St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Coördinatiewet Sociale Verzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  HERZIENING  WAARDERING  PRODUCTEN  UIT  EIGEN  BEDRIJF
 
 

18 september 2003, Stcrt. 2003, 185
Inwerkingtreding: 27 september 2003
(T.a.v. artt. 6:5 en 8:2 CSV, 15:1 en 15:2 ZW, 14:1 en 14:2 WAO en 34:2, 34:3 en 34:6 IWS)

 

  
 

 

 
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 september 2003, nr. SV/F&W/03/71533, tot wijziging van de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 en enige dagloonregelingen   in verband met coördinatie met de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 6, vijfde lid, en 8, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, 15, eerste en tweede lid, van de Ziektewet, 14, eerste en tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en 34, tweede, derde en zesde lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid;

     Besluit:

 

 

Art. I. Wijziging Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
De Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 12, eerste lid, onderdeel b, wordt de zinsnede "voor alle werknemers" vervangen door: voor alle of nagenoeg alle werknemers.
B.
In artikel 15 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 beschouwd de vergoeding ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en de verstrekking in de vorm van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
C.
Artikel 23 komt als volgt te luiden:
Art. 23. Producten uit eigen bedrijf
-1. Vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de werkgever dan wel bij een met de werkgever verbonden vennootschap van branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever dan wel van het bedrijf van een met de werkgever verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, worden geacht te strekken tot bestijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten met een maximum van €|450,00 per kalenderjaar.
-2. Verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever dan wel van het bedrijf van een met de werkgever verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten met een maximum van €|450,00 per kalenderjaar.
-3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen, voor zover deze bedragen nog niet zijn benut. De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond.
-4. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen.
D.
Na artikel 36a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 36b. Overgangsregeling producten uit eigen bedrijf
-1. Naar keuze van de werkgever blijft artikel 23 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002 in het kalenderjaar 2003 van toepassing in plaats van artikel 23 zoals dat luidde op 1 januari 2003.
-2. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid, eerste volzin, wordt aangenomen dat voor de jaren 2001 en 2002 een bedrag van €|450,00 heeft gegolden.
-3. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid, eerste volzin, wordt aangenomen dat voor de jaren 2002 en 2003 een bedrag van €|450,00 heeft gegolden indien de werkgever met toepassing van het eerste lid heeft gekozen voor de toepassing in het kalenderjaar 2003 van artikel 23 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002.
-4. De toepassing van artikel 23 zoals dat luidt op grond van de Regeling herziening waardering producten uit eigen bedrijf leidt niet tot een wijziging van op de datum van inwerkingtreding van die regeling reeds vastgestelde daglonen op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.

 

Art. II. Wijziging Dagloonregels WAO
Artikel 1, derde lid, onderdeel t, van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 615242, vervalt.

 

Art. III. Wijziging Dagloonregels ZW
Artikel 1, derde lid, onderdeel y, van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 615253, vervalt.

 

Art. IV. Wijziging Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
Artikel 1, derde lid, onderdeel x, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid vervalt.

 

Art. V. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling herziening waardering producten uit eigen bedrijf.

 

Art. VI. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2003.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 18 september 2003.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

TOELICHTING
[18 september 2003]

 

Algemeen

 

     De onderhavige regeling ziet op wijziging van vier regelingen: de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 en een drietal dagloonregelingen. Dat betreft de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 61524 (Stcrt. 1967, 126) (hierna Dagloonregels WAO), de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1967, nr. 61525 (Stcrt. 1967, 162) (hierna Dagloonregels ZW) en de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. Met deze wijzigingsregeling wordt voor de premieheffing voor de werknemersverzekeringen aangesloten bij de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (Uitvoeringsregeling LB). Discoördinatie met de belastheffing wordt door deze aanpassing voorkomen. De genoemde dagloonregelingen worden hieraan aangepast.
     Naast enkele technische aanpassingen is er sprake van een beleidsinhoudelijke wijziging ten aanzien van de waardering van producten uit eigen bedrijf voor de premieheffing en uitkeringsverstrekkingen op grond van werknemersverzekeringen.
     Artikel 23 van de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 heeft betrekking op vergoedingen ter zake van de aanschaf van en verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever dan wel van het bedrijf van een met de werkgever verbonden vennootschap. Artikel 41 van de Uitvoeringsregeling LB, dat ook betrekking heeft op producten uit eigen bedrijf, is gewijzigd per 3 april 2003, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003. Vóór de inwerkingtreding van die wijziging en de onderhavige wijziging was de regeling als volgt. Belasting en premie werden geheven over vergoedingen en verstrekkingen van producten uit het eigen bedrijf van de werkgever tegen de integrale kostprijs van deze producten. De vergoedingen en verstrekkingen boven de integrale kostprijs waren belastingvrij en premievrij voor zover de hoeveelheid ervan niet uitging boven het normale gezinsgebruik. Bij de bepaling van de uitkeringshoogte voor een WW-, ZW- of WAO-uitkering werd de integrale kostprijs minus de eigen bijdrage voor een product uit eigen bedrijf meegenomen in het loon.
     Het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2002, nr. 37 934 (onder meer gepubliceerd in VN 2002/50.13) heeft ertoe geleid dat het begrip integrale kostprijs dient te worden opgevat als de kostprijs inclusief alle aan de desbetreffende goederen toe te rekenen kosten. Hiertoe behoren de variabele en de vaste kosten, die zouden moeten worden gebaseerd op een realistische begroting voor het desbetreffende jaar. In de praktijk zouden als gevolg van het arrest grote problemen ontstaan met betrekking tot de vaststelling van de integrale kostprijs. In veel gevallen zouden onbelaste kortingen op producten uit het eigen bedrijf niet, althans niet eenvoudig, mogelijk zijn. Hierin heeft de Staatssecretaris van Financiën een aanleiding gezien om een nieuwe regeling te treffen ten aanzien van de waardering van producten uit eigen bedrijf. De nieuwe regeling knoopt aan bij de waarde in het economische verkeer. Deze herziening is tevens aangegrepen om door middel van een eenvoudig uitvoerbaar criterium excessen te voorkomen. De onderhavige wijziging ziet op een aanpassing van voornoemd artikel 23 aan artikel 41 van de Uitvoeringsregeling LB zoals dat thans luidt.
     Aan de regeling voor producten uit eigen bedrijf is terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2003. Voor het jaar 2003 geldt een keuzeregeling. De werkgever kan ervoor kiezen om in 2003 de regeling toe te passen zoals die gold tot en met 31 december 2002 of om de regeling toe te passen zoals die geldt op grond van artikel 23 zoals dat luidt na de inwerkingtreding van deze regeling. Op deze wijze wordt volledig gecoördineerd met de belastingheffing en kunnen bestaande regelingen met betrekking tot producten uit eigen bedrijf in 2003 nog ongewijzigd worden voortgezet.
     Bij het vaststellen van de daglonen wordt met betrekking tot de producten uit eigen bedrijf aangesloten bij de regeling zoals hierboven beschreven met betrekking tot het premieloon. Op deze wijze wordt voorkomen dat werkgevers dit loonbestanddeel op verschillende manieren moeten administreren. Bovendien blijven rechten en plichten op deze manier in evenwicht. De keuzeregeling met betrekking tot het jaar 2003 leidt ertoe dat de keuze van de werkgever met betrekking tot premieheffing over producten uit eigen bedrijf kan doorwerken naar de daglonen bij een eventuele uitkeringsvaststelling. Reeds vastgestelde daglonen worden evenwel niet gewijzigd. Op deze manier wordt tegengegaan dat er extra uitvoeringskosten voor Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en extra administratieve lasten voor werkgevers zouden ontstaan als gevolg van de overgangssituatie. Daarnaast kunnen zo geen negatieve (maar ook geen positieve) wijzigingen met terugwerkende kracht ontstaan in de uitkeringshoogte van reeds vastgestelde uitkeringen.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel I. Wijziging van de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002


Onderdeel A

     Artikel 12 van de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 heeft betrekking op vergoedingen en verstrekkingen ter zake van bedrijfsfitness. Dit artikel is per 26 maart 2003 gewijzigd met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003 om artikel 12 weer in overeenstemming te brengen met artikel 29 van de Uitvoeringsregeling LB. Deze wijziging was niet volledig. Artikel I, onderdeel A, corrigeert dit.


Onderdeel B

     Artikel 15 van de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 heeft betrekking op vergoedingen en verstrekkingen met betrekking tot het genot van een woning. De onderhavige wijziging, het toevoegen van een vierde lid, ziet op een aanpassing aan artikel 33, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling LB. Dat artikellid is voor de volledigheid toegevoegd aan artikel 33 van de Uitvoeringsregeling LB. Het uitgangspunt van de regeling bij de invoering was om als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aan te merken het loon exclusief de vergoeding of verstrekking inzake de woning. In de oude tekst kon ook gelezen worden dat uitgegaan moest worden van het loon inclusief de vergoeding of verstrekking. Door toevoeging van het vierde lid aan artikel 15 worden discussies over dit punt voorkomen.


Onderdeel C

     Artikel 23 van de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 zoals dit is komen te luiden, kent, evenals dat artikel zoals het tot op heden luidde, de mogelijkheid voor de werknemer om branche-eigen producten van de werkgever af te nemen, zonder dat dit leidt tot een verhoging van het premieloon. De voorwaarden waaronder dit kan gebeuren, zijn evenwel gewijzigd. De begrippen integrale kostprijs en gezinsconsumptie zijn losgelaten. Daarvoor in de plaats is aangeknoopt bij de waarde in het economische verkeer en is een forfaitair percentage vastgesteld. De werknemer mag maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer van het product ontvangen als vrije vergoedingen en verstrekkingen. Om excessen te voorkomen, kent deze regeling een plafond van €|450,- waarboven de vergoedingen en verstrekkingen wel tot het premieloon behoren. Hierdoor bestaat geen behoefte meer aan het lastig uitvoerbare criterium dat de producten moeten passen binnen de normale gezinsconsumptie van de werknemer. Het bedrag van €|450,- zal jaarlijks geïndexeerd worden.
     Voor de situaties dat er sprake is van het aanschaffen van relatief dure producten in een bepaald jaar is het derde lid opgenomen. Dit lid biedt de mogelijkheid om de niet-gebruikte ruimte tot het plafond in de twee daaropvolgende jaren te gebruiken. De niet-gebruikte ruimte kan dus het geheel, maar ook een deel van de ruimte tot het plafond zijn. Uitgaande van het huidige plafond van €|450,-, wordt het plafond aldus verhoogd tot maximaal €|900,- (uitgaande van twee kalenderjaren) of €|1350,- (uitgaande van drie kalenderjaren). Voorwaarde is dat de betreffende dienstbetrekking in deze kalenderjaren heeft bestaan en het geldt slechts voor zover de werknemer in deze jaren geen gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling. Indien de situatie zich voordoet dat er sprake is van het aanschaffen van producten uit eigen bedrijf boven het jaarmaximum, wordt eerst het jaarmaximum van €|450,- van het betreffende jaar gebruikt, waarna de ruimte van het voorgaande jaar wordt benut en vervolgens de ruimte van het jaar daarvoor.


Onderdeel D

     Artikel I, onderdeel D, voegt artikel 36b in de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 in. Het eerste lid maakt het mogelijk om de regeling zoals die gold tot 1 januari 2003 in het gehele kalenderjaar 2003 toe te passen. Gedurende 2003 kunnen werkgevers de eerder gekozen toepassing dus voortzetten. De werkgevers hebben een keuzemogelijkheid. Met betrekking tot 2004 en de daaropvolgende jaren moet men absoluut voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 23 zoals dat is komen te luiden op grond van de onderhavige regeling. Het tweede lid van artikel 36b regelt dat mag worden aangenomen dat er in de jaren 2001 en 2002 plafonds bestonden van €|450,-. In het derde lid van artikel 23 is bepaald dat het maximum van €|450,- verhoogd kan worden met de plafonds van de twee voorgaande jaren voor zover die toen nog niet zijn gebruikt en de dienstbetrekking in die jaren wel bestond. Omdat er in de jaren 2001 en 2002 nog geen plafond was vastgesteld, is hier bepaald dat mag worden aangenomen dat het plafond in die jaren ook €|450,- was. Deze plafonds kunnen in 2003 slechts benut worden voor zover er in de jaren 2001 en 2002 geen gebruik is gemaakt van de regeling voor producten uit eigen bedrijf in artikel 23 en de dienstbetrekking in die jaren wel bestaan heeft. In het derde lid van artikel 36b is een overgangsregeling opgenomen overeenkomstig het tweede lid, voor het geval gebruik wordt gemaakt van de in het eerste lid opgenomen regeling. Indien er wordt gekozen met betrekking tot 2003 gebruik te maken van de regeling, zoals die luidde op 31 december 2002, wordt dus voor de jaren 2002 en 2003 aangenomen dat er een plafond was van €|450,-.

 

Artikel II, III en IV. Wijziging van de Dagloonregels WAO, de Dagloonregels ZW en de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid

     Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Dagloonregels WAO, de Dagloonregels ZW en de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid wordt bij het vaststellen van het dagloon aangesloten bij het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. In artikel 1, derde lid, van die regelingen wordt bepaald welke loonelementen in afwijking van het eerste lid niet worden geacht tot het loon te behoren. Aangezien met betrekking tot de producten uit eigen bedrijf bij het vaststellen van het dagloon wordt aangesloten bij het premieloon kunnen artikel 1, derde lid, onderdeel t, van de Dagloonregels WAO, artikel 1, derde lid, onderdeel y, van de Dagloonregels ZW en artikel 1, derde lid, onderdeel x, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid vervallen.

 

Artikel VI. Inwerkingtreding

     Aan deze regeling wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2003 om twee redenen. Ten eerste is het wenselijk dat de premieheffing voor de werknemersverzekeringen in overeenstemming is met de belastingheffing. Ten tweede is van belang dat vergoedingen en verstrekkingen bij het vaststellen van het premieloon worden bezien over een periode van één jaar. Indien geen terugwerkende kracht zou worden verleend, zouden er met betrekking tot een periode van één jaar twee vaststellingsmethoden moeten worden toegepast ten aanzien van één soort verstrekking of vergoeding. Dit stuit op uitvoeringsproblemen voor werkgevers en voor het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x