|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere regelgeving:
- Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit afrekening autokostenvergoedingen voor niet-woon-werkverkeer
(vervallen)
- Besluit bedrijfsspaarregelingen (vervallen)
- Besluit meldingsregeling Coördinatiewet Sociale Verzekering
(vervallen)
- Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale
Verzekering 2002 (vervallen)
- Besluit
vaststelling afwijkende franchisebedragen voor de premieheffing AWf ten
aanzien van vakantiebongerechtigden (vervallen)
- Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering
(vervallen)
- Fooienbesluit 2002 (vervallen)
- Loonadministratiebesluit (vervallen)
- Loonbesluit overheidswerknemers (vervallen)
- Nadere regels berekening premieloon bij samenloop
(vervallen)
- Nadere
regels maximumdagloon en franchises WW
(vervallen)
- Regeling beoordeling vergoeding werknemers tot bestrijding
extraterritoriale kosten ter behoorlijke vervulling dienstbetrekking
(vervallen)
- Regeling
gemoedsbezwaarden socialeverzekeringswetten
(vervallen)
- Regeling
herziening waardering producten uit eigen bedrijf
- Regeling
loondagen (vervallen)
- Regeling
onkostenvergoeding artiest en beroepssporter
(vervallen)
- Regeling onkostenvergoeding vrijwilligerswerk
(vervallen)
- Regeling
uitzondering eindheffingsbestanddelen loonbelasting voor de
premieheffing werknemersverzekeringen 2001 (vervallen)
- Regeling vaststelling geldswaarde aanspraak op uitkeringen
(vervallen)
- Regeling vaststelling premiepercentages
werknemersverzekeringen en volksverzekeringen 2002 (vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2003 (vervallen)
- Regeling vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2004 (vervallen)
- Regeling vaststelling
premiepercentages werknemersverzekeringen en volksverzekeringen 2005
(vervallen)
- Regeling vergoedingen en
verstrekkingen zakelijk vervoer 2004 (vervallen)
- Regeling
vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en
verstrekkingen 2002 (vervallen)
- Regeling vergoeding kosten kinderopvang 2002
(vervallen)
- Regeling vergoeding kosten woon-werkverkeer 2002
(vervallen)
- Regeling
waardering loon in natura 2000
(vervallen)
- SZW-intrekkingsregeling
2004
- Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid
(vervallen)
- Uitvoeringsregeling
inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 (vervallen
voor de CSV)
- Uitvoeringsregeling ketenaansprakelijkheid premie
werknemersverzekeringen (vervallen)
- Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en
winstdelingsregelingen (vervallen
voor de CSV)
Relevante
overige regelgeving:
- Invoeringswet Wet financiering sociale
verzekeringen
- Wet administratieve
lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
- Wet
financiering sociale verzekeringen
Inhoudsopgave
CSV
| xx§
1 |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 3c |
| xx§
2 |
Van het loon |
artt.
4 - 9a |
| xx§
3 |
Van
de administratie |
art.
10 |
| xx§
4 |
Van de
vaststelling en invordering van de premie |
artt.
11 - 16d |
| xx§
4a |
Van het verhaal |
artt.
16f - 16h |
| xx§
5 |
Van de
vrijstelling wegens gemoedsbezwaren |
artt.
17 |
| xx§
6 |
Strafbepaling |
art.
17a |
| xx§
7 |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in
cassatie |
artt.
18 - 18c |
| xx§
8 |
Slotbepalingen |
artt.
18d - 20 |
| xxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Bijlage Handelingen II 1952-1953, 1953-1954, 3034.
Handelingen II 1953-1954, blz. 3003-3027, 112-159, 162-191, 194-235,
238-359, 3045-3046, 3062.
Bijlage Handelingen I 1953-1954, 3034.
Handelingen I 1953-1954, blz. ....-....
Geschiedenis:
Staatsblad 1995, 32;
Staatscourant 1995, 189; Staatscourant
1995, 250; Staatsblad 1995, 635;
Staatscourant 1995, 250; Staatsblad
1995, 686; Staatsblad 1996,
134; Staatscourant 1996, 90;
Staatscourant 1996, 206; Staatscourant 1996,
209; Staatsblad 1996, 655;
Staatscourant 1996, 248; Staatsblad 1997,
96; Staatsblad 1997, 178;
Staatscourant 1997, 109; Staatscourant
1997, 194; Staatscourant 1997,
208; Staatsblad 1997, 660;
Staatsblad 1997, 732; Staatsblad 1997,
735; Staatsblad 1997, 737;
Staatscourant 1997, 246; Staatsblad 1997,
768; Staatsblad 1997, 789;
Staatsblad 1997, 794; Staatsblad 1998,
306; Staatscourant 1998, 96;
Staatsblad 1998, 411; Staatsblad 1998,
370; Staatscourant 1998, 196;
Staatscourant 1998, 207; Staatscourant 1998,
244; Staatsblad 1998, 725;
Staatsblad 1998, 742; Staatsblad 1999,
30; Staatscourant 1999, 84;
Staatsblad 1999, 211; Staatscourant 1999,
198; Staatscourant 1999, 229;
Staatsblad 1999, 550; Staatsblad 1999,
564; Staatscourant 1999, 251;
Staatsblad 1999, 579; Staatsblad 2000,
216; Staatscourant 2000, 98;
Staatscourant 2000, 193; Staatscourant 2000,
203; Staatsblad 2000, 551;
Staatsblad 2000, 568; Staatsblad 2000,
571; Staatsblad 2000, 627;
Staatscourant 2001, 102; Staatsblad 2001,
481; Staatscourant 2001, 192;
Staatscourant 2001, 202; Staatsblad 2001,
568; Staatsblad 2001, 625;
Staatsblad 2001, 642; Staatsblad 2001,
695; Staatscourant 2001, 250;
Staatscourant 2002, 97; Staatsblad 2002,
330; Staatscourant 2002, 198;
Staatscourant 2002, 201; Staatsblad 2002,
615; Staatsblad 2002, 616;
Staatscourant 2002, 248; Staatscourant
2003, 96; Staatsblad 2003, 305;
Staatscourant 2003, 203; Staatsblad 2003,
527; Staatsblad 2003, 544;
Staatsblad 2003, 555; Staatsblad
2003, 559; Staatscourant 2003, 250;
Staatsblad 2004, 311; Staatsblad
2004, 455; Staatscourant 2004,
209; Staatscourant 2004,
242; Staatsblad 2004, 653;
Staatsblad 2004, 654; Staatsblad
2005, 37; Staatsblad 2004, 720;
Staatsblad 2005, 708.
WET van 24 december 1953,
Stb. 1953, 577, houdende coördinatie van bepalingen van
socialeverzekeringswetten met die van de loonbelasting (Coördinatiewet
Sociale Verzekering). Laatste tekstplaatsing: Stb. 1987, 552.
Inwerkingtreding: 1 januari 1954 (Stb. 1953, 593).
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is enige bepalingen van socialeverzekeringswetten te
coördineren met overeenkomstige bepalingen van de loonbelasting;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
§ 1.
Algemene
bepalingen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 660; Stb. 1997, 789;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 37]
-1. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
-2.
Vervallen.
-3. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot:
geregistreerde partner;
b. echtgenoten:
geregistreerde partners.
-4. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met
een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert,
tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene
die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij
gehuwd is.
-5. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-6. Een gezamenlijke huishouding wordt
in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest
of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren
of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vijfde
lid.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel
d. [Bargh98]
-8. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het
vijfde lid.
Art.
2.
[Begrip werknemer] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2005, 37]
Deze wet verstaat onder werknemer:
a. voor de toepassing van de Ziektewet: de werknemer in de zin van
die wet;
b. voor de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(Stb. 1987, 89): de werknemer in de
zin van die wet;
c. voor de toepassing van de
Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93): de werknemer in de zin van die
wet;
d. voor de toepassing van de Ziekenfondswet: de verzekerde, bedoeld in
hoofdstuk II van
die wet, voor zover
te zijnen aanzien geen afwijkende bepalingen gelden op grond van het zesde lid van
artikel 15 of artikel 18 van die wet.
Art.
3.
[Begrip werkgever] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2005, 37]
Deze wet verstaat onder werkgever:
a. voor de toepassing van de Ziektewet: de werkgever in de zin van
die wet;
b. voor de toepassing van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering:
de werkgever in de zin van die wet;
c. voor de toepassing
van de Werkloosheidswet: de werkgever in de zin van
die wet;
d. voor de toepassing
van de Ziekenfondswet: de werkgever in de zin van het derde lid van
artikel 5 van die wet voor zover het betreft verzekerden te wier aanzien geen
afwijkende bepalingen gelden op grond van het zesde lid van artikel 15 of
artikel 18 van die wet.
Art. 3a.
[Begrip dienstbetrekking] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 555;
Stb. 2005, 37]
-1. Deze wet verstaat
onder dienstbetrekking de dienstbetrekking en de arbeidsverhouding die als zodanig
wordt
beschouwd ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Werkloosheidswet en
die als zodanig geldt ingevolge de Ziekenfondswet.
-2. De werknemer die
een uitkering ontvangt op grond van de verplichte verzekering krachtens de
Ziektewet, de verplichte verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de verplichte
verzekering dan wel hoofdstuk IV
van de Werkloosheidswet, al dan niet vermeerderd met een toeslag op
grond van de Toeslagenwet, wordt tijdens de duur van die
uitkering geacht in dienstbetrekking te staan tot het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
De werknemer die geen ziekengeld ontvangt op grond van artikel
29,
eerste lid, van de Ziektewet, maar wel toeslag op grond van de
Toeslagenwet, wordt voor de toepassing van de eerste
zin geacht een
uitkering te ontvangen op grond van de verplichte verzekering krachtens
de Ziektewet.
-3. De werknemer of
gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Wet arbeid en
zorg,
aan wie uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van die wet, wordt tijdens de duur van die uitkering geacht
in dienstbetrekking te staan tot het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art. 3b.
[Begrip lichamen] [Geschiedenis:
Stb. 2005, 37]
Deze wet verstaat
onder lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen
zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
doelvermogens.
Art. 3c.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; Stb.
1999, 564; Stb. 2000, 627
+ bis; Stb.
2001, 695; Stb.
2004, 720]
§ 2.
Van het loon
Art. 4.
[Begrip loon] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2000, 551; Stb.
2004, 311; Stb. 2004, 654;
Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 708]
-1.
Loon is:
a. het loon overeenkomstig hoofdstuk II van de
Wet op de
loonbelasting 1964 waarbij van dat hoofdstuk buiten toepassing blijven:
1º. artikel 11, eerste lid, onderdeel j,
onder 2º en 5º, en r, onder 4º;
2º. artikel 11, eerste lid, onderdeel j,
onder 4º, voor zover het bedragen betreft die worden ingehouden op
grond van de Werkloosheidswet;
b. voor de artiest en beroepssporter, bedoeld in artikel 5a
van de Wet
op de loonbelasting 1964, de gage overeenkomstig artikel 35
van die wet
waarbij het derde lid,
onderdeel g, van dat artikel buiten toepassing blijft voor zover
het bedragen betreft die worden ingehouden op grond van de
Werkloosheidswet.
-2. Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de
Wet op de
loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van:
1º. de uitkeringen en toeslag, genoemd in artikel
3a, tweede en derde lid, en de aanvullingen daarop van degene
tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
2º. hetgeen wordt genoten op grond van de artikelen 628, 628a en
629 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de
werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op
grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen, en de
aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking
staat;
b. eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, tweede
lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
c. aanspraken op grond van de Ziekenfondswet, aanspraken op grond van ziektekostenregelingen
in eigen beheer van de werkgever, vergoedingen ter zake van premies en
bijdragen voor ziektekostenregelingen, alsmede uitkeringen en
verstrekkingen die naar aard en omvang overeenkomen met uitkeringen
en verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet;
d. uitkeringen op grond van een regeling als bedoeld in artikel
11, eerste lid, onderdeel j, onder 5º, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art. 5.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2004, 311]
Art. 6.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 635; Stcrt.
1995, 250; Stb. 1996, 655
+ bis + bis
+ bis; Stcrt.
1996, 248; Stb. 1997,
96 + bis; Stb.
1997, 732 + bis + bis;
Stcrt. 1997, 246; Stb.
1997, 768; Stb. 1997, 789;
Stb. 1998, 411; Stcrt.
1998, 244 + bis; Stb.
1998, 725; Stb. 1998, 742;
Stb. 1999, 211; Stb.
1999, 564; Stcrt. 1999, 251
+ bis; Stb.
1999, 579 + bis; Stb.
2000, 216 + bis + bis;
Stb. 2000, 551; Stb.
2000, 568 + bis + bis;
Stb. 2000, 571 + bis;
Stb. 2001, 481; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2001, 642;
Stcrt. 2001, 250; Stb.
2002, 615; Stb. 2002, 616;
Stcrt. 2002, 248; Stb.
2003, 544; Stcrt. 2003, 250;
Stb. 2004, 311; Stb.
2004, 455; Stb. 2004, 653 + bis]
Art. 6a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1999, 211]
Art. 7.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 311]
Art. 8.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1996, 655 + bis;
Stb. 1998, 370; Stb.
2000, 571; Stb. 2004, 311]
Art.
9.
[Berekening premieloon] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stcrt. 1995, 189; Stcrt.
1995, 250; Stb. 1995, 635;
Stb. 1995, 686; Stb.
1996, 134; Stcrt. 1996, 90;
Stcrt. 1996, 206; Stcrt.
1996, 209; Stb. 1997,
178; Stcrt. 1997, 109;
Stcrt. 1997, 194; Stcrt.
1997, 208; Stb. 1997, 789;
Stb. 1997, 794; Stcrt.
1998, 96; Stcrt. 1998, 196;
Stcrt. 1998, 207; Stcrt.
1999, 84; Stcrt. 1999, 198;
Stcrt. 1999, 229; Stcrt.
2000, 98; Stcrt. 2000, 193;
Stcrt. 2000, 203; Stcrt.
2001, 102; Stcrt. 2001, 192;
Stcrt. 2001, 202; Stb.
2001, 625; Stcrt. 2002, 97;
Stcrt. 2002, 198; Stcrt.
2002, 201; Stcrt. 2003, 96;
Stcrt. 2003, 203; Stb.
2003, 559; Stb. 2004, 311;
Stcrt. 2004, 209; Stcrt.
2004, 242; Stb. 2005,
37]
-1. Bij de berekening van het
loon
waarnaar de premies ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet worden geheven, blijft het
loon dat bij
dezelfde werkgever meer heeft bedragen dan het bedrag dat wordt verkregen
door vermenigvuldiging van een bedrag van €|167,70
¹ met het aantal
dagen van het premiebetalingstijdvak waarover de werknemer loon heeft
genoten, voor dat meerdere buiten aanmerking.
-2. Het bepaalde in de eerste volzin
van het vorige lid vindt overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
berekening van het loon waarnaar de premies ingevolge de Ziekenfondswet
worden geheven, met dien verstande dat in plaats van het bedrag, genoemd
in het vorige lid, een bedrag van €|114,00
in aanmerking wordt genomen.
Indien het in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Ziekenfondswet
genoemde bedrag, zoals dit is herzien ingevolge artikel 3a
van die
wet, wijziging ondergaat, wordt het in de eerste zin genoemde bedrag door
de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming
met Onze
Minister, met ingang van dezelfde datum herzien.
-3. Bij de berekening van het loon
waarnaar de premie op grond van de Werkloosheidswet wordt geheven,
blijft, wat het deel van de premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds
dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
voor de betrokken sector
afzonderlijk administreert betreft, het bij dezelfde werkgever genoten
loon buiten aanmerking tot een bedrag dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van een door Onze
Minister
vastgesteld bedrag met het aantal
dagen van het premiebetalingstijdvak waarover de werknemer het loon heeft
genoten. [Rvpwv02] [Rvpwv03]
[Rvpwv04]
[Rvpwv05]
-4. Bij de berekening van het loon
waarnaar de premie op grond van de Werkloosheidswet wordt geheven,
blijft, wat het door de werkgever en door de werknemer verschuldigde gedeelte van het deel van de premie
dat ten gunste komt van het Algemeen
Werkloosheidsfonds betreft, het bij dezelfde werkgever genoten loon buiten
aanmerking tot een bedrag dat wordt verkregen door vermenigvuldiging
van een door Onze Minister vastgesteld bedrag met het aantal
dagen van het premiebetalingstijdvak waarover de werknemer het loon heeft
genoten. Het bedrag, genoemd in de eerste zin, kan voor de werkgever en
voor de werknemer verschillend worden vastgesteld. [Rvpwv02]
[Rvpwv03] [Rvpwv04]
[Rvpwv05]
-5. Indien de werknemer uitsluitend als
gevolg van ploegendienst op minder dan vijf dagen per week arbeid verrichtte, wordt hij geacht over het
tijdvak
waarin hij in ploegendienst werkzaam
was, over vijf dagen per week loon te hebben genoten.
-6. Voor de toepassing van het bepaalde
in de vorige leden wordt:
a. arbeid, in een aaneengesloten
nachtdienst op twee dagen verricht, gerekend als arbeid op één dag;
b. het aantal dagen waarover de
werknemer gemiddeld per werkweek loon heeft genoten, geacht niet meer
dan vijf te bedragen.
-7. Indien voor een werknemer die
gelijktijdig tot meer dan één werkgever in dienstbetrekking staat door zijn
gezamenlijke werkgevers premie is betaald over een hoger loonbedrag dan
het
bedrag, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, wordt,
op aanvraag van werkgever dan wel werknemer, de premievaststelling
herzien. Bij die herziening wordt het voor de premieberekening in aanmerking
komende loon vastgesteld naar evenredigheid van het ten laste van
die werkgevers genoten loon en blijft, bij de berekening van het loon
waarnaar de premie op grond van de Werkloosheidswet wordt vastgesteld,
het voor premieberekening in aanmerking komende loon buiten aanmerking tot een
evenredig deel van het bedrag, bedoeld in het vierde lid. Het te veel betaalde wordt aan de werkgevers terugbetaald.
-8. Onze Minister kan nadere regels
stellen voor de vaststelling van het voor premieberekening in aanmerking komende
loon bij samenloop van loon
dat gelijktijdig wordt
genoten uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, en uit
één of meer dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, dan wel uitsluitend uit meer dan één
dienstbetrekking
als bedoeld in artikel 3a, tweede lid. In de te stellen regels wordt uitgegaan van een
totaal loonbedrag dat niet hoger is dan het bedrag, bedoeld in het eerste
lid onderscheidenlijk het tweede lid, en waarbij niet meer dan één keer
rekening wordt gehouden met dat bedrag. [Nrbps]
-9. Onze Minister kan
regelen stellen volgens welke ten aanzien van bepaalde groepen van werknemers
verschuldigde premies worden geheven naar de grondslag van
het bedrag waarnaar de uitkering ingevolge een daarbij aan te wijzen
wet wordt vastgesteld.
-10.
Onze Minister kan
nadere regelen stellen ter uitvoering van het bepaalde in de vorige leden.
Onze Minister kan tevens nadere regelen stellen welke afwijken van het
bepaalde in de vorige leden. [BvafpAv]
[NrmfW] [Rl]
1. Met betrekking tot
de geschiedenis vóór 1 juli 2003 van de herziening van dit bedrag ingevolge artikel
9a, eerste lid, zie ook de lijst met wijzigingsregelingen
onderaan de pagina "normbedragen WML",
red.
Art. 9a.
[Herziening maximumpremieloon] [Geschiedenis:
Stb. 2001, 481; Stb.
2005, 37]
-1. Het bedrag, genoemd
in artikel 9, eerste lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de
mate waarin het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), wordt
herzien.
-2. De dag, bedoeld in
het eerste lid, en het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag worden
door Onze
Minister
in de Staatscourant bekendgemaakt. [Rvpwv05]
-3. Het overeenkomstig
het eerste lid herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in
artikel 9, eerste lid.
-4. Uitsluitend voor de
berekening van het loon waarnaar de premies worden geheven, wordt het
bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, afgerond op hele euro's naar
beneden en blijft het bedrag zoals dat geldt per 1 januari van een kalenderjaar
gedurende dat hele kalenderjaar van kracht.
§ 3.
Van de
administratie
Art. 10.
[Loonadministratie en inlichtingenverplichting
werkgever]
[Lb]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 37 + bis]
-1. De werkgever voert
een administratie met inachtneming van door Onze
Minister
daaromtrent
te stellen regels.
-2. De werkgever doet,
met inachtneming van door Onze Minister daaromtrent te stellen regels,
opgave van het door de werknemer genoten loon aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. Het doen van een
opgave als bedoeld in het tweede lid is geen aanvraag in de zin van artikel
1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
§ 4.
Van de
vaststelling en invordering van de premie
Art. 11.
[Vaststelling en invordering premie] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 481; Stb. 2001, 625
+ bis; Stb.
2004, 311; Stb.
2005, 37]
-1.
De vaststelling van de
door de werkgever verschuldigde premie, alsmede de invordering daarvan,
geschiedt door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen premie is
verschuldigd over een uitkering, stelt hij die premie vast en vordert
die in. De vaststelling en
invordering geschieden met inachtneming van door Onze
Minister
te
stellen regels. Bij deze regels kan worden bepaald dat van de werkgever een
voorschotpremie wordt gevorderd. De premie wordt naar beneden
afgerond op hele euro's.
-2. Bij algemene
maatregel van bestuur kan ten aanzien van bepaalde groepen van werknemers worden
afgeweken van het in de eerste volzin van het vorige lid
bepaalde.
-3. Indien ten onrechte
geen bedrag aan premie is vastgesteld, dan wel na de vaststelling van
het te betalen bedrag aan premie of voorschotpremie blijkt dat een lager
bedrag is vastgesteld dan verschuldigd is, stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
het alsnog door de werkgever verschuldigde bedrag
aan premie of voorschotpremie vast, zowel voor wat betreft de reeds
verstreken betalingstermijnen als, ten aanzien van de voorschotpremie, voor
wat betreft de nog resterende periode van het lopende premiebetalingstijdvak.
-4. Indien een hoger
bedrag aan premie of voorschotpremie is vastgesteld dan verschuldigd is,
stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
het verschuldigde op het
juiste bedrag vast. Het te veel betaalde wordt verrekend dan wel aan de
werkgever terugbetaald.
-5. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
vermeldt op de beschikking, bedoeld in dit
artikel, binnen welke termijn de betaling van de premie,
onderscheidenlijk de betaling van de voorschotpremie, dient te geschieden.
Art. 12.
[Ambtshalve premievaststelling | Boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting | Afstemming boete]
[BtbbC02]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1999, 550; Stb. 2001,
625; Stb. 2005, 37]
-1. Indien een
werkgever niet, niet juist of niet volledig voldoet aan een op grond van
artikel 10,
tweede lid, gestelde verplichting, stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
ambtshalve het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag
aan premie of voorschotpremie vast.
-2.
Indien de werkgever niet, niet juist of niet volledig voldoet aan een op
grond van artikel 10, tweede lid, geldende verplichting, legt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem een boete op van ten
hoogste 10% van het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan
premie of voorschotpremie.
-3. Indien het aan opzet of grove schuld
van de werkgever is te wijten dat niet, niet juist of niet volledig is
voldaan aan een op grond van artikel 10, tweede lid, geldende
verplichting, legt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem een
boete op van ten hoogste 100% van het verschuldigde of het alsnog
verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie.
-4. De hoogte van de boete wordt afgestemd
op de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging
verweten kan worden en de omstandigheden waarin de werkgever verkeert.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een boete
af te zien. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien
indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De boete, bedoeld in het
derde lid, wordt niet opgelegd indien de werkgever alsnog juist en
volledig voldoet aan de op grond van artikel 10, tweede lid, voor hem
geldende verplichting voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met de onjuistheid of
onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.
-5. Voor de toepassing van deze wet wordt
een krachtens het tweede of derde lid opgelegde boete als premie
beschouwd, tenzij in deze wet anders is bepaald. De toerekening van de
krachtens het tweede en derde lid opgelegde boeten geschiedt naar
evenredigheid van de ingevolge de verschillende socialeverzekeringswetten
vastgestelde premiebedragen.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede,
derde en vierde lid. [BwC]
Art. 12a.
[Voorschriften rond voorgenomen boeteoplegging]
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 550;
Stb. 2001, 625;
Stb. 2005, 37]
-1. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen jegens de werkgever een handeling
verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden
dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete als bedoeld in
artikel 12, tweede of derde lid, zal worden opgelegd, is de werkgever
niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te
leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De werkgever wordt
hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt
gevraagd.
-2. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voornemens is om aan de werkgever een boete ingevolge
artikel 12, derde lid, op te leggen, wordt hiervan kennisgegeven aan de
werkgever onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Indien de werkgever de kennisgeving
wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, draagt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er op
verzoek van de werkgever zorg voor dat de in de kennisgeving vermelde
gronden worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van afdeling
4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de werkgever in de gelegenheid om naar
keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen
voordat ingevolge
artikel 12, derde lid, een boete wordt opgelegd.
-5. Indien de werkgever zijn zienswijze
mondeling naar voren brengt en hij de Nederlandse taal onvoldoende
beheerst, draagt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er op
verzoek van de werkgever zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de
werkgever kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
hieraan geen behoefte bestaat.
Art. 12b.
[Voorschriften rond boetebeschikking]
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 550;
Stb. 2001, 625;
Stb. 2005, 37]
-1. De beschikking waarbij de boete wordt
opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet
worden betaald.
-2. Indien een boete gelijktijdig wordt
opgelegd met de vaststelling van de premie, wordt het bedrag van de
boete afzonderlijk in de beschikking vermeld.
-3. Indien de werkgever de beschikking
wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, draagt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen er op verzoek van de werkgever zorg voor dat de in de
beschikking vermelde informatie wordt medegedeeld in een voor de
werkgever begrijpelijke taal.
Art. 12c.
[Niet-oplegging boete] [Geschiedenis:
Stb. 1999, 550;
Stb. 2001, 625;
Stb. 2005, 37]
-1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de
gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een boete blijft
definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de
werkgever een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie doet van een
omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid mededeling aan
het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art. 12d.
[Termijnstelling boete] [Geschiedenis:
Stb. 1999, 550;
Stb. 2001, 625;
Stb. 2005, 37]
-1. Een boete ingevolge
artikel 12, derde
lid, wordt opgelegd binnen één jaar nadat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de werkgever overeenkomstig
artikel
12a, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze
naar voren te brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of
proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de termijn van één
jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft medegedeeld dat geen
strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt niet meer opgelegd
indien meer dan vijf jaren zijn verstreken sedert het einde van het
kalenderjaar waarin de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 12e.
[Vervallen boete door overlijden] [Geschiedenis:
Stb. 1999, 550;
Stb. 2005, 37]
Voor zover een boete nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden
van degene aan wie zij is opgelegd.
Art.
13.
[Verjaringstermijnen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2005, 37]
-1. Premie wordt niet meer
vastgesteld
indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar waarin de
premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken.
-2. Premie welke niet is ingevorderd
binnen tien jaren na de vaststelling, wordt niet meer ingevorderd.
-3. De rechtsvordering tot
terugbetaling van onverschuldigd betaalde premie verjaart door verloop van vijf jaren
sedert het einde van het kalenderjaar waarin de premie is vastgesteld.
Art.
14.
[Vordering interest bij niet-tijdige betaling]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 311; Stb. 2005,
37]
Indien een werkgever een
voorschotpremie of een vastgestelde premie niet of niet geheel binnen de daarvoor
gestelde termijn betaalt, is het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
onverlet zijn
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid van artikel 15, bevoegd over het
niet tijdig betaalde bedrag van de werkgever interest te vorderen over de
termijn
gelegen tussen het tijdstip waarop de premie is betaald en het tijdstip
waarop de premie had moeten worden betaald. De interest wordt berekend
tegen het percentage van de wettelijke rente.
Art.
15.
[Aanmaning bij niet-tijdige betaling | Invordering
bij dwangbevel] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 735; Stb. 1999, 30;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 527; Stb.
2004, 311; Stb. 2005,
37]
-1. Indien een werkgever een
voorschotpremie of een vastgestelde premie niet of niet geheel binnen de daarvoor
gestelde termijn betaalt, maant het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem schriftelijk aan om alsnog te
betalen.
-2. Indien de werkgever na de aanmaning
in gebreke blijft, kan de invordering van de premie, de aanmaningskosten en
de in artikel 14 bedoelde interest geschieden bij een door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uit te vaardigen dwangbevel.
-3. Verschillende vorderingen tegen
dezelfde werkgever kunnen in hetzelfde dwangbevel worden opgenomen.
-4. De betekening en de
tenuitvoerlegging van een dwangbevel geschieden door de zorg van de ontvanger, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet
1990, en
door de belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
j,
van die wet met toepassing van de artikelen 13 en 14 van
die wet.
-5. Zolang de ontvanger met de zorg
voor de invordering is belast, kan hij een vordering doen op grond van
artikel 19 van de Invorderingswet
1990, alsmede verrekenen op grond van
artikel 24 van die
wet.
-6. De ontvanger kan zolang hij met de
zorg voor de invordering is belast onder door hem in overleg met het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te stellen voorwaarden aan de
werkgever uitstel van betaling verlenen. Gedurende het uitstel wordt de
dwanginvordering geschorst. Het uitstel kan tussentijds schriftelijk worden
beëindigd.
-7. Na de betekening van het dwangbevel dient te worden betaald aan de ontvanger,
bedoeld in het vierde lid, die is vermeld op het
dwangbevel.
-8. De kosten van aanmaning en van
verdere vervolging worden berekend op de voet van de Kostenwet
invordering rijksbelastingen (Stb. 1969, 83). Het recht van invordering bij
dwangbevel strekt zich uit tot deze kosten.
-9. De toerekening van de betalingen
geschiedt achtereenvolgens aan:
a. de kosten van vervolging;
b. de kosten van de in het eerste lid
bedoelde aanmaning;
c. de interest, bedoeld in artikel 14;
d. de premie.
Art.
15a.
[Verzet tegen dwangbevel] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 789; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 527;
Stb. 2005, 37]
-1. De werkgever kan tegen de
tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het
arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd. Indien de
werkgever buiten Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen
vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij de
rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd
van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-2. Het verzet vangt aan met
dagvaarding door de werkgever als eiser aan de met de tenuitvoerlegging belaste
ontvanger als gedaagde. De ontvanger stelt zo spoedig mogelijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
in kennis van het verzet. Het verzet
schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het
verzet wordt bestreden.
-3. Het verzet kan niet zijn gegrond op
de stelling dat de premienota, de
aanmaning, het op de voet van artikel 13, derde lid, van de Invorderingswet
1990 betekende dwangbevel of de voor beroep vatbare
beslissing niet is ontvangen.
Bovendien
kan het verzet niet zijn gegrond op de
stelling dat de premienota ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is vastgesteld, dat de voor beroep vatbare beslissing niet wettig is, dat
de aannemer niet aansprakelijk is of dat de bestuurder zich van zijn aansprakelijkheid kan bevrijden.
Art.
16.
[Preferentie] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 311;
Stb. 2005, 37]
De vordering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens premie, waaronder begrepen worden de kosten
van de in het eerste lid van artikel 15 bedoelde aanmaning en de in
artikel 14
bedoelde interest, is bevoorrecht op alle goederen van de werkgever en gaat
boven alle andere voorrechten met uitzondering van die van de artikelen
287 en 288, onderdeel a, alsmede dat van artikel 284 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de daar bedoelde kosten zijn gemaakt na de vaststelling
van de voorschotpremie of de premie.
Art.
16a.
[Inlenersaansprakelijkeid] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96 + bis
+ bis; Stb.
1998, 306; Stb. 1999, 550;
Stb. 2002, 330; Stb.
2003, 305; Stb. 2004, 311
+ bis + bis;
Stb. 2005, 37]
-1. Ingeval een werknemer met
instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn werkgever, de uitlener, door deze
ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens
toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk
voor de premie en de voorschotpremie welke de uitlener is verschuldigd in
verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer.
-2. Onder inlener wordt mede verstaan:
a. de doorlener, zijnde degene aan wie
een werknemer ter beschikking is gesteld en die deze werknemer
vervolgens ter beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht of
leiding werkzaam te zijn;
b. de in onderdeel a bedoelde derde
aan wie door een doorlener een werknemer ter beschikking is gesteld
om onder toezicht of leiding van die derde werkzaam te zijn.
-3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt de boete, bedoeld in artikel 12, tweede of derde lid, niet als premie
beschouwd.
-4. Indien een inlener ingevolge een overeenkomst met de uitlener ten behoeve van de voldoening van
socialeverzekeringspremies, loonbelasting en omzetbelasting in verband met het verrichten van
werkzaamheden
door een ter beschikking gestelde
werknemer, alsmede dat ter beschikking stellen, een bedrag
heeft overgemaakt op een rekening die door die uitlener ten behoeve van
de betaling van socialeverzekeringspremies, loonbelasting en omzetbelasting wordt
gehouden bij een kredietinstelling die is geregistreerd ingevolge artikel 52, tweede lid,
onderdeel a, b of c, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992 en die een
kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a,
onder 1º, van die
wet, wordt het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid van de
inlener uit hoofde van het eerste en tweede lid en van artikel 34,
eerste en tweede lid, van de Invorderingswet
1990 met betrekking tot die
werkzaamheden en dat ter beschikking stellen in eerste aanleg bestaat, verminderd met dat overgemaakte
bedrag.
-5. Het vierde lid is niet van
toepassing voor zover de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener in
gebreke zou blijven het op de in dat lid bedoelde rekening gestorte
bedrag aan te wenden voor de betaling van socialeverzekeringspremies,
loonbelasting of omzetbelasting.
-6. De aansprakelijkheid op grond van
het eerste lid geldt niet met betrekking tot de premie of voorschotpremie
verschuldigd door de uitlener, indien aannemelijk is dat de niet-betaling
door de uitlener noch aan hem, noch aan een inlener is te wijten.
-7. De inlener die hoofdelijk
aansprakelijk is, kan slechts worden aangesproken wanneer de uitlener met de betaling
van de premie of de voorschotpremie in gebreke is.
-8. De artikelen 10 tot en met 16 zijn
ten aanzien van de inlener van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat in
artikel 10, onderdeel a, in plaats van "een loonadministratie te
voeren" wordt gelezen: een administratie
te voeren aan de hand waarvan het
door de werknemer genoten loon kan worden vastgesteld. Bij
ministeriële regeling kunnen voor dit artikellid nadere regels worden
gesteld.
-9. De inlener wordt ter zake van de
toepassing van de artikelen 10 tot en met 16, alsmede ter zake van het
instellen van bezwaar en beroep tegen een beslissing betreffende verschuldigde premie, mede als werkgever in
de zin van deze wet beschouwd.
-10. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld met betrekking tot de toepassing van het vierde lid.
[Ui] [Uiko04]
-11. Dit artikel is niet van toepassing
indien de werkzaamheden die door de ter beschikking gestelde werknemer zijn
verricht ondergeschikt zijn aan een tussen de uitlener en de inlener, dan
wel tussen de doorlener en de inlener, gesloten overeenkomst van koop en
verkoop van een bestaande zaak.
Art.
16b.
[Ketenaansprakelijkheid] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; Stb.
1999, 550; Stb. 2002, 330;
Stb. 2003, 305; Stb.
2004, 311 + bis + bis;
Stb. 2005, 37]
-1. De aannemer is hoofdelijk
aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie:
a. die de onderaannemer en, indien een
werk geheel of gedeeltelijk door één of meer volgende
onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer verschuldigd is
in verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers
ter zake van dat werk;
b. voor de betaling waarvan de
onderaannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door één of
meer volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer ingevolge
artikel
16a hoofdelijk aansprakelijk is ter
zake van dat werk.
-2. In dit artikel wordt verstaan
onder:
a. aannemer: degene die zich jegens
een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking
een werk van stoffelijke aard uit te voeren tegen een te betalen prijs;
b. onderaannemer: degene die zich
jegens een aannemer verbindt om buiten dienstbetrekking het onder a
bedoelde werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren tegen een te betalen
prijs.
-3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt:
a. de onderaannemer ten opzichte van
zijn onderaannemer als aannemer beschouwd;
b. met een aannemer gelijkgesteld
degene die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben
gekregen buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn
bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert;
c. ten opzichte van de aannemer als
onderaannemer beschouwd de verkoper van een toekomstige zaak,
voor zover de koop en verkoop voortvloeit uit of verband houdt met
het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde werk;
d. een boete, opgelegd krachtens artikel 12, tweede of derde
lid, niet als premie beschouwd.
-4. De voorgaande leden zijn niet van
toepassing:
a. indien een werk tot de uitvoering
waarvan een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden, geheel of grotendeels wordt
verricht op de plaats waar de onderneming van de onderaannemer is gevestigd met
uitzondering van de
vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van kleding, andere
dan schoeisel; of
b. indien de uitvoering van een werk
waartoe een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden, ondergeschikt is aan een
tussen hen gesloten overeenkomst van
koop en verkoop van een bestaande zaak.
-5.
Indien een aannemer ingevolge een overeenkomst met een onderaannemer,
ten behoeve van de voldoening van socialeverzekeringspremies en
loonbelasting met betrekking tot het door die onderaannemer aangenomen
werk, een bedrag heeft overgemaakt op een rekening die door die
onderaannemer ten behoeve van de betaling van socialeverzekeringspremies
en loonbelasting wordt gehouden bij een kredietinstelling die is
geregistreerd ingevolge artikel 52, tweede lid, onderdeel a, b
of c, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992, wordt het bedrag
waarvoor de aansprakelijkheid van de aannemer uit hoofde van het eerste
lid en artikel 35, eerste lid, van de Invorderingswet
1990 met
betrekking tot dat werk in eerste aanleg bestaat, verminderd met dat
overgemaakte bedrag. De vorige volzin is niet van toepassing voor zover
de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een onderaannemer
in gebreke zou blijven het op de in de eerste volzin bedoelde rekening
gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van socialeverzekeringspremies
of loonbelasting. Bij ministeriële regeling worden nadere regels
gesteld met betrekking tot de toepassing van dit lid. [Uiko04]
[Ukpw]
-6. De aansprakelijkheid op grond van
het eerste lid geldt niet met betrekking tot de premie of de voorschotpremie
verschuldigd door een onderaannemer, indien aannemelijk is dat de
niet-betaling door de onderaannemer noch aan hem noch aan een aannemer is
te wijten.
-7. Degene die op grond van het eerste
lid hoofdelijk aansprakelijk is, kan slechts worden aangesproken wanneer
de werkgever met de betaling van de premie of de voorschotpremie in
gebreke is.
-8. De artikelen 10 tot en met 16 zijn
ten aanzien van de aannemer van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat in
artikel 10, eerste lid, in plaats van "voert een administratie" wordt gelezen: voert een
administratie
aan de hand waarvan het bedrag aan
loon kan worden vastgesteld dat in de door de aannemer te betalen
prijs voor de uitvoering van een werk door een onderaannemer is
begrepen. Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regelen
stellen. De aannemer wordt ter zake van de toepassing van de artikelen 10
tot en met 16, alsmede ter zake van het instellen van beroep tegen een
beslissing betreffende verschuldigde premie, mede als werkgever in de zin
van deze wet beschouwd. [Uiko04] [Ukpw]
Art.
16ba.
[Opdrachtgeversaansprakelijkheid confectiesector]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 305; Stb.
2004, 311 + bis; Stb.
2005, 37]
-1. De opdrachtgever is hoofdelijk
aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie ter zake van een werk
inhoudende de vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van
kleding, andere dan schoeisel:
a. die de aannemer en, indien een
werk geheel of gedeeltelijk door één of meer volgende onderaannemers
wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer verschuldigd is in
verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter
zake van dat werk;
b. voor de betaling waarvan de
aannemer en, indien een werk geheel of gedeeltelijk door één of meer
volgende onderaannemers wordt uitgevoerd, iedere volgende onderaannemer
ingevolge artikel 16b hoofdelijk aansprakelijk
is ter zake van dat werk.
-2. In dit artikel wordt onder
opdrachtgever verstaan degene die buiten dienstbetrekking in de normale
uitoefening van zijn bedrijf met een ander, de aannemer, een
overeenkomst heeft gesloten om voor hem een werk als bedoeld in het
eerste lid uit te voeren tegen een te betalen prijs.
-3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt met een opdrachtgever gelijkgesteld degene die buiten
dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf kleding,
andere dan schoeisel, koopt die nog geheel of gedeeltelijk vervaardigd
moet worden en met een aannemer de verkoper daarvan.
-4. De artikelen 14 tot en
met 16 en 16b, tweede lid, derde lid,
onderdeel a, c en d, en vijfde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in het tweede lid, onderdeel a,
van artikel 16b voor een werk van stoffelijke
aard moet worden gelezen: een werk inhoudende de vervaardiging en elke
daarop gerichte handeling van kleding, andere dan schoeisel;
b. de toepassing van het derde lid,
onderdeel a, van artikel 16b er niet
toe kan leiden dat de wederpartij van de aannemer als opdrachtgever als
bedoeld in het tweede lid wordt beschouwd;
c. in het vijfde lid van artikel
16b voor "aannemer" moet worden gelezen:
opdrachtgever, voor "onderaannemer": aannemer en voor "het
eerste lid en artikel 35": het eerste lid van artikel
16ba en artikel 35a.
-5. De aansprakelijkheid op grond van het
eerste lid geldt niet met betrekking tot de premie of de voorschotpremie
verschuldigd door de aannemer of een onderaannemer indien aannemelijk is
dat de niet-betaling door de aannemer of een onderaannemer noch aan de
opdrachtgever, noch aan de aannemer of een onderaannemer is te wijten.
-6. Degene die op grond van het eerste lid
hoofdelijk aansprakelijk is, kan slechts worden aangesproken indien de
werkgever met de betaling van de premie of de voorschotpremie in gebreke
is.
Art.
16bb.
[Kopersaansprakelijkheid bij reeds vervaardigde
kleding]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 305; Stb.
2004, 311 + bis + bis;
Stb.
2005, 37]
-1. Indien de premieschuld betrekking heeft
op een werk als bedoeld in artikel 16ba,
eerste lid, is degene die buiten dienstbetrekking in de normale
uitoefening van zijn bedrijf vervaardigde kleding koopt hoofdelijk
aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie welke verschuldigd is
ter zake van dat werk, tenzij aannemelijk is dat hij op het tijdstip van
de koop niet wist of behoorde te weten dat ter zake van dat werk te
weinig of geen premie of voorschotpremie zou worden betaald. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van dit lid. [Uiko04]
-2. Degene die op grond van het eerste lid
hoofdelijk aansprakelijk is, kan slechts worden aangesproken indien de
werkgever met de betaling van de premie of de voorschotpremie in gebreke
is.
-3. De artikelen 14 tot en
met 16 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
16c.
[Aanvullende aansprakelijkheidsregeling bij wonen
of vestiging buiten Nederland] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 305; Stb.
2004, 311 + bis + bis;
Stb. 2005, 37]
-1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de
premie en de voorschotpremie:
a.
verschuldigd door een niet in Nederland wonende of gevestigde werkgever
en voor de premie en de voorschotpremie die een niet in Nederland
wonende of gevestigde aannemer, opdrachtgever of koper verschuldigd is
op grond van de artikelen 16b, 16ba
of 16bb: de leider van de vaste inrichting in
Nederland, de in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger
of degene die de leiding heeft van de in Nederland verrichte
werkzaamheden;
b. verschuldigd door twee of meer
werkgevers: ieder van die werkgevers;
c. verschuldigd door een lichaam
zonder rechtspersoonlijkheid of door een rechtspersoonlijkheid bezittend
lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders.
-2. Indien een bestuurder van een
lichaam zelf een lichaam is, wordt onder bestuurder mede verstaan ieder van de
bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.
-3.
Degene die op grond van het eerste lid, onderdeel a,
aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het
niet aan hem is te wijten dat de premie of de voorschotpremie niet is
betaald.
-4. Degene die op grond van het eerste lid,
onderdeel a, aansprakelijk is, kan slechts worden aangesproken
indien de werkgever met de betaling van de premie of de voorschotpremie
in gebreke is.
-5. Het bepaalde in de artikelen 14 tot
en met 16 is ten aanzien van degene die op grond van dit artikel
hoofdelijk aansprakelijk is van overeenkomstige toepassing.
Art.
16d.
[Bestuurdersaansprakelijkheid] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 311 + bis + bis
+ bis; Stb.
2005, 37]
-1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de
premie en de voorschotpremie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid
bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan
de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de
bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.
-2. Het lichaam als bedoeld in het
eerste lid is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling
in staat is, daarvan mededeling te doen aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en, indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dit
verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen.
Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te
voldoen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking
tot de inhoud van de mededeling, de
aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te
leggen stukken alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling,
het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken
dienen te geschieden. [BmC]
-3. Indien het lichaam op juiste wijze
aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder
aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de premie
of de voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk
onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het
tijdstip van de mededeling.
-4. Indien het lichaam niet of niet op
juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een
bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien
verstande dat vermoed
wordt dat de niet-betaling aan hem is
te wijten en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te gaan op het
tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het
vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat
het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede
lid bedoelde verplichting heeft voldaan.
-5. De bestuurder kan slechts worden
aangesproken indien het lichaam met de betaling van de premie of de
voorschotpremie in gebreke is.
-6. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder bestuurder mede verstaan:
a. de gewezen bestuurder tijdens
wiens bestuur de premieschuld is ontstaan;
b. degene ten aanzien van wie
aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft
bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de
rechter benoemde bewindvoerder;
c. ieder van de met de vereffening
belaste personen ingeval het lichaam is ontbonden, met uitzondering van de
door de rechter benoemde vereffenaar;
d. indien een bestuurder van een
lichaam een lichaam is: ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde
lichaam.
-7. De tweede volzin van het vierde lid
is niet van toepassing op de gewezen bestuurder.
-8. Degene die hoofdelijk aansprakelijk
is gesteld, wordt ter zake van het instellen van bezwaar of beroep tegen
een beslissing betreffende verschuldigde premie of voorschotpremie mede als
werkgever in de zin van deze wet beschouwd, met dien verstande
dat beroep niet is toegestaan tegen de hoogte van het door het
lichaam verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie indien met
betrekking tot die hoogte een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gewezen in
een door het lichaam of door één of meer andere aansprakelijk
gestelde bestuurders ingesteld beroep.
-9. Onder premie en voorschotpremie
wordt uitsluitend verstaan de premie en de voorschotpremie die het lichaam
dient te betalen ter zake van werknemers die tot hem in dienstbetrekking staan.
-10. Na het overlijden van de
bestuurder zijn de erfgenamen niet aansprakelijk als het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet vóór het overlijden de bestuurder bij voor beroep vatbare
beslissing aansprakelijk heeft gesteld.
-11. Indien de bestuurder van het
lichaam ingevolge dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van
zijn schuld ter zake, zijn de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de
mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd,
vernietigbaar en kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze
vernietigingsgrond inroepen indien aannemelijk is dat deze
rechtshandelingen geheel of nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht. Artikel
45, vierde en vijfde lid, van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
-12. Het bepaalde in de artikelen 14
tot en met 16 is ten aanzien van degene die op grond van dit artikel
hoofdelijk aansprakelijk is van overeenkomstige toepassing.
Art. 16e.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2004, 311]
§ 4A.
Van het verhaal
Art.
16f. [Verhaalsregels
bij meerdere hoofdelijk aansprakelijken] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 306 + bis;
Stb. 2003, 305; Stb.
2004, 311 + bis; Stb.
2005, 37]
-1.
Indien verhaal op de werkgever door degene die ingevolge artikel
16a, 16b, 16ba, 16bb,
16c, eerste lid, onderdeel a, of 16d
premie of voorschotpremie heeft voldaan geheel of gedeeltelijk
onmogelijk blijkt en ter zake van de niet-betaalde premie of
voorschotpremie twee of meer personen ingevolge de desbetreffende
bepaling hoofdelijk aansprakelijk zijn, dragen dezen onderling voor
gelijke delen in het onverhaald gebleven deel bij. Indien artikel
16b, 16ba of 16bb
van toepassing is en het aandeel in het totaal van het uit te voeren
werk dat ieder van de hoofdelijk aansprakelijken heeft laten uitvoeren,
kan worden vastgesteld, draagt, in afwijking in zoverre van de eerste
volzin, ieder in evenredigheid met dat aandeel bij. Voor de toepassing
van dit artikel worden voorts de opdrachtgever en de koper geacht dat
werk geheel te hebben laten uitvoeren door een onderaannemer.
-2. Indien de opdrachtgever ingevolge artikel
16ba premie of voorschotpremie heeft voldaan, draagt, in
afwijking in zoverre van het eerste lid, tevens een aannemer bij die met
betrekking tot het desbetreffende werk ingevolge artikel
16b aansprakelijk is. Indien een koper ingevolge artikel
16bb premie of voorschotpremie heeft voldaan, dragen, in
afwijking in zoverre van het eerste lid, tevens de opdrachtgever
onderscheidenlijk een aannemer bij die met betrekking tot het
desbetreffende werk ingevolge artikel 16ba
onderscheidenlijk artikel 16b aansprakelijk
zijn.
-3. In afwijking in zoverre van de
voorgaande leden bedraagt de bijdrage niet meer dan het bedrag waarvoor
ieders aansprakelijkheid ingevolge de desbetreffende bepaling bestaat.
Een als gevolg van de toepassing van de vorige volzin ontstaan tekort
wordt met inachtneming van de voorgaande leden over de anderen verdeeld.
-4. Degene die meer heeft bijgedragen dan
overeenkomt met zijn op de voet van de voorgaande leden bepaalde aandeel
heeft voor dat meerdere verhaal op degene die minder dan zijn
dienovereenkomstig bepaalde aandeel heeft bijgedragen. Blijkt verhaal op
één of meer van degenen op wie verhaal kan worden genomen geheel of
gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt dat tekort met inachtneming van de
voorgaande leden over de anderen verdeeld.
-5. Ieder die in de premie of
voorschotpremie heeft bijgedragen, blijft gerechtigd het bijgedragene
alsnog van de werkgever terug te vorderen.
-6. Van de voorgaande leden kan bij
overeenkomst worden afgeweken.
Art.
16g. [Verhaal
niet-bestuurders op bestuurders] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 305;
Stb. 2004, 311 + bis
+ bis; Stb.
2005, 37]
-1. Degene die
ingevolge de artikelen
16a, 16b, 16ba,
16bb of 16c, eerste
lid, onderdeel a, premie of voorschotpremie aan
het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
heeft betaald, heeft hiervoor verhaal op ieder
van
degenen die ingevolge artikel 16d aansprakelijk is.
-2.
Ten aanzien van degene die een ingevolge artikel 16f
verschuldigd bedrag heeft voldaan, is het eerste lid van overeenkomstige
toepassing.
-3. Degene die het
ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag heeft voldaan, wordt geacht tot dit
bedrag de premie of de voorschotpremie van het lichaam ingevolge
artikel 16d te hebben voldaan.
-4. Van de voorgaande
leden kan bij overeenkomst worden afgeweken.
Art.
16h. [Subrogatie]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 311
+ bis; Stb.
2005, 37]
De aansprakelijke die
premie of voorschotpremie heeft voldaan dan wel in de premie of de
voorschotpremie heeft bijgedragen, is bij zijn verhaal op de werkgever of de
medeaansprakelijke uitsluitend gesubrogeerd in het voorrecht van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
overeenkomstig artikel 16.
§ 5.
Van de
vrijstelling wegens gemoedsbezwaren
Art. 17.
[Vrijstelling wegens gemoedsbezwaren]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 737; Stb. 2001,
625; Stb.
2005, 37]
-1.
Degene die
gemoedsbezwaren heeft tegen één van de verzekeringen ingevolge de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Werkloosheidswet en
de Ziekenfondswet, alsmede de rechtspersoon waarbij natuurlijke
personen betrokken zijn die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kunnen met
inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels en
voorwaarden door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
worden vrijgesteld
van
de bij die maatregel ¹ aan te wijzen verplichtingen welke hun bij of
krachtens genoemde wetten en deze wet zijn opgelegd.
[Rgs]
-2. In de maand januari
van elk kalenderjaar doet het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aan de
inspecteur der directe belastingen die ten aanzien van de
werkgever bevoegd is met betrekking tot de loonbelasting, toekomen een staat
vermeldende naam en woon- of vestigingsplaats van die werkgever,
alsmede het bedrag waarvoor die werkgever over het afgelopen kalenderjaar
aansprakelijk zou zijn geweest indien hem niet de vorenbedoelde
vrijstelling was verleend.
-3. Naar aanleiding van
de in het vorige lid bedoelde opgave of opgaven wordt uit hoofde van
de krachtens het bepaalde in het eerste lid aan de werkgever verleende
vrijstelling van premiebetaling aan hem over het desbetreffende
kalenderjaar een naheffingsaanslag in de loonbelasting - zonder boete - opgelegd ter
grootte van het in totaal opgegeven premiebedrag.
-4. De in het vorige
lid bedoelde naheffingsaanslag in de loonbelasting wordt ingevorderd
overeenkomstig de bepalingen geldende voor de invordering van de loonbelasting
en als loonbelasting verantwoord, doch overigens voor de heffing van de
loonbelasting niet als zodanig aangemerkt.
-5. Het bedrag aan
premie waarvoor een werkgever aansprakelijk zou zijn geweest indien hem
niet de in het eerste lid bedoelde vrijstelling was verleend, komt voor
rekening van het Rijk.
-6. Bij de
ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, worden tevens
geregeld de verdere gevolgen
welke aan het verlenen van vrijstelling wegens gemoedsbezwaren zijn
verbonden, alsmede de gevallen waarin de vrijstelling wordt of kan worden
ingetrokken en de aan de intrekking verbonden gevolgen. [Rgs]
1. Volgens de redactie
dient "die maatregel" te worden vervangen door: die regeling.
§ 6.
Strafbepaling
Art.
17a.
[Strafbepalingen overtreding artikel 10 |
Opsporingsambtenaren | Verval recht tot strafvordering]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 32; Stb.
1999, 550; Stb. 2000, 627; Stb.
2003, 544; Stb.
2005, 37 + bis]
-1. Hij die één der in artikel 10
bedoelde verplichtingen niet, niet juist of niet volledig nakomt, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de
derde categorie. Dit feit is een overtreding.
-2. Hij die opzettelijk één der in
artikel 10 bedoelde verplichtingen niet, niet juist of niet volledig
nakomt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren
of geldboete van de vierde categorie of, indien dit hoger is, ten
hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven premie. Dit feit is
een misdrijf.
-3. Met de opsporing van de in het eerste
en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de ambtenaren,
bedoeld in artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering, belast de
door Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie, aangewezen personen.
-4. Het recht tot strafvordering vervalt
indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werkgever ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft
opgelegd.
§
7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het
beroep in cassatie
Art. 18.
[Beslistermijn aanvraag] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 32; Stb.
1999, 550; Stb. 2000, 627 + bis;
Stb.
2005, 37]
-1.
Een beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2.
De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als
bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.
-3.
Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven,
wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager
daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
-4.
Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste
lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om
die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die
termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze
verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
Art.
18a. [Afwijking
hoorplicht] [Geschiedenis:
Stb.
2005, 37]
In afwijking van
artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de belanghebbende in een
bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een besluit ingevolge deze wet,
met uitzondering van een beschikking op grond van het bepaalde in artikel
12, tweede en derde lid, gehoord op zijn verzoek.
Art.
18b. [Beslistermijn
bezwaar] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
37]
In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
binnen dertien weken na ontvangst van het
bezwaarschrift.
Art.
18c.
[Beroep in cassatie] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; Stb.
2000, 627; Stb. 2004, 311;
Stb.
2005, 37]
-1. Tegen uitspraken van de
Centrale
Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake
van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, en
4 en
de op die artikelen berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van
Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
§
8. Slotbepalingen
Art.
18d.
[Overgangsrecht 1 januari 2005 oude
premieloonbegrip] [Geschiedenis:
Stb. 2000, 627; Stb.
2004, 311 + bis; Stb.
2005, 37]
Deze wet en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de dag
voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel I van de
Wet
administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten, blijven van toepassing op het loon dat is
genoten voorafgaand aan de dag waarop dat artikel in werking treedt.
Art. 18e.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2000, 627; Stb.
2004, 311]
Art. 18f.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2000, 551; Stb.
2000, 627; Stb. 2003, 544; Stb.
2004, 311]
Art.
18g.
[Overgangsrecht 1 januari 2003 spaarpremies]
[Geschiedenis:
Stb. 2002, 615; Stb.
2005, 37]
-1. Artikel 6, eerste lid, onderdeel g en i,
zoals deze bepalingen luidden op 31 december 2002, blijven tot en met het
kalenderjaar 2007 van toepassing op aanspraken op spaarpremies en op na 31
december 2002 toegekende spaarpremies of voorlopig bijgeschreven spaarpremies
ter zake van vóór 1 januari 2003 ingehouden besparingen op de voet van een
premiespaarregeling als bedoeld in artikel 31a van de Wet
op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2002.
-2. Artikel 13 van de
Uitvoeringsregeling
werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen, zoals dat artikel luidde op
31 december 2002, is in het kalenderjaar 2003 nog van toepassing op toegekende
of voorlopig bijgeschreven spaarpremies ter zake van in het kalenderjaar 2002
ingehouden besparingen op de voet van een premiespaarregeling als bedoeld in
artikel 6, vijfde, zesde en zevende lid, zoals die leden luidden op 31 december
2002.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het tweede lid.
Art.
19.
[Citeertitel] [Geschiedenis:
OvW; Stb. 2000, 627; Stb.
2005, 37]
Deze wet kan worden aangehaald onder
de titel: Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Art.
20.
[Inwerkingtreding] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2000, 627; Stb.
2005, 37]
Deze wet treedt in werking met ingang
van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
1. Bij Besluit van 24 december 1953, Stb.
1953, 593, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari
1954, red.
Lasten en
bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 24 December
1953
JULIANA
De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
A.A. van Rhijn
De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge
Uitgegeven de vierentwintigste
December 1953
De Minister van Justitie,
L.A. Donker
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|