|
14 december 2000/nr. SV/AVF/00/83022
Directie Sociale Verzekeringen
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op artikel 6, achtste lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering;
Besluit:
Art. I.
Vergoedingen in de zin van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van
de
Coördinatiewet Sociale Verzekering strekken in ieder geval tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking
indien zij worden verstrekt aan een
werknemer behorend tot een groep die
op grond van artikel 15a, eerste lid,
onderdeel j, van de Wet
op de loonbelasting 1964 is aangewezen en indien
wordt voldaan aan de voorwaarden bij en krachtens artikel 15a,
eerste lid, onderdeel j, van de Wet
op de loonbelasting 1964 bepaald.
Art.
II.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2001.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
‘s-Gravenhage, 14 december
2000.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[14 december 2000]
Deze regeling strekt ertoe
binnen de werknemersverzekeringen een
(forfaitaire) regeling te introduceren
voor de beoordeling van vergoedingen
aan werknemers die vanuit het buitenland worden aangetrokken en
werknemers die naar het buitenland
worden uitgezonden. Vanuit het oogpunt van coördinatie tussen de
premieheffing werknemersverzekering en de
loonheffing is volledig aangesloten bij
de fiscale regeling voor
dergelijke vergoedingen.
Met ingang van 1 januari
2001 wordt in artikel 15a,
onderdeel k, van de Wet
op de loonbelasting 1964 bepaald dat in redelijkheid
gemaakte extra kosten van tijdelijk
verblijf buiten het land van herkomst, de
zogenaamde extraterritoriale kosten, onder bepaalde voorwaarden
onbelast kunnen worden vergoed. In
het Besluit loonbelasting 1965,
zoals dat met ingang van 1 januari
2001 luidt, wordt uitwerking gegeven aan
deze regeling. In dat besluit
worden onder meer bepaalde groepen
werknemers aangewezen voor wie geldt
dat de vergoedingen van kosten van
verblijf buiten het land van herkomst
in ieder geval worden beschouwd als
onbelaste vergoedingen voor
extraterritoriale kosten wanneer deze kosten
niet meer bedragen dan de som van 30% van het loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten,
alsmede tot het bedrag van de daarbij
aan te wijzen schoolgelden. Voor van
buiten Nederland in
dienstbetrekking genomen werknemers geldt dat deze bewijsregel gedurende ten
hoogste tien jaar zal worden toegepast.
Voor uit Nederland uitgezonden
werknemers geldt dat de toepassing geschiedt gedurende de periode van
uitzending.
Vóór 1 januari 2001 golden
voor de belastingheffing over
vergoedingen aan naar of vanuit Nederland
uitgezonden werknemers verschillende regelingen, waaronder de 35%-regeling
voor uit het buitenland
gekomen werknemers en de zogenaamde Nedeco-regeling voor
uitgezonden werknemers. Deze regelingen
hadden enerzijds betrekking op het
onbelast laten van kostenvergoedingen
en anderzijds op het toelaten van een forfaitaire aftrek van
kosten. Mede naar aanleiding van de
belastingherziening 2001 is een nieuwe regeling getroffen, waarbij uiteraard
rekening is gehouden met reeds bestaande regelingen.
Voor de premieheffing
werknemersverzekering was tot 1 januari 2001 op dit punt geen regeling
getroffen. In de uitvoeringspraktijk werd
echter al zoveel mogelijk aangesloten bij de fiscale regelgeving op dit terrein.
Met de inwerkingtreding van deze
regeling op 1 januari 2001 is aan deze
handelwijze een formele basis gegeven.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|