|
19 december 2001/nr. SV/AVF/2001/87211
Directie Sociale Verzekeringen
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F.
Hoogervorst;
Gelet op de artikelen 6, achtste lid, en
8,
tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering;
Besluit:
HOOFDSTUK
1
Regels inzake
de vergoeding van gemengde kosten
Art. 1.
Vergoedingen die
niet geacht worden te strekken tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking
De vergoeding die de
werknemer ontvangt ter zake van kosten - lasten en afschrijvingen op goederen
daaronder begrepen - die verband
houden met de hierna genoemde posten,
wordt geacht niet te strekken tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking:
a. telefoonabonnementen, behoudens voor zover het betreft
het tweede en volgende telefoonabonnement van de werknemer waarvan het
zakelijk karakter van meer dan bijkomend belang is;
b. kleding, met uitzondering
van werkkleding;
c. persoonlijke verzorging
van de werknemer, tenzij het een
werknemer betreft die optreedt als
artiest of als presentator of die als
beroep een tak van sport beoefent;
d. personeelsverenigingen en dergelijke;
e. geldboeten opgelegd door
een Nederlandse strafrechter en
geldsommen betaald aan de Staat ter
voorkoming van strafvervolging in Nederland of ter voldoening
aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot gratieverlening,
alsmede administratieve sancties
opgelegd ingevolge de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Art. 2.
Vergoedingen die
geacht worden te strekken tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking
-1. De vergoeding die de
werknemer ontvangt ter zake van het
gezamenlijke bedrag van de kosten - lasten en afschrijvingen op goederen
daaronder begrepen - die verband houden met een hierna genoemde post,
wordt geacht te strekken tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, voor zover de vergoeding niet meer beloopt
dan de aangegeven normering:
a. verhuizing: de kosten van
het overbrengen van de inboedel, vermeerderd met 12 procent van het
jaarloon of het tot jaarloon herleide
bedrag van het in het kalenderjaar genoten loon uit de dienstbetrekking in
verband waarmee de werknemer
verhuist, doch met niet meer dan €|5445,00;
b. huisvesting van de
werknemer buiten zijn woonplaats: het
werkelijke bedrag gedurende ten hoogste
twee jaren.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, wordt het
loon in aanmerking genomen met
inachtneming van het volgende:
a. artikel 6, eerste lid,
onderdeel j, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering vindt geen toepassing;
b. tantièmes en toevallige
bijzondere beloningen alsmede tot het
loon behorende aanspraken worden
niet in aanmerking genomen.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, verhuist
de werknemer in ieder geval in het kader
van de dienstbetrekking ingeval
hij binnen twee jaar na de aanvaarding
van een nieuwe dienstbetrekking of
na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking:
a. verhuist naar een woning
binnen een afstand van 10 kilometer
van de nieuwe plaats van zijn
dienstbetrekking terwijl hij op een afstand
groter dan 10 kilometer van deze plaats woonde; of
b. door verhuizing de
afstand tussen zijn woning en de plaats van
zijn dienstbetrekking met ten
minste 50 percent en ten minste 10
kilometer bekort.
-4. Onder de afstand, bedoeld
in het derde lid, wordt verstaan
de afstand gemeten langs de meest
gebruikelijke weg.
Art. 3.
Schriftelijke
vastgelegde regeling, bedoeld in artikel
6, eerste lid, onderdeel z, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering
(aanvullende voorwaarden telewerken)
-1. De schriftelijke
regeling, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onderdeel z, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, voorziet ten
minste in een gedagtekende overeenkomst, waarin opgave wordt gedaan
van:
a. naam en adres van de
werknemer en de werkgever;
b. de dag of dagen in de
week waarop de werknemer in de
werkruimte, bedoeld in het tweede lid,
pleegt te werken.
-2. De inrichting van de
werkruimte in de woning, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel z, onder 2º,
van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, voldoet aan de in de artikelen 5.15 en 6.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit
gestelde voorschriften.
HOOFDSTUK
2
Regels inzake
de waardering van loon in natura en van
vergoedingen en verstrekkingen
Art. 4.
Normeringen en
beperkingen
-1. Indien op grond van dit
hoofdstuk een verstrekking vanaf een bepaald bedrag een verstrekking is in de zin van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van
de Coördinatiewet
Sociale Verzekering en daarbeneden niet, wordt een dergelijke
verstrekking tot dit bedrag tot het loon gerekend.
-2. Indien een in dit
hoofdstuk opgenomen artikel zowel betrekking
heeft op de waardering van een
vergoeding als van een verstrekking,
geldt, indien een bedrag is opgenomen dat
niet als vergoeding of verstrekking
in de zin van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering wordt
aangemerkt, dat bedrag voor vergoedingen en
verstrekkingen tezamen.
Art. 5.
In aftrek brengen
kosten werknemer
De op grond van dit
hoofdstuk in aanmerking te nemen waarde
of het op grond van dit hoofdstuk
in aanmerking te nemen bedrag van het gedeelte van de vergoeding
of verstrekking dat niet een vergoeding of verstrekking is in de zin
van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van
de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in
rekening wordt gebracht, met dien
verstande dat de aldus berekende
waarde of het aldus berekende bedrag ten
minste op nihil wordt gesteld.
Art. 6.
Waarde
aandelenoptierecht
De waarde van een niet ter
beurze genoteerd aandelenoptierecht
wordt gesteld overeenkomstig
artikel 20 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001.
Art. 7.
Waarde
verstrekkingen
De waarde in het economisch
verkeer van verstrekkingen van ten
hoogste €|272,00 per jaar en ten
hoogste €|136,00 per verstrekking
als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 wordt op nihil gesteld.
Art. 8.
Waarde
achtergestelde vliegvervoerbewijzen c.a.
De waarde van aan de
werknemer verstrekte achtergestelde
vliegvervoerbewijzen door luchtvaartmaatschappijen en aanverwante bedrijven als
bedoeld in artikel 82,
eerste lid, onderdeel i, van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 wordt op nihil gesteld.
Art. 9.
Waarde kleding
meewerkende kinderen
De waarde van kleding voor
een kind dat werkzaam is in de
onderneming van zijn ouder wordt gesteld
op €|30,50 per maand (€|7,00
per week; €|1,40 per dag).
Art. 10.
Werkruimte
-1. Vergoedingen ter zake van
werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de
aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer worden geacht te strekken
tot bestrijding van kosten
ter behoorlijke vervulling van
de dienstbetrekking voor zover deze niet meer bedragen dan 20% van de huur
dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de
werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als
bedoeld in artikel 3.111 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de
voet van artikel 3.19, tweede lid,
van die
wet.
-2. In afwijking van het
eerste lid zijn vergoedingen ter zake van
werkruimte, de inrichting daaronder
begrepen, in de woning, de
aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer geen vergoedingen in de zin
van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k,
van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, indien:
a. ingeval de werknemer
tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij
het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat
uit overige werkzaamheden in de zin van
de Wet
inkomstenbelasting 2001 en winst uit één of meer ondernemingen in
de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in de
werkruimte in die woning verwerft;
b. ingeval de werknemer niet
tevens soortgelijke werkruimte
buiten die woning ter beschikking
heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn
belastbare loon, belastbare resultaat
uit overige werkzaamheden in de
zin van de Wet inkomstenbelasting
2001 en winst uit één of meer
ondernemingen in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in
of vanuit de werkruimte in die
woning verwerft of niet in
belangrijke mate in die werkruimte in die woning
verwerft.
-3. Verstrekkingen van
werkruimte, de inrichting daaronder
begrepen, in de woning, de aanhorigheden
daaronder begrepen, van de werknemer
worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, voor zover de waarde in het economisch
verkeer niet meer bedraagt dan 20%
van de huur dan wel van de
huurwaarde van de woning, met inbegrip van
de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als
bedoeld in artikel 3.111 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde
huurwaarde bepaald op de
voet van artikel 3.19, tweede lid,
van die
wet.
-4. In afwijking van het
derde lid zijn verstrekkingen van
werkruimte, de inrichting daaronder
begrepen, in de woning, de aanhorigheden
daaronder begrepen, van de werknemer
geen verstrekkingen in de zin van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van
de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, indien:
a. ingeval de werknemer
tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij
het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat
uit overige werkzaamheden in de zin van
de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit één of meer ondernemingen in
de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in de
werkruimte in die woning verwerft;
b. ingeval de werknemer niet
tevens soortgelijke werkruimte
buiten die woning ter beschikking
heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn
belastbare loon, belastbare resultaat
uit overige werkzaamheden in de
zin van de Wet inkomstenbelasting
2001 en winst uit één of meer
ondernemingen in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in
of vanuit de werkruimte in die
woning verwerft of niet in
belangrijke mate in de werkruimte in die woning
verwerft.
Art. 11.
Openbaarvervoerkaart
-1. Vergoedingen ter zake van
een recht op vrij reizen per
Nederlands openbaar vervoer dat niet is
beperkt tot reizen over een vast
traject ten behoeve van
woon-werkverkeer, worden geacht een vergoeding te
zijn als bedoeld in
artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering indien
aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voor zover de vergoedingen meer bedragen dan de
volgende bedragen: per persoon die
van dat recht gebruik kan maken,
minderjarige kinderen en pleegkinderen
van de werknemer daaronder niet
begrepen, €|54,00 per jaar, dan wel,
indien recht bestaat op reizen per
1e klas, €|82,00 per jaar.
-2. Verstrekkingen ter zake
van een recht op vrij reizen per
Nederlands openbaar vervoer dat niet is
beperkt tot reizen over een vast
traject ten behoeve van
woon-werkverkeer, worden geacht een verstrekking te
zijn als bedoeld in
artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering indien
aannemelijk is dat het recht op vrij reizen
mede dient ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voor zover de waarde
in het economische verkeer
van de verstrekkingen meer bedraagt
dan de volgende bedragen: per
persoon die van dat recht gebruik kan
maken, minderjarige kinderen en
pleegkinderen van de werknemer daaronder
niet begrepen, €|54,00 per jaar,
dan wel, indien recht bestaat op
reizen per 1e klas, €|82,00 per jaar.
Art. 12.
Bedrijfsfitness
-1. Vergoedingen en verstrekkingen ter zake
van bedrijfsfitness zijn volledig vergoedingen respectievelijk
verstrekkingen als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voor
zover:
a. deelneming aan bedrijfsfitness
geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt gedurende de werktijd; en
b. deelneming aan bedrijfsfitness openstaat voor alle of nagenoeg alle
werknemers of openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers met
dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van één van
deze werknemers.
-2. Onder bedrijfsfitness als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan: conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt
onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt
door de werkgever.
Art. 13.
Maaltijden
waarbij het zakelijke karakter van meer
dan bijkomend belang is (niet meer dan 80)
Vergoedingen en
verstrekkingen ter zake van maaltijden waarbij
het zakelijke karakter van meer dan
bijkomend belang is, zijn, voor zover
het aantal maaltijden per
kalenderjaar niet meer dan 80 bedraagt,
vergoedingen respectievelijk
verstrekkingen in de zin van
artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
Art. 14.
Maaltijden
waarbij het zakelijke karakter van meer
dan bijkomend belang is (meer dan 80)
-1. Vergoedingen ter zake van
maaltijden waarbij het zakelijke
karakter van meer dan bijkomend
belang is, worden, voor zover het aantal
maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voor zover deze
vergoedingen meer bedragen dan €|1,55 voor een ontbijt,
€|1,55
voor een koffiemaaltijd en €|3,10 voor een warme maaltijd, geacht te strekken
tot bestrijding van kosten ter
behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking.
-2. Verstrekkingen van
maaltijden waarbij het zakelijke
karakter van meer dan bijkomend belang is,
worden, voor zover het aantal
maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voor zover de
waarde in het economische verkeer van
deze verstrekkingen hoger is dan
de in het eerste lid genoemde
bedragen, geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling
van de dienstbetrekking.
-3. Indien de in het eerste
lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en
verstrekkingen mede betrekking hebben op maaltijden van de
gezinsleden van de werknemer, worden de in
het eerste lid genoemde bedragen
verhoogd:
a. voor ieder gezinslid dat
bij het begin van het kalenderjaar
de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt:
met 80%;
b. voor ieder gezinslid dat
bij het begin van het kalenderjaar
de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft
bereikt: met 50%;
c. voor ieder gezinslid dat
bij het begin van het kalenderjaar
de leeftijd van 12 jaar niet heeft
bereikt: met 30%.
Art. 15.
Genot van een
woning
-1. Vergoedingen ter zake van het genot van
een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking worden
aangemerkt als vergoedingen in de zin van
artikel 6, eerste lid,
onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, voor zover
de vergoeding:
a. op jaarbasis meer bedraagt dan
18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964 bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per
kalenderweek; of
b. meer bedraagt dan het op verzoek
van de werknemer door de inspecteur der rijksbelastingen bij voor
bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.
-2. Verstrekkingen in de vorm van het genot
van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking worden
aangemerkt als verstrekkingen in de zin van
artikel 6, eerste lid,
onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, voor zover
de waarde in het economische verkeer:
a. meer bedraagt dan 18% van het
voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 bij een
overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek; of
b. meer bedraagt dan het op verzoek
van de werknemer door de inspecteur der rijksbelastingen bij voor
bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.
-3. De beschikking van de
inspecteur der rijksbelastingen, die te
allen tijde bij nadere, voor bezwaar
vatbare, beschikking kan worden
herroepen, vindt toepassing met betrekking tot loontijdvakken die ten tijde
van de beschikking nog niet zijn
verstreken.
-4. Voor de toepassing van dit artikel
wordt niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in de
Wet op de loonbelasting 1964 beschouwd de vergoeding ter zake van het
genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking
en de verstrekking in de vorm van het genot van een woning ter
behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.¹
Zie artikel
I, onderdeel B, van de Regeling
herziening waardering producten uit eigen bedrijf en de toelichting
daarop, red.
Art. 16.
Genot van
bewassing, energie en water
-1. Vergoedingen ter zake van
bewassing, energie en water ter
behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking worden aangemerkt als
vergoedingen in de zin van
artikel 6,
eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, voor zover de vergoeding meer bedraagt dan het
volgende bedrag:
a. voor bewassing: €|14,50
per maand (€|3,25 per week, €|0,65
per dag);
b. voor energie ten behoeve
van verwarmingsdoeleinden: €|36,25 per maand
(€|8,25 per week, €|1,65 per dag);
c. voor energie ten behoeve
van kookdoeleinden: €|20,00 per
maand (€|4,50 per week, €|0,90
per dag);
d. voor energie ten behoeve
van andere dan verwarmings- en
kookdoeleinden: €|12,50 per maand (€|3,00 per week,
€|0,60
per dag);
e. voor water: €|6,00 per
maand (€|1,50 per week, €|0,30
per dag).
-2. Verstrekkingen in de vorm
van bewassing, energie en water
ter behoorlijke vervulling van
de dienstbetrekking worden aangemerkt
als verstrekkingen in de zin van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van
de Coördinatiewet
Sociale Verzekering voor zover de waarde in het
economische verkeer hoger is dan het ter
zake in het eerste lid genoemde
bedrag.
Art. 17.
Inwoning
-1. Vergoedingen ter zake van
inwoning ter behoorlijke vervulling
van de dienstbetrekking worden
aangemerkt als vergoedingen in de zin
van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k,
van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering voor zover de vergoeding meer bedraagt dan €|136,50 per
maand (€|31,50 per week, €|6,30
per dag).
-2. Verstrekkingen in de vorm
van inwoning ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking
worden aangemerkt als verstrekkingen in de zin van
artikel 6, eerste lid,
onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering voor zover de
waarde in het economische verkeer
hoger is dan het ter zake in het eerste
lid genoemde bedrag.
-3. Indien de in het eerste
lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en
verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de
gezinsleden van de werknemer, worden de in
het eerste lid genoemde bedragen
verhoogd:
a. voor ieder gezinslid dat
bij het begin van het kalenderjaar
de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt:
met 80%;
b. voor ieder gezinslid dat
bij het begin van het kalenderjaar
de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft
bereikt: met 50%;
c. voor ieder gezinslid dat
bij het begin van het kalenderjaar
de leeftijd van 12 jaar niet heeft
bereikt: met 30%.
Art. 18.
Voordeelurenkaart
-1. Vergoedingen ter zake van
het recht op vermindering tot
maximaal 50% van de prijs van
vervoerbewijzen voor het reizen per
Nederlands openbaar vervoer in hoofdzaak buiten
de ochtendspits (voordeelurenkaart) worden, indien aannemelijk
is dat de voordeelurenkaart mede dient
ter behoorlijke vervulling van
de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer, aangemerkt als vergoedingen
in de zin van
artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
-2. Verstrekkingen van het
recht op vermindering tot maximaal
50% van de prijs van vervoerbewijzen
voor het reizen per Nederlands
openbaar vervoer in hoofdzaak buiten de
ochtendspits (voordeelurenkaart) worden, indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart
mede dient ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer,
aangemerkt als verstrekkingen in de zin
van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k,
van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
Art. 19.
Fiets voor
woon-werkverkeer
-1. Vergoedingen ter zake van
de aanschaf van een fiets worden, voor zover de vergoeding meer bedraagt
dan €|68,00 en niet meer
bedraagt dan €|749,00 en aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is
voldaan, geacht te strekken tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking.
-2. De verstrekking van een
fiets wordt geacht te strekken tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking voor zover de waarde in het economische verkeer hoger is dan
€|68,00 en niet hoger is dan €|749,00, mits
aan de in het vierde lid genoemde
voorwaarden is voldaan.
-3. De terbeschikkingstelling
van een fiets met een catalogusprijs
welke niet hoger is dan €|749,00
inclusief omzetbelasting wordt geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter
behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking, mits aan de in het vierde
lid genoemde voorwaarden is voldaan.
-4. De voor de toepassing van
het eerste, tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn:
a. de werknemer maakt op
meer dan de helft van het aantal
dagen dat hij pleegt te reizen in het
kader van woon-werkverkeer gebruik van
de fiets;
b. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande
jaren is ter zake van de aanschaf van een
fiets geen vergoeding, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van
de Coördinatiewet
Sociale Verzekering betaald; en
c. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande
jaren is geen fiets verstrekt dan wel
ter beschikking gesteld die
wordt aangemerkt als verstrekking, bedoeld in
artikel 6, eerste lid,
onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
-5. In afwijking in zoverre
van het tweede lid behoort de
verstrekking van een fiets met een
catalogusprijs die niet hoger is dan €|749,00 inclusief omzetbelasting, die reeds
vijf jaren voor woon-werkverkeer
ter beschikking was gesteld,
mits de werknemer op meer dan de
helft van het aantal dagen dat hij
pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik van de fiets blijft
maken, tot een verstrekking, bedoeld
in
artikel 6, eerste lid, onderdeel k,
van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
-6. Vergoedingen ter zake van
met een fiets samenhangende zaken
die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten
ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking voor zover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar
en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan €|250,00, alsmede
de vergoeding ter zake van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer
dan de helft van het aantal
dagen dat hij pleegt te reizen in het
kader van woon-werkverkeer gebruik
maakt van de fiets.
-7. Verstrekkingen van met
een fiets samenhangende zaken die
direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten
ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking voor zover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar
en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan
€|250,00, alsmede
de verstrekking van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer
dan de helft van het aantal dagen
dat hij pleegt te reizen in het
kader van woon-werkverkeer gebruik
maakt van de fiets.
Art. 20.
Telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of
nummers
-1. Vergoedingen ter zake van
een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere
aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer
dan bijkomstig belang is, worden geacht te strekken tot bestrijding van
kosten ter behoorlijke vervulling
van de dienstbetrekking voor zover
de vergoeding meer bedraagt dan €|19,95 per
maand (€|4,50 per
week, €|0,90 per dag).
-2. Verstrekkingen van een
telefoonabonnement aan de werknemer dat voorziet in meerdere
aansluitingen of nummers en waarvan het
zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, worden geacht te
strekken tot bestrijding van kosten
ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking voor zover de waarde in het
economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid
genoemde bedrag.
Art. 21.
Telefoon
-1. Vergoedingen ter zake van
een mede voor de
dienstbetrekking gebruikte telefoon worden
geacht te strekken tot bestrijding van
kosten ter behoorlijke vervulling
van de dienstbetrekking voor zover
de kosten van de telefoon meer
bedragen dan €|22,69 per maand (€|5,22
per week, €|1,04 per dag).
-2. Verstrekking van een mede
voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon wordt geacht te strekken tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking voor zover de waarde in het economische
verkeer hoger is dan de in
het eerste lid genoemde bedragen.
-3. Het eerste en het tweede
lid zijn niet van toepassing indien
de waarde in het economische verkeer
van het gebruik van de telefoon
anders dan ten behoeve van de dienstbetrekking meer bedraagt dat €|454,00 op
jaarbasis.
Art. 22.
Tweede telefoon
-1. Vergoedingen ter zake van
een tweede of een volgende
telefoon van de werknemer die geheel of
nagenoeg geheel ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt, zijn vergoedingen in de zin
van
artikel 6, eerste lid, onderdeel k,
van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
-2. De verstrekking van een
tweede of een volgende telefoon aan de
werknemer die geheel of nagenoeg
geheel ter behoorlijke vervulling van
de dienstbetrekking wordt gebruikt, is een
verstrekking in de zin van
artikel 6,
eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
Art.
23. Producten uit eigen bedrijf ¹
-1. Vergoedingen ter zake van de aanschaf
bij de werkgever dan wel bij een met de werkgever verbonden vennootschap
van branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever dan wel van
het bedrijf van een met de werkgever verbonden vennootschap, bedoeld in
artikel 10a, zevende lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964,
worden geacht te strekken tot bestijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking tot een bedrag van ten hoogste 20%
van de waarde in het economische verkeer van deze producten met een
maximum van €|450,00 per kalenderjaar.
-2. Verstrekkingen van branche-eigen producten
van het bedrijf van de werkgever dan wel van het bedrijf van een met de
werkgever verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, worden geacht te strekken tot
bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het
economische verkeer van deze producten met een maximum van €|450,00
per kalenderjaar.
-3. De in het eerste en tweede lid genoemde
bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren
geldende bedragen, voor zover deze bedragen nog niet zijn benut. De
vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het
desbetreffende kalenderjaar niet bestond.
-4. Dit artikel is niet van toepassing met
betrekking tot geldleningen.
Zie artikel
I, onderdeel C, van de Regeling
herziening waardering producten uit eigen bedrijf en de toelichting
daarop, red.
Art. 24.
Personeelsfeesten ¹, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen
-1. Vergoedingen, in
redelijkheid, ter zake van personeelsreizen,
personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen
waaraan de deelname openstaat voor ten
minste driekwart van de werknemers
of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een
organisatorische of functionele eenheid,
worden aangemerkt als vergoedingen
in de zin van
artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering voor zover de
vergoedingen meer bedragen dan de laagste van de waarde in het
economische verkeer van de voorzieningen
en de kosten die rechtstreeks
verband houden met die voorzieningen; deze
kosten worden vastgesteld met
overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.
-2. In afwijking van het
eerste lid behoren vergoedingen, voor zover de kosten die rechtstreeks
verband houden met die voorzieningen een
bedrag van €|340,00 per kalenderjaar niet overtreffen, tot de
vergoedingen, bedoeld in
artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering. Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een
jubileum van de werkgever,
wordt het bedrag van €|340,00
verhoogd tot €|454,00.
-3. Verstrekkingen, in
redelijkheid, van personeelsreizen,
personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele
personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers
of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een
organisatorische of functionele eenheid,
worden aangemerkt als
verstrekkingen, bedoeld in
artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, voor zover de
waarde van de verstrekkingen hoger is
dan de laagste van de waarde in het
economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die
rechtstreeks verband houden met die
voorzieningen; deze kosten worden vastgesteld
met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.
-4. In afwijking van het
derde lid behoren verstrekkingen, voor zover de kosten die rechtstreeks
verband houden met die voorzieningen een
bedrag van €|340,00 per kalenderjaar niet overtreffen, tot de
verstrekkingen, bedoeld in
artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering. Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een
jubileum van de werkgever,
wordt het bedrag van €|340,00
verhoogd tot €|454,00.
1. Volgens de redactie
dient "personeelsfeesten" te worden vervangen door:
personeelsreizen.
Art. 24a.
Arbo
Vergoedingen of
verstrekkingen die direct samenhangen met
verplichtingen van de werkgever op grond
van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 worden geacht te strekken
tot bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, tenzij de werknemer hierdoor een
aanmerkelijke privébesparing geniet.
Art. 25.
Premies
ongevallenverzekering
-1. De vergoedingen ter zake
van premies voor een
ongevallenverzekering indien de verzekerde
uitkering uitsluitend betrekking heeft op
ongevallen tijdens de vervulling van de
dienstbetrekking worden volledig geacht te strekken tot bestrijding van
kosten ter behoorlijke vervulling
van de dienstbetrekking.
-2. De verstrekkingen in de
vorm van een aanspraak op een
ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering
uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de
vervulling van de dienstbetrekking
worden geacht te strekken tot bestrijding
van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking.
Art. 26.
Outplacement
De vergoedingen en
verstrekkingen ter zake van outplacement
van de werknemer worden volledig
geacht te strekken tot bestrijding
van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking.
Art. 27.
Verstrekkingen kinderopvang
-1. Verstrekkingen van
beroepsmatige kinderopvang worden,
ingeval de kinderopvang niet bij de werknemer thuis plaatsvindt,
aangemerkt als verstrekkingen in de zin van
artikel 6, eerste lid, onderdeel
k,
van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering voor zover de waarde in
het economische verkeer hoger is dan het,
met overeenkomstige toepassing van artikel 1 van de Regeling
houdende het als loon in aanmerking te
nemen deel van de vergoedingen
kosten kinderopvang,¹ te berekenen bedrag.
-2. Ingeval de werkgever
niet zelf de kinderopvang verricht, is
het eerste lid slechts van toepassing
indien hij beschikt over de in
artikel 1, vierde lid, van de Regeling
houdende het als loon in aanmerking te
nemen deel van de vergoedingen
kosten kinderopvang ¹ vermelde bescheiden.
-3. Artikel 1, vijfde lid,
van de Regeling houdende het als
loon in aanmerking te nemen deel
van de vergoedingen kosten
kinderopvang ¹ is van overeenkomstige
toepassing.
1. Volgens de redactie
dient "Regeling houdende het als
loon in aanmerking te nemen deel
van de vergoedingen kosten
kinderopvang" te worden vervangen door: Regeling
vergoeding kosten kinderopvang 2002 (zie artikel
2, eerste lid, van
die regeling), red. (zie artikel
2, eerste lid, van
die regeling), red.
Art. 28.
Huisvesting,
bewassing, energie en water aan
boord van schepen en op baggermaterieel, op
boorplatforms en in pakwagens van
kermisexploitanten
Verstrekkingen van
huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op boorplatforms en in
pakwagens van kermisexploitanten
worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, voor zover de waarde in het economische
verkeer van die verstrekking
hoger is dan het bedrag aangegeven in de
volgende tabel:
|
Huisvesting
|
per maand
|
pervweek
|
per dag
|
| a.
Aan boord van
binnenschepen - andere dan vissersschepen - en baggermaterieel: |
xxxxxxxxxx |
|
|
| 1º.
Voor de
werknemer die met zijn gezin aan boord woont: |
|
|
|
| - van een schip van
meer dan 2000 ton: |
€|125,00x
|
€|29,00x |
€|5,80x |
| - van een schip van
meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton: |
€|
93,75x |
€|21,75x |
€|4,35x |
| - van een ander schip
of van baggermaterieel: |
€|
62,50x |
€|14.50x |
€|2,90x |
| 2º.
Voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft: |
€|
51,00x |
€|11,75x |
€|2,35x |
| b.
Aan boord van zeeschepen - andere dan vissersschepen - en op
boorplatforms: |
|
|
|
| 1º.
Voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont: |
|
|
€|8,70x |
| 2º.
Voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft: |
|
|
|
| -
voor een kapitein en voor een officier: |
|
|
€|4,10x |
| -
voor een andere werknemer: |
|
|
€|2,05x |
| c.
Aan boord van vissersschepen: voor de werknemer die aan boord woont
en geen gezin heeft: |
|
|
€|2,80x |
| d.
In pakwagens van kermisexploitanten: voor de werknemer die in een
pakwagen woont en geen gezin heeft: |
€|
51,00x |
€|11,75x |
€|2,35x |
| e.
Voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c
en d: |
nihilx |
nihilx |
nihilx |
Art. 29.
Bedragen
bewassing, energie en water begrepen in
bedrag inwoning en huisvesting
Voor de toepassing van
artikel 17 en artikel 28 worden in het
bedrag van inwoning dan wel in het
bedrag van huisvesting geacht te
zijn begrepen de bedragen van bewassing, energie en water, bedoeld in artikel
16.
Art. 30.
Kost aan
boord van schepen en baggermaterieel en op
boorplatforms
-1. In afwijking van het
bepaalde in artikel 14 worden
verstrekkingen van kost aan boord van
schepen en baggermaterieel en op boorplatforms, voor zover de waarde in
het economische verkeer van de kost hoger
is dan €|4,45 per dag,
aangemerkt als verstrekking als bedoeld in
artikel 6,
eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
-2. Indien de in het
eerste lid bedoelde verstrekkingen tevens
betrekking hebben op gezinsleden van de
werknemer, wordt het in het eerste
lid genoemde bedrag verhoogd:
a. voor ieder gezinslid
dat bij het begin van het
kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%;
b. voor ieder gezinslid
dat bij het begin van het
kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar
heeft bereikt: met 50%;
c. voor ieder gezinslid
dat bij het begin van het
kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft
bereikt: met 30%.
Art. 31.
Therapeutisch mee-eten
De verstrekking van het
in werktijd mee-eten van werknemers
in de geestelijke en lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg met de hen
toevertrouwde patiënten, pupillen of
bewoners, indien zij dit verplicht
zijn op basis van de
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke
aanstelling op grond van opvoedkundige
of therapeutische overwegingen of
overwegingen van resocialiserende
aard, is een verstrekking, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
Art. 32.
Maaltijden in
bedrijfskantines
Verstrekkingen in de vorm
van maaltijden in bedrijfskantines of
andere soortgelijke ruimten op
de plaats waar de arbeid wordt
verricht, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter
behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voor zover de waarde in het
economische verkeer van die maaltijden hoger
is dan €|2,00 voor een ontbijt, €|2,00 voor een koffiemaaltijd en
€|3,80 voor een warme maaltijd.
Art. 33.
Kleding die
blijft op de plaats waar de arbeid
wordt verricht
De verstrekking van
buiten de woning van de werknemer
tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die
blijft op de plaats waar de arbeid
wordt verricht, is een verstrekking als
bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
Art. 34.
Vergoedingen
ter zake van consumpties tijdens de
werktijd
-1. Vergoedingen ter zake
van consumpties tijdens de werktijd die
geen deel uitmaken van een
maaltijd behoren in ieder geval tot de
vergoedingen, bedoeld in
artikel 6,
eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering,
indien zij €|3,00 per gewerkte week (€|0,60
per gewerkte dag) niet te boven gaan.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien tijdens de
werktijd consumpties, die geen deel uitmaken
van een maaltijd, worden
verstrekt.
Art. 35.
Verstrekking
dagbladen
Voor de kalenderjaren
2001 en 2002 behoort de verstrekking
aan de werknemer van een dagbladuitgeversbedrijf van een abonnement op een
dagblad dat door dat bedrijf
wordt uitgegeven tot een
verstrekking als bedoeld in
artikel 6,
eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
HOOFDSTUK
3
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 36.
Overgangsregeling fiets
-1. Voor het kalenderjaar
2001 worden onder de in artikel 19,
tweede en derde lid, bedoelde
verstrekkingen tevens begrepen een op de
voet van artikel 6 van de Regeling waardering loon in natura 2000
(respectievelijk 1999 en 1998) in de kalenderjaren
1998, 1999 en 2000 op €|68,00 (ƒ150,00) respectievelijk nihil gestelde waarde van
een verstrekte dan wel ter
beschikking gestelde fiets.
-2. Voor het kalenderjaar
2002 worden onder de in artikel 19,
tweede en derde lid, bedoelde
verstrekkingen tevens begrepen een op de
voet van
artikel 6
van de Regeling waardering loon in natura 2000
(respectievelijk 1999 en 1998) in de kalenderjaren
1999 en 2000 op €|68,00 (ƒ150,00) respectievelijk nihil gestelde waarde van
een verstrekte dan wel ter beschikking gestelde fiets.
-3. Voor het kalenderjaar
2003 worden onder de in
artikel 19,
tweede en derde lid, bedoelde
verstrekkingen tevens begrepen de op de
voet van
artikel 6
van de Regeling waardering loon in natura 2000
(respectievelijk 1999 en 1998) in de kalenderjaar
2000 op €|68,00 (ƒ150,00)
respectievelijk nihil gestelde waarde van een
verstrekte dan wel ter beschikking
gestelde fiets.
-4. Voor het kalenderjaar
2001 worden onder de in
artikel 19,
zesde en zevende lid, bedoelde
vergoedingen en verstrekkingen tevens
begrepen de op de voet van
artikel 6
van
de Regeling waardering loon in natura 2000
(respectievelijk 1999 en 1998) in de
kalenderjaren 1999 en 2000 op nihil
gestelde waarde van de met een fiets
samenhangende zaken die dienstbaar zijn
aan het woon-werkverkeer.
-5. Voor het kalenderjaar
2002 worden onder de in
artikel 19,
zesde en zevende lid, bedoelde
vergoedingen en verstrekkingen tevens
begrepen de op de voet van
artikel 6
van
de Regeling waardering loon in natura 2000
(respectievelijk 1999 en 1998) in het
kalenderjaar 2000 op nihil gestelde
waarde van de met een fiets
samenhangende zaken die dienstbaar zijn aan
het woon-werkverkeer.
Art. 36a.
Overgangsregeling openbaarvervoerkaart
-1. Voor het kalenderjaar
2002 en voor de eerste zes kalendermaanden van 2003 wordt de verstrekking van een
aan alle of alle onder een zelfde
categorie vallende werknemers van de
werkgever ter beschikking gesteld recht op vrij reizen met Nederlands openbaar
vervoer dat niet is beperkt tot
reizen over een vast traject ten behoeve
van woon-werkverkeer geacht te strekken tot bestrijding van kosten
ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover de waarde in
het economische verkeer van de
verstrekking hoger is dan de volgende
bedragen: per persoon die van dat
recht gebruik kan maken, minderjarige
kinderen en pleegkinderen van de
werknemer daaronder niet begrepen, €|54,00 per jaar, dan wel, indien
recht bestaat op reizen per 1e klas, €|82,00 per jaar.
-2. Het eerste lid is
slechts van toepassing indien reeds in het
kalenderjaar 2000 een recht als
bedoeld in het eerste lid ter beschikking is
gesteld aan alle of alle onder dezelfde categorie vallende werknemers van
de werkgever.
Art.
36b. Overgangsregeling producten uit eigen bedrijf ¹
-1. Naar keuze van de werkgever blijft artikel
23 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002 in het kalenderjaar
2003 van toepassing in plaats van artikel 23 zoals dat
luidde op 1 januari 2003.
-2. Voor de toepassing van artikel
23, derde lid, eerste volzin, wordt aangenomen dat voor de jaren
2001 en 2002 een bedrag van €|450,00
heeft gegolden.
-3. Voor de toepassing van artikel
23, derde lid, eerste volzin, wordt aangenomen dat voor de jaren
2002 en 2003 een bedrag van €|450,00
heeft gegolden indien de werkgever met toepassing van het eerste lid
heeft gekozen voor de toepassing in het kalenderjaar 2003 van artikel
23 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002.
-4. De toepassing van artikel
23 zoals dat luidt op grond van de Regeling
herziening waardering producten uit eigen bedrijf leidt niet tot een
wijziging van op de datum van inwerkingtreding van die regeling reeds
vastgestelde daglonen op grond van de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid.
Zie artikel
I, onderdeel D, van de Regeling
herziening waardering producten uit eigen bedrijf en de toelichting
daarop, red.
Art. 37.
Intrekking
-1. De Regeling vergoeding
gemengde kosten en waardering loon
in natura, vergoedingen en
verstrekkingen 2001 wordt ingetrokken.
-2. De bepalingen van de
regeling, genoemd in het eerste
lid, blijven van kracht ten aanzien van
premiebetalingstijdvakken die zijn gelegen tussen 31 december 2000 en 1 januari 2002.
-3. De Regeling waardering
loon in natura 2000, zoals die
regeling luidde op 31 december 2000,
blijft van toepassing op de persoon wiens recht
op ziekengeld op grond van
de Ziektewet, op uitkering
op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering respectievelijk op
uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan
vóór 31 december 2000, met
betrekking tot dat recht.
-4. De bepalingen van de
regeling, genoemd in het derde lid,
en van de Regeling van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 22 december 1989, nr.
89/7154 (Stcrt. 1989, 252), houdende regels
inzake bestrijding van kosten tot verwerving
van loon (Vergoeding voor
gemengde kosten), zoals die
regelingen luidden op 31 december 2000, blijven van kracht ten aanzien van
premiebetalingstijdvakken die zijn gelegen tussen 31 december 1999 en 1
januari 2001.
Art. 38.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari
2002. Indien de Staatscourant waarin deze
regeling wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 31 december 2001, treedt
zij in werking met ingang van de tweede
dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij
wordt geplaatst en werkt zij
terug tot en met 1 januari 2002.
Art. 39.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling vergoeding
gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 19
december 2001.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[19 december 2001]
Algemeen
Net als voorgaande jaren
is een aantal vastgestelde geldbedragen
ter zake van loon in natura en
vergoedingen in overeenstemming
gebracht met de prijsontwikkeling. De bedragen voor het jaar 2002 zijn in
eurobedragen uitgedrukt.
Verder is in de Regeling
gemengde kosten, loon in natura,
vergoedingen en verstrekkingen 2002
(Regeling gemengde kosten 2002) een
aantal bepalingen gewijzigd ten
opzichte van de Regeling gemengde
kosten, loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2001 (Regeling gemengde
kosten 2001). De Regeling
gemengde kosten 2002 beoogt, behoudens de
opgenomen wijzigingen, geen wijzing
ten opzichte van de Regeling
gemengde kosten 2001.
Hieronder worden de
belangrijkste wijzigingen kort
toegelicht. Voor een uitgebreide toelichting
wordt verwezen naar, voor zover relevant,
de toelichting (op de wijziging) van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001.
Artikelsgewijs
Artikel
12.
Bedrijfsfitness
Artikel 12 bevat de
regeling voor vergoedingen en verstrekkingen van bedrijfsfitness. De in
het eerste lid, onderdeel b, opgenomen
voorwaarde "openstaat voor alle of
nagenoeg alle werknemers" blijkt in
de praktijk te beperkend te werken. Met
name ingeval een werkgever meerdere
vestigingen heeft die op grote
afstand van elkaar vandaan liggen, is het feitelijk niet goed mogelijk aan
het openstellingscriterium te voldoen. Om die reden is als alternatieve
voorwaarde toegevoegd dat deelneming
openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde
arbeidsplaats die niet is gelegen in de
woning van één van deze werknemers.
Artikel
19. Fiets voor
woon-werkverkeer
Met de wijziging van
artikel 19, eerste lid, wordt bewerkstelligd
dat de aan de werknemer vergoede
fiets als vergoeding in aanmerking genomen wordt voor zover de
vergoeding meer bedraagt dan €|68,- en
voor zover de vergoeding niet meer
bedraagt dan €|749,-. Voor de
verstrekte fiets wordt het tweede lid op
eenzelfde wijze aangepast. In het derde lid wordt
expliciet bepaald dat de
catalogusprijs niet hoger mag zijn dan €|749,-. In verband met vorenbedoelde
wijzigingen is het vierde lid, onderdeel b,
van de Regeling gemengde kosten
2001 vervallen.
Artikel
21. Telefoon
Ten opzichte van de
Regeling gemengde kosten 2001
vervalt in artikel 21, eerste en tweede lid,
de zinsnede "in de woning van de
werknemer". Hiermee wordt
bewerkstelligd dat de in deze leden opgenomen
normering van het te belasten privégebruik van de telefoon in de woning
van de werknemer eveneens gaat
gelden voor een telefoon buiten de
woning van de werknemer ingeval die
telefoon mede voor de dienstbetrekking
wordt gebruikt (bijvoorbeeld
een mede voor de dienstbetrekking
gebruikte gsm van de werknemer).
Volledigheidshalve zij
opgemerkt dat deze normering alleen
mag worden toegepast als de waarde
in het economische verkeer van
het integrale privégebruik van de
telefoon het in het derde lid opgenomen
grensbedrag van €|454,- op jaarbasis
niet overschrijdt.
Artikel 24a. Arbo
In de
Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 is een bepaling
opgenomen inzake vergoedingen en
verstrekkingen die samenhangen met
verplichtingen van de werkgever op grond
van de Arbeidsomstandighedenwet
1998. Deze bepaling codificeert
hetgeen in de memorie van
toelichting bij de Invoeringswet
Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II 1998-1999, 26 728, nr. 3,
blz. 35) is opgemerkt.
In deze memorie van
toelichting zijn als voorbeelden genoemd
de veiligheidsbril met geslepen glazen voor een laborant of lasser,
een zonnebril voor een chauffeur of
piloot, een verplichte medische keuring en
speciale isolerende of
beschermende kleding. Hiermee is
voorbeeldsgewijs duidelijk gemaakt dat de werknemer
niet een aanmerkelijke privébesparing mag genieten. Deze voorwaarde
is overgenomen in het eerste en het tweede lid van artikel 24a. Als
richtsnoer kan hierbij worden
aangenomen, overeenkomstig hetgeen is aangegeven in vorenbedoelde memorie van
toelichting, dat van een aanmerkelijk privévoordeel in absolute zin in ieder
geval sprake is indien aannemelijk is dat, als gevolg van de
bekostiging door de werkgever van de arboverstrekking, de privé-uitgaven van de
werknemer, op jaarbasis bezien, €|454,- minder zullen bedragen
dan de privé-uitgaven van met hem vergelijkbare werknemers.
Door deze bepaling nu ook
op te nemen in de Regeling
gemengde kosten 2002 blijven dergelijke
vergoedingen en verstrekkingen ook
buiten de premieheffing voor de werknemersverzekeringen.
Artikel
32. Maaltijden in
bedrijfskantines
Met ingang van 1 januari
2001 is een nieuwe regeling in
werking getreden voor de waardering van
maaltijden in bedrijfskantines. Deze
regeling hield in dat de waarde van kantinemaaltijden werd gesteld op de waarde
in het economische verkeer,
tenzij de werknemer ten minste de kosten
betaalt die rechtstreeks met de
verstrekking van de maaltijd verband
houden. Bovengenoemde regeling
bleek in de praktijk moeilijk uitvoerbaar, omdat de kosten die
rechtstreeks met de verstrekking van de maaltijd verband houden, in veel gevallen
moeilijk te bepalen zijn. Daarnaast
ontstonden problemen bij de
waardering van kantinemaaltijden bij
bedrijven waar de kantine wordt gedreven
door een extern cateringbedrijf.
Naar aanleiding van de
gesignaleerde problemen heeft de
Staatssecretaris van Financiën bij
Besluit van 26 oktober 2001, nr. DGB
2001/438M, reeds aangekondigd dat de kantineregeling met ingang van 1 januari
2002 wordt gewijzigd in een
forfaitaire waarderingsregel voor
kantinemaaltijden. Tegelijkertijd behelsde
het genoemde besluit een
goedkeuring om voor de heffing van de
loonbelasting, onder voorwaarden, in
2001 reeds gebruik te maken van de
forfaitaire waarderingsregeling die
met ingang van 2002 zou worden
ingevoerd. Dit is niet van toepassing op
de premieheffing werknemersverzekeringen.
In het besluit van de Staatssecretaris van
Financiën is eveneens aangegeven dat
de forfaitaire waarderingsregel met
ingang van 1 januari 2002 ook voor de
premieheffing werknemersverzekeringen
zal gelden. Met artikel 32
van deze regeling wordt hier invulling aan
gegeven. De waarde in het
economische verkeer van verstrekte maaltijden in bedrijfskantines en
andere soortgelijke ruimten wordt forfaitair
vastgesteld op €|1,85 voor een
ontbijt, €|1,85 voor een
koffiemaaltijd en €|3,50 voor een warme
maaltijd. Deze forfaitaire bedragen
behoren derhalve tot het loon van
de werknemers die dergelijke maaltijden
verstrekt krijgen.
Op grond van artikel 5
van de onderhavige regeling kan een
eventuele werknemersbijdrage met
betrekking tot een kantinemaaltijd
op het forfaitaire bedrag in mindering
worden gebracht. Hierbij kan de
tot het loon te rekenen waarde echter
niet verder dalen dan tot nihil.
Evenals ten aanzien van
de vervallen regeling voor kantinemaaltijden geldt deze regeling ook indien
de werkgever niet de beschikking heeft
over een bedrijfskantine, maar de
maaltijd wordt gebruikt in een
andere bij de werkgever met een
bedrijfskantine op één lijn te stellen
(soortgelijke) ruimte op de plaats waar de
arbeid wordt verricht, zoals de
vergaderkamer.
De regeling voor
kantinemaaltijden is niet van toepassing op
maaltijden waarbij het zakelijke
karakter van meer dan bijkomstig
belang is. In dat geval geldt voor de
eerste 80 maaltijden dat deze zijn vrijgesteld
op grond van artikel 13 van de
onderhavige regeling, terwijl voor de
overige maaltijden de forfaitaire bedragen
van artikel 14 van deze
regeling van toepassing zijn.
Ingevolge artikel 2,
onderdeel f, van de Regeling
eindheffingsbestanddelen loonbelasting voor de
premieheffing werknemersverzekeringen
2001 wordt de waarde op nihil
gesteld indien de werkgever de eindheffing
toepast. Voor de behandeling van
losse consumpties wordt verwezen naar de
toelichting op de wijziging van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001.
Artikel 36a
Op grond van dit artikel
blijft voor werknemers die geen
gebruik kunnen maken van de in artikel
11 opgenomen structurele regeling, de
regeling die tot en met 2000 van toepassing was voor de waardering
van een recht op vrij reizen materieel
van kracht voor het kalenderjaar
2002. Dat betekent dat de uit dat artikel
voortvloeiende normering in deze periode
ook geldt indien dit recht
niet mede dient ter vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.
Voorwaarde is wel dat het
recht aan alle werknemers of alle
onder een zelfde categorie vallende
werknemers van de werkgever ter
beschikking wordt gesteld.
Uit het tweede lid vloeit
voort dat deze overgangsregeling
alleen geldt indien reeds in het
kalenderjaar 2000 een recht op vrij reizen
als hier bedoeld ter beschikking
is gesteld aan alle werknemers van de inhoudingsplichtige of aan alle werknemers
van de categorie waarvoor in
2002 een recht op vrij reizen
bestond.
Volledigheidshalve wordt
opgemerkt dat na afloop van deze
overgangsregeling de reeds genoemde
normering op grond van artikel 11
uitsluitend van toepassing is indien
het recht op vrij reizen mede dient
ter vervulling van de dienstbetrekking
of voor woon-werkverkeer.
Indien niet aan die
voorwaarde is voldaan, dient met ingang
van 1 januari 2003 op grond van
de hoofdregel de waarde in het
economische verkeer in aanmerking te
worden genomen.
Ten opzichte van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 is
echter geen terugwerkende kracht
opgenomen tot en met 1 januari
2001.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|