|
BESLUIT van 14 oktober 2000,
houdende regels omtrent de hoogte van op te leggen administratieve
boeten op grond van enkele socialezekerheidswetten
alsmede het tijdstip van inwerkingtreding van enkele wettelijke
bepalingen (Boetebesluit socialezekerheidswetten)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de
Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
van 4 juli 2000, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/UB/00/42726;
Gelet op de artikelen 14a, zevende lid, van de
Algemene
bijstandswet, 17, zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, 20a,
zevende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 20a, zevende lid, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, 27a, zevende lid, van de Werkloosheidswet,
45a, zevende
lid, van de Ziektewet, 29a, zevende lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 48, zevende lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, 40, zevende lid, van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, 14a,
zevende lid, van de Toeslagenwet, 17c, zevende lid, van de
Algemene Ouderdomswet, 39, zevende lid, van de
Algemene nabestaandenwet, 17a,
zevende lid, van de Algemene Kinderbijslagwet
en 46, zevende lid,
van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
De Raad van State
gehoord (advies van 11 augustus 2000, nr. W12.00.0269/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 11 oktober 2000,
Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/UB/00/64581;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1. Begrippen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Anw: Algemene
nabestaandenwet;
b. AOW: Algemene
Ouderdomswet;
c. AKW: Algemene
Kinderbijslagwet;
d. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers;
e. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
f. IOW: Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen;
g. TW: Toeslagenwet;
h. WAO: Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
i. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
j. WW: Werkloosheidswet;
k. Wwb: Wet
werk en bijstand;
l. ZW: Ziektewet;
m. Wet Wajong: Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
n. Wet WIA: Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
o. Wet SUWI: Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
p. benadelingsbedrag: hetgeen
hieronder wordt verstaan in de artikelen, genoemd in onderdeel q;
q. bestuurlijke boete: de
bestuurlijke boete, bedoeld in de artikelen 27a
van de WW, 21, van
de IOW, 45a
van de ZW, 29a
van de WAO, 48 van
de WAZ, 2:69
en 3:40 van de Wet
Wajong, 14a van de TW,
17c van de AOW,
39 van de Anw, 17a
van de AKW, 3:16
eerste lid, onderdeel o, en 3:27,
eerste lid, onderdeel m, van de Wet arbeid en
zorg, 91 van de Wet
WIA, 20a van de Ioaw,
20a van de Ioaz
en 18a en 47g
van de Wwb;
r. inlichtingenverplichting: de verplichting, bedoeld in de
artikelen 25 van de WW,
12, eerste lid, van de IOW,
31, eerste lid, en 49
van de ZW, 80 van de
WAO, 70 van de WAZ,
2:7, eerste en zevende lid, en 3:74
van de Wet Wajong, 12
van de TW, 49 van de
AOW, 35 van de Anw,
15 van de AKW, 3:16,
eerste lid, onderdeel g, en 3:27,
eerste lid, onderdeel f, van de Wet arbeid en
zorg, 27 van de Wet
WIA, 13, eerste lid, van de Ioaw,
13, eerste lid, van de Ioaz,
17, eerste lid, van de Wwb
en 30c, tweede en derde lid, van de
Wet SUWI;
s. werkgever: de werkgever in de zin
van de ZW;
t. werkgeversboete ZW/WAO: de
bestuurlijke boete, bedoeld in de artikelen 38,
derde lid, 38a, achtste lid, en 63c
van de ZW en artikel 71a,
derde en vierde lid, van de WAO zoals dit
artikel luidde voor 1 april 2002.
Art. 2. Berekening van de
bestuurlijke boete
-1. De bestuurlijke
boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien
verstande dat zij op ten minste €|150,00 wordt vastgesteld. Bij
verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.
-2. De bestuurlijke boete wordt naar boven afgerond
op een veelvoud van €|10,00.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en niet volstaan
wordt met het geven van een
schriftelijke waarschuwing, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op €|150,00. Bij verminderde verwijtbaarheid
wordt de bestuurlijke boete verlaagd.
Art. 2a.
Criteria verminderde verwijtbaarheid
-1. Bij de bepaling van de hoogte van de
bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene
kan worden verweten, beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene
verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten
nakomen.
-2. Bij de beoordeling van de mate waarin
de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder
geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
a. de betrokkene verkeerde in
onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale
levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke
onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen,
maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe
te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
b. de betrokkene verkeerde in een
zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt
aan te rekenen; of
c. de betrokkene heeft wel
inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft
anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar
uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de
overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen
heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een
inlichtingenverplichting.
Art.
2b. Niet of niet behoorlijke melding door werkgever [BabwZ]
-1. De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 38,
eerste lid en tweede lid, eerste zin, 38a,
tweede, derde, vijfde en zesde lid, en 38b,
tweede en derde lid, van de ZW, zijn niet behoorlijk
nagekomen, indien:
a. de aangifte van de ongeschiktheid
tot werken of de hersteldmelding niet tijdig is gedaan; of
b. de datum van de eerste dag van
ongeschiktheid tot werken, van de laatste werkdag of
herstel onjuist is opgegeven.
-2.
De verplichting, bedoeld in artikel 63c
van de ZW, is niet nagekomen indien de
werkgever de melding dat hij zich met betrekking tot de begeleiding van
zijn zieke werknemers niet meer laat bijstaan door een persoon als bedoeld
in dat artikel niet
binnen zeven kalenderdagen heeft gedaan.
-3. De verplichting, bedoeld in artikel
38a, zevende lid, van de ZW, is niet
behoorlijk nagekomen indien de werkgever de melding niet binnen zeven
kalenderdagen heeft gedaan.
Art.
2c. Hoogte van de werkgeversboete bij niet of niet behoorlijke
melding [BabwZ]
-1. De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in de
artikelen 38, derde lid, 38a,
achtste lid, en 63c van de ZW,
bedraagt:
a. €|70,00
indien de aangifte van de ongeschiktheid tot werken, de aangifte van de laatste werkdag, de hersteldmelding
respectievelijk de melding zich niet meer te laten bijstaan door een
persoon als bedoeld in artikel 63c van de ZW
of de melding, bedoeld in artikel 38a,
zevende lid, van de ZW, minder dan zeven kalenderdagen te laat is gedaan;
b. €|230,00
indien de aangifte van de ongeschiktheid tot werken, de aangifte van de laatste werkdag, de hersteldmelding
respectievelijk de melding zich niet meer te laten bijstaan door een
persoon als bedoeld in artikel 63c van de ZW
of de melding, bedoeld in artikel 38a,
zevende lid, van de ZW, zeven kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te
laat is gedaan;
c. €|455,00
indien de aangifte van de ongeschiktheid tot werken, de aangifte van de laatste werkdag, de hersteldmelding
respectievelijk de melding zich niet meer te laten bijstaan door een
persoon als bedoeld in artikel 63c van de ZW
of de melding, bedoeld in artikel 38a,
zevende lid, van de ZW, 28 kalenderdagen of meer te laat is gedaan;
d. €|455,00
indien de aangifte van de ongeschiktheid tot werken, de datum van de laatste werkdag, de datum van herstel
respectievelijk de datum sedert wanneer de werkgever zich niet meer laat
bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 63c van de ZW
of de melding, bedoeld in artikel
38a, zevende lid, van de ZW, onjuist is opgegeven.
-2. De bestuurlijke boete wegens het niet nakomen van de
verplichtingen, bedoeld in de de artikelen 38,
eerste lid en tweede lid, eerste zin, 38a,
vijfde en zesde lid, en 63c van de ZW,
bedraagt €|455,00.
Art.
2d. Werkgeversboete bij het niet indienen van en het niet
meewerken aan het opstellen of uitvoeren van het reïntegratieplan
-1. Indien de werkgever de verplichtingen,
bedoeld in artikel 71a, eerste, tweede of derde lid, van de WAO,
zoals dat artikel luidde vóór 1 april 2002, niet of niet behoorlijk
nakomt ten aanzien van de werknemer of de in dat artikel bedoelde
verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid is gelegen vóór die datum, is artikel 4 van het Besluit
boete ZW/WAO werkgevers 2002, zoals dat luidde vóór inwerkingtreding
van dit besluit, van toepassing.
-2. Indien de werkgever de verplichting,
bedoeld in artikel 71a, vierde lid, van de WAO,
zoals dat artikel luidde vóór 1 april 2002, niet nakomt ten aanzien van
de werknemer of de in dat artikel bedoelde verzekerde wiens eerste dag van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen vóór die datum,
is artikel 5 van het Besluit boete ZW/WAO
werkgevers 2002, zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van dit
besluit, van toepassing.
Art. 3.
Vervallen.
Art. 4. Intrekking van een
besluit en vervallen van artikelen
-1. Het Besluit tarieven
administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz wordt ingetrokken.
-2. De artikelen 7 tot en met 10 van
het Uitvoeringsbesluit Wik vervallen.
Art. 5. Overgangsrecht
-1. Het Besluit tarieven
administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz, het Boetebesluit Tica, het Boetebesluit AOW, het
Boetebesluit Anw en het Boetebesluit AKW, zoals die luidden op de dag
voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van
toepassing op de niet- of niet behoorlijke nakoming van de
inlichtingenverplichting die voorafgaat aan de dag van inwerkingtreding van dit
besluit.
-2. Indien voor de niet- of niet
behoorlijke nakoming van de inlichtingenverplichting die voorafgaat aan de dag van
inwerkingtreding van dit besluit, op grond van dit besluit een lagere
bestuurlijke boete zou moeten worden
opgelegd dan op grond van het Besluit
tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz, de artikelen 7 tot
en met 10 van het Uitvoeringsbesluit Wik, het Boetebesluit
Tica, het
Boetebesluit AOW, het Boetebesluit Anw of het Boetebesluit AKW, wordt, in
afwijking van het eerste lid, dit besluit toegepast.
-3.
Het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat luidde vóór 1 juli
2007, blijft van toepassing op de niet of niet behoorlijke nakoming van
de inlichtingenverplichting die voorafgaat aan die datum, tenzij de
beschikking waarbij de boete wordt opgelegd, wordt genomen op of na die
datum en sindsdien een gunstiger boete geldt.
Art.
6. Overgangsbepaling in verband met het intrekken van de Wet Rea
Artikel 1, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan
de dag waarop op grond van artikel 2.10
van de Wet invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen de Wet Rea
werd ingetrokken, blijft van toepassing op bestuurlijke boeten, verplichtingen,
subsidies en voorzieningen die tot de dag dat de Wet Rea werd
ingetrokken onderscheidenlijk zijn opgelegd, golden of zijn toegekend.
Art.
6a. Overgangsbepaling met betrekking tot wijziging van de
Ziektewet
De artikelen 2a en 2b
zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
VIII, onderdeel L en M, van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging sociale zekerheidswetgeving blijven
van toepassing indien artikel 86d van
de ZW van toepassing is.
Art.
6b. Grondslag
Dit besluit is mede gebaseerd op de artikelen 20a,
negende lid, van de Ioaw, 20a,
negende lid, van de Ioaz en 18a,
negende lid, en 47g, negende lid, van
de Wwb.
Art. 7. Inwerkingtreding van dit
besluit.
Dit besluit treedt in werking met
ingang van 1 februari 2001.
Art. 8. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als:
Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 14 oktober 2000
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de eenendertigste
oktober 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[14 oktober 2000]
Algemeen
Het onderhavige besluit bevat nadere
regels met betrekking tot de hoogte van de op te leggen
administratieve boeten in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw), de
Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (Wik), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), de Werkloosheidswet (WW), de
Ziektewet
(ZW), de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), de Toeslagenwet (TW), de
Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet
(Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Het gaat om op
te leggen boeten naar aanleiding van een schending van de in de
genoemde wetten voor de belanghebbende geldende verplichting tot het verstrekken van inlichtingen aan het
betrokken uitvoeringsorgaan.
Met het onderhavige besluit wordt
uitvoering gegeven aan de artikelen 9, onderdeel
Q, 11, onderdeel T, 13,
onderdeel N, 18, onderdeel F, 21, onderdeel
C, 22, onderdeel B en 23,
onderdeel C, van de
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
en de artikelen XXII, onderdeel
L en XXIV, onderdeel Z, van de
Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen en
artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Invoeringswet van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten [volgens de redactie bestaat
laatstgenoemde invoeringswet niet]. In de genoemde artikelen is de aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (het Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] respectievelijk de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) toegekende bevoegdheid tot het stellen
van nadere regels met betrekking tot op te leggen administratieve boeten vervangen door een bevoegdheid tot het stellen van nadere regels bij
algemene maatregel van bestuur. In beide wetten is geregeld dat de
artikelen in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld. Met het onderhavige besluit wordt tevens het
tijdstip van de inwerkingtreding van de hierboven genoemde artikelen
bepaald.
Daarnaast wordt in het besluit
geregeld dat het Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en
Ioaz wordt ingetrokken en dat de artikelen 7 tot en met 10 van het Uitvoeringsbesluit
Wik vervallen.
Tevens zijn met het onderhavige
besluit de ingetrokken nadere regels inhoudelijk herzien. De ingetrokken
nadere regels waren neergelegd in verschillende boetebesluiten. Op het
gebied van de bijstandsregelingen golden het Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz en
de artikelen 7 tot en met 10 van het Uitvoeringsbesluit
Wik. Op het gebied van de werknemersverzekeringen gold
het Boetebesluit Tica (Lisv). Op het gebied van de volksverzekeringen
golden het Boetebesluit Anw, het Boetebesluit AOW en het Boetebesluit
AKW van de SVB.
Aanleiding voor en uitgangspunten
bij het besluit
Naar aanleiding van de tot nu toe
verschenen rapporten ten
behoeve van de evaluatie van de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid en signalen uit de
Tweede Kamer en de samenleving, is geconcludeerd dat er een aantal
knelpunten in de sfeer van de uitvoering bestaat dat tussentijds, vooruitlopend
op de afronding van de evaluatie, opgelost kan en behoeft te worden (de
Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief d.d. 2
september 1999 van Onze Minister en de
Staatssecretaris; Kamerstukken II
1998-1999, 26
200 XV nr. 88). Het gaat om de volgende knelpunten: in gelijke
gevallen leggen de uitvoeringsorganen vaak zeer verschillende sancties op,
in veel gevallen is er disproportionaliteit tussen de ernst van de overtreding en
de zwaarte van de sanctie,
en in een aantal opzichten is het
boetebeleid in de administratiefrechtelijke sfeer strenger dan het boetebeleid in
de strafrechtelijke sfeer ten aanzien van overtredingen van de inlichtingenverplichting in verband met
uitkeringen. Het laatstgenoemde
knelpunt is inmiddels niet meer actueel, in de zin dat er ten aanzien van die
overtredingen sinds 1 april 2000 geen sprake meer is van een strafrechtelijk
boetebeleid, omdat op die datum nieuw beleid van het openbaar ministerie voor de afhandeling van frauduleuze overtredingen van de inlichtingenverplichting in werking is
getreden. Het nieuwe beleid houdt in
dat de uitvoeringsorganen geen aangifte meer hoeven te doen van de
frauduleuze overtredingen met een benadelingsbedrag onder ƒ12 000,-
(voorheen was deze zogenaamde aangiftedrempel ƒ6000,-) en
dergelijke overtredingen zelfstandig met een administratiefrechtelijke boete mogen
afdoen. Dit betekent dat het openbaar ministerie alleen nog
frauduleuze overtredingen met een benadelingsbedrag boven ƒ12 000,-
zal afhandelen. Ten aanzien hiervan is het beleid dat geen boete wordt
opgelegd, maar bij de strafrechter een gevangenis- of taakstraf wordt
gevorderd.
De hiervoor genoemde knelpunten vinden
hun voedingsbodem
merendeels in de ingetrokken
boetebesluiten respectievelijk de maatregelbesluiten op grond van de betrokken
socialezekerheidswetten. Ten eerste verschilden respectievelijk verschillen die besluiten inhoudelijk van elkaar.
Ten tweede konden respectievelijk
kunnen de in de besluiten van het Tica (Lisv) en de
SVB gekozen uitwerkingen
tot disproportionele sancties leiden. En ten derde was de hoogte van
administratieve boeten ten tijde van de totstandkoming van de
ingetrokken boetebesluiten niet in alle opzichten afgestemd op het boetebeleid
in de strafrechtelijke sfeer ten aanzien van overtredingen van de
inlichtingenverplichting in verband met uitkeringen.
Om die reden is dit besluit gericht op
de volgende doelen: het realiseren van de met de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid beoogde uniformiteit, een
betere uitwerking geven aan het beginsel van proportionaliteit en wat betreft de hoogte van boeten een
goede afstemming op het boetebeleid in
de strafrechtelijke sfeer ten aanzien van overtredingen van de
inlichtingenverplichting in verband met uitkeringen. Gegeven het feit dat er
sinds 1 april 2000 geen sprake meer is van een strafrechtelijk boetebeleid
als bedoeld, is afgegaan op het tot 1 april 2000 gevoerde boetebeleid.
De
Tweede Kamer deelt deze
uitgangspunten (Kamerstukken II 1999-2000, 26 800 XV, nr. 19).
Uniformiteit
Bij de herziening van de
boetebesluiten is ervoor gekozen per wet identieke nadere regels te geven, om
welke reden volstaan kan worden met één, de onderhavige, algemene
maatregel van bestuur. Hiermee is de gewenste uniformiteit gestalte
gegeven.
Proportionaliteit
Wat betreft het uitwerken van het
beginsel van proportionaliteit is gekozen voor aansluiting bij de wijze
van uitwerking in het ingetrokken Besluit tarieven administratieve
boeten Abw, Ioaw en Ioaz. Overeenkomstig die wijze wordt de ernst van de
overtreding in beginsel afgemeten aan de hoogte van het
benadelingsbedrag,
namelijk door de hoogte van de boete in beginsel te stellen op een
bepaald percentage van het benadelingsbedrag. Een dergelijke algemene maatstaf kan
echter tot resultaten leiden die bij beoordeling op
individueel niveau onbevredigend zijn.
Te denken valt bijvoorbeeld aan een
bijstandsgerechtigde man die, hoewel zijn echtgenote elders is gaan
wonen en een zelfstandige bijstandsuitkering heeft aangevraagd,
bij herhaling meldt dat hij weer een gezamenlijke huishouding met haar
voert. Bij controle blijkt uit zijn uitlatingen dat hij als oogmerk had
haar financieel te benadelen (te voorkomen dat zij een zelfstandige uitkering zou krijgen). De verstrekking
van de onjuiste informatie heeft niet
geleid tot een benadelingsbedrag (aan de man is niet een bedrag ten
onrechte als uitkering verleend als gevolg van zijn overtreding van de
inlichtingenverplichting). Zou alleen de algemene maatstaf voor de ernst van de
overtreding toegepast worden, dan zou hem slechts de minimumboete
van ƒ100,- kunnen worden opgelegd. Het spreekt voor zich dat
dit in dit geval een onbevredigend resultaat zou zijn en dat het in dit individuele geval aanwezige oogmerk
van benadeling van een andere uitkeringsgerechtigde mede maatgevend moet kunnen zijn bij het vaststellen
van de ernst van de overtreding.
Feiten en omstandigheden op
individueel niveau moeten mede maatgevend kunnen zijn bij het vaststellen van de
ernst van de overtreding. In het onderhavige besluit is hiervoor
geen regeling getroffen, omdat de wetgever daarin zelf reeds voorzien
heeft middels de wettelijke opdracht om de hoogte van de boete per individueel geval af te stemmen op (onder
andere) de ernst van de gedraging.
Daarnaast moet ingevolge de zelfde
wettelijke opdracht de hoogte van de boete ook per individueel geval afgestemd worden op de mate van
verwijtbaarheid of de omstandigheden
waarin het betrokken individu verkeert. Het besluit is met de
wettelijke opdracht in overeenstemming gebracht middels de bepaling dat
indien de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid of de
omstandigheden waarin de betrokkene verkeert daartoe aanleiding geven, de
berekende boete wordt verhoogd of verlaagd.
Evenals dat ten aanzien van de
Abw, de Ioaw en de
Ioaz in het Besluit tarieven administratieve boeten Abw,
Ioaw en Ioaz het geval was, is in het onderhavige besluit niet gekozen voor
(nadere) uitwerking van de drie maatstaven voor afstemming op de maat
van het individuele geval. Aangezien het om het wegen en afwegen
van individugebonden feiten en belangen gaat, vraagt nadere
uitwerking het geven van zeer gedetailleerde en praktische regels, opdat in elk
individueel geval een optimaal adequate beoordeling en besluitvorming
kan plaatsvinden. Een AMvB is hiervoor niet het aangewezen
instrument. Voor de ontwikkeling van praktische regels zoals hierboven
bedoeld, kunnen de uitvoeringsorganen, zijnde ter zake tevens het meest deskundig en geëquipeerd, beleidsregels
opstellen. Het behoeft geen betoog dat
de verschillende uitvoeringsorganen hierbij, met het oog op de
rechtszekerheid, uniformiteit en bestendigheid dienen na te streven.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat
volgens de betrokken wetten op elke overtreding van de
inlichtingenverplichting in principe een boete moet volgen, hetgeen inhoudt dat een
in de beleidsregels opgenomen grond voor verlaging van de boete niet
mag leiden tot oplegging van geen boete of tot afzien van oplegging
van een boete.
Alleen in de volgende situaties zijn volgens de betrokken wetten de
uitvoeringsorganen bevoegd of verplicht af te zien van het opleggen van een boete. Indien de
schending van de
inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, mag
volstaan worden met het geven van een schriftelijke waarschuwing in
plaats van oplegging van een boete, echter alleen indien in de voorgaande
twee jaar niet reeds een zodanige waarschuwing is gegeven. Voor de
situatie dat niet voldaan is aan de laatstgenoemde voorwaarde en de discretionaire bevoegdheid derhalve
niet aan de orde is, is ervoor gekozen
de in beginsel op te leggen boete op ƒ100,- te stellen. Daarnaast dienen
de uitvoeringsorganen op grond van de wet zelve af te zien van het
opleggen van een boete indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Ten slotte kan van een boete worden afgezien indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn. Zoals tijdens de behandeling van het wetsvoorstel
inzake de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
naar voren is gebracht, is deze mogelijkheid alleen in de wet
opgenomen omdat uitzonderingen op de algemene regel mogelijk moeten zijn
indien in een individueel geval blijkt dat door een boeteoplegging voor de
betrokkene onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Niet
alleen financiële redenen maar ook immateriële redenen kunnen een rol
spelen. Een nadere duiding van het begrip dringende reden is niet
doenlijk, de bepaling is juist opgenomen voor niet precies te voorziene
gevallen (Kamerstukken II 1995-1996, 23 909, nr. 14, blz. 14). Uiteraard moet in de motivering van de
beschikking, waarbij wordt afgezien van oplegging van een boete
wegens de aanwezigheid van dringende redenen, tot uitdrukking
worden gebracht welke onaanvaardbare consequenties voor de betrokkene
zouden optreden als de boete zou worden opgelegd.
Afstemming op strafrechtelijk
boetebeleid
Ten behoeve van de gewenste betere
afstemming van de hoogte van boeten op het boetebeleid in de
strafrechtelijke sfeer is ervoor gekozen, na overleg met het openbaar ministerie, het te hanteren percentage te stellen op 10%. Zoals hiervoor
aangegeven, is hierbij afgegaan op het tot 1 april 2000 gevoerde strafrechtelijke
boetebeleid ten aanzien van de overtredingen van de
inlichtingenverplichting in verband met uitkeringen, met een benadelingsbedrag onder de
ƒ12 000,-. In het ingetrokken Besluit tarieven administratieve boeten Abw,
Ioaw en Ioaz bedroeg het percentage 15%.
Eveneens ten behoeve van de gewenste
betere afstemming van de hoogte van boeten op het
strafrechtelijke boetebeleid is ervoor gekozen, wederom na overleg met het
openbaar ministerie, geen verhoogde boete op recidive te stellen, ook weer
overeenkomstig het genoemde tot 1 april 2000 door het openbaar ministerie
gevoerde boetebeleid bij benadelingsbedragen onder de ƒ12 000,-.
Voor de goede orde
wordt opgemerkt dat
het feit dat in het besluit geen automatische verhoogde boete op
recidive wordt gesteld niet betekent dat de uitvoeringsorganen geen verhoogde
boete zouden kunnen opleggen in geval van recidive. Recidive kan van invloed zijn op de bepaling van de
ernst van de gedraging of de mate van
verwijtbaarheid en daarom, gelet op artikel 3 van het besluit, reden
zijn voor verhoging van de boete. Wanneer het om recidive of
herhaaldelijk recidive gaat binnen een bepaald tijdsbestek, kan dit aanleiding
zijn om de boete te verhogen. De uitvoeringsorganen kunnen dergelijke
gronden voor een verhoogde boete opnemen in hun beleidsregels als
nadere uitwerking van de drie maatstaven voor de afstemming van de hoogte van de boete op de feiten
en omstandigheden op individueel
niveau.
Afstemming op financiële
draagkracht
In verband met de door de Tweede Kamer
geuite wens dat gezocht wordt naar mogelijkheden om de hoogte
van de boete af te stemmen op de financiële draagkracht van de
betrokkene, wordt opgemerkt dat de wettelijke opdracht aan de uitvoeringsorganen om de hoogte van de
boete af te stemmen op (onder andere)
de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, tevens omvat dat
ook afgestemd moet worden op de financiële omstandigheden waarin de
betrokkene verkeert, indien daarvoor aanleiding is.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Onderdeel o
Anders dan eerder in het
Besluit
tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz het geval was, is in
het voorliggende besluit de definitie van "boete" opgenomen. Het gaat
hier steeds om de boete die wordt opgelegd naar aanleiding van het niet
naleven van de inlichtingenverplichting, bedoeld in onderdeel p van dit
artikel.
Onderdeel p
Hier wordt, afgezien van de specifieke
inlichtingenverplichting, genoemd in artikel 31 van de Ziektewet,
gedoeld op de in de te onderscheiden wetten opgenomen verplichting van
de belanghebbende op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling
te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering, het geldend maken van dat recht, de hoogte of de duur van de
uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.
Onderdeel q
Het benadelingsbedrag is het bedrag
dat ten onrechte als uitkering is verleend. De afgedragen of af te
dragen loonheffing en premie zijn in het benadelingsbedrag begrepen.
Na
de terugbetaling door belanghebbende van het benadelingsbedrag kan deze
terugbetaling voor loon- en inkomstenbelasting worden aangemerkt als
"negatief loon uit vroegere dienstbetrekking", waarmee in het jaar van
terugbetaling bij de belastingheffing rekening gehouden kan worden.
Artikel 2
Artikel 2 sluit aan bij
artikel 3 van
het (ingetrokken) Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en
Ioaz. Het eerste lid bepaalt de boete op 10% van het
benadelingsbedrag. Is
deze 10% lager dan ƒ100,-, dan wordt de boete op ƒ100,- gesteld. Het tweede lid voorziet in een
afrondingsmethodiek. Hierbij wordt
opgemerkt dat met toepassing van artikel 3 de minimumboete van ƒ100,- kan worden verlaagd indien de ernst van de gedraging, de mate van
verwijtbaarheid of de omstandigheden van de overtreder daartoe aanleiding
geven.
Indien de overtreding niet geleid
heeft tot een benadelingsbedrag, kan het uitvoeringsorgaan op grond van de
betrokken wetten
afzien van een boete en volstaan met een schriftelijke waarschuwing, onder voorwaarde
dat in de voorgaande twee jaar niet
reeds een dergelijke waarschuwing aan de betrokkene is gegeven. Het
derde lid vindt toepassing indien niet wordt volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing en bepaalt dat dan in beginsel een boete van
ƒ100,- wordt opgelegd. Ook deze boete kan worden verhoogd of verlaagd
met toepassing van artikel 3.
Artikel 3
Met dit artikel wordt het besluit in
overeenstemming gebracht met de wettelijke opdracht aan de
uitvoeringsorganen om de boete, die is berekend met toepassing van artikel
2,
nader af te stemmen op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Overigens wordt van het
opleggen van
een boete in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. De formulering van de drie genoemde maatstaven is nagenoeg
gelijkluidend aan de formulering van de maatstaven in de artikelen 14a,
tweede lid, van de Abw, 17, tweede lid, van de Wik,
20a, tweede lid, van
de Ioaw, 20a, tweede lid, van de Ioaz,
27a, tweede lid, van de WW, 45a,
tweede lid, van de ZW, 29a, tweede lid, van de
WAO, 14a, tweede
lid, van de TW, 17c, tweede lid, van de AOW,
39, tweede lid, van de
Anw, 17a, tweede lid, van de AKW,
48, tweede lid, van de
WAZ, 40, tweede
lid, van de Wajong en 46, tweede lid, van de
Wet Rea.
De ernst van de gedraging, de mate
waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden of de
omstandigheden waarin hij verkeert, zoals de financiële omstandigheden, kunnen aanleiding geven
tot een verhoging of verlaging van de
boete. Uiteraard moet in de motivering van de beschikking, waarbij
de boete wordt opgelegd, tot uitdrukking worden gebracht op welke
wijze tot de vaststelling van het boetebedrag is gekomen.
Naast de verplichting om af te stemmen
op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
verkeert, hebben gemeenten, het Lisv
en de
SVB de bevoegdheid om bij dringende
redenen van het opleggen van een boete af te zien. Deze bevoegdheid
wordt gegeven door de artikelen 14a, vierde lid, van de
Abw, 17,
vierde lid, van de Wik, 20a, vierde lid, van de Ioaw,
20a, vierde lid, van de Ioaz, 27a, vierde lid, van de
WW, 45a, vierde lid, van de ZW,
29a, vierde
lid, van de WAO, 14a, vierde lid, van de
TW, 17c, vierde lid, van de AOW,
39,
vierde lid, van de Anw, 17a, vierde lid, van de
AKW, 48, vierde lid, van
de WAZ , 40, vierde lid, van de Wajong en
46, vierde lid van de
Wet Rea.
Deze wettelijke bepalingen worden niet door dit besluit ingeperkt.
Daarnaast hebben de uitvoeringsorganen de bevoegdheid om, indien de
overtreding niet geleid heeft tot een benadelingsbedrag, af te zien van een
boete en te volstaan met een schriftelijke waarschuwing, onder
voorwaarde dat in de voorgaande twee jaar niet reeds een dergelijke
waarschuwing aan de betrokkene is gegeven. Deze bevoegdheid wordt gegeven door de artikelen
14a, derde
lid, van de Abw, 17, derde lid, van de Wik,
20a, derde lid, van de
Ioaw, 20a, derde lid, van de Ioaz,
27a,
derde lid, van de WW, 45a, derde lid, van de
ZW, 29a, derde lid, van de WAO,
14a, derde lid, van de TW, 17c, derde lid, van de
AOW, 39, derde lid, van de Anw,
17a, derde lid, van de AKW, 48, derde lid, van de
WAZ, 40, derde
lid, van de Wajong en 46, derde lid, van de Wet
Rea.
Artikel 4
De normering van boeten op grond van
de Abw, de Ioaw en de
Ioaz zoals eerder vastgelegd in het Besluit
tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz, is (in enigszins gewijzigde vorm) overgeheveld naar dit
besluit. Het Besluit tarieven
administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz kan daarom worden ingetrokken. Ook de
artikelen 7 tot en met 10 van het Uitvoeringsbesluit
Wik worden om die
reden ingetrokken.
Wellicht ten overvloede wordt
opgemerkt dat het Boetebesluit Tica, het Boetebesluit AOW, het Boetebesluit AKW
en het Boetebesluit Anw, omdat de rechtsgronden daarvoor niet langer
aanwezig zijn, van rechtswege zijn vervallen.
Artikel 5
Dit besluit heeft eerbiedigende
werking, dat wil zeggen dat ten aanzien van de niet- of niet behoorlijke
nakoming van de inlichtingenverplichting, gepleegd vóór de inwerkingtreding van
dit besluit, het Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en
Ioaz, de
artikelen 7 tot en met 10 van het Uitvoeringsbesluit
Wik, het
Boetebesluit Tica, het Boetebesluit AOW, het Boetebesluit Anw of het
Boetebesluit AKW blijft gelden.
Wanneer voor de niet- of niet
behoorlijke nakoming, gepleegd vóór inwerkingtreding van dit besluit,
ingevolge dit besluit een lagere boete zou moeten worden opgelegd dan
ingevolge het Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en
Ioaz, de
artikelen 7 tot en met 10 van het Uitvoeringsbesluit
Wik, het Boetebesluit Tica, het Boetebesluit AOW,
het Boetebesluit Anw of het
Boetebesluit AKW, is dit besluit van toepassing. Deze eis vloeit mede voort
uit internationale verdragen.
Artikelen 6 en
7
Gelijktijdig met de inwerkingtreding
van dit besluit treden de artikelen 9, onderdeel
Q, 11, onderdeel T, 13,
onderdeel N, 18, onderdeel F, 21, onderdeel
C, 22, onderdeel B, en 23,
onderdeel C, van de
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
en de artikelen XXII, onderdeel L, en XXIV, onderdeel
Z, van de
Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen in
werking en artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Invoeringswet van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten [volgens de redactie
bestaat laatstgenoemde invoeringswet niet].
In deze artikelen wordt de bevoegdheid
tot het stellen van nadere regels door het Lisv, respectievelijk de
SVB,
vervangen door een bevoegdheid tot het stellen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur.
Ter voorkoming van misverstanden wordt
erop gewezen dat de in de
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
en de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
opgenomen bepalingen nog verwijzen
naar de WW, de ZW, de WAO, de
TW, de AOW, de Anw, de
AKW, de WAZ en
de Wajong, zoals die wetten luidden op het moment dat de
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de
Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen tot
wet werden verheven. Na de totstandkoming van de Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen
1997 en de Aanpassingswet nieuwe en
gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn de verschillende artikelleden in
de onderliggende socialezekerheidswetten echter
vernummerd. Het gaat bij de inwerkingtreding van de genoemde
artikelen van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 en de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen en artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Invoeringswet van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten dan ook om de verschillende
artikelleden van de WW, de ZW, de WAO, de TW, de AOW, de Anw, de AKW, de
WAZ, de Wajong en de Wet Rea zoals deze na hun totstandkoming
zijn vernummerd bij de Veegwet SZW 1998. Daarmee wordt, zoals beoogd,
de delegatie aan het Lisv, respectievelijk de SVB, vervangen door
delegatie aan de Kroon.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|