|
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken;
Gelet op
artikel 8, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering;
Gehoord de
Sociale Verzekeringsraad;
Besluit:
Art. 1.
De geldswaarde van een
aanspraak op toekomstige of voorwaardelijke uitkeringen, bedoeld
in artikel 4, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering,
wordt, indien de werkgever bij een derde stortingen verricht teneinde de aanspraak te dekken, gesteld op de bedragen van deze
stortingen. Worden geen stortingen verricht, dan wordt de
geldswaarde van de aanspraak gesteld op de bedragen welke naar
schatting door de werkgever gestort zouden moeten worden.
Art. 2.
In afwijking van artikel
1 kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten
aanzien van bepaalde gevallen of groepen van gevallen de
geldswaarde van een aanspraak vaststellen.
Art. 3.
Voor de berekening van
het loon waarover de premies op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de
Ziekenfondswet worden geheven, worden rente- en kostenvoordelen
uit personeelsleningen, voor zover deze - zo de werknemer deze
zelf zou betalen - in het kalenderjaar waarin het desbetreffende
loontijdvak valt aftrekbare kosten zouden vormen in de zin van de
artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, op nihil gesteld, onder de volgende voorwaarden:
a. de werknemer
verklaart schriftelijk aan de werkgever, onder vermelding van
het bestedingsdoel en onder bijvoeging van afschriften van
aankoopbewijzen en onkostennota's en dergelijke, dat en in
hoeverre de lening kan worden aangemerkt als een lening
waarvan de rente en de kosten aftrekbare kosten zijn in de
zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet
inkomstenbelasting 2001; en
b. de werkgever
bewaart de in onderdeel a bedoelde schriftelijke verklaringen
van de werknemer bij de loonadministratie en vermeldt
jaarlijks op de loonbelastingkaart van de werknemer door
middel van een codering dat sprake is van een personeelslening
waarbij hij de rente- en/of kostenvoordelen (gedeeltelijk)
niet tot het loon heeft gerekend.
Art. 3a.
-1. Onverminderd artikel
3 wordt voor de berekening van het loon waarover de
premies op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet
en de Ziekenfondswet
worden geheven, het rentevoordeel ter zake van een door de
werkgever dan wel een met de werkgever verbonden vennootschap
aan de werknemer verstrekte geldlening, voor zover de rente die
ter zake van de geldlening in het economische verkeer
verschuldigd zou zijn hoger is dan 4,4% per jaar, op nihil
gesteld.
-2. Voor de berekening
van het loon waarover de premies op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet
en de Ziekenfondswet
worden geheven, wordt, in zoverre in afwijking van het eerste
lid, het rentevoordeel ter zake van een door de werkgever dan
wel door een met de werkgever verbonden vennootschap aan de
werknemer verstrekte geldlening, voor zover de werknemer het
geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de
plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen
vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel op
nihil zou zijn gesteld, hetzij op grond van artikel
6, eerste
lid, aanhef
en onder y of onder z, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekeringen niet tot het loon zou hebben behoord, op
nihil gesteld.
Art. 3b.
Voor de toepassing van artikel 3a, tweede lid, geldt met betrekking tot de kalenderjaren 2001
en 2002 dat een werknemer wordt geacht de bedoelde geldlening of
geldleningen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste €
3403,00 (ƒ7499,00) op een dusdanige wijze aan te wenden dat een
in de plaats van de lening of leningen voor de desbetreffende
aanwending gekomen vergoeding of verstrekking geheel of nagenoeg
geheel op nihil zou zijn gesteld.
Art. 3c.
Ingeval in een reeds op
31 december 1996 bestaande of aansluitend naar strekking ter zake
ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of
collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen,
vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, wordt,
in afwijking van artikel
1, de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon
verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee
overeenkomende aanspraken gesteld op een percentage van de
nominale waarde van die bonnen of aanspraken.
Het in de eerste zin
bedoelde percentage bedraagt voor:
1999: 77,5;
2000: 80;
2001: 82,5;
2002: 85;
2003: 87,5;
2004: 90;
2005: 92,5
Art. 4.
Deze beschikking treedt
in werking op de eerste dag na die waarop zij in de
Nederlandse Staatscourant is geplaatst en werkt terug tot 1 Januari 1954.
's-Gravenhage, 3 September 1954.
De Staatssecretaris voornoemd,
A.A. van Rhijn.
|
|