11.
Adviezen ¹
A. Advies van de Sociale Verzekeringsraad
De
SVr heeft op 4 november 1993 advies uitgebracht. In dit advies zijn
de reacties van de Federatie van Bedrijfsverenigingen en de SVB, die daartoe door de Raad in de gelegenheid zijn gesteld,
verwerkt. In zijn algemeenheid onderschrijft de Raad de voorstellen neergelegd in
het wetsvoorstel om te komen tot een
aanscherping van de
handhaving. Op onderdelen heeft de SVr kanttekeningen. Hierop zal achtereenvolgens per onderwerp worden ingegaan.
1. Ter inzage gelegd bij de
afdeling Parlementaire Documentatie.
De herziening
De Raad acht een
uitdrukkelijke opname van de herziening in de wet niet noodzakelijk. Indien
daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld in geval van gewijzigde omstandigheden, vloeit uit het systeem van de wet reeds
voort dat de
uitvoeringsorganen verplicht zijn de uitkering te herzien. Bovendien wordt de
uitvoering beheerst door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op
grond waarvan beslissingen zorgvuldig genomen dienen te worden en
gemotiveerd aan de betrokkenen kenbaar moeten worden gemaakt. Als
aanscherping van de handhaving wordt aanbevolen de
uitvoeringsorganen de bevoegdheid te verlenen om uitkeringen te schorsen bij
ernstige vermoedens van gewijzigde omstandigheden alsmede om in
afwachting van definitieve besluitvorming voorschotten te verstrekken
die op eerste vordering direct terugbetaald moeten worden. Tot slot zou
de verplichting aan de uitvoeringsorganen moeten worden opgelegd om
elke beslissing in schriftelijke vorm aan betrokkenen mede te delen.
Reactie:
Met de
herzieningsverplichting wordt beoogd de gevolgen van voor de uitkering relevante
wijzigingen in de omstandigheden vast te leggen ter wijziging van de primaire
beslissing. Met name wordt gedoeld op het aangeven van de gevolgen die
zijn verbonden aan het achteraf kennisnemen door de
uitvoeringsorganen van feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot
terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering of oplegging van een
administratieve sanctie. Dat op meer gronden aanleiding zou kunnen
bestaan de uitkering te herzien, was op zich onderkend. De wettekst in
het voorontwerp luidt dan ook: "Onverminderd het elders in deze wet
bepaalde omtrent herziening of intrekking van een besluit ... herziet in de
volgende gevallen".
Mede gelet op de
onzorgvuldige uitvoeringspraktijk, zoals onder meer geconstateerd door de
Centrale
Raad van Beroep in zijn jaarverslag over 1992, is een opdracht aan de
uitvoerders gewenst om het recht in overeenstemming met
(gewijzigde) omstandigheden vast te leggen, alsmede de
rechtsgevolgen daarvan, namelijk dat aan betalingen die in rblz.|34|
afwijking van de herziene
beslissing zijn gedaan de rechtsgrond is komen te ontvallen, zodat
terugvordering mogelijk is.
De opmerkingen van de Raad [lees: SVr, red.]
inzake schorsing en bevoorschotting staan in feite los van de
herziening. Schorsing en bevoorschotting zijn reeds thans bestaande
instrumenten die slechts hun effect in de toekomst kunnen hebben. Als zodanig
beschouw ik deze instrumenten als aanvullend ten opzichte van
de herziening. Als thans wordt geconstateerd dat de uitkering die reeds
is verstrekt over het verleden moet worden herzien, kan - naar de
toekomst toe - bij wijze van zekerheidsstelling worden geschorst of
bevoorschot. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting
op artikel
22a WW.
Administratieve sancties
De Raad is het eens met het
opvullen van de huidige leemten in het sanctiebeleid, bestaande uit
het aanvullen van de wetten waarin thans geen sanctiebepalingen zijn
opgenomen, inclusief de mogelijkheid tot het opleggen van sancties met
terugwerkende kracht voor alle socialezekerheidswetten. De Raad is
er niet van overtuigd dat het noodzakelijk is hiertoe een administratieve
boete te introduceren. Niet is gebleken dat het bestaande systeem niet adequaat is.
Wat betreft het onderscheid
dat is gemaakt tussen overtreding van de informatieverplichting
enerzijds en de overige verplichtingen gericht op het voorkomen van werkloosheid, het zo snel mogelijk uitstromen uit de
uitkering en het nakomen van formaliteiten anderzijds, merkt de Raad op dat dit niet helder is en
dat zeker een nadere toelichting noodzakelijk is. Ook meent de Raad dat in
minder ernstige vormen van schending van de informatieverplichting in
plaats van een boete een maatregel zou kunnen worden opgelegd.
Er wordt getwijfeld aan de
effectiviteit van de boete waar het de invordering betreft.
Feitelijk betekent een opgelegde boete verlenging van de periode waarover
moet
worden teruggevorderd. Veelal is deze al erg lang.
De Raad onderschrijft de
stelling niet dat de boete wel en de maatregelen niet als straf zouden
moeten worden aangemerkt. De Raad is van mening dat elke administratieve sanctie, boete of maatregel genoemd,
moet voldoen aan de eisen
die mensenrechtenverdragen daaraan stellen. Het Nederlandse rechtssysteem biedt naar het oordeel van de Raad
evenwel voldoende
waarborgen. Hierbij wordt met name gewezen op de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur die in het bestuursrecht in acht moeten worden genomen
alsmede de Awb. Ten aanzien van de
onschuldpresumptie merkt de Raad op dat bestraffing door de administratie van
eenvoudig vast te stellen feiten, waaraan geen beoordeling van opzet of
schuld te pas komt en waarvoor tegenbewijs kan worden geleverd, impliceert
dat de onschuldpresumptie niet in acht behoeft te worden genomen.
Bij de administratieve sanctieoplegging gaat het evenwel niet steeds
over eenvoudig vast te stellen feiten. Toch moet om redenen van
effectiviteit aan de sanctieoplegging geen opschortende werking worden
verbonden. Tot slot vraagt de Raad zich af of het aanvaardbaar is dat
een boete achterwege blijft indien financiële benadeling van het
uitvoeringsorgaan ontbreekt.
De administratieve sancties
in de WAO zijn op voorstel van de Raad aangepast.
Reactie:
In de toelichting is in de hoofdstukken 6 en 7 al uiteengezet dat ordening in de sanctiebepalingen gewenst is
en waarom een boete noodzakelijk is om de leemten op te vullen. Het
overtreden van de informatieverplichting is, zeker omdat hier een
afzonderlijke strafbepaling voor bestaat, duidelijk te onderscheiden van de overige
verplichtingen die specifiek zijn gericht op rblz.|35|
het beperken van het "verzekerd
risico". Het maken van onderscheid is noodzakelijk vanwege de
consequenties die uitsluitend verbonden zijn aan oplegging van een
sanctie bij schending van de informatieverplichting. Hierbij zij
uitdrukkelijk melding gemaakt van het feit dat deze systematiek zich niet
verdraagt met het maken van onderscheid tussen lichte en zware overtreding
van de informatieverplichting met een afzonderlijk sanctieregime.
Afweging van de ernst van het feit dient tot uitdrukking te komen in de
hoogte van de boete. Hoewel met instemming is kennisgenomen van de opvatting van de Raad dat het bestaande
rechtssysteem voldoende
rechtsbescherming aan de betrokkenen biedt, ben ik toch van mening dat
aan de oplegging van een boete zwaardere eisen moeten worden gesteld
dan aan de oplegging van een maatregel. De reden hiervoor is dat de
eerstgenoemde sanctie in tegenstelling tot de laatstgenoemde moet worden
beschouwd als strafvervolging in de zin van het EVRM. In hoofdstuk
7
is hierop uitgebreid ingegaan. In de toelichting staat thans
expliciet aangegeven dat ook de poging tot het onterecht verkrijgen van
voordeel vatbaar kan zijn voor een boete.
De effectiviteitsvraag is
beantwoord aan het slot van hoofdstuk 9.
Samenloop
De wettelijke verankering
van het ne-bis-in-idembeginsel in de verschillende wetten heeft
de instemming van de Raad.
Geconstateerd wordt evenwel
dat de wijze waarop dit beginsel zijn neerslag in het voorstel
heeft gekregen niet spoort met de Richtlijn socialezekerheidsfraude. Voorts
wordt gewezen op de noodzaak tot afstemming van de hoogte van de
administratieve en de strafrechtelijke boete. Ook vraagt de Raad naar een
motivering voor de kennisgevingsplicht met betrekking tot alle gevallen
waarin een boete is opgelegd.
Reactie:
In de toelichting op artikel 27d WW is thans uiteengezet dat zolang het
OM een zaak onderzoekt de boeteoplegging wordt opgeschort. Zo spoort
de wettekst in tegenstelling tot het voorontwerp met de Richtlijn socialezekerheidsfraude. Kennisgeving van alle gevallen waarin een boete is opgelegd, is noodzakelijk ter vaststelling
van recidive, alsmede ter
verkrijging van algemene beleidsinformatie.
Verplichting tot sanctieoplegging
De Raad kan instemmen met de
verplichting tot het opleggen van administratieve sancties. De
mogelijkheid om op grond van dringende redenen af te zien van verplichting biedt de uitvoering de mogelijkheid
van een eigen invulling te
geven aan het begrip "dringende redenen". Dit zou juist voorkomen moeten
worden.
De Raad acht het, vanuit het
oogpunt van convergentie, gewenst dat hij zelf wordt aangewezen om
nadere regels te stellen op grond waarvan van de verplichting kan worden
afgezien. Afstemming van de boete op de ernst van het feit en de
mate van verwijtbaarheid is te billijken, maar afstemming op persoonlijke
omstandigheden zou als toetsingscriterium moeten worden geschrapt,
omdat de bedrijfsverenigingen hiermee niet bekend zijn. De Raad
constateert overigens een verschil tussen de boete en de maatregel op dit punt,
omdat bij de maatregel laatstgenoemde toetsingsgrond niet is
opgenomen.
Reactie:
Met tevredenheid wordt
geconstateerd dat de SVr instemt met de verplichte
oplegging van sancties. Ook onderkent de Raad dat uitzonderingen op de
onvoorwaardelijke geformuleerde verplichting mogelijk moeten zijn.
rblz.|36|
Bij het opleggen van een
verplichting is ervan uitgegaan dat de uitvoeringsorganen
zorgvuldig gemotiveerde besluiten nemen met inachtneming van de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Op grond van dringende redenen
kunnen zij onder omstandigheden concluderen tot het
achterwege laten van een sanctie. Indien de wetgever de mogelijkheid tot het
stellen van nadere regels zou vastleggen, zou de reikwijdte van de
boeteverplichting niet langer door de wetgever worden bepaald. Voorts zouden
uitzonderingssituaties limitatief kunnen worden opgesomd of in globale
bewoordingen kunnen worden geformuleerd. Gezien de complexiteit en de
diversiteit van de uitvoeringspraktijk is dat echter niet mogelijk. Het in
globale bewoordingen schetsen van uitzonderingssituaties is
ook onwenselijk omdat daarmee het gevaar ontstaat dat - mede door
extensieve interpretatie - onbedoeld en in toenemende mate van de
verplichting wordt afgezien.
Mochten zich in de praktijk
onoverkomelijke problemen voordoen, dan heeft de SVr de mogelijkheid tot het stellen van regels met het oog op een
goede en gecoördineerde uitvoering van de sociale verzekeringen
(artikel 48 OSV [Organisatiewet Sociale Verzekering, red.]; artikel 48 OSV is voor de SVB op overeenkomstige wijze van
toepassing verklaard).
Het afzien op grond van
dringende redenen is overigens van andere orde dan de afstemming op de
ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid. In het eerstgenoemde geval is een sanctie in het geheel niet aan
de orde, in het
laatstgenoemde geval wel, maar is de hoogte van de sanctie in het geding. Ik
heb besloten ook de afstemming op de persoonlijke omstandigheden voor te
schrijven bij de boeteoplegging, omdat het van mening is [lees: omdat ik
van mening ben, red.] dat hier een
parallel met het klassieke strafrecht bestaat. Het rekening houden met
persoonlijke omstandigheden is daar gebruikelijk (zie bijvoorbeeld
artikel 9a van het Wetboek
van Strafrecht). De vergelijking met het
klassieke strafrecht gaat bij de maatregelen niet op. Daarom is wat betreft de
sociale verzekeringen geen afstemming op persoonlijke omstandigheden
voorgeschreven.
Reformatio in peius
De Raad is het eens met het
voorstel dat de rechter de bevoegdheid wordt gegeven in (hoger)
beroep de primaire beslissing te wijzigen in het nadeel van de betrokkene,
maar vraagt zich af of de wetgever dezelfde bevoegdheid in de
bezwaarschriftenprocedure aan de uitvoeringsorganen toekent.
Gewezen wordt op een niet
geheel consistente redactie in het voorstel.
Reactie:
Ik ben van mening dat de
reformatio in peius alleen zou moeten gelden voor de fase van beroep en
hoger beroep. Hiervoor is aansluiting gezocht bij het voorstel van wet tot
herziening van het stelsel van administratieve fiscale boeten (Kamerstukken
II, 22 470). In de wettekst die in het voorontwerp was opgenomen,
was abusievelijk een verwijzing naar artikel 7:11
Awb opgenomen.
Dit is thans hersteld.
Uitbreiding van de
mogelijkheid tot terugvordering
De SVr geeft te kennen te
kunnen instemmen met de in het wetsvoorstel neergelegde uitbreiding van
de mogelijkheid tot terugvordering. Met deze uitbreidingsmogelijkheid is
invulling gegeven aan de onder meer door de Raad gesignaleerde leemtes
in de wetgeving.
Naar de mening van de SVr
wordt met de uitbreiding van de mogelijkheid tot
terugvordering tevens in voldoende mate tegemoetgekomen aan de
samenloopproblematiek zoals door de Federatie van rblz.|37|
Bedrijfsverenigingen (FBV)
geschetst in haar brief van 13 september 1993 aan de Raad (bijlage 3 van
het advies).
Scheiding reparatoire en
punitieve regels
Bij de terugvordering wordt
volgens de SVr het beoogde heldere onderscheid tussen
reparatoir en punitief karakter tenietgedaan. De terugvordering kan namelijk
zowel
een reparatoir (de uitkeringsgerechtigde juridisch in de juiste uitkeringspositie plaatsen) als een punitief karakter (sanctie met terugwerkende
kracht) hebben.
Reactie:
Door het opleggen van een
sanctie met "terugwerkende kracht" is (een deel van) de uitkering
onverschuldigd betaald. Terugvordering is niet meer dan terughalen van
hetgeen onverschuldigd is betaald. In de invordering is een
onderscheid tussen reparatoir en punitief karakter niet te maken. Het beoogde
heldere onderscheid tussen reparatoir en punitief karakter kan in de
terugvorderingsbeslissing echter wel gemaakt worden door aan te geven welk
bedrag teruggevorderd wordt wegens het juridisch in de juiste
uitkeringspositie plaatsen van de uitkeringsgerechtigde en welk bedrag ten
onrechte is betaald als gevolg van het opleggen van een sanctie met
"terugwerkende kracht".
Terugvorderingsverplichting
De SVr is van mening dat het
omzetten van de mogelijkheid tot terugvordering in een
verplichting daartoe in feite een bestendiging van de feitelijke situatie te
zien geeft. Percentagegewijs gezien blijft de beslissing tot
terugvordering slechts voor een klein deel achterwege (ITS-studie: 3 tot 4%;
Tussen Schroom en Daad 8 tot 13% [lees: SVr-rapport "Tussen schroom en
daad": 8 tot 13%, red.]), aldus de Raad. Daarom acht de Raad het
omzetten van de mogelijkheid tot terugvordering in een verplichting niet de
belangrijkste bijdrage aan een efficiënter terugvorderingsbeleid.
Reactie:
Hoewel de Raad dit terecht
constateert, meen ik dat het toch om een niet te verwaarlozen
percentage gaat waarin een beslissing tot terugvordering achterwege blijft.
Bovendien houdt de terugvorderingsverplichting, zoals elders in deze
toelichting is betoogd, niet alleen in het nemen van een beslissing tot
terugvordering, maar ook het zorgen voor een daadwerkelijke inning van
het teruggevorderde bedrag. Uit de ITS-cijfers valt af te leiden dat
slechts een gering percentage van de onverschuldigd betaalde uitkering ook
daadwerkelijk wordt terugbetaald. Daarom komen met name de voorstellen ter
verruiming van het instrumentarium om tot een verbeterde invordering
te komen - in die zin ben ik het met de SVr eens - meer tegemoet aan de
doelstelling van een verbeterde fraudebestrijding.
Dringende redenen
De SVr pleit ervoor de
bepaling inzake het afzien van de verplichting tot terugvordering op grond van
dringende redenen te doen vervallen en in plaats daarvan een
verplichting voor de SVr op te nemen tot het stellen van regels ter
zake.
Reactie:
Zoals in deze toelichting in
het kader van de administratieve boete reeds is vermeld, is in het
onderhavige voorstel van wet een bepaling omtrent het afzien van terugvordering/boete op grond van dringende redenen
opgenomen. Verwezen moge
worden naar de rblz.|38|
artikelsgewijze toelichting onder artikel I, onderdeel
A c.a., alsmede naar het hierboven bij de verplichting tot
sanctieoplegging vermelde.
Algemene beginselen van
behoorlijk bestuur
De SVr kan zich niet
verenigen met de zienswijze dat algemene beginselen van behoorlijk
bestuur op één lijn gesteld moeten worden met bijzondere of uitzonderlijke
omstandigheden. De Raad wijst erop dat een aantal van de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur [abbb, red.] zijn gecodificeerd in de
Awb. Deze beginselen dienen naar de
mening van de SVr zodanig te
worden uitgelegd dat een uitvoeringsorgaan in een concreet geval
niet gehouden is aan de dwingendrechtelijke bepaling tot terugvordering indien het daardoor in strijd zou komen met deze beginselen.
De abbb beletten een rigide toepassing van de verplichting.
Reactie:
De in het wetsvoorstel
neergelegde systematiek biedt geen mogelijkheid om vanwege het in acht
nemen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur af te zien van de verplichting
tot terugvordering. Slechts indien sprake is van
dringende redenen kan van de verplichting worden afgezien. Bij
invulling van de beleidsruimte ter zake dienen de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur in acht te worden genomen.
Volgorde van te hanteren
executiewijzen
De SVr merkt op dat de tekst
en toelichting van de onderscheiden invorderingsartikelen niet
sporen met de al dan niet verplicht aangegeven voorkeur bij de wijze van
tenuitvoerlegging.
Reactie:
De tekst van de memorie van
toelichting is op dit punt verduidelijkt.
Beslagvrije voet
De SVr ondersteunt de
toepasselijkheid van de beslagvrije voet bij de tenuitvoerlegging van een
besluit waarbij een boete wordt opgelegd of van een besluit tot terugvordering. Wat betreft de beslagvrije voet moet
geheel worden aangesloten
bij het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het buiten
werking stellen van de beslagvrije voet bij niet-nakoming van de
informatieplicht met betrekking tot de financiële positie van de
betrokkene is als
stok achter de deur volgens de Raad niet nodig. Via de dwangmiddelen van het
burgerlijk (proces)recht is nakoming van deze plicht af te dwingen.
Reactie:
Het voorstel van de Raad
betekent dat weer een procedure moet worden gestart met de
mogelijkheid van vertraging en wegwerken van financiële middelen. Bovendien brengt dit extra uitvoeringslasten met zich
mee die uiteindelijk toch
door de betrokkene moeten worden voldaan. Als drukmiddel is gekozen voor
het laten vervallen van de beslagvrije voet bij onvoldoende inlichtingen van
de betrokkene voor de tenuitvoerlegging van Wet boetebesluit [lees: Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, red.].
Verrekening met andere
uitkering
De SVr kan instemmen met de
uitbreiding van de verrekeningsmogelijkheden met een andere
uitkering. Naar de mening van de Raad leidt het vervallen van artikel 25
AKW echter tot niet-beoogde gevolgen.
rblz.|39|
Reactie:
Met instemming neem ik
kennis van de opvatting van de Raad. Artikel 25
AKW is gehandhaafd,
hetgeen betekent dat de door de SVr gesignaleerde, niet-beoogde
gevolgen niet zullen optreden.
Parate executie
Op het punt van de parate
executie is de SVr het niet met het voorstel eens. Het aantal situaties
waarin deze executie mogelijk is, is zeer beperkt. Introductie van een nieuwe
mogelijkheid vereist een grondige motivering. Deze ontbreekt in het
voorstel. Een nadeel van parate executie is voorts dat burgerlijke rechten
worden aangetast, hetgeen in principe strijdigheid met het EVRM oplevert.
Reactie:
Naar mijn mening is er geen
strijdigheid met het EVRM. In de voorafgaande hoofdstukken, met name
hoofdstuk 7, is hierop ingegaan. Overigens ontbreekt de argumentatie
van de Raad.
Vereenvoudigd derdenbeslag
Het voorstel tot
vereenvoudigd derdenbeslag ondervindt instemming.
Rechtsbescherming
Rechtsbescherming wordt niet
alleen geboden door de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur en de Awb, maar ook door
Rv
(artikel 438).
In de toelichting zou naar de mening van de Raad ook op deze laatste
beroepsmogelijkheid moeten worden gewezen, alsmede op de mogelijke samenloop van deze twee beroepsmogelijkheden. Twee verschillende
rechtsingangen acht de Raad overigens niet wenselijk. Hij adviseert dan
ook om voor één daarvan te kiezen.
Reactie:
De toelichting is in
hoofdstuk 9 op dit punt aangescherpt. Het betreft bestaande wettelijke
mogelijkheden die niet identiek zijn. Van een samenloop kan daarom geen
sprake zijn.
Overige opmerkingen met
betrekking tot invordering
Het uitvoeringsorgaan dient
in het besluit tot oplegging van een boete respectievelijk het besluit
tot terugvordering onder meer mededeling te doen van de wijze van
tenuitvoerlegging. Naar de mening van de Raad volgt uit de redactie van de
bepalingen dat het uitvoeringsorgaan zich in bedoeld besluit dient uit te
spreken over de in dat concrete geval gemaakte keuze van de wijze
van invordering. De toelichting spoort op dit punt niet met de tekst;
daaruit valt op te maken dat er geen strikte verplichting in die zin
wordt beoogd. De Raad adviseert de tekst meer in overeenstemming te brengen
met hetgeen in de toelichting wordt vermeld, omdat de mededeling
over de in dat concrete geval gemaakte keuze van de wijze van
invordering de mogelijkheid beperkt om later op gewijzigde incassomogelijkheden te reageren.
Reactie:
De wettekst is aan de
toelichting aangepast.
Terugbetalingsregelingen
De SVr wijst erop dat
bestaande wijzen van invordering (betaling ineens,
terugbetalingsregeling) mogelijk moeten blijven. Hij adviseert om rblz.|40|
deze mogelijkheden
met
zoveel woorden in de toelichting tot uitdrukking te brengen.
Reactie:
De Raad heeft gelijk in zijn
constatering dat deze wijzen van invordering mogelijk moeten blijven
bestaan. De wettekst vermeldt dan ook: ... bij gebreke van tijdige betaling.
Kosten van invordering
De kosten van invordering
van de boete of van hetgeen onverschuldigd is betaald zijn in het
wetsvoorstel voor rekening van de betrokkene. De Raad acht de voorgestelde
toerekening van de kosten van invordering niet wenselijk indien
verwijtbaarheid bij de betrokkene ontbreekt. Hij wijst hierbij op de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur.
Reactie:
De toerekening van kosten is
eerst aan de orde indien niet tijdig wordt betaald. Dit is verwijtbaar.
Het is naar mijn mening niet van belang dat hierbij de aanleiding tot de
terugvorderingsactie wordt betrokken.
Bruto- of nettoterugvordering
De SVr acht een verheldering
over bruto- of nettoterugvordering noodzakelijk.
Reactie:
In de toelichting is één en
ander verduidelijkt.
B. Advies van de Raad voor
de gemeentefinanciën
Op 29 september 1993 heeft
de Raad voor de gemeentefinanciën (Rgf) geadviseerd inzake het deel
van het wetsvoorstel dat betrekking heeft op wijziging van de
hAbw, Ioaw
en Ioaz. De Rgf wijst erop dat in het bijstandsakkoord
Rijk-VNG
wordt gestreefd naar beperking van regelgeving en vraagt zich af of
het wetsvoorstel binnen dit algemene streven past. Voorts is de Rgf van
oordeel dat de voorgestelde uitlichting uit het gemeentefonds van ƒ1 miljoen
niet terecht is en dat in plaats daarvan een toevoeging meer in de rede
ligt. Het daarvoor genoemde argument is dat oplegging van sancties onder
de huidige regeling een discretionaire bevoegdheid is en dat daar
minder werk aan vastzit dan aan een verplichte oplegging van
sancties. Volgens de Rgf wordt de discretionaire bevoegdheid thans zodanig
aangewend dat oplegging van een sanctie achterwege blijft in
gevallen waarin de sanctie gezien de slechte financiële situatie van de
betrokkene
toch niet geëffectueerd kan worden.
Naar mijn oordeel doet
het wetsvoorstel, gelet op de hiernavolgende aspecten, geen afbreuk aan
het streven naar minder regelgeving.
- Het wetsvoorstel beperkt zich tot hoofdlijnen. Weliswaar kunnen nadere regels worden
gesteld, maar daarbij zal niet gestreefd worden naar uitputtende regelgeving
en zullen noodzakelijke en wenselijk geachte marges voor de uitvoerder
behouden blijven.
- Het administratief sanctiesysteem is gericht op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk
gebruik. In de praktijk zijn leemten geconstateerd in dit deel van het handhavingsbeleid.
Zonder onderhavige wijziging
wordt in die leemten onvoldoende voorzien.
- In het bijstandsakkoord Rijk-VNG is overeengekomen dat de afspraken kunnen worden
bijgesteld indien nieuwe inzichten, bijvoorbeeld de bevindingen van de
commissie-Van der Zwan en de
rblz.|41|
commissie-Doelman-Pel, daartoe
aanleiding geven. Het wetsvoorstel sluit goed aan bij de bevindingen van deze
commissies, met name bij het rapport van de commissie-Van
der Zwan, waarin juist meer nadruk op verificatie wordt gelegd en
minder nadruk op spaarzamer regelgeving.
Wat betreft de financiële
consequenties gaf het advies van de Rgf mij aanvankelijk om de
navolgende redenen geen aanleiding tot wijziging van het
wetsvoorstel.
- De regeling in het
wetsvoorstel is ten aanzien van het opleggen van maatregelen even
verplichtend als de huidige regeling in de Rww [Rijksgroepsregeling
werkeloze weknemers, red.].
- Net als in de huidige
regeling wordt in het wetsvoorstel de maatregel afgestemd op de ernst van de
misdraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
betrokkene. Daarnaast biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid
om op grond van dringende redenen af te zien van het opleggen van
een maatregel. Hierbij kunnen zowel immateriële als financiële
aspecten worden betrokken. Het wetsvoorstel leidt derhalve uit dien
hoofde niet tot extra uitvoeringskosten.
- De regeling ten aanzien
van het opleggen van boeten is nieuw. Ook ten aanzien van de boete
wordt in het wetsvoorstel echter bepaald dat de hoogte van de boete wordt
afgestemd op de ernst van de misdraging, de mate van verwijtbaarheid en
de omstandigheden van de betrokkene. Voorts kan op grond van dringende redenen worden besloten af te zien
van het opleggen van een
boete. Het door de Rgf gevreesde effect (meer werk dat niets oplevert)
hoeft zich derhalve ook ten aanzien van de boete niet voor te doen.
- Het wetsvoorstel voorziet tevens in het vereenvoudigen van de regels met
betrekking tot de inning van de
boete en de terugvordering (het besluit tot oplegging van een boete of
tot terugvordering levert een executoriale titel op). Dit betekent dat het
genomen besluit - anders dan nu - ten uitvoer kan worden gelegd zonder
tussenkomst van de rechter, hetgeen in beginsel uitvoeringskosten
bespaart.
Hoewel ik ten aanzien van
deze argumenten mijn zienswijze niet heb gewijzigd, geeft een nadere
beschouwing op het punt van de uitvoeringskosten, mede in verband met
de wijziging van het wetsvoorstel inzake het zwijgrecht en de financiële
consequenties van taalhulp in het boetetraject, mij aanleiding
nader advies te vragen aan de Rgf. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf
12.5.
12. Financiële gevolgen
12.1. Algemeen
Het onderhavige wetsvoorstel
maakt onderdeel uit van twee pakketten maatregelen gericht op
intensivering van het handhavingsbeleid sociale zekerheid.
De maatregel met betrekking
tot de heffing van een administratieve boete maakt deel uit van een
in de Miljoenennota 1992 voorgesteld pakket maatregelen. De geraamde
opbrengst van het totale pakket bedroeg ƒ300 miljoen aan
additionele premiebaten en besparingen op uitkeringen sociale zekerheid,
waar een toename van de uitvoeringskosten van ƒ45 miljoen tegenover
stond. De financiële opbrengst van de boete bij uitkeringsfraude sociale
verzekeringen is destijds geschat op ƒ25 miljoen.
Bij de nadere uitwerking van
de maatregel is besloten deze ook van kracht te doen zijn voor de bijstandsregelingen. Ten opzichte van de raming in het kader van de
Miljoenennota 1992 werd hierdoor tevens een besparing op de
bijstandsuitgaven voorzien van ƒ10 miljoen.
De maatregel met betrekking
tot de verplichting tot terugvordering van onverschuldigd betaalde
uitkeringen sociale verzekeringen is één van de actiepunten van het kabinet
in het kader van de taskforce rblz.|42|
fraudebestrijding. In bijlage 22
Fraudebeleid van de Miljoenennota 1993 zijn in de financiële paragraaf de
opbrengsten en de kosten van het voorgestelde fraudebeleid weergegeven.
Voor het totale pakket maatregelen in de fiscale en sociale sfeer is
een opbrengst geraamd van circa ƒ1,5 miljard, waar een toename van
de uitvoeringskosten tegenover staat van ruim ƒ150 miljoen. Wat
de uitkeringen sociale verzekeringen betreft, is in het pakket een
besparing voorzien van in totaal ƒ85 miljoen. Hieraan zou de thans
voorgestelde aanscherping van de terugvorderingsbepalingen met een geraamde
opbrengst van ƒ55 miljoen een belangrijke bijdrage moeten
leveren. Van de in de tabel vermelde uitvoeringskosten van ƒ14
miljoen is ƒ5 miljoen opgenomen als kosten die het gevolg
zijn van deze aanscherping.
Het totale financiële
effect van het onderhavige wetsvoorstel is derhalve indertijd geraamd op
ƒ85
miljoen (ƒ80 miljoen besparing op uitkeringen sociale verzekeringen, ƒ10 miljoen
besparing op
bijstandsuitkeringen, ƒ5
miljoen uitvoeringskosten). In het eerste jaar van invoering van de
maatregel zou de opbrengst vanwege de aanloopeffecten minder hoog
zijn en werd een netto-opbrengst geraamd van ƒ55 miljoen. Het
betrof hier een eerste schatting van de effecten van de maatregelen, in deze
memorie van toelichting wordt een nieuwe, meer onderbouwde raming van
de effecten gepresenteerd.
Op de raming van de
financiële gevolgen is de vrij algemeen geldende regel van toepassing dat
ramingen van maatregelen gericht op vermindering van misbruik en
oneigenlijk gebruik in de sociale zekerheid tentatief van aard zijn. Het
tentatieve karakter wordt in navolgende toelichting tot uitdrukking
gebracht door expliciet aan te geven waar gebruik is gemaakt van
feitelijke gegevens en waar veronderstellingen zijn gehanteerd. De opbouw van de
toelichting van de financiële effecten is als volgt. Eerst wordt het
effect van de verplichting tot terugvordering van onverschuldigd betaalde
socialeverzekeringsuitkeringen toegelicht (paragraaf
12.2) en vervolgens het
effect van de invoering van de administratieve boete (paragraaf
12.3). In paragraaf 12.4
wordt aangegeven wat de effecten zijn op de uitvoeringskosten van de
uitvoeringsorganen en de rechterlijke macht. In paragraaf
12.5 wordt ingegaan op de
adviezen van de SVr en de Raad voor de gemeentefinanciën.
12.2. Verplichte
terugvordering socialeverzekeringssector
De mate waarin
terugvordering wordt ingesteld na constatering van fraude wordt in de eerste
plaats bepaald door de omvang van de fraude met uitkeringen. In de
tweede plaats is van belang in welke mate daadwerkelijk door de
bedrijfsverenigingen en de SVB fraude met uitkeringen wordt
geconstateerd. Wat dit laatste punt betreft, is de verwachting dat op korte
termijn onder invloed van de acties van deze uitvoeringsorganen om de
controle te intensiveren en de opsporing binnen de eigen organisatie
vorm te geven, het aantal geconstateerde fraudegevallen zal oplopen
en dus ook de opbrengst aan terug te vorderen bedragen zal kunnen
toenemen. Zo wordt niet alleen meer dan voorheen gebruikgemaakt van
het instrument van gegevensuitwisseling, ook wordt het aantal medewerkers dat belast is met opsporing en controle
uitgebreid. Bovendien zullen
de handhavingsbeleidsplannen van zowel bedrijfsverenigingen als SVB
leiden tot een kwaliteitsverbetering en een verhoging van de
fraudealertheid.
Er zijn geen recente
gegevens over de omvang van de fraude met uitkeringen sociale
verzekeringen. Reeds een decennium geleden is door de ISMO-commissie een eerste
inschatting gemaakt van de omvang van rblz.|43|
de fraude bij de meest
fraudegevoelige regelingen. Hierbij is bij de WW
de fraude op 5% geraamd en bij
de arbeidsongeschiktheidsregelingen op 3,5%.
Evenwel is niet bekend wat
het effect is van het fraudebeleid van de afgelopen jaren op de omvang
van de fraude.
Wel is bekend wat de
resultaten zijn van het fraudebeleid van de uitvoeringsorganen op de
omvang van het aantal geconstateerde fraudegevallen. Volgens het CBS [Centraal
bureau voor de statistiek, red.] is in 1993 door de bedrijfsverenigingen
in 2450 gevallen fraude
geconstateerd. Uitgedrukt in aantallen uitkeringsjaren gaat het om nog geen
0,2% geconstateerde fraude, waar dit bij de gemeenten de afgelopen jaren
is toegenomen naar circa 6% in 1993.
Er zijn minder mogelijkheden
om te frauderen met uitkeringen sociale verzekeringen dan met
bijstandsuitkeringen. Daarom is het percentage personen dat fraudeert met
een uitkering veel lager dan bij de bijstand. Desondanks moet het naar
mijn mening niet worden uitgesloten dat de bedrijfsverenigingen de komende jaren het percentage geconstateerde
fraudegevallen zullen weten
op te voeren van 0,2% in 1993 naar 1,0%. Bij een volume van 1,4 miljoen uitkeringsjaren krachtens
WW, ZW, WAO
en AAW
komt dit neer op 14 000
geconstateerde fraudegevallen. Hier komen de door de SVB
op te sporen fraudegevallen nog bij, al is de fraudegevoeligheid
van de regelingen AOW, AKW
en AWW minder dan van de
werknemersverzekeringen. Indien het hier in totaal om 1000 fraudegevallen per
jaar zou gaan, zou het aantal geconstateerde gevallen van
uitkeringsfraude sociale verzekeringen kunnen oplopen naar 15 000 gevallen per jaar.
Volgens de statistiek
Fraudedelicten van het CBS bedroeg het gemiddelde fraudebedrag bij de
bedrijfsverenigingen van de in 1993 beëindigde onderzoeken ƒ10 000,-.
In de structurele situatie zal op grond van dit uitgangspunt het mogelijk
moeten zijn jaarlijks ƒ150 miljoen aan fraude met uitkeringen
sociale verzekeringen op te sporen. Door de wijziging van de bevoegdheid
tot terugvorderen in een verplichting zal dan ook een dergelijk bedrag
in de debiteurenadministratie van de uitvoeringsorganen worden
opgenomen.
Om de additionele opbrengst
van de maatregel te kunnen bepalen, moet dit bedrag worden afgezet
tegen hetgeen onder de vigerende omstandigheden aan teruggevorderde
bedragen wordt geïnd. Uit het SVr-rapport "Tussen schroom en daad"
blijkt dat in 1988 slechts voor ƒ2,4 miljoen aan uitkeringen is teruggevorderd en dat hiervan 6% daadwerkelijk
is geïnd. Sindsdien is de
situatie aanzienlijk verbeterd en is zowel het teruggevorderde bedrag als
het daadwerkelijk geïnde bedrag aanzienlijk opgelopen. Uit het
ITS-rapport "Afhandeling van uitkeringsfraude" (1992) blijkt dat in 1991 in 4% van
de gevallen niet is teruggevorderd. Van de overige gevallen werd
gemiddeld 80% van het fraudebedrag teruggevorderd. Hiervan werd in 76%
het teruggevorderde schadebedrag terugbetaald of was men
bezig met terugbetalen, terwijl in 12% van de gevallen de terugbetaling
moeizaam verliep. Het succespercentage is aldus geraamd op 80% (76% +
een derde deel van de moeizaam verlopende terugbetalingen). De in het
wetsvoorstel vastgelegde verplichting voor de SVr tot het stellen van
nadere regels inzake de invordering zal tot een verhoging van het bedrag aan
invorderingen leiden.
Op basis van deze cijfers is
de volgende opbrengst berekend, uitgaande van een fraudebedrag van ƒ150
miljoen:
1. Van het fraudebedrag van ƒ150 miljoen wordt thans in 96% van de gevallen teruggevorderd, met
gemiddeld 80% van het fraudebedrag. Het teruggevorderde bedrag
bedraagt in de huidige situatie derhalve ƒ115 miljoen (150 * 0,96 *
0,80).
rblz.|44|
2. Het daadwerkelijk geïnde
bedrag bedraagt in de huidige situatie 80% van ƒ115 miljoen,
ofwel ƒ92 miljoen.
3. Afgezet tegen de beoogde
opbrengst van ƒ150 miljoen bedraagt de additionele opbrengst van de
maatregel tot verplichte terugvordering derhalve ƒ58 miljoen.
Bij deze raming zijn twee
kanttekeningen te maken. Enerzijds zal het bedrag aan feitelijk te innen
vorderingen geringer kunnen uitvallen, omdat in een aantal gevallen de
financiële mogelijkheden van de cliënt die gefraudeerd heeft beperkt
zijn. Anderzijds zal dit bedrag hoger kunnen uitvallen, omdat een deel
van de te verwachten opbrengst van de terugvorderingen niet
betrekking heeft op geconstateerde fraude. In een aantal gevallen worden om
andere redenen met terugwerkende kracht achteraf onjuist gebleken
toekenningsbeslissingen gecorrigeerd, bijvoorbeeld ingeval er
sprake is geweest van een betalingsfout. Ook voor deze gevallen zou de
maatregel een extra opbrengst kunnen genereren.
Omdat geen informatie
voorhanden is over beide effecten en deze tegengesteld zijn, is
besloten hiermee geen rekening te houden en de tentatieve opbrengst te ramen op de reeds voornoemde
ƒ58 miljoen. Hierop dienen de in paragraaf 12.4 beschreven uitvoeringskosten in mindering te worden
gebracht.
Bij een van kracht worden
van de maatregel per 1 januari 1995 is de opbrengst in dat jaar
vanwege de aanloopeffecten minder hoog, omdat de terugvorderingstermijn zich
in een aantal gevallen over meerdere jaren uitstrekt. Uit voornoemd
ITS-rapport blijkt dat het hier om een gemiddelde terugvorderingstermijn gaat
van 2,6 jaar. Voorts zal, in de gevallen waarin het uitvoeringsorgaan eerst
de boete int, het tijdstip waarop met de terugbetaling van de te veel
of ten onrechte ontvangen uitkering wordt begonnen gemiddeld vier maanden later liggen. Om deze reden is, rekening houdend met een aanloopfase,
verondersteld dat in 1995 de opbrengst beperkt blijft tot 40% van
het structurele niveau, ofwel ƒ23 miljoen.
Op de lange termijn wordt
een grotere preventieve werking voorzien van het handhavingsbeleid
van de uitvoeringsorganen, waardoor de omvang van de fraude en in
aansluiting hierop de omvang van de geconstateerde fraude zal
kunnen dalen.
12.3. Het opleggen van
administratieve boeten
Ik voorzie zowel preventieve
als meetbare resultaten van de maatregel tot invoering van de
administratieve boete. Wat de preventieve effecten betreft, wordt voorzien dat
de informatiebepaling beter zal worden nageleefd en dat daardoor de
omvang van onterecht verstrekte uitkeringen zal afnemen. Hierdoor
wordt op de uitkeringslasten bespaard. Daarnaast zal er een
opbrengst zijn vanwege het opleggen van administratieve boeten. De
opbrengst van de administratieve boete is uitsluitend afkomstig van die gevallen
waarbij geen strafrechtelijke afdoening plaatsvindt. Het gaat hier
in het algemeen om gevallen met een geconstateerd fraudebedrag beneden
de ƒ6000,- en om gevallen met een fraude tussen ƒ6000,- en ƒ12
000,- waarbij het OM in overleg met het uitvoeringsorgaan niet voor
strafrechtelijke afdoening heeft gekozen. Ten opzichte van de huidige
situatie waar administratieve sancties worden opgelegd, is sprake van een
uitbreiding, omdat voortaan boeten worden opgelegd aan personen die op
het moment dat fraude is geconstateerd geen uitkering meer
ontvangen.
Waar in
dit wetsvoorstel
voor de omzetting van de bevoegdheid om onverschuldigde betalingen
terug te vorderen in een verplichting niet met preventieve effecten rekening is gehouden, wordt daarentegen wel
rekening gehouden met een
preventief effect van de oplegging van een rblz.|45|
administratieve boete.
Immers, hierdoor zal degene die heeft gefraudeerd meer moeten terugbetalen dan
het gefraudeerde bedrag en zal fraude derhalve niet lonen. Omdat
het hier om een gedragseffect gaat, is de omvang moeilijk in te
schatten. Voorshands is verondersteld dat circa 40% van de opbrengst van de
maatregel het gevolg zal zijn van de preventieve werking.
Vanwege het tentatieve
karakter van de raming van de preventieve effecten richt de
financiële onderbouwing zich met name op de opbrengst aan administratieve boeten.
De opbrengst hiervan wordt bepaald door de mate waarin daadwerkelijk
fraude met uitkeringen zal worden geconstateerd door gemeenten,
bedrijfsverenigingen en SVB. Hierbij wordt naast de in paragraaf
12.2 vermelde 15 000
fraudegevallen sociale verzekeringen rekening gehouden met 25 000 gevallen
van bijstandsfraude. Ingeval bij een succesvol fraudebeleid op
langere termijn de omvang van de fraude en in aansluiting hierop ook de
omvang van de geconstateerde fraude zal dalen, zal de opbrengst van
de voorgestelde administratieve boete in de toekomst kunnen afnemen.
Wat betreft de
socialeverzekeringssector is verondersteld dat voor ƒ15 miljoen aan
administratieve boeten zal kunnen worden opgelegd, waar ƒ10 miljoen bij
komt vanwege de preventieve werking. Bij de bijstand wordt een
jaarlijkse (additionele) opbrengst van ƒ7 miljoen aan administratieve boeten
voorzien, de preventieve effecten bij de bijstandsregelingen zijn op ƒ5 miljoen
geraamd. De totale bruto-opbrengst van de maatregel
komt aldus uit op ƒ37 miljoen (ƒ25 miljoen sociale
verzekeringen; ƒ12 miljoen bijstandsregelingen). Hierop dienen de in paragraaf
12.4 beschreven
uitvoeringskosten in mindering te worden gebracht. Omdat aan de
inning van de boete in de praktijk naar verwachting voorrang zal
worden gegeven en de boete over het algemeen lager zal zijn dan de
teruggevorderde bedragen, zal de structurele opbrengst van de boete eerder kunnen
worden gerealiseerd dan bij de terugvordering. De raming van de opbrengst aan administratieve boeten is
gebaseerd op de volgende
gegevens en veronderstellingen.
a. Sociale verzekeringen
Op dit moment is het aantal
sanctiegevallen en dus ook de opbrengst van de sancties vrij gering.
Volgens CBS
en SVr gaat het hier om circa 200 tot 300 gevallen per jaar.
Uit het ITS-rapport "Afhandeling van uitkeringsfraude" blijkt dat in 46% van de gevallen waarin
fraude is geconstateerd en de betrokkene op dat moment nog een uitkering
had, bedrijfsverenigingen overgaan tot het treffen van een
administratieve sanctie. Gemiddeld wordt gedurende acht tot dertien weken een korting op de
uitkering gelegd van gemiddeld 15%. Bij een gemiddelde weekuitkering van
ƒ600,- gaat het hier om een opbrengst van ƒ900,- per geval (ƒ600,- * 0,15 * 10 weken). In totaal bedraagt de opbrengst op dit
moment derhalve slechts ƒ0,2 tot ƒ0,3 miljoen per jaar.
Om drie redenen zal de
opbrengst van de opgelegde sancties in de toekomst aanzienlijk kunnen
toenemen. In de eerste plaats zullen door de verplichting om een
administratieve boete op te leggen, gekoppeld aan de mogelijkheid om dit ook te
doen in gevallen dat de uitkering reeds is beëindigd, extra inkomsten kunnen worden gegenereerd. In de tweede
plaats zal via de
beleidsplannen handhaving de aandacht voor uitkeringsfraude de komende jaren
toenemen. In de derde plaats kan door een aanscherping van het
handhavingsbeleid het huidige gemiddelde sanctiebedrag worden
verhoogd tot ƒ1000,- per geval. Dit alles leidt tot de conclusie dat het
mogelijk moet zijn voortaan circa ƒ15 miljoen rblz.|46|
aan administratieve
boeten op te leggen (15 000 gevallen van gemiddeld ƒ1000,-).
Samen met het tentatief geraamde preventief effect van ƒ10 miljoen wordt dus circa
ƒ25 miljoen bespaard op de uitkeringen werknemersverzekeringen (ƒ14 miljoen) en volksverzekeringen
(ƒ1 miljoen).
b. Bijstandsregelingen
Het
CBS
constateert een
toeneming van het aantal geconstateerde fraudegevallen door sociale
diensten van bijna 14 000 in 1991 naar ruim 22 000 in 1993. Bij confrontatie van de CBS-cijfers met de resultaten van
de afhandeling van
belastingsignalen bleek dat circa 10 000 gevallen van in 1993 geconstateerde
fraude niet in de CBS-registratie zijn opgenomen. Met bijtelling van deze
gevallen zijn in 1993 circa 32 000 fraudegevallen geconstateerd. Hiervan komen
de zwaardere fraudegevallen (volgens globale opgave van het OM 6500 gevallen in 1993) in aanmerking voor
strafrechtelijke afhandeling. De resterende fraudegevallen (25 500 ofwel circa
80% van het totaal van 32 000 gevallen) behoren tot de doelgroep van
personen aan wie een administratieve boete kan worden opgelegd.
Omdat het beeld in 1993 is
vertekend door het grote aantal fraudegevallen dat via de
verwerking van de belastingsignalen is opgespoord, is bij de berekening van de
opbrengst van de administratieve boete uitgegaan van 25 000
fraudegevallen per jaar. Bij 80% hiervan, ofwel in 20 000 gevallen, zal een
administratieve boete kunnen worden opgelegd.
Uit voornoemd onderzoek van
ITS blijkt dat in 59% van de gevallen de uitkering is beëindigd en
er derhalve op grond van de huidige regelgeving geen administratieve sanctie
kan worden ingesteld. Dit betekent dat deze categorie van 20 000
personen kan worden onderverdeeld in 12 000 gevallen waar de huidige
regelgeving geen mogelijkheden biedt tot administratieve
sanctionering en in 8000 gevallen waar dit wel mogelijk is. Uit het ITS-onderzoek
blijkt tevens dat in 10% van de geconstateerde fraudegevallen, ofwel in
2500 gevallen, daadwerkelijk een administratieve sanctie wordt ingesteld.
Omdat in de wet de bevoegdheid om een administratieve sanctie op
te leggen wordt omgezet in een verplichting, is de verwachting dat het
aantal sancties met 17 500 gevallen zal toenemen naar 20 000 gevallen.
Uit het ITS-onderzoek blijkt
dat gemeenten bij een gemiddeld fraudebedrag van de gevallen
waarbij een sanctie is toegepast van ruim ƒ8500,-, ongeveer ƒ400,- aan korting hebben opgelegd op de uitkeringen (gemiddeld 9%
korting op een uitkering van gemiddeld ƒ1800,- gedurende gemiddeld
2,5 maand). De huidige opbrengst aan administratieve sancties kan
aldus worden geschat op circa ƒ1 miljoen. Onder de
veronderstelling dat de gemiddelde administratieve boete eveneens ƒ400,-
zal bedragen, wordt de toekomstige opbrengst op ƒ8 miljoen geraamd (20 000 * 400), waarmee de additionele opbrengst aan
administratieve boetes op ƒ7 miljoen wordt geraamd. Samen met het
tentatief geraamde preventieve effect van ƒ5 miljoen wordt derhalve circa
ƒ12 miljoen bespaard op de
bijstandsuitkeringen.
Gelet op de verdeling van de
uitkeringslasten over de begroting van SZW (90%) en het
gemeentefonds (10%) zal ƒ10,8 miljoen van deze besparing neerslaan op de
begroting van SZW. Tevens zal conform de bepalingen van het
bestuursakkoord tussen Rijk en VNG
ƒ1,2 miljoen dienen te worden gelicht uit het gemeentefonds.
rblz.|47|
12.4. Uitvoeringskosten
Tegenover de opbrengst van
beide maatregelen staan ook extra uitvoeringskosten bij de
uitvoeringsorganen en extra kosten voor de rechterlijke macht.
Wat de uitvoeringskosten bij
de uitvoeringsorganen betreft, zijn de terugvorderingskosten veel
hoger dan de kosten van de boeteoplegging. Dit komt omdat de meeste
tijd met betrekking tot het nader onderzoek ingeval fraude wordt
vermoed, is gemoeid met het rond krijgen van het bewijs dat fraude is
gepleegd, waarna vervolgens het schadebedrag wordt vastgesteld. Dit leidt
tot een terugvordering van onverschuldigde betalingen waarbij de
betaling van het teruggevorderde bedrag door de debiteurenadministratie van
het uitvoeringsorgaan wordt bewaakt. In aansluiting op het besluit tot
terugvordering kan het proces betreffende de boeteoplegging worden
afgerond. De ambtenaar die belast is met de boeteoplegging kan in het
algemeen gebruikmaken van de informatie die is verzameld ten behoeve van
de constatering van de fraude en de vaststelling van het terug
te vorderen bedrag. Daarom kan het additionele sanctietraject beperkt zijn
en komt de inning van de boete, nu die voorrang heeft op de inning
van de boete, tijdelijk in de plaats van de inning van het
teruggevorderde bedrag. Omdat bij de uitkeringsadministraties nog geen
ervaring is opgedaan met het boete-instrument, kunnen de kosten hiervan
slechts op basis van een niet op voorhand te verifiëren veronderstelling
tentatief worden geraamd. Voorts zullen uitvoeringskosten kunnen
voortvloeien uit de procedurele waarborgen waarmee het boetetraject is
omgeven, zoals het zwijgrecht en taalhulp. Hieromtrent wordt nader
advies gevraagd aan de Raad voor de gemeentefinanciën (zie paragraaf
12.5).
Wel is er enig inzicht in de
uitvoeringskosten van de terugvordering. Op basis van een op verzoek van
het ministerie van SZW verricht onderzoek naar de uitvoeringskosten
van de terugvorderingsactiviteiten bij gemeenten is berekend dat de
uitvoeringskosten per nieuw terugvorderingsgeval circa ƒ400,- bedragen. Ook brengt het onderhoud van het
debiteurenbestand kosten met zich mee, welke kosten in voornoemd onderzoek zijn
berekend op gemiddeld ƒ175,- per geval per jaar. Gelet op de
overeenkomst in procedures tussen gemeenten en bedrijfsverenigingen,
ligt het in de rede deze bedragen ook te hanteren voor de
socialeverzekeringssector.
a. Sociale verzekeringen
De additionele kosten van de
terugvorderingsactiviteiten bij de sociale verzekeringen na invoering
van het wetsvoorstel zijn als volgt berekend.
1. De kosten van de nieuwe
gevallen bedragen bij een gemiddelde van 15 000 gevallen per jaar en ƒ400,-
per geval ƒ6 miljoen per jaar.
2. Op basis van de uitkomst
van voornoemd ITS-onderzoek dat de gemiddelde
terugvorderingsperiode 2,6 jaar bedraagt, zijn de kosten van het debiteurenbestand
geraamd op ruim ƒ6,8 miljoen (ƒ175,- * 2,6 * 15 000).
3. De totale kosten komen
hiermee uit op bijna ƒ13 miljoen, een belangrijk deel van deze
kosten zijn echter al verwerkt in het huidige beeld. De toename van de
kosten hangt voornamelijk samen met de toename van de opbrengst van
de maatregel met ƒ58 miljoen van ƒ92 miljoen naar ƒ150 miljoen.
Onder de veronderstelling dat hier sprake is van een overeenkomstige
uitbreiding, zouden de uitvoeringskosten bij de bedrijfsverenigingen en SVB
toenemen met bijna ƒ5 miljoen (58/150 * ƒ13 miljoen).
rblz.|48|
Voorts zullen de
uitvoeringskosten toenemen uit hoofde van de kosten van de
boeteoplegging.
Deze kosten zijn alleen van
toepassing voor de 80% van de fraudegevallen die in aanmerking
komen voor administratiefrechtelijke afhandeling. Indien wordt uitgegaan van de veronderstelling dat per
fraudegeval waarin een boete
wordt opgelegd de kosten van de boeteoplegging gelijk zijn aan
10% van de kosten van de terugvordering, dan komen deze kosten voor de
SV-sector [socialeverzekeringssector, red.] uit op ruim ƒ1 miljoen (13 * 0,1 * 0,8). Omdat in de
huidige situatie het aantal sanctiegevallen beperkt is (volgens CBS
en SVr circa
200 tot 300 gevallen per jaar), gaat het hier vrijwel geheel om
additionele kosten.
In totaal nemen de
uitvoeringskosten bij de bedrijfsverenigingen en de SVB
derhalve toe met circa
ƒ6
miljoen. Omdat in het eerste jaar het debiteurenbestand nog niet
op het structurele niveau zit, zullen de kosten in het jaar van invoering
niet met ƒ6 miljoen, maar met ƒ4 miljoen toenemen.
b. Bijstandsregelingen
Voor de
gemeenten is alleen
de invoering van de administratieve boete van belang. Voor de
berekening van de extra uitvoeringskosten vormen de kosten van de terugvorderingsactiviteiten evenwel de basis.
Bij de gemeenten bedragen
bij een aantal van 25 000 fraudegevallen per jaar de onderzoekskosten
van terugvorderingen ruwweg ƒ10 miljoen (400 * 25 000). De
gemiddelde terugvorderingsperiode is evenwel langer dan bij de
socialeverzekeringssector en is op vier jaar geschat. De kosten van het beheer van
het debiteurenbestand zullen aldus uitkomen op ƒ17,5 miljoen (175
* 4 * 25 000). De totale kosten van de terugvorderingsactiviteiten
komen derhalve uit op ƒ27,5 miljoen per jaar.
Indien dezelfde
veronderstellingen worden gehanteerd als bij de SV-sector, dan zijn de
kosten van de boeteoplegging van toepassing voor 80% van de terugvorderingspopulatie en zijn de kosten van de boeteoplegging gelijk aan 10% van
de kosten van de terugvordering. Op basis hiervan bedragen deze kosten voor de gemeenten circa
ƒ2,2 miljoen (27,5 * 0,1 * 0,8).
Omdat in de huidige situatie al in circa 2500 gevallen een administratieve
sanctie wordt opgelegd en in de toekomstige situatie in 20 000 gevallen,
zijn de additionele kosten van toepassing op 17 500 nieuwe
sanctiegevallen en bedragen deze derhalve ruim ƒ1,9 miljoen (17 500/20
000 * 2,2).
c. Rechterlijke macht
Het onderhavige wetsvoorstel
is een onderdeel van een omvangrijk pakket maatregelen ter
intensivering van de handhaving in de sociale zekerheid. Onderkend wordt
dat deze intensivering zal leiden tot een verzwaring van de werklast
van Justitie. Met het oog hierop zijn reeds extra middelen aan Justitie
ter beschikking gesteld.
De gevolgen voor de
rechterlijke macht van het onderhavige wetsvoorstel kunnen met de
thans beschikbare informatie niet nauwkeurig worden afgebakend
en gekwantificeerd. Daarom wordt hier slechts een kwalitatief
beeld geschetst. De feitelijke consequenties zullen in een later stadium worden
bezien.
Geplaatst in het kader van
algemene intensivering van de handhaving zal het onderhavige
wetsvoorstel verschillende effecten hebben op de uitvoeringskosten van de
rechterlijke macht.
De kosten voor de
rechterlijke macht zullen naar verwachting toenemen door de aanscherping van de
regelgeving. Uitvoeringsorganen zullen vaker dan thans het geval
is, overgaan tot terugvordering. Een deel van de rblz.|49|
uitkeringsgerechtigden zal
tegen een dergelijke beslissing van het uitvoeringsorgaan beroep aantekenen en zich tot de rechter wenden. Het
is niet goed mogelijk vast
te stellen welk deel van de uitkeringsgerechtigden hiertoe zal overgaan,
waardoor uitvoeringskosten niet precies te bepalen zijn.
Dit wetsvoorstel bevat
echter tevens een aantal elementen die kunnen leiden tot een ontlasting
van de rechterlijke macht. In de eerste plaats heeft het wetsvoorstel tot
gevolg dat het besluit tot terugvordering executoriale kracht heeft,
terwijl in de huidige situatie het uitvoeringsorgaan bij gebreke van
vrijwillige betaling naar de (civiele) rechter moet. Na het van kracht worden van
dit wetsvoorstel zal de rechter (en dat zal de bestuursrechter zijn) alleen
nog in actie behoeven te komen als de belanghebbende daartoe het
initiatief neemt.
In de tweede plaats kunnen
fraudegevallen beneden de ƒ12 000,- voortaan via een
administratiefrechtelijke sanctie worden afgedaan zonder tussenkomst van de
strafrechter. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat besluiten met betrekking tot
de administratieve boete zoveel mogelijk worden gecombineerd met
besluiten tot terugvordering, waardoor wordt bereikt dat de
bestuursrechter zoveel mogelijk besluiten in één keer kan toetsen. Hierdoor worden
dubbele procedures voorkomen.
Concluderend kan worden
gesteld dat de gevolgen van het wetsvoorstel voor de uitvoeringskosten
van de rechterlijke macht niet duidelijk in kaart kunnen worden gebracht. Om
deze reden is besloten tot een evaluatie van de regelgeving waarbij wordt
nagegaan wat het feitelijke effect is geweest. Op basis van deze evaluatie zal worden beoordeeld of alsnog tot
compensatie moet worden
overgegaan.
12.5. Advies van de Sociale
Verzekeringsraad en de Raad voor de gemeentefinanciën
Als onderdeel van de
adviesaanvraag aan de SVr over de gevolgen van de maatregel voor de
socialeverzekeringssector is ook advies gevraagd over de financiële
gevolgen. De Raad heeft op 4 november 1993 advies uitgebracht over het
wetsvoorstel, maar zich hierbij beperkt tot de inhoud. In het advies is aangegeven
dat de SVr de SVB en de FBV heeft verzocht enige kwantitatieve gegevens
te leveren. Omdat de door de uitvoeringsorganen geleverde informatie te fragmentarisch was, heeft de Raad in juni
1994 besloten geen advies
uit te brengen over de financiële gevolgen.
Over de financiële gevolgen
van de maatregel voor de gemeenten is 16 juli 1993 advies gevraagd
aan de Raad voor de gemeentefinanciën (Rgf). In de adviesaanvraag is
indertijd aangegeven dat op basis van een besparing van ƒ10 miljoen op de uitkeringen,
ƒ1 miljoen (10% van het bespaarde bedrag)
zou moeten worden uitgelicht uit het gemeentefonds. Tevens is in
het oorspronkelijke wetsvoorstel met betrekking tot de uitvoering
door de gemeenten het uitgangspunt geweest dat de
uitvoeringskosten beperkt zouden zijn.
De Raad heeft in zijn advies
van 22 september 1993 onder meer opgemerkt dat een
uitlichting uit het gemeentefonds niet gerechtvaardigd is en aangegeven
eerder een
toevoeging op zijn plaats te achten, omdat voor de vele gevallen waarin
(tot dusverre) een sanctie financieel niet haalbaar is, nu een
verplichting wordt gesteld (zie ook hoofdstuk 11, onder
B).
Op basis van het voorgaande
ben ik er thans van uitgegaan dat rekening moet worden
gehouden met uitvoeringskosten. Omdat bij de gemeenten de vergoeding van
kosten via het gemeentefonds loopt, is besloten aan de Rgf een
aanvullend advies te vragen over de financiële gevolgen van voornoemde
aanpassingen. Hierbij is uitgangspunt dat tegenover een uitlichting
van ƒ1,2 miljoen (het 10%-aandeel in de rblz.|50|
besparingen op de
uitkeringen van ƒ12 miljoen) een toevoeging staat van ƒ1,9 miljoen
wegens extra uitvoeringskosten. Per saldo resteert derhalve een
toevoeging van ƒ0,7 miljoen. Hierbij is impliciet rekening gehouden
met uitvoeringskosten die mogelijk voortvloeien uit het opnemen
van het zwijgrecht en het zo nodig bieden van taalhulp in het
boetetraject.
De adviesaanvraag aan de Rgf
is gelijktijdig uitgegaan met de indiening van het wetsvoorstel bij de
Tweede Kamer. Indien het advies van de Rgf daartoe aanleiding geeft,
zal ik kabinet de Kamer hiervan uiteraard in kennis stellen.
12.6. Samenvattend overzicht
en tijdpad
De totale financiële
gevolgen van het wetsvoorstel zijn samengevat in navolgende tabel. Hierbij is
uitgegaan van invoering van de maatregelen per 1 januari 1995.
Tabel 12.1. Financiële
gevolgen (bedragen in mln gld):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1995 |
1996 |
Structureel |
| Brutobesparingen |
| 1. Verplichte terugvordering
sociale verzekeringen |
23 |
58 |
58 |
| 2. Administratieve boete
sociale verzekeringen |
25 |
25 |
25 |
| 3. Administratieve boete
bijstand |
12 |
12 |
12 |
| 4.
Totaal brutobesparingen
(1 t/m 3) |
60 |
95 |
95 |
| Uitvoeringskosten |
| 5.
Socialeverzekeringsinstellingen |
x4 |
x6 |
x6 |
| 6. Gemeenten |
x2 |
x2 |
x2 |
| 7. Rechterlijke macht |
x– |
x– |
x– |
| 8. Totaal uitvoeringskosten
(5 t/m 7) |
x6 |
x8 |
x8 |
| Nettobesparingen |
| 9. Nettobesparingen (4 t/m
8) |
54 |
87 |
87 |
13. Uitvoering en
implementatie
a. Sociale voorzieningen
In het bijstandsakkoord
Rijk-VNG is ten aanzien van dit wetsvoorstel gesteld dat het een
belangrijke schakel vormt in de handhavingsketen en dat deze maatregelen een
belangrijke stap vooruit zijn naar de terugdringing van fraude. Rijk en
VNG spraken af dat zij - mede op basis van het advies van de Raad van State over dit wetsvoorstel - de implementatie van het wetsvoorstel
spoedig zullen uitwerken, onder andere door het opstellen van een
sanctiehandleiding voor gemeenten.
Gelet op het
bijstandsakkoord is samen met de VNG op ad-hocbasis bezien welke
uitvoeringsaspecten in het geding zijn bij het wetsvoorstel en de implementatie ervan.
De VNG moest zich een eindoordeel daarover voorbehouden, aangezien nog
niet kon worden beschikt over het advies van de Raad van State en de
kabinetsreactie op het advies van de Toetsingscommissie inzake de
bestuurlijke boete.
De VNG
acht het van belang
dat in het wetsvoorstel voldoende rechtswaarborgen voor de
cliënt worden opgenomen en dat aan de uitvoerders voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld.
Voorts onderschreef de VNG
dat het EVRM en het IVBPR aanleiding geven tot het opnemen van het zwijgrecht in het wetsvoorstel, evenals de cautie
en de taalhulp.
De VNG bepleitte de
uitvoerders te voorzien van nadere informatie en toelichting dienaangaande,
omdat het een nieuwe taak van de gemeenten rblz.|51|
betreft, waarmee zij nog
geen ervaring hebben opgedaan. Ik zal hieraan medewerking verlenen.
Op het punt van de scheiding
tussen het onderzoek naar het recht op uitkering en naar de
naleving van de inlichtingenplicht is er door de VNG
op gewezen dat
functiescheiding met name in kleinere gemeenten
organisatorisch
problematisch kan zijn. Hierop is ingegaan in hoofdstuk 7.
Naar het oordeel van de
VNG leiden de wijziging in het wetsvoorstel ten aanzien van het zwijgrecht
en de inzichten met betrekking tot het bieden van taalhulp, waarvan de
kosten voor rekening van de uitvoerders komen, tot een intensivering van
taken. Ik ben met de VNG eens dat de genoemde ontwikkelingen aanleiding
geven om aan de Raad voor de gemeentefinanciën een aanvullend
advies te vragen over de uitvoeringslasten (zie ook hoofdstuk
12).
b. Sociale verzekeringen
De
SVr heeft in zijn advies (zie hoofdstuk 11) mede aandacht besteed aan de
gevolgen voor de uitvoering van de sociale verzekeringen van het van
kracht worden van het wetsvoorstel. Dit advies heeft geen betrekking op het
zwijgrecht, omdat dit aspect eerst thans in het voorstel is opgenomen. Aangezien het evenwel een essentieel
onderdeel hiervan is, is het
noodzakelijk ook aan de uitvoeringstechnische aspecten van het zwijgrecht
aandacht te besteden. Hiertoe is op ad-hocbasis contact geweest
met de SVr en de uitvoeringsorganen sociale verzekeringen. De resultaten
daarvan zijn verwerkt in de passage over het zwijgrecht in het algemeen
deel van de memorie van toelichting en in de artikelsgewijze
toelichting
bij artikel 27b WW c.a.
Artikelsgewijze
toelichting
In de hier aan de orde
zijnde socialezekerheidswetten zijn de voorgestelde wetteksten veelal per
wet gelijk, zij het dat zoveel mogelijk is aangesloten bij de in de wet
gangbare terminologie. Omwille van de duidelijkheid is in de
artikelsgewijze toelichting zoveel mogelijk verwezen naar de consequenties voor
één wet (meestal de WW). Uiteraard hebben deze consequenties eveneens
betrekking op de andere wetten die boven de betreffende passages zijn
genoemd.
Artikel I, onderdeel
A; artikel II, onderdeel A; artikel III, onderdeel
G; artikel IV, onderdeel G;
artikel V, onderdeel A; artikel
VI, onderdeel A [VI,B];
artikel VII, onderdeel A;
artikel IX,
onderdelen C [IX,D] en D [-];
artikel X, onderdeel
B [X,C]; artikel XI, onderdeel A [XI,B]
Artikelen 22a
WW, 30a ZW,
36a WAO,
26a AAW,
11a TW, 17a
AOW,
14a AKW, 77
[69] hAbw, 17
Ioaw
en 17 Ioaz
Zie voor de verschillende
situaties waarin herziening of intrekking van de uitkeringsbeslissing aan
de orde is het algemeen
deel van deze memorie. Ter aanvulling
diene nog het volgende.
Met de term
"onverminderd"
in de aanhef van het eerste lid (in de hAbw,
Ioaw
en Ioaz het derde lid)
wordt - overeenkomstig de gebruikelijke betekenis - aangegeven dat
de in dit artikel bedoelde gronden voor herziening, etc., onverlet
laten een uit andere bepalingen voortvloeiende herziening, etc. Er kan
sprake zijn van samenloop van een herziening op grond van artikel 22a
met
die op grond van een ander artikel. Bijvoorbeeld: het rblz.|52|
niet nakomen van een
verplichting als bedoeld in artikel 26 WW
geeft de bedrijfsvereniging
aanleiding tot een maatregel op grond van artikel
27; tegelijkertijd heeft
dezelfde gedraging geleid tot een onjuiste toekenning, die op grond van onderdeel
a
van artikel 22a, eerste lid, WW
dient te worden gecorrigeerd. In dergelijke
gevallen van samenloop verdient het de voorkeur dat de betrokken
onderdelen in één gezamenlijk besluit worden vervat. Artikel 22a
kan ook
afzonderlijk toepassing vinden (uitsluitend reparatie).
Hoewel gesteld kan worden
dat onder herziening ook de herziening tot nul begrepen is, zodat
strikt genomen naast herziening geen melding van intrekking (= herziening tot
nul) behoeft te worden gemaakt, zijn ter vermijding van misverstand
en onzekerheid beide vormen genoemd. De term weigering is daarnaast
nog gebruikt omdat deze, hoewel in de feitelijke gevolgen niet
verschillend van herziening, in de sanctiebepalingen van verschillende socialezekerheidswetten gebruikelijk is. Zie voorts over de gekozen
terminologie hoofdstuk 8.
Het artikel maakt - anders
dan de huidige wet in de terugvorderingsbepalingen doet - geen
onderscheid tussen gevallen waarin eigen toedoen van de betrokkene een rol speelt en gevallen waarin geen sprake
is van toedoen van de
betrokkene, maar aan deze wel redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat er
met de toegekende uitkering iets mis was. In het laatste geval is er immers
geen reden voor een verdergaande bescherming; het feit dat de
betrokkene zelf geen enkele rol heeft gespeeld in de foutieve
toekenning is geen reden om hem eerder te vrijwaren tegen acties tot
correctie en hem ongerechtvaardigde voordelen te laten behouden. Het
verdient de voorkeur dat het uitvoeringsorgaan in alle gevallen een afweging
maakt met betrekking tot herziening van de toekenningsbeschikking, aan
de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dat
niet bij voorbaat in de wet verschillende gevolgen worden verbonden
aan de omstandigheid dat betrokkene wel of niet door eigen toedoen
heeft bijgedragen aan de foutieve toekenning.
Onderdeel
a ziet op
situaties waarin als gevolg van gedragingen dan wel nalatigheden van de
uitkeringsgerechtigde herziening van de toekenningsbeschikking nodig
is. Het gaat hier, zoals al eerder betoogd, uitsluitend om correctie
(herstel in de rechtmatige toestand). Daarbij bestaat - anders dan bij de
sancties - geen aanleiding tot het maken van onderscheid naargelang de
oorzaak is gelegen in de niet-nakoming van administratieve
verplichtingen/uitkeringsvoorwaarden (artikelen 24 en
26) of van de informatieplicht (artikel
25).
Onderdeel
b handelt over de
gevallen waarin het uitvoeringsorgaan een fout heeft gemaakt die
hersteld moet worden. Niet langer wordt uitdrukkelijk bepaald dat zulks
alleen kan indien de betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij te
veel
kreeg; dit laatste is immers reeds in de toetsing aan de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur begrepen.
Indien een
uitkeringsontvanger tijdens de uitkeringsperiode niet of onvoldoende informatie
verstrekt en daardoor het uitvoeringsorgaan niet in staat stelt om te beoordelen of nog (volledig) recht op uitkering bestaat,
moet dit orgaan de
mogelijkheid hebben de uitkering geheel of gedeeltelijk te beëindigen.
Onderdeel c regelt de nodige herziening van de toekenningsbeschikking in
dergelijke situaties.
Voor de goede orde zij erop
gewezen dat het bij de toepassing van dit onderdeel met betrekking tot
de WW gaat om het geval waarin de bedrijfsvereniging vaststelt
dat artikel 25 niet is nageleefd en als gevolg daarvan besluit dat het
recht op voortzetting van de uitkering niet kan rblz.|53|
worden bepaald. Dit ter onderscheiding van de gevallen, bedoeld in de
artikelen 30 en 31, waarin opschorting respectievelijk voorschotbetaling wordt geregeld indien de
bedrijfsvereniging in onzekerheid verkeert omtrent het recht op uitkering en de
(niet-)naleving van artikel 25; daarbij wordt direct in de feitelijke uitbetaling
ingegrepen en is eventuele herziening van de toekenningsbeschikking (nog)
niet aan de orde.
In het
voorgestelde artikel
77 [69] van de hAbw
is de met artikel 22a, eerste lid, onderdeel c,
WW overeenkomende bepaling geregeld in het vierde
lid [lees: derde lid, red.], waarin wordt verwezen naar
artikel 73 [65], eerste lid. In eerste instantie kunnen burgemeester en
wethouders de bijstand dan opschorten; daarna wordt, als nog steeds niet
aan de informatieverplichting is voldaan, de uitkering beëindigd. Het
gaat hier in feite om dezelfde situatie als waar artikel 22a,
eerste lid,
onderdeel c, WW op ziet; daarom is ervoor gekozen dit gevolg ook in het
overeenkomstige artikel 77 [69] hAbw
te regelen.
Uitgangspunt van dit artikel
is dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden. Deze
verplichting dient het uitvoeringsorgaan met inachtneming van de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur uit te oefenen. Deze beginselen
kunnen ertoe leiden dat een herziening geheel of gedeeltelijk achterwege
moet blijven. Teneinde ook in de wet tot uitdrukking te laten komen
dat aan de verplichting niet een absoluut karakter kan worden
toegekend in die zin dat nimmer ruimte voor welke afwijking dan ook zou
bestaan, is in artikel 22a, tweede
lid, WW
(idem in artikel 77 [69], vijfde lid, hAbw) een
uitzonderingsbepaling geformuleerd. Voor de redactie daarvan is aansluiting
gezocht bij artikel 55, derde lid, ABW (= artikel 84 [78],
derde lid, hAbw), dat een soortgelijke
uitzondering op de terugvorderingsplicht bevat. Voor een nadere toelichting,
met name op het begrip "dringende redenen", zij verwezen naar
de toelichting op het voorgestelde artikel 36,
tweede lid,
WW en artikel 84, derde lid, hAbw.
Doel van deze bepaling is
voorts om aan te geven dat het uitvoeringsorgaan omtrent het
achterwege laten van herziening of intrekking dient te "besluiten"; hiermee wordt
tot uitdrukking gebracht dat de desbetreffende besluitvorming zichtbaar
moet worden gemaakt, door vastlegging in een (gemotiveerd) besluit. Dit is wenselijk zowel vanuit een oogpunt van
rechtszekerheid voor de
betrokkene als ten behoeve van het toezicht op de uitvoering. Tevens kan zo'n
besluit een nuttige rol vervullen als (vastgelegde) waarschuwing aan het
adres van de betrokkene.
Het artikel laat zich wat
betreft de sociale verzekeringen niet uit over de mate waarin herziening moet
plaatsvinden in gevallen waarin wel sprake is van het ten onrechte of
tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, maar het daarmee gemoeide
bedrag (vooralsnog) niet exact kan worden bepaald, dan wel de omvang van het recht in het geheel niet kan worden
vastgesteld. Ook hierbij
zullen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen
moeten worden.
Wat betreft de hAbw, de
Ioaw
en Ioaz vindt intrekking plaats vanaf het moment dat de betrokkene in
verzuim is (artikel 77 [69], eerste en vierde
lid, hAbw).
De effectiviteit van het
terugvorderingsbeleid in het kader van de ABW is de
laatste jaren vergroot doordat thans de Hoge Raad heeft ingestemd met een
bewijslastverschuiving van de gemeente naar de betrokkene. Indien
maar is aangetoond dat onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt, kan de bijstand in beginsel volledig
worden geweigerd en
teruggevorderd. Betrokkene moet aantonen dat er gegronde redenen zijn om dit
niet te doen. Hij moet dan bewijzen dat hem, indien hij zijn
verplichting tot het geven van inlichtingen wél naar behoren zou zijn nagekomen,
aanvullende of volledige bijstand zou zijn verstrekt. Anders gezegd:
staat het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen vast, dan
behoeft de gemeente niet meer - zoals voorheen - rblz.|54|
aan te tonen dat de
betrokkene geen of minder aanspraak had op bijstand, maar wordt dit, behoudens
het door betrokkene te stellen en zo nodig te bewijzen tegendeel,
aangenomen. Deze jurisprudentie geldt zowel voor het verzwegen bijwerken (zie
onder meer HR 9 oktober 1992, JABW 1992, 290, en HR
29 januari 1993, JABW 1993, 57) als voor de verzwegen samenwoning (HR 27 september 1991, JABW
1991, 265). De achterliggende gedachte bij deze bewijslastverschuiving is
dat de ervaring leert dat het doorgaans voor de gemeente al moeilijk genoeg
is om aan te tonen dat de betrokkene onjuiste en onvolledige
inlichtingen heeft verstrekt, zodat het niet redelijk is om van de gemeente een
verdergaand bewijs te verlangen.
Ik acht een dergelijke
bewijslastverschuiving volledig in overeenstemming met het stelsel van
de ABW en wil in het kader van dit wetsvoorstel nadrukkelijk bij deze recente ontwikkeling in de
jurisprudentie aansluiten.
De wetgeving per 1 augustus 1992 sluit daarbij reeds aan. In het huidige
artikel 57 ABW is opgenomen dat kosten van bijstand van de betrokkene
worden teruggevorderd indien de bijstand is verleend op grond van
zijnerzijds verstrekte onjuiste of onvolledige inlichtingen. In artikel 87
[81] van de hAbw is echter gekozen voor de formulering dat
"de
bijstand wordt teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
bijstand". Vanuit de praktijk is gewezen op het feit dat hierdoor weer een
uitdrukkelijk verband is gelegd tussen het niet-nakomen van de
inlichtingenverplichting en het bedrag van de terugvordering en dat
daardoor de bewijslastverschuiving mogelijk weer ongedaan wordt gemaakt.
Aangezien al is aangegeven dat dit niet de bedoeling is, is in de
voorgestelde tekst van artikel 77 [69] hAbw
de "voor-zover-constructie" niet
overgenomen.
Artikel I,
onderdeel B en D
Artikelen 24 en 26
WW
Thans is in het
maatregelenartikel ook de bevoegdheid geregeld van de SVr om regels te stellen met
betrekking tot vrijstelling van onderdelen van de verplichtingen op grond
van de artikelen 24 en 26. Om systematische redenen wordt voorgesteld
deze delegatiebepalingen op te nemen in de artikelen waarop ze
betrekking hebben. Om dezelfde redenen is de benadelingshandeling van
artikel 25 WW naar artikel 24 overgeheveld.
Overigens is bij artikel 24
WW benadrukt dat onder benadelingshandelingen niet worden
verstaan gedragingen die de facto het niet nakomen van de informatieverplichting
(artikel 25 WW) behelzen.
Artikel I, onderdeel C
Artikel 25 WW
In artikel 25
WW wordt de
thans in onderdeel a opgenomen algemene informatieplicht (spontaan
en desgevraagd) gehandhaafd
rblz.|55|
Artikel I, onderdeel
E; artikel II, onderdeel G; artikel III, onderdeel
D; artikel IV, onderdeel D;
artikel V, onderdeel B [V,C]; artikel
VI, onderdeel
A [VI,B];
artikel VII, onderdeel B [VII,D];
artikel IX,
onderdeel A; artikel X, onderdeel C [X,D];
artikel XI, onderdeel B
[XI,C]
Artikelen 27 WW,
45 ZW, 29
WAO, 20 AAW,
14 TW, 17b
AOW, 17 AKW,
14 hAbw, 19a
[20] Ioaw
en 19a [20] Ioaz
Dit artikel regelt de - in
het algemeen
deel al uitvoeriger toegelichte - verplichting voor het
uitvoeringsorgaan om in bepaalde gevallen een sanctie (hier genoemd: maatregel)
op te leggen. Het gaat daarbij om de
bestuurlijke reactie op niet-nakoming van andere verplichtingen dan de informatieverplichting (artikel 25
WW/artikel 73 [65] hAbw), anders gezegd: om andere gevallen dan
"fraude" of ook wel "informatiefraude". Naast hetgeen eerder al is
toegelicht onder meer over het nu voorgestelde verplichte karakter van de bepaling
wordt hier nog de aandacht gevestigd op de algemenere formulering
ervan; de thans in artikel 14 hAbw
voorkomende differentiatie naar tijdstip
van ingang, duur, herhaling, etc., is vervangen door een redactie die
aansluit bij artikel 27 WW
(waardoor in de hAbw samenvoeging van het huidige
eerste, tweede en vierde lid van artikel 14 mogelijk werd).
Artikelen 27,
eerste lid [derde lid],
WW; 45, eerste lid, ZW; 28 WAO; 19
AAW;
14, eerste lid, TW; 17b,
eerste lid,
AOW en 17, eerste
lid, AKW
De bepaling wijkt - afgezien
van het voorgaande - nog af van de huidige doordat daaraan is
toegevoegd de sanctieoplegging wegens het niet voldoen aan de identificatieplicht (voor de werknemersverzekeringen,
AAW
en TW opgenomen in
artikel 50a, vierde lid, OSV; voor de AOW en AKW
opgenomen in artikel 19, vierde lid, van de Wet op de
Sociale Verzekeringsbank. In de hAbw
is het
kader van de herinrichting ABW (Kamerstukken
II 1993-1994, 22 545, nr. 18) voorzien in een nieuw artikel 73 [64], derde en
vijfde lid; voor de Ioaw
en Ioaz in een nieuw artikel 13, derde en vijfde
lid (Kamerstukken II 1993-1994, 22 614, nr. 6). Hoewel bij gelegenheid van
de invoering van deze verplichting (bij de Wet
op de identificatieplicht (Stb. 1993, 660)) is volstaan met regeling van een strafrechtelijke sanctie, is
toevoeging van een administratieve reactiemogelijkheid gewenst. Het
gaat bij de identificatieplicht immers om een medewerkingsverplichting ter
aanvulling op de hoofdverplichting tot het verstrekken van alle
relevante informatie, die zich in dat opzicht niet onderscheidt van de overigens geldende medewerkingsverplichtingen (nu
reeds geregeld bij en
krachtens artikel 26 WW). De
niet-nakoming van die medewerkingsverplichtingen
leidt ook thans reeds tot een administratieve maatregel; derhalve dient
hetzelfde te gelden voor de identificatieplicht.
De thans in artikel 27,
eerste lid, WW opgenomen vorm van sanctie, bestaande in beperking van
de uitkeringsduur, is niet gehandhaafd; zoals ook wordt bevestigd door het
meergenoemde ITS-rapport wordt deze vorm in de praktijk niet
gehanteerd en kan zij derhalve worden gemist. Een dergelijke mogelijkheid
ontbreekt voorts ook in de ABW.
Bij Wet van 28 december 1993
inzake wijziging van enkele bepalingen in de WW inzake het recht op
uitkering (Stb. 1993, 744) is wijziging gebracht in artikel
27. Het thans
voorgestelde artikel 27 is hiermee in overeenstemming. Voor een bepaling
als deze bestaat in de hAbw geen grond; in het voorgestelde artikel 14 hAbw
ontbreekt deze dan ook.
rblz.|56|
Artikelen 27
tweede lid [vierde lid],
WW; 45, tweede lid, ZW; 29,
eerste lid,
WAO; 20, eerste lid, AAW;
14, tweede lid, TW; 17b,
tweede lid,
AOW; 17, tweede lid, AKW;
14, tweede lid, hAbw; 19a,
tweede lid
[20, vijfde lid], Ioaw
en 19a, tweede lid [20, vijfde lid], Ioaz
De bedrijfsvereniging dient
(ook) bij de oplegging van maatregelen de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur in acht te nemen. Dit brengt mee dat in elk geval de in
het tweede lid van artikel 27 WW
genoemde factoren moeten worden
meegewogen. In de jurisprudentie is met name het evenredigheidsbeginsel
aan de orde geweest (bij de sanctieoplegging dient het uitvoeringsorgaan
rekening te houden met ernst van het feit en verwijtbaarheid; zie onder
andere CRvB 30 mei 1990, RSV 1990, nr. 311; AB 1991, nr. 1; alsook: CRvB 31 juli
1990, AB 1991, nrs. 2 en 3, en CRvB 14 augustus 1990, AB 1991, nr. 4; RSV
1990, nr. 354). De bepaling codificeert deze jurisprudentie.
Vooruitlopend op het van
kracht worden van dit voorstel van wet ontwerpt de SVr thans een
kaderregeling voor het sanctiebeleid. Gedragingen worden al naargelang
hun verwijtbaarheid ingedeeld in categorieën. Dit is in
overeenstemming met de in dit voorstel beoogde afstemming op de mate van
verwijtbaarheid.
In de hAbw,
Ioaw
en Ioaz is
naast de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid als
derde afwegingsfactor opgenomen de omstandigheden waarin de
betrokkene verkeert. Het rekening houden met de persoonlijke
omstandigheden ligt niet voor de hand bij de oplegging van maatregelen in de sfeer
van de sociale verzekeringen, omdat deze omstandigheden voor de
uitkering irrelevant zijn en daarom ook niet bekend bij het
uitvoeringsorgaan. Voor de hAbw-achtige regelingen zijn deze omstandigheden wel
bekend, zeker voor wat betreft de hAbw zelf, omdat dat de laatste
voorziening is waarop men een beroep kan doen. Afstemming op de
persoonlijke omstandigheden betekent echter niet dat het recht op bijstand onder
alle omstandigheden in stand kan blijven. Bij de persoonlijke
omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bijzondere individueel
bepaalde, financiële omstandigheden, zoals hoge woonlasten. Verder valt
te
denken aan bijzondere gezinsomstandigheden van sociale aard. Het gaat
hier om een strikt op de individuele persoon en het individuele gezin toegespitste toetsing.
Artikelen 27,
derde lid [vijfde lid],
WW; 45, derde lid, ZW; 29,
tweede lid,
WAO; 20, tweede lid, AAW;
14, derde lid, TW; 17b,
derde lid,
AOW; 17, derde
lid, AKW;
14, derde lid, hAbw; 19a,
derde lid
[20, zesde lid], Ioaw
en 19a, derde lid [20, zesde lid], Ioaz
Evenals bij het
herzieningsartikel (artikel 22a), de
boeteoplegging
(artikel 27a) en de
terugvordering (artikel 36) het geval is, stelt de wet een algemene verplichting
daartoe voorop. Steeds wordt echter daarnaast tot uitdrukking gebracht dat van
een absolute verplichting geen sprake is en dat om dringende redenen van
uitoefening daarvan kan worden afgezien, alsmede dat dit in een
besluit moet worden vastgelegd. Zie verder hieromtrent de toelichting
op artikel 36, tweede lid.
Artikelen 27,
vierde lid [zevende lid],
WW; 45, vierde lid
[vijfde lid], ZW; 29,
derde lid [vierde lid],
WAO; 20, derde lid [vierde lid], AAW;
14, vierde lid [vijfde lid], TW; 17b,
vierde lid [vijfde lid],
AOW; 17, vierde lid
[vijfde lid], AKW;
14, vijfde lid, hAbw; 19a,
vijfde lid
[20, zevende lid], Ioaw
en 19a, vijfde lid [20, zevende lid], Ioaz
Zie
het algemeen deel van de memorie van
toelichting onder "Nadere regelgeving" [hoofdstuk
10, red.].
rblz.|57|
Artikel I, onderdeel
F; artikel II, onderdeel G; artikel III, onderdeel
E; artikel IV, onderdeel E;
artikel V, onderdeel C [V,D];
artikel VI, onderdeel
A [VI,B]; artikel VII, onderdeel C [VII,E];
artikel IX,
onderdeel B en S [IX,R];
artikel X,
onderdeel E en
T [X,S]; artikel XI,
onderdeel D
en S [XI,R]
Artikelen 27a
WW; 45a ZW;
29a WAO; 20a
AAW;
14a TW; 17c
AOW,
17a AKW; 14a
hAbw;
19c [20a] Ioaw
en 19c [20a] Ioaz
Eerste lid
Zoals hiervoor al toegelicht,
is boeteoplegging (in beginsel) verplicht en wordt deze sanctie alleen
opgelegd in gevallen van informatiefraude.
Er is gekozen voor een maximumboetebedrag dat niet op enigerlei wijze is gekoppeld aan het
bedrag dat als gevolg van de fraude ten onrechte wordt verkregen (het zogenaamde
fraudebedrag). De vormen waarin misbruik zich kan voordoen,
zijn zo divers dat toepassing van een percentage geen recht zou
doen aan het concrete geval. De uitvoeringsorganen hebben immers de
opdracht een boete af te stemmen op de ernst van het feit, de mate
van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de betrokkene. Het maximum
van ƒ5000,- is voorts gekozen op grond van de volgende overwegingen. In
de eerste plaats wordt hiermee naar mijn mening aan
uitvoeringsorganen voldoende armslag geboden voor een daadkrachtig optreden
waarvan ook voldoende preventief effect kan uitgaan. Verder heb ik
hierbij rekening gehouden met het maximum van de geldboeten zoals die
thans door de strafrechter plegen te worden opgelegd. Ook al kunnen de
strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke boete niet geheel op één
lijn gesteld worden (omdat bij het strafrecht belangrijke bijkomende
factoren een rol spelen, zoals openbare behandeling en vermelding op het
strafblad), meen ik toch dat de door de administratie op te leggen
boete zich daarvan niet te ver dient te verwijderen. Uit het
onderzoek van het ITS is op dit punt gebleken dat de strafrechter thans geen
hogere geldstraffen dan van ƒ2000,- pleegt op te leggen. Dat de voorgestelde
grens daar niettemin vrij aanzienlijk boven uitgaat, houdt niet alleen
verband met de zoëven bedoelde verschillen, maar ook met het feit dat
sprake is van een bovengrens, die uiteraard niet als regel bereikt zal
worden. In dit verband moet er ook op worden gewezen dat bij het
incasseren van geldboeten de beslagvrije voet in acht genomen moet worden. Het
uitvoeringsorgaan zal er verstandig aan doen ook daarmee bij het bepalen
van de hoogte van een op te leggen boete rekening te houden, zodat
een - uit een oogpunt van effectiviteit uiteraard onwenselijke - uitsmering
van de boetebetaling over een (zeer) lange periode voorkomen wordt. Bij
de hoogte van de feitelijk op te leggen boeten is ook aan de op
grond van artikel 27a, achtste lid, door de SVr te stellen regels een belangrijke rol
toegedacht. Wat betreft de hAbw, Ioaw
en Ioaz zullen bij algemene
maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. Ten slotte wordt in dit
verband opgemerkt dat het gewenst is in het wettelijke maximumbedrag
enige reserve in te bouwen, teneinde het mogelijk te maken eventuele
opwaartse ontwikkelingen die in de nabije toekomst mochten optreden
zonder wetswijziging op te vangen.
Tweede lid
Zie voor de hier vermelde
afwegingscriteria ook hiervoor bij artikel 27,
tweede lid. Bij een punitieve
sanctie als de boete ligt toepassing van deze criteria nog meer in de rede
dan bij de administratieve maatregelen ex artikel
27. Voor de sociale
verzekeringen geldt dan ook dat ten opzichte van de maatregelen als extra
afwegingscriterium is opgenomen de afstemming op de
omstandigheden waarin de betrokkene verkeert.
rblz.|58|
Derde lid
Voor deze
uitzonderingsbepaling met betrekking tot de verplichting tot het opleggen van een boete in geval van
informatiefraude zij verwezen naar de toelichting op de overeenkomstige onderdelen
van de artikelen 27 en 36.
Vierde lid
Deze verplichting tot het
verstrekken van informatie ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de
boete is nodig naast de bestaande algemene informatieplicht (artikel 25
WW; artikel 73 [65] hAbw), omdat het hierbij niet gaat om inlichtingen met
betrekking tot de uitkering. De niet-nakoming van deze verplichting is
strafbaar gesteld, voor de werknemersverzekeringen, AAW
en TW in
artikel 52 van de Organisatiewet Sociale Verzekering en voor de
volksverzekeringen in artikel 79 van de Wet op de Sociale
Verzekeringsbank.
Voor de hAbw vloeit de strafbaarstelling voort uit artikel 152
[143] hAbw. Zie voor de
strafbaarstelling de artikelen XIV en XV
[-], alsmede IX, onderdeel U [IX,T].
Verder leidt het niet
nakomen van deze verplichting tot verlies van de bescherming die de
beslagvrije voet anders biedt; zie daarvoor artikel 27g,
tiende lid,
WW, respectievelijk artikel
14f, elfde lid, hAbw.
Vijfde lid
Zoals toegelicht in het
algemeen deel, hoofdstuk 7, brengt het una-viabeginsel met zich
mee
dat voor strafrechtelijke afdoening van fraude de weg is afgesloten als
eenmaal de administratiefrechtelijke weg is gekozen (zie het
voorgestelde artikel 135a WW,
respectievelijk artikel 151a [142a] hAbw). Nodig is
dan dat het OM ook op de hoogte is van de oplegging van een
administratiefrechtelijke straf. Daarom legt dit lid aan het uitvoeringsorgaan de
verplichting op om (uit eigen beweging) van een opgelegde boete melding te
doen aan het OM, met in achtneming van de hiervoor geldende richtlijn.
Zesde lid
Het strafkarakter van de
boete brengt mee dat alleen de dader zelf daardoor moet worden
getroffen. Het vervallen van de boete geschiedt van rechtswege; herziening
of intrekking van de boetebeschikking is niet nodig.
Zevende lid
Zie het
algemeen deel van de memorie van
toelichting onder "Nadere regelgeving" [hoofdstuk
10, red.].
Artikelen 27b
WW; 45b ZW;
29b WAO; 20b
AAW;
14b TW; 17d
AOW;
17b AKW; 14b
hAbw;
19d [20b] Ioaw
en 19d [20b] Ioaz
Het zwijgrecht is van
toepassing indien de overheid een handeling verricht waaraan de
betrokkene redelijkerwijs de conclusie kan verbinden dat hem een boete zal worden
opgelegd. Het betreft een geobjectiveerd criterium. Het zwijgrecht
begint te gelden als uit de feiten en omstandigheden van het concrete geval
de conclusie kan worden getrokken dat het uitvoeringsorgaan het
voornemen heeft aan de betrokkene een boete op te leggen. Zoals uit het algemeen deel van de memorie van toelichting blijkt, zal dit doorgaans
eerst aan de orde zijn nadat van het voornemen tot boeteoplegging kennisgeving
is gedaan. In een beperkt aantal gevallen zal dit voornemen ook in een
eerder stadium aanwezig kunnen zijn, zoals indien de belanghebbende,
opgeroepen voor een gesprek inzake de rblz.|59|
beoordeling van de
rechtmatigheid van de uitkering, uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij heeft
gefraudeerd. In dat geval zal het uitvoeringsorgaan moeten wijzen op het
zwijgrecht. Het zwijgrecht is ook van toepassing indien op basis
van reeds vastgestelde feiten en omstandigheden wordt beoordeeld hoe
hoog de op te leggen boete is. Indien echter bijvoorbeeld een signaal van
vermoedelijk onterechte samenloop is binnengekomen, kan echter
uit het stellen van vragen hieromtrent in redelijkheid geen voornemen
tot boeteoplegging worden afgeleid. Hierbij kan niet worden uitgegaan
van de subjectieve beleving van de belanghebbende, omdat hij per
definitie een voorsprong in kennis omtrent de toedracht heeft. Anders
gezegd: om de conclusie te kunnen trekken dat de uitvoerder het voornemen
heeft een boete op te leggen, is het noodzakelijk dat dit in redelijkheid uit
de algemeen bekende feiten en omstandigheden kan voortvloeien. Voor de
toepassing van het zwijgrecht is het niet voldoende dat de betrokkene
verwacht dat de door hem te verstrekken informatie ertoe zal leiden dat de uitvoerder het voornemen krijgt een
boete op te leggen. Voorts
is van belang dat het zwijgrecht alleen betrekking heeft op
informatie die van belang is voor het boeteonderzoek. De omstandigheid dat het
zwijgrecht voor het boeteonderzoek is gaan gelden, ontslaat de
betrokkene niet van de verplichting informatie te verschaffen die van belang
is voor het rechtmatigheidsonderzoek. Om die reden is in het eerste lid
de reikwijdte van het zwijgrecht beperkt tot de boeteoplegging (voor zover
het betreft de boeteoplegging).
De cautie, dat wil zeggen het
uitdrukkelijk wijzen op het zwijgrecht, is zoals in het algemeen deel van de memorie
van toelichting reeds is vermeld uitsluitend van toepassing
indien de belanghebbende mondeling om informatie wordt gevraagd.
Om te bevorderen dat het
zwijgrecht en de cautie op de juiste wijze worden gehanteerd, verdient
het aanbeveling het uitvoeringsproces zo in te richten dat eerst de
beoordeling van de rechtmatigheid wordt afgerond en dat aansluitend een
(aanvullend) onderzoek met betrekking tot het opleggen van een boete
plaatsvindt. Bij de aanvang van dat laatste onderzoek wordt dan gewezen
op het zwijgrecht. Hierdoor kan tevens worden voorkomen dat
rechtmatigheids- en boeteonderzoek door elkaar lopen, wat als gevolg kan
hebben dat onduidelijkheid ontstaat voor welke vragen het zwijgrecht geldt.
Indien de onderzoeken na elkaar worden verricht, kan immers voor de
gehele fase van het tweede onderzoek (betreffende de boete) het
zwijgrecht gelden. In veel gevallen zal het moment waarop de cautie
wordt gegeven, kunnen samenvallen met het moment dat de betrokkene
mondeling wordt gevraagd zijn zienswijze aan te geven op de kennisgeving
van het boetevoornemen. Als zich eerder al een verhoorsituatie voordoet
waaruit het boetevoornemen kan worden afgeleid, moet de cautie
zoveel eerder worden gegeven.
Op grond van
afdeling 4.1.2
van de Awb is in een aantal gevallen het
horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de
voorbereiding van
financiële beschikkingen (artikel 4:12).
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt een ruimere hoorplicht voorgesteld. Voor de
motivering hiervan zij verwezen naar hoofdstuk 7 van het
algemeen deel van
de toelichting.
In verband met de
voorgestelde ruimere hoorplicht bij de voorbereiding van een
boetebesluit is
met zoveel woorden bepaald dat op dit punt wordt afgeweken van de Awb.
Voorts worden voorzieningen getroffen met betrekking tot het
informeren van de belanghebbende en taalhulp, die ertoe strekken dat het horen
ook reële betekenis heeft en door de uitvoerder kan worden
betrokken bij de beschikking.
De voorgestelde bepaling
stelt geen formele eisen aan de wijze waarop aan de belanghebbende kennis
wordt gegeven van het voornemen een boete op te leggen. Waar het
om gaat, is dat de belanghebbende hierover rblz.|60|
wordt geïnformeerd.
Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan hieraan per geval invulling
worden gegeven. Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat het voornemen een boete
op te leggen is ontstaan op grond van informatie van een andere
instantie, zonder dat er al contact is met de belanghebbende. In dat geval
ligt het voor de hand een schriftelijke oproep te versturen.
Anderzijds is het ook mogelijk dat met de belanghebbende een gesprek
plaatsvindt, bijvoorbeeld bij een periodiek heronderzoek en dat daarbij
gegevens naar voren komen die ertoe leiden dat het uitvoeringsorgaan
het voornemen opvat om een boete op te leggen. In een dergelijke
situatie kan tijdens het lopende gesprek de belanghebbende mondeling in kennis worden gesteld van dit voornemen
en kan ook de belanghebbende
zijn zienswijze geven.
In het derde en vijfde lid
is een zorgplicht van het uitvoeringsorgaan neergelegd, inhoudende dat de
belanghebbende die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt
taalhulp wordt geboden indien deze daarom verzoekt. Die hulp kan zowel
betrekking hebben op de mededeling van de gronden waarop het voornemen om een boete op te leggen
berust als op
het aan het
uitvoeringsorgaan kenbaar kunnen maken van de zienswijze van de belanghebbende. Het
initiatief moet, zoals dat ook in de sfeer van het strafrecht gebruikelijk
is, uitgaan van de belanghebbende.
Zorgplicht taalhulp
Wat betreft de kennisgeving
van het voornemen een boete op te leggen, is deze zorgplicht
geformuleerd door de uitvoerder op te dragen zoveel mogelijk voor taalhulp te
zorgen. In de situatie, bedoeld in het vijfde lid, waarin de betrokkene zijn
zienswijze geeft, moet gewaarborgd zijn dat deze de gestelde vragen volledig begrijpt en zich ook verstaanbaar kan
maken. Om die reden is in
het vijfde lid de op de uitvoerder rustende zorgplicht stringenter
geformuleerd.
Voor beide situaties geldt
dat hiervan kan worden afgezien als redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat aan hulp geen behoefte bestaat. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de
belanghebbende reeds
gedurende langere tijd een uitkering ontvangt, waaruit kan worden afgeleid
dat hij bekend is met de in het uitkeringsproces gebezigde taal en/of
dat uit eerdere contacten met de belanghebbende is gebleken dat deze
tot dan toe steeds heeft begrepen wat het uitvoeringsorgaan hem
mededeelde en zich ook naar het uitvoeringsorgaan toe heeft weten uit
te drukken (zelfstandig of bijvoorbeeld met hulp van een familielid).
Het uitvoeringsorgaan zal moeten doen wat redelijkerwijs in zijn
vermogen ligt om te bereiken dat degene aan wie de boete wordt opgelegd,
begrijpt waarom dit het geval is. In bepaalde gevallen zal het nodig zijn
een vertaling te laten maken door een tolk of vertaler. Dit zal in het
algemeen overbodig zijn indien de belanghebbende over een raadsman of een
gemachtigde beschikt. Op grond van het vorenstaande is
uitdrukkelijk in de wettekst vermeld dat genoemde zorgplicht niet geldt indien
redelijkerwijze kan worden aangenomen dat aan deze waarborg geen
behoefte bestaat. In een begrijpelijke taal wil overigens niet zeggen dat
dit altijd de moedertaal zou moeten zijn. In het algemeen zal het voldoende
zijn dat de mededeling geschiedt in een van de moderne talen (Frans,
Duits en Engels), omdat ook de van buiten Nederland afkomstige
belanghebbenden in de regel één van deze talen beheersen.
Aan het slot van het eerste
lid zijn het zwijgrecht en de cautieplicht opgenomen. In hoofdstuk
7 van het algemeen deel is dit reeds toegelicht.
rblz.|61|
Artikelen 27c
WW; 45c ZW;
29c WAO; 20c
AAW;
14c TW; 17e
AOW; 14c hAbw; 19e
[20c] Ioaw
en 19e [20c] Ioaz
Degene aan wie een boete
wordt opgelegd, zal van het uitvoeringsorgaan in de desbetreffende
beschikking duidelijke informatie moeten ontvangen over de wijze en
de termijn(en) van betaling. De betalingstermijn(en) zullen van geval
tot geval, aan de hand van de financiële situatie van de betrokkene en ook
overigens met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur, moeten worden bepaald. Aan de betrokkene zal tevens
bericht moeten worden dat hem, indien hij niet overeenkomstig de
vastgestelde termijn(en) betaalt, tenuitvoerlegging van het boetebesluit met
toepassing van artikel 27g boven het hoofd hangt. Dit laatste betekent
dat in algemene zin informatie moet worden verstrekt over de mogelijke
executievormen (verrekening met lopende uitkering, inhouding op een
andere uitkering, beslag). Veelal zal concrete vermelding van de toe te
passen vorm van executie ten tijde van het nemen van het boetebesluit
(nog) niet nodig zijn (uitgaande van tijdige betaling van de vastgestelde
termijnbedragen) en ook niet mogelijk zijn (hangt af van de financiële
situatie ten tijde van de tenuitvoerlegging, alsmede de vergaring van de
benodigde informatie daaromtrent). Ook moet rekening worden
gehouden met de mogelijkheid dat gedurende de periode van betaling
wijzigingen nodig zijn.
Op grond van het tweede lid
moet de in het besluit vervatte informatie zoveel mogelijk in een voor
de betrokkene begrijpelijke taal worden medegedeeld, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan
geen behoefte bestaat. Wat
betreft dit laatste wordt verwezen naar de toelichting
op artikel 27b
WW.
Artikelen 27d
WW; 45d ZW;
29d WAO; 20d
AAW;
14d TW; 17f
AOW; 14d hAbw; 19f
[20d] Ioaw
en 19f [20d] Ioaz
Om een afstemming te
bereiken op de Richtlijn socialezekerheidsfraude is bepaald dat een
boeteoplegging wordt opgeschort hangende het onderzoek door het OM.
Het tweede lid geeft,
tezamen met het voorgestelde artikel 135a, uitwerking aan het
una-viabeginsel (zie daarover hoofdstuk 7 van het algemeen deel van deze memorie). De redactie is ontleend aan artikel
67o
van de Awr
als voorgesteld
in het wetsvoorstel tot wijziging van het fiscale boetestelsel. Zodra het uitvoeringsorgaan een boete heeft opgelegd, kan
wegens dezelfde gedraging
geen strafrechtelijke afdoening meer volgen (aldus artikel 135a
WW, respectievelijk 151a [142a] hAbw). Aan de andere kant kan geen administratiefrechtelijke
boete meer worden opgelegd indien ter zake van de gedraging in kwestie
strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot
strafvervolging is vervallen door een schikking met het OM op de
voet van artikel 74 Sr [Wetboek
van Strafvordering, red.].
Om te verzekeren dat het
uitvoeringsorgaan op de hoogte is van een omstandigheid die de
oplegging van een administratieve boete verhindert, bepaalt het
derde lid dat het OM daarvan aan dat orgaan mededeling moet doen.
Artikelen 27e
WW; 45e ZW;
29e WAO; 20e
AAW;
14e TW; 17g
AOW;
17e AKW; 14e
hAbw;
19g [20e] Ioaw
en 19g
[20e] Ioaz
Om wille van vooral de
effectiviteit ("lik op stuk") is het nodig dat een sanctie spoedig nadat de
betrokken gedraging is geconstateerd, wordt opgelegd. Ik meen dat het
redelijk is de termijn die daarbij niet mag worden overschreden te
bepalen op één jaar, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving; dat biedt
de uitvoering ook voldoende armslag. Het is uiteraard niet de bedoeling
dat deze termijn in de praktijk ook als regel en rblz.|62|
zonder noodzaak volledig
wordt benut. De termijn laat onverlet dat het opleggen van een boete
ingevolge artikel 6 EVRM binnen een redelijke termijn moet plaatsvinden,
terwijl voorts binnen de gestelde maximumtermijn ook de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen moeten worden. Eerst
dient de gedraging te worden vastgesteld waarop de boete kan worden
gebaseerd. In een groot aantal situaties is er sprake van melding van
mogelijk onterechte samenloop van uitkering met andere inkomensbronnen.
Zeker in de sfeer van de sociale verzekeringen kan hierbij sprake zijn van
terechte samenloop, dat wil zeggen een samenloop waarmee bij de uitkeringsberekening al rekening is gehouden. Om te
kunnen vaststellen of de
samenloop onterecht is, is veelal tijdrovend onderzoek nodig, mede omdat
handmatig samenloop moet worden vastgesteld. Om in
dergelijke gevallen de mogelijkheid tot boeteoplegging niet de frustreren, is
gekozen voor een ruime termijn.
Indien van een
geconstateerde overtreding aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt,
staat niet vast dat dit ook tot strafvervolging zal leiden (met name voor de
categorie met een fraudebedrag tussen ƒ6000,- en ƒ12 000,-). Deelt
het OM aan het uitvoeringsorgaan mee dat geen strafvervolging wordt
ingesteld, dan gaat de termijn van één jaar vanaf het moment van die mededeling
lopen; de hiervoor benodigde informatie-uitwisseling is ook
vastgelegd in meergenoemde vervolgingsrichtlijnen.
Verder is het uit een
oogpunt van rechtszekerheid gewenst dat de mogelijkheid van
boeteoplegging niet eindeloos blijft bestaan; derhalve is in het tweede lid
bepaald
dat boeteoplegging niet meer kan plaatsvinden indien de overtreding
twaalf jaar of langer geleden heeft plaatsgevonden. Voor deze termijn is
aansluiting gezocht bij artikel 70 Sr
(verjaringstermijn voor
misdrijven). De termijn van één jaar binnen welke - te rekenen vanaf het tijdstip
van kennisgeving - een boete moet worden vastgesteld, moet worden
beschouwd als een termijn van orde.
Dergelijke termijnen zijn
bij maatregelen en terugvordering niet nodig. Daarbij is immers geen
sprake van strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM, terwijl overigens
voldoende waarborgen voortvloeien uit de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur.
Artikelen 27f
WW; 45f ZW;
29f WAO;
20f AAW;
14f TW; 17h
AOW; 17f
AOW [17f AKW]; 145
[140a] hAbw; 42
[60a] Ioaw
en
42 [60a] Ioaz
Het moet de rechter
vrijstaan om binnen de grenzen van de wettelijke bepalingen een andere
(hogere of lagere) boete op te leggen dan die welke het uitvoeringsorgaan
heeft opgelegd, indien daartoe naar het oordeel van de rechter
gronden zijn. Zou men deze mogelijkheid, met name de mogelijkheid van een
reformatio in peius bij voorbaat uitsluiten, dan zou dat ertoe kunnen
leiden dat vrijwel elke boete aan de rechterlijke macht ter beoordeling wordt
voorgelegd. De procesgang naar de rechter zou zo kunnen uitlokken tot
niet-bedoeld gebruik van het recht op de vrije toegang tot de rechter. Deze
opvatting sluit aan bij het oordeel van de Hoge
Raad inzake fiscale boete,
waarbij de boete naar analogie van hetgeen geldt voor straffen in het commune
strafrecht door de rechter kan worden verhoogd. In het
meergenoemde wetsvoorstel tot herziening van de fiscale boeten is hiervoor
de volgende motivering gegeven: gesteld voor de vraag of de voorgestelde
schrapping van artikel 27a Awr
zou leiden tot een volledige in plaats van
een marginale toetsingsbevoegdheid van de belastingrechter met betrekking tot kwijtscheldingsbesluiten van de
inspecteur, heeft de Hoge
Raad in zijn advies van 14 januari 1987 (Kamerstukken II 1986-1987,
19 700, nr. 56) geantwoord dat de taakomvang van de belastingrechter voor
wat betreft die besluiten op één lijn komt te staan met de taakomvang van
de appelrechter in strafzaken. Die parallel doortrekkend heeft de Raad
geoordeeld dat het de belastingrechter moet vrijstaan desgeraden -
uiteraard binnen het wettelijk maximum van de verhoging - een hoger bedrag
aan verhoging in de aanslag te begrijpen rblz.|63|
dan uit het
kwijtscheldingsbesluit ressorteerde. Het lijkt wenselijk zulks in de wettekst tot uiting te
brengen om aldus elke twijfel aan deze rechterlijke bevoegdheid uit te
sluiten.
Artikelen 27g
WW; 45g ZW;
29g WAO; 20g
AAW;
14g TW; 17i
AOW;
17g AKW; 14f
hAbw;
19h [20f] Ioaw
en 19h [20f] Ioaz
Een belangrijke verbetering
in het kader van de tenuitvoerlegging besluiten [lees: tenuitvoerlegging
van besluiten, red.] is dat het
besluit van het uitvoeringsorgaan tot oplegging van een boete of tot terugvordering een executoriale titel oplevert die met
toepassing van Rv
kan worden ten uitvoer gelegd. Voor wat betreft de tenuitvoerlegging van de
boete is dat bepaald in artikel 27g WW. Voor de terugvordering is dit
bepaald in artikel 36a WW.
Als het uitvoeringsorgaan
thans tot gerechtelijke invordering wil overgaan, zal het orgaan via
civielrechtelijke weg een executoriale titel dienen te verkrijgen, met welke titel bijvoorbeeld beslag kan worden
gelegd. In het wetsvoorstel
is in verband daarmee bepaald dat het terugvorderingsbesluit zelf
een executoriale titel oplevert. Ik verwacht dat ook van deze bepaling een
stimulerende werking zal uitgaan om in meer gevallen daadwerkelijk tot
invordering over te gaan. In het voorliggende wetsvoorstel is voorgesteld
dat de uitvoeringsorganen in het algemeen bij de tenuitvoerlegging van een
besluit tot terugvordering een bedrag in acht dienen te nemen dat
gelijk is aan de beslagvrije voet van de artikelen 475c en 475d
Rv. Uiteraard
geldt deze verplichting alleen ten aanzien van een natuurlijk persoon. Deze
bepaling sluit aan op de circulaire van de Federatie van
Bedrijfsverenigingen van 28 september 1992, nr. C 820, aan de bedrijfsverenigingen,
waarbij het advies gegeven [lees: het advies is gegeven, red.] om bij de tenuitvoerlegging van de huidige
terugvorderingsbesluiten in het algemeen een ondergrens van 90% van de
voor betrokkene geldende bijstandsnorm te hanteren. Daarmee werd
aangesloten bij het bedrag van de beslagvrije voet.
Uiteraard zal het
uitvoeringsorgaan in eerste instantie in overleg met betrokkene treden om tot
diens vrijwillige betaling te komen.
In het eerste lid wordt
weliswaar vooropgesteld dat aan het boetebesluit executoriale kracht
toekomt, doch daarmee is niet gezegd dat daarvan ook altijd direct in
die zin gebruikgemaakt behoeft te worden. Soms kan het verstandig zijn
om enige tijd te wachten met het executeren, omdat als de
betrokkene in de administratiefrechtelijke beroepsprocedure in het gelijk
wordt gesteld, het uitvoeringsorgaan aansprakelijk kan worden gesteld voor de
kosten die voortvloeien uit de onterechte executie. Dat niettemin
altijd het besluit een executoriale titel oplevert, is zo geregeld om te voorkomen
dat, afhankelijk van de toevallige executiemogelijkheden, het besluit
die status nu eens wel en dan weer niet zou bezitten. Voorts kan aldus
in de gevallen dat moet worden gevreesd dat de latere executie zou
worden gefrustreerd omdat vermogensbestanddelen dan niet meer
aanwezig zouden zijn, dit worden voorkomen door direct tot executie
over te gaan. Ten slotte wordt ook het voeren van dubbele procedures
hierdoor tegengegaan.
Het artikel geeft een zekere
voorkeur aan voor de volgorde van te hanteren executiewijzen. Vooropstaat verrekening, tussen dezelfde partijen en met dezelfde uitkering
(tweede lid); daarna volgt inhouding door een
ander uitvoeringsorgaan met
afdracht aan de boeteoplegger (derde en vierde lid; "pseudoverrekening");
de derde mogelijkheid is executie met behulp van de middelen van Rv
(vijfde lid). De bepalingen zijn alle imperatief geredigeerd. Het kan evenwel
wenselijk zijn af te wijken van de aangegeven volgorde dan wel om
tegelijkertijd of achtereenvolgens verschillende vormen toe te passen,
bijvoorbeeld als voor verrekening maar een gering bedrag in aanmerking
komt
of nadat met een uitkering verrekening of pseudoverrekening heeft
plaatsgevonden andere verhaalsbronnen rblz.|64|
aanwezig zijn; dit laatste
kan ook tegelijk met (pseudo)verrekening gebeuren (bijvoorbeeld als naast
inkomen ook vermogen aanwezig is). In combinatie van de
verschillende mogelijkheden wordt voorzien door het zesde lid.
Verrekening is volgens
dit
voorstel terstond mogelijk. Er is van afgezien de tenuitvoerlegging op te
schorten gedurende de bezwaartermijn (thans artikel 93 [87], tweede lid, hAbw) en
hangende een ingediend bezwaar (thans artikel 145 [140a] hAbw). Uit een oogpunt
van rechtsbescherming is er geen reden hier verder te gaan dan in het algemeen uit
titel 8.3 Awb voortvloeit (mogelijkheid tot het verzoeken van
een voorlopige voorziening, waaronder begrepen schorsing, aan de
president van de rechtbank, dat wil zeggen van de administratieve kamer). Ook
kan een beroep worden gedaan op de bescherming die artikel 438 Rv
biedt.
Over de pseudoverrekening
kan het volgende worden opgemerkt: de redactie is ontleend aan de
artikelen 81 [75] en 93 [87], derde lid, hAbw; afwijking is
onder meer dat nu duidelijk is dat
het andere uitvoeringsorgaan dat wordt benaderd met een verzoek om
inhouding en afdracht aan het boeteopleggende orgaan, verplicht
is daaraan mee te werken (imperatief: "betaalt"); de vroegere
redactie kon de indruk wekken dat dit een bevoegdheid is. De
bepalingen betreffen uiteraard niet meer dan het bedrag van de boete dat op
dat moment na eventuele gedeeltelijke betaling nog openstaat. Het wordt aan de
betrokken uitvoeringsorganen overgelaten om desgewenst afspraken te
maken over termijnen van betaling.
Omdat het zowel bij de
hAbw,
AOW en AKW mogelijk is dat bijstand, pensioen of
kinderbijslag
wordt betaald aan beide partners (voor de AKW alleen gehuwde partners),
moet ook kunnen worden verrekend met bijstand, pensioen of bijslag uitbetaald aan degene aan wie niet de boete is opgelegd.
Ingevolge de
AAW
kunnen niet
alleen uitkeringen worden toegekend, maar ook toelagen. Waar in
deze wet [lees: die
wet, red.] wordt gesproken over uitkeringen worden steeds mede de
toelagen bedoeld.
De zinsnede in het vijfde
lid "dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing van het
derde en vierde lid niet mogelijk is" ziet op de situatie waarin weliswaar
uitkering wordt ontvangen, maar verrekening daarmee wordt verhinderd
doordat daarop door een derde beslag is gelegd. Gaat het om "echte
verrekening", als bedoeld in het tweede lid,
dan is deze ondanks het
gelegde beslag toch mogelijk, aangezien de boete en het recht op uitkering
uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien (zie artikel 6:130, eerste en
tweede lid, BW). In de gevallen van "pseudoverrekening", als bedoeld
in het derde en vierde lid, staat het gelegde beslag wel aan verrekening
in de weg; voor die situaties moet derhalve tenuitvoerlegging met
toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering mogelijk
zijn. Daarin voorziet de aangehaalde zinsnede.
In het zevende lid is
bepaald dat kosten die voortvloeien uit additionele werkzaamheden noodzakelijk
om tot invordering te komen bij niet-tijdige betaling, voor rekening van
de betrokkene komen.
De mogelijkheid van
vereenvoudigd derdenbeslag bij de tenuitvoerlegging van een boete
(opgenomen in het achtste lid) is ontleend aan hetgeen ook al in de oude ABW
(artikel 67), de gewijzigde Abw [lees: ABW, red.] (artikel 61i)
en de hAbw
(artikel 98 [91]) met
betrekking tot terugvordering is geregeld. De tekst is ontleend aan artikel 98
[91] hAbw.
Er wordt op gewezen dat met "sociale uitkeringen" in deze
bepaling uiteraard niet wordt gedoeld op de uitkeringen waarmee op grond
van de voorgaande leden van dit artikel verrekening kan
plaatsvinden; andere sociale uitkeringen waarvoor de bepaling wel van belang kan
zijn, zijn bijvoorbeeld die op grond van BiZa-wetgeving (wachtgelden; pensioenen).
rblz.|65|
In het achtste lid worden de
artikelen 479b tot en met 479g Rv
van overeenkomstige toepassing
verklaard op executoriaal derdenbeslag. Van de bepalingen die van
overeenkomstige toepassing zijn verklaard, wordt artikel 479e, tweede lid,
uitgezonderd. Op grond van deze bepaling zou verzet tegen het beslag door
de geëxecuteerde in beginsel schorsing opleveren van de
verplichting tot betaling van de derde. Zoals hiervoor is toegelicht, wordt in
dit
wetsvoorstel juist nagestreefd dat het besluit tot boeteoplegging of tot
terugvordering zonder tussenkomst van de rechter ten uitvoer kan worden
gelegd. Daarom is artikel 479e, tweede lid, niet van toepassing verklaard.
Het in het negende lid
bepaalde (beslagvrije voet) volgt met betrekking tot de echte verrekening al
op grond van het eerste lid van artikel 6:135 BW
en voor tenuitvoerlegging
met toepassing van Rv
uit dat
wetboek; het achtste lid is nodig om voor de pseudoverrekening hetzelfde te laten gelden.
Zie met betrekking tot het tiende lid hiervoor bij artikel 27a,
vierde lid, WW
c.a.
Artikel I, onderdeel
F; artikel II, onderdeel G; artikel III,
onderdeel [?, red.]; artikel IV, onderdeel
E; artikel V,
onderdeel C [V,D]; artikel VI,
onderdeel A [VI,B]; artikel VII, onderdeel C
[VII,E]; artikel IX, onderdeel
B; artikel X,
onderdeel E; en artikel XI, onderdeel D
¹
1. Volgens de redactie
dient dit opschrift, gelet op het vorige opschrift
en het ontbreken van tekst, te vervallen.
Artikel I, onderdeel G
Deze wijziging volgt uit
schrapping van de mogelijkheid tot beperking van de uitkeringsduur uit
artikel 27, eerste lid, WW.
Artikel I, onderdeel
H; artikel II, onderdeel B; artikel III, onderdeel
H; artikel IV, onderdeel H;
artikel V, onderdeel D [V,E]; artikel VI, onderdeel
B [VI,C]; artikel VII, onderdeel D [VII,F];
artikel IX,
onderdeel G [IX,H]; artikel X, onderdeel
G; artikel XI, onderdeel F
Artikelen 36 WW;
33 ZW; 57
WAO; 48 AAW;
20 TW; 24
AOW; 24 AKW; artikel 87
[81] hAbw; artikel 25a
[25] Ioaw
en 25a [25] Ioaz
Zoals in
hoofdstuk 1 reeds is
vermeld, zijn in dit wetsvoorstel de thans in de socialeverzekeringswetten
opgenomen terugvorderingsgronden niet overgenomen, doch wordt
uitgegaan van het principe: altijd terugvorderen, tenzij dringende
redenen zich daartegen verzetten. Hetzelfde principe is recentelijk door
de wetgever ook vastgelegd in de ABW, bij de terugvorderings- en verhaalswetgeving.
In beginsel maakt het
daarbij niet uit wat de oorzaak is voor het onverschuldigd zijn van de
betaling. Het kan daarbij gaan om gevallen waarin een wijziging in de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten
nopen tot herziening van de
(primaire) toekenning. De oorzaak kan ook zijn dat een
uitkeringsgerechtigde door een administratieve vergissing van het uitvoeringsorgaan
meer krijgt dan waar hij op grond van de correcte
toekenningsbeschikking recht heeft. In al deze gevallen zal terugvordering moeten
plaatsvinden.
Hantering van het
uitgangspunt "terugvorderen, tenzij" biedt meer mogelijkheden dan de
terugvorderingsgronden die thans in de wet zijn opgenomen. Onder de nieuwe
formulering vallen in ieder geval de gevallen waarin op grond van
de huidige bepalingen terugvordering kan plaatsvinden. Dit betreft
allereerst de gevallen waarin sprake is van rblz.|66|
onverschuldigde betaling
door toedoen van de betrokkene en de overige gevallen waarin het de
betrokkene redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat het uitvoeringsorgaan
onverschuldigd betaalde.
Ook omvat de nieuwe
formulering de gevallen die thans reeds in de ZW en de
AAW
als
bijzondere terugvorderingsbepalingen zijn opgenomen. Deze bijzondere
bepalingen maken thans terugvordering mogelijk indien er zich een
bepaalde uitkeringssituatie voordoet, bijvoorbeeld het bestaan van
een recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering over een periode
waarover reeds ziekengeld is verstrekt, of indien er zich in een
bepaalde uitkeringssituatie wijzigingen voordoen, bijvoorbeeld indien een
toegekend ambtelijk invaliditeitspensioen wordt verhoogd waardoor er minder
recht bestaat op uitkering op grond van de AAW.
Door de nieuwe formulering
kan het uitvoeringsorgaan ook terugvorderen in gevallen (zie het
advies van de SVr van 18 januari 1988) waarin - bijvoorbeeld na een beroepsprocedure bij de
rechter - een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
of ziekengeld verstrekt dient te worden over een periode waarover de
bedrijfsvereniging reeds een werkloosheidsuitkering heeft
toegekend en betaald. In die gevallen ontbreekt momenteel doorgaans de
mogelijkheid om deze over dezelfde periode betaalde uitkering terug te
vorderen, omdat de in de wet opgenomen gronden terugvordering in de
weg staan.
Eenzelfde probleem doet zich
voor met betrekking tot de op de werkloosheidsuitkering
verleende toeslag indien deze in hoogte afwijkt van de op het ziekengeld
of
de arbeidsongeschiktheidsuitkering te verlenen toeslag.
De voorgestelde tekst biedt
tevens de mogelijkheid tot terugvordering van onverschuldigde
betalingen na situaties van ongeoorloofde samenloop. Als voorbeeld moge hier worden genoemd een
WAO-uitkeringsgerechtigde
die een dienstverband op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) heeft en met terugwerkende kracht een verhoging van zijn WSW-loon
krijgt.
Sinds de invoering van Boek
3 van het BW is de algemeen geldende verjaringstermijn voor
rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling (artikel 309) aanzienlijk
bekort. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat een dergelijke rechtsvordering
verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende
op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn
vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder
geval 20 jaren nadat de vordering is ontstaan.
Tegen deze achtergrond heb
ik gemeend dat er aanleiding is om ten aanzien van de
verjaringstermijn in de sociale verzekering voortaan aan te sluiten bij die
van artikel
309 van Boek
3 van het BW. Aansluiting bij de regeling in het nieuwe BW
betekent eveneens in tweeërlei opzicht een verruiming ten opzichte van
de huidige regeling.
In gevallen waarin sprake is
van onverschuldigde betaling door toedoen van de betrokkene kan onder
de huidige regeling teruggevorderd worden gedurende vijf jaar na de
dag van betaalbaarstelling. Aansluiting bij het nieuwe BW
betekent dat
indien sprake is van toedoen van de betrokkene de periode waarbinnen tot
terugvordering kan worden besloten niet
langer wordt beperkt tot
vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling. De beslissing tot
terugvordering
kan derhalve ook na een langere periode nog worden genomen, omdat de
rechtsvordering uit onverschuldigde betaling pas verjaart door
verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop
de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de
persoon van de ontvanger is bekend geworden. Bovendien kan de
terugvordering dan ook betrekking hebben op onverschuldigde betalingen
over een periode gelegen vijf jaar of meer vóór de dag van de
betaalbaarstelling.
rblz.|67|
Gezien het feit dat het kan
voorkomen dat de schuldeiser pas veel later van het bestaan van een
vordering uit onverschuldigde betaling op de hoogte komt, bijvoorbeeld
doordat de methoden om te frauderen steeds vernuftiger blijken te
worden, waardoor fraude soms pas na verloop van jaren wordt ontdekt, wordt
het wenselijk geacht om voor deze gevallen niet langer een van het BW
afwijkende regeling te hanteren. Ook een begrenzing van de periode
waarover terugvordering kan plaatsvinden tot vijf jaar is ongewenst.
Fraude mag immers niet lonend zijn.
Overigens wordt erop gewezen
dat binnen de verjaringstermijn de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur in acht moeten worden genomen.
Artikelen 36,
eerste lid, WW; 33,
eerste lid, ZW; 57,
eerste lid,
WAO; 48, eerste lid, AAW;
20, eerste lid, TW; 24,
eerste lid,
AOW; 24, eerste lid, AKW; 87
[81, eerste lid] hAbw; 25a
[25],
eerste lid, Ioaw
en 25a
[25],
eerste lid,
Ioaz
Dit is de
hoofdbepaling die
de verplichting tot terugvordering van al hetgeen in het kader van de
uitkeringsrelatie onverschuldigd is betaald, vastlegt. Er zijn daarbij
verschillende situaties te onderscheiden:
1. In de eerste plaats wordt
erop gewezen dat de bepaling niet ziet op foutieve (onverschuldigde)
betalingen aan willekeurige derden (bijvoorbeeld doordat naar een onjuist
giro- of bankrekeningnummer is overgemaakt). Dit blijkt uit het feit dat
sprake moet zijn van terugvordering van "de betrokken werknemer" (in
artikel 87 [81] hAbw: belanghebbende).
Voorts gaat het veelal om
onverschuldigd betaalde "uitkering" (respectievelijk "kosten van bijstand"). Zoals ook bij wetsvoorstel 20 598
[wetsvoorstel nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van kosten
van bijstand (Kamerstukken II 1987-1988), red.] aan de orde is geweest (zie het
daarin voorgestelde artikel 57, onderdeel e, [van de ABW, red.] en hetgeen daaromtrent
onder meer is
besproken in de memorie van toelichting (blz. 13), de memorie van antwoord
(blz. 27), de nota naar aanleiding van het eindverslag (blz. 14), is
het ongewenst ten aanzien van derden die in het geheel geen relatie met
het uitvoeringsorgaan en de betrokken uitkeringswet hebben het
bijzondere regime van de WW, respectievelijk de hAbw van toepassing te doen zijn;
daarvoor dient de algemene regeling te gelden, opgenomen in het BW.
Overigens laat de wet zich
over toepassing van de mogelijkheden die het BW hier biedt niet uit;
dit betekent dat, anders dan in artikel 84 [78],
vierde lid, hAbw werd voorgesteld, in
andere gevallen dan in de terugvorderingsparagraaf voorzien wél
terugvordering kan plaatsvinden, en wel met toepassing van het BW (zie
voor schrapping van deze bepaling artikel IX, onderdeel
F, onder 2).
Aangezien het in de hier bedoelde gevallen niet gaat om uitvoering van de
betrokken uitkeringswet, valt de terugvordering met toepassing van het BW niet
onder de voorgestelde verplichting. Dat neemt uiteraard niet weg dat
ook in deze gevallen de onjuiste uitgaven zoveel mogelijk dienen te
worden gecorrigeerd.
2. In de tweede plaats
worden aangegeven de gevallen waarin de onverschuldigde betaling wel
aan een uitkeringsgerechtigde heeft plaatsgevonden en deze het gevolg is van een herzieningsbesluit als
bedoeld in artikel 22a WW
dan wel een weigering op grond van artikel 27
WW; in beide gevallen komt
door zo'n besluit de rechtsgrond aan reeds gedane betalingen (geheel of
gedeeltelijk) te ontvallen en is in zoverre derhalve sprake van
onverschuldigde betaling. Het kan hierbij zowel om inhoudelijke aspecten van de
uitkering gaan (bijvoorbeeld wijzigingen in het recht op uitkering; verlaging bij
wijze van sanctie) als om vergissingen (bijvoorbeeld rekenfouten) van het
uitvoeringsorgaan; beide leiden tot herstel van de
toekenningsbeschikking.
3. Er zijn ook gevallen van
onverschuldigde betaling waar geen correctie van de
toekenningsbeschikking aan ten grondslag ligt (vandaar: rblz.|68|
"anderszins").
Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de beschikking geheel correct is, maar abusievelijk een hoger
dan het daarin vermelde bedrag wordt uitbetaald. Het te veel
betaalde is in zo'n geval geen "uitkering"; vandaar dat de bepaling daarnaast
ook spreekt van "hetgeen" onverschuldigd is betaald. Dit laatste ziet
ook op gevallen waarin bijvoorbeeld ten onrechte is nagelaten loonbelasting in
te houden (bruto- in plaats van netto-uitbetaling).
Ten slotte zij in dit
verband vermeld dat de gekozen formulering ook omvat de gevallen waarin
achteraf als gevolg van een rechterlijke uitspraak wijziging in het recht op uitkering optreedt (kan zowel het recht
zelf en de omvang daarvan
betreffen als de wet waaraan het recht wordt ontleend; indien bijvoorbeeld
uit
de uitspraak volgt dat over een periode waarover reeds WW
is toegekend alsnog
arbeidsongeschiktheidsuitkering of ziekengeld moet worden
betaald).
Artikelen 36,
tweede lid,
WW; 33, tweede lid, ZW; 57,
tweede lid,
WAO; 48, tweede lid, AAW;
20, tweede lid, TW; 24,
tweede lid,
AOW; 24, tweede lid, AKW;
84 [78], derde lid, hAbw; 25a
[25],
vierde lid, Ioaw
en 25a [25], vierde lid, Ioaz
Zoals reeds in de
toelichting op artikel 22a WW
is vermeld, kan aan de verplichtingen die in dat
artikel en in de artikelen 27, 27a
en 36 worden geregeld niet een absoluut
karakter worden toegekend. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien
voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties zouden
optreden. Zoals eveneens al vermeld, moet het mogelijk zijn dat op de
algemene regel een uitzondering moet worden gemaakt, in die zin dat
geheel of gedeeltelijk van uitoefening van de betrokken verplichting wordt
afgezien. De voorgestelde bepaling heeft tot doel dit in de wet tot
uitdrukking te laten komen. Uit het woord "dringend" blijkt dat er
wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking
van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Daarbij dient het
uiteraard om incidentele gevallen te gaan, gebaseerd op een individuele
afweging van alle relevante omstandigheden; van algemene of
categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Voor de goede orde zij
vermeld dat de toepassing van dringende redenen dient te geschieden met
inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij
dringende redenen is niet primair of uitsluitend aan financiële redenen gedacht;
ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Wat betreft de
financiële omstandigheden dient nog te worden bedacht dat in het algemeen
reeds voldoende bescherming wordt geboden door de
toepasselijke beslagvrije voet (zie de artikelen 27g,
negende lid, en
36a, tweede lid, WW, respectievelijk 14f,
tiende lid, en 93 [87], tweede lid, hAbw). De hier bedoelde dringende redenen kunnen
overigens in hun algemeenheid moeilijk nader worden aangeduid. Voor zover
het al doenlijk zou zijn, acht ik het niet wenselijk: een opsomming zou
een afgrenzing betekenen waardoor nieuwe, op voorhand niet
bedachte gevallen erbuiten zouden vallen.
In dit verband zij er voorts
op gewezen dat met dringende redenen niet tevens wordt gedoeld op
doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van een kosten-batenafweging van uitoefening van de betrokken
verplichting kan worden
afgezien (dit speelt vooral bij terugvordering een rol). Gelet op de eenvoudige
wijze waarop volgens de voorstellen de tenuitvoerlegging van de
desbetreffende besluiten zal kunnen plaatsvinden, zal in het vervolg
zelden of nooit daarvan kunnen worden afgezien op de grond dat daarmee
slechts een zeer gering bedrag gemoeid is. Daarbij dient ook in
aanmerking te worden genomen dat de kosten van invordering ook voor
rekening van de betrokkene zijn (zie artikelen 27g,
vijfde en zevende lid,
WW; artikel 14f, vijfde en zevende lid, hAbw). Hierover is ook wettelijke rente verschuldigd.
Ten slotte is
ook uit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en
preventieve werking het consequent ten uitvoer leggen van deze besluiten
van groot belang. Hoewel dus een rblz.|69|
kostencalculatie in beginsel hier
geen rol speelt, is het toch niet ondenkbaar dat in extreme gevallen, waarin
het bijvoorbeeld gaat om slechts enkele guldens, invordering achterwege
blijft. Gezien het uitzonderlijke karakter van deze gevallen wordt een
uitdrukkelijke wetsbepaling ter zake niet voorgesteld. Dat zou niet alleen
afbakeningsproblemen oproepen, maar ook het gevaar dat hierin in de praktijk
een te ruime opening voor afwijking zou worden gevonden.
De redactie van het derde
lid van artikel 84 [78] hAbw
wordt (zie
artikel IX, onderdeel F) geharmoniseerd
met die van het voorgestelde artikel 36,
tweede lid,
WW; inhoudelijke
wijzigingen worden daarmee niet beoogd.
Ten
slotte zij nog opgemerkt
dat de uitzonderingsbepaling betreffende de dringende redenen in de
verschillende artikelen steeds weer is opgenomen omdat de toepassing daarvan op verschillende tijdstippen
aan de orde kan zijn en
derhalve ook opnieuw een afweging nodig kan zijn van nieuwe omstandigheden.
Artikelen 36,
derde lid,
WW; 33, derde lid, ZW; 57,
derde lid,
WAO; 48, derde lid, AAW;
20, derde lid, TW; 24,
derde lid,
AOW; 24, derde lid, AKW;
92 [86], eerste lid, hAbw; 25c
[27, eerste lid] Ioaw
en 25c [27, eerste lid] Ioaz
Evenals bij een besluit tot
boeteoplegging het geval is (zie artikel 27c,
eerste lid,
WW, respectievelijk
14c, eerste lid, hAbw en de toelichting
daarop), zal in een terugvorderingsbesluit
informatie moeten worden verstrekt over de wijze waarop dat besluit ten
uitvoer gelegd kan worden. Het besluit tot terugvordering moet dezelfde soort
informatie bevatten als het boetebesluit. Ten opzichte van het
oorspronkelijk wetsvoorstel is de redactie van artikel 36,
derde lid, WW aangepast aan
die
van artikel 27c, eerste lid, WW. Dit betekent dat in elk geval in algemene zin
informatie moet worden verstrekt over de mogelijke executievormen
(zie artikel 36a: verrekening met lopende uitkering; inhouding op een
andere uitkering; beslag). Voor zover mogelijk zal tevens in hetzelfde
besluit moeten worden aangegeven hoe (dat wil zeggen met welke bedragen en termijnen)
in het concrete geval die tenuitvoerlegging zal plaatsvinden; aangezien
daarvoor in een aantal gevallen nader onderzoek nodig zal zijn,
zal dat niet altijd tegelijkertijd kunnen. Voorts zullen soms later
wijzigingen nodig zijn.
Artikelen 36,
vierde lid,
WW; 33, vierde lid, ZW; 57,
vierde lid,
WAO; 48, vierde lid, AAW;
20, vierde lid. TW; 24,
vierde lid,
AOW; 24, vierde lid, AKW;
92 [86], tweede lid, hAbw; 25c
[27, tweede lid] Ioaw
en 25c [27, tweede lid] Ioaz
Om soortgelijke redenen als
bij de boete gelden, is met betrekking tot de terugvordering een
afzonderlijke informatieverplichting nodig naast de algemene verplichting
ter zake. Ook bij terugvordering betreffen de te geven inlichtingen immers
niet altijd het recht op uitkering, terwijl soms ook van iemand die niet
(langer) uitkeringsgerechtigd is, wordt teruggevorderd.
Voor de strafsanctie op deze
verplichting zie de toelichting op artikel 27a,
vierde lid,
WW.
Voorts geldt ook hier dat
het niet nakomen van deze informatieverplichting leidt tot het
verlies van de bescherming van de beslagvrije voet; dit volgt uit artikel
36a, tweede lid, waarbij onder meer het tiende lid van artikel 27g
van overeenkomstige
toepassing is verklaard, welke bepaling dat gevolg met betrekking tot de boete
regelt. Zie voor de overeenkomstige bepalingen van de hAbw
artikel 93 [87], tweede lid, juncto artikel 14f,
elfde lid.
rblz.|70|
Artikel I, onderdeel
I; artikel II, onderdeel C; artikel III, onderdeel
I; artikel IV, onderdeel I;
artikel V, onderdeel
E [V,F]; artikel VI, onderdeel C [VI,D];
artikel VII,
onderdeel E [VII,G]; artikel IX, onderdeel J
[-]; artikel X, onderdeel J;
artikel XI,
onderdeel I
Artikelen 36a
WW; 33a ZW;
57a WAO;
48a AAW;
20a TW; 24a
AOW;
24a AKW; 93
[87] hAbw;
artikel 25d [28] Ioaw
en artikel 25d [28] Ioaz
Een besluit tot
terugvordering levert net als een boetebesluit een executoriale titel op. Ten
aanzien van de tenuitvoerlegging wordt ook hetzelfde regime voorgesteld. Dit gebeurt door van overeenkomstige
toepassingverklaring van
artikel 27g (in de hAbw: van artikel 14f). Voor een toelichting hierop zij
verwezen naar die bij de genoemde artikelen.
Artikelen 36b
WW; 33b ZW;
57b WAO;
48b AAW;
20b TW; 24b
AOW en 24b AKW
Zie
het algemeen deel van de memorie van
toelichting onder "Nadere regelgeving" [hoofdstuk
10, red.].
Artikel I, onderdeel J
In artikel 37
WW is geregeld
dat indien de gemeente een uitkering op grond van de
ABW, de
Ioaw
of
de Ioaz onverschuldigd heeft betaald, verrekening mogelijk is met
een WW-uitkering. Deze bepaling wordt in dit onderdeel geschrapt. De
regeling van de mogelijkheid tot terugvordering en verrekening van onverschuldigd betaalde hAbw-,
Ioaw- of
loaz-uitkering met WW-uitkering hoort niet zozeer in de WW thuis, maar dient in de
hAbw, de
Ioaw
en
de Ioaz zelf te worden geregeld. Dit laatste geschiedt in het onderhavige
wetsvoorstel.
Hetzelfde geldt voor artikel 33a
ZW en
57a WAO,
welke worden vervangen door een artikel
met een andere inhoud, en voor de artikelen 49 AAW,
21 TW en 25
AOW, die
komen te vervallen.
Artikel I,
onderdeel K
[I,M] en
L [I,N]
De redactie van
artikel 89,
onderdeel b, en artikel 92, onderdeel c, is aangepast in verband met de
omzetting van de terugvorderingsbevoegdheid in een terugvorderingsplicht. De toevoeging van het nieuwe
onderdeel e aan artikel 89
voorziet erin dat de opbrengst van de boeten ten goede komt aan het wachtgeldfonds.
Artikel I, onderdeel M
[I,O]
Zie
het algemeen deel van de memorie van
toelichting onder "Nadere regelgeving" [hoofdstuk
10, red.].
Artikel I, onderdeel
N [I,Q]; artikel II, onderdeel I [II,J]; artikel III, onderdeel
O [III,N]; artikel IV, onderdeel
M; artikel V, onderdeel H [V,I];
artikel VI, onderdeel
E [VI,G]; artikel VII,
onderdeel G [VII,I]; artikel IX, onderdeel
T [IX,S]; artikel X, onderdeel
V [X,U]; artikel XI,
onderdeel U [XI,T]
Het voorgestelde artikel
135a geeft tezamen met artikel 27b, eerste lid, voor de
WW uitwerking aan
het una-viabeginsel. Voor een toelichting zij verwezen naar hoofdstuk
7 van het
algemeen deel, alsmede naar de toelichting op artikel 27b
WW. Mutatis
mutandis geldt hetzelfde ten aanzien van de rblz.|71|
andere wetten. Onder de bepaling vallen alle relevante strafbepalingen uit
het commune strafrecht en de socialezekerheidswetten.
Artikel II
(Ziektewet)
Onderdelen F en
G (artikelen
44 en 45 ZW)
Ingevolge het huidige
artikel 44 van de ZW is de bedrijfsvereniging bevoegd de uitkering
van ziekengeld geheel of ten dele te weigeren in een aantal situaties
waarin de ongeschiktheid tot werken (hoogstwaarschijnlijk) reeds bestond op
het moment dat de verzekering een aanvang nam en indien de verzekerde
zich op de één of andere manier heeft misdragen. Het artikel maakt
derhalve geen onderscheid tussen de meer verzekeringstechnische weigeringsgronden en de weigering van uitkering
vanwege laakbaar gedrag.
Zoals eerder uiteengezet, dient de bevoegdheid van de bedrijfsvereniging
tot het opleggen van sancties bij misdragingen van de uitkeringsgerechtigde
te worden omgezet in een wettelijke verplichting. Dit brengt mee dat de in het huidige artikel omschreven opeenhoping van gevallen
dienen te worden gesplitst in twee categorieën, namelijk de
hierboven bedoelde, meer verzekeringstechnische, niet-laakbare gevallen in
artikel 44 en de gevallen van laakbaar gedrag in een nieuw geredigeerd
artikel 45. De verzekeringstechnische weigeringsgronden blijven voorwerp van
een bevoegdheid van de bedrijfsvereniging, terwijl de
misdragingen voorwerp worden van een sanctieplicht.
De huidige
ZW
voorziet nog niet in een bepaling op grond waarvan de schending van de
identificatieplicht ingevolge artikel 50a, vierde lid, van de Organisatiewet
Sociale Verzekering dient te worden gesanctioneerd. Daarin wordt bij deze
voorzien door in het nieuwe artikel 45 een onderdeel h. op te nemen.
Het huidige
sanctieartikel
44 voorziet wel in de mogelijkheid tot het opleggen van een sanctie bij
schending van de algemene informatieplicht ex artikel
49, maar niet bij
schending van de bijzondere informatieplicht ex artikel
31, eerste lid (de
verplichting om tijdens de ziekte van loon, neveninkomsten uit arbeid anders
dan in dienstbetrekking of ouderdomspensioen mededeling te doen aan
de bedrijfsvereniging), terwijl artikel 31, tweede lid, slechts een
mogelijkheid tot correctie bevat. Na de aanvaarding van het
onderhavige voorstel geeft de schending van de informatieplicht ex artikel 49
niet langer aanleiding tot verlaging van het ziekengeld, maar tot het
opleggen van een boete. Het ligt voor de hand om daar voor wat betreft de
bijzondere informatieplicht van artikel 31,
eerste lid, bij aan te sluiten.
Onderdeel H [I]
(artikel 63
ZW)
De opbrengst van de boeten
wordt toegevoegd aan de (algemene) reserve.
Artikel III (Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)
Onderdeel B (artikel 25
WAO)
Het huidige
artikel 25 van
de WAO spreekt niet, zoals de WW, van het geheel of gedeeltelijk,
tijdelijk of blijvend weigeren van uitkering, maar van het geheel of ten dele,
tijdelijk of blijvend buiten aanmerking laten rblz.|72|
van aanspraken. Inhoudelijk
en wetssystematisch zijn de teksten nu op elkaar afgestemd.
Onderdeel C (artikel 28
WAO)
De redactie van de aanhef
van het artikel heeft een kleine wijziging ondergaan in verband met de
omzetting van de sanctiebevoegdheid in een sanctieplicht.
Het tweede lid komt te
vervallen, omdat de daar geregelde mogelijkheid voor de SVr om nadere regels
te stellen, is verhuisd naar artikel 29, derde lid.
In onderdeel d komt de
verwijzing naar artikel 80, bevattende de algemene inlichtingenplicht,
te vervallen, omdat - zoals eerder uiteengezet - de schending van die
plicht niet langer wordt gesanctioneerd door toepassing te geven aan het
algemene sanctieartikel, maar door het opleggen van een boete.
Nieuw in de opsomming van gesanctioneerde verplichtingen is de
identificatieplicht ingevolge artikel 50a, vierde lid, van de Organisatiewet
Sociale Verzekering.
Onderdeel F (artikel 30
WAO)
Door de omzetting van
sanctiebevoegdheden in verplichtingen heeft het woord "voorts" ten aanzien
de enig overgebleven bevoegdheid, namelijk die ingevolge artikel
30, eerste
lid, zijn betekenis verloren; reden waarom het wordt geschrapt.
Onderdeel L [-] (artikel 71
WAO)
Aan het besluit een sanctie
of een boete op te leggen, zijn in het algemeen geen medische of
arbeidsmedische aspecten verbonden, zodat advisering door de Gemeenschappelijke Medische Dienst niet behoeft te
worden voorgeschreven. De
wijziging beoogt dit te bewerkstelligen.
Onderdelen M [-] en N
[L] (artikelen
73 en 76 WAO)
De opbrengst van de boeten
wordt toegevoegd aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel IV (Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet)
Onderdelen B (artikel 16
AAW);
C (artikel 19
AAW);
F (artikel 21
AAW) en
L [-] (artikel 64 AAW)
Voor de toelichting op deze
wijzigingen zij volstaan met verwijzing naar de toelichting op
respectievelijk de
onderdelen B, C, F en L
van artikel III (WAO).
Onderdeel J (artikel 49
AAW)
Het huidige artikel 49 wordt
geschrapt, omdat het materieel wordt vervangen door het in
onderdeel E vervatte nieuwe artikel 20f juncto het in onderdeel I vervatte nieuwe
artikel 48a, tweede lid.
rblz.|73|
Artikel V (Toeslagenwet)
Onderdeel F [G]
(artikel 21
TW)
Het huidige
artikel 21 wordt
geschrapt, omdat het materieel wordt vervangen door het in
onderdeel C [D] vervatte nieuwe artikel 14f
juncto het in onderdeel E [F] vervatte nieuwe
artikel 20a, tweede lid.
Artikel VI (Algemene
Ouderdomswet)
Onderdeel A [B]
In de
AOW is thans evenals
bij de andere socialezekerheidswetten een gelijkluidend
herzieningsartikel opgenomen, omdat daaraan in de praktijk behoefte bestaat.
De huidige
AOW kent geen sanctieartikel. Daar bestaat ook nauwelijks of geen behoefte aan. De
aard van het verzekerde risico - de nadelige inkomensgevolgen van het
ouder worden - brengt immers mee dat er geen verplichtingen zijn om
een beroep op het pensioen te voorkomen, dan wel om een beroep daarop
zo snel mogelijk te beëindigen. De behoefte aan een sanctieartikel is dan ook beperkt tot de
situatie waarin de pensioengerechtigde zijn
identificatieplicht ingevolge artikel 19, vierde lid, van de Wet op de Sociale
Verzekeringsbank schendt. Uitsluitend met het oog op die situatie wordt
bij deze voorzien in het nieuwe artikel 17b.
Het voorgaande omtrent het
ontbreken in de AOW van in- en uitstroomverplichtingen neemt niet
weg dat er op elke pensioengerechtigde de algemene informatieplicht
ingevolge artikel 49 rust. Het is immers niet ondenkbaar dat er twijfel
ontstaat over de vraag of de pensioengerechtigde wel het juiste
pensioen ontvangt. Men denke bijvoorbeeld aan de situatie waarin de gerechtigde
vanwege langdurig verblijf in het buitenland geen volledige pensioenopbouw
heeft bereikt. Bij onduidelijkheid over de niet-verzekerde tijdvakken
moet de SVB kunnen vertrouwen op de juistheid van de door de
gerechtigde verstrekte gegevens. Schending van de inlichtingenplicht wordt
in beginsel bestraft met het opleggen van een boete ingevolge het nieuwe
artikel 17c.
Onderdeel D [E]
(artikel 25
AOW)
Het huidige
artikel 25 wordt
geschrapt, omdat het materieel wordt vervangen door het in
onderdeel A [B] vervatte nieuwe artikel 17i
juncto het in onderdeel C [D] vervatte nieuwe
artikel 24a, tweede lid.
Onderdeel E [F]
De informatiebepaling is in
overeenstemming gebracht met de bepalingen in de overige
sociale zekerheid.
Artikel VII (Algemene
Kinderbijslagwet)
Onderdeel B [D]
(artikel 17
AKW)
Artikel 17 is
inhoudelijk en
redactioneel in overeenstemming gebracht met de opzet van dit
wetsvoorstel: de bevoegdheid om tijdelijk of blijvend de kinderbijslag te weigeren
bij het niet naleven van de controlevoorschriften ingevolge artikel
16 is omgezet in een verplichting; de sanctieplicht gaat ook gelden bij
schending van de identificatieplicht ingevolge rblz.|74|
artikel 19, vierde lid, van de
Wet op de Sociale Verzekeringsbank; ten slotte wordt ook hier het niet
naleven van de algemene inlichtingenplicht uit het sanctieartikel gehaald en
bij het nieuwe boeteartikel 17a ondergebracht.
De opbrengst van de boeten
wordt toegevoegd aan het Algemeen Kinderbijslagfonds.
Artikel VIII
(Wet financiering volksverzekeringen)
Onderdelen A en
B
Al deze onderdelen regelen
niet meer dan dat de opbrengst van de boeten opgelegd op grond
van de AOW en de AAW
worden toegevoegd aan respectievelijk het Ouderdomsfonds
en het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikelen
IX, X
en XI
Het oorspronkelijke
wetsvoorstel is op tal van plaatsen gewijzigd voor wat betreft de hAbw,
Ioaw
en Ioaz. Deze wijzigingen zijn noodzakelijk als gevolg van de wijzigingen
die recent zijn voorgesteld in het kader van de herinrichting ABW
(Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18 en 19) en de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet (Kamerstukken II 1993-1994, 22 614, nr. 6). Bij die gelegenheid zijn
immers onder meer de bepalingen met betrekking tot het geldend
maken van het recht op uitkering en de inlichtingenverplichting
gewijzigd.
Het onderhavige wetsvoorstel
is thans afgestemd op de recente nota's van wijziging. Hierdoor is
een groot aantal artikelen, met name die waar wordt verwezen naar de
inlichtingenplicht, aangepast. Voorts zijn bepalingen verwijderd die
inmiddels zijn opgenomen in de wetsvoorstellen 22 545 en 22 614
(dit geldt de algemene medewerkingsverplichting en de verplichting een
identiteitsbewijs te tonen).
Artikel
IX, onderdeel C
[IX,E] en D [-]; artikel X,
onderdeel B [X,C]; artikel XI,
onderdeel A [XI,B]
Artikelen 77 [69] hAbw;
17
Ioaw
en 17
Ioaz
In de genoemde bepalingen
zijn de opschorting van de uitkering en de herziening of intrekking van
het besluit samengevoegd.
In het vijfde lid is niet
voorzien in de mogelijkheid om wegens dringende redenen van
opschorting af te zien. Het argument hiervoor is dat de opschorting mede
tot
doel heeft te bevorderen dat de noodzakelijke gegevens alsnog worden
verstrekt. Voorts is opschorting alleen aan de orde als sprake is van
verwijtbaar gedrag. Als de belanghebbende daarin volhardt, is er geen
aanleiding om onder omstandigheden af te zien van opschorting.
Artikel IX, onderdeel E
[-]
Artikel 81
[75] hAbw is overbodig
naast het voorgestelde stelsel van onderlinge verrekening onder meer tussen
gemeente en bedrijfsvereniging. Zie daaromtrent artikel 36a,
tweede lid, juncto artikel 27f,
vierde lid, WW, en artikel
93 [87], tweede lid, juncto artikel 14f,
vierde lid, hAbw.
Soortgelijke bepalingen van de Ioaw
en de Ioaz (artikelen 21 en 22) zijn al
geschrapt bij gelegenheid van de rblz.|75|
verhaalswetgeving (zie artikel III,
onderdeel A, van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193). De bij die wet
opgenomen nieuwe artikelen 25i en 25j worden om de aangegeven redenen nu ook
overbodig.
Artikel
IX, onderdeel F
Voor de strekking van deze
bepaling alsmede het begrip dringende redenen zij verwezen naar de
toelichting op artikel 36, tweede lid, WW. Daar is ook reeds aangegeven
dat de aanpassing van artikel 84 [78], derde lid, hAbw
slechts strekt tot
harmonisatie en geen inhoudelijke wijziging beoogt.
Zoals eveneens al bij de toelichting op artikel 36
WW (het eerste lid) is vermeld, is het gewenst in
bepaalde situaties terugvordering met toepassing van het BW
mogelijk te laten zijn; de daarvoor in het huidige vierde lid van artikel 84 [78] hAbw
bestaande belemmering dient daarvoor uit de weg te worden geruimd.
Het schrappen van het vierde lid is
ook nog om een andere reden van belang. Op grond van artikel 19 van de
Beroepswet en de daarbij behorende bijlage, zoals die zijn komen te
luiden na inwerkingtreding per 1 januari 1994 van het voorstel
van Wet voltooiing
eerste fase herziening rechterlijke organisatie, heeft het hoger beroep schorsende werking. Dit betekent dat als een
rechtbank een uitspraak
heeft gedaan, de werking van die uitspraak wordt opgeschort als hoger beroep
wordt ingesteld. De schorsende werking geldt voor alle socialeverzekeringswetten en voor de
Ioaw
en Ioaz. Alleen voor de hAbw
is een
uitzondering gemaakt, gelet op het feit dat de hAbw de laatste
bestaansvoorziening is. Als de rechter van oordeel is dat bijstand geboden is, dient
de gemeente die uitspraak direct ten uitvoer te leggen. De gemeente moet dus
de bijstand uitbetalen in afwachting van de uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep. De keerzijde daarvan is dat de Centrale Raad van Beroep
de gemeente in hoger beroep alsnog in het gelijk kan stellen, waardoor
achteraf bezien de gemeente de bijstand onverschuldigd heeft
betaald. Het is dan onterecht dat de gemeente dergelijke bijstand aan de
betrokkene moet laten. Het schrappen van het vierde lid leidt ertoe dat
de gemeente de bijstand alsnog kan terugvorderen.
Artikel IX, onderdeel H
[-]
Niet alleen het niet nakomen
van de informatieverplichting, maar ook het niet nakomen van de
ondersteunende verplichting tot het verlenen van medewerking (denk aan
huisbezoeken) moet kunnen leiden tot terugvordering van degenen
met wie in gezinsverband wordt samengeleefd. Anderzijds kan op het
niet nakomen van de identificatieplicht, bedoeld in artikel 73 [65],
vijfde lid, worden gereageerd door de uitkering stop te zetten. Terugvordering is
dan niet aan de orde. Daarom wordt in het tweede lid van artikel 90 [84]
niet verwezen naar artikel 73 [65], vijfde lid.
Artikel IX, onderdeel
I; artikel X, onderdeel I; artikel XI, onderdeel H
Artikelen 92 [86] hAbw;
25c
[27] Ioaw
en 25c [27] Ioaz
Artikel
92 [86], eerste lid, hAbw
wordt
in overeenstemming gebracht met het voorgestelde artikel
36, derde lid, WW; zie de toelichting bij die
bepaling.
Het tweede lid is overbodig,
aangezien ook zonder deze bepaling herziening van een
beslissing op grond van gewijzigde omstandigheden rblz.|76|
op verzoek of ambtshalve kan
(soms: moet) plaatsvinden. Een dergelijke bepaling ontbreekt dan ook
terecht bijvoorbeeld in artikel 14 hAbw.
Zie voor het tot nieuw
tweede lid vernummerde derde lid van artikel 92 [86] de toelichting
op artikel
36, vierde lid, WW.
Artikel IX, onderdeel
K [IX,J]; artikel X, onderdeel K
[-]; artikel XI, onderdeel J
[-]
Zie voor de keuze om
met betrekking tot de terugvordering geheel aan te sluiten bij de verjaringstermijnen van
het BW
de toelichting op artikel 36 WW c.a.
Artikel IX, onderdeel
L [IX,K]; artikel X, onderdeel L [X,K]; artikel XI, onderdeel K
[XI,J]
Zie
toelichting op 27g WW/14e hAbw, waarbij wordt verwezen naar
die
op artikel 36a WW.
Artikel IX, onderdeel
M [-]; artikel X, onderdeel M [-]; artikel XI, onderdeel L
[-]
Artikelen 96 [89] hAbw;
25g
[30] Ioaw
en 25g [30] Ioaz
In het wetsvoorstel tot
wijziging van het Burgerlijk
Wetboek en een aantal andere wetten in
verband met de bevoorrechting van vorderingen (Kamerstukken II 1992-1993,
22 942) wordt de bevoorrechting van vorderingen ingevolge de ABW, Ioaw
en Ioaz geschrapt.
Dit is nu het geval in
artikel 96 [89] hAbw
en de daarmee corresponderende bepalingen in de Ioaw en Ioaz.
Artikel IX, onderdeel
N [IX,L]; artikel X, onderdeel
P[-]; artikel XI, onderdeel O
[-]
Artikelen 98 [91] hAbw;
25k
[33] Ioaw
en 25k [33] Ioaz
Artikel 98
[91] hAbw kan vervallen,
omdat de toepasselijkheid van het vereenvoudigd derdenbeslag
nu wordt geregeld in artikel 14f,
negende lid.
Artikel IX, onderdeel O
[IX,N]
De beschikking tot verhaal
heeft geen executoriale kracht. Daarom is er geen reden artikel 479e,
tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering hier buiten
toepassing te verklaren (zie artikel 14f, negende lid).
Artikel IX, onderdeel
Q [IX,P]; artikel X, onderdeel Q [X,P]; artikel XI, onderdeel P
[XI,O]
Artikelen 141 [134] hAbw;
38
[57] Ioaw
en 38
[57] Ioaz
De inkomsten die de
gemeente uit boeten verkrijgt, worden op dezelfde wijze in de declaratie bij
het Rijk betrokken als andere inkomsten, zoals bij het verhaal het geval is.
Dit betekent dat 90% aan het Rijk moet worden afgedragen.
Wat de bijstand betreft,
geldt dit alleen voor zover de boete betrekking rblz.|77|
heeft op de algemene
bijstand. Dit komt tot uitdrukking in het eerste lid van artikel 141 [134]. Daar is
bepaald dat de boetebedragen die de gemeente ontvangt in verband met de
verlening van algemene bijstand, worden begrepen onder de kosten van algemene bijstand.
Uiteraard is het denkbaar
dat een boete wordt opgelegd op grond van de schending van de
inlichtingenplicht met betrekking tot bijzondere bijstand. In dat geval komt
de opbrengst van de boete volledig ten goede van de gemeente, zoals de
kosten van de bijzondere bijstand voor haar rekening komen.
In het derde lid is voorts
geregeld welk deel van de boeteopbrengst naar het Rijk moet vloeien
indien de algemene bijstand bestaat uit de wettelijke bijstandsnorm
plus een toeslag. Een deel komt ten goede aan de gemeente.
Artikel IX, onderdeel
R [IX,Q]; artikel X, onderdeel R [X,Q]; artikel XI, onderdeel Q
[XI,P]
Artikelen 143 [136] hAbw;
40
[59] Ioaw
en 40
[59] Ioaz
Bij het verplicht stellen
van sanctionering (zowel maatregelen als boeten; respectievelijk artikel 14 en
14a) past dat aan onvoldoende naleving van die verplichting door het
Rijk financiële gevolgen verbonden kunnen worden voor de gemeente; hierin
voorziet het nieuwe onderdeel d van artikel 143 [136],
derde lid, hAbw. Het betreft hier
een inspanningsverplichting van de gemeente; zij dient aan de
sanctieverplichting te voldoen voor zover dat redelijkerwijs van haar verlangd
kan worden.
Artikel IX, onderdeel
U [IX,T]; artikel X, onderdeel W
[-]; artikel XI, onderdeel V
[-]
Zie hiervoor
artikel I,
onderdeel H, bij artikel 36, vierde lid, WW.
Artikel X, onderdeel A
Deze wijziging vloeit voort
uit de wijziging van artikel 27 WW, waarbij de beperking van de
uitkeringsduur als sanctie is vervallen.
Voor de Ioaw
blijft gelden
dat degene die de vereiste maximale uitkeringsduur WW
niet haalt
als gevolg van een sanctie, daarvan in het kader van zijn loaw-aanspraak geen blijvend nadeel ondervindt.
Artikel XII
Onderdelen A en C
In de Wet aanpassing
uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (Wauoo) zijn in twee van de
verschillende hoofdstukken voor de toepassing van een aantal artikelen in
verschillende socialeverzekeringswetten bijzondere bepalingen
opgenomen met betrekking tot de overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel
1 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies. Zo bevatten de
artikelen 22, 35, 44, 53 en 62 van de Wauoo bijzondere bepalingen voor
de toepassing van de artikelen 49 AAW,
33a (oud) van de ZW,
57a (oud)
van de WAO, 37,
tweede lid, van de
WW en 21 van de TW. Aangezien in
het
onderhavige wetsvoorstel laatstgenoemde artikelen komen te
vervallen, hebben de artikelen 22, 35, 44, 53 en 62 van de Wauoo daardoor hun
betekenis verloren.
rblz.|78|
Onderdeel B
Artikel 34,
eerste lid, van de
Wauoo bevat een bijzondere bepaling met betrekking tot de
overhevelingstoeslag met betrekking tot de artikelen 33 en
34 ZW. Aangezien in het
onderhavige wetsvoorstel ook artikel 34 van de
ZW komt te vervallen, kan
de vermelding van artikel 34 van de ZW
in het eerste lid van artikel 34 van de Wauoo worden geschrapt. De in dit onderdeel
opgenomen bepaling strekt
daartoe.
Artikel XIII
In artikel 9 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil) is thans geregeld
dat terugvordering en verrekening van op grond van die wet verrichte
onverschuldigde betaling mogelijk is indien na toekenning van ziekengeld
ingevolge hoofdstuk II over eenzelfde tijdvak aanspraak blijkt te
bestaan op een uitkering op grond van een andere wettelijke regeling
dan de AAW
of WAO, genoemd in artikel 34
ZW.
In het onderhavige
wetsvoorstel vervalt artikel 34 en worden de in
artikel 34 ZW bedoelde
gevallen betreffende de terugvordering bestreken door de algemene terugvorderingsbepaling in
artikel 33 ZW en wat de
verrekening betreft door het
nieuwe artikel 33a ZW. Deze beide artikelen,
33 en 33a, zijn op grond van
artikel 8 Wamil
reeds van overeenkomstige toepassing op uitkeringen
ingevolge hoofdstuk II van de Wamil.
Het nieuwe artikel 33
ZW in
verbinding met artikel 8 Wamil
behelst ook de gevallen waarin de Wamil-uitkering onverschuldigd is betaald doordat nadien recht blijkt te
bestaan op een uitkering die wordt ontleent aan een andere wettelijke regeling
dan de AAW of WAO. Op grond van het voorgestelde artikel 33a
ZW in verbinding met artikel 8
Wamil
kan onverschuldigd betaalde
Wamil-uitkering echter niet worden verrekend met een uitkering die wordt
ontleend aan een andere wettelijke regeling als bedoeld in artikel 2 van
die wet.
In verband hiermee dient
thans alleen artikel 33a ZW
nog van overeenkomstige toepassing te
worden verklaard betreffende uitkeringen krachtens een andere wettelijke regeling. De in dit artikel opgenomen
wijziging strekt daartoe.
Artikelen XIV
en XV [-]
Voor de
toelichting op deze
artikelen wordt verwezen naar [lees: naar de toelichting
op, red.] artikel 27a,
vierde lid, en 36, vierde lid, WW c.a.
Artikel XVI
[XV]
Artikel V van het bij
koninklijke boodschap van 23 oktober 1993 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de Jeugdwerkgarantiewet bepaalt hoe artikel
14, vijfde lid, van de hAbw komt te
luiden indien het voorstel van wet herinrichting van de
Algemene Bijstandswet in werking
treedt.
In artikel X van het
onderhavige wetsvoorstel wordt artikel 14 van de hAbw, zoals dat komt te
luiden indien het voorstel van wet herinrichting van de Algemene
Bijstandswet in werking
treedt, eveneens gewijzigd.
Deze bepalingen kunnen niet
tegelijk van kracht zijn. Om die reden is bepaald dat bedoeld artikel
V vervalt indien het voorstel van wet herinrichting van de
Algemene Bijstandswet tot wet wordt verheven.
rblz.|79|
Artikel XVII
[XVI]
Eerste lid
Met betrekking tot
misdragingen van vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft de uitvoerder
bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie. Dit geldt ook met
betrekking tot de terugvordering en verrekening van hetgeen vóór die datum
onverschuldigd werd betaald.
Tweede lid
Is met betrekking tot een
oude misdraging of onverschuldigde betaling vóór de inwerkingtreding van
deze wet en dus met toepassing van het oude recht een besluit
genomen, dan blijft dat oude recht ook daarna ten aanzien van dat besluit van
toepassing en vormt dat dus ook het recht waaraan in bezwaar, beroep
en hoger beroep wordt getoetst.
Artikelen XVIII
[-] en XIX [XVIII]
Het betreft een afstemming
op reeds ingediende voorstellen van wet over de inwerkingtreding
waarvan thans onzekerheid bestaat.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten