|
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op
artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(Stb. 1987,
552);
Gehoord de
Sociale Verzekeringsraad;
Besluit:
§ 1.
Het
voeren van een loonadministratie
Art. 1.
-1. De werkgever is verplicht
voor iedere werknemer vóór de eerste loonverstrekking
een loonstaat aan te leggen en deze vervolgens bij te
houden overeenkomstig de aanwijzingen van het op grond van
artikel
2 vastgestelde model.
-2. De in het eerste lid
bedoelde verplichting geldt niet:
a. indien
reeds op grond van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 een zodanige loonstaat dient te
worden aangelegd en bijgehouden; dan wel
b. indien
en voor zolang de werkgever op grond van een besluit
van de Minister van Financiën gebruik maakt van zijn
bevoegdheid als inhoudingsplichtige voor de Wet
op de loonbelasting 1964 (Stb. 1990, 104) tot het
vertraagd aanleggen en/of bijhouden van een loonstaat.
Art. 2.
Het model van de
loonstaat wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vastgesteld.
Art. 3.
-1. De werkgever is bevoegd een
loonstaat bij te houden welke afwijkt van het op grond
van artikel
2 vastgestelde model, mits deze loonstaat ten minste
voldoet aan de eisen waaraan blijkens de modelloonstaat
moet worden voldaan.
-2. De inspecteur der belastingen, onder wiens inspectie de loonboekhouding
wordt gehouden, is bevoegd, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de in het
eerste lid genoemde bevoegdheid aan de werkgever te
ontnemen indien naar zijn oordeel de administratie
zodanig is ingericht of op zodanige wijze wordt gevoerd
dat een behoorlijke controle niet gewaarborgd is.
Art. 4.
De in artikel
3 bedoelde inspecteur kan, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onder door hem
te stellen voorwaarden, goedkeuren dat de werkgever een
loonstaat bijhoudt die niet voldoet aan de eisen van het op
grond van artikel
2 vastgestelde model. De goedkeuring kan te allen tijde
worden ingetrokken.
Art. 5.
De loonstaten, of de
bescheiden die in de plaats daarvan moeten worden bijgehouden,
moeten worden gehouden ten kantore van de werkgever waar de
loonadministratie wordt gevoerd, tenzij door de in artikel
3 bedoelde inspecteur, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, daartoe een
andere plaats is aangewezen, in welk geval zij daar ter
plaatse moeten worden bijgehouden.
Art. 6.
De loonstaten of de
bescheiden die in de plaats daarvan moeten worden bijgehouden,
en de loonadministratie moeten ten minste gedurende vijf jaren
na het einde van het kalenderjaar waarop zij betrekking
hebben, worden bewaard.
Art. 7.
De werkgever is
verplicht het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op
diens verzoek en binnen een door dat orgaan schriftelijk te
stellen termijn de loonstaten tijdelijk ter beschikking te
stellen. Indien het verzoek loonstaten betreft van het lopende
kalenderjaar, kan de werkgever volstaan met het toesturen van
afschriften van de gevraagde loonstaten.
§ 2.
Het
doen van loonopgave
Art. 8.
-1. De werkgever is verplicht na
het einde van het kalenderjaar voor iedere werknemer een
jaaropgavekaart in te vullen conform de aanwijzingen van
het bij artikel 9 van dit besluit vastgestelde model,
tenzij de op de jaaropgavekaart te verstrekken gegevens
overeenkomstig daartoe door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gegeven aanwijzingen worden
verstrekt met behulp van geautomatiseerd te verwerken
gegevensdragers.
-2. In afwijking van het eerste
lid is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bevoegd aan een werkgever die naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
verplichtingen neergelegd in het Besluit
melding sociale verzekeringen correct nakomt, toe te
staan een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vastgesteld model vereenvoudigde
jaaropgave in te dienen, onder daartoe door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nader te
stellen voorwaarden.
Art. 9.
Het model van de
jaaropgavekaart wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vastgesteld.
Art. 10.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt de
werkgever de bedoelde jaaropgavenkaarten.
Art. 11.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd van
een werkgever die niet hier te lande is gevestigd en naar het
oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet regelmatig zijn werkzaamheden hier te lande uitoefent,
binnen de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schriftelijk te stellen termijn
loonopgaven te vorderen.
Art. 12.
-1. De werkgever is verplicht de
jaaropgavekaarten in te leveren in de maand januari van
het kalenderjaar volgende op dat waarvoor zij gelden.
-2. Indien de werkgever in de
loop van een kalenderjaar zijn bedrijf of beroep
definitief staakt, is hij verplicht binnen veertien dagen na die
staking de jaaropgavekaarten in te leveren.
-3. De inlevering van de
jaaropgavekaart dient te geschieden bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 13.
-1. Onverminderd het bepaalde in artikel
8 is de werkgever verplicht, over een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schriftelijk
aan te geven periode:
a. opgave
te doen van het totaal aan loon van de bij hem in
dienst zijnde werknemers;
b. opgave
te doen van alle gegevens die noodzakelijk zijn voor
de vaststelling van het loon van elk van de bij hem in
dienst zijnde werknemers. Deze opgave bevat ten
minste:
naam en voorletter(s); geboortedatum; het aantal
gewerkte dagen in de in het verzoek aangegeven
periode; de data van de dagen waarop is gewerkt, dan
wel, indien dit in het verzoek is aangegeven, het
aantal dagen waarover loon is genoten; het voor
premieberekening sociale verzekering in aanmerking
komende loon, desgevraagd gesplitst per wet, genoten
in de in het verzoek aangegeven periode.
-2. De werkgever is verplicht de
in het eerste lid bedoelde opgaven schriftelijk aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te doen
toekomen binnen tien dagen na afloop van de periode waarop
deze opgaven betrekking hebben, dan wel binnen een andere
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
schriftelijk te stellen termijn.
-3. De werkgever is verplicht
aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uit
eigen beweging mededeling te doen van elke verandering in
de loonsom gedurende het premiebetalingstijdvak, welke ertoe leidt dat het feitelijk verloonde bedrag meer dan 5%,
doch ten minste een bedrag van €|2269,00 hoger is dan het
loonbedrag waarop de voorschotnota is gebaseerd.
Deze mededeling
dient te geschieden binnen drie maanden na bedoelde
verandering.
Art. 14.
Het Besluit van 31
december 1953 (Stcrt. 1954, 1) wordt ingetrokken, doch
blijft van kracht voor zover het betreft de
premiebetalingstijdvakken die eindigen vóór 1 januari 1988.
Art. 15.
Dit besluit, dat met
de daarbij behorende toelichting in de
Nederlandse Staatscourant wordt geplaatst, treedt in werking met ingang
van 1 januari 1988.
Art. 16.
Dit besluit kan
worden aangehaald onder de titel: Loonadministratiebesluit.
's-Gravenhage, 28 december 1987.
De Minister voornoemd,
J. de Koning.
|