|
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf;
Gelet op
artikel 6, tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering;
Gehoord de
Sociale Verzekeringsraad;
Besluit:
Art. 1.
De vergoeding die de
werknemer ontvangt ter zake van werkzaamheden die hij niet bij
wijze van beroep in dienstbetrekking verricht voor doorgaans één
privaatrechtelijk of publiekrechtelijk lichaam dat niet aan de
heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen, dan wel voor
doorgaans één sportvereniging of -stichting die op grond van artikel
2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 aan de vennootschapsbelasting is
onderworpen, wordt geacht te strekken tot bestrijding van kosten
ter behoorlijke vervulling van dienstbetrekking indien de waarde
of het bedrag van die vergoeding doorgaans niet meer bedraagt dan
€|21,00 per week, doch ten hoogste €|735,00 per jaar.
Art. 2.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 1985.
's-Gravenhage, 28 augustus 1984.
De Staatssecretaris voornoemd,
L. de Graaf.
|
|