|
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur;
Gelet op
artikel 17, eerste en zesde lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (Stb. 1987, 552) en artikel 24 van de
Wet financiering
volksverzekeringen (Stb. 1989, 129);
Besluiten:
Art. 1.
-1. De persoon die gemoedsbezwaren
heeft tegen één van de verzekeringen geregeld in de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Ziektewet, de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en
de Ziekenfondswet, alsmede de
rechtspersoon waarbij
natuurlijke personen betrokken zijn die zodanige
gemoedsbezwaren hebben, kan op zijn verzoek door de Sociale
verzekeringsbank dan wel door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden ontheven dan wel vrijgesteld
van verplichtingen hem bij of krachtens één van deze wetten
of de Coördinatiewet Sociale Verzekering opgelegd.
-2. In afwijking van het eerste lid
kan geen vrijstelling worden verleend van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 56 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, de artikelen 13 en 49 van de
Ziektewet, de
artikelen 12 en 80 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de artikelen 13 en
25 van
de Werkloosheidswet.
Art. 2.
Het verzoek geschiedt
door indiening van een door de verzoeker ondertekende verklaring,
waarvan het model door de Sociale
verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wordt vastgesteld.
Deze verklaring houdt ten minste in dat degene die de verklaring
indient, overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van
verzekering, dat hij mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders,
noch zijn eigendommen heeft verzekerd. Voor zover de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten in het geding zijn, moet uit de
verklaring tevens blijken of degene die haar indient, de in deze
wetten geregelde voorzieningen al dan niet als verzekeringen
beschouwt. Uit een door een werkgever ingediende verklaring moet
voorts blijken of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming
van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen.
Art. 3.
-1. Wanneer het verzoek
een rechtspersoon betreft, wordt de verklaring ingediend door
het op grond van de wet of de statuten van die rechtspersoon
daartoe bevoegde orgaan.
-2. Onverminderd het
bepaalde in artikel
2 houdt de verklaring als bedoeld in het eerste lid tevens
in dat de natuurlijke personen die behoren tot het orgaan
dat op grond van de wet of de statuten bevoegd is te besluiten
de vrijstelling aan te vragen, in meerderheid overwegende
gemoedsbezwaren hebben.
-3. Bij het verzoek als
bedoeld in het eerste lid wordt gevoegd:
a. afschrift
van de aan elk van de tot de in het tweede lid bedoelde
meerderheid behorende natuurlijke personen verleende
vrijstelling als bedoeld in artikel
1;
b. een
gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon; en
c. een
gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering
waarin het besluit tot het aanvragen van de vrijstelling
is genomen.
Art. 4.
-1. De in de artikelen
2 en 3
bedoelde verklaring wordt ingediend bij de Sociale
verzekeringsbank.
-2. De Sociale
verzekeringsbank onderzoekt of de verklaring overeenkomstig de
waarheid is.
Art. 5.
Wanneer bij het verlenen
van de vrijstelling slechts één uitvoeringsorgaan betrokken is,
verleent dat orgaan, indien de verklaring naar zijn mening
overeenkomstig de waarheid is, de vrijstelling. Aan een werkgever
die heeft verklaard geen gemoedsbezwaren te hebben tegen de
nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen kan op
die grond een vrijstelling van de hem anders dan in zijn
hoedanigheid van werkgever opgelegde verplichtingen niet worden
geweigerd.
Art. 6.
-1. Wanneer bij het
verlenen van de vrijstelling meer dan één uitvoeringsorgaan
is betrokken, doet de Sociale
verzekeringsbank van haar bevindingen omtrent het door haar ingestelde onderzoek
mededeling aan het andere betrokken uitvoeringsorgaan.
-2. Indien de verklaring
naar de mening van de betrokken uitvoeringsorganen
overeenkomstig de waarheid is, verlenen zij,
gemeenschappelijk, ieder voor zoveel betreft de hem ter
uitvoering opgedragen tak of takken van verzekering, de
vrijstelling. De laatste volzin
van artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.
-3. Indien de betrokken
uitvoeringsorganen omtrent de beslissing tot het verlenen van
vrijstelling geen overeenstemming kunnen bereiken, wordt de
gevraagde vrijstelling geweigerd.
Art. 7.
-1. Tot het verlenen van vrijstelling van verplichtingen tot
uitvoering van de Ziekenfondswet
is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd in de
gevallen waarin deze is belast met de afdracht van de premie aan
de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de
Ziekenfondswet. In overige gevallen is de
Sociale
verzekeringsbank bevoegd.
-2. Het orgaan dat krachtens het eerste lid van dit artikel
bevoegd is tot het verlenen van de aldaar genoemde vrijstelling
doet van een vermeende vrijstelling mededeling aan het College
voor zorgverzekeringen, dat vervolgens hiervan kennis geeft aan
het daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende ziekenfonds
dan wel aan de daarvoor in aanmerking komende ziekenfondsen.
Art. 8.
Voor zover de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet
en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten in het geding zijn, wordt, indien
de verzoeker heeft verklaard dat hij de in één of meer van de
genoemde wetten geregelde voorzieningen niet als verzekering
beschouwt, geen vrijstelling verleend van de in die wet(ten)
opgelegde verplichtingen.
Art. 9.
Van de verleende
vrijstelling wordt door de Sociale
verzekeringsbank aan de
verzoeker een bewijs uitgereikt, waarvan het model wordt
vastgesteld door de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 10.
Zodra ten aanzien van de
vrijgestelde een ander uitvoeringsorgaan bevoegd is dan het orgaan
dat hem de vrijstelling verleende, is de vrijgestelde verplicht
binnen één maand aan eerstbedoeld orgaan mededeling te doen dat
hij is vrijgesteld van de in artikel
1 bedoelde verplichtingen. Voor zover het dezelfde tak van
verzekering betreft, wordt de vrijstelling alsdan geacht te zijn
verleend door dat andere uitvoeringsorgaan.
Art. 11.
-1. Degene die is
vrijgesteld van zijn verplichtingen als werkgever is
verplicht te zorgen dat het hem uitgereikte bewijs van
vrijstelling of een afschrift daarvan wordt en blijft
opgehangen op een plaats welke vrij toegankelijk is voor alle
in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze geregeld plegen
te komen, op zodanige wijze dat van hetgeen op het
desbetreffende stuk staat vermeld, gemakkelijk kan worden
kennisgenomen.
-2. Degene die
vrijgesteld is van zijn verplichtingen op grond van de Ziekenfondswet
als werkgever is verplicht, zodra een werknemer in zijn
dienst treedt die voor de verplichte ziekenfondsverzekering
in aanmerking komt, hiervan onverwijld mededeling te doen aan
het door de werknemer gekozen ziekenfonds. Indien een
werknemer die als verplicht verzekerd bij een ziekenfonds
staat ingeschreven, de dienst van een werkgever als in de
eerste volzin bedoeld verlaat, dan wel wegens het
overschrijden van de loongrens of anderszins niet langer op
grond van zijn dienstbetrekking bij deze werkgever voor de
verplichte ziekenfondsverzekering in aanmerking komt, is de
werkgever verplicht hiervan onverwijld mededeling te doen aan
het ziekenfonds waarbij de werknemer laatstelijk als
verplicht verzekerde stond ingeschreven.
-3. Het College voor
zorgverzekeringen kan voor de mededelingen als in het tweede
lid bedoeld modellen vaststellen.
Art. 12.
-1. Indien de vrijgestelde aan de
loonbelasting is onderworpen, is hij verplicht van de hem
verleende vrijstelling mededeling te doen aan degene die de
inhouding verricht, door het tonen aan laatstbedoelde van het
uitgereikte bewijs van vrijstelling.
-2. Voor de werknemer die niet aan
de loonbelasting is onderworpen, geldt dezelfde verplichting
ten opzichte van diens werkgever.
Art. 13.
Indien van degene die
aan loonbelasting is onderworpen, premievervangende belasting voor
de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten is ingehouden, dient daarvan op de
loonbelastingkaart aantekening te worden gemaakt.
Art. 14.
De werkgever verstrekt
geen verklaringen als bedoeld in artikel
4 van het Inschrijvingsbesluit Ziekenfondsverzekering
(Stb.
1965, 653) aan in zijn dienst zijnde werknemers die zijn
vrijgesteld van verplichtingen op grond van de Ziekenfondswet.
Art. 15.
Degene die is
vrijgesteld van verplichtingen op grond van de Ziekenfondswet:
a. als werknemer;
of
b. als zelfstandige;
heeft voor zichzelf en
voor zijn medeverzekerden als bedoeld in artikel
4 van de Ziekenfondswet geen aanspraken op verstrekkingen op
grond van die wet.
Art. 16.
-1. Een vrijstelling
wordt door het uitvoeringsorgaan ingetrokken:
a. op verzoek
van hem aan wie de vrijstelling is verleend;
b. indien naar
het oordeel van het uitvoeringsorgaan de gemoedsbezwaren
op grond waarvan de vrijstelling is verleend, niet langer
geacht kunnen worden te bestaan.
-2. De vrijstelling kan
worden ingetrokken indien verplichtingen welke nog op de
vrijgestelde rusten ingevolge de in artikel
1 genoemde wetten, of welke hem bij deze regeling zijn
opgelegd, niet door hem worden nageleefd.
-3. In het geval als
bedoeld in artikel
5 geschiedt de intrekking van de vrijstelling door het
orgaan dat de vrijstelling heeft verleend of, op grond van artikel
10, geacht wordt te hebben verleend.
-4. In het geval als
bedoeld in artikel
6 geschiedt de intrekking van de vrijstelling
gemeenschappelijk door de uitvoeringsorganen welke de
vrijstelling hebben verleend of, op grond van artikel
10, geacht worden te hebben verleend.
-5. Indien de betrokken
uitvoeringsorganen omtrent de beslissing tot het intrekken van
de vrijstelling geen overeenstemming kunnen bereiken, vindt
intrekking plaats.
-6. Het
uitvoeringsorgaan kan bij de intrekking tevens bepalen dat
een verzoek om vrijstelling gedaan binnen twee jaren na de
dagtekening van de intrekking enkel op die grond
niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
-7. Degene wiens
vrijstelling is ingetrokken, is verplicht binnen drie dagen na
de dagtekening van de desbetreffende kennisgeving het bewijs
van vrijstelling terug te geven aan het orgaan dat hem van de
intrekking mededeling heeft gedaan.
-8. Indien degene wiens
vrijstelling is ingetrokken, aan de loonbelasting is
onderworpen, doet het uitvoeringsorgaan dat de vrijstelling
heeft ingetrokken, van de intrekking mededeling aan degene
die de inhouding verricht.
-9. Ten aanzien van de werknemer die niet aan de loonbelasting is onderworpen, wordt
eenzelfde mededeling als in het vorige lid bedoeld gedaan aan
diens werkgever.
-10. Wanneer de
toepassing van de Ziekenfondswet
in het geding is, doet het orgaan dat de vrijstelling heeft
ingetrokken, van de intrekking mededeling aan het College voor
zorgverzekeringen, dat vervolgens hiervan kennis geeft aan het
daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende ziekenfonds
dan wel aan de daarvoor in aanmerking komende ziekenfondsen.
-11. Artikel
12 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
mededeling van de intrekking der vrijstelling.
-12. Onverminderd het
bepaalde in de vorige leden vervalt de vrijstelling welke is
verleend aan een rechtspersoon, na verloop van vijf jaar na de
datum van ingang van de vrijstelling. Met ingang van de datum
waarop een vrijstelling is vervallen, kan een nieuwe
vrijstelling worden verleend.
Art. 17. Vervallen.
Art. 18.
In geval van intrekking
van een vrijstelling van verplichtingen als werknemer is het
uitvoeringsorgaan bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of
ten dele te weigeren ter zake van arbeidsongeschiktheid wegens
ziekte - zwangerschap, bevalling en gebrek daaronder begrepen - bestaande op de dag van intrekking der vrijstelling, dan wel
ontstaan binnen vier weken na bedoelde dag. Overeenkomstige
bevoegdheid komt toe aan de ziekenfondsen met betrekking tot het
verlenen van verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet
over de eerste vier weken na het intrekken van de vrijstelling aan
medeverzekerden als bedoeld in artikel 4 van
die wet. Op deze
termijnen is de Algemene
termijnenwet niet van toepassing.
Art. 19.
-1. Een vóór de dag
waarop deze regeling in werking treedt verleende vrijstelling met betrekking tot de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten wordt geacht tevens
betrekking te hebben op de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
-2. Onverminderd het
bepaalde in artikel 16, eerste tot en met elfde lid, vervalt een vóór de
dag waarop deze regeling in werking treedt aan een
rechtspersoon verleende vrijstelling na verloop van vijf jaar
na de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
Art. 20.
Deze regeling die met de
daarbij behorende toelichting in de Staatscourant wordt geplaatst,
treedt in werking met ingang van 1 januari 1990.
's-Gravenhage, 22 december 1989.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort.
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H.J. Simons.
|