|
REGELING van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 september 2003,
nr.
SV/F&W/03/71533, tot wijziging van de Regeling vergoeding gemengde
kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
en enige dagloonregelingen in verband met coördinatie met de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 6, vijfde lid, en
8,
tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering, 15, eerste en
tweede lid, van de Ziektewet, 14, eerste en tweede lid, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en 34, tweede, derde en zesde lid, van
de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid;
Besluit:
Art.
I. Wijziging Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering
loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
De Regeling vergoeding gemengde
kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 12, eerste lid, onderdeel
b, wordt de zinsnede "voor alle
werknemers" vervangen door: voor alle of nagenoeg alle werknemers.
B.
In artikel 15 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964 beschouwd de vergoeding ter zake van het genot van een woning ter
behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en de verstrekking in de
vorm van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking.
C.
Artikel 23 komt als volgt te luiden:
Art. 23. Producten uit eigen bedrijf
-1. Vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de werkgever dan wel bij
een met de werkgever verbonden vennootschap van branche-eigen producten
van het bedrijf van de werkgever dan wel van het bedrijf van een met de
werkgever verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, worden geacht te strekken tot
bestijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking
tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische
verkeer van deze producten met een maximum van €|450,00 per
kalenderjaar.
-2. Verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de
werkgever dan wel van het bedrijf van een met de werkgever verbonden
vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, worden geacht te strekken tot bestrijding van
kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking tot een bedrag
van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze
producten met een maximum van €|450,00 per kalenderjaar.
-3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met
de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen, voor zover
deze bedragen nog niet zijn benut. De vorige volzin is niet van
toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar
niet bestond.
-4. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen.
D.
Na artikel 36a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 36b. Overgangsregeling producten uit eigen bedrijf
-1. Naar keuze van de werkgever blijft artikel 23
zoals dat artikel luidde op 31 december 2002 in het kalenderjaar 2003
van toepassing in plaats van artikel 23 zoals dat
luidde op 1 januari 2003.
-2. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid,
eerste volzin, wordt aangenomen dat voor de jaren 2001 en 2002 een
bedrag van €|450,00 heeft gegolden.
-3. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid,
eerste volzin, wordt aangenomen dat voor de jaren 2002 en 2003 een
bedrag van €|450,00 heeft gegolden indien de werkgever met toepassing
van het eerste lid heeft gekozen voor de toepassing in het kalenderjaar
2003 van artikel 23 zoals dat artikel luidde op 31
december 2002.
-4. De toepassing van artikel 23 zoals dat luidt op
grond van de Regeling herziening waardering producten uit eigen bedrijf
leidt niet tot een wijziging van op de datum van inwerkingtreding van
die regeling reeds vastgestelde daglonen op grond van de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid.
Art.
II. Wijziging Dagloonregels WAO
Artikel 1, derde lid, onderdeel t, van de Regeling van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 615242, vervalt.
Art.
III. Wijziging Dagloonregels ZW
Artikel 1, derde lid, onderdeel y, van de Regeling van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 615253, vervalt.
Art.
IV. Wijziging Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid
Artikel 1, derde lid, onderdeel x, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid vervalt.
Art.
V. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling herziening waardering producten uit eigen bedrijf.
Art.
VI. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 2003.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 18 september
2003.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[18 september 2003]
Algemeen
De onderhavige regeling ziet op wijziging van vier regelingen: de Regeling vergoeding gemengde
kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
en een drietal dagloonregelingen.
Dat betreft de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 61524 (Stcrt. 1967, 126) (hierna
Dagloonregels WAO), de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 61525 (Stcrt. 1967, 162) (hierna
Dagloonregels ZW) en de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid. Met deze wijzigingsregeling wordt voor de
premieheffing voor de werknemersverzekeringen aangesloten bij de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 (Uitvoeringsregeling LB).
Discoördinatie met de belastheffing wordt door deze aanpassing
voorkomen. De genoemde dagloonregelingen worden hieraan aangepast.
Naast enkele technische aanpassingen is er
sprake van een beleidsinhoudelijke wijziging ten aanzien van de
waardering van producten uit eigen bedrijf voor de premieheffing en
uitkeringsverstrekkingen op grond van werknemersverzekeringen.
Artikel 23 van de Regeling vergoeding gemengde
kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
heeft betrekking op vergoedingen ter zake van de aanschaf van en
verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de
werkgever dan wel van het bedrijf van een met de werkgever verbonden
vennootschap. Artikel 41 van de Uitvoeringsregeling
LB, dat ook
betrekking heeft op producten uit eigen bedrijf, is gewijzigd per 3
april 2003, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003. Vóór de
inwerkingtreding van die wijziging en de onderhavige wijziging was de
regeling als volgt. Belasting en premie werden geheven over vergoedingen
en verstrekkingen van producten uit het eigen bedrijf van de werkgever
tegen de integrale kostprijs van deze producten. De vergoedingen en
verstrekkingen boven de integrale kostprijs waren belastingvrij en
premievrij voor zover de hoeveelheid ervan niet uitging boven het normale
gezinsgebruik. Bij de bepaling van de uitkeringshoogte voor een WW-,
ZW-
of WAO-uitkering werd de integrale kostprijs minus de eigen bijdrage
voor een product uit eigen bedrijf meegenomen in het loon.
Het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2002,
nr. 37 934 (onder meer gepubliceerd in VN 2002/50.13) heeft ertoe geleid
dat het begrip integrale kostprijs dient te worden opgevat als de
kostprijs inclusief alle aan de desbetreffende goederen toe te rekenen
kosten. Hiertoe behoren de variabele en de vaste kosten, die zouden
moeten worden gebaseerd op een realistische begroting voor het
desbetreffende jaar. In de praktijk zouden als gevolg van het arrest
grote problemen ontstaan met betrekking tot de vaststelling van de
integrale kostprijs. In veel gevallen zouden onbelaste kortingen op
producten uit het eigen bedrijf niet, althans niet eenvoudig, mogelijk
zijn. Hierin heeft de Staatssecretaris van Financiën een aanleiding
gezien om een nieuwe regeling te treffen ten aanzien van de waardering
van producten uit eigen bedrijf. De nieuwe regeling knoopt aan bij de
waarde in het economische verkeer. Deze herziening is tevens aangegrepen
om door middel van een eenvoudig uitvoerbaar criterium excessen te
voorkomen. De onderhavige wijziging ziet op een aanpassing van voornoemd
artikel 23 aan artikel 41 van de Uitvoeringsregeling
LB zoals dat thans
luidt.
Aan de regeling voor producten uit eigen
bedrijf is terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2003. Voor
het jaar 2003 geldt een keuzeregeling. De werkgever kan ervoor kiezen om
in 2003 de regeling toe te passen zoals die gold tot en met 31 december
2002 of om de regeling toe te passen zoals die geldt op grond van
artikel 23 zoals dat luidt na de inwerkingtreding van deze regeling. Op
deze wijze wordt volledig gecoördineerd met de belastingheffing en
kunnen bestaande regelingen met betrekking tot producten uit eigen
bedrijf in 2003 nog ongewijzigd worden voortgezet.
Bij het vaststellen van de daglonen wordt met
betrekking tot de producten uit eigen bedrijf aangesloten bij de
regeling zoals hierboven beschreven met betrekking tot het premieloon.
Op deze wijze wordt voorkomen dat werkgevers dit loonbestanddeel op
verschillende manieren moeten administreren. Bovendien blijven rechten
en plichten op deze manier in evenwicht. De keuzeregeling met betrekking
tot het jaar 2003 leidt ertoe dat de keuze van de werkgever met
betrekking tot premieheffing over producten uit eigen bedrijf kan
doorwerken naar de daglonen bij een eventuele uitkeringsvaststelling.
Reeds vastgestelde daglonen worden evenwel niet gewijzigd. Op deze
manier wordt tegengegaan dat er extra uitvoeringskosten voor
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en extra administratieve
lasten voor werkgevers zouden ontstaan als gevolg van de
overgangssituatie. Daarnaast kunnen zo geen negatieve (maar ook geen
positieve) wijzigingen met terugwerkende kracht ontstaan in de
uitkeringshoogte van reeds vastgestelde uitkeringen.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Regeling vergoeding gemengde kosten en
waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
Onderdeel
A
Artikel 12 van de Regeling vergoeding gemengde
kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
heeft betrekking op
vergoedingen en verstrekkingen ter zake van bedrijfsfitness. Dit artikel
is per 26 maart 2003 gewijzigd met terugwerkende kracht tot en met 1 januari
2003 om artikel 12 weer in overeenstemming te brengen met artikel 29 van
de Uitvoeringsregeling
LB. Deze wijziging was niet volledig. Artikel I,
onderdeel A, corrigeert dit.
Onderdeel
B
Artikel 15 van de Regeling vergoeding gemengde
kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
heeft betrekking op
vergoedingen en verstrekkingen met betrekking tot het genot van een
woning. De onderhavige wijziging, het toevoegen van een vierde lid, ziet
op een aanpassing aan artikel 33, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling
LB. Dat artikellid is voor de volledigheid toegevoegd aan artikel 33 van
de Uitvoeringsregeling
LB. Het uitgangspunt van de regeling bij de
invoering was om als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aan te
merken het loon exclusief de vergoeding of verstrekking inzake de
woning. In de oude tekst kon ook gelezen worden dat uitgegaan moest
worden van het loon inclusief de vergoeding of verstrekking. Door
toevoeging van het vierde lid aan artikel 15 worden discussies over dit
punt voorkomen.
Onderdeel
C
Artikel 23 van de Regeling vergoeding gemengde
kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
zoals dit is komen te
luiden, kent, evenals dat artikel zoals het tot op heden luidde, de
mogelijkheid voor de werknemer om branche-eigen producten van de
werkgever af te nemen, zonder dat dit leidt tot een verhoging van het
premieloon. De voorwaarden waaronder dit kan gebeuren, zijn evenwel
gewijzigd. De begrippen integrale kostprijs en gezinsconsumptie zijn
losgelaten. Daarvoor in de plaats is aangeknoopt bij de waarde in het
economische verkeer en is een forfaitair percentage vastgesteld. De
werknemer mag maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer van
het product ontvangen als vrije vergoedingen en verstrekkingen. Om
excessen te voorkomen, kent deze regeling een plafond van €|450,-
waarboven de vergoedingen en verstrekkingen wel tot het premieloon
behoren. Hierdoor bestaat geen behoefte meer aan het lastig uitvoerbare
criterium dat de producten moeten passen binnen de normale
gezinsconsumptie van de werknemer. Het bedrag van €|450,-
zal jaarlijks
geïndexeerd worden.
Voor de situaties dat er sprake is van het
aanschaffen van relatief dure producten in een bepaald jaar is het
derde lid opgenomen. Dit lid biedt de mogelijkheid om de niet-gebruikte
ruimte tot het plafond in de twee daaropvolgende jaren te gebruiken. De
niet-gebruikte ruimte kan dus het geheel, maar ook een deel van de
ruimte tot het plafond zijn. Uitgaande van het huidige plafond van €|450,-, wordt het plafond aldus verhoogd tot maximaal €|900,- (uitgaande van
twee kalenderjaren) of €|1350,- (uitgaande van drie kalenderjaren).
Voorwaarde is dat de betreffende dienstbetrekking in deze kalenderjaren
heeft bestaan en het geldt slechts voor zover de werknemer in deze jaren
geen gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling. Indien de situatie zich
voordoet dat er sprake is van het aanschaffen van producten uit eigen
bedrijf boven het jaarmaximum, wordt eerst het jaarmaximum van €|450,-
van het betreffende jaar gebruikt, waarna de ruimte van het voorgaande
jaar wordt benut en vervolgens de ruimte van het jaar daarvoor.
Onderdeel
D
Artikel I, onderdeel D, voegt
artikel 36b in de Regeling vergoeding gemengde
kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
in. Het eerste lid maakt het mogelijk om de regeling
zoals die gold tot 1 januari 2003 in het gehele kalenderjaar 2003 toe te
passen. Gedurende 2003 kunnen werkgevers de eerder gekozen toepassing
dus voortzetten. De werkgevers hebben een keuzemogelijkheid. Met
betrekking tot 2004 en de daaropvolgende jaren moet men absoluut voldoen
aan de voorwaarden genoemd in artikel 23 zoals dat is komen te luiden op
grond van de onderhavige regeling. Het tweede lid van artikel
36b regelt
dat mag worden aangenomen dat er in de jaren 2001 en 2002 plafonds
bestonden van €|450,-. In het derde lid van
artikel 23 is bepaald dat het
maximum van €|450,- verhoogd kan worden met de plafonds van de twee
voorgaande jaren voor zover die toen nog niet zijn gebruikt en de
dienstbetrekking in die jaren wel bestond. Omdat er in de jaren 2001 en
2002 nog geen plafond was vastgesteld, is hier bepaald dat mag worden
aangenomen dat het plafond in die jaren ook €|450,-
was. Deze plafonds
kunnen in 2003 slechts benut worden voor zover er in de jaren 2001 en
2002 geen gebruik is gemaakt van de regeling voor producten uit eigen
bedrijf in artikel 23 en de dienstbetrekking in die jaren wel bestaan
heeft. In het derde lid van artikel
36b is een overgangsregeling
opgenomen overeenkomstig het tweede lid, voor het geval gebruik wordt
gemaakt van de in het eerste lid opgenomen regeling. Indien er wordt
gekozen met betrekking tot 2003 gebruik te maken van de regeling, zoals
die luidde op 31 december 2002, wordt dus voor de jaren 2002 en 2003
aangenomen dat er een plafond was van €|450,-.
Artikel
II, III en IV.
Wijziging van de Dagloonregels WAO, de Dagloonregels ZW en
de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
Op grond van artikel 1, eerste lid, van de
Dagloonregels WAO, de Dagloonregels ZW en de
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid wordt bij het vaststellen van het dagloon aangesloten
bij het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering. In
artikel 1, derde lid, van die regelingen wordt bepaald welke
loonelementen in afwijking van het eerste lid niet worden geacht tot het
loon te behoren. Aangezien met betrekking tot de producten uit eigen
bedrijf bij het vaststellen van het dagloon wordt aangesloten bij het
premieloon kunnen artikel 1, derde lid, onderdeel
t, van de
Dagloonregels WAO, artikel 1, derde lid, onderdeel
y, van de
Dagloonregels ZW en artikel 1, derde lid, onderdeel
x, van de
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
vervallen.
Artikel
VI. Inwerkingtreding
Aan deze regeling wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1
januari 2003 om twee redenen. Ten eerste is het wenselijk dat de
premieheffing voor de werknemersverzekeringen in overeenstemming is met
de belastingheffing. Ten tweede is van belang dat vergoedingen en
verstrekkingen bij het vaststellen van het premieloon worden bezien over
een periode van één jaar. Indien geen terugwerkende kracht zou worden
verleend, zouden er met betrekking tot een periode van één jaar twee
vaststellingsmethoden moeten worden toegepast ten aanzien van één
soort verstrekking of vergoeding. Dit stuit op uitvoeringsproblemen voor
werkgevers en voor het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|
|