|
24 december 1997/nr. SV/AVF/97/5395
Directie Sociale Verzekeringen
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 9, tiende lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering;
Besluit:
Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Coördinatiewet
Sociale Verzekering;
b. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. WW: Werkloosheidswet;
d. franchisebedrag: het bedrag dat op grond van
artikel 9, derde
lid, van de wet door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid wordt
vastgesteld, alsmede het bedrag dat op
grond van artikel 9, vierde lid, van de
wet door de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid wordt
vastgesteld;
e. overheidswerknemer:
overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;
f. overheidswerkgever:
overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1,
onderdeel k, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
Art. 2.
-1. Bij de berekening van het loon waarnaar de premies als
bedoeld in artikel 9, eerste lid,
eerste volzin, en tweede lid, van de wet worden geheven, blijft ten aanzien van de werknemer die in een aaneengesloten
periode van vier werkweken
van het premiebetalingstijdvak meer
dan twintig dagen loon heeft genoten,
dat meerdere aantal dagen buiten
beschouwing. Voor de vaststelling van de
in de vorige zin bedoelde aaneengesloten periode van vier werkweken
is de eerste dag van deze periode de dag dat de dienstbetrekking een
aanvang neemt en is de laatste dag
van deze periode de dag dat vier
weken met inbegrip van de eerste dag
zijn verstreken. Een periode van vier werkweken wordt als aaneengesloten
beschouwd indien een
werknemer in de periode van vier
werkweken na aanvang van de
dienstbetrekking een nieuwe dienstbetrekking met
dezelfde werkgever aangaat.
-2. Indien de premie dient te
worden berekend over een periode
van minder dan vier werkweken, wordt
het in het eerste lid genoemde aantal
van twintig naar evenredigheid verminderd.
-3. Indien een werknemer,
uitsluitend als gevolg van een in de
bedrijfstak of de onderneming waarin hij
werkt geldende regeling tot
arbeidstijdverkorting, gedurende bepaalde
tijdvakken niet op ten minste vijf dagen
per week arbeid heeft verricht,
terwijl de dienstbetrekking tot zijn
werkgever voortduurde en hij gedurende
die tijdvakken over iedere week het loon
over een volle werkweek heeft
genoten, wordt hij geacht in die tijdvakken over vijf dagen per week loon te
hebben genoten.
Art. 3.
Ten aanzien van de werknemer aan wie bij betaling van loon
regelmatig vakantiebonnen of daarmee
overeenkomende aanspraken worden verstrekt en die tijdens vakantie geen aanspraak
heeft op doorbetaling van
loon, blijven in afwijking van artikel 9,
derde en vierde lid, van de wet voor
de berekening van het loon waarnaar de
premie op grond van de WW die ten
gunste komt van het wachtgeldfonds
en het door de werkgever en het
door de werknemer verschuldigde deel
van de premie op grond van de WW
die ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds worden
geheven, in plaats van het franchisebedrag buiten aanmerking de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, afhankelijk van het aantal voor de
werkgever geldende vakantiedagen,
vastgestelde bedragen. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bepaalt wat voor de toepassing van
de eerste zin onder vakantiedagen
wordt verstaan. [BvafpAv]
Art. 4.
Voor zover nodig in afwijking
van artikel 9, eerste lid, tweede
volzin, van de
wet worden, indien een
werknemer gelijktijdig aanspraak heeft
op:
a. meer dan één uitkering
op grond van de Ziektewet;
b. meer dan één uitkering
op grond van de WW;
c. meer dan één uitkering op grond
van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet
arbeid en zorg;
de daglonen die aan die
uitkeringen ten grondslag liggen, zo het
gezamenlijk bedrag van die daglonen het maximumdagloon als bedoeld in het eerste
lid van artikel 9 van de
wet overschrijdt, evenredig verminderd tot het gezamenlijk bedrag van die
daglonen bedoeld maximumdagloon niet
meer overschrijdt.
Art. 5.
-1. Voor zover nodig in
afwijking van artikel 9, eerste lid,
tweede zin, van de
wet worden, indien een
werknemer gelijktijdig aanspraak heeft
op één of meer uitkeringen op grond van de WW en een uitkering op grond
van de WAO, de daglonen die aan die
uitkeringen ten grondslag liggen, zo het gezamenlijk bedrag van die
daglonen het maximumdagloon als
bedoeld in het eerste lid van artikel 9
van de wet overschrijdt, zodanig
evenredig verminderd dat het
gezamenlijk bedrag van die uitkeringen
70% van 100/108 van het maximumdagloon niet meer overschrijdt.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt onder uitkering op
grond van de WW verstaan de
uitkeringen, bedoeld in de artikelen 47,
51 en 52i van de WW, zo nodig verminderd met de in
artikel 33, derde lid, van de WW
bedoelde vakantiebijslag.
-3. Voor het vaststellen van
het gezamenlijk bedrag van de daglonen, bedoeld in het eerste lid,
wordt als dagloon dat aan de uitkering
op grond van de WAO ten grondslag ligt, aangemerkt 108/70-maal de uitkering op
grond van de WAO.
-4. Indien het percentage van
de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag,
wordt gewijzigd, wordt de noemer van de in
het eerste lid en de teller van
de in het derde lid vermelde breuk
dienovereenkomstig gewijzigd.
Art. 6.
-1. Voor zover nodig in
afwijking van artikel 9, eerste lid,
eerste zin, en derde, vierde, vijfde en zevende lid, van de
wet is het loon
waarnaar de premies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, eerste zin, van
de wet worden
geheven ten aanzien van een overheidswerknemer het loon
dat die werknemer in een uitbetalingstermijn van dezelfde overheidswerkgever
heeft genoten, met dien
verstande dat dit loon, herleid naar een jaarbedrag, niet meer kan bedragen dan
het bedrag dat wordt verkregen
door het bedrag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van
de wet, te
vermenigvuldigen met 261.
-2. Voor de vaststelling van
de inhouding op grond van artikel 97d,
eerste lid, van de WW wordt het
loon, bedoeld in het eerste lid en
herleid naar een jaarbedrag, voor zoveel mogelijk verminderd met het
bedrag dat wordt verkregen door het
bedrag, bedoeld in artikel 9, vierde
lid, van de wet, te vermenigvuldigen met
261.
-3. In afwijking van het
eerste en tweede lid is het loon uit een
deeltijdbetrekking, voor de vaststelling van in het eerste lid bedoelde
premies en in het tweede lid bedoelde
inhouding, het krachtens die leden
vastgestelde loon vermenigvuldigd met de deeltijdfactor, bedoeld in artikel
1,
onderdeel f, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-4. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan het eerste tot en met derde lid overeenkomstig toepassen bij de
vaststelling van de in het eerste lid bedoelde premies over een
uitkering op grond van de WAO, WW,
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet
arbeid en zorg of
Ziektewet van een
overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer. De eerste zin is
niet van toepassing indien de uitkering mede wordt ontleend aan een
dienstbetrekking anders dan als overheidswerknemer.
-5. Voor de toepassing van
artikel 9, zevende lid, van de
wet wordt onder dienstbetrekking niet
verstaan een dienstbetrekking als
overheidswerknemer of een dienstbetrekking die,
op grond van artikel 3a, tweede of derde lid, van
de wet, geacht wordt te bestaan
als gevolg van een uitkering op
grond van de WAO, WW, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet
arbeid en zorg of Ziektewet
ontleend aan een dienstbetrekking als overheidswerknemer.
-6. Onder uitkering op grond
van de WW, uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
van de Wet arbeid en zorg respectievelijk uitkering
op grond van de Ziektewet, bedoeld in
het vierde lid, wordt mede verstaan
wachtgeld, uitkering wegens zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg
respectievelijk uitkering
wegens ziekte, ongeacht door wie de
werkzaamheden met betrekking tot dat wachtgeld of die uitkeringen worden
verricht.
-7. Onder wachtgeld wordt
verstaan: wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit
1959 of een soortgelijke uitkering van een
overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid alsmede een
wachtgeld of daarmee gelijkgestelde
uitkering op grond van de Algemene
militaire pensioenwet, met uitzondering van een uitkering in verband met
functioneel leeftijdsontslag of
vrijwillig vervroegd uittreden.
-8. Onder uitkering wegens
ziekte wordt verstaan: bezoldiging
of uitkering wegens ziekte na
beëindiging van het dienstverband als
bedoeld in artikel 42 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement,
zoals dat luidde op 31 december 1997,
of een overeenkomstige bepaling van
een soortgelijke regeling.
-9. Het zesde tot en met
negende lid vervallen op het tijdstip
van aanvang van fase 3 van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 54 van
die wet.
Art. 7.
De regeling Nadere regelen
maximumdagloon en franchise WAO wordt
ingetrokken.
Art. 8.
Deze regeling treedt in
werking op 1 januari 1998.
Art. 9.
Deze regeling kan worden
aangehaald onder de titel: Nadere
regels maximumdagloon en franchises WW.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 24 december
1997.
De Staatssecretaris
voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[24 december 1997]
De ministeriële regeling
Nadere regels maximumdagloon en franchises
WW vervangt de regeling Nadere
regelen maximumdagloon en franchise
WAO (d.d. 24 december 1985, nr.
85/4427, Stcrt. 1985, 252). Hiertoe
is besloten omdat de Nadere regelen maximumdagloon en franchise WAO ingrijpend
gewijzigd moest worden in
verband met de inwerkingtreding van
de Wet premiedifferentiatie en
marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en met onder de toepassing
van de WAO brengen van de
overheidswerknemers. De nieuwe regeling treedt op 1 januari 1998 in werking.
Vaststelling aantal
loondagen
In de regeling Nadere regels
maximumdagloon en franchise WW is tevens een gewijzigde
systematiek voor de vaststelling van het
aantal loondagen opgenomen (artikel 2, eerste lid). Deze wijziging strekt
ertoe het verschil in premiedruk door
de systematiek van vaststellen van het
aantal loondagen van werknemers met
wisselende arbeidspatronen (waaronder uitzendkrachten) ten
opzichte van fulltimewerknemers zoveel mogelijk
te beperken.
Voor de premieberekening in
het kader van de sociale werknemersverzekeringen is het aantal loondagen van belang. De franchises in
de verschillende wetten worden immers per loondag toegepast.
Werknemers die niet in ploegendienst
werkzaam zijn, kunnen geconfronteerd worden
met de nadelige consequentie dat
hoewel zij op bepaalde dagen gewerkt hebben, deze dagen (voor de
premieheffing) niet als loondagen worden aangemerkt. Dit heeft tot
gevolg dat over deze dagen derhalve
niet de franchises toegepast worden.
De wijziging behelst de
vaststelling van het aantal loondagen
over een langere periode dan een
werkweek, te weten een aaneengesloten
periode van vier werkweken. Uitgangspunt hierbij blijft dat gemiddeld
niet meer dan vijf loondagen per
werkweek geteld kunnen worden en er
dus niet meer dan vijf keer per week
de franchise premieloon kan worden
toegepast. In deze periode van vier
werkweken zijn er derhalve maximaal twintig loondagen waarover de
franchise kan worden toegepast. Bij een
periode van minder dan vier weken wordt
het aantal van twintig loondagen evenredig
verminderd. Een aangevangen periode van vier werkweken wordt als
niet onderbroken beschouwd als
een werknemer in de periode van vier
werkweken na aanvang van de (eerdere) dienstbetrekking een nieuwe dienstbetrekking met
dezelfde werkgever aangaat. Indien binnen de
periode van vier weken een nieuwe
dienstbetrekking met een andere werkgever wordt aangegaan, is er
derhalve geen sprake meer van een
aaneengesloten periode en begint er een
nieuwe periode van vier weken, met ingang
van de eerste dag van deze nieuwe
dienstbetrekking, onder afsluiting van de
periode direct hieraan voorafgaand.
In het tweede lid van
artikel 2 is bepaald dat indien de premie
over een periode van minder dan vier
werkweken moet worden berekend, het in
het eerste lid genoemde aantal
van twintig naar evenredigheid wordt
verminderd. Het aantal loondagen dat op
deze wijze wordt vastgesteld,
wordt naar boven afgerond.
Overheidswerknemers onder de
WAO
Artikel 6 van de regeling
Nadere regels maximumdagloon en franchises WW bevat bepalingen met
betrekking tot premieheffing van
overheidswerknemers vanaf het moment dat zij
onder het toepassingsbereik van de
WAO worden gebracht. In het eerste artikel van de regeling is een
definitie opgenomen van het begrip overheidswerknemer en werkgever.
Voor de toepassing van het maximumpremieloon en de franchises
WW wordt uitgegaan van het loon
dat de werknemer per dag heeft
verdiend in het premiebetalingstijdvak.
Thans wordt gewerkt aan een
vereenvoudigde systematiek van premieheffing, waarbij niet langer wordt
uitgegaan van het premieloon per dag.
Het is de bedoeling die vereenvoudigde
systematiek per 1 januari 1999 te laten ingaan.
De overheidswerknemers
zullen in het kader van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) per 1 januari 1998
onder het toepassingsbereik
van de WAO worden gebracht. Dat zou
- zonder nadere regeling - betekenen
dat vanaf die datum
vorenbedoelde dagensystematiek gaat gelden
voor de heffing van WAO-premie over
het loon van overheidswerknemers en
WAO- en WW-premie over WAO-uitkeringen van (gewezen)
overheidswerknemers.
Dat zou een wijziging
inhouden ten opzichte van de geldende
systematiek van inhoudingen ter zake van
werkloosheid en arbeidsongeschiktheid bij de overheid. In geval van
loon uit hoofde van een deeltijdbetrekking
of een WAO-conforme uitkering voortvloeiende uit een deeltijdbetrekking
wordt de inhouding niet gedaan
over het loon per gewerkte dag, maar
over het met toepassing van de
deeltijdfactor vastgestelde loon. Daarbij
is niet van belang op hoeveel dagen in
het premiebetalingstijdvak de betrokken overheidswerknemer feitelijk
heeft gewerkt. Gelet op de komende
wijziging in de systematiek van de premieheffing heeft het
kabinet, in het kader van de OOW, ervoor
gekozen om de WAO-premie voor de
overheid alsmede de WAO- en WW-premie over WAO-uitkeringen van
(gewezen) overheidswerknemers in geval
van een deeltijdbetrekking voorlopig
met toepassing van de deeltijdfactor te
laten plaatsvinden. Aldus wordt
voorkomen dat de overheid kort na
elkaar geconfronteerd wordt met twee wijzigingen in de systematiek van
premieheffing.
Om te voorkomen dat deze
regeling opnieuw gewijzigd zou moeten worden indien de overheidswerknemers op een moment onder het
toepassingsbereik van de Ziektewet of de WW zouden komen te vallen dat
de vereenvoudigde premieheffingssystematiek nog niet zou zijn ingegaan,
ziet dit artikel ook op de toepassing
van de deeltijdfactor bij de heffing van WAO- en WW-premie over
WW-uitkeringen en uitkeringen op grond van
de Ziektewet alsmede bij de
heffing van WW-premie over het loon van overheidswerknemers. Hierbij merk ik nadrukkelijk
op dat de bedoelde heffingen uiteraard pas aan de orde
kunnen zijn vanaf het moment dat de
desbetreffende fases van de OOW zijn
aangevangen.
Indien een uitkering niet
alleen voortvloeit uit een
dienstbetrekking als overheidswerknemer, maar ook
uit een dienstbetrekking in de
marktsector, kan, afhankelijk van de
situatie, de verzorging van de uitkering
plaatsvinden door de uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden verricht voor
de betrokken overheidssector of
de uitvoeringsinstelling die dat doet voor het betrokken onderdeel van
de marktsector. Teneinde
enerzijds te voorkomen dat laatstbedoelde uitvoeringsinstelling de
premieheffingssystematiek van de overheid zou moeten gaan toepassen en anderzijds
te voorkomen dat er in een dergelijke samenloopsituatie
een verschillende uitkomst ontstaat
afhankelijk van de uitvoeringsinstelling
die de uitkering verzorgt, wordt -
op grond van de tweede volzin van het
vierde lid - alsdan niet de
deeltijdfactor toegepast.
Ten slotte wordt, in het
vijfde lid, geregeld dat, evenals dat
thans het geval is, de premieheffing
met betrekking tot de overheid en de
marktsector naast elkaar bestaan.
Ter bepaling of, ingeval er
sprake is van meerdere werkgevers in
de marktsector, premie is betaald over een loonbedrag hoger dan het
maximumpremieloon wordt het loon als
overheidswerknemer en een uitkering ontleend aan een dienstbetrekking als
overheidswerknemer dan ook
buiten beschouwing gelaten.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|
|