|
17 juni 1998/nr. WDB 98/209MSV/AVF/98/2642
Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken/Directie Wetgeving Directe
Belastingen/Directie Sociale Verzekeringen
De
Staatssecretaris van Financiën en de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 34, zesde lid, van de Invorderingswet
1990 en 16a, tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering;
Besluiten:
Art. 1.
Reikwijdte en
begripsbepalingen
-1. Deze regeling geeft
uitvoering aan de artikelen 34, zesde lid,
van de Invorderingswet
1990 en 16a,
tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering.
-2. In deze regeling wordt
hierna verstaan onder:
a. Invorderingswet: de Invorderingswet
1990;
b. Coördinatiewet: de
Coördinatiewet Sociale Verzekering;
c. uitlener: een
inhoudingsplichtige of werkgever als bedoeld in de
artikelen 34, eerste lid, van de Invorderingswet
en 16a, eerste lid, van de Coördinatiewet;
d. inlener: een inlener als
bedoeld in de artikelen 34, eerste en
tweede lid, van de Invorderingswet
en 16a, eerste en tweede lid, van de Coördinatiewet;
e. rekeninghouder: de houder
van een g-rekening;
f. kredietinstelling: een
kredietinstelling als bedoeld in de artikelen
34, derde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet;
g. ontvanger: de ontvanger
der rijksbelastingen;
h. Uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
i. loonbelasting: de
loonbelasting en de premie voor de
volksverzekeringen welke gelijktijdig wordt
geheven met de loonbelasting, één en
ander voor zover verband houdend met de
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten;
j. omzetbelasting: de
omzetbelasting met betrekking tot de
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten;
k. premie: de premie en de
voorschotpremie, één en ander voor zover
verband houdend met de
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten;
l. g-rekening: een
geblokkeerde rekening, zijnde een rekening als
bedoeld in de artikelen 34, derde
lid, van de Invorderingswet
en 16a,
vierde lid, van de Coördinatiewet, welke door een uitlener bij een
kredietinstelling wordt gehouden en waarvan de saldi uitsluitend bestemd zijn te dienen tot
voldoening van de door de uitlener
verschuldigde of nog verschuldigd wordende loonbelasting,
omzetbelasting en premie, in verband waarmee op die saldi ten behoeve van
de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut gezamenlijk een
pandrecht is gevestigd;
m. g-rekeningovereenkomst:
een conform de bijlage bij deze regeling
gesloten overeenkomst met betrekking
tot het openen en gebruiken van
een g-rekening en het vestigen van een pandrecht op die rekening
als bedoeld in onderdeel l, tussen de uitlener, de ontvanger, het
Uitvoeringsinstituut en een kredietinstelling.
Art. 2.
Voorwaarden
medewerking totstandkoming
g-rekeningovereenkomst
De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
verlenen hun medewerking aan het tot stand komen van een
g-rekeningovereenkomst slechts op schriftelijk
verzoek van de uitlener en mits die
uitlener zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel dan wel, naar
redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die
hoedanigheid zal verwerven.
Art. 3.
Weigering
medewerking
De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut weigeren hun medewerking aan het
tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst, indien:
a. met de uitlener reeds een
g-rekeningovereenkomst is gesloten, tenzij deze aannemelijk maakt dat
het gebruik maken van meer dan
één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is;
b. gegronde vrees bestaat
dat onjuist gebruik van de g-rekening
zal worden gemaakt.
Art. 4.
Bewaren
g-rekeningovereenkomst
Het oorspronkelijke, door
alle in artikel 1, tweede lid, onderdeel m,
bedoelde partijen getekende,
exemplaar van de g-rekeningovereenkomst wordt
door de in dat onderdeel bedoelde
kredietinstelling bewaard zolang de g-rekening in stand blijft, doch in
ieder geval gedurende zeven jaren.
De instelling verschaft de
andere partijen een kopie daarvan. Met
betrekking tot de eerste volzin is artikel
52, vijfde en zesde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen van
overeenkomstige toepassing.
Art. 5.
Vereisten
vrijwarende betaling
Een betaling die wordt
verricht op een g-rekening wordt voor de
toepassing van de artikelen 34, derde
lid, van de Invorderingswet
en 16a,
vierde lid, van de Coördinatiewet slechts
in aanmerking genomen, voor zover:
a. de factuur welke de
uitlener ter zake van de door hem aan de
inlener geleverde prestatie of
prestaties heeft doen toekomen, voldoet aan de
eisen welke de Wet
op de omzetbelasting 1968 daaraan stelt alsmede
de vermelding bevat van het tijdstip
waarop de overeenkomst is gesloten
ingevolge welke de uitlener de
gefactureerde prestatie of prestaties
heeft verricht, voor zover aanwezig tevens
van het nummer of kenmerk van die overeenkomst en van het tijdvak of de
tijdvakken waarin de uitlener de gefactureerde prestatie of prestaties
heeft verricht;
b. die betaling vergezeld
gaat van de vermelding van het nummer
van de desbetreffende factuur, voor zover toepasselijk tevens van een ander
onderscheidend op die factuur vermeld
kenmerk, welk nummer, of welk nummer en aanvullend kenmerk
tezamen, een uniek identificatiegegeven
vormt waarmee die factuur terstond
of vrijwel terstond kan worden
teruggevonden in de administratie van de inlener;
c. de administratie van de
inlener voorts zodanig is ingericht
en zodanig wordt gevoerd dat daarin
terstond of vrijwel terstond tevens kan
worden teruggevonden:
1º. de overeenkomst of de
inhoud daarvan, ingevolge welke de
uitlener de in onderdeel a bedoelde
prestatie of prestaties heeft
verricht;
2º. gegevens inzake de
nakoming van die overeenkomst met
inbegrip van, naar de eisen van het
bedrijf van de inlener, een registratie van
de personen die zijn ingeleend en van de dagen waarop en de uren
gedurende welke die personen
werkzaamheden hebben verricht in verband
waarmee voor de inlener
aansprakelijkheid bestaat ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet
en
16a van de Coördinatiewet;
3º. de betalingen die in
verband met de nakoming van
vorenbedoelde overeenkomst zijn gedaan.
Art. 6.
Bescherming te
goeder trouw zijnde inlener
Indien een inlener een
arbeidskracht inleent van een natuurlijk
of rechtspersoon die niet de werkgever of de inhoudingsplichtige voor de
loonbelasting is van deze arbeidskracht,
doch die inlener niet weet of
behoort te weten dat dit het geval is, worden de betalingen van die inlener
op de g-rekening van die persoon voor de toepassing van de artikelen 34, derde
lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet
in aanmerking genomen als waren zij
verricht op de g-rekening van de
uitlener.
Art. 7.
Doorstorting
Een betaling ten laste van
het saldo van een g-rekening aan een
ander dan de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut
wordt niet aangemerkt als een betaling
welke in mindering komt op het bedrag
aan loonbelasting en - voor zover toepasselijk -
omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor in eerste
aanleg aansprakelijkheid is
ontstaan als bedoeld in de artikelen 34,
derde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van de
Coördinatiewet.
Art. 8.
Verdeling tussen
ontvanger en Uitvoeringsinstituut
bij uitwinning pandrecht en andere acties voor
gezamenlijke rekening
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
zijn beide bevoegd, mits handelende
voor gezamenlijke rekening, over te gaan tot uitwinning van het te hunnen
behoeve op het saldo van de
g-rekening gevestigde pandrecht, alsmede jegens de
bij een betaling ten laste van
een g-rekening naar een andere g-rekening betrokken rekeninghouders
dan wel andere betrokkenen actie te
ondernemen wegens wanprestatie of
onrechtmatige daad, of welke andere actie dan ook, teneinde de
gevolgen van een onjuist gebruik van de
g-rekening ongedaan te maken of te
compenseren.
-2. De met toepassing van het
eerste lid ontvangen gelden worden,
nadat eventuele aan derden te
vergoeden kosten inzake de in het
eerste lid bedoelde acties hierop in mindering zijn gebracht, tussen de
ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
verdeeld naar rato van ieders vorderingen inzake de loon-
en omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor aansprakelijkheid
bestaat, met dien verstande dat:
a. de ontvanger en het
Uitvoeringsinstituut in daartoe aanleiding gevende gevallen
een afwijkende verdeling overeen kunnen komen; en
b. een eenmaal toegepaste
verdeling kan worden herzien indien
later bekend wordende gegevens
redelijkerwijs tot herziening aanleiding
geven.
Art. 9.
Grenzen
aansprakelijkstelling
-1. Indien de
aansprakelijkheid zowel loonbelasting en, voor zover
toepasselijk, omzetbelasting als premie
betreft, is zowel de ontvanger als
het Uitvoeringsinstituut bevoegd, ieder voor de uit
eigen hoofde van de inlener ingevolge
diens aansprakelijkheid te vorderen belasting, onderscheidenlijk premie, de
inlener aansprakelijk te stellen
voor ten hoogste het verschil tussen het
gezamenlijke bedrag aan loonbelasting, omzetbelasting en premie waarvoor in eerste
aanleg aansprakelijkheid is
ontstaan en het gezamenlijke bedrag
van de ter zake door de inlener op
de g-rekening van de uitlener gestorte
bedragen voor zover die bedragen
ingevolge de artikelen 34, derde en
vierde lid, van de Invorderingswet
en 16a,
vierde en vijfde lid, van de Coördinatiewet in mindering komen op het
gezamenlijke bedrag aan loonbelasting,
omzetbelasting en premie waarvoor in eerste
aanleg aansprakelijkheid is
ontstaan, met dien verstande dat, indien
zowel de ontvanger als het
Uitvoeringsinstituut omtrent dezelfde tot aansprakelijkheid
leidende feiten daadwerkelijk tot
aansprakelijkstelling overgaat, het gezamenlijke bedrag van beide
aansprakelijkstellingen niet uitgaat boven het vorenbedoelde bedrag waarvoor de inlener
ten hoogste aansprakelijk kan
worden gesteld.
-2. Artikel 8, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Art. 10.
Deblokkeringsverzoek
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
verlenen, in afwijking in zoverre van
artikel 1, tweede lid, onderdeel l, de
rekeninghouder op diens verzoek en onder door hen te stellen
voorwaarden toestemming het saldo van de g-rekening geheel dan wel tot een
bepaald bedrag voor andere
doeleinden aan te wenden dan voor de
voldoening van loonbelasting en - voor zover
toepasselijk - van omzetbelasting,
onderscheidenlijk van premie, voor zover
aannemelijk is dat het saldo van de g-rekening uitgaat boven
hetgeen door de rekeninghouder aan
loon- en omzetbelasting alsmede
premie vermoedelijk nog verschuldigd is of
binnenkort verschuldigd zal worden.
-2. De rekeninghouder richt
een dergelijk verzoek (deblokkeringsverzoek) schriftelijk aan de
ontvanger of het Uitvoeringsinstituut.
-3. Op het verzoek wordt
beslist, handelende in onderlinge
overeenstemming, door de ontvanger dan wel
door het Uitvoeringsinstituut, al naargelang aan welke van beide het verzoek is
gericht.
-4. De rekeninghouder
verschaft in dit verband de ontvanger of het
Uitvoeringsinstituut - op de door dezen aangegeven
wijze - alle gegevens en inlichtingen
welke van belang kunnen zijn voor een
juiste beoordeling van het deblokkeringsverzoek; wordt daaraan niet of
onvoldoende voldaan, wordt het verzoek afgewezen.
-5. De beslissing op het
verzoek wordt aan de rekeninghouder
bekendgemaakt door uitreiking of toezending van een kennisgeving ter
zake.
Art. 11.
Opzegging
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
zijn bevoegd een
g-rekeningovereenkomst eenzijdig en zonder
rechterlijke tussenkomst op te zeggen, indien:
a. de betrokken
rekeninghouder geen of op onjuiste wijze gebruik
maakt van de g-rekening;
b. de betrokken
rekeninghouder niet of niet meer de hoedanigheid
blijkt te bezitten van uitlener in de
zin van de artikelen 34, eerste lid,
van de Invorderingswet
en 16a,
eerste lid, van de Coördinatiewet, dan wel
niet of niet meer blijkt te voldoen
aan de voorwaarde dat hij zijn
bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel;
c. met de rekeninghouder
meer dan één g-rekeningovereenkomst
is gesloten en de rekeninghouder niet
aannemelijk maakt dat het door hem
aanhouden van meer dan één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering
noodzakelijk is;
d. de rekeninghouder in
staat van faillissement is verklaard;
e. aan de rekeninghouder surseance van betaling is verleend.
-2. De rekeninghouder en de
betrokken kredietinstelling zijn,
onverminderd het bepaalde in het vierde
lid, bevoegd de g-rekeningovereenkomst
eenzijdig, zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opgaaf van reden op
te zeggen.
-3. De opzegging geschiedt
schriftelijk. Zij wordt niet eerder van
kracht dan nadat zij aan de overige
partijen bij de g-rekeningovereenkomst is
bekendgemaakt. De opzegging wordt voorts niet van kracht zolang en voor
zover die opzegging een
belemmering zou vormen voor de toepassing
van het vierde lid.
Na opzegging van de
g-rekeningovereenkomst blijft die overeenkomst
niettemin van toepassing op het saldo
van de desbetreffende g-rekening
ten tijde van de opzegging, alsmede op
hetgeen nadien op die rekening wordt gestort, één en ander voor zover daardoor geen strijdigheid ontstaat
met de gevolgen die rechtens zijn
verbonden aan het in staat van
faillissement verklaren van de rekeninghouder of het hem verlenen van
surseance
van betaling.
Een betaling die wordt
verricht op een rekening welke
oorspronkelijk is geopend ingevolge een
g-rekeningovereenkomst doch met betrekking waartoe een opzegging van die
overeenkomst van kracht is geworden,
wordt niet aangemerkt als een
betaling welke in mindering komt op
het bedrag aan loonbelasting en - voor zover toepasselijk - omzetbelasting, onderscheidenlijk premie,
waarvoor in eerste aanleg
aansprakelijkheid is ontstaan als bedoeld in de artikelen
34, derde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van de
Coördinatiewet, tenzij die betaling deel is
gaan uitmaken van het saldo op die
rekening of het gedeelte van dat saldo
op die rekening waarop, ondanks die opzegging, ingevolge het vierde lid het
in artikel 1, tweede lid, onderdeel l,
bedoelde pandrecht is komen te
rusten.
Art. 12.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van het tijdstip
waarop de artikelen 16 en 17
van de Wet allocatie arbeidskrachten door
intermediairs in werking treden en vindt voor het eerst toepassing met betrekking
tot loonbelasting, omzetbelasting en premie waarvoor aansprakelijkheid
is ontstaan ingevolge de artikelen 34
van de Invorderingswet
en 16a van
de Coördinatiewet op of na het
tijdstip van inwerkingtreding van
deze regeling.
Art. 13.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Staatssecretaris van
Financiën,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
BIJLAGE
G-rekeningovereenkomst
inlenersaansprakelijkheid
De ondergetekenden:
- ... (naam), ... (adres, postcode en woon- of vestigingsplaats), ingeschreven in het Handelsregister bij
de Kamer van Koophandel en
Fabrieken te ... onder nummer ..., verder te noemen de rekeninghouder;
- het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, verder te noemen het Uitvoeringsinstituut;
- de ontvanger der
rijksbelastingen, verder te noemen de
ontvanger;
- de ... (naam van
de kredietinstelling), ... (adres, postcode en
vestigingsplaats), verder te noemen de kredietinstelling.
Overwegende:
- dat de rekeninghouder
inhoudingsplichtige is in de zin van de Wet op
de loonbelasting 1964 en als
zodanig bij de ontvanger bekend staat
onder nummer ... en/of werkgever is in
de zin van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) en als
zodanig bij het Uitvoeringsinstituut bekend staat onder nummer ..., en
dat de rekeninghouder voor de heffing van omzetbelasting bij de
ontvanger bekend staat onder nummer ...;
- dat de rekeninghouder
bij de kredietinstelling een rekening wenst te openen, waarvan de saldi,
behoudens de in punt 5 van deze
overeenkomst voorziene uitzondering, uitsluitend bestemd zijn voor betalingen
als bedoeld in de artikelen 34,
derde lid, van de Invorderingswet 1990 en 16a, vierde lid, van de
CSV;
- dat het, teneinde te
bewerkstelligen dat de saldi van die
rekening daadwerkelijk zullen dienen tot
vorenbedoelde betalingen, noodzakelijk is
dat de saldi noch door middel van verrekening, noch door middel van beslag,
noch anderszins, zullen kunnen
worden gebruikt voor andere
betalingen dan vorenbedoeld;
- dat het in verband met
het vorenstaande noodzakelijk is dat de saldi van die rekening worden
verpand aan de ontvanger en het
Uitvoeringsinstituut gezamenlijk.
Zijn overeengekomen als
volgt:
1. De rekeninghouder opent
hierbij een geblokkeerde rekening (g-rekening) bij de kredietinstelling
onder nummer ...... .
2. De rekeninghouder
verklaart dat de saldi van de g-rekening
hierbij in eerste onderpand worden gegeven aan
de ontvanger en het
Uitvoeringsinstituut gezamenlijk voor hetgeen zij nu of te
eniger tijd van hem te vorderen hebben
of zullen krijgen ter zake van de
verschuldigde belasting, bedoeld in
artikel 34, eerste lid, van de Invorderingswet
1990, en aan premie en
voorschotpremie als bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van de
CSV,
één en ander voor zover verband houdende met door hem aan derden ter beschikking
gestelde werknemers waarvoor hij ingevolge de
Wet op de loonbelasting 1964 als
inhoudingsplichtige en in verband waarmee hij, voor zover toepasselijk,
voor de Wet op de omzetbelasting
1968 als ondernemer wordt aangemerkt en/of waarvoor hij als werkgever
in de zin van de CSV wordt aangemerkt, één en ander met dien verstande dat
de rente die de kredietinstelling
over die saldi vergoedt op een andere
rekening van de rekeninghouder zal worden
gecrediteerd.
3. De in punt 2 bedoelde
verpanding zal geacht worden te zijn
geëffectueerd telkens op het moment dat bedragen op de g-rekening
worden gecrediteerd.
4. De kredietinstelling
verklaart in verband met het vorenstaande afstand
te doen van haar recht op
verrekening, van pand of enig ander recht
dat afbreuk zou kunnen doen aan
het ten behoeve van de ontvanger en
het Uitvoeringsinstituut gevestigde pandrecht.
5. Betalingen ten laste van
de g-rekening, andere dan die bedoeld in
de beweegreden van deze
overeenkomst en andere dan
terugstortingen als bedoeld in punt 8, zullen slechts geschieden na daartoe
ontvangen schriftelijke machtiging van
de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut.
6. De rekeninghouder
verleent hierbij aan de ontvanger en het
Uitvoeringsinstituut gezamenlijk volmacht tot inning van de saldi van de g-rekening
alsmede tot verrekening van het aldus
geïnde met al hetgeen zij nu of te
eniger tijd van hem te vorderen hebben of
zullen krijgen ter zake van de in punt 2
bedoelde belasting en premie.
7. De rekeninghouder
verplicht zich hierbij tegenover de
ontvanger en het Uitvoeringsinstituut om in geval van faillissement, aanvraag tot
surseance van betaling en in het algemeen bij opschorting
van zijn betalingen uiterlijk binnen
drie dagen mededeling te doen van het
saldo van de g-rekening.
8. De rekeninghouder
verplicht zich hierbij tegenover de
ontvanger en het Uitvoeringsinstituut om in
het geval dat op zijn g-rekening vanaf een andere g-rekening een bedrag wordt gestort, dit
bedrag onmiddellijk terug te
storten op de g-rekening van de storter, opdat de
ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
op dit bedrag jegens de storter hun
pandrecht kunnen doen gelden. Indien dit
laatste niet of niet meer mogelijk is omdat de storter inmiddels in staat
van faillissement is verklaard dan wel aan hem surseance van betaling is
verleend, verplicht de rekeninghouder zich om,
in afwijking in zoverre van de
vorige volzin, dat bedrag onder vermelding
van de herkomst over te maken
aan de ontvanger of het
Uitvoeringsinstituut.
9. De rekeninghouder
verplicht zich hierbij tegenover de
ontvanger en het Uitvoeringsinstituut om
opdrachten tot betaling ten laste van de g-rekening
slechts op één aangifte of één
belastingaanslag, onderscheidenlijk slechts op
één premienota, betrekking te doen hebben.
10. De kredietinstelling
verklaart in verband met de in punt 8
omschreven plicht tot terugstorten op
de daadwerkelijke terugstortingen punt 4
overeenkomstig te zullen toepassen.
11. In de administratie van
de kredietinstelling worden bij betalingen ten gunste van de g-rekening de
gegevens vastgelegd zoals deze op de
desbetreffende betalingsopdrachten zijn
vermeld. Hetzelfde geldt voor de
gegevens die bij betalingen ten laste
van de g-rekening op de
betalingsopdrachten zijn vermeld.
12. De kredietinstelling zal
de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
op een afzonderlijk tussen hen overeen te komen
wijze regelmatig op de hoogte
houden van alle gegevens die op de
g-rekening betrekking hebben. De
rekeninghouder verklaart zich met deze gegevensuitwisseling akkoord.
Aldus overeengekomen en
getekend te ... op ...
De rekeninghouder,
De ontvanger,
voor deze,
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
voor deze,
De kredietinstelling,
TOELICHTING
[17 juni 1998]
Algemeen
Met ingang van 1 juli 1998
is, ingevolge de inwerkingtreding van (de artikelen 16 en
17 van) de Wet allocatie arbeidskrachten door
intermediairs (Waadi), een herziene regeling van de zogenoemde
inlenersaansprakelijkheid (artikelen 34 van de Invorderingswet
1990, hierna
Invorderingswet, en 16a van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, hierna
Coördinatiewet) van kracht geworden. Artikel
34 van de Invorderingswet
heeft
betrekking op de loonbelasting en
premie volksverzekeringen die is toe te rekenen aan de
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten door de
uitlener aan de inlener, alsmede op de
daarmee verband houdende
omzetbelasting. Artikel 16a van de Coördinatiewet
ziet op de premie
werknemersverzekeringen welke wordt vastgesteld en
ingevorderd door de namens het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (hierna Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] optredende uitvoeringsinstelling.
Een belangrijk element van
het nieuwe regime van de
inlenersaansprakelijkheid is het bieden van de
mogelijkheid aan de aansprakelijke, de inlener, zich tegen het risico van aansprakelijkstelling voor door de uitlener
onbetaald gelaten loon- en
omzetbelasting, alsmede premie, in te dekken
door gebruik te maken van het
zogeheten g-rekeningenstelsel. Dat
houdt in dat, naast het naleven van enkele
administratieve voorwaarden, het voor de
voldoening van de loon- en
omzetbelasting, onderscheidenlijk premie bestemde gedeelte van het
ter zake van de uitlening van het
personeel door de uitlener aan de
inlener in rekening te brengen bedrag
wordt gestort op de g-rekening van
de uitlener. Tot het beloop van het aldus gestorte bedrag verkrijgt de
inlener dan (mits geen sprake is van
malafiditeit als bedoeld in de artikelen
34, vierde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vijfde lid, van de Coördinatiewet) een wettelijke vrijwaring van zijn aansprakelijkheid. Dat is neergelegd in de
artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van de
Coördinatiewet. Artikel 34,
zesde lid, van de Invorderingswet
en
artikel 16a, tiende lid, van de Coördinatiewet
voorzien in een nadere regeling van één en ander bij ministeriële
regeling. De onderhavige regeling geeft daaraan uitvoering.
Aan het nieuwe regime van de
inlenersaansprakelijkheid ligt de gedachte ten grondslag dat het nieuwe
regime zoveel mogelijk dient
overeen te komen met de bestaande wettelijke regeling van de zogenoemde
ketenaansprakelijkheid (artikelen 35 van de Invorderingswet
en 16b
van
de Coördinatiewet). In de
eerste plaats omdat zich in de praktijk
nogal wat gevallen voordoen waarbij de scheidslijn tussen het uitlenen van arbeidskrachten en het aannemen van werk
moeilijk te ontwaren is. In de tweede plaats om een
gekunstelde etikettering van
overeenkomsten als uitleen- of aannemingsovereenkomsten te voorkomen. In de
derde plaats om de niet
geringe uitvoeringslasten die de bestrijding van dergelijke gekunstelde
etiketteringen meebrengt te voorkomen. Het
ligt daarom voor de hand de
nadere regelgeving rond het gebruik van de
g-rekening ten behoeve van de inlenersaansprakelijkheid, afgezien van de noodzakelijke aanpassing van
terminologie, in beginsel te ontlenen aan
de bestaande voor de
ketenaansprakelijkheid bij ministeriële regeling
gegeven uitvoeringsvoorschriften [zie Uitvoeringsregeling
ketenaansprakelijkheid premie werknemersverzekeringen, red.].
Afgezien van twee in de
parlementaire geschiedenis van het nieuwe
regime van de inlenersaansprakelijkheid (artikelen 16 en
17 van de Waadi, Kamerstukken II
1996-1997, 25 264)
onderkende verschillen tussen de inleners- en de ketenaansprakelijkheid - de inlenersaansprakelijkheid ziet ook op omzetbelasting en het zogenoemde
doorstorten van gelden van de ene g-rekening naar de andere is
bij de inlenersaansprakelijkheid
niet toegestaan - wordt zowel in
vorengenoemde wetsartikelen als in de
voorliggende regeling nog op een aantal
andere, voor het bedrijfsleven zeer
belangrijke, punten afgeweken van de
bestaande wettelijke regeling van het
g-rekeningenregime in het kader van de
ketenaansprakelijkheid.
De mogelijkheid door middel
van het gebruik van de g-rekening
het aansprakelijkheidsrisico van de inlener af te dekken, is in de nieuwe
wettelijke regeling van de
inlenersaansprakelijkheid ontleend aan het voorstel van wet
tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de
Invorderingswet 1990 in verband met de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de kopersaansprakelijkheid in de
confectiesector en invoering
van een vrijwaringsregeling in de ketenaansprakelijkheid
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 035, nr. 2;
hierna: wetsvoorstel Opdrachtgeversaansprakelijkheid). In dat wetsvoorstel wordt
voorzien in een wettelijke vrijwaring
van de aansprakelijke aannemer
die bonafide is, tot het beloop van de
door hem op de g-rekening van zijn
onderaannemer gestorte gelden. Dat brengt
mee dat, anders dan onder de
oude regeling het geval was, de aannemer
niet langer behoeft in te staan
voor hetgeen de onderaannemer doet of nalaat met de op zijn
g-rekening gestorte gelden.
Overgebracht naar de inlenersaansprakelijkheid
betekent dit dat de bonafide inlener van
arbeidskrachten zich tot het beloop van zijn stortingen op de g-rekening
van de uitlener wettelijk van
aansprakelijkheid wordt gevrijwaard.
In de tweede plaats zijn de
zogeheten administratieve
voorschriften rond het gebruik van de
g-rekening grotendeels herzien. De in verband met
de invoering van de inlenersaansprakelijkheid nieuwe stijl noodzakelijke
aanpassing van of aanvulling op de bestaande uitvoeringsvoorschriften
rond het gebruik van de g-rekening
is namelijk tevens aanleiding geweest na
te gaan in hoeverre het mogelijk is
te komen tot een duidelijker en aan
de ontwikkeling van de administratieve
technieken aangepaste, waar mogelijk
ook eenvoudiger regeling van die
administratieve voorwaarden. Formeel gelden die herziene voorwaarden
vooralsnog alleen voor de inlenersaansprakelijkheid; ze vormen echter tevens het model voor de herziening van
de administratieve voorwaarden rond het gebruik van de g-rekening in
het kader van de
ketenaansprakelijkheid en de opdrachtgeversaansprakelijkheid.
Tot nu toe waren de
uitvoeringsvoorschriften rond het gebruik van de g-rekening, slechts betrekking hebbend op de
ketenaansprakelijkheid, opgenomen in een drietal regelingen,
te weten hoofdstuk IV van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990, het G-rekeningenbesluit 1991
en de Regeling van 26 mei 1982 (Stcrt. 1982, 107), houdende administratievoorschriften bij onderaanneming. Thans is
gekozen voor het uitgangspunt de
nieuwe voorschriften omtrent het functioneren van de g-rekening voortaan neer
te leggen in één gezamenlijke van
Financiën en Sociale Zaken en
Werkgelegenheid uitgaande uitvoeringsregeling. De
eerste tranche daarvan heeft zijn
beslag gekregen in de onderhavige
Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid. Het ligt in de bedoeling om,
zodra het wetsvoorstel Opdrachtgeversaansprakelijkheid tot wet is verheven en in werking treedt, de
onderhavige regeling formeel uit te breiden tot
de ketenaansprakelijkheid
alsmede tot de opdrachtgeversaansprakelijkheid
in de confectiesector. De genoemde
drie bestaande regelingen kunnen
dan vervallen.
In de voorgaande alinea is
sprake van het formeel uitbreiden van
het bereik van deze regeling tot de
ketenaansprakelijkheid. Dat houdt ook verband met het door de belastingdienst
voorgenomen uitvoeringsbeleid waarin
materieel reeds met ingang van 1 juli
1998 de onderhavige regeling ook
(voor zoveel nodig:
overeenkomstig) zal worden toegepast met
betrekking tot de ketenaanaansprakelijkheid. De belastingdienst acht het namelijk passend in zoverre ten gunste van
het betrokken bedrijfsleven
vooruit te lopen op de totstandkoming
van de wettelijke
vrijwaringsregeling voor de ketenaansprakelijkheid en
een vereenvoudiging van de zogenoemde
administratieve voorwaarden ter zake, nu er naar de opvatting van die
dienst geen redenen zijn de desbetreffende aansprakelijken de voordelen van de nieuwe
opvattingen ter zake te onthouden. Zo zal dan feitelijk van
aannemers en onderaannemers niet meer
worden gevergd dat de zogenoemde
overmakingsovereenkomsten schriftelijk dienen te worden gesloten en dat in
de overeenkomsten alle thans
voor dergelijke overeenkomsten wettelijk
voorgeschreven details moeten worden
opgenomen. Vorm en inhoud van de overmakingsovereenkomst
worden aan partijen overgelaten. Zo
zal ook reeds de facto vrijwaring
worden verleend aan de bonafide aannemer tot het beloop van de door hem op de
g-rekening
van de onderaannemer gestorte bedragen indien
voldaan wordt - overeenkomstig
toegepast - aan de in de onderhavige
regeling opgenomen administratieve
voorwaarden. Hiermede wordt ook recht gedaan aan het uitgangspunt dat het
regime van de
inlenersaansprakelijkheid - om de hiervoor
aangegeven redenen - zoveel mogelijk
hetzelfde dient te zijn als het regime
voor de ketenaansprakelijkheid. Ook
beperkt het de uitvoeringslasten,
zowel voor het bedrijfsleven als voor
de uitvoeringsinstanties, als er in beginsel gelijke regels gelden voor beide
typen van aansprakelijkheid. Verder
bestaat er in brede kring steun voor de
verbetering van de vrijwaringsmogelijkheden voor de aannemers in het kader
van de ketenaansprakelijkheid.
De inwerkingtreding van de Waadi per 1 juli 1998 en de in dat
kader ingevoerde Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid hebben ook betekenis voor de regelingen die
bestaan met betrekking tot de
ketenaansprakelijkheid. Het huidige G-rekeningenbesluit 1991 van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal worden aangepast in die zin dat de
- vereenvoudigde en gemoderniseerde - administratieve voorschriften die in de
Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid zijn opgenomen, ook zullen gaan gelden voor het gebruik
van een g-rekening in het kader van
de ketenaansprakelijkheid.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1. Reikwijdte en
begripsbepalingen
De begripsbepalingen in
de onderdelen a tot en met k van
artikel 1, tweede lid, zijn overwegend van
technische aard. Enkele onderdelen
verdienen nadere toelichting.
Naar aanleiding van
onderdeel h wijzen wij erop dat, zoals uit
de verdere tekst van deze regeling,
daaronder begrepen die van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen g-rekeningovereenkomst, tot uitdrukking komt,
het Lisv het
bestuursorgaan is dat formeel verantwoordelijk is voor
de uitvoering van de wettelijke
regelingen waarop de Coördinatiewet van toepassing is alsmede voor de
toepassing van de Coördinatiewet als
zodanig. De daaraan verbonden
bevoegdheden en verplichtingen worden
ingevolge de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 krachtens een
daartoe door het Lisv verstrekt mandaat
feitelijk uitgeoefend, respectievelijk
nageleefd, door de uitvoeringsinstelling
die krachtens genoemde wet is belast
met de uitvoeringswerkzaamheden voor de sector waarbij de betrokken
werkgevers zijn aangesloten [zie Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, red.].
Een tweede punt heeft
betrekking op de onderdelen i
(loonbelasting en premie volksverzekeringen) en j (omzetbelasting). Hoewel
ingevolge artikel 32, tweede lid,
van de Invorderingswet
de
aansprakelijkheid van de inlener zich onder
omstandigheden mede kan uitstrekken tot
in te vorderen bedragen die
verband houden met de belasting waarvoor
aansprakelijkheid geldt, te denken valt in casu aan door de
hoofdschuldenaar verschuldigd geworden heffings- en invorderingsrente, vallen
dergelijke nevenschulden buiten het
bereik van de wettelijke
vrijwaringsregeling door storting op de
g-rekening. De inlener kan immers voor die heffings- of invorderingsrente slechts aansprakelijk worden gesteld voor
zover het
belopen van die heffings- of
invorderingsrente aan hem te wijten is. Het zou
dan ook onjuist zijn een inlener
die een dergelijk verwijt kan worden gemaakt in staat te stellen zich
tegen de gevolgen van dat verwijtbaar
gedrag te kunnen indekken door storting
van gelden op de g-rekening van de
uitlener. Bestuurlijke boeten spelen hier geen rol omdat die ingevolge
de artikelen 34 van de Invorderingswet
en 16a van de Coördinatiewet uitdrukkelijk buiten de
inlenersaansprakelijkheid zijn gehouden.
Onderdeel l werkt uit wat
een g-rekening is en met welk doel een
dergelijke rekening wordt geopend. Tevens wordt in dat
onderdeel vastgelegd dat er op de saldi van
die rekening een pandrecht rust ten
behoeve van de ontvanger en het Lisv gezamenlijk. Onderdeel m geeft aan dat aan het openen van een
g-rekening een vierpartijenovereenkomst ten grondslag ligt, namelijk
een overeenkomst tussen de uitlener, de
ontvanger, het Lisv en de door de
uitlener aangezochte
kredietinstelling. Dit komt overeen met hetgeen
voorheen reeds gold en ook thans
geldt voor de ketenaansprakelijkheid.
Artikel
2. Voorwaarden
medewerking totstandkoming
g-rekeningovereenkomst
Artikel 2 bevat naast het
voorschrift dat de uitlener de
ontvanger en het Lisv schriftelijk moet
verzoeken om medewerking te verlenen
aan het tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst ook een belangrijke
beperking: niet elke uitlener mag de beschikking krijgen over
een g-rekening. Alleen de professionele
uitzendonderneming die haar bedrijf
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel, zal daarover
de beschikking mogen krijgen. Hoewel wij
begrip hebben voor de behoeften van
ondernemers en ondernemingen die niet
aan dat criterium kunnen
voldoen, hebben we de wenselijkheid
oneigenlijk gebruik van de g-rekening
te voorkomen zwaarder laten wegen.
Naarmate er minder g-rekeningen
zijn, is er in zijn algemeenheid ook
minder gelegenheid tot oneigenlijk gebruik.
Door het aantal in het kader
van de inlenersaansprakelijkheid te openen g-rekeningen beperkt te houden, blijft
tevens de mogelijkheid aanwezig een
redelijke mate van toezicht te
houden op het gebruik van dergelijke g-rekeningen. Zou deze beperking niet
worden aangebracht, zou elke ondernemer of onderneming die op
verhoudingsgewijs beperkte schaal personeel uitleent, de beschikking kunnen
krijgen over een g-rekening en
zou het g-rekeningenstelsel al snel onbeheersbaar worden, zoals dat in de
jaren ’80 is gebeurd.
Wij wijzen er overigens
op dat dit niet met zich meebrengt
dat de cliënten van de ondernemers of
ondernemingen die op verhoudingsgewijs beperkte schaal personeel uitlenen,
van elke mogelijkheid tot
afdekking van het
aansprakelijkheidsrisico zouden zijn uitgesloten. Men kan
namelijk gebruik maken van de
mogelijkheid de voor voldoening van
loonbelasting en - voor zover
toepasselijk - omzetbelasting alsmede van premie
bestemde gelden rechtstreeks te storten
bij de ontvanger, respectievelijk bij de namens het Lisv werkzame
uitvoeringsinstelling voor de sociale verzekeringen.
Uit het slot van artikel
2 blijkt dat de ondernemer of onderneming
die niet de hoedanigheid bezit van
een professionele uitzendonderneming maar, naar redelijkerwijs mag
worden aangenomen, op korte termijn die
hoedanigheid zal verwerven, het gaat bijvoorbeeld om een startende
ondernemer, eveneens de medewerking
van de ontvanger en het Lisv zal krijgen
om een g-rekening te openen.
Deze regel komt overeen met die welke thans reeds in het kader van de
ketenaansprakelijkheid wordt gehanteerd.
Overeenkomstig de
bestaande regels in het kader van de
ketenaansprakelijkheid komen in het kader van de inlenersaansprakelijkheid
slechts die ondernemers en ondernemingen voor de opening van een
g-rekening in aanmerking die zelf ter zake van het
door het betrokken personeel
genoten loon inhoudingsplichtige zijn
voor de loonbelasting of werkgever in de zin
van de Coördinatiewet en uit
dien hoofde gehouden tot voldoening
van de door het Lisv te innen premie.
Een ondernemer of rechtspersoon
zonder eigen personeel komt dus niet
in aanmerking voor het verkrijgen van
een g-rekening.
Artikel
3. Weigering
medewerking
Artikel 3 bevat de regel,
overeenkomstig hetgeen geldt voor de
ketenaansprakelijkheid, dat de ontvanger en het Lisv
hun medewerking
aan het openen van een g-rekening weigeren als de uitlener al een
g-rekening heeft, tenzij deze aannemelijk
maakt dat het gebruik maken van meer
dan één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is (onderdeel
a), alsmede
in het geval gegronde
vrees bestaat dat onjuist gebruik van
de g-rekening zal worden gemaakt
(onderdeel b).
In onderdeel a ligt
besloten dat het niet in alle gevallen
uitgesloten is dat een ondernemer (of
onderneming) over meer dan één
g-rekening beschikt. Dit in
afwijking van de in het kader van de
ketenaansprakelijkheid in 1991 ter beteugeling van oneigenlijk gebruik van g-gelden
ingevoerde hoofdregel dat een ondernemer over
niet meer dan één g-rekening
diende te beschikken. Toen is
echter tevens voorzien in een met artikel 3, onderdeel a,
overeenkomende uitzonderingsmogelijkheid omdat het in de praktijk nogal eens
voorkomt dat het bedrijf van een
ondernemer feitelijk is gesplitst in
verschillende zelfstandig opererende
bedrijfsonderdelen. Voor zover het aannemelijk
is dat een dergelijke splitsing - en in het verlengde daarvan het beschikken over een
g-rekening per bedrijfsonderdeel - functioneel is en uit
bedrijfseconomisch oogpunt voor de betrokken
ondernemer geboden, hetgeen deze
ondernemer of onderneming
aannemelijk zal moeten maken, kan
ingestemd worden met het aanhouden van
meer dan één g-rekening per
ondernemer.
Het weigeren van de
medewerking aan het openen van een
g-rekening, bedoeld in onderdeel b,
berust op de gegronde vrees dat er van
de g-rekening onjuist gebruik zal worden gemaakt. Of van gegronde
vrees sprake is, zal voor elk
individueel geval aan de hand van feiten en
omstandigheden beoordeeld moeten worden.
Te denken valt niet alleen
aan door de aanvrager reeds eerder
gepleegde fraude of misbruik of
oneigenlijk gebruik met betrekking
tot belastingen of premies, maar ook aan
situaties waarin bepaalde
beleidsbepalende personen actief zijn in
een onderneming terwijl zij eerder actief
waren in een andere onderneming
waarvan de g-rekening wegens onjuist
gebruik daarvan is opgezegd.
Artikel
4. Bewaren
g-rekeningovereenkomst
Artikel 4 geeft een
regeling voor het bewaren van het origineel
van de g-rekeningovereenkomst en de verstrekking van een kopie daarvan aan
de andere bij de g-rekeningovereenkomst betrokken partijen. Deze
regeling komt qua strekking
overeen met de bestaande regeling in het
kader van de ketenaansprakelijkheid.
Op één punt is zij vollediger dan die
bestaande regeling, namelijk in die zin dat
bewaring plaatsvindt zolang de
g-rekening blijft bestaan. Voor het overige
heeft modernisering door aanpassing aan de hedendaagse
administratieve techniek plaatsgevonden. De betrokken kredietinstelling heeft de keuze de op
schrift gestelde g-rekeningovereenkomst als zodanig te bewaren of
gebruik te maken van de mogelijkheid
om, overeenkomstig hetgeen ter zake in
artikel 52, vijfde en zesde lid,
van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen is geregeld, een
dergelijk bescheid om te zetten in een
vastlegging op een elektronische
gegevensdrager (bijvoorbeeld op een harde schijf [cd-rom, red.] of
een diskette). Het vijfde lid van dat
artikel bevat de bevoegdheid gegevens van de ene gegevensdrager
over te zetten op een andere
gegevensdrager; het zesde lid verbindt
daaraan de eisen dat controle daarvan binnen
een redelijke termijn mogelijk moet
zijn en dat de betrokkene de in dat
kader benodigde medewerking behoort te
verlenen. In artikel 4 wordt een
termijn van zeven jaren gehanteerd in plaats van de voorheen geldende termijn van
tien jaren, in overeenstemming met de Wet van 26 maart
1998 tot
wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek en van enige andere wetten in
verband met de verkorting van de
bewaartermijn van boeken, bescheiden en
andere gegevensdragers (Stb.
1998, 184) (tijdstip
van inwerkingtreding 1 juni 1998). Die termijnverkorting geldt zowel voor de
civielrechtelijke als voor de fiscale administratie- en
bewaarplicht. De bewaartermijn van zeven jaren
is de minimumbewaartermijn, welke begint te lopen op het tijdstip
waarop de g-rekeningovereenkomst perfect is geworden (door ondertekening door
alle partijen) en die ook geldt indien
gedurende die zeven jaren de g-rekening
wordt opgeheven. Blijft de g-rekening
langer dan zeven jaren in stand, dan
dient het originele exemplaar van de
overeenkomst dan wel de op een
elektronische gegevensdrager vastgelegde inhoud van de overeenkomst bewaard te
blijven zolang die rekening in
stand blijft.
Artikel
5. Vereisten
vrijwarende betaling
Artikel 5 bevat de
administratieve voorwaarden voor het
verkrijgen van wettelijke vrijwaring
door storting op de g-rekening. Blijkens
de aanhef is het artikel, zoals dat ook geldt voor alle andere bepalingen in
deze regeling, vooralsnog alleen van toepassing op de
inlenersaansprakelijkheid. Voor de in het artikel
opgenomen voorschriften is enerzijds aansluiting gezocht bij de huidige
wettelijke regeling inzake het gebruik van de
g-rekening in het kader van de
ketenaansprakelijkheid. Anderzijds is bij het ontwerpen van de
onderhavige regeling gestreefd naar
administratieve lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Dit door vereenvoudiging
waar mogelijk, verduidelijking waar dat
gewenst leek, en modernisering
door middel van een aanpassing aan de
moderne administratietechniek.
Een vereenvoudiging
vloeit in de eerste plaats voort uit het feit
dat vorenbedoelde administratieve
voorwaarden volledig zijn opgenomen
in artikel 5 van de onderhavige regeling in plaats van in de hiervoor in het
algemeen deel van deze toelichting genoemde drie regelingen.
In de tweede plaats is
er, vergeleken met hetgeen thans nog
geldt voor de ketenaansprakelijkheid,
sprake van een vereenvoudiging en
verlichting van de administratieve
voorwaarden, doordat die voorwaarden
zich voortaan uitsluitend richten tot
de aansprakelijke, in deze regeling
vooralsnog alleen de inlener. Zo is
het verkrijgen van vrijwaring door de
aansprakelijke niet langer afhankelijk
van het al dan niet voldoen door de
hoofdschuldenaar, in casu de uitlener, aan
diens verplichting tot het verrichten van
betalingen ten laste van de
g-rekening aan de ontvanger of het Lisv. Dit aspect is een logisch
uitvloeisel van de opzet van de artikelen
34, derde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet
waarbij de bonafide inlener niet
hoeft in te staan voor de handelingen van
de uitlener, voor wiens belasting- en premieschuld aansprakelijkheid
bestaat. De aansprakelijke, de inlener, is weliswaar
tot op zekere hoogte afhankelijk
van de medewerking van de
belastingschuldige of tot betaling van
premie gehouden werkgever in de zin van
de Coördinatiewet, voor
wiens loon- en omzetbelasting- of
premieschuld de aansprakelijkheid
bestaat, maar deze medewerking is echter van
bescheiden omvang (vermelding van
enkele aanvullende gegevens op de factuur
voor de inlener), hetgeen
slechts nieuw is voor zover die gegevens
daarop niet reeds werden vermeld en
zal zonder veel bezwaar door de
inlener contractueel kunnen worden bedongen
van de uitlener.
In de thans nog voor de
ketenaansprakelijkheid geldende wettelijke regeling is een schriftelijke overmakingsovereenkomst
tussen aannemer en onderaannemer vereist, gepaard gaande aan gedetailleerde
voorschriften omtrent de inhoud van die overeenkomst. In de onderhavige
regeling - dit is het derde punt
van vereenvoudiging (en modernisering) - wordt het geheel aan de betrokken
partijen overgelaten in welke vorm een
dergelijke overeenkomst wordt
gegoten en wat de inhoud daarvan zal
zijn. Zo kan in plaats van een
schriftelijke overeenkomst bijvoorbeeld de
overeenkomst in de vorm van een elektronisch bericht worden gegoten, kan de
overeenkomst blijken uit een
eenzijdige vastlegging van een mondeling
aangegane overeenkomst, kan
splitsing plaatsvinden tussen een
kaderovereenkomst met aanvullingen per
individuele prestatie, etc. Daarbij hoeft niet
meer vastgelegd te worden dan voor een
effectieve controlemogelijkheid voor
de fiscus en het Lisv
noodzakelijk is.
Een vereenvoudiging,
tevens verlichting van administratieve
lasten ten opzichte van het bestaande wettelijke regime voor de
ketenaansprakelijkheid, is voorts het schrappen van een aantal gedetailleerde
voorschriften omtrent de gegevens welke
de aansprakelijke, in casu de inlener, dient
te vermelden op opdrachten
tot betaling op de g-rekening van de
hoofdschuldenaar, in casu de uitlener.
Hetzelfde geldt voor
betalingen door de rekeninghouder, in
casu de uitlener, vanaf de g-rekening aan
de ontvanger of het Lisv. Deels leidt
de letterlijke toepassing van dergelijke
voorschriften in de praktijk tot
problemen. Deels passen ze ook niet in de nieuwe opzet van de
vrijwaringsregelingen in de keten- en in de inlenersaansprakelijkheid, namelijk
voor zover ze
niet gericht zijn tot de
aansprakelijke, in casu de inlener, maar tot
de hoofdschuldenaar van de belasting en van
de premie, in casu de
uitlener, voor wiens belasting- en
premieschuld aansprakelijkheid bestaat. In de derde
plaats voegen ze niets toe aan hetgeen
reeds uit de civielrechtelijke
regels inzake de betaling van een
geldschuld voortvloeit. Volstaan kan worden met
de in artikel 5 neergelegde
vereisten.
Krachtens artikel 5,
onderdeel a, worden aan die factuur - hier de factuur waarop de door de
uitlener aan de inlener verrichte
prestatie alsmede de ter zake verschuldigde omzetbelasting in rekening wordt
gebracht - in aanvulling op het in
onderdeel a bepaalde enige
aanvullende eisen gesteld; eisen die
overigens slechts nieuw zijn voor zover in
de praktijk de vermelding van de
desbetreffende gegevens nog niet is voorzien. Verlangd wordt dat die
factuur voldoet aan de eisen die de Wet
op de omzetbelasting 1968 daaraan stelt, alsmede de vermelding bevat van
enige aanvullende gegevens.
De eisen die de Wet op de
omzetbelasting 1968 stelt, zijn met name
neergelegd in artikel 35 van die
wet. Onderdeel a van artikel 5
komt overeen met artikel 35 van de Wet
op de omzetbelasting 1968 in zoverre
dat in de aanhef van het eerste lid
van genoemd artikel 35 ook wordt voorgeschreven dat een factuur genummerd
is. Artikel 5, onderdeel a, vraagt
echter, voor het geval factuurnummers
onvoldoende onderscheidend zijn,
bovendien een aanvullend identificerend
gegeven, zoals een
debiteurennummer, een nummer dat in de praktijk
al veelal wordt toegepast.
Onderdeel b houdt in dat ook de overige
door de Wet op de omzetbelasting 1968
aan facturen gestelde eisen in de
onderhavige regeling zelfstandig worden
gesteld ten behoeve van de handhaving
van de inlenersaansprakelijkheid. Voor zover facturen in de praktijk
deze gegevens nog niet bevatten, wordt
in dit onderdeel verlangd dat die facturen
een vermelding bevatten van het tijdstip waarop de desbetreffende
overeenkomst van in- en uitlening van
personeel is gesloten, van het
eventuele nummer of ander kenmerk
van die overeenkomst en van het
tijdvak of tijdvakken waarin de
prestaties in kwestie zijn geleverd
(bij in termijnen te leveren prestaties:
het tijdvak waarin het gefactureerde
gedeelte van de prestatie is voldaan).
Wat betreft de vraag wanneer de
gefactureerde prestatie is verricht, wordt, gezien
de aard van de belasting- en
premieschulden, in afwijking in zoverre
van genoemd artikel 35, eerste lid,
onderdeel a, niet de vermelding gevraagd
van de dag waarop de prestatie is
verricht, maar van het tijdvak of de
tijdvakken waarin de prestatie is verricht.
Ook moet vermeld worden het tijdstip
waarop de onderliggende overeenkomst is gesloten en, zo aanwezig, het
nummer of kenmerk van die overeenkomst.
Onderdeel b van artikel 5
stelt aan de aansprakelijke inlener
de voorwaarde dat zijn betaling op de
g-rekening van de uitlener vergezeld
gaat van de vermelding van het factuurnummer en, voor zover dit nummer
onvoldoende onderscheidend is om die factuur snel in de administratie van
de inlener terug te vinden en
foutloos de verbinding te leggen met de juiste
uitlener in elk concreet geval van
inlening van personeel, een aanvullend
onderscheidend kenmerk. Daarbij is met
name gedacht aan een debiteurennummer. Hoewel in de bestaande
wettelijke regeling van de ketenaansprakelijkheid niet over de factuur
wordt gesproken, vormt deze van
meet af aan een belangrijk
aanknopingspunt voor de toepassing van de
ketenaansprakelijkheid. De factuur vormt immers de belangrijkste
verbinding tussen de aansprakelijke,
in casu de inlener, en de
hoofdschuldenaar van de belasting en de
premie, in casu de uitlener, omdat daaruit
blijkt in hoeverre die hoofdschuldenaar
daadwerkelijk bepaalde prestaties heeft
geleverd aan de aansprakelijke.
Dat geldt al geruime tijd voor de ketenaansprakelijkheid. Hetzelfde is komen te
gelden in de
inlenersaansprakelijkheid voor de factuur van de
uitlener aan de inlener inzake de door de
eerste aan de laatste ter
beschikking gestelde arbeidskrachten. Bij de
handhaving van de inlenersaansprakelijkheid kan dan ook, overeenkomstig
de door het bedrijfsleven gedane
suggestie, een centrale rol aan de
factuur worden toegekend.
Onderdeel c van artikel 5
ziet op de administratie van de inlener. Zoals feitelijk ook thans reeds het geval
is met betrekking tot de
ketenaansprakelijkheid steunen de ontvanger en
het Lisv bij de handhaving van
aansprakelijkheidsregelingen in verregaande mate op de administratie van
met name de aansprakelijke, in casu
de inlener. De aansprakelijke heeft in
het algemeen zelf al de behoefte te
beschikken over een goede administratie
waaruit onder meer snel kenbaar is
welke fiscale verplichtingen hij heeft en ter
voldoening aan de civielrechtelijke administatie- en bewaarverplichting. Afgezien daarvan dient de administratie
van de aansprakelijke tevens te voldoen aan de eisen die artikel 52 van
de Algemene
wet inzake rijksbelastingen daaraan stelt. De in dat artikel
opgenomen administratieplicht (zie
het derde lid van genoemd artikel 52)
omvat mede hetgeen krachtens andere
belastingwetten wordt bijgehouden,
aangetekend of opgemaakt, zoals voor
de loonbelasting en voor de
omzetbelasting. In de praktijk zullen de
administraties van de inleners dan ook
veelal reeds zodanig zijn
ingericht en zullen die administraties
zodanig worden gevoerd dat een onderzoek
in het kader van de inlenersaansprakelijkheid goed uitvoerbaar is.
Omdat vorengenoemd artikel 52 tamelijk abstract is, is in onderdeel c van
artikel 5 op enkele punten nader uitgewerkt
aan welke eisen de administratie
van een inlener moet voldoen in het kader
van de toepassing van de inlenersaansprakelijkheid. De administratie van de
inlener dient zodanig te zijn ingericht en zodanig te worden gevoerd
dat daarin bij controle terstond of
vrijwel terstond kan worden teruggevonden
de (inhoud van) de
overeenkomst krachtens welke de uitlener de
gefactureerde prestatie heeft geleverd (artikel 5, onderdeel c, onder
1º). Eveneens moeten in de administratie van
de inlener terstond of vrijwel
terstond kunnen worden teruggevonden, zo
volgt uit artikel 5, onderdeel c,
onder 2º, de gegevens inzake de
nakoming van die overeenkomst, met
inbegrip van, naar de eisen van het bedrijf
van de aansprakelijke, een registratie van de
personen die zijn ingeleend en van de dagen waarop en de uren
gedurende welke die personen
werkzaamheden hebben verricht in
verband waarmee voor de inlener
aansprakelijkheid bestaat ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet
en
16a
van de Coördinatiewet. De goede toegankelijkheid van de administratie,
zoals hiervoor bedoeld, dient ten slotte, zo bepaalt artikel 5,
onderdeel c, onder 3º, van deze regeling,
eveneens te gelden voor de betalingen die in
verband met de nakoming van de
overeenkomst in kwestie aan de uitlener zijn gedaan. Tot
laatstbedoelde betalingen behoren de betalingen die
de inlener in verband met één en
ander op de g-rekening van de uitlener heeft
verricht.
Het element "naar de
eisen van het bedrijf van de inlener"
in artikel 5, onderdeel c, onder 2º,
vormt een nuancering ten gunste van
het bedrijfsleven van de
verplichting tot het voeren van de
zogenoemde schaduwloonadministratie door inleners (artikel 16a, achtste
lid, in verbinding met artikel 10 van de Coördinatiewet). Deze verplichting houdt in dat de aansprakelijke een administratie dient
te voeren aan de hand
waarvan het door de ingeleende
arbeidskracht genoten loon kan worden
vastgesteld (een gelijke verplichting
geldt in de ketenaansprakelijkheid ook voor aannemers). Een volstrekt letterlijke
toepassing daarvan is in de praktijk
niet goed mogelijk. Wel kan worden verlangd, zoals nu is uitgewerkt in
artikel 5, onderdeel c, van deze
regeling, dat er goede aanknopingspunten
in de administratie van de aansprakelijke
aanwezig zijn om tot een
verantwoorde toerekening te komen van het bedrag
aan loonbelasting en - voor zover toepasselijk - omzetbelasting en aan
premie, aan de concrete gevallen
van inlening van arbeidskrachten. Wat
men in concreto kan eisen - en dat is
de strekking van de woorden "naar de
eisen van het bedrijf" - is mede
afhankelijk van hetgeen gezien de omvang en aard
van de onderneming van de
individuele inlener kan worden
gevergd. Van een onderneming met een
verfijnde verregaand geautomatiseerde
administratie, hetgeen veelal een grote
onderneming zal zijn, mag in het
algemeen meer worden verwacht dan
van een kleine zelfstandige. Een
met de vorengenoemde nuancering overeenstemmend element is ook te vinden
zowel in de thans geldende
civielrechtelijke administratieplicht
(artikel 2:10, eerste lid, BW) als in de
fiscale administratieplicht (artikel 52, eerste lid,
van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen).
Nu (steunend op de
delegatie in de artikelen 34, zesde lid,
van de Invorderingswet
en 16a,
tiende lid, van de Coördinatiewet) in de
onderhavige uitvoeringsregeling op adequate wijze is vastgelegd welke eisen
kunnen worden gesteld aan de
administratie van de aansprakelijke, in
casu de inlener, is de verwijzing in artikel 16a
van de Coördinatiewet
naar
artikel 10 van die wet overbodig geworden.
Het ligt in de bedoeling de tekst van
genoemd artikel 16a te gelegener
tijd daaraan aan te passen.
Artikel
6. Bescherming te
goeder trouw zijnde inlener
Een voor inlenende
ondernemers en organisaties gunstige
regeling is opgenomen in artikel 6. Deze
voorziening is opgenomen om te voorkomen
dat een bonafide inlener die arbeidskrachten inleent van een
ondernemer die, naar de inlener redelijkerwijs
mocht aannemen, eigen werknemers ter
beschikking heeft gesteld aan de
inlener, hoewel dat in werkelijkheid niet
zo is (feitelijk is dus sprake
van doorlening) benadeeld zou kunnen worden door de door deze ondernemer
opgewekte schijn. Dit terwijl de
inlener in goed vertrouwen gelden heeft
gestort op de aan zijn wederpartij (al
dan niet uit anderen hoofde) ter
beschikking staande g-rekening. Bijvoorbeeld
in de volgende situatie. Een inlener
heeft regelmatig personeel ingeleend van
een bepaalde
uitzendonderneming waarbij het altijd ging om eigen
personeel van die uitlener. In dat
kader werd ook gebruik gemaakt van de
aan de uitzendende onderneming behorende g-rekening. Op een bepaald moment doet zich vervolgens een
piek voor in de afzet van
uitzenddiensten waaraan de uitzendende
onderneming niet geheel met eigen
personeel kan voldoen. In verband daarmee leent
die uitzendonderneming van
een ander uitzendbureau personeel in en stelt dat ter beschikking van
de inlener in kwestie (doorlening),
zonder die inlener daarvan op de hoogte te
stellen (de uitzendende
onderneming wekt dus de schijn de werkgever van laatstbedoelde uitzendkrachten te zijn).
De (uiteindelijke) inlener
weet dat niet en behoeft dat dan ook niet
te weten. Die inlener zou dan zonder de bescherming van artikel 6 de dupe
worden van de valse pretenties,
althans de onzorgvuldigheid, van zijn wederpartij
omdat stortingen op de
g-rekening van een doorlener in principe
geen vrijwaring kunnen opleveren. Dit
volgt uit de bewoordingen van de
artikelen 34, eerste en derde lid, van
de Invorderingswet
en 16a, eerste en vierde lid, van de Coördinatiewet.
Daar is de term uitlener gereserveerd
voor degene die inhoudingsplichtige is
voor de loonbelasting en werkgever in de zin
van de Coördinatiewet en niet
voor de doorlener en wordt uitsluitend aan
stortingen op de g-rekening van de
uitlener wettelijke vrijwaring van
aansprakelijkheid verbonden. Ingevolge
artikel 6 worden de stortingen op
de g-rekening van de doorlener in bovengeschetste omstandigheden gelijkgesteld met stortingen op de
g-rekening van de uitlener.
Wij wijzen er nog op dat
artikel 6 voor de betrokken inlener
een te zijnen gunste geformuleerde
uitzondering is op de in de artikelen
34, derde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet. In een voorkomend geval moet
dus die inlener de
toepasselijkheid van artikel 6 stellen en aannemelijk
maken.
Artikel
7. Doorstorting
Aan het
"verbod" tot
doorstorting van g-gelden in het kader van
de inlenersaansprakelijkheid wordt gestalte gegeven in artikel
7. Om onjuist
gebruik van de g-rekening in het
kader van de inlenersaansprakelijkheid
tegen te gaan, dient, zo is toegelicht in de memorie van toelichting
op wetsvoorstel Waadi (Kamerstukken II 1996-1997, 25 264, nr. 3, blz.
10-11), degene die niet zijn eigen personeel
uitleent maar in feite optreedt als
intermediair (doorlener) - door de
door hem ingeleende arbeidskrachten op zijn
beurt weer uit te lenen aan een
ander - niet gefacilieerd te worden
door de opening van een nieuwe of het
gebruik van een bestaande in
verband met aanneming van werk tot
stand gebrachte g-rekening,
waarop hij gelden kan ontvangen van de
uiteindelijke inlener om die gelden
vervolgens door te storten naar de ontvanger en het Lisv. Met het oog
daarop bewerkstelligt artikel 7 dat in alle
gevallen waarin betalingen ten
laste van een g-rekening worden gedaan op een
andere g-rekening - wanneer
dus doorstorting van g-geld plaatsvindt - die betalingen niet in aanmerking kunnen komen als vrijwarende
storting in de zin van de artikelen 34,
derde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet.
Het is dit aspect van de onderhavige
regeling dat wel wordt aangeduid
als het verbod tot doorstorting. Eén en
ander betekent overigens niet
dat degene die arbeidskrachten
inleent van een doorlener, geen
mogelijkheid zou hebben zich in te dekken tegen
de inlenersaansprakelijkheid. Daarvoor staan twee wegen open. In de
eerste plaats kan de uiteindelijke
inlener als het ware met een boog om de
doorlener heen storten op de g-rekening van de inhoudingsplichtige/werkgever
die in de artikelen 34, derde
lid, van de Invorderingswet
en 16a,
vierde lid, van de Coördinatiewet wordt
aangemerkt als uitlener. Dit zal de
uiteindelijke inlener wel met de
doorlener overeen moeten komen. In de
tweede plaats bestaat de mogelijkheid
(ook dit zal overeengekomen moeten
worden) het gedeelte van het
factuurbedrag dat geacht wordt betrekking
te hebben op loon- en omzetbelasting,
alsmede premie, rechtstreeks te storten
bij de ontvanger en het Lisv.
Artikel
8. Verdeling
tussen ontvanger en Lisv bij uitwinning pandrecht en andere acties voor
gezamenlijke rekening
Artikel 8 richt zich niet
tot de in- of uitlener maar geeft een nadere
uitwerking aan de onderlinge
verhouding van de bij de toepassing
van de inlenersaansprakelijkheid betrokken uitvoeringsinstanties: de ontvanger en het
Lisv. In de eerste
plaats gaat het om de uitoefening van het
ten behoeve van de ontvanger en het Lisv gezamenlijk op het saldo van de
g-rekening van de uitlener
gevestigde pandrecht. Het eerste lid van
artikel 8 schrijft voor dat het uitwinnen voor
gezamenlijke rekening geschiedt. Dit
vloeit voort uit het vervangen van het
vermoeden van betaling in het
g-rekeningenregime, zoals dat thans nog
wettelijk is geregeld met betrekking tot de
ketenaansprakelijkheid, door een stelsel van wettelijke vrijwaring in
de nieuwe artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet
en 16a,
vierde lid, van de Coördinatiewet.
Anders dan in de bestaande wettelijke
regeling van het vermoeden van betaling in
het kader van de ketenaansprakelijkheid, zijn de verdere lotgevallen van
de te goeder trouw door de inlener op
de g-rekening gestorte gelden in het
voor de inlenersaansprakelijkheid
met ingang van 1 juli 1998 geldende
herziene g-rekeningenstelsel niet van belang voor het verkrijgen van
vrijwaring. De bonafide aansprakelijke die stort
op de g-rekening verkrijgt zonder meer
vrijwaring voor het gestorte bedrag.
Dat bedrag is echter, zo
volgt uit de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet
en 16a, vierde lid, van
de Coördinatiewet, zowel
voor de voldoening van loon- en
omzetbelasting als voor de voldoening van premie bedoeld en komt in
mindering op het gezamenlijke bedrag aan
loon- en omzetbelasting alsmede
premie waarvoor in eerste aanleg voor de
inlener aansprakelijkheid is
ontstaan. Uitwinning van het
pandrecht op het saldo van de g-rekening
dient dan ook voor gezamenlijke
rekening te geschieden. Het ligt voorts voor de
hand deze lijn door te trekken naar
acties wegens wanprestatie of
onrechtmatige daad (of welke actie dan ook)
die erop gericht zijn de gevolgen
van een oneigenlijke aanwending van g-gelden,
bij voorbeeld voor de
betaling van materialen, te herstellen. Aldus
wordt veilig gesteld dat de ontvanger en het Lisv zich op de g-gelden
van de uitlener kunnen verhalen dan wel
voor de schade tengevolge van
het onjuist gebruik van g-gelden in
de vorm van een schadevergoeding
gecompenseerd kunnen worden voor het
teloorgaan van de
verhaalsmogelijkheden op het saldo van de g-rekening
van de uitlener.
Uit een oogpunt van
doelmatigheid is het daarbij gewenst
dat de ontvanger en het Lisv niet formeel
onafhankelijk van elkaar handelen maar
dat elk van hen voor
gezamenlijke rekening handelt.
Voor de verdeling van de
opbrengst van de uitoefening van
het pandrecht of van één der andere
genoemde acties kan geen vaste
verdeelsleutel worden gegeven. In de praktijk kan immers de mate waarin de
ontvanger is voldaan ter zake van
de schulden waarvoor hij de inlener
aansprakelijk kan stellen, afwijken van
de mate waarin het Lisv is voldaan.
Daarom bepaalt artikel 8, tweede lid, in
de eerste plaats dat de verdeling van de opbrengsten van de uitwinning van het
pandrecht en andere mogelijke
acties geschiedt naar evenredigheid van
ieders vorderingen. De ontvanger en het Lisv
dienen bij hun invorderingsacties in beginsel uitsluitend uit
te gaan van de formeel vastgestelde loonbelasting-, omzetbelasting- en
premieschulden. Daartegen kan de uitlener
echter bezwaar maken en beroep
instellen bij de daarvoor competente
rechter. Die mogelijkheid heeft
vervolgens ook de aansprakelijk gestelde
inlener. Over de mate waarin de formele
belasting- en premieschulden
overeenkomen met de materiële belasting- en
premieschuld kan dan ook lange tijd
onzekerheid bestaan, met name indien door de belanghebbenden gebruik
wordt gemaakt van alle
mogelijke rechtsmiddelen. Op de definitieve
vaststelling van de belasting- en
premieschulden in kwestie kan dan ook niet
worden gewacht alvorens verhaal
wordt genomen op het saldo van de
g-rekening of wordt opgetreden tegen
oneigenlijk gebruik van g-gelden. In
verband daarmee is het nodig dat de
ontvanger en het Lisv in onderling
overleg kunnen uitgaan van een geschat
beloop van de materiële belasting- en
premieschulden, in zoverre in afwijking van de formele schuldbedragen. Dit is
neergelegd in onderdeel a van
artikel 8, tweede lid. Blijkt
achteraf, bijvoorbeeld doordat na het doorlopen
van een aantal rechtsgangen de definitief vastgestelde belasting-
en premiebedragen meer dan in
verwaarloosbare mate afwijken van die
waarop een eerdere verdeling was gebaseerd,
dan kan verrekening
plaatsvinden op grond van onderdeel b van
artikel 8, tweede lid.
In de aanhef van dat
tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat
de verdeling plaatsvindt op nettobasis, dat wil zeggen na aftrek van aan derden
te vergoeden kosten. Die kosten zullen
doorgaans bestaan uit de kosten
welke door een advocaat in
rekening zullen worden gebracht in
verband met acties wegens wanprestatie of
onrechtmatige daad, na aftrek van het
bedrag van een eventuele door de
rechter toegekende tegemoetkoming daarin ten laste van de wederpartij
van de ontvanger of het Lisv. Het is dus
niet de bedoeling dat tussen de
ontvanger en het Lisv onderling kosten
in rekening worden gebracht.
Een voorbeeld moge dit
verduidelijken.
Uitlener X stelt in maand
y enige arbeidskrachten ter
beschikking aan inlener Z. De daaraan toe
te rekenen loonbelasting e.d.
bedraagt 350, de daaraan toe te rekenen premie werknemersverzekeringen 150, totaal 500.
Inlener Z stort dat
bedrag ook op de g-rekening van uitlener X. Deze
wendt dat g-geld echter niet
aan voor het beoogde doel, maar
bijvoorbeeld voor het voldoen van de
rekening van een collega-uitlener voor
enige doorgeleende krachten (anderen dan de
door X aan Z uitgeleende
krachten). Betaling van de
vorengenoemde 350 en 150 aan de ontvanger
respectievelijk het Lisv blijft om die
reden uit. Het Lisv komt als eerste in
actie, ontdekt het geschetste
oneigenlijke gebruik van het g-geld, maakt bij
de burgerlijke rechter een vordering tot
terugbetaling dan wel tot
schadevergoeding aanhangig (voor zoveel
nodig mede namens de ontvanger) en
krijgt deze vordering toegewezen.
Voor het voeren van deze procedure heeft
het Lisv, vanwege de verplichte
procesvertegenwoordiging, een advocaat ingeschakeld. De daaraan verbonden
kosten bedragen 75, waarvan er
25 worden gedekt door de
proceskostenveroordeling ten gunste van het Lisv.
Per saldo is dus 50 aan (externe)
kosten gemaakt om 500 te "redden".
Daarvan blijft 30%, oftewel 15, voor rekening van het Lisv. Voor rekening
van de ontvanger komt 70%, oftewel
35. Het personeel van de
desbetreffende uitvoeringsinstelling heeft a uren aan deze zaak besteed,
terwijl aan de inzet van dat personeel ook
bureaukosten en huisvestingskosten zijn toe te rekenen. Noch deze uren, noch deze
overige kosten komen echter voor verrekening in aanmerking. In het omgekeerde geval, de zaak
wordt behandeld door de ontvanger en zijn advocaat, geldt uiteraard
hetzelfde.
Artikel
9. Grenzen
aansprakelijkstelling
Hoewel
artikel 9 zich
niet tot de inlener of uitlener richt maar
tot de ontvanger en - formeel het Lisv,
feitelijk de voor het Lisv
optredende uitvoeringsinstelling - zijn de duidelijkheid en de rechtszekerheid
welke het artikel beoogt te scheppen naar
ons oordeel vooral van belang voor
het betrokken bedrijfsleven.
Artikel 9, eerste lid, geeft namelijk aan
binnen welke grenzen, uitgaande
van de wettekst van de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet
en
16a, vierde lid, van de Coördinatiewet, aansprakelijkstelling van de inlener kan
plaatsvinden. Ook de in dit artikel
opgenomen bepalingen worden in de
eerste plaats opgeroepen door
het toekennen van een wettelijk vrijwarend karakter aan de
stortingen van een aansprakelijke op de
g-rekening van de hoofdschuldenaar
inzake belasting of premie. De
vrijwaringsregeling in de artikelen 34, derde lid,
van de Invorderingswet
en 16a,
vierde lid, van de Coördinatiewet steunt immers op het uitgangspunt dat de
stortingen op de g-rekening bestemd
zijn zowel voor de voldoening van loon-
en omzetbelasting als van premie. Het
gezamenlijke bedrag aan stortingen op
de g-rekening komt in mindering op het gezamenlijk bedrag
waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid
is ontstaan van zowel de loon- en
omzetbelasting als premie. Het verschil
tussen die twee gezamenlijke bedragen
vormt dus, bezien vanuit de vrijwaringsregeling, het maximale bedrag
waarvoor de inlener door de ontvanger
en het Lisv kan worden aangesproken.
Daarnaast geldt uiteraard tevens
als maximum het bedrag dat de
ontvanger, onderscheidenlijk het Lisv van de betrokken hoofdschuldenaar nog te
vorderen heeft met betrekking tot
de loon- en omzetbelasting, onderscheidenlijk de premie, ter zake van het
aan de orde zijnde geval van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. Met
andere woorden: de
aansprakelijkheid geldt slechts voor het
openstaande bedrag.
Het hiervoor omschreven
maximale bedrag waarvoor - bezien vanuit de vrijwaringsregeling - de inlener met betrekking tot bepaalde
feiten aansprakelijk kan worden gesteld, is
deels toe te rekenen aan de
loon- en omzetbelasting waarvoor de inlener
aansprakelijk is en deels aan de premie
waarvoor de inlener aansprakelijk
is. Echter, om te weten hoe groot dat
bedrag nu is, dient de ontvanger
niet alleen te weten tot welk bedrag aan
loonbelasting en aan omzetbelasting in
eerste aanleg aansprakelijkheid
is ontstaan, maar ook op welk bedrag
in het desbetreffende geval de in eerste aanleg verschuldigde premie
gesteld moet worden, terwijl voor het Lisv het omgekeerde geldt. De
ontvanger en het Lisv zullen voor de
beantwoording van de in concrete
gevallen ter zake rijzende vragen voor elkaar over
en weer de in dit verband noodzakelijke hand- en spandiensten moeten
verrichten. Alleen op die wijze wordt
jegens de inlener recht gedaan aan
de wettelijke vrijwaringsregeling. Dit
geldt ook in gevallen waarin hetzij de
ontvanger, hetzij het Lisv zelf
meent niet meer te vorderen te hebben van de
hoofdschuldenaar, de uitlener, en dus zelf niet overweegt tot aansprakelijkstelling
over te gaan.
Ingeval de aansprakelijke
inlener wel stortingen op de
g-rekening heeft gedaan, doch die gelden
niet zijn gebruikt voor voldoening
van de belasting- en premieschuld van de uitlener, terwijl die schulden ook
niet op andere wijze zijn voldaan, is
het gevolg dat het gezamenlijke bedrag
van de door de ontvanger en door het Lisv uit te brengen aansprakelijkstelling lager is dan het gezamenlijke
bedrag van de bij de ontvanger en het Lisv openstaande posten. Dit vloeit
eenmaal voort uit de nieuwe, voor
de inlenersaansprakelijkheid met ingang van 1 juli 1998 geldende
vrijwaringsregeling, waarin besloten ligt dat
de bonafide aansprakelijke niet
verantwoordelijk is voor de wijze waarop de
houder van de g-rekening met de
saldi van die rekening omgaat. In dit
geval dienen de ontvanger en het Lisv de omvang van de aan de
aansprakelijke inlener uit te brengen
aansprakelijkstellingen dus te beperken tot een
zodanig bedrag dat de bovengrens
die uit de nieuwe
vrijwaringsregeling voortvloeit, niet wordt overschreden.
De onderlinge afstemming
van de bedragen waarvoor de
inlener door de ontvanger respectievelijk het Lisv aansprakelijk kan worden
gesteld, dient te geschieden aan
de hand van een redelijke
verdeelsleutel. Een vaste sleutel kan niet gegeven
worden, omdat in de praktijk veel
verschillen optreden in de mate
waarin hetzij de ontvanger hetzij het Lisv
is voldaan. De bedragen waarvoor de
schulden in de boeken van de
ontvanger respectievelijk het Lisv nog openstaan, voor zover althans de inlener
daarvoor aansprakelijk is, vormen in beginsel de meest voor de hand
liggende verdeelsleutel. Om dezelfde redenen als
die welke zijn toegelicht
inzake artikel 8, tweede lid, dient onder omstandigheden van die verdeelsleutel
afgeweken kunnen worden. Daarom is
in het tweede lid van artikel 9,
artikel 8, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing verklaard.
De werking van artikel 9,
eerste lid, willen we illustreren aan
de hand van twee voorbeelden (waarbij
ook wel over
uitvoeringsinstelling wordt gesproken in plaats van over Lisv).
Voorbeeld 1
Het op de g-rekening van
de uitlener gestorte bedrag is in
zijn geheel aangewend ter voldoening van hetzij
de ontvanger, hetzij het Lisv.
Uitlener A stelt
arbeidskrachten ter beschikking aan inlener B
voor een bedrag van 1000. In dit
bedrag zijn begrepen 350 aan
belastingen en 150 aan premies Lisv. Inlener
B stort ter zake slechts 150 op de
g-rekening van uitlener A. Dit bedrag
wordt door A in zijn geheel aangewend om
de premies Lisv te voldoen. Uitlener
A gaat vervolgens failliet. De ontvanger
wil B aansprakelijk stellen voor de onbetaald gebleven belastingschuld
van A, zijnde 350.
Alvorens tot
aansprakelijkstelling over te gaan, informeert
de ontvanger bij de desbetreffende
uitvoeringsinstelling wat de premieschuld van A
is in verband met de uitlening
aan B en in hoeverre deze schuld
reeds is voldaan. In dit voorbeeld zijn de premies Lisv reeds geheel voldaan.
Voor de uitvoeringsinstelling is er dus geen aanleiding om tot
aansprakelijkstelling over te gaan. Het bedrag
waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid
is ontstaan (voor het gezamenlijke
bedrag van 350 + 150 = 500), minus het
vrijwarende, op de g-rekening gestorte
bedrag ad 150, leidend - vanuit de vrijwaringsregeling bezien - tot een bedrag
waarvoor ten hoogste aansprakelijkstelling kan plaatsvinden ad 350,
correspondeert in dit geval geheel met
het bedrag dat in de
administratie van de ontvanger nog open staat
inzake de belastingschuld van A
waarvoor B aansprakelijk is. De ontvanger kan B
dus voor het gehele
openstaande bedrag van 350 aansprakelijk
stellen.
Voorbeeld 2
Het op de g-rekening
gestorte bedrag wordt slechts ten dele
aangewend ter voldoening van de
ontvanger en het Lisv.
Ook in dit voorbeeld
stelt uitlener A arbeidskrachten ter
beschikking aan inlener B voor een bedrag
van 1000, zijn in dit bedrag
begrepen 350 aan belastingen en 150 aan premies Lisv en stort inlener B
ter zake slechts 150 op de g-rekening van A.
Anders dan in voorbeeld 1 wendt
uitlener A thans van dit bedrag 50 aan
voor de voldoening van de met deze uitlening
verband houdende premies Lisv, 50
voor de met de uitlening verband houdende belastingen (en 50 voor
iets anders). Uitlener A laat
vervolgens de belasting- en premieschulden
onbetaald en gaat failliet.
De uitvoeringsinstelling
wil B aansprakelijk stellen voor de onbetaald
gebleven premieschuld van A,
zijnde 100 (150 minus 50). Alvorens
tot aansprakelijkstelling over te gaan, informeert de uitvoeringsinstelling
bij de ontvanger wat de belastingschuld is
van A in verband met de uitlening
aan B en in hoeverre deze schuld
reeds is voldaan. Er blijkt bij de
ontvanger nog 300 open te staan (350 minus 50),
waarvoor de ontvanger inlener B
aansprakelijk wil stellen. Omdat dus sprake
is zowel van een openstaande belastingschuld als van een openstaande
premieschuld van A, is er zowel voor
de uitvoeringsinstelling als voor de ontvanger
aanleiding om tot
aansprakelijkstelling van B over te gaan. In verband
daarmee moeten zij hun
aansprakelijkstellingen op elkaar afstemmen.
In dat kader stellen zij
enerzijds vast dat het gezamenlijke
bedrag van de door ieder van hen aan B
uit te brengen aansprakelijkstellingen,
bezien vanuit de vrijwaringsregeling, maximaal 350 kan bedragen (het
gezamenlijke bedrag van de
aansprakelijkheidsschulden in eerste aanleg ad 500
(350 + 150) minus het op de
g-rekening gestorte bedrag ad 150). Anderzijds dat dit totaalbedrag van
350 lager is dan het gezamenlijke
bedrag van hetgeen openstaat in de
administratie van de ontvanger (300) en in
de administratie van de
uitvoeringsinstelling (100) ad in totaal 400. Een
deel daarvan, groot 50, mag dus niet in
de aansprakelijkstellingen van inlener B worden betrokken. Oftewel: er is
sprake van een "tekort" van 50.
De ontvanger en de uitvoeringsinstelling
zullen dit tekort van 50 moeten
verdelen over ieders
aansprakelijkstelling, of, anders gezegd, zij moeten hun aansprakelijkstelling
beperken naar rato van
ieders vordering op A. De uitvoeringsinstelling kan B aansprakelijk
stellen voor 100/400 x 350 = 87,5. De
ontvanger kan B aansprakelijk stellen
voor 300/400 x 350 = 262,5. Tezamen dus
tot een bedrag van 350.
Artikel
10.
Deblokkeringsverzoek
Artikel 10 gaat over het
zogenoemde deblokkeren en houdt in
feite een codificatie in van de
huidige uitvoeringspraktijk in het kader van de ketenaansprakelijkheid.
Deblokkeren houdt in dat de ontvanger
en het Lisv toestemming verlenen het
op de g-rekening aanwezige saldo of een
deel daarvan te gebruiken voor
een ander doel dan de voldoening
van de loon- en omzetbelasting en de
premie welke verband houdt met de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
Daartoe kan aanleiding bestaan
indien de aansprakelijken
veiligheidshalve te hoge bedragen hebben gestort
op die rekening. Ook kan het zijn dat, om
welke reden dan ook, de
belasting- en premieschulden van de uitlener reeds geheel of ten dele door
hem vanaf een vrije rekening zijn
voldaan. Verder is het mogelijk dat er
rechtstreekse stortingen zijn gedaan waarmee de
belasting- of premieschuld waarvoor
in beginsel
aansprakelijkheid bestaat, is voldaan. Van belang is eveneens - dat geldt met name voor de
loon- en omzetbelasting - dat er
enige tijd verloopt tussen het ontstaan van
de materiële schuld en de
formalisering daarvan, terwijl op grond van
ervaring het vermoeden bestaat dat
binnenkort een loon- of omzetbelastingschuld invorderbaar zal worden. Zolang en
voor zover niet aannemelijk is dat
het op een bepaald tijdstip op de
g-rekening aanwezig saldo min of meer
duurzaam overtollig is uit het
oogpunt van de bestemming van de saldi
op die rekening, zal de ontvanger of het Lisv een deblokkeringsverzoek niet
honoreren. Onder omstandigheden kan
daarvan worden afgeweken,
bijvoorbeeld doordat zekerheid wordt gesteld
door middel van een bankgarantie of
compensatie wordt geboden door verrekening van een te deblokkeren
bedrag met andere vorderingen. Op
het laatste zien de woorden "onder
door hen te stellen voorwaarden" in
artikel 10, eerste lid.
Ter voorkoming van
problemen rond de bewijslast van het al
dan niet hebben gedaan van een deblokkeringsverzoek is in het tweede lid
voorgeschreven dat het deblokkeringsverzoek schriftelijk moet worden
gedaan.
Het verzoek kan worden
ingediend hetzij bij de ontvanger,
hetzij bij de voor het Lisv optredende uitvoeringsinstelling. De instelling waar het
verzoek binnenkomt, handelt het verzoek af, tot en met de
bekendmaking van de beslissing op het
verzoek aan de desbetreffende
rekeninghouder. Materieel beslissen de
ontvanger en het Lisv gezamenlijk ("in
onderlinge overeenstemming"
volgens het derde lid). De afhandelende instantie is ook die welke de verzoeker
vraagt de nodige gegevens te verstrekken,
veelal door middel van een
daartoe ontworpen formulier. Wordt de
gevraagde informatie niet of niet
in de gevraagde vorm verschaft, dan wordt
het verzoek afgewezen (vierde lid).
Artikel
11. Opzegging
De regels met betrekking
tot de opzegging van de
g-rekeningovereenkomst zijn neergelegd in
artikel 11. Het eerste lid komt
inhoudelijk in grote lijnen overeen met
de bestaande wettelijke regels inzake
opzegging van de g-rekeningovereenkomst
in het kader van de
ketenaansprakelijkheid. Nieuw is de opzegging bij
verlening van surseance van
betaling, omdat de bevoegdheden van degene
aan wie die surseance is verleend nog slechts kunnen worden uitgeoefend met de
goedkeuring van de desbetreffende bewindvoerder. Indien dit
verantwoord lijkt, wordt vervolgens
met de curator, dan wel met
degene aan wie surseance van betaling
is verleend en de betrokken
bewindvoerder, zo deze dat wensen, een nieuwe
g-rekeningovereenkomst gesloten.
Ter voorkoming van
bewijsproblemen is in het derde lid
bepaald dat opzegging schriftelijk
geschiedt. Voorts vermeldt dat lid
dat een opzegging niet eerder van kracht wordt dan nadat de opzegging aan de
overige bij de g-rekeningovereenkomst
betrokken partijen is
bekendgemaakt. De opzegging zal voorts niet van
kracht zijn zolang en voor zover die
opzegging een belemmering zou
vormen van de toepassing van het vierde
lid.
In dat vierde lid is
namelijk met het oog op de rechtszekerheid
en de rechtsbescherming neergelegd, hetgeen overigens door de
uitvoeringsinstanties werd en wordt aangenomen voor de
ketenaansprakelijkheid, dat opzegging niet kan
verhinderen dat de g-rekeningovereenkomst,
dus ook het pandrecht van de
ontvanger en het Lisv, van toepassing
blijft op het saldo van de g-rekening ten
tijde van de opzegging. Nieuw is dat hetzelfde ook geldt voor hetgeen nadien
op die rekening wordt gestort in verband
met de aansprakelijkheid met
betrekking tot de loonbelasting,
omzetbelasting en premie waarvoor de
inlener aansprakelijk is. Eén en ander kan
evenwel geen doorgang vinden voor zover
daardoor strijd zou ontstaan met
de gevolgen die rechtens zijn
verbonden aan het in staat van faillissement
verklaren van de rekeninghouder of het hem
verlenen van surseance van
betaling.
Aan de andere kant, zo
bepaalt het vijfde lid, kunnen er
geen vrijwarende stortingen meer gedaan
worden op de g-rekening van de
uitlener indien daarop niet het pandrecht van de
ontvanger en het Lisv komt te
rusten. Dit is met name van belang in
het geval dat de uitlener failliet
wordt verklaard.
Artikel
12.
Inwerkingtreding
De werking van deze
regeling is blijkens artikel 12 afhankelijk
gesteld van het in werking treden van
de artikelen 16 en 17
van de wet
waarin wetsvoorstel Waadi is uitgemond (Wet
van 14 mei 1998, Stb. 1998, 306).
Beoogd is onmiddellijke werking. Ter voorkoming
van misverstanden is daarom
bepaald dat deze regeling voor het
eerst toepassing vindt met betrekking tot
aansprakelijkheidsverplichtingen die op of na de datum van inwerkingtreding ontstaan.
De Staatssecretaris van
Financiën,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|
|