tijdstip waarop met de terugbetaling van de te veel of ten onrechte ontvangen uitkering wordt begonnen gemiddeld vier maanden later liggen. Om deze reden is, rekening houdend met een aanloopfase, verondersteld dat in 1995 de opbrengst beperkt blijft tot 40% van het structurele niveau, ofwel ƒ23 miljoen.
     Op de lange termijn wordt een grotere preventieve werking voorzien van het handhavingsbeleid van de uitvoeringsorganen, waardoor de omvang van de fraude en in aansluiting hierop de omvang van de geconstateerde fraude zal kunnen dalen.

 

12.3. Het opleggen van administratieve boeten


     Ik voorzie zowel preventieve als meetbare resultaten van de maatregel tot invoering van de administratieve boete. Wat de preventieve effecten betreft, wordt voorzien dat de informatiebepaling beter zal worden nageleefd en dat daardoor de omvang van onterecht verstrekte uitkeringen zal afnemen. Hierdoor wordt op de uitkeringslasten bespaard. Daarnaast zal er een opbrengst zijn vanwege het opleggen van administratieve boeten. De opbrengst van de administratieve boete is uitsluitend afkomstig van die gevallen waarbij geen strafrechtelijke afdoening plaatsvindt. Het gaat hier in het algemeen om gevallen met een geconstateerd fraudebedrag beneden de ƒ6000,- en om gevallen met een fraude tussen ƒ6000,- en ƒ12 000,- waarbij het OM in overleg met het uitvoeringsorgaan niet voor strafrechtelijke afdoening heeft gekozen. Ten opzichte van de huidige situatie waar administratieve sancties worden opgelegd, is sprake van een uitbreiding, omdat voortaan boeten worden opgelegd aan personen die op het moment dat fraude is geconstateerd geen uitkering meer ontvangen.

     Waar in dit wetsvoorstel voor de omzetting van de bevoegdheid om onverschuldigde betalingen terug te vorderen in een verplichting niet met preventieve effecten rekening is gehouden, wordt daarentegen wel rekening gehouden met een preventief effect van de oplegging van een rblz.|45| administratieve boete. Immers, hierdoor zal degene die heeft gefraudeerd meer moeten terugbetalen dan het gefraudeerde bedrag en zal fraude derhalve niet lonen. Omdat het hier om een gedragseffect gaat, is de omvang moeilijk in te schatten. Voorshands is verondersteld dat circa 40% van de opbrengst van de maatregel het gevolg zal zijn van de preventieve werking.

     Vanwege het tentatieve karakter van de raming van de preventieve effecten richt de financiële onderbouwing zich met name op de opbrengst aan administratieve boeten. De opbrengst hiervan wordt bepaald door de mate waarin daadwerkelijk fraude met uitkeringen zal worden geconstateerd door gemeenten, bedrijfsverenigingen en SVB. Hierbij wordt naast de in paragraaf 12.2 vermelde 15 000 fraudegevallen sociale verzekeringen rekening gehouden met 25 000 gevallen van bijstandsfraude. Ingeval bij een succesvol fraudebeleid op langere termijn de omvang van de fraude en in aansluiting hierop ook de omvang van de geconstateerde fraude zal dalen, zal de opbrengst van de voorgestelde administratieve boete in de toekomst kunnen afnemen.

     Wat betreft de socialeverzekeringssector is verondersteld dat voor ƒ15 miljoen aan administratieve boeten zal kunnen worden opgelegd, waar ƒ10 miljoen bij komt vanwege de preventieve werking. Bij de bijstand wordt een jaarlijkse (additionele) opbrengst van ƒ7 miljoen aan administratieve boeten voorzien, de preventieve effecten bij de bijstandsregelingen zijn op ƒ5 miljoen geraamd. De totale bruto-opbrengst van de maatregel komt aldus uit op ƒ37 miljoen (ƒ25 miljoen sociale verzekeringen; ƒ12 miljoen bijstandsregelingen). Hierop dienen de in paragraaf 12.4 beschreven uitvoeringskosten in mindering te worden gebracht. Omdat aan de inning van de boete in de praktijk naar verwachting voorrang zal worden gegeven en de boete over het algemeen lager zal zijn dan de teruggevorderde bedragen, zal de structurele opbrengst van de boete eerder kunnen worden gerealiseerd dan bij de terugvordering. De raming van de opbrengst aan administratieve boeten is gebaseerd op de volgende gegevens en veronderstellingen.


a. Sociale verzekeringen

     Op dit moment is het aantal sanctiegevallen en dus ook de opbrengst van de sancties vrij gering. Volgens CBS en SVr gaat het hier om circa 200 tot 300 gevallen per jaar.
     Uit het ITS-rapport "Afhandeling van uitkeringsfraude" blijkt dat in 46% van de gevallen waarin fraude is geconstateerd en de betrokkene op dat moment nog een uitkering had, bedrijfsverenigingen overgaan tot het treffen van een administratieve sanctie. Gemiddeld wordt gedurende acht tot dertien weken een korting op de uitkering gelegd van gemiddeld 15%. Bij een gemiddelde weekuitkering van ƒ600,- gaat het hier om een opbrengst van ƒ900,- per geval (ƒ600,- * 0,15 * 10 weken). In totaal bedraagt de opbrengst op dit moment derhalve slechts ƒ0,2 tot ƒ0,3 miljoen per jaar.

     Om drie redenen zal de opbrengst van de opgelegde sancties in de toekomst aanzienlijk kunnen toenemen. In de eerste plaats zullen door de verplichting om een administratieve boete op te leggen, gekoppeld aan de mogelijkheid om dit ook te doen in gevallen dat de uitkering reeds is beëindigd, extra inkomsten kunnen worden gegenereerd. In de tweede plaats zal via de beleidsplannen handhaving de aandacht voor uitkeringsfraude de komende jaren toenemen. In de derde plaats kan door een aanscherping van het handhavingsbeleid het huidige gemiddelde sanctiebedrag worden verhoogd tot ƒ1000,- per geval. Dit alles leidt tot de conclusie dat het mogelijk moet zijn voortaan circa ƒ15 miljoen rblz.|46| aan administratieve boeten op te leggen (15 000 gevallen van gemiddeld ƒ1000,-). Samen met het tentatief geraamde preventief effect van ƒ10 miljoen wordt dus circa ƒ25 miljoen bespaard op de uitkeringen werknemersverzekeringen (ƒ14 miljoen) en volksverzekeringen (ƒ1 miljoen).


b. Bijstandsregelingen

     Het CBS constateert een toeneming van het aantal geconstateerde fraudegevallen door sociale diensten van bijna 14 000 in 1991 naar ruim 22 000 in 1993. Bij confrontatie van de CBS-cijfers met de resultaten van de afhandeling van belastingsignalen bleek dat circa 10 000 gevallen van in 1993 geconstateerde fraude niet in de CBS-registratie zijn opgenomen. Met bijtelling van deze gevallen zijn in 1993 circa 32 000 fraudegevallen geconstateerd. Hiervan komen de zwaardere fraudegevallen (volgens globale opgave van het OM 6500 gevallen in 1993) in aanmerking voor strafrechtelijke afhandeling. De resterende fraudegevallen (25 500 ofwel circa 80% van het totaal van 32 000 gevallen) behoren tot de doelgroep van personen aan wie een administratieve boete kan worden opgelegd.
     Omdat het beeld in 1993 is vertekend door het grote aantal fraudegevallen dat via de verwerking van de belastingsignalen is opgespoord, is bij de berekening van de opbrengst van de administratieve boete uitgegaan van 25 000 fraudegevallen per jaar. Bij 80% hiervan, ofwel in 20 000 gevallen, zal een administratieve boete kunnen worden opgelegd.

     Uit voornoemd onderzoek van ITS blijkt dat in 59% van de gevallen de uitkering is beëindigd en er derhalve op grond van de huidige regelgeving geen administratieve sanctie kan worden ingesteld. Dit betekent dat deze categorie van 20 000 personen kan worden onderverdeeld in 12 000 gevallen waar de huidige regelgeving geen mogelijkheden biedt tot administratieve sanctionering en in 8000 gevallen waar dit wel mogelijk is. Uit het ITS-onderzoek blijkt tevens dat in 10% van de geconstateerde fraudegevallen, ofwel in 2500 gevallen, daadwerkelijk een administratieve sanctie wordt ingesteld. Omdat in de wet de bevoegdheid om een administratieve sanctie op te leggen wordt omgezet in een verplichting, is de verwachting dat het aantal sancties met 17 500 gevallen zal toenemen naar 20 000 gevallen.

     Uit het ITS-onderzoek blijkt dat gemeenten bij een gemiddeld fraudebedrag van de gevallen waarbij een sanctie is toegepast van ruim ƒ8500,-, ongeveer ƒ400,- aan korting hebben opgelegd op de uitkeringen (gemiddeld 9% korting op een uitkering van gemiddeld ƒ1800,- gedurende gemiddeld 2,5 maand). De huidige opbrengst aan administratieve sancties kan aldus worden geschat op circa ƒ1 miljoen. Onder de veronderstelling dat de gemiddelde administratieve boete eveneens ƒ400,- zal bedragen, wordt de toekomstige opbrengst op ƒ8 miljoen geraamd (20 000 * 400), waarmee de additionele opbrengst aan administratieve boetes op ƒ7 miljoen wordt geraamd. Samen met het tentatief geraamde preventieve effect van ƒ5 miljoen wordt derhalve circa ƒ12 miljoen bespaard op de bijstandsuitkeringen.
     Gelet op de verdeling van de uitkeringslasten over de begroting van SZW (90%) en het gemeentefonds (10%) zal ƒ10,8 miljoen van deze besparing neerslaan op de begroting van SZW. Tevens zal conform de bepalingen van het bestuursakkoord tussen Rijk en VNG ƒ1,2 miljoen dienen te worden gelicht uit het gemeentefonds.

rblz.|47| 

12.4. Uitvoeringskosten


     Tegenover de opbrengst van beide maatregelen staan ook extra uitvoeringskosten bij de uitvoeringsorganen en extra kosten voor de rechterlijke macht.
     Wat de uitvoeringskosten bij de uitvoeringsorganen betreft, zijn de terugvorderingskosten veel hoger dan de kosten van de boeteoplegging. Dit komt omdat de meeste tijd met betrekking tot het nader onderzoek ingeval fraude wordt vermoed, is gemoeid met het rond krijgen van het bewijs dat fraude is gepleegd, waarna vervolgens het schadebedrag wordt vastgesteld. Dit leidt tot een terugvordering van onverschuldigde betalingen waarbij de betaling van het teruggevorderde bedrag door de debiteurenadministratie van het uitvoeringsorgaan wordt bewaakt. In aansluiting op het besluit tot terugvordering kan het proces betreffende de boeteoplegging worden afgerond. De ambtenaar die belast is met de boeteoplegging kan in het algemeen gebruikmaken van de informatie die is verzameld ten behoeve van de constatering van de fraude en de vaststelling van het terug te vorderen bedrag. Daarom kan het additionele sanctietraject beperkt zijn en komt de inning van de boete, nu die voorrang heeft op de inning van de boete, tijdelijk in de plaats van de inning van het teruggevorderde bedrag. Omdat bij de uitkeringsadministraties nog geen ervaring is opgedaan met het boete-instrument, kunnen de kosten hiervan slechts op basis van een niet op voorhand te verifiëren veronderstelling tentatief worden geraamd. Voorts zullen uitvoeringskosten kunnen voortvloeien uit de procedurele waarborgen waarmee het boetetraject is omgeven, zoals het zwijgrecht en taalhulp. Hieromtrent wordt nader advies gevraagd aan de Raad voor de gemeentefinanciën (zie paragraaf 12.5).

     Wel is er enig inzicht in de uitvoeringskosten van de terugvordering. Op basis van een op verzoek van het ministerie van SZW verricht onderzoek naar de uitvoeringskosten van de terugvorderingsactiviteiten bij gemeenten is berekend dat de uitvoeringskosten per nieuw terugvorderingsgeval circa ƒ400,- bedragen. Ook brengt het onderhoud van het debiteurenbestand kosten met zich mee, welke kosten in voornoemd onderzoek zijn berekend op gemiddeld ƒ175,- per geval per jaar. Gelet op de overeenkomst in procedures tussen gemeenten en bedrijfsverenigingen, ligt het in de rede deze bedragen ook te hanteren voor de socialeverzekeringssector.


a. Sociale verzekeringen

     De additionele kosten van de terugvorderingsactiviteiten bij de sociale verzekeringen na invoering van het wetsvoorstel zijn als volgt berekend.
1. De kosten van de nieuwe gevallen bedragen bij een gemiddelde van 15 000 gevallen per jaar en ƒ400,- per geval ƒ6 miljoen per jaar.
2. Op basis van de uitkomst van voornoemd ITS-onderzoek dat de gemiddelde terugvorderingsperiode 2,6 jaar bedraagt, zijn de kosten van het debiteurenbestand geraamd op ruim ƒ6,8 miljoen (ƒ175,- * 2,6 * 15 000).
3. De totale kosten komen hiermee uit op bijna ƒ13 miljoen, een belangrijk deel van deze kosten zijn echter al verwerkt in het huidige beeld. De toename van de kosten hangt voornamelijk samen met de toename van de opbrengst van de maatregel met ƒ58 miljoen van ƒ92 miljoen naar ƒ150 miljoen. Onder de veronderstelling dat hier sprake is van een overeenkomstige uitbreiding, zouden de uitvoeringskosten bij de bedrijfsverenigingen en SVB toenemen met bijna ƒ5 miljoen (58/150 * ƒ13 miljoen).

     rblz.|48| Voorts zullen de uitvoeringskosten toenemen uit hoofde van de kosten van de boeteoplegging.
     Deze kosten zijn alleen van toepassing voor de 80% van de fraudegevallen die in aanmerking komen voor administratiefrechtelijke afhandeling. Indien wordt uitgegaan van de veronderstelling dat per fraudegeval waarin een boete wordt opgelegd de kosten van de boeteoplegging gelijk zijn aan 10% van de kosten van de terugvordering, dan komen deze kosten voor de SV-sector [socialeverzekeringssector, red.] uit op ruim ƒ1 miljoen (13 * 0,1 * 0,8). Omdat in de huidige situatie het aantal sanctiegevallen beperkt is (volgens CBS en SVr circa 200 tot 300 gevallen per jaar), gaat het hier vrijwel geheel om additionele kosten.
     In totaal nemen de uitvoeringskosten bij de bedrijfsverenigingen en de SVB derhalve toe met circa ƒ6 miljoen. Omdat in het eerste jaar het debiteurenbestand nog niet op het structurele niveau zit, zullen de kosten in het jaar van invoering niet met ƒ6 miljoen, maar met ƒ4 miljoen toenemen.


b. Bijstandsregelingen

     Voor de gemeenten is alleen de invoering van de administratieve boete van belang. Voor de berekening van de extra uitvoeringskosten vormen de kosten van de terugvorderingsactiviteiten evenwel de basis.
     Bij de gemeenten bedragen bij een aantal van 25 000 fraudegevallen per jaar de onderzoekskosten van terugvorderingen ruwweg ƒ10 miljoen (400 * 25 000). De gemiddelde terugvorderingsperiode is evenwel langer dan bij de socialeverzekeringssector en is op vier jaar geschat. De kosten van het beheer van het debiteurenbestand zullen aldus uitkomen op ƒ17,5 miljoen (175 * 4 * 25 000). De totale kosten van de terugvorderingsactiviteiten komen derhalve uit op ƒ27,5 miljoen per jaar.
     Indien dezelfde veronderstellingen worden gehanteerd als bij de SV-sector, dan zijn de kosten van de boeteoplegging van toepassing voor 80% van de terugvorderingspopulatie en zijn de kosten van de boeteoplegging gelijk aan 10% van de kosten van de terugvordering. Op basis hiervan bedragen deze kosten voor de gemeenten circa ƒ2,2 miljoen (27,5 * 0,1 * 0,8). Omdat in de huidige situatie al in circa 2500 gevallen een administratieve sanctie wordt opgelegd en in de toekomstige situatie in 20 000 gevallen, zijn de additionele kosten van toepassing op 17 500 nieuwe sanctiegevallen en bedragen deze derhalve ruim ƒ1,9 miljoen (17 500/20 000 * 2,2).


c. Rechterlijke macht

     Het onderhavige wetsvoorstel is een onderdeel van een omvangrijk pakket maatregelen ter intensivering van de handhaving in de sociale zekerheid. Onderkend wordt dat deze intensivering zal leiden tot een verzwaring van de werklast van Justitie. Met het oog hierop zijn reeds extra middelen aan Justitie ter beschikking gesteld.
     De gevolgen voor de rechterlijke macht van het onderhavige wetsvoorstel kunnen met de thans beschikbare informatie niet nauwkeurig worden afgebakend en gekwantificeerd. Daarom wordt hier slechts een kwalitatief beeld geschetst. De feitelijke consequenties zullen in een later stadium worden bezien.

     Geplaatst in het kader van algemene intensivering van de handhaving zal het onderhavige wetsvoorstel verschillende effecten hebben op de uitvoeringskosten van de rechterlijke macht.
     De kosten voor de rechterlijke macht zullen naar verwachting toenemen door de aanscherping van de regelgeving. Uitvoeringsorganen zullen vaker dan thans het geval is, overgaan tot terugvordering. Een deel van de
rblz.|49| uitkeringsgerechtigden zal tegen een dergelijke beslissing van het uitvoeringsorgaan beroep aantekenen en zich tot de rechter wenden. Het is niet goed mogelijk vast te stellen welk deel van de uitkeringsgerechtigden hiertoe zal overgaan, waardoor uitvoeringskosten niet precies te bepalen zijn.
     Dit wetsvoorstel bevat echter tevens een aantal elementen die kunnen leiden tot een ontlasting van de rechterlijke macht. In de eerste plaats heeft het wetsvoorstel tot gevolg dat het besluit tot terugvordering executoriale kracht heeft, terwijl in de huidige situatie het uitvoeringsorgaan bij gebreke van vrijwillige betaling naar de (civiele) rechter moet. Na het van kracht worden van dit wetsvoorstel zal de rechter (en dat zal de bestuursrechter zijn) alleen nog in actie behoeven te komen als de belanghebbende daartoe het initiatief neemt.
     In de tweede plaats kunnen fraudegevallen beneden de ƒ12 000,- voortaan via een administratiefrechtelijke sanctie worden afgedaan zonder tussenkomst van de strafrechter. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat besluiten met betrekking tot de administratieve boete zoveel mogelijk worden gecombineerd met besluiten tot terugvordering, waardoor wordt bereikt dat de bestuursrechter zoveel mogelijk besluiten in één keer kan toetsen. Hierdoor worden dubbele procedures voorkomen.

     Concluderend kan worden gesteld dat de gevolgen van het wetsvoorstel voor de uitvoeringskosten van de rechterlijke macht niet duidelijk in kaart kunnen worden gebracht. Om deze reden is besloten tot een evaluatie van de regelgeving waarbij wordt nagegaan wat het feitelijke effect is geweest. Op basis van deze evaluatie zal worden beoordeeld of alsnog tot compensatie moet worden overgegaan.

 

12.5. Advies van de Sociale Verzekeringsraad en de Raad voor de gemeentefinanciën


     Als onderdeel van de adviesaanvraag aan de SVr over de gevolgen van de maatregel voor de socialeverzekeringssector is ook advies gevraagd over de financiële gevolgen. De Raad heeft op 4 november 1993 advies uitgebracht over het wetsvoorstel, maar zich hierbij beperkt tot de inhoud. In het advies is aangegeven dat de SVr de SVB en de FBV heeft verzocht enige kwantitatieve gegevens te leveren. Omdat de door de uitvoeringsorganen geleverde informatie te fragmentarisch was, heeft de Raad in juni 1994 besloten geen advies uit te brengen over de financiële gevolgen.

     Over de financiële gevolgen van de maatregel voor de gemeenten is 16 juli 1993 advies gevraagd aan de Raad voor de gemeentefinanciën (Rgf). In de adviesaanvraag is indertijd aangegeven dat op basis van een besparing van ƒ10 miljoen op de uitkeringen, ƒ1 miljoen (10% van het bespaarde bedrag) zou moeten worden uitgelicht uit het gemeentefonds. Tevens is in het oorspronkelijke wetsvoorstel met betrekking tot de uitvoering door de gemeenten het uitgangspunt geweest dat de uitvoeringskosten beperkt zouden zijn.
     De Raad heeft in zijn advies van 22 september 1993 onder meer opgemerkt dat een uitlichting uit het gemeentefonds niet gerechtvaardigd is en aangegeven eerder een toevoeging op zijn plaats te achten, omdat voor de vele gevallen waarin (tot dusverre) een sanctie financieel niet haalbaar is, nu een verplichting wordt gesteld (zie ook hoofdstuk 11, onder B).
     Op basis van het voorgaande ben ik er thans van uitgegaan dat rekening moet worden gehouden met uitvoeringskosten. Omdat bij de gemeenten de vergoeding van kosten via het gemeentefonds loopt, is besloten aan de Rgf een aanvullend advies te vragen over de financiële gevolgen van voornoemde aanpassingen. Hierbij is uitgangspunt dat tegenover een uitlichting van ƒ1,2 miljoen (het 10%-aandeel in de
rblz.|50| besparingen op de uitkeringen van ƒ12 miljoen) een toevoeging staat van ƒ1,9 miljoen wegens extra uitvoeringskosten. Per saldo resteert derhalve een toevoeging van ƒ0,7 miljoen. Hierbij is impliciet rekening gehouden met uitvoeringskosten die mogelijk voortvloeien uit het opnemen van het zwijgrecht en het zo nodig bieden van taalhulp in het boetetraject.
     De adviesaanvraag aan de Rgf is gelijktijdig uitgegaan met de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer. Indien het advies van de Rgf daartoe aanleiding geeft, zal ik kabinet de Kamer hiervan uiteraard in kennis stellen.

 

12.6. Samenvattend overzicht en tijdpad


     De totale financiële gevolgen van het wetsvoorstel zijn samengevat in navolgende tabel. Hierbij is uitgegaan van invoering van de maatregelen per 1 januari 1995.

Tabel 12.1. Financiële gevolgen (bedragen in mln gld):

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 1995 1996 Structureel
Brutobesparingen
1. Verplichte terugvordering sociale verzekeringen 23 58 58
2. Administratieve boete sociale verzekeringen 25 25 25
3. Administratieve boete bijstand 12 12 12
4. Totaal brutobesparingen (1 t/m 3) 60 95 95
Uitvoeringskosten
5. Socialeverzekeringsinstellingen x4 x6 x6
6. Gemeenten x2 x2 x2
7. Rechterlijke macht x x x
8. Totaal uitvoeringskosten (5 t/m 7) x6 x8 x8
Nettobesparingen
9. Nettobesparingen (4 t/m 8) 54 87 87

 

13. Uitvoering en implementatie


a. Sociale voorzieningen

     In het bijstandsakkoord Rijk-VNG is ten aanzien van dit wetsvoorstel gesteld dat het een belangrijke schakel vormt in de handhavingsketen en dat deze maatregelen een belangrijke stap vooruit zijn naar de terugdringing van fraude. Rijk en VNG spraken af dat zij - mede op basis van het advies van de Raad van State over dit wetsvoorstel - de implementatie van het wetsvoorstel spoedig zullen uitwerken, onder andere door het opstellen van een sanctiehandleiding voor gemeenten.
     Gelet op het bijstandsakkoord is samen met de VNG op ad-hocbasis bezien welke uitvoeringsaspecten in het geding zijn bij het wetsvoorstel en de implementatie ervan. De VNG moest zich een eindoordeel daarover voorbehouden, aangezien nog niet kon worden beschikt over het advies van de Raad van State en de kabinetsreactie op het advies van de Toetsingscommissie inzake de bestuurlijke boete.

     De VNG acht het van belang dat in het wetsvoorstel voldoende rechtswaarborgen voor de cliënt worden opgenomen en dat aan de uitvoerders voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld. Voorts onderschreef de VNG dat het EVRM en het IVBPR aanleiding geven tot het opnemen van het zwijgrecht in het wetsvoorstel, evenals de cautie en de taalhulp.
     De VNG bepleitte de uitvoerders te voorzien van nadere informatie en toelichting dienaangaande, omdat het een nieuwe taak van de gemeenten
rblz.|51| betreft, waarmee zij nog geen ervaring hebben opgedaan. Ik zal hieraan medewerking verlenen.

     Op het punt van de scheiding tussen het onderzoek naar het recht op uitkering en naar de naleving van de inlichtingenplicht is er door de VNG op gewezen dat functiescheiding met name in kleinere gemeenten organisatorisch problematisch kan zijn. Hierop is ingegaan in hoofdstuk 7.

     Naar het oordeel van de VNG leiden de wijziging in het wetsvoorstel ten aanzien van het zwijgrecht en de inzichten met betrekking tot het bieden van taalhulp, waarvan de kosten voor rekening van de uitvoerders komen, tot een intensivering van taken. Ik ben met de VNG eens dat de genoemde ontwikkelingen aanleiding geven om aan de Raad voor de gemeentefinanciën een aanvullend advies te vragen over de uitvoeringslasten (zie ook hoofdstuk 12).


b. Sociale verzekeringen

     De SVr heeft in zijn advies (zie hoofdstuk 11) mede aandacht besteed aan de gevolgen voor de uitvoering van de sociale verzekeringen van het van kracht worden van het wetsvoorstel. Dit advies heeft geen betrekking op het zwijgrecht, omdat dit aspect eerst thans in het voorstel is opgenomen. Aangezien het evenwel een essentieel onderdeel hiervan is, is het noodzakelijk ook aan de uitvoeringstechnische aspecten van het zwijgrecht aandacht te besteden. Hiertoe is op ad-hocbasis contact geweest met de SVr en de uitvoeringsorganen sociale verzekeringen. De resultaten daarvan zijn verwerkt in de passage over het zwijgrecht in het algemeen deel van de memorie van toelichting en in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 27b WW c.a.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

     In de hier aan de orde zijnde socialezekerheidswetten zijn de voorgestelde wetteksten veelal per wet gelijk, zij het dat zoveel mogelijk is aangesloten bij de in de wet gangbare terminologie. Omwille van de duidelijkheid is in de artikelsgewijze toelichting zoveel mogelijk verwezen naar de consequenties voor één wet (meestal de WW). Uiteraard hebben deze consequenties eveneens betrekking op de andere wetten die boven de betreffende passages zijn genoemd.

 

Artikel I, onderdeel A; artikel II, onderdeel A; artikel III, onderdeel G; artikel IV, onderdeel G; artikel V, onderdeel A; artikel VI, onderdeel A [VI,B]; artikel VII, onderdeel A; artikel IX, onderdelen C [IX,D] en D [-]; artikel X, onderdeel B [X,C]; artikel XI, onderdeel A [XI,B]


Artikelen 22a WW, 30a ZW, 36a WAO, 26a AAW, 11a TW, 17a AOW, 14a AKW, 77 [69] hAbw, 17 Ioaw en 17 Ioaz

     Zie voor de verschillende situaties waarin herziening of intrekking van de uitkeringsbeslissing aan de orde is het algemeen deel van deze memorie. Ter aanvulling diene nog het volgende.

     Met de term "onverminderd" in de aanhef van het eerste lid (in de hAbw, Ioaw en Ioaz het derde lid) wordt - overeenkomstig de gebruikelijke betekenis - aangegeven dat de in dit artikel bedoelde gronden voor herziening, etc., onverlet laten een uit andere bepalingen voortvloeiende herziening, etc. Er kan sprake zijn van samenloop van een herziening op grond van artikel 22a met die op grond van een ander artikel. Bijvoorbeeld: het rblz.|52| niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 26 WW geeft de bedrijfsvereniging aanleiding tot een maatregel op grond van artikel 27; tegelijkertijd heeft dezelfde gedraging geleid tot een onjuiste toekenning, die op grond van onderdeel a van artikel 22a, eerste lid, WW dient te worden gecorrigeerd. In dergelijke gevallen van samenloop verdient het de voorkeur dat de betrokken onderdelen in één gezamenlijk besluit worden vervat. Artikel 22a kan ook afzonderlijk toepassing vinden (uitsluitend reparatie).

     Hoewel gesteld kan worden dat onder herziening ook de herziening tot nul begrepen is, zodat strikt genomen naast herziening geen melding van intrekking (= herziening tot nul) behoeft te worden gemaakt, zijn ter vermijding van misverstand en onzekerheid beide vormen genoemd. De term weigering is daarnaast nog gebruikt omdat deze, hoewel in de feitelijke gevolgen niet verschillend van herziening, in de sanctiebepalingen van verschillende socialezekerheidswetten gebruikelijk is. Zie voorts over de gekozen terminologie hoofdstuk 8.

     Het artikel maakt - anders dan de huidige wet in de terugvorderingsbepalingen doet - geen onderscheid tussen gevallen waarin eigen toedoen van de betrokkene een rol speelt en gevallen waarin geen sprake is van toedoen van de betrokkene, maar aan deze wel redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat er met de toegekende uitkering iets mis was. In het laatste geval is er immers geen reden voor een verdergaande bescherming; het feit dat de betrokkene zelf geen enkele rol heeft gespeeld in de foutieve toekenning is geen reden om hem eerder te vrijwaren tegen acties tot correctie en hem ongerechtvaardigde voordelen te laten behouden. Het verdient de voorkeur dat het uitvoeringsorgaan in alle gevallen een afweging maakt met betrekking tot herziening van de toekenningsbeschikking, aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dat niet bij voorbaat in de wet verschillende gevolgen worden verbonden aan de omstandigheid dat betrokkene wel of niet door eigen toedoen heeft bijgedragen aan de foutieve toekenning.

     Onderdeel a ziet op situaties waarin als gevolg van gedragingen dan wel nalatigheden van de uitkeringsgerechtigde herziening van de toekenningsbeschikking nodig is. Het gaat hier, zoals al eerder betoogd, uitsluitend om correctie (herstel in de rechtmatige toestand). Daarbij bestaat - anders dan bij de sancties - geen aanleiding tot het maken van onderscheid naargelang de oorzaak is gelegen in de niet-nakoming van administratieve verplichtingen/uitkeringsvoorwaarden (artikelen 24 en 26) of van de informatieplicht (artikel 25).

     Onderdeel b handelt over de gevallen waarin het uitvoeringsorgaan een fout heeft gemaakt die hersteld moet worden. Niet langer wordt uitdrukkelijk bepaald dat zulks alleen kan indien de betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij te veel kreeg; dit laatste is immers reeds in de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur begrepen.

     Indien een uitkeringsontvanger tijdens de uitkeringsperiode niet of onvoldoende informatie verstrekt en daardoor het uitvoeringsorgaan niet in staat stelt om te beoordelen of nog (volledig) recht op uitkering bestaat, moet dit orgaan de mogelijkheid hebben de uitkering geheel of gedeeltelijk te beëindigen. Onderdeel c regelt de nodige herziening van de toekenningsbeschikking in dergelijke situaties.

     Voor de goede orde zij erop gewezen dat het bij de toepassing van dit onderdeel met betrekking tot de WW gaat om het geval waarin de bedrijfsvereniging vaststelt dat artikel 25 niet is nageleefd en als gevolg daarvan besluit dat het recht op voortzetting van de uitkering niet kan rblz.|53| worden bepaald. Dit ter onderscheiding van de gevallen, bedoeld in de artikelen 30 en 31, waarin opschorting respectievelijk voorschotbetaling wordt geregeld indien de bedrijfsvereniging in onzekerheid verkeert omtrent het recht op uitkering en de (niet-)naleving van artikel 25; daarbij wordt direct in de feitelijke uitbetaling ingegrepen en is eventuele herziening van de toekenningsbeschikking (nog) niet aan de orde.

     In het voorgestelde artikel 77 [69] van de hAbw is de met artikel 22a, eerste lid, onderdeel c, WW overeenkomende bepaling geregeld in het vierde lid [lees: derde lid, red.], waarin wordt verwezen naar artikel 73 [65], eerste lid. In eerste instantie kunnen burgemeester en wethouders de bijstand dan opschorten; daarna wordt, als nog steeds niet aan de informatieverplichting is voldaan, de uitkering beëindigd. Het gaat hier in feite om dezelfde situatie als waar artikel 22a, eerste lid, onderdeel c, WW op ziet; daarom is ervoor gekozen dit gevolg ook in het overeenkomstige artikel 77 [69] hAbw te regelen.

     Uitgangspunt van dit artikel is dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden. Deze verplichting dient het uitvoeringsorgaan met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit te oefenen. Deze beginselen kunnen ertoe leiden dat een herziening geheel of gedeeltelijk achterwege moet blijven. Teneinde ook in de wet tot uitdrukking te laten komen dat aan de verplichting niet een absoluut karakter kan worden toegekend in die zin dat nimmer ruimte voor welke afwijking dan ook zou bestaan, is in artikel 22a, tweede lid, WW (idem in artikel 77 [69], vijfde lid, hAbw) een uitzonderingsbepaling geformuleerd. Voor de redactie daarvan is aansluiting gezocht bij artikel 55, derde lid, ABW (= artikel 84 [78], derde lid, hAbw), dat een soortgelijke uitzondering op de terugvorderingsplicht bevat. Voor een nadere toelichting, met name op het begrip "dringende redenen", zij verwezen naar de toelichting op het voorgestelde artikel 36, tweede lid, WW en artikel 84, derde lid, hAbw.
     Doel van deze bepaling is voorts om aan te geven dat het uitvoeringsorgaan omtrent het achterwege laten van herziening of intrekking dient te "besluiten"; hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de desbetreffende besluitvorming zichtbaar moet worden gemaakt, door vastlegging in een (gemotiveerd) besluit. Dit is wenselijk zowel vanuit een oogpunt van rechtszekerheid voor de betrokkene als ten behoeve van het toezicht op de uitvoering. Tevens kan zo'n besluit een nuttige rol vervullen als (vastgelegde) waarschuwing aan het adres van de betrokkene.

     Het artikel laat zich wat betreft de sociale verzekeringen niet uit over de mate waarin herziening moet plaatsvinden in gevallen waarin wel sprake is van het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, maar het daarmee gemoeide bedrag (vooralsnog) niet exact kan worden bepaald, dan wel de omvang van het recht in het geheel niet kan worden vastgesteld. Ook hierbij zullen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen moeten worden.
     Wat betreft de hAbw, de
Ioaw en Ioaz vindt intrekking plaats vanaf het moment dat de betrokkene in verzuim is (artikel 77 [69], eerste en vierde lid, hAbw).

     De effectiviteit van het terugvorderingsbeleid in het kader van de ABW is de laatste jaren vergroot doordat thans de Hoge Raad heeft ingestemd met een bewijslastverschuiving van de gemeente naar de betrokkene. Indien maar is aangetoond dat onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt, kan de bijstand in beginsel volledig worden geweigerd en teruggevorderd. Betrokkene moet aantonen dat er gegronde redenen zijn om dit niet te doen. Hij moet dan bewijzen dat hem, indien hij zijn verplichting tot het geven van inlichtingen wél naar behoren zou zijn nagekomen, aanvullende of volledige bijstand zou zijn verstrekt. Anders gezegd: staat het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen vast, dan behoeft de gemeente niet meer - zoals voorheen - rblz.|54| aan te tonen dat de betrokkene geen of minder aanspraak had op bijstand, maar wordt dit, behoudens het door betrokkene te stellen en zo nodig te bewijzen tegendeel, aangenomen. Deze jurisprudentie geldt zowel voor het verzwegen bijwerken (zie onder meer HR 9 oktober 1992, JABW 1992, 290, en HR 29 januari 1993, JABW 1993, 57) als voor de verzwegen samenwoning (HR 27 september 1991, JABW 1991, 265). De achterliggende gedachte bij deze bewijslastverschuiving is dat de ervaring leert dat het doorgaans voor de gemeente al moeilijk genoeg is om aan te tonen dat de betrokkene onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, zodat het niet redelijk is om van de gemeente een verdergaand bewijs te verlangen.

     Ik acht een dergelijke bewijslastverschuiving volledig in overeenstemming met het stelsel van de ABW en wil in het kader van dit wetsvoorstel nadrukkelijk bij deze recente ontwikkeling in de jurisprudentie aansluiten. De wetgeving per 1 augustus 1992 sluit daarbij reeds aan. In het huidige artikel 57 ABW is opgenomen dat kosten van bijstand van de betrokkene worden teruggevorderd indien de bijstand is verleend op grond van zijnerzijds verstrekte onjuiste of onvolledige inlichtingen. In artikel 87 [81] van de hAbw is echter gekozen voor de formulering dat "de bijstand wordt teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand". Vanuit de praktijk is gewezen op het feit dat hierdoor weer een uitdrukkelijk verband is gelegd tussen het niet-nakomen van de inlichtingenverplichting en het bedrag van de terugvordering en dat daardoor de bewijslastverschuiving mogelijk weer ongedaan wordt gemaakt. Aangezien al is aangegeven dat dit niet de bedoeling is, is in de voorgestelde tekst van artikel 77 [69] hAbw de "voor-zover-constructie" niet overgenomen.

 

Artikel I, onderdeel B en D


Artikelen 24 en 26 WW

     Thans is in het maatregelenartikel ook de bevoegdheid geregeld van de SVr om regels te stellen met betrekking tot vrijstelling van onderdelen van de verplichtingen op grond van de artikelen 24 en 26. Om systematische redenen wordt voorgesteld deze delegatiebepalingen op te nemen in de artikelen waarop ze betrekking hebben. Om dezelfde redenen is de benadelingshandeling van artikel 25 WW naar artikel 24 overgeheveld.
     Overigens is bij artikel 24 WW benadrukt dat onder benadelingshandelingen niet worden verstaan gedragingen die de facto het niet nakomen van de informatieverplichting (artikel 25 WW) behelzen.

 

Artikel I, onderdeel C


Artikel 25 WW

     In artikel 25 WW wordt de thans in onderdeel a opgenomen algemene informatieplicht (spontaan en desgevraagd) gehandhaafd

rblz.|55| 

Artikel I, onderdeel E; artikel II, onderdeel G; artikel III, onderdeel D; artikel IV, onderdeel D; artikel V, onderdeel B [V,C]; artikel VI, onderdeel A [VI,B]; artikel VII, onderdeel B [VII,D]; artikel IX, onderdeel A; artikel X, onderdeel C [X,D]; artikel XI, onderdeel B [XI,C]


Artikelen 27 WW, 45 ZW, 29 WAO, 20 AAW, 14 TW, 17b AOW, 17 AKW, 14 hAbw, 19a [20] Ioaw en 19a [20] Ioaz

     Dit artikel regelt de - in het algemeen deel al uitvoeriger toegelichte - verplichting voor het uitvoeringsorgaan om in bepaalde gevallen een sanctie (hier genoemd: maatregel) op te leggen. Het gaat daarbij om de bestuurlijke reactie op niet-nakoming van andere verplichtingen dan de informatieverplichting (artikel 25 WW/artikel 73 [65] hAbw), anders gezegd: om andere gevallen dan "fraude" of ook wel "informatiefraude". Naast hetgeen eerder al is toegelicht onder meer over het nu voorgestelde verplichte karakter van de bepaling wordt hier nog de aandacht gevestigd op de algemenere formulering ervan; de thans in artikel 14 hAbw voorkomende differentiatie naar tijdstip van ingang, duur, herhaling, etc., is vervangen door een redactie die aansluit bij artikel 27 WW (waardoor in de hAbw samenvoeging van het huidige eerste, tweede en vierde lid van artikel 14 mogelijk werd).


Artikelen 27, eerste lid [derde lid], WW; 45, eerste lid, ZW; 28 WAO; 19 AAW; 14, eerste lid, TW; 17b, eerste lid, AOW en 17, eerste lid, AKW

     De bepaling wijkt - afgezien van het voorgaande - nog af van de huidige doordat daaraan is toegevoegd de sanctieoplegging wegens het niet voldoen aan de identificatieplicht (voor de werknemersverzekeringen, AAW en TW opgenomen in artikel 50a, vierde lid, OSV; voor de AOW en AKW opgenomen in artikel 19, vierde lid, van de Wet op de Sociale Verzekeringsbank. In de hAbw is het kader van de herinrichting ABW (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18) voorzien in een nieuw artikel 73 [64], derde en vijfde lid; voor de Ioaw en Ioaz in een nieuw artikel 13, derde en vijfde lid (Kamerstukken II 1993-1994, 22 614, nr. 6). Hoewel bij gelegenheid van de invoering van deze verplichting (bij de Wet op de identificatieplicht (Stb. 1993, 660)) is volstaan met regeling van een strafrechtelijke sanctie, is toevoeging van een administratieve reactiemogelijkheid gewenst. Het gaat bij de identificatieplicht immers om een medewerkingsverplichting ter aanvulling op de hoofdverplichting tot het verstrekken van alle relevante informatie, die zich in dat opzicht niet onderscheidt van de overigens geldende medewerkingsverplichtingen (nu reeds geregeld bij en krachtens artikel 26 WW). De niet-nakoming van die medewerkingsverplichtingen leidt ook thans reeds tot een administratieve maatregel; derhalve dient hetzelfde te gelden voor de identificatieplicht.
     De thans in artikel 27, eerste lid, WW opgenomen vorm van sanctie, bestaande in beperking van de uitkeringsduur, is niet gehandhaafd; zoals ook wordt bevestigd door het meergenoemde ITS-rapport wordt deze vorm in de praktijk niet gehanteerd en kan zij derhalve worden gemist. Een dergelijke mogelijkheid ontbreekt voorts ook in de ABW.
     Bij Wet van 28 december 1993 inzake wijziging van enkele bepalingen in de WW inzake het recht op uitkering (Stb. 1993, 744) is wijziging gebracht in artikel 27. Het thans voorgestelde artikel 27 is hiermee in overeenstemming. Voor een bepaling als deze bestaat in de hAbw geen grond; in het voorgestelde artikel 14 hAbw ontbreekt deze dan ook.

rblz.|56| 
Artikelen 27 tweede lid [vierde lid], WW; 45, tweede lid, ZW; 29, eerste lid, WAO; 20, eerste lid, AAW; 14, tweede lid, TW; 17b, tweede lid, AOW; 17, tweede lid, AKW; 14, tweede lid, hAbw; 19a, tweede lid [20, vijfde lid], Ioaw en 19a, tweede lid [20, vijfde lid], Ioaz

     De bedrijfsvereniging dient (ook) bij de oplegging van maatregelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Dit brengt mee dat in elk geval de in het tweede lid van artikel 27 WW genoemde factoren moeten worden meegewogen. In de jurisprudentie is met name het evenredigheidsbeginsel aan de orde geweest (bij de sanctieoplegging dient het uitvoeringsorgaan rekening te houden met ernst van het feit en verwijtbaarheid; zie onder andere CRvB 30 mei 1990, RSV 1990, nr. 311; AB 1991, nr. 1; alsook: CRvB 31 juli 1990, AB 1991, nrs. 2 en 3, en CRvB 14 augustus 1990, AB 1991, nr. 4; RSV 1990, nr. 354). De bepaling codificeert deze jurisprudentie.
     Vooruitlopend op het van kracht worden van dit voorstel van wet ontwerpt de SVr thans een kaderregeling voor het sanctiebeleid. Gedragingen worden al naargelang hun verwijtbaarheid ingedeeld in categorieën. Dit is in overeenstemming met de in dit voorstel beoogde afstemming op de mate van verwijtbaarheid.

     In de hAbw, Ioaw en Ioaz is naast de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid als derde afwegingsfactor opgenomen de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. Het rekening houden met de persoonlijke omstandigheden ligt niet voor de hand bij de oplegging van maatregelen in de sfeer van de sociale verzekeringen, omdat deze omstandigheden voor de uitkering irrelevant zijn en daarom ook niet bekend bij het uitvoeringsorgaan. Voor de hAbw-achtige regelingen zijn deze omstandigheden wel bekend, zeker voor wat betreft de hAbw zelf, omdat dat de laatste voorziening is waarop men een beroep kan doen. Afstemming op de persoonlijke omstandigheden betekent echter niet dat het recht op bijstand onder alle omstandigheden in stand kan blijven. Bij de persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bijzondere individueel bepaalde, financiële omstandigheden, zoals hoge woonlasten. Verder valt te denken aan bijzondere gezinsomstandigheden van sociale aard. Het gaat hier om een strikt op de individuele persoon en het individuele gezin toegespitste toetsing.


Artikelen 27, derde lid [vijfde lid], WW; 45, derde lid, ZW; 29, tweede lid, WAO; 20, tweede lid, AAW; 14, derde lid, TW; 17b, derde lid, AOW; 17, derde lid, AKW; 14, derde lid, hAbw; 19a, derde lid [20, zesde lid], Ioaw en 19a, derde lid [20, zesde lid], Ioaz

     Evenals bij het herzieningsartikel (artikel 22a), de boeteoplegging (artikel 27a) en de terugvordering (artikel 36) het geval is, stelt de wet een algemene verplichting daartoe voorop. Steeds wordt echter daarnaast tot uitdrukking gebracht dat van een absolute verplichting geen sprake is en dat om dringende redenen van uitoefening daarvan kan worden afgezien, alsmede dat dit in een besluit moet worden vastgelegd. Zie verder hieromtrent de toelichting op artikel 36, tweede lid.


Artikelen 27, vierde lid [zevende lid], WW; 45, vierde lid [vijfde lid], ZW; 29, derde lid [vierde lid], WAO; 20, derde lid [vierde lid], AAW; 14, vierde lid [vijfde lid], TW; 17b, vierde lid [vijfde lid], AOW; 17, vierde lid [vijfde lid], AKW; 14, vijfde lid, hAbw; 19a, vijfde lid [20, zevende lid], Ioaw en 19a, vijfde lid [20, zevende lid], Ioaz

     Zie het algemeen deel van de memorie van toelichting onder "Nadere regelgeving" [hoofdstuk 10, red.].

rblz.|57| 

Artikel I, onderdeel F; artikel II, onderdeel G; artikel III, onderdeel E; artikel IV, onderdeel E; artikel V, onderdeel C [V,D]; artikel VI, onderdeel A [VI,B]; artikel VII, onderdeel C [VII,E]; artikel IX, onderdeel B en S [IX,R]; artikel X, onderdeel E en T [X,S]; artikel XI, onderdeel D en S [XI,R]


Artikelen 27a WW; 45a ZW; 29a WAO; 20a AAW; 14a TW; 17c AOW, 17a AKW; 14a hAbw; 19c [20a] Ioaw en 19c [20a] Ioaz


Eerste lid

     Zoals hiervoor al toegelicht, is boeteoplegging (in beginsel) verplicht en wordt deze sanctie alleen opgelegd in gevallen van informatiefraude.
     Er is gekozen voor een maximumboetebedrag dat niet op enigerlei wijze is gekoppeld aan het bedrag dat als gevolg van de fraude ten onrechte wordt verkregen (het zogenaamde fraudebedrag). De vormen waarin misbruik zich kan voordoen, zijn zo divers dat toepassing van een percentage geen recht zou doen aan het concrete geval. De uitvoeringsorganen hebben immers de opdracht een boete af te stemmen op de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de betrokkene. Het maximum van ƒ5000,- is voorts gekozen op grond van de volgende overwegingen. In de eerste plaats wordt hiermee naar mijn mening aan uitvoeringsorganen voldoende armslag geboden voor een daadkrachtig optreden waarvan ook voldoende preventief effect kan uitgaan. Verder heb ik hierbij rekening gehouden met het maximum van de geldboeten zoals die thans door de strafrechter plegen te worden opgelegd. Ook al kunnen de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke boete niet geheel op één lijn gesteld worden (omdat bij het strafrecht belangrijke bijkomende factoren een rol spelen, zoals openbare behandeling en vermelding op het strafblad), meen ik toch dat de door de administratie op te leggen boete zich daarvan niet te ver dient te verwijderen. Uit het onderzoek van het ITS is op dit punt gebleken dat de strafrechter thans geen hogere geldstraffen dan van ƒ2000,- pleegt op te leggen. Dat de voorgestelde grens daar niettemin vrij aanzienlijk boven uitgaat, houdt niet alleen verband met de zoëven bedoelde verschillen, maar ook met het feit dat sprake is van een bovengrens, die uiteraard niet als regel bereikt zal worden. In dit verband moet er ook op worden gewezen dat bij het incasseren van geldboeten de beslagvrije voet in acht genomen moet worden. Het uitvoeringsorgaan zal er verstandig aan doen ook daarmee bij het bepalen van de hoogte van een op te leggen boete rekening te houden, zodat een - uit een oogpunt van effectiviteit uiteraard onwenselijke - uitsmering van de boetebetaling over een (zeer) lange periode voorkomen wordt. Bij de hoogte van de feitelijk op te leggen boeten is ook aan de op grond van artikel 27a, achtste lid, door de SVr te stellen regels een belangrijke rol toegedacht. Wat betreft de hAbw,
Ioaw en Ioaz zullen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. Ten slotte wordt in dit verband opgemerkt dat het gewenst is in het wettelijke maximumbedrag enige reserve in te bouwen, teneinde het mogelijk te maken eventuele opwaartse ontwikkelingen die in de nabije toekomst mochten optreden zonder wetswijziging op te vangen.


Tweede lid

     Zie voor de hier vermelde afwegingscriteria ook hiervoor bij artikel 27, tweede lid. Bij een punitieve sanctie als de boete ligt toepassing van deze criteria nog meer in de rede dan bij de administratieve maatregelen ex artikel 27. Voor de sociale verzekeringen geldt dan ook dat ten opzichte van de maatregelen als extra afwegingscriterium is opgenomen de afstemming op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert.

rblz.|58| 
Derde lid

     Voor deze uitzonderingsbepaling met betrekking tot de verplichting tot het opleggen van een boete in geval van informatiefraude zij verwezen naar de toelichting op de overeenkomstige onderdelen van de artikelen 27 en 36.


Vierde lid

     Deze verplichting tot het verstrekken van informatie ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de boete is nodig naast de bestaande algemene informatieplicht (artikel 25 WW; artikel 73 [65] hAbw), omdat het hierbij niet gaat om inlichtingen met betrekking tot de uitkering. De niet-nakoming van deze verplichting is strafbaar gesteld, voor de werknemersverzekeringen, AAW en TW in artikel 52 van de Organisatiewet Sociale Verzekering en voor de volksverzekeringen in artikel 79 van de Wet op de Sociale Verzekeringsbank. Voor de hAbw vloeit de strafbaarstelling voort uit artikel 152 [143] hAbw. Zie voor de strafbaarstelling de artikelen XIV en XV [-], alsmede IX, onderdeel U [IX,T].

     Verder leidt het niet nakomen van deze verplichting tot verlies van de bescherming die de beslagvrije voet anders biedt; zie daarvoor artikel 27g, tiende lid, WW, respectievelijk artikel 14f, elfde lid, hAbw.


Vijfde lid

     Zoals toegelicht in het algemeen deel, hoofdstuk 7, brengt het una-viabeginsel met zich mee dat voor strafrechtelijke afdoening van fraude de weg is afgesloten als eenmaal de administratiefrechtelijke weg is gekozen (zie het voorgestelde artikel 135a WW, respectievelijk artikel 151a [142a] hAbw). Nodig is dan dat het OM ook op de hoogte is van de oplegging van een administratiefrechtelijke straf. Daarom legt dit lid aan het uitvoeringsorgaan de verplichting op om (uit eigen beweging) van een opgelegde boete melding te doen aan het OM, met in achtneming van de hiervoor geldende richtlijn.


Zesde lid

     Het strafkarakter van de boete brengt mee dat alleen de dader zelf daardoor moet worden getroffen. Het vervallen van de boete geschiedt van rechtswege; herziening of intrekking van de boetebeschikking is niet nodig.


Zevende lid

     Zie het algemeen deel van de memorie van toelichting onder "Nadere regelgeving" [hoofdstuk 10, red.].


Artikelen 27b WW; 45b ZW; 29b WAO; 20b AAW; 14b TW; 17d AOW; 17b AKW; 14b hAbw; 19d [20b] Ioaw en 19d [20b] Ioaz

     Het zwijgrecht is van toepassing indien de overheid een handeling verricht waaraan de betrokkene redelijkerwijs de conclusie kan verbinden dat hem een boete zal worden opgelegd. Het betreft een geobjectiveerd criterium. Het zwijgrecht begint te gelden als uit de feiten en omstandigheden van het concrete geval de conclusie kan worden getrokken dat het uitvoeringsorgaan het voornemen heeft aan de betrokkene een boete op te leggen. Zoals uit het algemeen deel van de memorie van toelichting blijkt, zal dit doorgaans eerst aan de orde zijn nadat van het voornemen tot boeteoplegging kennisgeving is gedaan. In een beperkt aantal gevallen zal dit voornemen ook in een eerder stadium aanwezig kunnen zijn, zoals indien de belanghebbende, opgeroepen voor een gesprek inzake de rblz.|59| beoordeling van de rechtmatigheid van de uitkering, uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij heeft gefraudeerd. In dat geval zal het uitvoeringsorgaan moeten wijzen op het zwijgrecht. Het zwijgrecht is ook van toepassing indien op basis van reeds vastgestelde feiten en omstandigheden wordt beoordeeld hoe hoog de op te leggen boete is. Indien echter bijvoorbeeld een signaal van vermoedelijk onterechte samenloop is binnengekomen, kan echter uit het stellen van vragen hieromtrent in redelijkheid geen voornemen tot boeteoplegging worden afgeleid. Hierbij kan niet worden uitgegaan van de subjectieve beleving van de belanghebbende, omdat hij per definitie een voorsprong in kennis omtrent de toedracht heeft. Anders gezegd: om de conclusie te kunnen trekken dat de uitvoerder het voornemen heeft een boete op te leggen, is het noodzakelijk dat dit in redelijkheid uit de algemeen bekende feiten en omstandigheden kan voortvloeien. Voor de toepassing van het zwijgrecht is het niet voldoende dat de betrokkene verwacht dat de door hem te verstrekken informatie ertoe zal leiden dat de uitvoerder het voornemen krijgt een boete op te leggen. Voorts is van belang dat het zwijgrecht alleen betrekking heeft op informatie die van belang is voor het boeteonderzoek. De omstandigheid dat het zwijgrecht voor het boeteonderzoek is gaan gelden, ontslaat de betrokkene niet van de verplichting informatie te verschaffen die van belang is voor het rechtmatigheidsonderzoek. Om die reden is in het eerste lid de reikwijdte van het zwijgrecht beperkt tot de boeteoplegging (voor zover het betreft de boeteoplegging).
     De cautie, dat wil zeggen het uitdrukkelijk wijzen op het zwijgrecht, is zoals in het algemeen deel van de memorie van toelichting reeds is vermeld uitsluitend van toepassing indien de belanghebbende mondeling om informatie wordt gevraagd.
     Om te bevorderen dat het zwijgrecht en de cautie op de juiste wijze worden gehanteerd, verdient het aanbeveling het uitvoeringsproces zo in te richten dat eerst de beoordeling van de rechtmatigheid wordt afgerond en dat aansluitend een (aanvullend) onderzoek met betrekking tot het opleggen van een boete plaatsvindt. Bij de aanvang van dat laatste onderzoek wordt dan gewezen op het zwijgrecht. Hierdoor kan tevens worden voorkomen dat rechtmatigheids- en boeteonderzoek door elkaar lopen, wat als gevolg kan hebben dat onduidelijkheid ontstaat voor welke vragen het zwijgrecht geldt. Indien de onderzoeken na elkaar worden verricht, kan immers voor de gehele fase van het tweede onderzoek (betreffende de boete) het zwijgrecht gelden. In veel gevallen zal het moment waarop de cautie wordt gegeven, kunnen samenvallen met het moment dat de betrokkene mondeling wordt gevraagd zijn zienswijze aan te geven op de kennisgeving van het boetevoornemen. Als zich eerder al een verhoorsituatie voordoet waaruit het boetevoornemen kan worden afgeleid, moet de cautie zoveel eerder worden gegeven.

     Op grond van afdeling 4.1.2 van de Awb is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van financiële beschikkingen (artikel 4:12).
     In het onderhavige wetsvoorstel wordt een ruimere hoorplicht voorgesteld. Voor de motivering hiervan zij verwezen naar hoofdstuk 7 van het algemeen deel van de toelichting.
     In verband met de voorgestelde ruimere hoorplicht bij de voorbereiding van een boetebesluit is met zoveel woorden bepaald dat op dit punt wordt afgeweken van de Awb. Voorts worden voorzieningen getroffen met betrekking tot het informeren van de belanghebbende en taalhulp, die ertoe strekken dat het horen ook reële betekenis heeft en door de uitvoerder kan worden betrokken bij de beschikking.
     De voorgestelde bepaling stelt geen formele eisen aan de wijze waarop aan de belanghebbende kennis wordt gegeven van het voornemen een boete op te leggen. Waar het om gaat, is dat de belanghebbende hierover
rblz.|60| wordt geïnformeerd. Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan hieraan per geval invulling worden gegeven. Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat het voornemen een boete op te leggen is ontstaan op grond van informatie van een andere instantie, zonder dat er al contact is met de belanghebbende. In dat geval ligt het voor de hand een schriftelijke oproep te versturen. Anderzijds is het ook mogelijk dat met de belanghebbende een gesprek plaatsvindt, bijvoorbeeld bij een periodiek heronderzoek en dat daarbij gegevens naar voren komen die ertoe leiden dat het uitvoeringsorgaan het voornemen opvat om een boete op te leggen. In een dergelijke situatie kan tijdens het lopende gesprek de belanghebbende mondeling in kennis worden gesteld van dit voornemen en kan ook de belanghebbende zijn zienswijze geven.
     In het derde en vijfde lid is een zorgplicht van het uitvoeringsorgaan neergelegd, inhoudende dat de belanghebbende die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt taalhulp wordt geboden indien deze daarom verzoekt. Die hulp kan zowel betrekking hebben op de mededeling van de gronden waarop het voornemen om een boete op te leggen berust als op het aan het uitvoeringsorgaan kenbaar kunnen maken van de zienswijze van de belanghebbende. Het initiatief moet, zoals dat ook in de sfeer van het strafrecht gebruikelijk is, uitgaan van de belanghebbende.


Zorgplicht taalhulp

     Wat betreft de kennisgeving van het voornemen een boete op te leggen, is deze zorgplicht geformuleerd door de uitvoerder op te dragen zoveel mogelijk voor taalhulp te zorgen. In de situatie, bedoeld in het vijfde lid, waarin de betrokkene zijn zienswijze geeft, moet gewaarborgd zijn dat deze de gestelde vragen volledig begrijpt en zich ook verstaanbaar kan maken. Om die reden is in het vijfde lid de op de uitvoerder rustende zorgplicht stringenter geformuleerd.

     Voor beide situaties geldt dat hiervan kan worden afgezien als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan hulp geen behoefte bestaat. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de belanghebbende reeds gedurende langere tijd een uitkering ontvangt, waaruit kan worden afgeleid dat hij bekend is met de in het uitkeringsproces gebezigde taal en/of dat uit eerdere contacten met de belanghebbende is gebleken dat deze tot dan toe steeds heeft begrepen wat het uitvoeringsorgaan hem mededeelde en zich ook naar het uitvoeringsorgaan toe heeft weten uit te drukken (zelfstandig of bijvoorbeeld met hulp van een familielid). Het uitvoeringsorgaan zal moeten doen wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om te bereiken dat degene aan wie de boete wordt opgelegd, begrijpt waarom dit het geval is. In bepaalde gevallen zal het nodig zijn een vertaling te laten maken door een tolk of vertaler. Dit zal in het algemeen overbodig zijn indien de belanghebbende over een raadsman of een gemachtigde beschikt. Op grond van het vorenstaande is uitdrukkelijk in de wettekst vermeld dat genoemde zorgplicht niet geldt indien redelijkerwijze kan worden aangenomen dat aan deze waarborg geen behoefte bestaat. In een begrijpelijke taal wil overigens niet zeggen dat dit altijd de moedertaal zou moeten zijn. In het algemeen zal het voldoende zijn dat de mededeling geschiedt in een van de moderne talen (Frans, Duits en Engels), omdat ook de van buiten Nederland afkomstige belanghebbenden in de regel één van deze talen beheersen.
     Aan het slot van het eerste lid zijn het zwijgrecht en de cautieplicht opgenomen. In hoofdstuk 7 van het algemeen deel is dit reeds toegelicht.

rblz.|61| 
Artikelen 27c WW; 45c ZW; 29c WAO; 20c AAW; 14c TW; 17e AOW; 14c hAbw; 19e [20c] Ioaw en 19e [20c] Ioaz

     Degene aan wie een boete wordt opgelegd, zal van het uitvoeringsorgaan in de desbetreffende beschikking duidelijke informatie moeten ontvangen over de wijze en de termijn(en) van betaling. De betalingstermijn(en) zullen van geval tot geval, aan de hand van de financiële situatie van de betrokkene en ook overigens met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, moeten worden bepaald. Aan de betrokkene zal tevens bericht moeten worden dat hem, indien hij niet overeenkomstig de vastgestelde termijn(en) betaalt, tenuitvoerlegging van het boetebesluit met toepassing van artikel 27g boven het hoofd hangt. Dit laatste betekent dat in algemene zin informatie moet worden verstrekt over de mogelijke executievormen (verrekening met lopende uitkering, inhouding op een andere uitkering, beslag). Veelal zal concrete vermelding van de toe te passen vorm van executie ten tijde van het nemen van het boetebesluit (nog) niet nodig zijn (uitgaande van tijdige betaling van de vastgestelde termijnbedragen) en ook niet mogelijk zijn (hangt af van de financiële situatie ten tijde van de tenuitvoerlegging, alsmede de vergaring van de benodigde informatie daaromtrent). Ook moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat gedurende de periode van betaling wijzigingen nodig zijn.
     Op grond van het tweede lid moet de in het besluit vervatte informatie zoveel mogelijk in een voor de betrokkene begrijpelijke taal worden medegedeeld, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Wat betreft dit laatste wordt verwezen naar de toelichting op artikel 27b WW.


Artikelen 27d WW; 45d ZW; 29d WAO; 20d AAW; 14d TW; 17f AOW; 14d hAbw; 19f [20d] Ioaw en 19f [20d] Ioaz

     Om een afstemming te bereiken op de Richtlijn socialezekerheidsfraude is bepaald dat een boeteoplegging wordt opgeschort hangende het onderzoek door het OM.
     Het tweede lid geeft, tezamen met het voorgestelde artikel 135a, uitwerking aan het una-viabeginsel (zie daarover hoofdstuk 7 van het algemeen deel van deze memorie). De redactie is ontleend aan artikel 67o van de Awr als voorgesteld in het wetsvoorstel tot wijziging van het fiscale boetestelsel. Zodra het uitvoeringsorgaan een boete heeft opgelegd, kan wegens dezelfde gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen (aldus artikel 135a WW, respectievelijk 151a [142a] hAbw). Aan de andere kant kan geen administratiefrechtelijke boete meer worden opgelegd indien ter zake van de gedraging in kwestie strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen door een schikking met het OM op de voet van artikel 74 Sr [Wetboek van Strafvordering, red.].
     Om te verzekeren dat het uitvoeringsorgaan op de hoogte is van een omstandigheid die de oplegging van een administratieve boete verhindert, bepaalt het derde lid dat het OM daarvan aan dat orgaan mededeling moet doen.


Artikelen 27e WW; 45e ZW; 29e WAO; 20e AAW; 14e TW; 17g AOW; 17e AKW; 14e hAbw; 19g [20e] Ioaw en 19g [20e] Ioaz

     Om wille van vooral de effectiviteit ("lik op stuk") is het nodig dat een sanctie spoedig nadat de betrokken gedraging is geconstateerd, wordt opgelegd. Ik meen dat het redelijk is de termijn die daarbij niet mag worden overschreden te bepalen op één jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving; dat biedt de uitvoering ook voldoende armslag. Het is uiteraard niet de bedoeling dat deze termijn in de praktijk ook als regel en rblz.|62| zonder noodzaak volledig wordt benut. De termijn laat onverlet dat het opleggen van een boete ingevolge artikel 6 EVRM binnen een redelijke termijn moet plaatsvinden, terwijl voorts binnen de gestelde maximumtermijn ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen moeten worden. Eerst dient de gedraging te worden vastgesteld waarop de boete kan worden gebaseerd. In een groot aantal situaties is er sprake van melding van mogelijk onterechte samenloop van uitkering met andere inkomensbronnen. Zeker in de sfeer van de sociale verzekeringen kan hierbij sprake zijn van terechte samenloop, dat wil zeggen een samenloop waarmee bij de uitkeringsberekening al rekening is gehouden. Om te kunnen vaststellen of de samenloop onterecht is, is veelal tijdrovend onderzoek nodig, mede omdat handmatig samenloop moet worden vastgesteld. Om in dergelijke gevallen de mogelijkheid tot boeteoplegging niet de frustreren, is gekozen voor een ruime termijn.
     Indien van een geconstateerde overtreding aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt, staat niet vast dat dit ook tot strafvervolging zal leiden (met name voor de categorie met een fraudebedrag tussen ƒ6000,- en ƒ12 000,-). Deelt het OM aan het uitvoeringsorgaan mee dat geen strafvervolging wordt ingesteld, dan gaat de termijn van één jaar vanaf het moment van die mededeling lopen; de hiervoor benodigde informatie-uitwisseling is ook vastgelegd in meergenoemde vervolgingsrichtlijnen.
     Verder is het uit een oogpunt van rechtszekerheid gewenst dat de mogelijkheid van boeteoplegging niet eindeloos blijft bestaan; derhalve is in het tweede lid bepaald dat boeteoplegging niet meer kan plaatsvinden indien de overtreding twaalf jaar of langer geleden heeft plaatsgevonden. Voor deze termijn is aansluiting gezocht bij artikel 70 Sr (verjaringstermijn voor misdrijven). De termijn van één jaar binnen welke - te rekenen vanaf het tijdstip van kennisgeving - een boete moet worden vastgesteld, moet worden beschouwd als een termijn van orde.
     Dergelijke termijnen zijn bij maatregelen en terugvordering niet nodig. Daarbij is immers geen sprake van strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM, terwijl overigens voldoende waarborgen voortvloeien uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.


Artikelen 27f WW; 45f ZW; 29f WAO; 20f AAW; 14f TW; 17h AOW; 17f AOW [17f AKW]; 145 [140a] hAbw; 42 [60a] Ioaw en 42 [60a] Ioaz

     Het moet de rechter vrijstaan om binnen de grenzen van de wettelijke bepalingen een andere (hogere of lagere) boete op te leggen dan die welke het uitvoeringsorgaan heeft opgelegd, indien daartoe naar het oordeel van de rechter gronden zijn. Zou men deze mogelijkheid, met name de mogelijkheid van een reformatio in peius bij voorbaat uitsluiten, dan zou dat ertoe kunnen leiden dat vrijwel elke boete aan de rechterlijke macht ter beoordeling wordt voorgelegd. De procesgang naar de rechter zou zo kunnen uitlokken tot niet-bedoeld gebruik van het recht op de vrije toegang tot de rechter. Deze opvatting sluit aan bij het oordeel van de Hoge Raad inzake fiscale boete, waarbij de boete naar analogie van hetgeen geldt voor straffen in het commune strafrecht door de rechter kan worden verhoogd. In het meergenoemde wetsvoorstel tot herziening van de fiscale boeten is hiervoor de volgende motivering gegeven: gesteld voor de vraag of de voorgestelde schrapping van artikel 27a Awr zou leiden tot een volledige in plaats van een marginale toetsingsbevoegdheid van de belastingrechter met betrekking tot kwijtscheldingsbesluiten van de inspecteur, heeft de Hoge Raad in zijn advies van 14 januari 1987 (Kamerstukken II 1986-1987, 19 700, nr. 56) geantwoord dat de taakomvang van de belastingrechter voor wat betreft die besluiten op één lijn komt te staan met de taakomvang van de appelrechter in strafzaken. Die parallel doortrekkend heeft de Raad geoordeeld dat het de belastingrechter moet vrijstaan desgeraden - uiteraard binnen het wettelijk maximum van de verhoging - een hoger bedrag aan verhoging in de aanslag te begrijpen rblz.|63| dan uit het kwijtscheldingsbesluit ressorteerde. Het lijkt wenselijk zulks in de wettekst tot uiting te brengen om aldus elke twijfel aan deze rechterlijke bevoegdheid uit te sluiten.


Artikelen 27g WW; 45g ZW; 29g WAO; 20g AAW; 14g TW; 17i AOW; 17g AKW; 14f hAbw; 19h [20f] Ioaw en 19h [20f] Ioaz

     Een belangrijke verbetering in het kader van de tenuitvoerlegging besluiten [lees: tenuitvoerlegging van besluiten, red.] is dat het besluit van het uitvoeringsorgaan tot oplegging van een boete of tot terugvordering een executoriale titel oplevert die met toepassing van Rv kan worden ten uitvoer gelegd. Voor wat betreft de tenuitvoerlegging van de boete is dat bepaald in artikel 27g WW. Voor de terugvordering is dit bepaald in artikel 36a WW.
     Als het uitvoeringsorgaan thans tot gerechtelijke invordering wil overgaan, zal het orgaan via civielrechtelijke weg een executoriale titel dienen te verkrijgen, met welke titel bijvoorbeeld beslag kan worden gelegd. In het wetsvoorstel is in verband daarmee bepaald dat het terugvorderingsbesluit zelf een executoriale titel oplevert. Ik verwacht dat ook van deze bepaling een stimulerende werking zal uitgaan om in meer gevallen daadwerkelijk tot invordering over te gaan. In het voorliggende wetsvoorstel is voorgesteld dat de uitvoeringsorganen in het algemeen bij de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering een bedrag in acht dienen te nemen dat gelijk is aan de beslagvrije voet van de artikelen 475c en 475d Rv. Uiteraard geldt deze verplichting alleen ten aanzien van een natuurlijk persoon. Deze bepaling sluit aan op de circulaire van de Federatie van Bedrijfsverenigingen van 28 september 1992, nr. C 820, aan de bedrijfsverenigingen, waarbij het advies gegeven [lees: het advies is gegeven, red.] om bij de tenuitvoerlegging van de huidige terugvorderingsbesluiten in het algemeen een ondergrens van 90% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm te hanteren. Daarmee werd aangesloten bij het bedrag van de beslagvrije voet.
     Uiteraard zal het uitvoeringsorgaan in eerste instantie in overleg met betrokkene treden om tot diens vrijwillige betaling te komen.

     In het eerste lid wordt weliswaar vooropgesteld dat aan het boetebesluit executoriale kracht toekomt, doch daarmee is niet gezegd dat daarvan ook altijd direct in die zin gebruikgemaakt behoeft te worden. Soms kan het verstandig zijn om enige tijd te wachten met het executeren, omdat als de betrokkene in de administratiefrechtelijke beroepsprocedure in het gelijk wordt gesteld, het uitvoeringsorgaan aansprakelijk kan worden gesteld voor de kosten die voortvloeien uit de onterechte executie. Dat niettemin altijd het besluit een executoriale titel oplevert, is zo geregeld om te voorkomen dat, afhankelijk van de toevallige executiemogelijkheden, het besluit die status nu eens wel en dan weer niet zou bezitten. Voorts kan aldus in de gevallen dat moet worden gevreesd dat de latere executie zou worden gefrustreerd omdat vermogensbestanddelen dan niet meer aanwezig zouden zijn, dit worden voorkomen door direct tot executie over te gaan. Ten slotte wordt ook het voeren van dubbele procedures hierdoor tegengegaan.
     Het artikel geeft een zekere voorkeur aan voor de volgorde van te hanteren executiewijzen. Vooropstaat verrekening, tussen dezelfde partijen en met dezelfde uitkering (tweede lid); daarna volgt inhouding door een ander uitvoeringsorgaan met afdracht aan de boeteoplegger (derde en vierde lid; "pseudoverrekening"); de derde mogelijkheid is executie met behulp van de middelen van Rv (vijfde lid). De bepalingen zijn alle imperatief geredigeerd. Het kan evenwel wenselijk zijn af te wijken van de aangegeven volgorde dan wel om tegelijkertijd of achtereenvolgens verschillende vormen toe te passen, bijvoorbeeld als voor verrekening maar een gering bedrag in aanmerking komt of nadat met een uitkering verrekening of pseudoverrekening heeft plaatsgevonden andere verhaalsbronnen
rblz.|64| aanwezig zijn; dit laatste kan ook tegelijk met (pseudo)verrekening gebeuren (bijvoorbeeld als naast inkomen ook vermogen aanwezig is). In combinatie van de verschillende mogelijkheden wordt voorzien door het zesde lid.

     Verrekening is volgens dit voorstel terstond mogelijk. Er is van afgezien de tenuitvoerlegging op te schorten gedurende de bezwaartermijn (thans artikel 93 [87], tweede lid, hAbw) en hangende een ingediend bezwaar (thans artikel 145 [140a] hAbw). Uit een oogpunt van rechtsbescherming is er geen reden hier verder te gaan dan in het algemeen uit titel 8.3 Awb voortvloeit (mogelijkheid tot het verzoeken van een voorlopige voorziening, waaronder begrepen schorsing, aan de president van de rechtbank, dat wil zeggen van de administratieve kamer). Ook kan een beroep worden gedaan op de bescherming die artikel 438 Rv biedt.
     Over de pseudoverrekening kan het volgende worden opgemerkt: de redactie is ontleend aan de artikelen 81 [75] en 93 [87], derde lid, hAbw; afwijking is onder meer dat nu duidelijk is dat het andere uitvoeringsorgaan dat wordt benaderd met een verzoek om inhouding en afdracht aan het boeteopleggende orgaan, verplicht is daaraan mee te werken (imperatief: "betaalt"); de vroegere redactie kon de indruk wekken dat dit een bevoegdheid is. De bepalingen betreffen uiteraard niet meer dan het bedrag van de boete dat op dat moment na eventuele gedeeltelijke betaling nog openstaat. Het wordt aan de betrokken uitvoeringsorganen overgelaten om desgewenst afspraken te maken over termijnen van betaling.

     Omdat het zowel bij de hAbw, AOW en AKW mogelijk is dat bijstand, pensioen of kinderbijslag wordt betaald aan beide partners (voor de AKW alleen gehuwde partners), moet ook kunnen worden verrekend met bijstand, pensioen of bijslag uitbetaald aan degene aan wie niet de boete is opgelegd.

     Ingevolge de AAW kunnen niet alleen uitkeringen worden toegekend, maar ook toelagen. Waar in deze wet [lees: die wet, red.] wordt gesproken over uitkeringen worden steeds mede de toelagen bedoeld.

     De zinsnede in het vijfde lid "dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is" ziet op de situatie waarin weliswaar uitkering wordt ontvangen, maar verrekening daarmee wordt verhinderd doordat daarop door een derde beslag is gelegd. Gaat het om "echte verrekening", als bedoeld in het tweede lid, dan is deze ondanks het gelegde beslag toch mogelijk, aangezien de boete en het recht op uitkering uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien (zie artikel 6:130, eerste en tweede lid, BW). In de gevallen van "pseudoverrekening", als bedoeld in het derde en vierde lid, staat het gelegde beslag wel aan verrekening in de weg; voor die situaties moet derhalve tenuitvoerlegging met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mogelijk zijn. Daarin voorziet de aangehaalde zinsnede.

     In het zevende lid is bepaald dat kosten die voortvloeien uit additionele werkzaamheden noodzakelijk om tot invordering te komen bij niet-tijdige betaling, voor rekening van de betrokkene komen.
     De mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag bij de tenuitvoerlegging van een boete (opgenomen in het achtste lid) is ontleend aan hetgeen ook al in de oude ABW (artikel 67), de gewijzigde Abw [lees: ABW, red.] (artikel 61i) en de hAbw (artikel 98 [91]) met betrekking tot terugvordering is geregeld. De tekst is ontleend aan artikel 98 [91] hAbw. Er wordt op gewezen dat met "sociale uitkeringen" in deze bepaling uiteraard niet wordt gedoeld op de uitkeringen waarmee op grond van de voorgaande leden van dit artikel verrekening kan plaatsvinden; andere sociale uitkeringen waarvoor de bepaling wel van belang kan zijn, zijn bijvoorbeeld die op grond van BiZa-wetgeving (wachtgelden; pensioenen).

     rblz.|65| In het achtste lid worden de artikelen 479b tot en met 479g Rv van overeenkomstige toepassing verklaard op executoriaal derdenbeslag. Van de bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, wordt artikel 479e, tweede lid, uitgezonderd. Op grond van deze bepaling zou verzet tegen het beslag door de geëxecuteerde in beginsel schorsing opleveren van de verplichting tot betaling van de derde. Zoals hiervoor is toegelicht, wordt in dit wetsvoorstel juist nagestreefd dat het besluit tot boeteoplegging of tot terugvordering zonder tussenkomst van de rechter ten uitvoer kan worden gelegd. Daarom is artikel 479e, tweede lid, niet van toepassing verklaard.

     Het in het negende lid bepaalde (beslagvrije voet) volgt met betrekking tot de echte verrekening al op grond van het eerste lid van artikel 6:135 BW en voor tenuitvoerlegging met toepassing van Rv uit dat wetboek; het achtste lid is nodig om voor de pseudoverrekening hetzelfde te laten gelden.
     Zie met betrekking tot het tiende lid hiervoor bij artikel 27a, vierde lid, WW c.a.

 

Artikel I, onderdeel F; artikel II, onderdeel G; artikel III, onderdeel [?, red.]; artikel IV, onderdeel E; artikel V, onderdeel C [V,D]; artikel VI, onderdeel A [VI,B]; artikel VII, onderdeel C [VII,E]; artikel IX, onderdeel B; artikel X, onderdeel E; en artikel XI, onderdeel D ¹

1. Volgens de redactie dient dit opschrift, gelet op het vorige opschrift en het ontbreken van tekst, te vervallen.


Artikel I, onderdeel G

     Deze wijziging volgt uit schrapping van de mogelijkheid tot beperking van de uitkeringsduur uit artikel 27, eerste lid, WW.

 

Artikel I, onderdeel H; artikel II, onderdeel B; artikel III, onderdeel H; artikel IV, onderdeel H; artikel V, onderdeel D [V,E]; artikel VI, onderdeel B [VI,C]; artikel VII, onderdeel D [VII,F]; artikel IX, onderdeel G [IX,H]; artikel X, onderdeel G; artikel XI, onderdeel F


Artikelen 36 WW; 33 ZW; 57 WAO; 48 AAW; 20 TW; 24 AOW; 24 AKW; artikel 87 [81] hAbw; artikel 25a [25] Ioaw en 25a [25] Ioaz

     Zoals in hoofdstuk 1 reeds is vermeld, zijn in dit wetsvoorstel de thans in de socialeverzekeringswetten opgenomen terugvorderingsgronden niet overgenomen, doch wordt uitgegaan van het principe: altijd terugvorderen, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten. Hetzelfde principe is recentelijk door de wetgever ook vastgelegd in de ABW, bij de terugvorderings- en verhaalswetgeving.

     In beginsel maakt het daarbij niet uit wat de oorzaak is voor het onverschuldigd zijn van de betaling. Het kan daarbij gaan om gevallen waarin een wijziging in de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten nopen tot herziening van de (primaire) toekenning. De oorzaak kan ook zijn dat een uitkeringsgerechtigde door een administratieve vergissing van het uitvoeringsorgaan meer krijgt dan waar hij op grond van de correcte toekenningsbeschikking recht heeft. In al deze gevallen zal terugvordering moeten plaatsvinden.
     Hantering van het uitgangspunt "terugvorderen, tenzij" biedt meer mogelijkheden dan de terugvorderingsgronden die thans in de wet zijn opgenomen. Onder de nieuwe formulering vallen in ieder geval de gevallen waarin op grond van de huidige bepalingen terugvordering kan plaatsvinden. Dit betreft allereerst de gevallen waarin sprake is van
rblz.|66| onverschuldigde betaling door toedoen van de betrokkene en de overige gevallen waarin het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat het uitvoeringsorgaan onverschuldigd betaalde.
     Ook omvat de nieuwe formulering de gevallen die thans reeds in de ZW en de AAW als bijzondere terugvorderingsbepalingen zijn opgenomen. Deze bijzondere bepalingen maken thans terugvordering mogelijk indien er zich een bepaalde uitkeringssituatie voordoet, bijvoorbeeld het bestaan van een recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering over een periode waarover reeds ziekengeld is verstrekt, of indien er zich in een bepaalde uitkeringssituatie wijzigingen voordoen, bijvoorbeeld indien een toegekend ambtelijk invaliditeitspensioen wordt verhoogd waardoor er minder recht bestaat op uitkering op grond van de AAW.

     Door de nieuwe formulering kan het uitvoeringsorgaan ook terugvorderen in gevallen (zie het advies van de SVr van 18 januari 1988) waarin - bijvoorbeeld na een beroepsprocedure bij de rechter - een arbeidsongeschiktheidsuitkering of ziekengeld verstrekt dient te worden over een periode waarover de bedrijfsvereniging reeds een werkloosheidsuitkering heeft toegekend en betaald. In die gevallen ontbreekt momenteel doorgaans de mogelijkheid om deze over dezelfde periode betaalde uitkering terug te vorderen, omdat de in de wet opgenomen gronden terugvordering in de weg staan.
     Eenzelfde probleem doet zich voor met betrekking tot de op de werkloosheidsuitkering verleende toeslag indien deze in hoogte afwijkt van de op het ziekengeld of de arbeidsongeschiktheidsuitkering te verlenen toeslag.
     De voorgestelde tekst biedt tevens de mogelijkheid tot terugvordering van onverschuldigde betalingen na situaties van ongeoorloofde samenloop. Als voorbeeld moge hier worden genoemd een WAO-uitkeringsgerechtigde die een dienstverband op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) heeft en met terugwerkende kracht een verhoging van zijn WSW-loon krijgt.
     Sinds de invoering van Boek 3 van het BW is de algemeen geldende verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling (artikel 309) aanzienlijk bekort. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat een dergelijke rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval 20 jaren nadat de vordering is ontstaan.
     Tegen deze achtergrond heb ik gemeend dat er aanleiding is om ten aanzien van de verjaringstermijn in de sociale verzekering voortaan aan te sluiten bij die van artikel 309 van Boek 3 van het BW. Aansluiting bij de regeling in het nieuwe BW betekent eveneens in tweeërlei opzicht een verruiming ten opzichte van de huidige regeling.
     In gevallen waarin sprake is van onverschuldigde betaling door toedoen van de betrokkene kan onder de huidige regeling teruggevorderd worden gedurende vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling. Aansluiting bij het nieuwe BW betekent dat indien sprake is van toedoen van de betrokkene de periode waarbinnen tot terugvordering kan worden besloten niet langer wordt beperkt tot vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling. De beslissing tot terugvordering kan derhalve ook na een langere periode nog worden genomen, omdat de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling pas verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. Bovendien kan de terugvordering dan ook betrekking hebben op onverschuldigde betalingen over een periode gelegen vijf jaar of meer vóór de dag van de betaalbaarstelling.
    
rblz.|67| Gezien het feit dat het kan voorkomen dat de schuldeiser pas veel later van het bestaan van een vordering uit onverschuldigde betaling op de hoogte komt, bijvoorbeeld doordat de methoden om te frauderen steeds vernuftiger blijken te worden, waardoor fraude soms pas na verloop van jaren wordt ontdekt, wordt het wenselijk geacht om voor deze gevallen niet langer een van het BW afwijkende regeling te hanteren. Ook een begrenzing van de periode waarover terugvordering kan plaatsvinden tot vijf jaar is ongewenst. Fraude mag immers niet lonend zijn.
     Overigens wordt erop gewezen dat binnen de verjaringstermijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moeten worden genomen.


Artikelen 36, eerste lid, WW; 33, eerste lid, ZW; 57, eerste lid, WAO; 48, eerste lid, AAW; 20, eerste lid, TW; 24, eerste lid, AOW; 24, eerste lid, AKW; 87 [81, eerste lid] hAbw; 25a [25], eerste lid, Ioaw en 25a [25], eerste lid, Ioaz

     Dit is de hoofdbepaling die de verplichting tot terugvordering van al hetgeen in het kader van de uitkeringsrelatie onverschuldigd is betaald, vastlegt. Er zijn daarbij verschillende situaties te onderscheiden:

     1. In de eerste plaats wordt erop gewezen dat de bepaling niet ziet op foutieve (onverschuldigde) betalingen aan willekeurige derden (bijvoorbeeld doordat naar een onjuist giro- of bankrekeningnummer is overgemaakt). Dit blijkt uit het feit dat sprake moet zijn van terugvordering van "de betrokken werknemer" (in artikel 87 [81] hAbw: belanghebbende).
     Voorts gaat het veelal om onverschuldigd betaalde "uitkering" (respectievelijk "kosten van bijstand"). Zoals ook bij wetsvoorstel 20 598 [wetsvoorstel nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van kosten van bijstand (Kamerstukken II 1987-1988), red.] aan de orde is geweest (zie het daarin voorgestelde artikel 57, onderdeel e, [van de ABW, red.] en hetgeen daaromtrent onder meer is besproken in de memorie van toelichting (blz. 13), de memorie van antwoord (blz. 27), de nota naar aanleiding van het eindverslag (blz. 14), is het ongewenst ten aanzien van derden die in het geheel geen relatie met het uitvoeringsorgaan en de betrokken uitkeringswet hebben het bijzondere regime van de WW, respectievelijk de hAbw van toepassing te doen zijn; daarvoor dient de algemene regeling te gelden, opgenomen in het BW.
     Overigens laat de wet zich over toepassing van de mogelijkheden die het BW hier biedt niet uit; dit betekent dat, anders dan in artikel 84 [78], vierde lid, hAbw werd voorgesteld, in andere gevallen dan in de terugvorderingsparagraaf voorzien wél terugvordering kan plaatsvinden, en wel met toepassing van het BW (zie voor schrapping van deze bepaling artikel IX, onderdeel F, onder 2). Aangezien het in de hier bedoelde gevallen niet gaat om uitvoering van de betrokken uitkeringswet, valt de terugvordering met toepassing van het BW niet onder de voorgestelde verplichting. Dat neemt uiteraard niet weg dat ook in deze gevallen de onjuiste uitgaven zoveel mogelijk dienen te worden gecorrigeerd.

     2. In de tweede plaats worden aangegeven de gevallen waarin de onverschuldigde betaling wel aan een uitkeringsgerechtigde heeft plaatsgevonden en deze het gevolg is van een herzieningsbesluit als bedoeld in artikel 22a WW dan wel een weigering op grond van artikel 27 WW; in beide gevallen komt door zo'n besluit de rechtsgrond aan reeds gedane betalingen (geheel of gedeeltelijk) te ontvallen en is in zoverre derhalve sprake van onverschuldigde betaling. Het kan hierbij zowel om inhoudelijke aspecten van de uitkering gaan (bijvoorbeeld wijzigingen in het recht op uitkering; verlaging bij wijze van sanctie) als om vergissingen (bijvoorbeeld rekenfouten) van het uitvoeringsorgaan; beide leiden tot herstel van de toekenningsbeschikking.

     3. Er zijn ook gevallen van onverschuldigde betaling waar geen correctie van de toekenningsbeschikking aan ten grondslag ligt (vandaar: rblz.|68| "anderszins"). Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de beschikking geheel correct is, maar abusievelijk een hoger dan het daarin vermelde bedrag wordt uitbetaald. Het te veel betaalde is in zo'n geval geen "uitkering"; vandaar dat de bepaling daarnaast ook spreekt van "hetgeen" onverschuldigd is betaald. Dit laatste ziet ook op gevallen waarin bijvoorbeeld ten onrechte is nagelaten loonbelasting in te houden (bruto- in plaats van netto-uitbetaling).

     Ten slotte zij in dit verband vermeld dat de gekozen formulering ook omvat de gevallen waarin achteraf als gevolg van een rechterlijke uitspraak wijziging in het recht op uitkering optreedt (kan zowel het recht zelf en de omvang daarvan betreffen als de wet waaraan het recht wordt ontleend; indien bijvoorbeeld uit de uitspraak volgt dat over een periode waarover reeds WW is toegekend alsnog arbeidsongeschiktheidsuitkering of ziekengeld moet worden betaald).


Artikelen 36, tweede lid, WW; 33, tweede lid, ZW; 57, tweede lid, WAO; 48, tweede lid, AAW; 20, tweede lid, TW; 24, tweede lid, AOW; 24, tweede lid, AKW; 84 [78], derde lid, hAbw; 25a [25], vierde lid, Ioaw en 25a [25], vierde lid, Ioaz

     Zoals reeds in de toelichting op artikel 22a WW is vermeld, kan aan de verplichtingen die in dat artikel en in de artikelen 27, 27a en 36 worden geregeld niet een absoluut karakter worden toegekend. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Zoals eveneens al vermeld, moet het mogelijk zijn dat op de algemene regel een uitzondering moet worden gemaakt, in die zin dat geheel of gedeeltelijk van uitoefening van de betrokken verplichting wordt afgezien. De voorgestelde bepaling heeft tot doel dit in de wet tot uitdrukking te laten komen. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Daarbij dient het uiteraard om incidentele gevallen te gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden; van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Voor de goede orde zij vermeld dat de toepassing van dringende redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen is niet primair of uitsluitend aan financiële redenen gedacht; ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Wat betreft de financiële omstandigheden dient nog te worden bedacht dat in het algemeen reeds voldoende bescherming wordt geboden door de toepasselijke beslagvrije voet (zie de artikelen 27g, negende lid, en 36a, tweede lid, WW, respectievelijk 14f, tiende lid, en 93 [87], tweede lid, hAbw). De hier bedoelde dringende redenen kunnen overigens in hun algemeenheid moeilijk nader worden aangeduid. Voor zover het al doenlijk zou zijn, acht ik het niet wenselijk: een opsomming zou een afgrenzing betekenen waardoor nieuwe, op voorhand niet bedachte gevallen erbuiten zouden vallen.
     In dit verband zij er voorts op gewezen dat met dringende redenen niet tevens wordt gedoeld op doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van een kosten-batenafweging van uitoefening van de betrokken verplichting kan worden afgezien (dit speelt vooral bij terugvordering een rol). Gelet op de eenvoudige wijze waarop volgens de voorstellen de tenuitvoerlegging van de desbetreffende besluiten zal kunnen plaatsvinden, zal in het vervolg zelden of nooit daarvan kunnen worden afgezien op de grond dat daarmee slechts een zeer gering bedrag gemoeid is. Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat de kosten van invordering ook voor rekening van de betrokkene zijn (zie artikelen 27g, vijfde en zevende lid, WW; artikel 14f, vijfde en zevende lid, hAbw). Hierover is ook wettelijke rente verschuldigd. Ten slotte is ook uit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en preventieve werking het consequent ten uitvoer leggen van deze besluiten van groot belang. Hoewel dus een
rblz.|69| kostencalculatie in beginsel hier geen rol speelt, is het toch niet ondenkbaar dat in extreme gevallen, waarin het bijvoorbeeld gaat om slechts enkele guldens, invordering achterwege blijft. Gezien het uitzonderlijke karakter van deze gevallen wordt een uitdrukkelijke wetsbepaling ter zake niet voorgesteld. Dat zou niet alleen afbakeningsproblemen oproepen, maar ook het gevaar dat hierin in de praktijk een te ruime opening voor afwijking zou worden gevonden.

     De redactie van het derde lid van artikel 84 [78] hAbw wordt (zie artikel IX, onderdeel F) geharmoniseerd met die van het voorgestelde artikel 36, tweede lid, WW; inhoudelijke wijzigingen worden daarmee niet beoogd.

     Ten slotte zij nog opgemerkt dat de uitzonderingsbepaling betreffende de dringende redenen in de verschillende artikelen steeds weer is opgenomen omdat de toepassing daarvan op verschillende tijdstippen aan de orde kan zijn en derhalve ook opnieuw een afweging nodig kan zijn van nieuwe omstandigheden.


Artikelen 36, derde lid, WW; 33, derde lid, ZW; 57, derde lid, WAO; 48, derde lid, AAW; 20, derde lid, TW; 24, derde lid, AOW; 24, derde lid, AKW; 92 [86], eerste lid, hAbw; 25c [27, eerste lid] Ioaw en 25c [27, eerste lid] Ioaz

     Evenals bij een besluit tot boeteoplegging het geval is (zie artikel 27c, eerste lid, WW, respectievelijk 14c, eerste lid, hAbw en de toelichting daarop), zal in een terugvorderingsbesluit informatie moeten worden verstrekt over de wijze waarop dat besluit ten uitvoer gelegd kan worden. Het besluit tot terugvordering moet dezelfde soort informatie bevatten als het boetebesluit. Ten opzichte van het oorspronkelijk wetsvoorstel is de redactie van artikel 36, derde lid, WW aangepast aan die van artikel 27c, eerste lid, WW. Dit betekent dat in elk geval in algemene zin informatie moet worden verstrekt over de mogelijke executievormen (zie artikel 36a: verrekening met lopende uitkering; inhouding op een andere uitkering; beslag). Voor zover mogelijk zal tevens in hetzelfde besluit moeten worden aangegeven hoe (dat wil zeggen met welke bedragen en termijnen) in het concrete geval die tenuitvoerlegging zal plaatsvinden; aangezien daarvoor in een aantal gevallen nader onderzoek nodig zal zijn, zal dat niet altijd tegelijkertijd kunnen. Voorts zullen soms later wijzigingen nodig zijn.


Artikelen 36, vierde lid, WW; 33, vierde lid, ZW; 57, vierde lid, WAO; 48, vierde lid, AAW; 20, vierde lid. TW; 24, vierde lid, AOW; 24, vierde lid, AKW; 92 [86], tweede lid, hAbw; 25c [27, tweede lid] Ioaw en 25c [27, tweede lid] Ioaz

     Om soortgelijke redenen als bij de boete gelden, is met betrekking tot de terugvordering een afzonderlijke informatieverplichting nodig naast de algemene verplichting ter zake. Ook bij terugvordering betreffen de te geven inlichtingen immers niet altijd het recht op uitkering, terwijl soms ook van iemand die niet (langer) uitkeringsgerechtigd is, wordt teruggevorderd.

     Voor de strafsanctie op deze verplichting zie de toelichting op artikel 27a, vierde lid, WW.

     Voorts geldt ook hier dat het niet nakomen van deze informatieverplichting leidt tot het verlies van de bescherming van de beslagvrije voet; dit volgt uit artikel 36a, tweede lid, waarbij onder meer het tiende lid van artikel 27g van overeenkomstige toepassing is verklaard, welke bepaling dat gevolg met betrekking tot de boete regelt. Zie voor de overeenkomstige bepalingen van de hAbw artikel 93 [87], tweede lid, juncto artikel 14f, elfde lid.

rblz.|70| 

Artikel I, onderdeel I; artikel II, onderdeel C; artikel III, onderdeel I; artikel IV, onderdeel I; artikel V, onderdeel E [V,F]; artikel VI, onderdeel C [VI,D]; artikel VII, onderdeel E [VII,G]; artikel IX, onderdeel J [-]; artikel X, onderdeel J; artikel XI, onderdeel I


Artikelen 36a WW; 33a ZW; 57a WAO; 48a AAW; 20a TW; 24a AOW; 24a AKW; 93 [87] hAbw; artikel 25d [28] Ioaw en artikel 25d [28] Ioaz

     Een besluit tot terugvordering levert net als een boetebesluit een executoriale titel op. Ten aanzien van de tenuitvoerlegging wordt ook hetzelfde regime voorgesteld. Dit gebeurt door van overeenkomstige toepassingverklaring van artikel 27g (in de hAbw: van artikel 14f). Voor een toelichting hierop zij verwezen naar die bij de genoemde artikelen.


Artikelen 36b WW; 33b ZW; 57b WAO; 48b AAW; 20b TW; 24b AOW en 24b AKW

     Zie het algemeen deel van de memorie van toelichting onder "Nadere regelgeving" [hoofdstuk 10, red.].

 

Artikel I, onderdeel J

     In artikel 37 WW is geregeld dat indien de gemeente een uitkering op grond van de ABW, de Ioaw of de Ioaz onverschuldigd heeft betaald, verrekening mogelijk is met een WW-uitkering. Deze bepaling wordt in dit onderdeel geschrapt. De regeling van de mogelijkheid tot terugvordering en verrekening van onverschuldigd betaalde hAbw-, Ioaw- of loaz-uitkering met WW-uitkering hoort niet zozeer in de WW thuis, maar dient in de hAbw, de Ioaw en de Ioaz zelf te worden geregeld. Dit laatste geschiedt in het onderhavige wetsvoorstel.
     Hetzelfde geldt voor artikel 33a ZW en 57a WAO, welke worden vervangen door een artikel met een andere inhoud, en voor de artikelen 49 AAW, 21 TW en 25 AOW, die komen te vervallen.

 

Artikel I, onderdeel K [I,M] en L [I,N]

     De redactie van artikel 89, onderdeel b, en artikel 92, onderdeel c, is aangepast in verband met de omzetting van de terugvorderingsbevoegdheid in een terugvorderingsplicht. De toevoeging van het nieuwe onderdeel e aan artikel 89 voorziet erin dat de opbrengst van de boeten ten goede komt aan het wachtgeldfonds.

 

Artikel I, onderdeel M [I,O]

     Zie het algemeen deel van de memorie van toelichting onder "Nadere regelgeving" [hoofdstuk 10, red.].

 

Artikel I, onderdeel N [I,Q]; artikel II, onderdeel I [II,J]; artikel III, onderdeel O [III,N]; artikel IV, onderdeel M; artikel V, onderdeel H [V,I]; artikel VI, onderdeel E [VI,G]; artikel VII, onderdeel G [VII,I]; artikel IX, onderdeel T [IX,S]; artikel X, onderdeel V [X,U]; artikel XI, onderdeel U [XI,T]


     Het voorgestelde artikel 135a geeft tezamen met artikel 27b, eerste lid, voor de WW uitwerking aan het una-viabeginsel. Voor een toelichting zij verwezen naar hoofdstuk 7 van het algemeen deel, alsmede naar de toelichting op artikel 27b WW. Mutatis mutandis geldt hetzelfde ten aanzien van de rblz.|71| andere wetten. Onder de bepaling vallen alle relevante strafbepalingen uit het commune strafrecht en de socialezekerheidswetten.

 

Artikel II (Ziektewet)


Onderdelen F en G (artikelen 44 en 45 ZW)

     Ingevolge het huidige artikel 44 van de ZW is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of ten dele te weigeren in een aantal situaties waarin de ongeschiktheid tot werken (hoogstwaarschijnlijk) reeds bestond op het moment dat de verzekering een aanvang nam en indien de verzekerde zich op de één of andere manier heeft misdragen. Het artikel maakt derhalve geen onderscheid tussen de meer verzekeringstechnische weigeringsgronden en de weigering van uitkering vanwege laakbaar gedrag. Zoals eerder uiteengezet, dient de bevoegdheid van de bedrijfsvereniging tot het opleggen van sancties bij misdragingen van de uitkeringsgerechtigde te worden omgezet in een wettelijke verplichting. Dit brengt mee dat de in het huidige artikel omschreven opeenhoping van gevallen dienen te worden gesplitst in twee categorieën, namelijk de hierboven bedoelde, meer verzekeringstechnische, niet-laakbare gevallen in artikel 44 en de gevallen van laakbaar gedrag in een nieuw geredigeerd artikel 45. De verzekeringstechnische weigeringsgronden blijven voorwerp van een bevoegdheid van de bedrijfsvereniging, terwijl de misdragingen voorwerp worden van een sanctieplicht.

     De huidige ZW voorziet nog niet in een bepaling op grond waarvan de schending van de identificatieplicht ingevolge artikel 50a, vierde lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering dient te worden gesanctioneerd. Daarin wordt bij deze voorzien door in het nieuwe artikel 45 een onderdeel h. op te nemen.

     Het huidige sanctieartikel 44 voorziet wel in de mogelijkheid tot het opleggen van een sanctie bij schending van de algemene informatieplicht ex artikel 49, maar niet bij schending van de bijzondere informatieplicht ex artikel 31, eerste lid (de verplichting om tijdens de ziekte van loon, neveninkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking of ouderdomspensioen mededeling te doen aan de bedrijfsvereniging), terwijl artikel 31, tweede lid, slechts een mogelijkheid tot correctie bevat. Na de aanvaarding van het onderhavige voorstel geeft de schending van de informatieplicht ex artikel 49 niet langer aanleiding tot verlaging van het ziekengeld, maar tot het opleggen van een boete. Het ligt voor de hand om daar voor wat betreft de bijzondere informatieplicht van artikel 31, eerste lid, bij aan te sluiten.


Onderdeel H [I] (artikel 63 ZW)

     De opbrengst van de boeten wordt toegevoegd aan de (algemene) reserve.

 

Artikel III (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)


Onderdeel B (artikel 25 WAO)

     Het huidige artikel 25 van de WAO spreekt niet, zoals de WW, van het geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigeren van uitkering, maar van het geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend buiten aanmerking laten rblz.|72| van aanspraken. Inhoudelijk en wetssystematisch zijn de teksten nu op elkaar afgestemd.


Onderdeel C (artikel 28 WAO)

     De redactie van de aanhef van het artikel heeft een kleine wijziging ondergaan in verband met de omzetting van de sanctiebevoegdheid in een sanctieplicht.
     Het tweede lid komt te vervallen, omdat de daar geregelde mogelijkheid voor de SVr om nadere regels te stellen, is verhuisd naar artikel 29, derde lid.
     In onderdeel d komt de verwijzing naar artikel 80, bevattende de algemene inlichtingenplicht, te vervallen, omdat - zoals eerder uiteengezet - de schending van die plicht niet langer wordt gesanctioneerd door toepassing te geven aan het algemene sanctieartikel, maar door het opleggen van een boete. Nieuw in de opsomming van gesanctioneerde verplichtingen is de identificatieplicht ingevolge artikel 50a, vierde lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering.


Onderdeel F (artikel 30 WAO)

     Door de omzetting van sanctiebevoegdheden in verplichtingen heeft het woord "voorts" ten aanzien de enig overgebleven bevoegdheid, namelijk die ingevolge artikel 30, eerste lid, zijn betekenis verloren; reden waarom het wordt geschrapt.


Onderdeel L [-] (artikel 71 WAO)

     Aan het besluit een sanctie of een boete op te leggen, zijn in het algemeen geen medische of arbeidsmedische aspecten verbonden, zodat advisering door de Gemeenschappelijke Medische Dienst niet behoeft te worden voorgeschreven. De wijziging beoogt dit te bewerkstelligen.


Onderdelen M [-] en N [L] (artikelen 73 en 76 WAO)

     De opbrengst van de boeten wordt toegevoegd aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

 

Artikel IV (Algemene Arbeidsongeschiktheidswet)


Onderdelen B (artikel 16 AAW); C (artikel 19 AAW); F (artikel 21 AAW) en L [-] (artikel 64 AAW)

     Voor de toelichting op deze wijzigingen zij volstaan met verwijzing naar de toelichting op respectievelijk de onderdelen B, C, F en L van artikel III (WAO).


Onderdeel J (artikel 49 AAW)

     Het huidige artikel 49 wordt geschrapt, omdat het materieel wordt vervangen door het in onderdeel E vervatte nieuwe artikel 20f juncto het in onderdeel I vervatte nieuwe artikel 48a, tweede lid.

rblz.|73| 

Artikel V (Toeslagenwet)


Onderdeel F [G] (artikel 21 TW)

     Het huidige artikel 21 wordt geschrapt, omdat het materieel wordt vervangen door het in onderdeel C [D] vervatte nieuwe artikel 14f juncto het in onderdeel E [F] vervatte nieuwe artikel 20a, tweede lid.

 

Artikel VI (Algemene Ouderdomswet)


Onderdeel A [B]

     In de AOW is thans evenals bij de andere socialezekerheidswetten een gelijkluidend herzieningsartikel opgenomen, omdat daaraan in de praktijk behoefte bestaat.

     De huidige AOW kent geen sanctieartikel. Daar bestaat ook nauwelijks of geen behoefte aan. De aard van het verzekerde risico - de nadelige inkomensgevolgen van het ouder worden - brengt immers mee dat er geen verplichtingen zijn om een beroep op het pensioen te voorkomen, dan wel om een beroep daarop zo snel mogelijk te beëindigen. De behoefte aan een sanctieartikel is dan ook beperkt tot de situatie waarin de pensioengerechtigde zijn identificatieplicht ingevolge artikel 19, vierde lid, van de Wet op de Sociale Verzekeringsbank schendt. Uitsluitend met het oog op die situatie wordt bij deze voorzien in het nieuwe artikel 17b.

     Het voorgaande omtrent het ontbreken in de AOW van in- en uitstroomverplichtingen neemt niet weg dat er op elke pensioengerechtigde de algemene informatieplicht ingevolge artikel 49 rust. Het is immers niet ondenkbaar dat er twijfel ontstaat over de vraag of de pensioengerechtigde wel het juiste pensioen ontvangt. Men denke bijvoorbeeld aan de situatie waarin de gerechtigde vanwege langdurig verblijf in het buitenland geen volledige pensioenopbouw heeft bereikt. Bij onduidelijkheid over de niet-verzekerde tijdvakken moet de SVB kunnen vertrouwen op de juistheid van de door de gerechtigde verstrekte gegevens. Schending van de inlichtingenplicht wordt in beginsel bestraft met het opleggen van een boete ingevolge het nieuwe artikel 17c.


Onderdeel D [E] (artikel 25 AOW)

     Het huidige artikel 25 wordt geschrapt, omdat het materieel wordt vervangen door het in onderdeel A [B] vervatte nieuwe artikel 17i juncto het in onderdeel C [D] vervatte nieuwe artikel 24a, tweede lid.


Onderdeel E [F]

     De informatiebepaling is in overeenstemming gebracht met de bepalingen in de overige sociale zekerheid.

 

Artikel VII (Algemene Kinderbijslagwet)


Onderdeel B [D] (artikel 17 AKW)

     Artikel 17 is inhoudelijk en redactioneel in overeenstemming gebracht met de opzet van dit wetsvoorstel: de bevoegdheid om tijdelijk of blijvend de kinderbijslag te weigeren bij het niet naleven van de controlevoorschriften ingevolge artikel 16 is omgezet in een verplichting; de sanctieplicht gaat ook gelden bij schending van de identificatieplicht ingevolge rblz.|74| artikel 19, vierde lid, van de Wet op de Sociale Verzekeringsbank; ten slotte wordt ook hier het niet naleven van de algemene inlichtingenplicht uit het sanctieartikel gehaald en bij het nieuwe boeteartikel 17a ondergebracht.

     De opbrengst van de boeten wordt toegevoegd aan het Algemeen Kinderbijslagfonds.

 

Artikel VIII (Wet financiering volksverzekeringen)


Onderdelen A en B

     Al deze onderdelen regelen niet meer dan dat de opbrengst van de boeten opgelegd op grond van de AOW en de AAW worden toegevoegd aan respectievelijk het Ouderdomsfonds en het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.

 

Artikelen IX, X en XI

     Het oorspronkelijke wetsvoorstel is op tal van plaatsen gewijzigd voor wat betreft de hAbw, Ioaw en Ioaz. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk als gevolg van de wijzigingen die recent zijn voorgesteld in het kader van de herinrichting ABW (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18 en 19) en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Kamerstukken II 1993-1994, 22 614, nr. 6). Bij die gelegenheid zijn immers onder meer de bepalingen met betrekking tot het geldend maken van het recht op uitkering en de inlichtingenverplichting gewijzigd.
     Het onderhavige wetsvoorstel is thans afgestemd op de recente nota's van wijziging. Hierdoor is een groot aantal artikelen, met name die waar wordt verwezen naar de inlichtingenplicht, aangepast. Voorts zijn bepalingen verwijderd die inmiddels zijn opgenomen in de wetsvoorstellen 22 545 en 22 614 (dit geldt de algemene medewerkingsverplichting en de verplichting een identiteitsbewijs te tonen).

 

Artikel IX, onderdeel C [IX,E] en D [-]; artikel X, onderdeel B [X,C]; artikel XI, onderdeel A [XI,B]


Artikelen 77 [69] hAbw; 17 Ioaw en 17 Ioaz

     In de genoemde bepalingen zijn de opschorting van de uitkering en de herziening of intrekking van het besluit samengevoegd.

     In het vijfde lid is niet voorzien in de mogelijkheid om wegens dringende redenen van opschorting af te zien. Het argument hiervoor is dat de opschorting mede tot doel heeft te bevorderen dat de noodzakelijke gegevens alsnog worden verstrekt. Voorts is opschorting alleen aan de orde als sprake is van verwijtbaar gedrag. Als de belanghebbende daarin volhardt, is er geen aanleiding om onder omstandigheden af te zien van opschorting.

 

Artikel IX, onderdeel E [-]

     Artikel 81 [75] hAbw is overbodig naast het voorgestelde stelsel van onderlinge verrekening onder meer tussen gemeente en bedrijfsvereniging. Zie daaromtrent artikel 36a, tweede lid, juncto artikel 27f, vierde lid, WW, en artikel 93 [87], tweede lid, juncto artikel 14f, vierde lid, hAbw. Soortgelijke bepalingen van de Ioaw en de Ioaz (artikelen 21 en 22) zijn al geschrapt bij gelegenheid van de rblz.|75| verhaalswetgeving (zie artikel III, onderdeel A, van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193). De bij die wet opgenomen nieuwe artikelen 25i en 25j worden om de aangegeven redenen nu ook overbodig.

 

Artikel IX, onderdeel F

     Voor de strekking van deze bepaling alsmede het begrip dringende redenen zij verwezen naar de toelichting op artikel 36, tweede lid, WW. Daar is ook reeds aangegeven dat de aanpassing van artikel 84 [78], derde lid, hAbw slechts strekt tot harmonisatie en geen inhoudelijke wijziging beoogt.
     Zoals eveneens al bij de toelichting op artikel 36 WW (het eerste lid) is vermeld, is het gewenst in bepaalde situaties terugvordering met toepassing van het BW mogelijk te laten zijn; de daarvoor in het huidige vierde lid van artikel 84 [78] hAbw bestaande belemmering dient daarvoor uit de weg te worden geruimd.
     Het schrappen van het vierde lid is ook nog om een andere reden van belang. Op grond van artikel 19 van de Beroepswet en de daarbij behorende bijlage, zoals die zijn komen te luiden na inwerkingtreding per 1 januari 1994 van het voorstel van Wet voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie, heeft het hoger beroep schorsende werking. Dit betekent dat als een rechtbank een uitspraak heeft gedaan, de werking van die uitspraak wordt opgeschort als hoger beroep wordt ingesteld. De schorsende werking geldt voor alle socialeverzekeringswetten en voor de
Ioaw en Ioaz. Alleen voor de hAbw is een uitzondering gemaakt, gelet op het feit dat de hAbw de laatste bestaansvoorziening is. Als de rechter van oordeel is dat bijstand geboden is, dient de gemeente die uitspraak direct ten uitvoer te leggen. De gemeente moet dus de bijstand uitbetalen in afwachting van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De keerzijde daarvan is dat de Centrale Raad van Beroep de gemeente in hoger beroep alsnog in het gelijk kan stellen, waardoor achteraf bezien de gemeente de bijstand onverschuldigd heeft betaald. Het is dan onterecht dat de gemeente dergelijke bijstand aan de betrokkene moet laten. Het schrappen van het vierde lid leidt ertoe dat de gemeente de bijstand alsnog kan terugvorderen.

 

Artikel IX, onderdeel H [-]

     Niet alleen het niet nakomen van de informatieverplichting, maar ook het niet nakomen van de ondersteunende verplichting tot het verlenen van medewerking (denk aan huisbezoeken) moet kunnen leiden tot terugvordering van degenen met wie in gezinsverband wordt samengeleefd. Anderzijds kan op het niet nakomen van de identificatieplicht, bedoeld in artikel 73 [65], vijfde lid, worden gereageerd door de uitkering stop te zetten. Terugvordering is dan niet aan de orde. Daarom wordt in het tweede lid van artikel 90 [84] niet verwezen naar artikel 73 [65], vijfde lid.

 

Artikel IX, onderdeel I; artikel X, onderdeel I; artikel XI, onderdeel H


Artikelen 92 [86] hAbw; 25c [27] Ioaw en 25c [27] Ioaz

     Artikel 92 [86], eerste lid, hAbw wordt in overeenstemming gebracht met het voorgestelde artikel 36, derde lid, WW; zie de toelichting bij die bepaling.
     Het tweede lid is overbodig, aangezien ook zonder deze bepaling herziening van een beslissing op grond van gewijzigde omstandigheden
rblz.|76| op verzoek of ambtshalve kan (soms: moet) plaatsvinden. Een dergelijke bepaling ontbreekt dan ook terecht bijvoorbeeld in artikel 14 hAbw.
     Zie voor het tot nieuw tweede lid vernummerde derde lid van artikel 92 [86] de toelichting op artikel 36, vierde lid, WW.

 

Artikel IX, onderdeel K [IX,J]; artikel X, onderdeel K [-]; artikel XI, onderdeel J [-]

     Zie voor de keuze om met betrekking tot de terugvordering geheel aan te sluiten bij de verjaringstermijnen van het BW de toelichting op artikel 36 WW c.a.

 

Artikel IX, onderdeel L [IX,K]; artikel X, onderdeel L [X,K]; artikel XI, onderdeel K [XI,J]

     Zie toelichting op 27g WW/14e hAbw, waarbij wordt verwezen naar die op artikel 36a WW.

 

Artikel IX, onderdeel M [-]; artikel X, onderdeel M [-]; artikel XI, onderdeel L [-]


Artikelen 96 [89] hAbw; 25g [30] Ioaw en 25g [30] Ioaz

     In het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en een aantal andere wetten in verband met de bevoorrechting van vorderingen (Kamerstukken II 1992-1993, 22 942) wordt de bevoorrechting van vorderingen ingevolge de ABW, Ioaw en Ioaz geschrapt.
     Dit is nu het geval in artikel 96 [89] hAbw en de daarmee corresponderende bepalingen in de Ioaw en Ioaz.

 

Artikel IX, onderdeel N [IX,L]; artikel X, onderdeel P[-]; artikel XI, onderdeel O [-]


Artikelen 98 [91] hAbw; 25k [33] Ioaw en 25k [33] Ioaz

     Artikel 98 [91] hAbw kan vervallen, omdat de toepasselijkheid van het vereenvoudigd derdenbeslag nu wordt geregeld in artikel 14f, negende lid.

 

Artikel IX, onderdeel O [IX,N]

     De beschikking tot verhaal heeft geen executoriale kracht. Daarom is er geen reden artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hier buiten toepassing te verklaren (zie artikel 14f, negende lid).

 

Artikel IX, onderdeel Q [IX,P]; artikel X, onderdeel Q [X,P]; artikel XI, onderdeel P [XI,O]


Artikelen 141 [134] hAbw; 38 [57] Ioaw en 38 [57] Ioaz

     De inkomsten die de gemeente uit boeten verkrijgt, worden op dezelfde wijze in de declaratie bij het Rijk betrokken als andere inkomsten, zoals bij het verhaal het geval is. Dit betekent dat 90% aan het Rijk moet worden afgedragen.
     Wat de bijstand betreft, geldt dit alleen voor zover de boete betrekking
rblz.|77| heeft op de algemene bijstand. Dit komt tot uitdrukking in het eerste lid van artikel 141 [134]. Daar is bepaald dat de boetebedragen die de gemeente ontvangt in verband met de verlening van algemene bijstand, worden begrepen onder de kosten van algemene bijstand.
     Uiteraard is het denkbaar dat een boete wordt opgelegd op grond van de schending van de inlichtingenplicht met betrekking tot bijzondere bijstand. In dat geval komt de opbrengst van de boete volledig ten goede van de gemeente, zoals de kosten van de bijzondere bijstand voor haar rekening komen.

     In het derde lid is voorts geregeld welk deel van de boeteopbrengst naar het Rijk moet vloeien indien de algemene bijstand bestaat uit de wettelijke bijstandsnorm plus een toeslag. Een deel komt ten goede aan de gemeente.

 

Artikel IX, onderdeel R [IX,Q]; artikel X, onderdeel R [X,Q]; artikel XI, onderdeel Q [XI,P]


Artikelen 143 [136] hAbw; 40 [59] Ioaw en 40 [59] Ioaz

     Bij het verplicht stellen van sanctionering (zowel maatregelen als boeten; respectievelijk artikel 14 en 14a) past dat aan onvoldoende naleving van die verplichting door het Rijk financiële gevolgen verbonden kunnen worden voor de gemeente; hierin voorziet het nieuwe onderdeel d van artikel 143 [136], derde lid, hAbw. Het betreft hier een inspanningsverplichting van de gemeente; zij dient aan de sanctieverplichting te voldoen voor zover dat redelijkerwijs van haar verlangd kan worden.

 

Artikel IX, onderdeel U [IX,T]; artikel X, onderdeel W [-]; artikel XI, onderdeel V [-]

     Zie hiervoor artikel I, onderdeel H, bij artikel 36, vierde lid, WW.

 

Artikel X, onderdeel A

     Deze wijziging vloeit voort uit de wijziging van artikel 27 WW, waarbij de beperking van de uitkeringsduur als sanctie is vervallen.
     Voor de
Ioaw blijft gelden dat degene die de vereiste maximale uitkeringsduur WW niet haalt als gevolg van een sanctie, daarvan in het kader van zijn loaw-aanspraak geen blijvend nadeel ondervindt.

 

Artikel XII


Onderdelen A en C

     In de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (Wauoo) zijn in twee van de verschillende hoofdstukken voor de toepassing van een aantal artikelen in verschillende socialeverzekeringswetten bijzondere bepalingen opgenomen met betrekking tot de overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel 1 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies. Zo bevatten de artikelen 22, 35, 44, 53 en 62 van de Wauoo bijzondere bepalingen voor de toepassing van de artikelen 49 AAW, 33a (oud) van de ZW, 57a (oud) van de WAO, 37, tweede lid, van de WW en 21 van de TW. Aangezien in het onderhavige wetsvoorstel laatstgenoemde artikelen komen te vervallen, hebben de artikelen 22, 35, 44, 53 en 62 van de Wauoo daardoor hun betekenis verloren.

rblz.|78| 
Onderdeel B

     Artikel 34, eerste lid, van de Wauoo bevat een bijzondere bepaling met betrekking tot de overhevelingstoeslag met betrekking tot de artikelen 33 en 34 ZW. Aangezien in het onderhavige wetsvoorstel ook artikel 34 van de ZW komt te vervallen, kan de vermelding van artikel 34 van de ZW in het eerste lid van artikel 34 van de Wauoo worden geschrapt. De in dit onderdeel opgenomen bepaling strekt daartoe.

 

Artikel XIII

     In artikel 9 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil) is thans geregeld dat terugvordering en verrekening van op grond van die wet verrichte onverschuldigde betaling mogelijk is indien na toekenning van ziekengeld ingevolge hoofdstuk II over eenzelfde tijdvak aanspraak blijkt te bestaan op een uitkering op grond van een andere wettelijke regeling dan de AAW of WAO, genoemd in artikel 34 ZW.
     In het onderhavige wetsvoorstel vervalt artikel 34 en worden de in artikel 34 ZW bedoelde gevallen betreffende de terugvordering bestreken door de algemene terugvorderingsbepaling in artikel 33 ZW en wat de verrekening betreft door het nieuwe artikel 33a ZW. Deze beide artikelen, 33 en 33a, zijn op grond van artikel 8
Wamil reeds van overeenkomstige toepassing op uitkeringen ingevolge hoofdstuk II van de Wamil.
     Het nieuwe artikel 33 ZW in verbinding met artikel 8
Wamil behelst ook de gevallen waarin de Wamil-uitkering onverschuldigd is betaald doordat nadien recht blijkt te bestaan op een uitkering die wordt ontleent aan een andere wettelijke regeling dan de AAW of WAO. Op grond van het voorgestelde artikel 33a ZW in verbinding met artikel 8 Wamil kan onverschuldigd betaalde Wamil-uitkering echter niet worden verrekend met een uitkering die wordt ontleend aan een andere wettelijke regeling als bedoeld in artikel 2 van die wet.
     In verband hiermee dient thans alleen artikel 33a ZW nog van overeenkomstige toepassing te worden verklaard betreffende uitkeringen krachtens een andere wettelijke regeling. De in dit artikel opgenomen wijziging strekt daartoe.

 

Artikelen XIV en XV [-]

     Voor de toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar [lees: naar de toelichting op, red.] artikel 27a, vierde lid, en 36, vierde lid, WW c.a.

 

Artikel XVI [XV]

     Artikel V van het bij koninklijke boodschap van 23 oktober 1993 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Jeugdwerkgarantiewet bepaalt hoe artikel 14, vijfde lid, van de hAbw komt te luiden indien het voorstel van wet herinrichting van de Algemene Bijstandswet in werking treedt.
     In artikel X van het onderhavige wetsvoorstel wordt artikel 14 van de hAbw, zoals dat komt te luiden indien het voorstel van wet herinrichting van de Algemene Bijstandswet in werking treedt, eveneens gewijzigd.
     Deze bepalingen kunnen niet tegelijk van kracht zijn. Om die reden is bepaald dat bedoeld artikel V vervalt indien het voorstel van wet herinrichting van de Algemene Bijstandswet tot wet wordt verheven.

rblz.|79| 

Artikel XVII [XVI]


Eerste lid

     Met betrekking tot misdragingen van vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft de uitvoerder bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie. Dit geldt ook met betrekking tot de terugvordering en verrekening van hetgeen vóór die datum onverschuldigd werd betaald.


Tweede lid

     Is met betrekking tot een oude misdraging of onverschuldigde betaling vóór de inwerkingtreding van deze wet en dus met toepassing van het oude recht een besluit genomen, dan blijft dat oude recht ook daarna ten aanzien van dat besluit van toepassing en vormt dat dus ook het recht waaraan in bezwaar, beroep en hoger beroep wordt getoetst.

 

Artikelen XVIII [-] en XIX [XVIII]

     Het betreft een afstemming op reeds ingediende voorstellen van wet over de inwerkingtreding waarvan thans onzekerheid bestaat.

 

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet BMT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x